Marte van Santen

Freelance journaliste en schrijfster

VERGROEIINGEN VOORKOMEN oktober 27, 2009

Ingedeeld onder: 03 - Cicero — martevansanten @ 9:00 pm

019

 

In december 2008 is het LUMC gestart met een onderzoek naar de vroege opsporing spondyloartritis, een groep reumatische aandoeningen waaronder de ziekte van Bechterew. “Hoe eerder je erbij bent, hoe beter je de patiënt kunt helpen.”

 

Als kind zag Mark Kleijweg (26) hoe zijn opa en oom steeds krommer gingen lopen. Zij hadden de ziekte van Bechterew, vertelden zijn ouders hem. Een reumatische aandoening die hij later ook zou kunnen krijgen.

Toen Mark Kleijweg een jaar geleden regelmatig last kreeg van een stijve rug, besloot hij al snel naar de huisarts te gaan. Want één ding wist hij zeker: hij wilde niet dezelfde lijdensweg als zijn oom – nu begin 50 – doormaken. “Die had tien jaar Bechterew voordat met behandeling werd gestart. Zijn rug was toen al zo krom gegroeid, dat er een zware operatie aan te pas moest komen om hem te helpen. Het vergroeide bot werd weggebeiteld, en er werd een frame met pinnen in zijn rug geplaatst. Hoewel de operatie goed geslaagd is en hij weer gewoon kan werken, is hij nog steeds beperkt in zijn fysieke doen en laten.”

De huisarts onderzocht Kleijweg’s rug en liet röntgenfoto’s maken. De conclusie: niets aan de hand. Alhoewel, uit bloedonderzoek bleek dat hij drager was van het zogenaamde HLA-B27 gen; een sterke indicator dat hij Bechterew zou kunnen ontwikkelen. Bij ruim 90% van de mensen met Bechterew komt die erfelijke factor namelijk in het bloed voor. Maar omdat zijn klachten nog erg licht waren, kon zijn huisarts op dat moment niets voor hem doen.

Het was zijn oom, zelf onder behandeling in het LUMC, die hem op het project wees dat onder andere tot doel heeft de ziekte van Bechterew in een vroeg stadium op te sporen. Kleijweg was direct enthousiast. “Ik heb me aangemeld, in de hoop dat ik in het LUMC meer duidelijkheid kon krijgen.”

In februari 2009 is zijn deelname in het SPACE-project gestart. Een harde diagnose heeft Kleijweg tot nu toe niet gekregen. “Ik weet dus nog steeds niet zeker of ik daadwerkelijk Bechterew heb. Maar als er echt iets mis zou zijn, hadden ze wel aan de bel getrokken. Het idee dat ik gedurende twee jaar in de gaten gehouden word, vind ik heel geruststellend.”

Behalve voor zijn eigen gemoedsrust heeft Kleijweg nóg een reden om aan het onderzoek mee te werken. Twee jaar geleden is hij namelijk vader geworden van een zoontje. “Het zou zomaar kunnen dat hij later ook Bechterew krijgt. Mocht dat onverhoopt zo zijn, dan kan hij door dit onderzoek hopelijk nog eerder en nog beter geholpen worden.”

Tussen het ontstaan van de eerste klachten en het stellen van de diagnose spondyloartritis zit gemiddeld zeven jaar. Bewegingswetenschapper Rosaline van den Berg coördineert het onderzoek dat als doel heeft die periode flink in te korten.

Rugpijn hebben we allemaal wel eens. Meestal trekt het ongemak na een paar dagen vanzelf weg. Dat ligt anders bij patiënten met chronische rugpijn. Zij hebben daar soms jaren last van, zonder te weten waar het vandaan komt.

“De ziekte van Bechterew is een mogelijke oorzaak van onverklaarde rugpijn”, vertelt Van den Berg. Bechterew is één van de verschillende vormen van spondyloartritis (SpA), een groep aandoeningen die wordt gekenmerkt door ontstekingen in de wervelkolom en het bekken. Uiteindelijk leiden die ontstekingen tot vergroeiingen van het bot en daarmee verstijving van de rug, aldus Van den Berg. “Maar voor je dat op een röntgenfoto kunt vaststellen, gaan er jaren voorbij. Tegen die tijd is het kwaad al deels geschied, want eenmaal vergroeid bot is niet meer te corrigeren. Vandaar dat het zo belangrijk is om SpA vroeg op te sporen.”

