Marte van Santen

Freelance journaliste en schrijfster

HEDY D’ANCONA oktober 7, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 11:34 am

002003

Naam: Hedy d’Ancona

Geboren: 1 oktober 1937

Beroep: politica, journaliste, bestuurder

Relatie: sinds 12,5 jaar samen met kunstenaar Aad Veldhoen

Kinderen: een zoon van 40 en een dochter van 38

Bekend van: medeoprichtster van het maandblad Opzij, waarvan ze van 1972 tot 1981 hoofdredacteur was, lid van de Eerste Kamer en het Europees Parlement voor de PvdA, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet Van Agt II en minister van Welzijn, Volksgezondheid en Sport in het kabinet Lubbers III

“Als je me vraagt wanneer ik het meest gelukkig was, dan zeg ik: nu. Ik heb geweldige kinderen en een prikkelende relatie, ik ben gezond en ik doe leuk werk. De kloof tussen wat ik wil en wat ik heb wordt steeds kleiner.

Al ben ik 72, ik kan me niet voorstellen dat ik ooit stop met werken. Het geeft me zo’n heerlijk voldaan gevoel als ik ’s avonds kan terugkijken op wat ik die dag allemaal heb volbracht. Mijn nieuwsgierigheid stimuleert me om steeds weer nieuwe uitdagingen aan te gaan. Als ik in een bestuur stap of aan een televisieprogramma meedoe, deel ik niet alleen in mijn ervaring met anderen; ik leer er zelf ook van. Het is een honger naar kennis die nooit wordt gestild.

Toen ik drie was werd mijn Joodse vader naar een concentratiekamp afgevoerd. Twee weken voor de bevrijding stief hij. Tot op de dag van vandaag kleurt de Tweede Wereldoorlog de bril waardoor ik naar het leven kijk. Het Midden-Oosten, Afrika, Rusland; met ontzetting zie ik hoe mensen elkaar daar de meest vreselijke dingen aandoen. Het maakt me telkens weer woedend. Zo voel ik me trouwens ook als ik alle vooroordelen over asielzoekers hoor.

Toch ben ik nooit cynisch geworden, of moedeloos. Ik geloof heilig dat het anders en beter kan. Neem nu de Europese Unie. Dankzij die samenwerking hebben we hier al ruim zestig jaar geen grote oorlogen meer gehad. Het is een hoopvol voorbeeld voor de rest van de wereld. Ik zou willen dat meer Nederlanders zich daarvan bewust waren.

Religie heeft me nooit steun kunnen bieden. Zijn de meeste oorlogen niet gevoerd omdat de één de ander zijn godsdienst betwist? Of omdat de ene God beter zou zijn dan de andere? Ik zal mensen nooit veroordelen om wat ze geloven, alleen om wat ze doen. Maar zelf heb ik er niets mee, ook niet nu het einde langzaam naderbij komt. Na de dood houdt het volgens mij gewoon op.

Na de oorlog trouwde mijn moeder met een weduwnaar. Zes jaar later verloor ze ook die man. Op haar 34ste bleef ze achter met vijf kinderen, twee van haarzelf en drie van hem. Toch klaagde ze nooit. Ze was een heel optimistische en krachtige vrouw, die er het beste van maakte. Een echte wereldverbeteraar ook. Mijn compassie en doorzettingsvermogen heb ik grotendeels van haar; ze heeft het me voorgeleefd. Misschien dat ik daarom zo vrolijk ben – ik weet hoeveel erger het kan. De fragiliteit van het geluk van mijn ouders heeft me gretig gemaakt.

Mijn moeder heeft me ook mijn onvoorwaardelijke geloof in vrouwen meegegeven. Anno 2009 draag ik het predicaat ‘feministe’ nog altijd met trots. De afgelopen decennia is er – mede dankzij onze inspanningen – veel verbeterd in de positie van vrouwen. Toch wordt de wereld feitelijk nog steeds door mannen bestuurd. Of het nu om gelijke beloning of het aantal vrouwen in topposities gaat, ons werk is nog lang niet klaar.

Je hoort hoogopgeleide, succesvolle vrouwen tegenwoordig vaak klagen dat ze geen man kunnen vinden. Dat probleem heb ik nooit gehad. Ik ben één keer echt getrouwd geweest, maar ik heb me minstens drie keer getrouwd gevoeld. Dat het al die keren niet is gelukt om de relatie in stand te houden, voelt als een falen. Het leek me zo romantisch om gedurende een heel leven een gezamenlijke geschiedenis op te bouwen.

Pas op mijn 59ste werd ik verliefd en bleef ik het, inmiddels al 12,5 jaar. Daar moet je wel je best voor doen. Volgens mij onderschatten mensen hoe belangrijk erotiek is in een langdurige relatie. Dat betekent: zorgen dat je er goed uitziet, lijfelijk contact maken. Je moet elkaar lekker blijven vinden.”

Voor het laatst gehuild:

Uit een gevoel van woede en machteloosheid, na een woordenwisseling met mijn man. Hij was niet onder de indruk.

Meeste bewondering voor:

Madeleine Albright. Wat een sterke vrouw.

Bovenaan het verlanglijstje:

De juiste tas, want het ultieme model heb ik nog steeds niet gevonden.

Bang voor:

Voor het huidige politieke klimaat in Nederland.

Laatst gelezen:

Jaglust van Annejet van der Zijl.

Grootste financiële uitspatting:

Een tijdje geleden is mijn tas gestolen, met daarin een heel dierbare – en dure – Mont Blanc vulpen. Ondanks dat ik nog veertien andere vulpennen bezit, heb ik toen precies dezelfde weer gekocht.

Meest overgewaardeerde deugd:

Zuinigheid.

In ieder geval nog doen:

Een bundel korte verhalen schrijven.

 

AAF BRANDT CORSTIUS oktober 7, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 11:31 am

006007

Naam: Aaf Brandt Corstius

Geboren: 3 maart 1975

Beroep: columniste

Relatie: sinds drie jaar samen met haar vriend Gijs Groenteman

Kinderen: verwacht in november haar eerste kind; haar vriend heeft al een dochter en een zoon van acht

Bekend van: haar dagelijkse column in NRC Next, haar Handboek voor de moderne vrouw en als tafeldame in het televisieprogramma De Wereld Draait Door

“Ik ben wel eens bang dat ik geen goede ouder zal zijn, omdat ik mijn eigen moeder zo vroeg verloren ben. Zes was ik, toen zij aan kanker stierf. Thuis draaide het vooral om mijn vader. Hij houdt van mij, maar alles moest – en moet – op zijn manier. Als kind mocht ik bijvoorbeeld geen lawaai maken en ging ik vroeg naar bed, zodat hij rustig kon werken. Het kwam niet in me op me tegen zijn regels te verzetten; omdat hij mijn enige ouder was, adoreerde ik hen. Maar toen ik tegen de dertig liep werd ik alsnog boos. Goed bedoeld of niet, zijn gedrag heeft me vaak ongelukkig gemaakt. Dat heb ik hem ook gezegd. Een soort verlate puberteit was het. Sindsdien kan ik hem beter accepteren voor wie hij is. Ik koester geen valse verwachtingen meer.

Van nature ben ik niet het type dat bij de pakken neer gaat zitten. Ik heb altijd mijn best gedaan om mezelf te verbeteren, om het leven leuker te maken. Voor mij betekent dat:  bezig blijven. Nieuwe hobby, nieuw werk; zo ontwikkel je jezelf. Voor het eerst in mijn leven ben ik nu echt gelukkig. Het geeft me de rust om niet alleen veel te doen, maar daar ook van te genieten.

Nu ik zelf een kind krijg, mis ik mijn moeder op een andere manier dan vroeger. Ik zou haar zo graag vragen hoe zij haar zwangerschap heeft ervaren, of ze bang was voor de bevalling, hoe ze over de opvoeding dacht. Wat het extra vreemd maakt is dat ik 34 ben, dezelfde leeftijd als waarop mijn moeder overleed. Ik besef nu pas goed hoe jong ze was toen ze stierf.

Mijn ideeën over het moederschap zijn tamelijk romantisch. Ik zie mezelf al de hele dag knutselen, verhalen vertellen en appeltaarten bakken. Een beetje zoals in de kinderboeken van Astrid Lindgren. Ik weet natuurlijk best dat de werkelijkheid anders is. Toch ben ik vastbesloten om samen zoveel mogelijk leuke dingen te gaan doen. Een kind verdient het om centraal te staan.

Eén ding wil ik in ieder geval afleren voor hij of zij geboren wordt: mijn opvliegendheid. Dat korte lontje is een familietrekje. Als er iets onverwachts gebeurt, of dingen niet meteen gaan zoals ik wil, kan ik echt ontploffen. Nu probeer ik tot tien te tellen voor ik reageer.

Als je een kind krijgt, kom je in een heel nieuwe wereld terecht. De afgelopen maanden heb ik me er flink aan geërgerd hoe zwangere vrouwen behandeld worden. Ik wil bijvoorbeeld graag een ruggenprik. Dat wordt veelal gezien als een zwaktebod. Sommige vrouwen beschouwen me zelfs als een soort verrader. Wat geeft hen het recht daarover te oordelen? Nog zoiets: na de bevalling moet je van veel mensen per se minder gaan werken, anders ben je een slechte moeder. Wat dat betreft is Nederland nog steeds weinig geëmancipeerd.

Af en toe wind ik me zo op over het nieuws, dat ik naar de tv zit te schreeuwen. Als homo’s het recht om een kind te adopteren wordt ontzegd bijvoorbeeld, of als Geert Wilders weer eens iets verwerpelijks verkondigt. Vijftien jaar geleden vertelde ik tijdens mijn studie in Amerika trots over het vooruitstrevende en tolerante Nederland. Maar het land van toen bestaat niet meer. Vreselijk, dat er zoveel mensen anti-islam zijn. Soms kan ik het niet laten er een stukje over te schrijven, hoeveel er ook al over is gezegd. Ik heb niet de illusie dat met mijn column daadwerkelijk iets zal veranderen. Maar als ik er een paar mensen mee aan het denken zet, ben ik al tevreden.”

Bewondering voor:

De Amerikaanse schrijver David Sedaris. Hij is mijn grote voorbeeld, vooral vanwege zijn humor. Madonna bewonder ik als sterke vrouw, maar de laatste jaren is ze wel heel raar geworden.

Favoriete apparaat:

Mijn laptop – een MacBook van Apple. Daar ben ik mee vergroeid.

Bang voor:

Ziekte en de dood.

Financiële uitspatting:

Eten. Ik ga graag en veel uit eten, of het nu voor ontbijt, lunch of diner is. Het zou veel geld schelen als ik dat wat zou minderen.

Meest overgewaardeerde deugd:

Eerlijkheid. Je hoeft niet te liegen, maar je hoeft ook niet alles te zeggen wat er in je hoofd opkomt. Zeker niet als je iemand daar onnodig mee kwetst.

Boven aan het verlanglijstje:

Een uitbouw voor de kinderkamer, maar daar is ons bovenhuis helaas geen ruimte voor. Dus dan een iphone.

Laatst gelezen boek:

Zomertijd van J.M. Coetzee. Niet zo goed als ik had gehoopt.

Meest waardevolle bezitting:

Twee knuffelhondjes uit mijn kindertijd. Ik heb zoveel lief en leed met ze gedeeld, dat ze bijna echt voelen. Pas kort geleden zijn ze uit mijn bed verbannen.

Wat bijna niemand weet:

Dat ik in een kerkkoor zing. Nee, ik ben niet gelovig.

In ieder geval nog doen:

Naar Japan en Zweden. De natuur, het eten, de mensen, de architectuur, de schrijvers; ik vind alles aan die landen boeiend.

 

JENNIFER HOFFMAN oktober 7, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 11:28 am

004005

Naam: Jennifer Hoffman

Geboren: 23 december 1980

Beroep: actrice en presentatrice

Relatie: geen

Bekend van: de tv-series Westenwind en Verborgen gebreken, de tv-programma’s Passion for fashion en Topstylist – Home edition en de komische film Spion van Oranje. Later dit jaar debuteert Jennifer op het toneel in het stuk Extreem.

“Hoe meer je weet, hoe ingewikkelder het leven wordt. Dat gevoel bekruipt me steeds vaker. Als kind is de wereld zo heerlijk simpel: dit is vies, dat is lekker, dit is goed, dat is fout. Het liefst zou ik, net als toen, één duidelijke kant kiezen, of het nu over het nieuws of over mijn privéleven gaat. Maar zo eenvoudig is het allang niet meer. In plaats van een wereld in zwart en wit zie ik nu steeds meer grijstinten. De logische indeling is weg. Waar baseer je dan je keuzes op? Soms voelt het alsof ik verstrikt raakt in het web van alle ideeën en opvattingen. En dat terwijl ik gedacht had dat ik met het ouder worden juist méér antwoorden zou vinden in plaats van minder.

Om me ergens een mening over te vormen wil ik het het liefst zelf ervaren hebben. De nuchtere Hollandse meid in mij zegt: ‘eerst zien, dan geloven’. Met religie en spiritualiteit heb ik dan ook niet zoveel; daarvoor ben ik te cynisch. Of misschien bescherm ik mezelf wel tegen het onbekende.

Of ratio voor mij boven gevoel gaat? Dat is een vraag die me de laatste tijd erg bezighoudt. Drie jaar geleden is er op een nare manier een einde gekomen aan mijn relatie. Daarna heb ik mijn hart een tijdje uitgeschakeld als het om de liefde ging. Ik werk er hard aan om mijn gevoel op dat terrein langzaam weer te leren vertrouwen. Al met al ben ik meer bezig met anderen gelukkig te maken dan mezelf. Dat is makkelijker, toch? Ik ben een pleaser ja, zo kun je dat wel stellen. Dat heeft niet zozeer met onzekerheid of een gebrek aan eigenwaarde te maken; ik word er gewoon blij van als mensen het naar hun zin hebben.

Een toppunt van eigen geluk was de aanschaf van mijn eerste eigen auto begin dit jaar. Een gebruikt, klein ding, niets bijzonders eigenlijk. Maar voor mij betekent het: onafhankelijkheid. Nadat mijn relatie was stukgelopen, moest ik helemaal opnieuw beginnen. Letterlijk, want ik had geen huis, geen meubels, niets. De aanschaf van mijn auto was de afsluiting van dat proces. Ik voel me vrij als ik erin rondrijd. Wat er verder ook gebeurt, vanaf nu kan ik gaan en staan waar ik wil.

Of ik zelfverzekerd ben weet ik niet, maar ik heb wel een stevige basis waar ik altijd op kan terugvallen. Ik vertrouw op mijn intuïtie, op mijn eigen oordeel. Op mijn twintigste dreigde ik dat gevoel even kwijt te raken. Er kwam in korte tijd heel veel op me af. De poeha van tv-wereld, alle verschillende meningen over wat goed voor me was en welke kant ik op moest; ik wist nauwelijks meer wat ik zelf wilde. Reden genoeg om uit het wereldje te stappen. Toen ik drie jaar later terugkeerde, was dat een heel bewuste keus. Ik laat me niet zo gauw meer gek maken.

Concrete doelen heb ik mezelf nooit gesteld. Ook nu nog niet, al zou dat op mijn 28ste misschien wel eens moeten. Het belangrijkste vind ik om zoveel mogelijk mee te maken. Daarom is acteren ook zo leuk; je kunt jezelf steeds opnieuw uitvinden. Binnenkort sta ik voor het eerst op de planken. Weer iets wat ik aan mijn lijstje ervaringen kan toevoegen! Zo zou ik ook na mijn dood herinnerd willen worden: als iemand die alles uit het leven heeft gehaald dat erin zit. Liever dat, dan me ik me op één vakgebied tot in de perfectie heb ontwikkeld.”

Favoriete apparaat:

Espressomachine. Al ben ik ook heel blij met mijn nieuwe wasmachine en droger. Wat een luxe!

Bang voor:

Haaien. Of eigenlijk alle vissen, groter dan 30 centimeter. Als de zee troebel is, ben ik als de dood dat iets onzichtbaars me aan zal vallen.

Grootste financiële uitspatting:

Laarzen van Paul Warmer. Nee, ik zeg niet hoe duur ze waren. Ik heb mijn schoenen pas nog geteld: vijftig paar. Maar daar zitten wel hele oude tussen.

Voor het laatst gehuild:

Bij films en boeken zit ik al snel te snikken. Maar écht gehuild? Toen ik met mijn ouders besprak wat ze geregeld zouden willen hebben na hun overlijden.

Op het nachtkastje:

Het boek Haar naam was Sara van Tatiana de Rosnay, over een tienjarig Joods meisje dat in de Tweede Wereldoorlog wordt opgepakt en weggevoerd. Zeer aangrijpend.

Wordt boos van:

Zinloos geweld. Het broertje van een vriend is pas zonder reden op straat in elkaar geslagen. Waarschijnlijk komt het goed, maar hij heeft er wel hersenletsel aan overgehouden.

Zeker nog doen:

Deltavliegen. Voor het programma Wie is de mol heb ik in Zuid-Afrika parachute gesprongen. Geweldige manier om een land te zien. Dat smaakt naar meer.

Levensmotto:

Wie goed doet, goed ontmoet.

 

MARINA BOSMAN oktober 7, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 11:25 am

008009

Naam: Marina Bosman

Geboortedatum: 20 november 1964

Beroep: sinds 3,5 jaar eigenaar van het kleine café Ons Cafeetje in Leiden

Relatie: single

Kinderen: een dochter van 21 en een zoon van 18

Bekend van: haar optreden bij Pauw en Witteman over het rookverbod in de horeca

“Ik verkoop geen bier, maar gezelligheid. Mijn klanten zijn mijn mensen, mijn familie. De dankbaarheid die ik van hen krijg is onbetaalbaar. Het café is hun tweede huis, én dat van mij. Als het straks dicht zou moeten als gevolg van het rookverbod, dan blijf ik iets voor hen organiseren. Niemand komt tussen mij en mijn gasten, zelfs minister Klink niet.

In het kleine cafeetje is geen plek voor een aparte rookruimte. En zonder sigaretten komt er niemand meer. Mijn goedlopende zaak is in één klap niets meer waard. Als de rechter de minister gelijk geeft, kan ik straks mijn deuren sluiten. En wie betaalt dan mijn schuld van 70.000 euro af? Maar zover is het nog niet. Ik vecht door tot het bittere einde. Klink zal weten dat hij de strijd met mij is aangegaan.

Ik dacht dat ik tot na mijn pensioen in de horeca zou werken, maar het lijkt erop dat onze lieve heer andere plannen voor me heeft. Waarom zou ik anders voor De tafel van 5 gevraagd zijn? Ik kan het nog steeds nauwelijks geloven als ik tussen al die bekende dames zit, met mijn extravagante kleding en mijn Leidse accent. De zangcarrière waar ik als tiener op hoopte is er niet van gekomen. Dat ik bijna dertig later alsnog een bekend gezicht op tv ben, had ik nooit durven dromen.

Een abonnement op de Telegraaf en een videorecorder om Netwerk en Pauw en Witteman op te nemen; die aankopen heb ik gedaan om me op mijn nieuwe rol voor te bereiden. Stiekem geef ik mijn geld liever uit aan schoenen of mooie nagels, maar ik wil natuurlijk wel over het nieuws kunnen meepraten.

Stel dat het Nederlandse publiek me echt leuk vind, dan zou ik heel graag een consumentenprogramma maken. Een combinatie van De week van Willibrord, Breekijzer en Kassa, zeg maar. Ik sta te trappelen om al het onrecht aan de kaak te stellen. De spreekbuis van Jan met de pet, dat ben ik.

Mijn gasten vinden het leuk dat ik op tv mijn zegje doe, maar liever nog zouden ze me in de politiek zien. Vóór Pim Fortuyn interesseerde het me totaal niet wat er in Den Haag gebeurde, maar hij heeft me enthousiast gemaakt. Als het niets met de tv niets wordt, wil ik best in de Tweede Kamer. Voor de Partij van de Vrijheid of Trots op Nederland, daar ben ik nog niet uit. Ik heb de mazzel dat ik niet op mijn mondje gevallen ben, dan wil ik het gebruiken ook. Het eerste wat ik zou doen is het integratiebeleid aanscherpen. En daarna de situatie van hulpbehoevende bejaarden verbeteren.

Tot mijn 40ste hield ik voornamelijk rekening met anderen. Nu wordt het tijd voor mij. Ik doe alleen nog dingen waar ik 100% achtersta. Dat geldt voor mijn werk – vandaar dat ik met het café ben gestart – maar ook privé. Niet lang geleden heb ik een relatie beëindigd met een man waarvan ik zielsveel hield. Ik wilde trouwen, hij wilde latten. Ik dacht: ‘dan maar liever alleen’. Dapper, maar ook eng. Mijn grootste angst is dat ik in mijn eentje oud word. Het leven is gewoon leuker met z’n tweeën. Ik heb de aandacht van een ander nodig om me goed te voelen. Maar ik ben wel kieskeurig. Ik zoek een man waar ik om kan lachen, die net zo slim of dom is als ik en die van Hollandse muziek houdt. En geen haute cuisine of kaviaar; als we honger hebben gaan we naar een bistro voor een biefstuk met aardappels en een biertje. Sollicitaties welkom!”

Laatst gelezen boek:

De ontvoering van Freddy Heineken van Peter R. de Vries. Ik heb zowel de oorspronkelijke als de herziene versie gelezen.

Favoriete apparaat:

De stijltang voor mijn haar. Ik zou niet meer naar buiten durven als ik die niet had.

Meeste bewondering voor:

Pim Fortuyn. Door hem heb ik interesse in de politiek gekregen.

Financiële uitspatting:

Veel vrouwen hebben een gat in hun hand, ik mis mijn hele arm. Vooral schoenen zijn verleidelijk. Maar ik geef niet uit wat ik niet kan missen.

Laatste vakantie:

Naar Turkije. