Marte van Santen

Freelance journaliste en schrijfster

DE STOFFEN VAN BUSATTI maart 13, 2008

Ingedeeld onder: 04 - De smaak van Italië — martevansanten @ 8:40 am

scannen0005.jpgscannen0006.jpg 

Dit artikel is gepubliceerd in De smaak van Italië, nr. 2 – 2008 

Goed verborgen tussen de Toscaanse heuvels, in het Middeleeuwse stadje Anghiari, ligt de weverij van de familie Busatti. Een paar jaar geleden dreigde de unieke fabriek – waar al sinds 1842 onafgebroken de meeste prachtige stoffen worden geproduceerd – haar deuren te moeten sluiten. De verouderde machines waren niet meer veilig genoeg. Maar de huidige directeur, Giovanni Sassolini, getrouwd met Paola Busatti, redde het bedrijf. Hij kwam op het lumineuze idee om zijn fabriek met de eeuwenoude weefgetouwen door de Europese Gemeenschap tot monument te laten verheffen, waardoor hij voor subsidie in aanmerking kwam.   

Busatti maakt al meer dan 150 jaar unieke stoffen uit wol, katoen en linnen in prachtige Toscaanse kleuren. De weverij van het familiebedrijf ligt middenin de geboortestreek van artistieke grootheden als  Piero della Francesca, Michelangelo en Guido Monaco (de uitvinder van het moderne notenschrift). En hoewel het stoffenatelier geen kunstzinnige pretenties kent, heeft men wel profijt van de ervaring van de mensen die al eeuwenlang met grote passie en vakmanschap in het gebied werken. In de loop van de jaren is het bedrijf gegroeid, maar het motto van de Busatti’s is altijd hetzelfde gebleven: trouw aan oorsprong, smaak en kwaliteit.  

Van bakkers naar wevers

Toen Napoleon in 1796 Italië binnenviel, brachten zijn soldaten allerlei spullen mee om het leger ‘in stijl’ te kunnen onderhouden. Onderdeel van de enorme uitzet waren de weefgetouwen, die werden gebruikt om de soldaten van nieuwe uniformen te voorzien. Nadat Napoleon in 1815 bij Waterloo was verslagen bleven de weefgetouwen achter. In de pakhuizen van de familie Busatti bijvoorbeeld, die zelf een succesvolle bakkerij hadden. Daar lagen ze onbenut, tot Mario Busatti in 1842 op het idee kwam op de weefgetouwen opnieuw in gebruik te nemen.  

Mario was een zeer vaardige ambachtsman die allerlei nieuwe weeftechnieken ontwikkelde. Zijn oom Gregorio reisde ondertussen door Europa, op zoek naar nieuwe stoffen. Zo kwam het dat men behalve lokale wol uit de Apennijnen ook stoffen van Frans linnen en Indiaas katoen begon te produceren. Een Engelse ‘lord’, op reis in Italië, raakte zo onder de indruk van de kwaliteit van de producten van Busatti dat hij ze aan de Engelse koning Edward aanraadde. Vanaf dat moment steeg de faam van het familiebedrijf snel. Tsaar Nicolaas II werd een belangrijke klant, net als zijn dochter Anastasia. Ook tegenwoordig heeft het bedrijf nog Koninklijke klanten. En onze eigen koningin Beatrix is beschermvrouwe van Busatti.  

In de eerste helft van de 20ste eeuw trouwde Francesca Busatti met een rijke man uit Florence, Cesare Sassolini. Samen kregen ze acht kinderen en bouwden ze het familiebedrijf verder uit. Tot het noodlot toesloeg en Cesare vlak na de Tweede Wereldoorlog stierf. Algemeen werd aangenomen dat dat het einde van Busatti zou betekenen. Hoe kon zo’n jonge weduwe met acht kleine kinderen het bedrijf alleen voortzetten? Maar Francesca’s genen waren schijnbaar van hetzelfde sterke materiaal geweven als die van haar voorvaders, want ze wist het bedrijf toch weer nieuw leven in te blazen. Sindsdien bloeit het als nooit tevoren.  

Puffende machines

“Een bezoek aan het atelier van Busatti is een ware belevenis”, vertelt fotograaf Laurence Delderfield die er bijgaande prachtige fotoreportage maakte. “Ik was in de veronderstelling dat de stoffen in een fabriek geproduceerd werden, maar op het opgegeven adres vond ik een 16e eeuws palazzo met een weinig opvallende winkel. Eenmaal binnen werd ik getroffen door de overweldigende hoeveelheid prachtige stoffen om me heen. Effen, geblokt, geborduurd, met kant; je weet amper waar je moet kijken, zoveel moois is er te zien. Het lijkt wel of je door een interieurtijdschrift wandelt.”  

Vol verbazing liet Delderfield zich vervolgens rondleiden door de fabrieksruimte onder de winkel. “Het is alsof je honderd jaar terug in de tijd gaat. Stokoude, stoffige machines die je tegenwoordig alleen nog in tekenfilms ziet staan er te grommen en te puffen. Weefgetouwen met schietspoelen weven het garen door de wol. Die techniek geeft de stoffen hun zeldzame soepelheid. De ‘nieuwste’ machine in de fabriek is zestig jaar oud, de meeste andere zijn nog veel langer in gebruik. Dat kan alleen omdat ze continu worden gerepareerd. Het onderhoud wordt gedaan door een vriendelijk, oud mannetje van in de tachtig. Als er een onderdeel kapot gaat, moet hij dat zelf namaken. Het weven van de stoffen  gebeurt door lokale vrouwen. Vooral in de winter, als er minder werk op de boerderijen in de buurt te doen is.”  

Delderfield had de eer tekst en uitleg te krijgen van de huidige baas van het bedrijf, Giovanni Sassolini, de jongste zoon van Francesca Busatti. “Boven de winkel bevinden zich een gastenverblijf en de werkruimte van Giovanni. In een van de elegante kamers, omringd door familieportretten van de Busatti’s en Sassolini’s, staat een prachtig oud bureau dat men de ‘de computer’ noemt. Decennialang werd daaraan de boekhouding gedaan. Voor elke dag van de maand was er een apart laatje, net als voor elke werkdag.” 