Met het SPACE-project (SPACE staat voor SPondyloArthritis Caught Early) proberen initiatiefnemer prof. dr. Désirée van der Heijde en Van den Berg te achterhalen welke verschijnselen het ontstaan van SpA al vroeg in het proces kunnen voorspellen. Potentiële deelnemers aan het onderzoek – patiënten die langer dan drie maanden maar korter dan twee jaar last hebben van chronische rugpijn en bij wie de pijn is ontstaan vóór hun 45ste levensjaar – worden grondig doorgelicht. Van den Berg: “We doen lichamelijk onderzoek, nemen bloed af en maken röntgenfoto’s en een MRI. Een ontsteking is een belangrijke aanwijzing dat er sprake kan zijn van SpA. Op een röntgenfoto is die niet zichtbaar, op een MRI wel.”

Als blijkt dat de patiënt aan de criteria van het onderzoek voldoet, dan wordt hij of zij in de twee jaar daarna nog drie keer onderzocht. “Op die manier kunnen we de ontwikkeling van de symptomen goed volgen, inclusief het effect van eventuele behandeling”, aldus Van den Berg.

Uiteindelijk moet het SPACE-project ervoor zorgen dat de diagnose SpA met behulp van nieuwe criteria zo vroeg mogelijk kan worden gesteld. Behalve specialisten zullen ook huisartsen veel aan de criteria hebben, verwacht Van den Berg. “Nu duurt het vaak lang voor een huisarts een patiënt met rugklachten naar de reumatoloog doorverwijst. Hopelijk is hij straks eerder in staat de ziekte te herkennen. Hoe eerder je erbij bent, hoe beter je patiënten kunt helpen. Met medicijnen, fysiotherapie en beweging kunnen de pijn en de stijfheid worden bestreden. Nieuwe middelen helpen de beweeglijkheid – en dus de functie – van de wervelkolom te behouden. Hoe langer dat lukt, hoe langer een patiënt een leven zonder beperkingen kan leiden.”

 

[Kader]

Wat is spondyloartritis?

Spondyloartritis (SpA) is een ontsteking in de wervelkolom en het bekken. Er bestaan verschillende vormen van de aandoening. De meest bekende is de ziekte van Bechterew. Andere varianten zijn gewrichtsontstekingen die zich voordoen bij de huidaandoening psoriasis of bij de darmziekte Crohn.

Na reumatoïde artritis (RA) is SpA de meest voorkomende vorm van chronische gewrichtsontsteking. Naar schatting lijdt ongeveer 1% van alle Nederlanders aan de ziekte. Van de mensen met chronische rugpijn is dat zelfs 5%.

SpA treft voornamelijk jongvolwassenen tussen de 20 en 30 jaar. De belangrijkste klachten zijn pijn, stijfheid en soms verkromming van de rug door vergroeiingen van de wervels. Patiënten kunnen ook last hebben ontstekingen in de ogen, de darmen of de huid (psoriasis).

Tot voor kort werd SpA uitsluitend met fysiotherapie en ontstekingsremmers behandeld. Een belangrijke doorbraak was de introductie van een nieuw soort geneesmiddelen, zogenaamde anti-TNF blokkers. Deze zorgen voor een serieuze verbetering, waardoor de patiënt langer goed kan blijven functioneren.

 

[Kader]

Meer weten?

Kijk op www.space-project.nl. Wilt u weten of u in aanmerking komt om aan het onderzoek deel te nemen? Neem dan contact op met Rosaline van den Berg. Telefoon: 071 – 526 56 55; email: r.van_den_berg@lumc.nl

 

GRIEPVACCINATIES IN ONTWIKKELING juni 16, 2009

Ingedeeld onder: 03 - Cicero — martevansanten @ 3:01 pm

Scannen0009

Nu de Mexicaanse griep zich in een rap tempo over de wereld verspreidt, staat ook de jaarlijkse griepvaccinatie weer volop in de belangstelling. Binnen het LUMC wordt er regelmatig onderzoek naar gedaan.

