

Het lichaam maakt continu nieuwe cellen aan. Normaal gesproken delen cellen net genoeg om oude of kapotte exemplaren te vervangen. Een kankercel houdt zich echter niet aan die regel: die deelt maar door en door. Het DNA – het handboek – van een kankercel is beschadigd geraakt, waardoor een verkeerde boodschap wordt doorgegeven en er ongecontroleerde groei ontstaat. Hoe zo’n beschadiging ontstaat, weet men in de meeste gevallen niet. Waarschijnlijk gaat het om een samenloop van omstandigheden: omgevingsfactoren, erfelijke aanleg en toeval. Er wordt hard aan gewerkt om de oorzaken van verschillende soorten kanker in kaart te brengen. Immers: als je weet wat het probleem is, kun je het beter bestrijden.
Het aantal nieuwe gevallen van kanker stijgt jaarlijks met 1,5 à 2%. Dat komt vooral door de vergrijzing. Maar ook andere factoren spelen een rol. Zo is er momenteel sprake van een ware ‘melanoomepidemie’ (huidkanker), het gevolg van steeds langer en steeds vaker zonnen(banken). Dat het aantal vrouwen met borstkanker stijgt heeft er onder andere mee te maken dat meisjes steeds jonger gaan menstrueren en eerder aan de pil gaan, en dat vrouwen op steeds latere leeftijd hun eerste kind krijgen. Bij de stijging van hoofd-, hals- en darmkanker wordt een verband gelegd met het rook- en drinkgedrag van Nederlanders. Daar staat tegenover dat, dankzij de betere behandelmogelijkheden, het aantal mensen dat aan kanker overlijdt de laatste jaren onverminderd afneemt.
Rood vlees en overgewicht
Er gaat bijna geen maand voorbij, of er is wel iets in het nieuws over leefgewoonten die de kans op kanker zouden verhogen of juist verlagen. Wat is daarvan waar?
Volgens professor Sjoerd Rodenhuis, internist-oncoloog en directeur Zorg en Zorgontwikkeling van het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam, is tot nu van roken bewezen dat er een verband met kanker is. Voor andere leefgewoonten ligt dat lastiger.
“Kanker is in de eerste plaats een kwestie van toeval. Bij het proces van celdeling gaan dagelijks dingen mis. Worden die foutjes niet door het lichaam hersteld, dan ontstaat er mogelijk kanker. Het lijkt erop dat allerlei zaken de kans op zo’n foutje in de celdeling – of de mogelijkheid om dat te herstellen – beïnvloeden. Wat je eet bijvoorbeeld, maar ook alcohol en de hoeveelheid beweging. Verder speelt erfelijkheid een rol. Juist omdat de vorming van kanker zo’n ingewikkeld proces is, is het moeilijk om harde uitspraken te doen over hoe bepalend leefgewoonten zijn.”
Over erfelijkheid gesproken: zo’n 5 à 10% van alle kankergevallen is het gevolg van een foutje in het DNA dat in de familie voorkomt. Een relatief klein aantal, maar mensen die drager van zo’n gen zijn lopen een groot risico de ziekte daadwerkelijk te krijgen. Bovendien zijn erfelijke vormen van kanker vaak agressief, en uiten ze zich op relatief jonge leeftijd. Vandaar dat er veel onderzoek wordt gedaan naar het opsporen en behandelen van erfelijke kanker.
Behalve de genen die direct verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van kanker worden er ook steeds meer genen ontdekt die de kans op kanker een klein beetje vergroten. Rodenhuis: “De hoop is dat we op den duur een risicoprofiel van mensen kunnen maken. Dat wil zeggen dat je voor elk individu kunt inschatten hoe groot de kans is dat hij of zij een bepaalde vorm van kanker krijgt. Vooralsnog blijft dat echter toekomstmuziek; we weten nog veel te weinig om daar nu al zinvolle uitspraken over te doen.”
Vroege opsporing
Om kanker effectief te kunnen behandelen, is het belangrijk het in zo’n vroeg mogelijk stadium op te sporen. Door bevolkingsonderzoek te doen bijvoorbeeld. Voor borstkanker en baarmoederhalskanker gebeurt dat al. Mogelijk komt daar binnen een paar jaar ook een bevolkingsonderzoek naar darmkanker bij.
Een methode waar de komende jaren veel van verwacht wordt, is het opsporen van stofjes in bijvoorbeeld het bloed of de ontlasting die (op een voorstadium van) kanker wijzen. Rodenhuis: “Op dit moment wordt zo’n techniek in de praktijk al gebruikt om prostaatkanker te vinden. Hopelijk komen er vergelijkbare tests voor andere, veel voorkomende vormen van kanker.”
Om vast te stellen of iemand kanker heeft, hadden artsen al de beschikking over onder andere de röntgenfoto, de echografie, de CT-scan en de MRI. Een paar jaar geleden is daar de PET-scan bijgekomen. Waar andere apparaten maar een deel van het lichaam in kaart brengen, doet de PET-scan dat helemaal. De methode is vooral handig om uitzaaiingen op te sporen, en om te kijken of medicijnen aanslaan. Rodenhuis: “Voorheen werden patiënten met uitzaaiingen dikwijls niet meer behandeld. Maar als we van de PET-scan weten dat het aantal uitzaaiingen beperkt is, behandelen we tegenwoordig soms wél. In bepaalde gevallen kunnen we de patiënt zo alsnog genezen, in andere gevallen in ieder geval het leven verlengen.”
Preciezer
Bij het behandelen van kanker hebben artsen drie opties: chirurgie, radiotherapie (bestralen) en geneesmiddelen. Op alle drie de terreinen zijn de afgelopen jaren enorme stappen voorwaarts gezet.
Wat het opereren betreft zitten de ontwikkelingen vooral in technieken die de behandeling minder ingrijpend maken, aldus Rodenhuis. “Met behulp van nieuwe trucjes en instrumenten kunnen we steeds gerichter en preciezer werken.”
Of dergelijke technieken de overlevingskans van kankerpatiënten vergroten, durft hij niet te zeggen. “Het zorgt er in ieder geval voor dat we het lichaam minder hoeven te beschadigen. Na de operatie herstellen mensen sneller en kunnen ze eerder naar huis.”
Nieuwe technologische ontwikkelingen zorgen er ook voor, dat bij het bestralen steeds preciezer wordt gewerkt. Met geweldige verbeteringen tot gevolg, vindt Rodenhuis. “We zijn bijvoorbeeld steeds beter in staat rekening te houden met bewegingen van het lichaam tijdens de behandeling. Zo kunnen we de straal laten meebewegen met de ademhaling.”
De nieuwe bestralingstechnieken dragen bij aan een betere bestrijding van de tumor, maar ook aan het verminderen van bijwerkingen op lange termijn. “De gammastraling die bij radiotherapie gebruikt wordt is gevaarlijk; die kan nog vele jaren later nare gevolgen hebben in de vorm van kanker in omliggend weefsel, of hart- en vaatziektes. Door steeds secuurder te werken neemt de kans daarop af.”