Sociaal

In de loop van de jaren is het ‘imperium’ van Busatti flink uitgebreid. Zo vervaardigt men behalve stoffen (voor gordijnen en meubels, badlinnen, bedlinnen en tafel- en keukenlinnen) tegenwoordig ook serviezen, glaswerk, bestek en tassen. Behalve in hun zes eigen winkels worden de producten op vijftien andere plaatsen in Italië en evenzoveel plekken in de rest van de wereld verkocht. Bovendien levert de familie aan tal van topklasse hotels. Recentelijk is het bedrijf zelfs leverancier geworden van het chique Londense warenhuis Harrods. Maar ondanks de groei is Busatti altijd een echt familiebedrijf gebleven. 

Delderfield: “Busatti is behalve een succesvol ook een heel sociaal bedrijf. De werknemers mogen in grote mate hun eigen werktijden bepalen en worden met respect en waardering behandeld. Niemand van de familie voelt zich te goed om in drukke tijden mee te helpen. Vandaar waarschijnlijk ook dat Aghiari nog steeds een bloeiend stadje is, in tegenstelling tot de dorpen in de omgeving die de afgelopen decennia zijn leeggelopen doordat jonge generaties naar de stad trokken.” 

Ondertussen blijft Busatti doen waar het al 165 jaar goed in is: het leveren van ambachtelijke stoffen van een uitzonderlijke kwaliteit. Om met baas Giovanni Sassolini te spreken: “Massaproductie laten we graag aan het verre oosten over. Bij ons is en blijft de klant koning. Hij krijgt een kwaliteitsproduct, op maat én met passie gemaakt. We zullen altijd mooie spullen blijven produceren voor mooie families. Want zonder mooie spullen geen mooi leven!”  

Meer informatie: www.busatti.com. Busatti wordt in Nederland vertegenwoordigd door Tinie van der Velt. Tel: De winkel, de fabriek en het hoofdkantoor van Busatti zijn te vinden aan de Via Mazzini 14 in Anghiari. Telefoon: (00 39) (0)575 788 013.

 

SCHRIJVERSECHTPAAR SORTI EN MONALDI januari 16, 2008

Ingedeeld onder: 04 - De smaak van Italië — martevansanten @ 4:23 pm

scannen0007.jpgscannen0008.jpg 

Dit artikel is gepubliceerd in De smaak van Italië nr. 1 – 2008. 

Toen het Italiaanse echtpaar Francesco Sorti en Rita Monaldi een aantal jaren geleden besloot hun carrière als journalist in te ruilen voor het schrijversbestaan, hadden ze niet gedacht dat hun keuze zulke verstrekkende gevolgen zou hebben.  

Na het verschijnen van hun debuut Imprimatur (het eerste deel in een serie van zeven) in 2002 werd het schrijversduo door de katholieke kerk op de zwarte lijst gezet en werd hen de toegang tot de archieven geweigerd. De priester die hen had getrouwd werd door het Vaticaan onverwacht naar Roemenie gestuurd. Daarop besloot hun Italiaanse uitgever het contract met het echtpaar te verbreken. “We werden volledig in de ban gedaan”, aldus Rita Monaldi. Niet langer welkom in hun geboorteland pakten ze hun spullen en verhuisden met hun twee kinderen naar Wenen. Daar wonen ze nu nog steeds.   

Kerkelijke rel

Aanleiding voor de kerkelijke rel was een onthulling over Paus Innocentius XI. Rond 1680 leende die via familieleden en andere tussenpersonen geld aan protestante stadhouder Willem III, zo ontdekten Sorti en Monaldi. Het verhaal kwam naar buiten, juist op het moment dat het Vaticaan de  paus heilig wilde verklaren voor zijn rol bij het verslaan van de Turkse troepen. “Innocentius XI was het symbool van de strijd tegen de Islam”, legt Francesco Sorti uit. “Uit ons onderzoek bleek echter dat hij niet de zuivere, rooms-katholieke held was geweest die men dacht.” De heiligverklaring werd afgeblazen. Sindsdien kunnen Sorti en Monaldi niets meer goed doen in Italië.  

Het protest van de kerk heeft het duo niet echt verbaast, wél het feit dat de hele Italiaanse uitgevers- en perswereld zich vervolgens tegen hen keerde. Rita Monaldi: “Psychisch vreet dat aan ons. Ik begrijp nu opeens een stuk beter waarom het fascisme in de vorige eeuw zo populair heeft kunnen worden in Italië. Je mag blijkbaar niets doen of zeggen dat niet in het systeem past.” Inmiddels zijn ook het tweede en derde deel van de serie over de hele wereld verschenen – behalve in Italië.  

Salaì

Alle commotie over hun werk ten spijt schrijft het echtpaar intussen onvermoeid door. Ze zijn zelfs al aan een tweede serie begonnen, waarin de geadopteerde zoon en assistent van Leonardo da Vinci de hoofdrol speelt. Het eerste deel, De twijfel van Salaì, is zojuist in het Nederlands verschenen. Ter gelegenheid daarvan ondervroeg Smaak-journalist Marte van Santen het duo over hun drijfveren.  

Wat heeft jullie ertoe gebracht om met een tweede serie historische romans te beginnen, terwijl de eerste nog niet is voltooid?

Sorti: Na zeven jaar onderzoek en schrijven over de 17e en 18e eeuw hadden we behoefte aan een frisse blik. Ons nieuwste boek speelt zich af in een andere tijd, de 16e eeuw. Bovendien is Salaì qua karakter het tegenovergestelde van de Atto Melani, de hoofdpersoon van onze eerste drie boeken. Salaì is een spontane en brutale vrijgezel, terwijl Atto een complexe, serieuze familieman is. Door vanuit die verschillende perspectieven te schrijven kunnen we beide objectief blijven bekijken.  