 

Meer vaccin beschermt verpleeghuisbewoners beter tegen griep

Elk jaar worden er wereldwijd honderden miljoenen mensen ingeënt tegen de griep. Niet verwonderlijk dus, dat er veel onderzoekstijd en –geld wordt besteed aan het nog efficiënter en effectiever kunnen vaccineren. Eén van LUMC-medewerkers die daar onderzoek naar doet, is prof. dr. Herman Cools, hoogleraar verpleeghuisgeneeskunde. Samen met een aantal andere auteurs publiceerde hij recent een artikel in de Journal of Medical Virology over griepvaccinaties bij bewoners van verpleeghuizen. De conclusie: een verdubbeling van de dosis van het vaccin zorgt in deze doelgroep voor een betere bescherming tegen griep.  

Ondanks alle preventieve maatregelen, waaronder vaccinatie, doet zich ieder jaar in veel verpleeghuizen een explosie van griepgevallen voor. Dat heeft er onder andere mee te maken dat verpleeghuisbewoners een lagere ‘immuunrespons’ hebben – oftewel: minder goed reageren – op de standaarddosis griepvaccin van 15 μg dan mensen in de bloei van hun leven. “Door de dosis van het griepvaccin te verdubbelen, kun je meer verpleeghuisbewoners op voorhand beschermen”, aldus Cools. “Dat effect wordt nog versterkt als je drie maanden later een extra ‘boost’ van het vaccin toedient. Zo bied je ook bescherming in de laatste fase van het griepseizoen.”

Cools benadrukt dat een hogere dosis van het vaccin geen 100% afweer tegen griep biedt. Vandaar dat er ook andere maatregelen moeten worden genomen om verpleeghuisbewoners te beschermen. “Om de overdracht van het virus te beperken is het belangrijk dat het personeel zich eveneens laat inenten. En ook met sneldiagnostiek en snelle behandeling valt ook nog veel te winnen.”

Dat gezegd hebbende is nu wel voor het eerst in een grootschalige studie – in totaal werden 815 bewoners van veertien verschillende verpleeghuizen onderzocht – bewezen dat een dubbele dosis griepvaccin bij deze groep écht zin heeft. Cools: “Mijn advies aan alle specialisten ouderengeneeskunde is dan ook om zo snel mogelijk met een dubbele dosis te gaan vaccineren.”

 

Bij verminderde weerstand via de huid vaccineren

Over het algemeen wordt een griepvaccin in een spier in de arm ingespoten. Al lang is bekend dat vaccinatie via de huid feitelijk effectiever is. Door het grote aantal natuurlijke afweercellen in de huid werkt het vaccin daar beter, en is er dus minder van nodig. Vooral dat laatste is in een tijd dat het woord ‘pandemie’ regelmatig valt, een geruststellend idee. Het betekent immers dat men met dezelfde hoeveelheid vaccin meer mensen kan inenten. Maar omdat het toedienen via de huid een tijdrovend precisiewerkje is, en het bovendien een sterkere afweerreactie in de vorm van een rode vlek op de huid geeft, lijkt deze manier van vaccineren vooralsnog niet geschikt voor grote groepen.

“Dat ligt anders voor patiënten met een verminderd afweersysteem, die extra belang hebben bij immuniteit tegen griep”, zegt internist-infectioloog drs. Luc Gelinck. Samen met een aantal collega’s onderzocht hij bij drie groepen patiënten – die met HIV waren besmet, die met een bepaald reumamedicijn werden behandeld of die een stamceltransplantatie hadden ondergaan – of een griepvaccinatie via de huid beter werkt. Ja, luidt het antwoord, dat in het laatste nummer van het vakblad Vaccine wordt toegelicht.

“Met een veel kleinere dosis – een vijfde van normaal – werd bij een groot deel van de onderzochte groep een evengoed resultaat behaald als met een reguliere inenting in de armspier”, aldus Gelinck. Een bijkomend voordeel is volgens hem dat je blijkt te kunnen voorspellen bij wie het vaccin wel goed aanslaat, en bij wie niet. “Een afweerreactie in de vorm van een rode vlek op de huid duidt op succes”, vertelt Gelinck. “Geen reactie betekent: minder of geen immuniteit. Zo kunnen artsen voortaan vroegtijdig bepalen of voor een bepaalde patiënt extra actie nodig is.”