Voorspellen
De meest spectaculaire ontwikkelingen in de behandeling van kanker zijn zonder meer te vinden op het terrein van de geneesmiddelen, zoals chemotherapie en hormoontherapie. Veertig jaar lang konden alleen een paar zeer zeldzame kankervormen met chemotherapie worden genezen. Voor de rest werden medicijnen uitsluitend gebruikt om het leven van ongeneeslijk zieke kankerpatiënten dragelijker te maken, en waar mogelijk te verlengen. De laatste jaren is daar radicaal verandering in gekomen. Door nieuwe (combinaties van) medicijnen en meer inzicht in welke middelen bij welke patiënt werken, zijn veel grotere groepen patiënten bij medicijntherapie gebaat.
Om te bepalen of je een kankerpatiënt kunt behandelen, en zo ja hoe, is het belangrijk te weten of de kans op uitzaaiingen van de tumor groot of klein is. Sinds enige tijd bestaat er een techniek, genaamd micro-array, waarmee het profiel van een tumorcel in kaart kan worden gebracht. Door te kijken welke genen in de tumorcel ‘aan en uit’ staan, kunnen artsen voorspellingen doen over of een tumor zich waarschijnlijk gaat uitzaaien of niet.
Nu is het nog zo dat veel kankerpatiënten na de operatie voor de zekerheid chemotherapie krijgen toegediend. Maar als je weet dat bij een deel van hen de kans op uitzaaiingen minimaal is, hoef je ze die belastende kuur niet te geven. Zo voorkom je onnodige ‘overbehandeling’. Blijkt echter dat de kans op uitzaaiingen groot is, dan is het misschien beter om een patiënt andere, of een combinatie van medicijnen te geven.
Volgens Rodenhuis is de micro-array één van de belangrijkste ontwikkelingen in de aanpak van kanker. “De techniek wordt nu al hier en daar toegepast, met veel belovende resultaten. Een genprofiel van een tumorcel maken is inmiddels simpel: dat rolt zo uit de computer. Maar de gegevens die je dan krijgt op de juiste manier interpreteren is andere koek. We weten lang nog niet van alle uitkomsten wat ze betekenen, of hoe we die kennis in de behandeling van kanker kunnen gebruiken. Vandaar dat er nog veel meer onderzoek nodig is voor we de micro-array op grote schaal kunnen toepassen.”
Zwakke plek
In totaal zijn er op dit moment zo’n vijftig soorten chemotherapie op de markt, plus diverse vormen van hormoontherapie die kunnen worden ingezet bij de behandeling van kanker. De grote vraag waar elke arts tegen aanloopt is: welk middel (of combinatie van middelen) is voor mijn patiënt het beste?
Waar in de beantwoording van die vraag voorheen veelal moest worden gegokt, leren artsen steeds beter te voorzien wat werkt en wat niet. Dat doen ze door de zwakke plek van de tumorcel in kaart te brengen, en het middel te kiezen dat dáár het best op ingrijpt. Bij borstkanker en darmkanker worden met deze aanpak al heel goede resultaten geboekt.
Rodenhuis vergelijkt de techniek met de behandeling van een bacteriële infectie. “In het laboratorium bekijken we welke vorm van antibiotica bij een bepaalde bacterie het beste werkt. Dat willen we met kankermedicijnen en tumorcellen ook kunnen.”
Toch zal het volgens hem waarschijnlijk nog zeker tien jaar duren voor dat gemeengoed wordt. “Het onderzoek is niet alleen ingewikkeld en duur, je hebt ook veel patiënten nodig om aan te tonen dat een bepaald middel bij een bepaalde tumor werkt. In de praktijk blijkt dat lastig te organiseren.”
Doelgericht
Er komen steeds varianten van chemotherapie en hormoontherapie bij, maar er worden heel nieuwe middelen ontwikkeld, aldus Rodenhuis. “Chemotherapie en hormoontherapie zijn medicijnen die de celdeling in alle cellen van het lichaam beïnvloeden. Met mogelijk nare bijwerkingen als misselijkheid en haaruitval tot gevolg. Bovendien verzwakt het afweersysteem daardoor. De laatste jaren komen er steeds meer doelgerichte geneesmiddelen op de markt. Dat zijn medicijnen die afwijkingen in tumorcellen gebruiken en vooral dáárop inwerken. De rest van het lichaam heeft daar dus geen last van.”
Immunotherapie is er een voorbeeld van. Dat is een behandeling met medicijnen, die de natuurlijke afweerreactie van het lichaam tegen kankercellen stimuleert. Verder zijn er middelen die de groei van kankermedicijnen op verschillende manieren afremmen (monoklonale antilichamen). Rodenhuis: “Van die laatste heb ik op korte termijn de hoogste verwachtingen. Bij borstkanker en Non-Hodgkin leveren die al goede resultaten op.”
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het moment waarop geneesmiddelen gegeven worden, en voor hoe lang. Rodenhuis: “Er wordt enorm veel onderzoek gedaan naar hoe medicijnen de behandeling in de vorm van chirurgie kunnen versterken. Chemotherapie kan bijvoorbeeld vóór de operatie worden toegediend, om de tumor te doen krimpen en de kans op uitzaaiingen te verkleinen. Maar ook nabehandeling met geneesmiddelen biedt steeds meer kansen.”
Chronische ziekte?
Voorspellen of de kanker uitzaait, de zwakke plek van een tumor opsporen, de juiste combinatie van medicijnen op het juiste moment geven: ze dragen volgens Rodenhuis allemaal bij aan het leveren van maatwerk. “Dat is zonder meer waar we in de toekomst naartoe gaan: een individueel behandelplan voor elke patiënt, en daarmee voor elke tumor.”
Of kanker dan een chronische ziekte wordt, waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden? Rodenhuis: “Voor een deel is dat nu al zo. Steeds grotere groepen kankerpatiënten overleven de ziekte tien, twintig jaar of langer. Het aantal mensen waarbij we de ziekte kunnen controleren neemt alleen maar verder toe. Natuurlijk is dat bij de ene kankersoort makkelijker dan bij de andere. Voor longkanker en alvleesklierkanker hebben we bijvoorbeeld nog maar weinige effectieve middelen. Maar ik ben ervan overtuigd dat ze er ook voor die aandoeningen komen. Binnen tien tot vijftien jaar is voor de meeste kankerpatiënten een chronische behandeling mogelijk.”
[Kader]
Kanker in Nederland
-
Het aantal nieuwe gevallen van kanker per jaar is ongeveer 81.000 (42.000 mannen en 39.000 vrouwen). Zo’n 10% daarvan heeft al eerder een andere vorm van kanker gehad. Het aantal ‘eerste’ patiënten ligt dus rond de 73.000.
-
Bijna 44% van de Nederlandse mannen krijgt ooit in hun leven kanker. Van de vrouwen is dat 38%.
-
De meest voorkomende kankersoorten zijn: borstkanker, darmkanker, longkanker, prostaatkanker en huidkanker. Ruim 50% van alle nieuwe kankerpatiënten heeft één van deze vormen.
-
Tweederde van de vrouwelijke kankerpatiënten is boven de 60. Bij mannen is dat zelfs driekwart. Een kleine 10% van de patiënten is onder de 45.