Hoe kwamen jullie op het idee een boek over de assistent van Leonardo te schrijven?

Monaldi: De afgelopen jaren zijn is er een groot aantal romans over Leonardo da Vinci verschenen waar historisch gezien niets van klopt. Als wetenschappers voelden we ons verplicht dat recht te zetten. Met dit boek hopen we alle valse veronderstellingen over Leonardo de wereld uit te helpen.  

Waarom is het zo kwalijk dat populaire romans historisch gezien niet altijd correct zijn? Is het niet belangrijker dat de lezers er plezier aan beleven?

Sorti: Er hebben altijd minder serieuze genres bestaan, van science fiction tot pornografie. Op zich is dat helemaal niet erg, zolang iedereen maar weet dat het trash is. Wat ons stoort is dat boeken als De Da Vinci code als ‘de waarheid’ worden gepresenteerd.

Monaldi: En dat de serieuze pers daar ook nog eens in meegaat! Op die manier wordt de geschiedenis onrecht aangedaan en wordt het publiek misleid.  

Het onderwerp van De twijfel van Salaì lijkt wat luchtiger dan van jullie eerdere boeken. Is dat een bewuste keus geweest?

Sorti: Helemaal niet. Misschien lijkt dat zo omdat we Salaì op platvloerse wijze over zijn avonturen laten vertellen. Maar de ontdekkingen die in het boek worden gepresenteerd zijn volgens ons nog explosiever dan die in de Imprimatur-reeks. Ons oorspronkelijke plan was een aantal misverstanden over Leonardo recht te zetten. Gaandeweg het onderzoek kwamen we echter steeds meer spectaculaire feiten tegen, bijvoorbeeld dat paus Alexander VI helemaal niet zo slecht was als hij door de kerk wordt afgeschilderd. Ook hebben we ontdekt dat het beroemde Latijnse werk De Germanen van Tacitus wel eens een vervalsing zou kunnen zijn.

Sorti: De impact daarvan is groot, omdat de huidige rechtsextremistische bewegingen in Duitsland hun principes voor een groot deel op dat boek baseren. De twijfel van Salaì legt dus een link met de actuele politieke situatie in de wereld. Vandaar dat we zelf denken dat het nog controversiëler is dan onze eerdere boeken.  

Voelen jullie het als een missie om de geschiedenis op correcte wijze te herschrijven?

Sorti: Nee, zo zwaar moet je het niet zien. Maar we vinden het wel belangrijk ons publiek de boodschap mee te geven dat je niet zomaar alles moet geloven wat je leest.  

Jullie zijn beide van oorsprong journalist. Missen jullie de actualiteit in van de journalistiek niet?

Sorti: Absoluut niet. We schrijven immers over historische onderwerpen die invloed hebben op de wereld van vandaag. Bovendien zit er niet zoveel verschil tussen journalistiek of historisch onderzoek; de kick van een nieuwe ontdekking is altijd even groot.  

Wat wordt jullie volgende boek?

Monaldi: Vanaf nu werken we gelijktijdig aan beide series. Het eerstvolgende boek dat uitkomt is het vierde deel van de Imprimatur-serie. Daarna volgt deel twee van Salaì.  

Is het niet lastig om aan twee verhalen tegelijkertijd te werken?

Sorti: Dat valt reuze mee. Als we het ene boek aan het schrijven zijn, werken we ondertussen alvast aan de research van het volgende. Dat zijn heel verschillende activiteiten. Bovendien zijn de tijden en de personen van de boeken zo verschillend, dat ze in ons hoofd niet gauw door elkaar lopen.  

Hebben jullie wel eens ruzie over de interpretaties van bronnen of over de verhaallijn van een boek?

Monaldi: Daarover eigenlijk nooit. Toen we net samenwerkten hadden we wel fikse discussies over onze stijl. Ik werkte tot dat moment bij een financieel-economisch magazine en mijn manier van schrijven was heel feitelijk en droog. Rita heeft me wat dat betreft echt moeten bijscholen. Om meer gevoel voor stijl te krijgen stelde ze voor dat ik alle werken van Proust zou lezen. Dat heeft me twee jaar gekost. Op het laatst droomde ik dat ik zelf Proust was! Maar het heeft me wel geholpen.  

Als er een uitgever geïnteresseerd is, zouden jullie De twijfel van Salaì dan in Italië willen uitbrengen?

Sorti: Dan moet er eerst heel wat veranderen. Als we in de toekomst een oprechte uitgever kunnen vinden willen er we best over praten. Maar in het huidige Italiaanse klimaat hoeft het van ons niet meer. 

 <Kader: Het boek De twijfel van Salaì>

De verteller van de nieuwe serie historische romans van Sorti & Monaldi is Salaì, de geadopteerde zoon en assistent van meesterschilder Leonardo da Vinci. In het eerste deel, De twijfel van Salaì, verhuizen vader en zoon in het voorjaar van 1501 van Florence naar Rome. Leonardo heeft daar een missie te vervullen voor een raadselachtige, machtige opdrachtgever. Hij weet echter niet dat Salaì óók een geheime opdracht heeft: Leonardo bespioneren…

<Kader: Het duiveltje>

Gian Giacomo Caprotti da Oreno – bijgenaamd Salaì (het duiveltje) – was de geadopteerde zoon en assistent van de Italiaanse kunstenaar en wetenschapper Leonardo da Vinci. Door de schilder Vasari werd hij beschreven als ‘een charmante en mooie jongeling met fijn, krullend haar’. Salaì kwam bij Leonardo toen hij tien jaar oud was. In eerste instantie konden vader en zoon het niet altijd even goed met elkaar vinden. Zo maakte Leonardo een jaar na zijn komst een lijst van alle streken die de jongen had uitgehaald en noemde hem daarbij ‘een dief, een leugenaar en een gulzigaard’. Het ‘duiveltje’ stal tenminste vijf keer geld en waardevolle spullen van hem en kocht daar veel dure kleding van, waaronder 24 paar schoenen. Toch bleef Salaì dertig jaar Leonardo’s gezel, bediende en assistent. In Leonardo’s notities en schetsen is hij regelmatig terug te vinden, geportretteerd als een knappe jongeman met krulhaar.