 

PITTIGE DISCUSSIES TIJDENS LEIDS ONDERWIJSDEBAT mei 11, 2009

Ingedeeld onder: 03 - Cicero — martevansanten @ 7:08 am

Scannen0012

‘Studenten hebben recht op op een stagevergoeding voor coschappen’. En ‘In de bachelorfase Geneeskunde is Engelstalig onderwijs overbodig en onwenselijk’. Dat waren twee van de prikkelende stellingen die op 14 april aan de orde kwamen tijdens het Leidse Onderwijsdebat 2009.

 

Tijdens het jaarlijks terugkerende debat, dat werd georganiseerd door M.F.L.S – de Leidse studievereniging voor studenten Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen – namen voor- en tegenstanders van vier actuele thema’s het tegen elkaar op. Het publiek van docenten en studenten, dat in grote getale was toegestroomd, werd aangemoedigd actief deel te nemen aan de discussie. Via stemkastjes hadden zij de mogelijkheid om zich vóór of tegen de verschillende stellingen uit te spreken.

 

Maurits Buiten, voorzitter van het KNMG Studentenplatform, en ir. Maarten le Clercq, lid van de Raad van Bestuur van het LUMC, beten het spits af met hun pleidooi over de stagevergoeding voor coschappen. Als voorstander haalde Maurits Buiten de CAO van de GGZ aan. De daarin gebruikte definitie van een stagiair is één op één van toepassing op een coassistent, betoogde hij. Bovendien hebben coassistenten vanwege hun lange werkweken geen mogelijkheid om geld te verdienen met een bijbaantje.

 

RvB-lid Le Clerq stelde daar tegenover dat het illegaal is een geneeskundestudent voor zijn werk te betalen, omdat hij officieel nog niet bevoegd is zelfstandig medisch te handelen. Bovendien zou extra geld voor een stagevergoeding in deze economisch moeilijke tijd volgens hem ten koste gaan van patiëntenzorg. Een van de toeschouwers – een docent – voegde daaraan toe dat een coassistent vanwege de uitgebreide begeleiding nog altijd meer kóst dan hij oplevert. Het bleek onvoldoende om het publiek te overtuigen: bij de stemming met stemkastjes sprak een meerderheid zich uit vóór een stagevergoeding voor coassistenten.

 

De meest levendige discussie ontstond over de stelling ‘In de bachelorfase Geneeskunde is Engelstalig onderwijs overbodig en onwenselijk’. Bij aanvang van het debat bleek 25% van de aanwezigen het daarmee eens en 75% oneens. Docent en blokcoördinator dr. Arko Gorter presenteerde zich als een overtuigd voorstander van de stelling. Hij betoogde dat het overgrote deel van de toekomstige artsen zich voornamelijk met Nederlandse patiënten gaat bezighouden, en dat het daarom essentieel is dat zij de medische terminologie in hun moedertaal aanleren. De kennis daarvan is onder de maat, aldus Gorter. “Lees de tentamens er maar op na!” Bovendien zorgt Engelstalig onderwijs in de bachelorfase volgens hem voor minder diepgang bij colleges, en werpt het een drempel op om vragen te stellen.

 

Student assessor Maarten Vink deelde de mening van Gorter in het geheel niet. In zijn weerwoord legde hij de nadruk op de internationalisering. Een groot deel van de geneeskundestudenten brengt een periode in het buitenland door. En misschien nog belangrijker: de wetenschappelijke voertaal is Engels. 95% van alle medische artikelen wordt in het Engels gepubliceerd, bracht Vink in. Willen studenten bijblijven op hun vakgebied, en wil het LUMC in het onderzoek voorop lopen, dan is Engelstalig onderwijs een must, zo besloot hij zijn betoog.

 

In het publiek bleken de meningen zeer verdeeld. Sommige studenten waren ronduit blij met Engelstalig onderwijs in de bachelorfase, omdat ze zich daarmee in het buitenland beter staande kunnen houden. Anderen vonden Engelstalig onderwijs niet nodig, maar gaven aan wel behoefte te hebben aan les in ‘shoptalk’, oftewel vaktaal, om hen te helpen bij het schrijven van papers en artikelen in het Engels. De meeste docenten die zich in het debat mengden, spraken zich uit voor een bachelor in het Nederlands. Daarbij liet men niet na hand in eigen boezem te steken; lang niet alle docenten zouden de Engelse taal op zo’n niveau beheersen, dat ze er met voldoende diepgang les in kunnen geven.

 

Aan het eind van de discussie werd nogmaals over de stelling gestemd. Waar vooraf 25% Engelstalig onderwijs in de bachelorfase onzin vond, was dat percentage naderhand gestegen naar 33%. Een kleine overwinning voor Arko Gorter. Maar of zijn strijd tegen Engelstalig onderwijs in de bachelorfase daarmee ook gewonnen is….?

 

ALS ER HAAST BIJ IS april 12, 2009

Ingedeeld onder: 03 - Cicero — martevansanten @ 10:29 am

scannen00081

Wie graag naar Britse of Amerikaanse ziekenhuisseries kijkt, kent ze al langer: de speciaal opgeleide artsen die uitsluitend op de Eerste Hulp werken. Maar in Nederland is het specialisme relatief nieuw. Zo ook in het LUMC. 

In 2004 bracht de Inspectie voor de Gezondheidszorg een rapport uit over de kwaliteit van spoedeisende hulp in Nederland. De conclusie: op de eerste hulp werken vaak jonge, weinig ervaren artsen. En dat terwijl bij acute en ingewikkelde gezondheidsproblemen kennis en routine zo’n belangrijke rol spelen. De uitkomsten van het rapport waren voor het LUMC aanleiding om met een nieuwe, driejarige opleiding Spoedeisende Geneeskunde in het leven te roepen. Per 1 november 2008 is die officieel erkend. Inmiddels zijn er vijf artsen-in-opleiding (aio’s) mee gestart. 

Totaalplaatje

Tot voorkort ging het zo. Een patiënt met een acuut zorgprobleem kwam op de eerste hulp. Daar werd, afhankelijk van de klacht, de juiste specialist uit het ziekenhuis opgeroepen. Soms kon het een tijdje duren voor die daadwerkelijk aan het bed van de patiënt stond. Vervolgens bekeek de arts of hij de klacht vanuit zijn specialisme kon verklaren. Zo niet, dan werd er een andere arts bijgehaald. 

“Op zich een prima werkwijze, want specialisten hebben de meeste kennis van zaken”, zegt Irma van Everdinck – Van der Pols, afdelingshoofd van het Centrum Eerste Hulp. “Maar bij acute problemen kan zo kostbare tijd verloren gaan. Een spoedeisende hulparts – kortweg SEH-arts – wordt getraind in het omgaan met levensbedreigde situaties. Juist dan kan het snel starten met de behandeling het verschil maken tussen leven en dood. Bovendien presenteren patiënten zich vaak met meerdere klachten. In zo’n geval is het handig als een arts een inschatting van het totaalplaatje kan maken.”

Dat is precies wat een SEH-arts doet; hij coördineert de zorg voor elke patiënt die op de eerste hulp binnenkomt. Omdat hij tijdens zijn opleiding over veel verschillende specialismen leert, zoals cardiologie, heelkunde, kindergeneeskunde en neurologie, kan hij snel beoordelen wat het probleem is. In veel gevallen is hij in staat dat zelf op te lossen. Zo niet, dan roept hij er een andere specialist bij. Voor de patiënt betekent het: minder lang wachten en een snellere diagnose.

24 uur per dag, zeven dagen per week

Op dit moment zijn er zijn er vier SEH-artsen bij het LUMC werkzaam, en vijf assistenten in opleiding. Daarmee is er op maandag tot en met vrijdag overdag en ’s avonds altijd een SEH-arts op de Eerste Hulp aanwezig. “In de toekomst moet dat 24 uur per dag, zeven dagen per week worden”, aldus Van Everdinck – Van der Pols. “Maar daarvoor hebben we meer SEH-artsen nodig. Het kan nog even duren voor we dat aantal hebben bereikt.”

Christian Heringhaus, medisch hoofd van het Centrum Eerste Hulp, is inhoudelijk verantwoordelijk voor het opleidingsprogramma van de aio’s. Op de vraag waarom het specialisme hier pas recentelijk van de grond is gekomen terwijl het in de VS al zolang bestaat, antwoordt hij: “De zorg is daar anders georganiseerd. Omdat er amper huisartsen in de VS zijn, kloppen patiënten vaak direct bij de spoedeisende hulp aan. De reden waarom we hier met de opleiding zijn begonnen is dan ook een andere dan in de VS: we willen de kwaliteit van de ziekenhuiszorg verbeteren en de continuïteit waarborgen.” 

Over huisartsen gesproken: ook die hebben volgens Heringhaus baat bij de nieuwe werkwijze. “Er werken veel specialisten in een ziekenhuis. Voor een huisarts is het vaak lastig de juiste te vinden om zijn patiënt met acute klachten naar door te verwijzen. Maar nu kan hij direct contact opnemen met de dienstdoende SEH-arts. Dat is praktischer voor hem, voor ons en voor de patiënt.”

 

[Kader]

Centrum Eerste Hulp
Het Centrum Eerste Hulp (CEH) van het LUMC is een zelfstandige afdeling binnen het ziekenhuis. Jaarlijks worden er 25.000 tot 30.000 patiënten gezien met een acute zorgvraag. Zo’n 35% van hen wordt doorverwezen door de huisarts of met de ambulance binnengebracht. De rest komt spontaan binnenlopen. De afdeling is 24 uur per dag, zeven dagen per week geopend. ’s Avonds en in het weekend wordt er samengewerkt met de huisartsenpost, die direct naast het CEH zit. 

 

NIEUWE INSTRUMENTEN VOOR DE GEZONDHEIDSZORG maart 24, 2009

Ingedeeld onder: 03 - Cicero — martevansanten @ 10:33 am

scannen00112

Diabetespatiënten die thuis hun bloedsuikerspiegel kunnen meten. Galblaasoperaties die door een ‘sleutelgat’ in de buik worden uitgevoerd. Computerprogramma’s die afwijkingen in cellen herkennen en zo bijdragen aan het stellen van een goede diagnose. Het zijn slechts een paar voorbeelden van instrumenten die de gezondheidszorg de afgelopen jaren efficiënter en veiliger hebben gemaakt. Maar er kan nog zoveel méér. Een stimuleringsprogramma waarin onderzoekers, het bedrijfsleven en zorgverleners samenwerken moet daarvoor gaan zorgen. 

Door de vergrijzing is er over 20 jaar 10% minder personeel op de arbeidsmarkt, terwijl de vraag naar zorg met 30% toeneemt, zo is de verwachting. Simpel gezegd: er komen minder handen aan meer bedden. Met dat in het achterhoofd wordt hard gezocht naar methoden om de gezondheidszorg ook in de toekomst bemensbaar en betaalbaar te houden. Eén manier om dat te doen, is door nieuwe instrumenten te ontwikkelen. Instrumenten die ziektes helpen voorkomen, of vroeg opsporen. Instrumenten om zieke mensen sneller en efficiënter te behandelen. En instrumenten die ervoor zorgen dat chronisch zieken en gehandicapten – al dan niet met behulp van een mantelzorger – hun zorg zelf thuis kunnen regelen. 

 

Stimulans

In Nederland wordt veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar medische instrumenten. Op sommige terreinen lopen we wereldwijd zelfs voorop. Iets op trots op te zijn, ware het niet dat al die kennis lang niet altijd concrete producten oplevert voor de gezondheidszorg. Een gemiste kans, meent Gerrit van Ark. Hij is secretaris van het programma Nieuwe Instrumenten voor de Gezondheidszorg, een initiatief van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), dat verandering in die situatie wil brengen. Van Ark: “De bedoeling is om onderzoeksinstituten en het bedrijfsleven in een bepaalde regio te stimuleren om samen nieuwe instrumenten te gaan ontwikkelen. Zij kunnen daarvoor subsidie aanvragen bij NWO.”