-
Per jaar wordt bij zo’n 350 kinderen onder de 15 jaar kanker vastgesteld. Dat is slechts 0,7% van alle nieuwe patiënten.
-
Het aantal nieuwe gevallen van kanker groeit met circa 1 à 2% (1000 mensen) per jaar. De belangrijkste oorzaken van die stijging zijn de bevolkingsgroei en de vergrijzing.
-
Gemiddeld overleeft 50% van alle kankerpatiënten de eerste vijf jaar na de diagnose.
-
Jaarlijks overlijden er zo’n 38.000 mensen aan kanker. Dat is 30% van alle sterftegevallen. Alleen aan hart- en vaatziekten overlijden meer mensen.
-
De verwachting is dat binnen een paar jaar het aantal sterfgevallen als gevolg van kanker dat als gevolg van hart- en vaatziekten zal overstijgen.
-
Sommige leefgewoonten vergroten het risico op kanker. De belangrijkste daarvan zijn: roken, ongezond eten, veel alcohol drinken, onvoldoende bewegen en veel zonnen.
[Kader]
Tien signalen die mogelijk op kanker kunnen wijzen
(Ga ermee naar de huisarts!)
-
Blijvende heesheid of hoest, eventueel met bloed in opgehoest slijm
-
Slikklachten: als slikken pijn doet, het eten slecht zakt of blijft steken
-
Nieuwe of veranderde moedervlekken
-
Een schilferend plekje of bobbeltje op de huid
-
Een verdikking of bobbel(tje) ergens in het lichaam, bijvoorbeeld in de borst, zaadbal, oksel, hals of lies
-
Bij vrouwen: ongewoon vaginaal bloedverlies of abnormale afscheiding (buiten de menstruatie om)
-
Bij mannen: zaadbalklachten
-
Een veranderd patroon in de stoelgang (zonder duidelijke aanleiding) of bloedverlies en/of slijm bij de ontlasting
-
Veranderingen bij het plassen (vaker, moeilijker of bloed in de urine)
-
Gewichtsverlies zonder aanleiding
Bron: KWF Kankerbestrijding
BORSTKANKER
Hester Oldenburg is oncologisch chirurg in het Nederlands Kanker Instituut Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam. Ze is gespecialiseerd in de behandeling van borstkanker.
Neemt het aantal gevallen van borstkanker toe of af?
“Het aantal vrouwen met borstkanker groeit nog steeds. Door de vergrijzing natuurlijk. Maar sinds de invoering van het landelijk bevolkingsonderzoek in 1994 worden er ook meer vroege gevallen van borstkanker ontdekt. En vrouwen maken steeds meer levenskeuzes, zoals het laat of geen kinderen krijgen, die het risico op borstkanker vergroten.”
En het aantal vrouwen dat aan borstkanker sterft?
“Dat daalt gelukkig al jaren. Voor een klein deel is dat te danken aan de vroege opsporing. Maar er zijn vooral steeds meer mogelijkheden om borstkanker goed te behandelen. Dat het desondanks een van de belangrijkste doodsoorzaken onder vrouwen is, heeft te maken met het grote aantal vrouwen dat ermee te maken krijgt.”
Wat is er tot nu toe bekend over factoren die de kans op het krijgen van borstkanker vergroten?
“Zeker is dat vrouwelijke hormonen zoals oestrogenen een rol spelen bij het ontwikkelen van borstkanker. De stelregel luidt: hoe minder vaak je tijdens je leven menstrueert, hoe lager de kans op borstkanker. Dus: hoe later je begint met menstrueren, hoe vaker je zwanger bent en hoe eerder je in de overgang komt, hoe kleiner de kans. Hetzelfde geldt voor lang borstvoeding geven. Maar let op: krijg je je eerste kind pas na je 33ste, dan wordt een deel van dat positieve effect weer teniet gedaan. Het langdurig gebruik van hormonen in de vorm van de pil of in de overgang verhoogt de kans op borstkanker juist. Net als roken, veel drinken, weinig bewegen en overgewicht. Hoe dat precies werkt, weten we niet. Meestal blijft toch onduidelijk waarom iemand borstkanker krijgt.”
In hoeverre is borstkanker erfelijk?
“In de jaren ’90 zijn er twee genen ontdekt die het risico op borstkanker enorm verhogen, BRCA1 en BRCA2. Als je als vrouw drager bent van een van die genen, heb je 60-80% kans om tijdens je leven borstkanker te ontwikkelen. Ook de kans op eierstokkanker neemt sterk toe. Bovendien is er in dat geval een risico van 50% dat je het gen aan je kind doorgeeft. Van alle vrouwen met borstkanker heeft 5 à 10 % zo’n ‘borstkankergen’. Wereldwijd wordt onderzoek gedaan om te kijken of er nog meer genen zijn die borstkanker veroorzaken. We verwachten van wel, maar tot nu toe zijn ze nog niet gevonden.”
Lukt het om borstkanker steeds eerder op te sporen?
“Sinds de invoering van het bevolkingsonderzoek worden meer en meer vroege gevallen van borstkanker ontdekt. Dat onderzoek – een mammografie – gaat steeds vaker digitaal. Op een digitale borstfoto is meer te zien. Bovendien kan de computer helpen om verdachte plekken te herkennen.
Is de uitslag van een mammografie niet helemaal duidelijk, dan wordt er een echo en soms een MRI gedaan. Het nieuwste apparaat dat ons ter beschikking staat is de PET-scan, die opnamen van het hele lichaam maakt. Die wordt niet zozeer gebruikt om borstkanker zelf vast te stellen, als wel om eventuele uitzaaiingen op te sporen en tijdens de behandeling te kijken of tumoren daadwerkelijk slinken.
Vroege opsporing van borstkanker verhoogt de overlevingskans. Maar er zit ook een andere kant aan. Soms vind je iets minimaals, een voorstadium van kanker dat eigenlijk nog niets voorstelt. Het is onduidelijk of het ooit tot kanker zal uitgroeien, maar voor de zekerheid behandelen we het toch. Met veel – misschien onnodige – zorgen en belastende behandelingen voor de patiënt, en hoge kosten voor de maatschappij tot gevolg.”
Het bevolkingsonderzoek wordt nu uitgevoerd bij vrouwen boven de 50. Gaat die leeftijd de komende jaren verder omlaag?
“Waarschijnlijk niet. Er wordt voorzichtig over nagedacht om vanaf 45 te gaan screenen, maar er moet eerst nog meer onderzoek worden gedaan of dat echt winst voor de volksgezondheid oplevert. Vooralsnog lijkt dat niet zo te zijn.”
Draagt zelfonderzoek bij aan vroege opsporing?
“Nee. Natuurlijk is het verstandig om je lichaam goed te leren kennen en er opmerkzaam op te zijn als er onverwacht iets in je borsten verandert. Maar tot nu toe is niet bewezen dat door het doen van zelfonderzoek het sterftecijfer daalt.”
Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen als het gaat om de diagnostiek en de behandeling van borstkanker?
Minder dan 5% van de nieuwe gevallen van borstkanker is uitgezaaid. Dat betekent dat het overgrote deel kan worden geopereerd. Ongeveer 60% van de borstoperaties gebeurt tegenwoordig borstsparend. Een belangrijke ontwikkeling in dat verband is dat patiënten steeds vaker chemotherapie vóór de operatie krijgen, met als doel de tumor te doen krimpen. Het maakt het makkelijker om borstsparend te opereren. Bovendien verkleint het mogelijk de kans op uitzaaiingen later.