 

STUDENTE GONNIE VAN EERDEN IN PADOVA januari 16, 2008

Ingedeeld onder: 04 - De smaak van Italië — martevansanten @ 4:15 pm

scannen0005.jpgscannen0006.jpg 

Dit artikel is gepubliceerd in De smaak van Italie nr. 1 – 2008. 

Na vier jaar kunstgeschiedenis te hebben gestudeerd in Nijmegen had Gonnie van der Eerden (23) het gevoel dat er nog zoveel méér te leren viel over haar afstudeeronderwerp, de Italiaanse Renaissance. En dus toog ze voor zes maanden naar Padova, bakermat van veel grote schilders én van een van de oudste universiteiten van Italië. 

Weinig mensen die een bezoek brengen aan de pracht en praal van Venetie zullen zich realiseren dat op amper vijftig kilometer afstand nóg een belangrijke kunststad ligt. Padova mag qua bezienswaardigheden dan wel in de schaduw van haar beroemde zuster staan, maar dat maakt de stad niet minder aantrekkelijk. Je kunt er op je gemak door de prachtige oude steegjes van het centrum dwalen of een kaarsje opsteken in de Basilica del Santo, zonder onder de voet gelopen te worden door grote hordes toeristen. In de talrijke gezellige cafeetjes en restaurantjes die de stad rijk is zit je midden tussen gewone Italianen. Kortom: in Padova ervaar je het Italiaanse leven van alle dag. Reden waarom Gonnie besloot juist hier te gaan studeren. 

Fietsstad

Fotografe Liesbeth en ik ontmoeten Gonnie op een frisse maar mooie winterochtend in de lobby van ons hotel. Er kan geen twijfel over bestaan wie Gonnie is, want zoveel lange, blonde vrouwen lopen er niet rond in Padova. Op mijn vraag hoe ze met alle onvermijdelijke aandacht van het mannelijk geslacht omgaat, antwoordt ze lachend: “Het helpt dat ik zo lang ben! Met mijn 1.78 toren ik boven bijna alle mannen uit. Daar zijn ze behoorlijk van onder de indruk.” 

Eenmaal buiten worden we meteen met de eerste Paduvaanse verrassing geconfronteerd: Gonnie´s prachtige rode fiets. Een klassiek model, dat door zijn vorm en kleur aan een oud coca colaflesje doet denken. ”Ik doe alles op de fiets”, vertelt Gonnie. “De stad is erg compact, dus dat gaat prima. Bovendien is het oude centrum waar de universiteit ligt autovrij. Dan is een fiets wel zo makkelijk.” Gedurende de dag zal blijken dat Gonnie niet de enige student is die er zo over denkt. Zoveel fietsen als in Padova hebben we in Italië nog nooit gezien!  

Heimwee

Op ons verzoek laat Gonnie ons vandaag haar favoriete plekjes zien. De eerste stop is de Basilica del Santo. De santo in kwestie is St. Antonius, de priester die na zijn dood in 1231 heilig werd verklaard. Volgens de Padovanen is er maar één zo als hij. Vandaar dat ze het niet nodig vinden hem bij zijn naam te noemen maar simpelweg over `de heilige´ spreken. Het is een imposante kerk die ter ere van Antonius werd gebouwd: Romaans-Gotisch van stijl,  met acht koepels en oosterse klokkentorens. Binnen bevindt zich zijn tombe. Vanuit de hele wereld worden er pelgrimstochten naar deze plek georganiseerd.  

Al wandelend naar het centrale plein van de stad, de Piazza dell´Erbe, vertelt Gonnie dat ze de eerste weken in Padova veel heimwee had. “Er kwam zoveel tegelijk op me af en alles was vreemd. Ik kende helemaal niemand. Bovendien moest ik erg wennen aan mijn nieuwe `thuis´: een klein kamertje in een minder goede buurt van de stad. De taal sprak ik redelijk, maar het is toch heel wat anders of je een kopje koffie in het Italiaans bestelt of elke dag twee uur college in een vreemde taal moet volgen. Het was erg overweldigend allemaal.”  

Gelukkig duurde het ongemakkelijke gevoel niet lang. Na amper twee maanden in Padova is Gonnie duideilijk helemaal ingeburgerd. Ze heeft in rap tempo een nieuwe vriendenkring opgebouwd, met wie ze gemakkelijk in het Italiaans converseert. En de Italiaanse gewoontes waar ze zich de eerste tijd nog aan ergerde past ze inmiddels zelf met veel animo toe. “De cultuur van `het komt morgen wel´ kan voor Nederlanders knap lastig zijn. Tot je er de voordelen van gaat inzien. Als ik bijvoorbeeld te laat ben met me in te schrijven voor een cursus, kan er bijna altijd nog wel wat geregeld worden.” 

Tien soorten risotto

Terwijl Gonnie ons vermaakt haar anekdotes over het Italiaanse studentenleven, kijk we onze ogen uit. Wie had gedacht dat Padova zo mooi was! We lopen door smalle steegjes over eeuwenoude keitjes. Links en rechts zien we prachtige zuilengalerijen, waaronder allerhande ambachtslieden in hun piepkleine winkeltjes aan het werk zijn. Fotografe Liesbeth kan het niet laten om bij een oude schoenmaker binnen te stappen. Zijn werkbank is een antieke houten tafel, zijn gereedschap bestaat uit wat simpele hamers. Hij oefent zijn vak al meer dan zestig jaar uit, vertelt hij ons. En nog altijd met evenveel precizie en plezier. Kom daar nog maar eens om in Nederland. 