Voorsprong

Het aantal gebruikte instrumenten in de gezondheidszorg is ontelbaar. Vandaar dat ervoor is gekozen om het programma te beperken tot die gebieden, waarop Nederland al een kennisvoorsprong heeft. Van Ark: “Het is gemakkelijker geld te verdienen met dingen waar je goed in bent dan dingen waar je slecht in bent. Kijkoperaties zijn daar een voorbeeld van. Door daarvoor nieuwe instrumenten te ontwikkelen, kunnen we in de toekomst mogelijk hartoperaties via de slokdarm uitvoeren. Of een loszittende heupprothese via een klein gaatje in de huid vastzetten, in plaats van met een ingrijpende operatie.”

Extramurale zorg – oftewel: zorg buiten het ziekenhuis – is nog zo’n onderwerp waarop Nederlandse onderzoekers het goed doen. Ook daar valt volgens Van Ark nog een wereld te winnen. “Denk aan apparaatjes waarmee de patiënt zelf kunt controleren of zijn medicijnen goed zijn ingesteld. Of waarmee je thuis een hartfilmpje kunt maken, dat vervolgens via de computer naar de behandelend arts wordt gestuurd. Het mes snijdt daarbij aan twee kanten: de kwaliteit van leven van de patiënt neemt toe, en hij hoeft een minder groot beroep te doen op professionals.”

 

Recessie

Voor al die projecten is veel geld nodig. 9 miljoen euro om te beginnen, gefinancierd door de overheid en het bedrijfsleven. Dat bedrag moet de komende jaren verder uitgroeien, tot zo’n 100 à 150 miljoen. Een realistische verwachting, middenin een economische recessie?

”Het geld ligt momenteel niet voor het oprapen”, beaamt Van Ark “Natuurlijk baart me dat zorgen. Aan de andere kant: we moeten juist nu investeren om de economie weer uit het slop te trekken. Zo’n programma als dit is daar bij uitstek geschikt voor. Het creëert werk, bevordert de export én draagt bij aan een betaalbare gezondheidszorg.”

 

Bruikbaar

Het LUMC is één van de onderzoeksinstituten dat nauw bij Nieuwe Instrumenten betrokken is. Prof. dr. ir. Hans Reiber, hoogleraar medische beeldvorming en voorzitter van het programma, is heel blij met het initiatief. “Nog niet zo lang geleden was deze vorm van samenwerking tussen wetenschappers en bedrijven onbespreekbaar. Fundamenteel onderzoek, daar draaide het op de universiteit om. Maar tegenwoordig vinden veel onderzoekers een wetenschappelijk artikel alleen niet meer voldoende. Ze willen iets ontwikkelen dat maatschappelijk nuttig is, en dat in de praktijk wordt gebruikt. Daarvoor heb je het bedrijfsleven hard nodig.”

Het klinkt veelbelovend, wetenschappers en zakenlieden die samen aan de slag gaan om nieuwe producten te bedenken. Maar bestaat daarmee niet het gevaar dat er alleen nog instrumenten ontwikkeld worden waar geld aan te verdienen is, en niet waar patiënten het meest bij gebaat zijn?

“Dat is zeker een punt van aandacht”, aldus Reiber’s collega prof. dr. Hans Tanke, hoogleraar moleculaire celbiologie. “Vandaar dat we vanaf het begin zorgverleners bij het programma hebben betrokken. Je moet het zo zien: als artsen de instrumenten niet willen gebruiken, kan het bedrijfsleven er ook geen geld aan verdienen.”

 

Eindeloos

Een praktisch bruikbaar resultaat; dat is waar het volgens Tanke uiteindelijk allemaal om draait. “Over tien jaar moet er een lijst liggen met nieuwe instrumenten, die zonder dit programma nooit ontwikkeld hadden kunnen worden.”

Reiber en Tanke zijn van plan daar zelf een belangrijke bijdrage aan te leveren. Niet alleen zijn beide actief in de organisatie van het programma. Ze zullen ook – samen met andere onderzoekers en bedrijven – elk op hun eigen terrein verschillende projectvoorstellen indienen.

De technische ontwikkelingen gaan zo snel, dat de mogelijkheden daarvoor schier eindeloos zijn. Kijk bijvoorbeeld naar borstkanker. Elk jaar wordt bij duizenden vrouwen van boven de 50 een mammogram gemaakt om eventuele tumoren op te sporen. Omdat de borst voor de foto platgedrukt wordt, is dat vaak een pijnlijke aangelegenheid. Bovendien komt er gevaarlijke röntgenstraling bij vrij. In de toekomst is het misschien mogelijk een ‘fotoakoestisch’ mammogram te maken, waarbij in plaats van straling een combinatie van licht en geluid wordt gebruikt. Die methode is veel minder belastend voor de patiënt en levert nog duidelijker beelden op ook. 

 

Beeldverwerking

De hoogste verwachtingen hebben Reiber en Tanke van de projecten op het terrein van medische beeldverwerking. Dat is de wetenschap die afbeeldingen zo bewerkt dat een arts er meer mee kan. Reiber: “Daarin lopen we in Nederland echt voorop.”

Reiber kan talloze voorbeelden noemen waarbij de inzet van medische beeldverwerking concrete tijdwinst en een beter resultaat oplevert. “Neem een patiënt met een uitstulping in een hersenvat, een aneurysma. Om te voorkomen dat het vat scheurt en er een hersenbloeding ontstaat, kun je het vullen met coils, een soort spiraaltjes. Dit is een tijdrovende klus, waarbij veel röntgenstraling bij wordt gebruikt. Bovendien is van te voren niet duidelijk of de zwakke plek wel met een katheter kan worden bereikt. Door vooraf met een MRI of CT-scan beelden van het vaatstelsel te maken, kan de interventieradioloog de vorm en het volume van het aneurysma en het kathetertraject nauwkeurig bepalen en zo inschatten of de ingreep haalbaar is. Dat maakt zo’n operatie minder langdurig en risicovol.”

 

Begrijpen

Onderzoekers, bedrijven, beleidsmakers, zorgverleners: ze hebben allemaal hun eigen wensen als het om de ontwikkeling van nieuwe instrumenten gaat. De een wil een technisch probleem oplossen, de ander geld verdienen, de derde meer succesvolle operaties verrichten. “Alleen door veel met elkaar te praten kom je tot een gezamenlijke aanpak”, aldus Tanke. “Simpel is dat zeker niet. Maar dat we nu met z’n allen om de tafel zitten zorgt ervoor dat we elkaar beter leren begrijpen. Uiteindelijk komt dat ook de patiënt ten goede.”

Voor meer informatie over het programma Nieuwe Instrumenten voor de Gezondheidszorg, kijk op www.nwo.nl/nig.

 

[Kader]

Nieuwe instrumenten voor de gezondheidszorg in het kort

  • Wat is het doel van het programma?
    Nieuwe instrumenten voor de gezondheidzorg ontwikkelen, die een bijdrage leveren aan het voorkomen, het vaststellen of het behandelen van ziekten, of die de zorg voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten verbeteren.
  • Waarom is dat belangrijk?
    Om gezonde en zieke mensen een betere kwaliteit van leven te geven. Om de zorg in de toekomst betaalbaar en bemensbaar te houden. Om de betrokken partijen beter te laten samenwerken. Om de economie te stimuleren en om een impuls te geven aan de innovatie en de werkgelegenheid in de sector.
  • Op welke terreinen worden er nieuwe instrumenten ontwikkeld?
    Minimaal-invasieve technieken, medische optiek en akoestiek, medische beeldverwerking, hoge precisie instrumentatie en veilige extramurale zorg.
  • Wie doen er mee?
    De overheid, diverse onderzoeksinstituten en het bedrijfsleven. Verder worden er ook vertegenwoordigers uit de zorg zelf (artsen, thuiszorg, patiënten etc.) bij het programma betrokken.
  • Hoeveel kost het?
    Het startbudget is 9 miljoen euro. In 2010 wordt 100 miljoen euro subsidie aan de overheid gevraagd, te financieren vanuit het Fonds Economische Structuurversterking.
  • Om hoeveel projecten gaat het?
    De verwachting is dat er in 2009 40 à 60 subsidieaanvragen voor de ontwikkeling van nieuwe instrumenten worden ingediend. Daarvan zullen er waarschijnlijk 15 à 20 worden gehonoreerd.
  • Hoe lang loopt het programma?
    In 2009 starten de eerste projecten. In totaal zal het programma tussen de vijf en tien jaar duren.