Bij het opereren en de eventuele bestraling daarna wordt steeds meer ‘beeldvorminggeleid’ gewerkt. Met behulp van technieken zoals de MRI kunnen we vóór – en in de toekomst misschien zelfs tijdens – de operatie driedimensionale plaatjes maken. Zo kunnen we nog preciezer werken en hoeven we minder onnodig te snijden. Bij het bestralen betekent het, dat de dosis straling gerichter kan worden toegediend en er minder omliggend weefsel wordt beschadigd.
Verder gaan de ontwikkelingen op het terrein van borstreconstructie heel snel. De mogelijkheden om te reconstrueren zijn nu veel groter dan een paar jaar geleden, zelfs bij een borstsparende operatie. Helaas passen nog lang niet alle ziekenhuizen in Nederland die nieuwe technieken toe.
Een heel belangrijke uitvinding is de micro-array. Daarmee kunnen we voorspellen wat de kans is dat een tumor zal uitzaaien. Dat is zo essentieel, omdat vrouwen niet overlijden aan een tumor in de borst, maar aan de uitzaaiingen van borstkanker.
Verder zijn we steeds beter in staat zijn het juiste medicijn bij een bepaalde tumor te zoeken. Nog niet zo lang geleden hebben we bijvoorbeeld ontdekt dat ongeveer 20% van de borstkankerpatiënten een tumor heeft met een bepaald soort receptoren – zeg maar voelsprieten. Er is een middel, Herceptin, dat zich aan die voelsprieten bindt en de tumor te lijf gaat. Dat werkt zo goed, dat de sterfte in die groep patiënten met 50% is gedaald. Zo’n spectaculair resultaat hebben we niet eerder met medicijnen behaald. Omdat het een ‘doelgericht’ medicijn is dat alleen op de tumor werkt, zijn er bovendien minder bijwerkingen.”
Wordt borstkanker in de toekomst een chronische ziekte waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden?
“We krijgen steeds meer mogelijkheden om borstkanker goed te behandelen, waardoor het aantal vrouwen dat aan de ziekte sterft nog verder naar beneden gaat. Volgens mij zal het echter nooit zo ver komen dat er helemaal niemand meer aan borstkanker komt te overlijden. Er blijven altijd heel agressieve vormen van kanker bestaan waar geen kruid tegen opgewassen is.”
[Kader]
Borstkanker: de feiten
-
Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker in Nederland.
-
Een derde van alle vrouwen die kanker krijgen heeft borstkanker. Jaarlijks zijn dat er zo’n 12.000. De verwachting is dat dit aantal in 2015 zal zijn opgelopen naar 17.000.
-
Een Nederlandse vrouw heeft een kans van 1 op 8 om tijdens haar leven borstkanker te krijgen.
-
Borstkanker komt ook bij mannen voor: 1 op de 1500 mannen krijgt borstkanker.
-
75% van alle vrouwen die borstkanker krijgen is ouder dan 50 jaar.
-
Bekende factoren die het risico op borstkanker verhogen, zijn: borstkanker in de familie, kinderloosheid, eerste zwangerschap na je 33ste, eerste menstruatie op jonge leeftijd, late overgang, hormoongebruik in de overgang, overgewicht na de overgang en de consumptie van drie of meer glazen alcohol per dag.
-
Jaarlijks worden een miljoen vrouwen uitgenodigd voor een screening in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Zo’n 80% geeft daar gehoor aan.
-
Gemiddeld wordt 1,4% van de onderzochte vrouwen doorverwezen voor nader onderzoek in het ziekenhuis. Ongeveer de helft van de doorverwezen vrouwen (zo’n 7000) blijkt daadwerkelijk borstkanker te hebben.
-
De kans dat een borstkankerpatiënt vijf jaar na de diagnose nog in leven is, is 75 – 85%. Als de tumor kleiner is dan 2 cm en er geen uitzaaiingen zijn is dat zelfs 85 – 95%.
-
Jaarlijks sterven zo’n 3500 vrouwen aan borstkanker.
-
Als gevolg van het bevolkingsonderzoek en vooral ook betere behandelingen is het sterftecijfer voor borstkanker sinds begin jaren ’90 met 16% gedaald.
[Kader]
Symptomen die op borstkanker kunnen wijzen
-
Een knobbeltje in de borst
-
Deukjes of kuiltjes in de huid van de borst
-
Een sinds kort ingetrokken tepel of een verandering van de tepel, zoals roodheid of schilfertjes
-
Bruin of bloederig vocht uit de tepel
-
Pijn in de borst waar het klierweefsel anders aanvoelt
-
Een borst die warm aanvoelt en rood verkleurd is
-
Een wondje van de borsthuid dat niet geneest
[Kader]
10 fabels over borstkanker (NIET waar dus!)
-
Aan borstkanker ga je altijd dood.
-
Borstzelfonderzoek verkleint de kans op borstkanker
-
Borstkanker is altijd erfelijk
-
Een vrouw met grote borsten heeft meer kans op borstkanker
-
Pijn in de borst wijst altijd op borstkanker
-
Je kunt borstkanker krijgen van deodorants
-
Stress kan borstkanker veroorzaken
-
Het dragen van beugel-bh’s vergroot de kans op borstkanker
-
Mannen kunnen geen borstkanker krijgen
-
Inname van extra vitamines voorkomt borstkanker
Edith Wientjes-Gijsselman (43) was 34 toen ze negen jaar geleden borstkanker kreeg. De tumor in haar rechterborst werd ontdekt, vijf weken na de geboorte van haar zoon Noah. Edith heeft een eigen yogastudio. Ze is getrouwd met Bart.
“’Ik kan niet doodgaan!’ Dat is het eerste wat ik uitriep toen de dokter me vertelde dat ik kanker had. Ik kon dat ventje van vijf weken toch niet alleen laten? De oerkracht die me op dat moment overspoelde gaf me de moed het gevecht aan te gaan.
Na de bevalling kreeg ik last van mijn rechtborst. Er zat een harde schijf in en hij deed zeer. ‘Het is een melkklier’, zeiden de verloskundige en de kraamhulp. Voor de zekerheid stuurde mijn huisarts me voor controle naar het ziekenhuis. Dezelfde dag nog kreeg ik te horen: het is kanker. Ik kon alleen maar huilen.
De week erna werd ik al geopereerd. De tumor was zo groot – vijf bij zeven centimeter – dat mijn borst moest worden geamputeerd. Een paar maanden later volgde nog vijf weken dagelijks bestraling.
Na de operatie wilde ik de wond eigenlijk niet zien. Ik had mijn hele leven met onzekerheid geworsteld. Mijn lijf was het enige waar ik wél vertrouwen in had. Getraind, slank: ik zag er gewoon goed uit. Het idee dat daar een stuk vanaf gehakt was, kon ik niet verdragen. Uiteindelijk moest ik natuurlijk wel. Maar tot op de dag van vandaag vind ik het moeilijk naar mijn borsten te kijken. Zelfs nu de geamputeerde borst gereconstrueerd is.