Even later staan we voor een indrukwekkend paleis, het Palazzo della Ragione. Het werd in 1218 gebouwd als zetel voor de podesta (stadsbestuurder) en het gerechtshof. Ruim een eeuw later werd het kenmerkende, kielvormige dak toegevoegd. Op de drie aangrenzende pleinen, waarvan de Piazza dell´Erbe het grootste is, worden al eeuwenlang levendige markten gehouden. Zo ook vandaag. Gonnie leidt ons langs de prachtige stalletjes, afgeladen met verse groenten, vis, vlees en kaas. Een bijzonder kraampje is dat van de rjistverkoper. De tientallen soorten risotto, couscous en polenta doen ons het water in de mond lopen. Schoorvoetend geeft Gonnie toe dat ze niet vaak zelf kookt. “In de mensa van de universiteit kun je tussen de middag prima warm eten. Het is lekker, veel en heel goedkoop. Dan is de keus als student gauw gemaakt.” 

Modern

Na het bezoek aan de markt is het tijd om naar college te gaan. De univerisiteit van Padova (gesticht in 1221) is een van de oudste van Italië. Door de eeuwen heen hebben talloze beroemde wetenschappers er lesgegeven. Galileo Galilei bijvoorbeeld, wiens huis een paar straten verderop te bezichtigen is. Het hoofdgebouw van de universiteit is het Palazzo del Bo, genoemd naar een herberg die de afbeelding van een os droeg (hospitium bovis). Het opschrift boven de deur luidt:  

Treed binnen om dagelijks knapper te worden, treed naar buiten om het vaderland en de Christelijke gemeenschap dagelijks van meer nut te zijn.

Binnen vind je onder andere de Aula Magna (grote aula), vol wapens en decoraties, en het oudste Teatro Anatomico (anatomisch theater) ter wereld, dat uit zes boven elkaar gelegen houten gallerijen met 300 zitplaatsen bestaat.  

Gonnie volgt een half jaar lessen moderne kunstgeschiedenis aan de universiteit. Maar wie denkt dat het daarbij over Pablo Picasso of Andy Warhol gaat, komt bedrogen uit. “Modern betekent in Italië uit de 15e en 16e eeuw”, licht ze toe. Alsof er daarna niets meer gebeurd is in de schilderkunst!  

Vandaag is er een laboratio, een praktijkcollege over het herstel van een aantal beroemde fresco´s dat tijdens een bombardement in de Tweede Wereldoorlog in gruzelementen is gevallen. Hoewel de uitleg per computer gaat, is het herstelwerk even verderop in de stad aan de gang. Zo ziet Gonnie met eigen ogen hoe een verbrokkelde, eeuwenoude muurschildering weer tot leven wordt gewekt. Nu begrijpen we nog beter waarom ze zonder aarzelen graag een paar maanden extra aan haar studie plakte.  

Jaap Stam

Lunchen doen we samen met twee van Gonnie´s studiegenoten, de Italiaanse Miriam en de Zwitserse Lena. Met z´n vijven spreken we zeker zeven talen, maar de enige die we gemeen hebben is het Italiaans. Al brabbelend leren we dat de meisjes hun conditie op peil houden door minimaal twee keer per week samen met een aantal andere (vrouwelijke) studenten te voetballen. Aan (mannelijk) Italiaans publiek hebben ze daarbij nooit gebrek. Een bijnaam heeft Gonnie van hen ook al gekregen: Jaap Stam. Vanwege haar lengte natuurlijk.  

De rest van de middag leidt Gonnie ons in een razend tempo langs een aantal andere spectaculaire bezienswaardigheden. De prachtige 16e eeuwse klokkentoren aan het Piazza del Signori bijvoorbeeld. Het Prato delle valle, een gigantisch, ovaal plein waar in een ver veleden een Romeins theater stond en waar nu vooral wordt geflaneerd. En het Caffè Pedrocchi, dat bij zijn opening in 1831 24 uur per dag toegankelijk was. Studenten van de tegenovergelegen universiteit konden er zo op elk gewenst moment een opkikkertje halen. Tegenwoordig is het café ´s nachts niet meer open, maar een espresso drinken aan de badkuipvormige bar is volgens Gonnie nog steeds een belevenis.  

We eindigen onze rondgang bij de Capella degli Scrovegni. Deze kapel uit 1303 is wereldberoemd geworden door de 36 fresco´s die de schilder Giotto er aanbracht. De cyclus die het bijbelverhaal vertelt is – in tegenstelling tot wat gebruikelijk was in die tijd – geheel in perspectief geschilderd. Het geeft een bijzonder ruimtelijk effect. Een van de redenen waarom de schilderingen ook vandaag de dag nog duizenden bezoekers naar Padova trekken.  Met een dromerige blik staart Gonnie naar het uitzonderlijke werk van een van haar grote helden. Ze is hier duidelijk in haar element. Ziet ze zichzelf nog wel eens voor een langere periode naar Italië teruggan? “Na Padova staat eerst een stage bij Christie´s in Amsterdam gepland”, vertelt ze. “Maar mocht ik daarna de kans krijgen bij een Italiaans veilinghuis te gaan werken, dan bedenk ik me geen moment!” 

<Kader: De heilige Antonius>

Antonius, geboren in Lissabon maar gestorven in Padova, is de patroonheilige van de Franciscanen, het huwelijk, verloren voorwerpen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, mijnwerkers, reizigers en verliefden. In katholieke kringen wordt Antonius aangeroepen om verloren zaken terug te vinden:

  • Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m’n (sleutels) vind

Ook in weerspreuken kom St. Antonius regelmatig tegen:

  • Als Sint-Antoon de zon doet schijnen, ziet de boer zijn zorgen verdwijnen
  • Is Sint-Antonius nat, dan drinkt de boer zich zat
  • Sint-Antonius schoon en helder, vult ‘t vat en ook de kelder

De Teunisbloem  is naar hem vernoemd omdat die rond zijn feestdag (13 juni) bloeit.<Kader: Tips van Gonnie>

  • Slapen: Hotel Al Fagiano is een gezellig en betaalbaar familiehotel. Het ligt aan de Via Locatelli, vlak achter de Basilica del Santo, op zo´n tien minuten lopen van het historisch centrum van de stad. Voor meer informatie zie: www.alfagiano.com.
  • Eten: de kraampjes met gebakken vis en gepofte kastagnes op het Piazza del´Erbe.
  • Drinken: de lekkerste cappuccino drink je voglens Gonnie bij in de Via XX Settembre. En je kunt Padova niet verlaten zonder een Spritz (een typisch, alcoholisch drankje uit de Veneto) te hebben geproefd!Recept Spritz
    1 deel Aperol
    2 delen Prosecco
    scheutje spuitwater
    1 grote olijf (met pit)
    1 schijfje sinaasappel
    Neem een limonadeglas en vul deze voor iets minder dan een derde met Aperol. Voeg nu twee keer zo veel Prosecco toe en een klein scheutje spuitwater. Pak vervolgens een sate-prikker en prik hieraan de olijf en het schijfje sinaasappel. Deponeer de prikkel in het glas en klaar is je Spritz. Zorg er wel voor dat de Aperol en Prosecco rechtstreeks uit de koelkast komen.

  • Bekijken: de Basilica del Santo, het Palazzo della Ragione, het Palazzo del Bo, de Capella degli Scrovegni met de beroemde fresco´s van Giotto, het Prato delle Valle en de Orto dei Semplici (botanische tuinen).
  • Uitstapjes: Padova is volgens Gonnie de perfecte uitvalsbasis voor uitstapjes in de omgeving. Zo heeft ze al bezoekjes gebracht aan Venetië, Verona, Ferrara en Milaan.
  • Lezen: Meer weten over Gonnie haar avonturen in Padova? Kijk dan eens op www.travelmessage.nl/gonnie. Daar houdt ze een internetdagboek bij over haar tijd in Italie.
 

EEN VESPA IS GEEN BROMMER, MAAR EEN KUNSTWERK oktober 11, 2007

Ingedeeld onder: 04 - De smaak van Italië — martevansanten @ 10:58 am

scannen0002.jpg 

Dit artikel is gepubliceerd in De Smaak van Italië, nr. 5 2007. 

De meeste Utrechtenaren kennen Roberto Coletti vooral als de enthousiaste ijsbereider uit de Poortstraat. Behalve ijs heeft Roberto echter nóg een grote passie: zijn Vespa’s. De tragiek van zijn leven is dat juist in de zomer, als het lekker weer is om te toeren, hij zeven dagen per week moet werken. Maar als Roberto dan de kans krijgt om een ritje te maken, kan hij zijn geluk niet op.  

Het eerste wat ik zie als ik bij het huis van Roberto Coletti (42) aankom, is de splinternieuwe Vespa motorscooter die me vanaf het trottoir toeschittert. Zelfs als je niets met tweewielers hebt, kun je er niet omheen: hier staat een waar kunstwerk geparkeerd. Vol bewondering loop ik een rondje om het indrukwekkende apparaat. De grijsblauwe metallic lak, het fonkelende chroom, het cognackleurige, leren zadel… Voor ik het weet ben ik verzonken in een heerlijke dagdroom, waarin ik (al dan niet achterop bij een aantrekkelijke Italiaan) op mijn Vespa de Romeinse zonsondergang tegemoet rijd. “Wat is hij mooi, hè?”, klinkt het plotseling achter me. Snel trek ik mijn hand van het stuur en draai me licht beschaamd om. “Je mag hem best aanraken hoor”, lacht Roberto trots. “Ik heb hem speciaal voor jou uit de garage gehaald.” Als ik hem feliciteer met zijn prachtige bezit, barst Roberto meteen los. “Deze Vespa is iets heel bijzonders. Het is een GTV 250, een speciaal model dat in een gelimiteerde oplage is gebouwd ter ere van het 60-jarige bestaan van Vespa. Zie je die lage, ronde koplamp? En de rechte vorm van het stuur? Dat zijn allemaal oude elementen die in dit model bij elkaar zijn gebracht.” 

Terwijl Roberto liefdevol zijn hand over het leren zadel laat glijden, houden de klanten op weg naar zijn ijssalon even hun pas in. De bewonderde blikken spreken boekdelen. Ik ben duidelijk niet de enige die onder de indruk is van glimmende beest voor me. Maar aan Roberto gaat het allemaal ongemerkt voorbij. Hij heeft alleen oog voor zijn unieke scooter. “Wil je er misschien een stukje op rijden?”, vraagt hij enthousiast. Ik ben ontroerd door zijn blinde vertrouwen in mijn stuurkunst, maar moet zijn aanbod helaas afslaan. Voor deze grote Vespa met 250cc heb je namelijk een motorrijbewijs nodig en dat bezit ik niet. Voorlopig zal het voor mij bij dagdromen blijven. 

Even later zit ik aan Roberto’s keukentafel. Zwierig zet hij een kop perfecte cappuccino voor me neer. Nu pas valt me op dat hij een heus Vespa-shirt aan heeft. Dieprood van kleur, met het karakteristieke Vespa-logo er in koningsblauwe letters opgeborduurd. “Ja, Vespa heeft tegenwoordig ook een eigen kledinglijn’, licht Roberto toe. “Ik heb er meerdere shirts van. Geweldig, dat ik mijn passie nu ook kan dragen!” Als ik informeer wat een Vespa nu zo anders maakt dan andere scooters, kijkt hij me wat meewarig aan. “Dat je dat moet vragen”, zie ik hem denken. Vervolgens vertelt hij me over Vespa’s bijzondere geschiedenis. Dat het oorspronkelijk model werd ontworpen door Corradino D’Ascanio, een vliegtuigingenieur die helemaal niet van motoren hield. Dat het de eerste brommer was waarop je Italiaanse maatpak door de gesloten wielkast niet vies werd. En dat het design hem nog elke keer als hij er een ziet rijden een warm gevoel geeft.  

Dat de liefde diep zit, blijkt wel uit het feit dat Vespa’s al bijna dertig jaar een belangrijk deel van Roberto’s leven uitmaken. Veertien jaar was hij, toen hij van zijn ouders zijn eerste ‘motorino’ kreeg. “Een Vespa was in die tijd de droom van elke Italiaanse tiener. Al mijn vrienden hadden er een. Uiteraard werden ze flink opgevoerd. Er waren erbij die 110 kilometer per uur reden! Verder bouwden we er enorme muziekinstallaties in. Voorop zat een koffertje voor je handschoenen en zo. Daar gingen een autoradio, een versterker en twee boxen in. Met het volume zo hard mogelijk reden we dan met z’n allen achter elkaar door het dorp.” 

Die eerste scooter uit 1962 heeft Roberto nog steeds. Twee jaar geleden haalde hij hem uit Italië naar Nederland om hem hier vervolgens helemaal te laten restaureren. Nu is hij weer het oorspronkelijke oranjegeel van kleur en technisch tiptop in orde. Op mooie dagen kun je hem erop door de Utrechtse binnenstad zien toeren. Overigens was Roberto zijn klassieker vorig jaar bijna kwijt geweest. “Bij een controle kwam de politie erachter dat ik mijn Vespa nooit officieel had geïmporteerd. Eigenlijk wilden ze hem onmiddellijk in beslag nemen. Maar nadat ik had beloofd dat ik er niet meer op zou rijden, mocht ik hem toch mee naar huis nemen. Misschien vonden ze mijn Vespa wel net zo mooi als ik! Daarna heb ik hem meteen laten keuren en heb ik alsnog een brommerkenteken aangevraagd. Nu rijd ik dus helemaal legaal.” 

Uit de manier waarop Roberto over zijn Vespa’s praat, is duidelijk dat ze voor hem meer zijn dan alleen een vervoermiddel. Véél meer. “Een Vespa-rijder is een levensgenieter”, filosofeert hij. “Iedereen weet dat Italianen enkel werken om lekker te kunnen leven. Een Vespa-rijder is daar het ultieme voorbeeld van. Zijn scooter staat symbool voor la dolce vita. Dat begint al op het moment dat ik er op stap. Ik voel dan een sensatie, een emotie die ik moeilijk onder woorden kan brengen. Ik word als het ware één met het apparaat, één met het design. Een Vespa is geen brommer, maar een kunstwerk. Als ik erop rijd, voel ik me trots een Italiaan te zijn.” 

Behalve zijn eerste Vespa en zijn nieuwe motorscooter, heeft Roberto ook nog een Ape. “Dat is zo’n driewielertje waarin je boeren in Italië vaak ziet rijden, met een kleine cabine voor en een laadruimte achter. Het handige is dat je er veel in kunt meenemen, terwijl het toch een brommer is en je dus gewoon op de stoep kunt parkeren. Het is zo’n schattig ontwerp. Net een bonbonnière! In het weekend ga ik soms met mijn vrouw boodschappen doen in de Ape. Mensen op straat moeten er om lachen, twee mensen in zo’n kleine cabine. Maar als het regent, blijven we mooi wel droog!” 

Een klassieke scooter, een splinternieuwe motorscooter een ook nog een bijzondere driewieler. Een prachtige collectie zou je zeggen, maar voor Roberto is het nog niet genoeg. “Ik wil er de komende jaren zeker nog een paar occasions bijkopen. Het model uit 1955 staat bovenaan mijn verlanglijstje, dat vind ik zo mooi.” Als ik hem vraag hoe die Vespa er dan uit ziet, springt hij van tafel op. Voor ik het weet is hij met drie treden tegelijk naar boven verdwenen. Terwijl ik hem verbaasd nakijk, hoor ik hem roepen: “Ik haal even wat boeken voor je van zolder, dan kan ik het je precies laten zien”. Een paar minuten later ligt er een aantal prachtige fotoboeken opengeslagen voor me. Roberto’s collectie hebbedingen houdt duidelijk niet op bij zijn Vespa T-shirts. “Kijk”, zegt hij met zijn aanstekelijke enthousiasme, “dit is nou het model uit 1955. Maar dan wil ik er een met een dubbel zadel, zodat mijn vrouw achterop kan.” Talloze foto’s later duizelt het me van alle jaartallen en typenamen. Een ding is me duidelijk: Roberto is de rest van zijn leven nog niet uitgespaard. “Uiteindelijk wil ik wel tien Vespa’s hebben”, droomt hij hardop. “Ik beleef er zoveel plezier aan! Zelfs als ik er alleen maar naar kijk. Het klinkt misschien raar, maar het voelt echt als verliefdheid. Voor ik ’s avonds in slaap val, kan ik me er al helemaal op verheugen dat ik de volgende dag een ritje mag maken. Alleen al het idee dat ik de trotse eigenaar van een Vespa ben, maakt me als een kind zo blij.” 

<Kader 1> De naam Vespa

“Sembra una vespa!” (“Hij lijkt op een wesp!”), riep fabrieksdirecteur Enrico Piaggio uit, toen hij in 1946 het ontwerp zag voor wat de populairste scooter aller tijden zou worden. Hij doelde zowel op het hoge geluid van de motor als op de vorm (breed van achter en met een smalle taille). De naam bleef hangen en is inmiddels niet meer weg te denken uit de moderne Italiaanse geschiedenis. In navolging van de Vespa kreeg de driewielige, commerciële variant van de scooter de naam ape, wat bij betekent.  