Godzijdank werden er geen uitzaaiingen gevonden. Toch bleef ik heel lang angstig. ‘Zie je wel, het gaat fout’, dacht ik bij elk pijntje dat ik voelde. Ik zat zo ongeveer elke maand in het ziekenhuis. Echt, ik heb de artsen tot waanzin gedreven. Maar ik wist gewoon niet hoe ik met mijn gevoel moest omgaan.
De ommekeer kwam twee jaar geleden, nadat mijn vader aan longkanker was overleden. De laatste dagen van zijn leven heb ik hem samen met mijn zus verzorgd. Toen hij uiteindelijk stierf, was dat niet eng. Integendeel, ik was blij dat hij van de pijn en ellende verlost was. Het gaf me een gevoel van berusting. En daarmee moed om weer vooruit te durven kijken. Sindsdien heb ik meerdere yogaopleidingen gevolgd en ben ik mijn eigen yogastudio begonnen.
De afgelopen jaren heb ik twee vriendinnen aan borstkanker verloren. Een derde zit middenin de behandeling. Ik ging met haar mee naar de bestraling en een pruik uitzoeken. Heel confronterend. Maar in plaats van bang voelde ik me juist sterk. Ik ben er tenslotte nog! Het jaarlijkse mammogram is tot nu toe steeds schoon. Als het aan mij ligt, doe ik er zeker nog veertig jaar bij.
De kanker en alles wat er op volgde heeft me een zelfverzekerder, krachtiger mens gemaakt. Ik zeg eerder wat ik denk, trek me minder aan wat anderen van me vinden. Niemand kiest ervoor om ziek te worden. Maar het heeft me wel doen inzien dat je het leven zelf leuk moet maken. Dat doe ik, iedere dag weer.”
DARMKANKER
Annemieke Cats is maag-darm-leverarts (MDL-arts) in het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam.
Neemt het aantal gevallen van darmkanker toe of af?
“Er zit een lichte stijging in. Net als bij borstkanker is dat deels te verklaren door de groei van de bevolking en de toenemende vergrijzing. Maar we vermoeden dat leefgewoonten – eten, bewegen – ook een belangrijke rol spelen.”
En het aantal mensen dat aan darmkanker sterft?
“Dat daalt licht. De afgelopen jaren hebben we flinke stappen vooruit gezet in de behandeling. Dat betekent dat we meer mensen kunnen genezen. Een goed voorbeeld is de groep patiënten die uitzaaiingen heeft in de lymfklieren, maar nog niet elders in het lichaam. We weten sinds kort dat een deel van hen positief reageert op een combinatie van twee verschillende soorten chemotherapie. De kans dat een patiënt met uitzaaiingen in de lymfklieren na vijf jaar nog leeft, is daarmee verhoogd van 50-60% naar 70-80%.”
Wat is er tot nu toe bekend over factoren die de kans op het krijgen van darmkanker vergroten?
“Er lijkt een sterk verband te zijn tussen een bepaalde leefstijl en de kans om darmkanker te ontwikkelen. Darmkanker komt veel vaker voor in de westerse wereld dan in Azië en Afrika. Op het moment dat iemand uit Japan naar de VS verhuist en daar de leef- en eetgewoontes van een Amerikaan overneemt, neemt de kans dat hij darmkanker krijgt toe. Het eten van veel rood vlees en vleeswaren verhoogt het risico. Mogelijk geldt hetzelfde voor overgewicht, roken en het drinken van meerdere glazen alcohol per dag. Vezels, vooral die in groenten en fruit, lijken een beschermend effect te hebben. Hetzelfde geldt voor regelmatig bewegen.”
In hoeverre is darmkanker erfelijk?
“Iets minder dan 5% van alle mensen met darmkanker heeft een erfelijke vorm van de ziekte, meestal het Lynch-syndroom – ook wel HNPCC genoemd. Mensen met dit syndroom hebben 50% kans om de aanleg aan hun kind door te geven. Erfelijke darmkanker ontwikkelt zich doorgaans op vrij jonge leeftijd, gemiddeld rond het 45ste jaar. Vandaar dat het zo belangrijk is om je, als er darmkanker in je familie voorkomt, regelmatig te laten onderzoeken.”
Lukt het om darmkanker steeds eerder op te sporen?
“Met darmkanker is iets bijzonders aan de hand: je kunt het opsporen en verwijderen, vóór dat het daadwerkelijk tot kanker uitgroeit. Dat zit zo. Dikkedarmkanker ontstaat bijna altijd uit een darmpoliep. Dat is een verdikking van het slijmvlies dat de binnenkant van de darm bekleedt. Poliepen zijn goedaardige gezwellen, maar sommige kunnen uitgroeien tot kanker. Als je poliepen verwijdert voordat ze kwaadaardig worden, kun je darmkanker voorkomen.
Om poliepen zo vroeg mogelijk te achterhalen, denkt het kabinet erover om een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker in te voeren. In 2010 wordt daarover een besluit genomen. Zo’n screening kan op verschillende manieren gebeuren. Met een inwendig kijkonderzoek van de darm, waarbij eventuele poliepen direct worden verwijderd. Dat onderzoek werkt goed, maar het is belastend voor de patiënt. Vooraf moet hij of zij laxeren. Bovendien kan het pijnlijk zijn, en gênant. Onderzocht wordt of mensen het acceptabel zouden vinden om op grote schaal aan zo’n onderzoek mee te werken.Een alternatief is om de ontlasting te onderzoeken op stofjes die de aanwezigheid van kanker kunnen verraden. Die test is echter niet erg precies en je kunt geen weefsel wegnemen om na te kijken. Er zijn wel meer specifieke testen in ontwikkeling.”
Uitgezaaide kanker wordt over het algemeen niet geopereerd. Bij darmkanker kan dat soms wel. Waarom?
“Ruim 50% van alle patiënten met darmkanker komt voor een operatie in aanmerking. Daar zitten inderdaad ook mensen bij met een beperkt aantal uitzaaiingen, meestal in de longen of de lever. Vijf jaar na de ingreep leeft van die groep nog 25 à 40%, beduidend meer dan zonder operatie.Dat we mensen met beperkte uitzaaiingen toch een ‘genezende’ behandeling kunnen geven, komt omdat darmkanker zich relatief langzaam ontwikkelt. Van een goedaardige poliep tot een kwaadaardig gezwel duurt zo’n tien jaar. Als we geluk hebben geeft dat ons de tijd om uitzaaiingen te verwijderen, voordat ze te wijdverspreid zijn. De nieuwste ontwikkeling is dat we patiënten vóór de operatie al met medicijnen behandelen, in de hoop dat de uitgezaaide tumoren kleiner worden. Of dat werkt, en zo ja welke middelen daarvoor het meest geschikt zijn, wordt momenteel onderzocht. Hetzelfde geldt voor de vraag of je beter eerst de kanker in de darmen of eerst de uitzaaiingen weg kunt halen.”
Wat zijn andere belangrijke ontwikkelingen als het gaat om de diagnostiek en de behandeling van darmkanker?
“Aan een behandeling gaat een darmonderzoek vooraf. Veel patiënten vinden dat vervelend. Vandaar dat veel research wordt gedaan naar andere, minder belastende onderzoekmethodes. Zo is er bijvoorbeeld al een driedimensionale CT-scan, waarbij je op de computer een darmonderzoek kunt nabootsen, zonder dat je daadwerkelijk met een slang in de darmen van de patiënt naar binnen hoeft. Een andere ontwikkeling is die van de videocapsule. Die slikken patiënten in, zodat er van binnenuit video-opnames kunnen worden gemaakt van de dikke darm. Wat de chirurgie betreft: sinds een paar jaar weten we dat het verstandig is om bij een darmoperatie alle omliggende lymfklieren weg te halen. Dat verkleint de kans op uitzaaiingen. Door ze in het laboratorium te onderzoeken krijgen we bovendien een beter beeld in welk stadium de ziekte zich precies bevindt. Blijkt dat de kanker is uitgezaaid naar de lymfklieren, maar nog niet naar de rest van het lichaam, dan behandelen we na de operatie met chemotherapie. De endeldarm – het laatste stukje van de dikke darm voor het uiteinde – zit in het kleine bekken, waar een chirurg relatief weinig ruimte heeft. Met nieuwe technieken lukt het steeds beter om een tumor daar goed te verwijderen, zodat de kans dat hij terugkomt kleiner wordt. Een andere nieuwigheid bij de behandeling van endeldarmkanker is inwendige bestraling. Dat is preciezer en tast waarschijnlijk minder omliggend weefsel aan. We hebben ook steeds meer mogelijkheden om mensen met verder uitgezaaide darmkanker te behandelen. Daarvoor gebruiken we vijf middelen, zowel chemotherapie als doelgerichte medicijnen. Vier van de vijf zijn relatief nieuw. Door patiënten een combinatie van deze middelen te geven, kunnen we de levensduur van mensen met ongeneeslijke darmkanker met anderhalf à twee jaar verlengen.”
Wordt darmkanker in de toekomst een chronische ziekte waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden?
“Ik denk dat we steeds meer mensen zullen kunnen genezen. En dat we ongeneeslijke zieke patiënten langer in leven kunnen houden. Maar dat darmkanker een chronische ziekte wordt waaraan niemand meer overlijdt? Ik zou het prachtig vinden, maar op dit moment geloof ik niet dat het zo ver gaat komen.”
[Kader]
Darmkanker: de feiten
-
Jaarlijks krijgen zo’n 11.000 mensen darmkanker. Iets minder dan de helft daarvan is vrouw. Bij een kwart van de patiënten gaat het om endeldarmkanker (kanker in het laatste stuk van de dikke darm).
-
14% van alle mannen die kanker krijgt heeft darmkanker. Voor vrouwen ligt dat percentage een fractie lager.
-
1 op de 16 mannen en 1 op de 18 vrouwen in Nederland krijgt darmkanker.
-
-
Darmkanker komt het meest voor bij mensen boven de 60.
-
Risicofactoren zijn: consumptie van veel rood vlees en weinig vezels, en onvoldoende lichaamsbeweging. Personen die veel bewegen hebben waarschijnlijk 40-50% minder kans op darmkanker.
-
De kans dat een darmkankerpatiënt vijf jaar na de diagnose nog in leven is, is 50-60%. Indien er geen uitzaaiingen zijn stijgt dit naar 70-80%.
-
Jaarlijks sterven er circa 4500 mensen aan darmkanker.
[Kader]
Symptomen die op darmkanker kunnen wijzen
-
Veranderingen in het ontlastingpatroon, bijvoorbeeld verstopping of afwisselend verstopping en diarree
-
Bloed en/of slijm in de ontlasting
-
Loze aandrang
-
Vermoeidheid, en duizeligheid door bloedarmoede
-
Vage buikpijn
-
Een gevoelige plek in de buik
Joop Willemsen (53, verloofd) werkt als inkoper bij een chemisch bedrijf. In januari 1995 kreeg hij endeldarmkanker. Hij was toen 39. Na een succesvolle behandeling met operatie en chemotherapie is hij inmiddels veertien jaar kankervrij. Hij heeft er wel een permanent stoma aan overgehouden.
“Van kanker genees je nooit. Ja, fysiek misschien. Maar het blijft altijd tussen je oren zitten. Elke keer als ik een pijntje voel, elke keer als ik voor controle naar het ziekenhuis ga, denk ik: ‘het zal toch niet teruggekomen zijn?’. Die angst blijft je achtervolgen. Zelfs na veertien jaar.
Aan de andere kant: geconfronteerd worden met kanker leert je ook veel waardevols over het leven. Het allerbelangrijkste is wel dat ik gezondheid niet meer als iets vanzelfsprekends beschouw. Dat helpt me de onbenullige problemen van het leven te relativeren. Kon ik vroeger nog wel eens gestrest en ongeduldig voor een rood stoplicht staan, nu zie ik soms niet eens dat het groen is geworden omdat ik van de mooie omgeving geniet.
Op een zondagavond veertien jaar geleden kreeg ik aandrang om naar het toilet te gaan. Nog voordat ik de badkamer had bereikt zat er slijmerig bloed in mijn broek. De volgende dag verwees de huisarts me direct door naar het ziekenhuis. Daar ging ik redelijk onbezorgd naartoe. Een aambei, dacht ik, of een gesprongen ader. Ik was immers in topconditie en had nooit eerder klachten gehad.
Toen ik het woord kanker hoorde, schoot als eerste door mijn hoofd: ‘ik ga dood’. Een paar dagen had ik het gevoel dat ik met één been in mijn graf stond. Maar toen bleek dat de tumor goed te operen was, en dat er geen uitzaaiingen waren, keerde de rust terug.
Het fysieke herstel ging snel: een paar weken na de operatie stond ik alweer op de skipiste. De geestelijke acceptatie duurde langer, vooral ook omdat ik de rest van mijn leven een stoma moest dragen. Mijn zelfvertrouwen heeft daar een flinke knauw door gekregen. Gelukkig kan ik mét stoma alles doen wat ik voor de kanker ook deed. Ik fiets, fitness, ski en heb zelfs mijn duikbrevet gehaald.
Ook vrijen met een stoma is geen probleem. Maar het was best even raar toen ik een paar maanden geleden een nieuwe vriendin kreeg. Vooral als je voor het eerst uit de kleren gaat sta je elkaar toch vreemd aan te kijken. Gelukkig deed ze er totaal niet moeilijk over. En schamen doe ik me er allang niet meer voor. De stoma hoort bij mij.
Drie jaar geleden kreeg mijn moeder darmkanker. Daar schrok ik behoorlijk van; misschien is er toch sprake van een erfelijke variant. Maar ik maak me nu niet meer zorgen dan voorheen. Van nature ben ik heel positief ingesteld, ik kijk liever naar wat wel goed gaat dan niet. Piekeren kan altijd nog, toch?
Wat ik van de kanker heb geleerd is dat je leuke dingen niet uit moet stellen. Mensen sparen vaak om na hun pensioen plezier te gaan maken. Maar wie zegt dat je dat haalt? Nee, dan geniet ik liever nu. Binnenkort ga ik met mijn verloofde samenwonen, ook al kennen we elkaar nog niet zo lang. Zo begin ik – voor de tweede keer in vijftien jaar – aan een heel nieuw leven.”
Joop is voorzitter van de afdeling Zuid-Holland van de Stoma Vereniging. Zie voor meer informatie: www.stomavereniging.nl.
LONGKANKER
Houke Klomp is oncologisch chirurg in het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam. Ze is gespecialiseerd in de behandeling van longkanker.
Neemt het aantal gevallen van longkanker toe of af?
“Onder mannen neemt het af, onder vrouwen juist toe. De ontwikkeling van het aantal gevallen van longkanker volgt daarmee de trends in het rookgedrag: mannen zijn sinds de Tweede Wereldoorlog minder gaan roken, vrouwen steeds meer. Het is niet duidelijk of de piek van vrouwelijke rokers al is bereikt. De komende decennia zal de hoeveelheid vrouwen met longkanker waarschijnlijk nog verder toenemen.”
En het aantal mensen dat aan longkanker sterft?
“Sinds het midden van de jaren ’80 daalt het aantal mannen dat sterft aan longkanker. Vanaf dat moment werden de effecten van stoppen met roken zichtbaar in de sterftecijfers. Vanaf de jaren ’70 is het aantal vrouwen dat aan longkanker overlijdt juist toegenomen. Als deze trend doorzet, zullen over een aantal jaren meer vrouwen dan mannen aan longkanker overlijden.”
Wat is er tot nu toe bekend over factoren die de kans op het krijgen van longkanker vergroten?
“Roken is de aller-, allerbelangrijkste risicofactor voor longkanker: 90% van alle gevallen van longkanker is het directe gevolg van roken. Mogelijk ligt dat percentage eigenlijk nog hoger, omdat bij de overige 10% meeroken een rol kan spelen. Bij meeroken is de blootstelling aan kankerverwekkende stoffen weliswaar twintig keer zo laag. Maar als je vaak en lang genoeg in een rokerige ruimte verblijft, levert dat wel een verhoogd risico op. Werken met gevaarlijke stoffen, zoals asbest, en luchtvervuiling zijn maar voor een heel klein deel van alle longkankergevallen verantwoordelijk.”
Hoe kan het eigenlijk dat sigaretten longkanker veroorzaken?
“Hoe dat precies werkt weten we niet. Feit is dat je door te roken allerlei giftige stoffen je lijf binnenhaalt. Die veroorzaken een chronische ontsteking in je longen. Het afweersysteem trekt daartegen ten strijde en vervangt beschadigde cellen door nieuwe. In dat proces van celdeling kan het DNA beschadigingen oplopen, met kanker tot gevolg. In totaal zitten er wel veertig kankerverwekkende stoffen in sigaretten. Ondanks dat er veel onderzoek naar wordt gedaan, is nog niet bekend welke stof welke rol speelt in het ontstaan van longkanker. Dat maakt het mede zo ingewikkeld om de ziekte aan te pakken.”
Zijn vrouwen gevoeliger voor de effecten van roken dan mannen?
“Daar leek het wel op, maar sinds kort wordt daar toch aan getwijfeld. Als mannen of vrouwen veel roken, hebben ze een even grote kans op longkanker. Wel lopen vrouwen die nooit of zeer weinig gerookt hebben een hoger risico dan mannelijke niet-rokers. Mogelijk heeft dat te maken met de hormoonhuishouding van vrouwen en hun natuurlijke vermogen om DNA-schade in longcellen te repareren.”
Heeft nog zin om te stoppen als je al dertig jaar rookt?
“Het heeft altijd zin om te stoppen. Wel is het zo dat als je langer dan twintig jaar hebt gerookt, het risico op longkanker nooit meer teruggaat naar nul. Je blijft dan als het ware hangen op het verhoogde risico dat je liep op het moment van stoppen.”
Is longkanker erfelijk?
“Voor zover we nu weten niet. Er is geen bekend ‘longkankergen’, zoals bij borstkanker of darmkanker.”
Lukt het om longkanker steeds eerder op te sporen?
“Niet echt. Het lastige is dat mensen vaak pas klachten krijgen als de longkanker al is uitgezaaid. Sterker nog, de helft van de patiënten meldt zich met klachten op andere plekken in hun lichaam dan hun longen. Uit onderzoek blijken die dan het gevolg te zijn van longkanker. Onderzocht wordt of het zin zou hebben mensen met een verhoogd risico op longkanker periodiek te screenen door middel van een CT-scan. Zo’n onderzoek levert veel ‘verdachte’ foto’s op, maar daarvan blijkt maar een heel klein deel daadwerkelijk longkanker te zijn. Bovendien is nog niet bewezen dat de overlevingskans van die patiënten door de vroege opsporing toeneemt.”
Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen als het gaat om de diagnostiek en de behandeling van longkanker?
“De kans om van longkanker te genezen is de afgelopen dertig jaar nauwelijks verbeterd. Dat komt omdat longkanker een heel ‘efficiënte’ vorm van kanker is: agressief, hardnekkig, snel verspreidend en met veel verschillende varianten. Van de patiënten zonder uitzaaiingen elders in het lichaam – zo’n 50% van het totaal – komt de helft in aanmerking voor een operatie. Bij de andere helft is de ziekte in de longen zelf al te uitgebreid, of is hun algemene conditie te slecht om een operatie te kunnen doorstaan. Patiënten na een operatie behandelen met medicijnen levert bij borstkanker en darmkanker al gauw een extra overlevingskans van 10 tot 20% op. Bij longkanker is dat maar 5%. Bij patiënten bij wie de longkanker is uitgezaaid naar andere organen slaat behandeling met medicijnen soms wel aan, maar genezen is zelden mogelijk.Gelukkig is er ook goed nieuws te melden. Zo helpt de PET-scan – het apparaat waarbij tumoren in het hele lichaam kunnen worden opgespoord – ons om een steeds betere diagnose te stellen. Het aantal operaties dat achteraf zinloos bleek omdat er toch onontdekte uitzaaiingen waren, is daarmee teruggebracht met 20%. Is een longtumor kleiner dan drie centimeter en zit hij op een plek die goed te opereren is, dan is er een goede kans op genezing. 75% van die patiënten is vijf jaar na de diagnose nog in leven. Er wordt bekeken of het zinvol is patiënten vóór een operatie met medicijnen te behandelen. Op die manier kunnen grotere tumoren soms toch succesvol worden verwijderd. Bovendien verkleint het misschien de kans op uitzaaiingen. Verder kunnen tumoren die aan de buitenkant van de long liggen tegenwoordig veel beter worden bestraald. De techniek is preciezer en de dosis straling hoger, waardoor tumoren vaker helemaal verdwijnen. De meest veelbelovende ontwikkeling is die van de doelgerichte medicijnen. De laatste jaren zijn er enkele van dat soort middelen voor longkanker op de markt gekomen. Die slaan goed aan bij zo’n 8% van de patiënten. Dat klinkt misschien weinig, maar het is de eerste keer dat we met geneesmiddelen zulke veelbelovende resultaten boeken. Verder zijn we in staat met onderzoek vooraf te bepalen bij welke patiënten ze waarschijnlijk wel gaan werken en bij welke niet. Of we mensen ook echt met die middelen gaan genezen weten we nog niet; daarvoor zijn ze te kort in gebruik.”
Wordt longkanker in de toekomst een chronische ziekte waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden?
“Er moeten nog een hoop stappen worden gezet, maar ik ben ervan overtuigd dat we binnen twintig jaar specifieke medicijnen hebben voor een aantal soorten longtumoren. Vergelijk het maar het onderzoek naar middelen tegen AIDS; dat is uiteindelijk ook heel snel gegaan. Het proces van kankervorming is een stuk ingewikkelder, maar toch zien we vergelijkbare ontwikkelingen. Ik ga nog meemaken dat longkanker een controleerbare ziekte wordt.”
[Kader]
Longkanker: de feiten
-
Jaarlijks krijgen zo’n 10.000 mensen longkanker. Tweederde daarvan is man, een derde vrouw.
-
Longkanker is na prostaatkanker de meest voorkomende kanker bij mannen. Bij vrouwen staat longkanker op de derde plaats.
-
16% van alle mannen die kanker krijgt heeft longkanker. Voor vrouwen is dat percentage 8%.
-
1 op de 14 mannen en 1 op de 30 vrouwen in Nederland krijgt longkanker.
-
90% van alle longkankergevallen wordt veroorzaakt door roken.
-
Rokers van 1 tot 14 sigaretten per dag hebben een 5 maal hogere kans om aan longkanker te overlijden. Voor rokers van 15 sigaretten of meer is dat risico 10 tot 15 maal hoger.
-
Tussen 1989 en 2005 is het aantal mannen met longkanker met bijna een derde gedaald. In diezelfde periode is het aantal vrouwen met longkanker verdubbeld. Dat komt omdat vrouwen de afgelopen decennia steeds meer zijn gaan roken.
-
De kans dat een longkankerpatiënt vijf jaar na de diagnose nog in leven is, is 15%.
-
De sterfte aan longkanker is bijna net zo hoog als het aantal nieuwe gevallen: bijna 10.000 per jaar.
-
Longkanker is de meest dodelijke vorm van kanker. Ieder jaar overlijden er meer mensen aan longkanker dan aan borstkanker en darmkanker samen.
-
De helft van alle rokers overlijdt aan de gevolgen van het roken. Rokers leven gemiddeld dertien jaar korter dan niet-rokers.
-
Tussen 1950 en 2000 zijn er 263.300 Nederlanders aan longkanker overleden.
-
In 2006 overleden dagelijks bijna 9 vrouwen aan longkanker. 17% van alle vrouwen die aan kanker overleden had longkanker.
-
Slechts 1% van de niet-rokers zal ooit overlijden aan longkanker.
[Kader]
Symptomen die op longkanker kunnen wijzen
-
Een verandering in het hoestpatroon, bijvoorbeeld een hardnekkige prikkelhoest
-
Bloed in het opgehoeste slijm
-
Kortademigheid
-
Een terugkerende longontsteking
-
Aanhoudende heesheid
Bij Cheryl Boud (56, single) werd in 2006 longkanker geconstateerd. Een deel van haar linkerlong is operatief verwijderd. Daarna kreeg ze chemotherapie. Als gevolg van haar ziekte is ze 100% afgekeurd voor haar werk als PR- en Marketingmedewerker. Ze heeft twee dochters (29 en 26) en twee kleindochters (7 en 2).
“Natuurlijk had ik eerder moeten stoppen met roken. Maar je denkt altijd: het overkomt een ander. Bovendien: ik rookte amper tien sigaretten per dag. Daar krijg je toch geen kanker van? Zo houd je jezelf voor de gek.
In mei 2006 voelde ik: er is iets mis. Volgens mijn huisarts zat het tussen mijn oren. Pas drie bezoeken en een half jaar later verwees hij me door naar de longarts. De uitkomst: een tumor en twee uitzaaiingen in mijn linkerlong. Echt verbaasd was ik niet. Mijn vader, moeder, ooms en nichtjes zijn allemaal aan kanker overleden. Het was afwachten tot ik aan de beurt zou zijn.
Na de operatie kreeg ik te horen dat er 50% kans was dat ik na vijf jaar nog zou leven. Met die prognose was ik blij; voor de meeste longkankerpatiënten ligt dat percentage veel lager. Ik ben de strijd met volle kracht aangegaan. Opgeven? Dat nooit. Ik wil mijn kleindochters zien opgroeien!
Natuurlijk was ik wel bang, vooral ’s avonds alleen in bed. Maar voor de buitenwereld hield ik me groot. Ik wilde anderen geen pijn doen met mijn angst en verdriet, vooral mijn dochters niet. Zelfs nu ik tijdens het interview zit te janken, schaam ik me voor mijn tranen. Ik moet sterk zijn van mezelf.
Dat harde pantser kan ik afleggen als ik bij lotgenoten ben. Behalve mijn familie en vrienden zijn vooral zíj het die me op de been houden. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, hebben aan één woord genoeg. Het contact is intens en tegelijkertijd vanzelfsprekend. Bij hen kan ik kwetsbaar zijn. Uithuilen als ik het even niet meer zie zitten. Het heeft me milder gemaakt. Aardiger voor mezelf ook.
Omdat mijn stembandzenuw tijdens de operatie beschadigd is, voelt het alsof ik door een rietje adem. Van vocht of smog krijg ik het benauwd. Ik heb constant pijn. En toch. Ik lees mijn kleinkinderen weer voor. Ga uit met vriendinnen. Badminton, korfbal en rijd paard. Allemaal niet in het tempo van vroeger. Maar ik sta er mooi wel. Beetje bij beetje pak ik mijn oude leven weer terug.
Het is geen toeval dat ik hier nog ben; ik heb een taak te vervullen. De tijd nemen voor elkaar, een luisterend oor bieden; door mijn ziekte heb ik geleerd hoe belangrijk dat is. Ik ben zo bevoorrecht dat familie en vrienden er voor me zijn. Nu wil ik hetzelfde voor anderen betekenen.
Na de chemotherapie heb ik collage gemaakt met foto’s van mezelf van vóór ik ziek werd. Mooie plaatjes van toen ik me op mijn best voelde, het meest gelukkig was. Dat is mijn doel voor de toekomst, om weer zo vrij in het leven te staan. Maar echt vooruit plannen? Dat durf ik nog niet. Ik wil de goden niet tarten.”
[Kader]
Het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis
De specialisten die aan deze productie hebben meegewerkt zijn allemaal verbonden aan het Nederlands Kanker Instituut, – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam, het enige instituut in Nederland dat volledig is gespecialiseerd in kanker. In het wetenschappelijke laboratorium wordt onderzoek gedaan naar de oorzaak en de behandeling van kanker. Daarnaast worden in de kliniek kankerpatiënten uit het hele land behandeld. Het NKI-AVL werkt samen met academische ziekenhuizen, universiteiten en wetenschappelijke onderzoeksinstituten in Nederland en in het buitenland en wordt internationaal erkend als een Centre of Excellence op het gebied van kanker. Voor meer informatie, zie: www.nki.nl.