<Kader 2> Het ontstaan

Vlak na de Tweede Wereldoorlog was de Italiaanse economie volledig verlamd. De Italiaanse wegen verkeerden in zo’n slechte staat, dat de autoproductie nauwelijks van de grond kwam. Enrico Piaggio  besloot daarom een voertuig ontwerpen, dat Italië weer in beweging zou moeten brengen. Het moest een vervoermiddel worden voor iedereen, man of vrouw, arm of rijk. Qua bouw moest het simpel en robuust zijn, maar wel elegante. En zo ontstond in 1946 de Vespa. De Vespa werd een groot succes in het naoorlogse Italië. Werden er in 1947 nog maar 2.500 exemplaren verkocht, in 1948 waren dat er al 10.000, in 1949 20.000 en in 1950 zelfs 100.000. In de jaren ’50 gingen andere Europese landen ze ook produceren. La Vespa werd verbonden met stijl, elegantie en het goede leven. Het succes was mede te danken aan het gebruik ervan in Hollywood-films. In 1952 bijvoorbeeld stapte Audrey Hapburn in de film Roman Holiday achterop Gregory Peck’s Vespa voor een ritje door Rome. Het resultaat: 100.000 extra verkopen. Door heel Europa doken ook Vespa-clubs op. In 1952 kenden die gezamenlijk al 50.000 leden. Tegen de tijd dat de zestiger jaren aanbraken, waren er wereldwijd al twee miljoen Vespa’s verkocht. Ooit begonnen als een praktisch vervoermiddel, was de Vespa in korte tijd uitgegroeid tot symbool van vrijheid en la dolce vita 

<Kader 3> Meer lezen over Vespa-passie

Hij is Peter, een Australische schrijver van bijna veertig. Zij is Sophia, een Italiaanse schone uit de jaren zestig. Ze vinden elkaar via internet en maken samen een onvergetelijke reis door zomers Italië.
Slechts één ding staat een huwelijk na afloop van de reis in de weg: Sophia is een scooter!
Peter Moore besloot een van zijn grote jongensdromen waar te maken: door Italië rijden op een Vespa. Hij wordt verliefd op Sophia, een scooter uit 1961 met twee aparte zadels en net iets te veel chroom. Samen reizen ze in drie maanden van Milaan naar Rome. En hoewel Sophia het onderweg af en toe begeeft, is de liefde tussen hen niet stuk te krijgen. Peter Moore, Een Vespa met uitzicht – Dwars door Italië op een scooter uit ’61 (Uitgeverij Forum), ISBN 9022541371, € 12,95

 

MICHELANGELO ANTONIONI (1912-2007) oktober 11, 2007

Ingedeeld onder: 04 - De smaak van Italië — martevansanten @ 10:54 am

scannen0003.jpg

Dit artikel is gepubliceerd in De Smaak van Italië, nr. 5 2007.  

“Als ik een film maak”, zei Antonioni eens in een interview, “denk ik nooit na over hoe ik iets in beeld wil brengen. Ik volg mijn instinct en doe het gewoon.” Die uitspraak kenmerkte een van de belangrijkste Italiaanse regisseurs van de 20ste eeuw, die op 30 juli 2007 op 94-jarige leeftijd in Rome overleed.  

Michelangelo Antonioni werd op 29 september 1912 geboren in het Noord-Italiaanse Ferrara. Na een succesvolle studie economie aan de Universiteit van Bologna besloot Antonioni zijn geluk te beproeven in de filmwereld. Zijn eerste baan in de branche was die van filmjournalist voor de lokale krant Il Corriere Padano. Het beviel hem zo goed dat hij in 1940 naar Rome vertrok om voor Cinema te gaan werken, het fascistische filmmagazine dat werd geleid door Benito Mussolini’s zoon Vittorio. Zijn ontslag enkele maanden later was aanleiding om filmtechniek te gaan studeren aan het Centro Sperimentale di Cinematografia. Daar zette Antonioni de eerste stappen richting zijn latere carrière als regisseur. In Parijs leerde hij het vak van de Franse meester Michel Carné en samen met Roberto Rossellini werkte hij aan het script voor Un pilota ritorna. In 1943 maakte Antonioni de documentaire Gente del Po, de eerste in een serie over het leven van gewone mensen. Zijn eerste speelfilm, Cronaca die un amore, verscheen in 1950.  

De bekendheid bij het grote publiek kwam met L’avventura, waarmee Antonioni in 1960 internationaal doorbrak. De vertoning ervan op het filmfestival in Cannes ging de geschiedenis in als ‘de meest rumoerige ooit’. Vanuit het publiek klonk onophoudelijk boegeroep, maar de critici waren enthousiast. L’avventura gold als de geboorte van de zogenaamde ‘introspectieve film’, waarin naar binnen gekeerdheid en eenzaamheid centraal staan. In Antonioni’s films is meestal geen sprake van een afgerond verhaal of zelfs maar van een duidelijk plot. Zijn personages worden geleid door de wanorde in hun hoofd. De manier waarop ze zich door een film bewegen, geeft hun gemoedstoestand weer. Ze zweven traag door kale ruimtes of donkere kamers, zonder dat er veel dialoog aan te pas komt. Om die reden wordt Antonioni soms de ‘meester van de bevreemding’ genoemd. Tot op de dag van vandaag wordt hij als een van de meest invloedrijke regisseurs van het esthetische filmgenre beschouwd.  

Antonio’s eerste Engelstalige film, Blow up (1966), zou zijn grootste succes worden. De film wist als geen ander de sfeer van de Londense ‘swinging sixties’ in beeld te brengen en was bovendien de eerste Britse film waarin een actrice (Vanessa Redgrave) volledig naakt te zien was. In 1967 won hij er een Gouden Palm mee op het filmfestival in Cannes. Er zouden nog vele films van zijn hand volgen, maar het succes van Blow up heeft Antonioni nooit meer kunnen evenaren. In 1985 werd hij getroffen door een beroerte, die hem het spreken onmogelijk maakte en hem voor de rest van zijn leven aan een rolstoel kluisterde. Ondanks dat werkte hij tot aan zijn dood door. Het tekende de bevlogenheid van de unieke regisseur. In 1995 ontving hij een Oscar voor zijn hele oeuvre en twee jaar later een ere-Leeuw op het filmfestival van Venetië. Michelangelo Antonioni overleed uiteindelijk op dezelfde dag als een andere filmlegende uit de vorige eeuw, Ingmar Bergman.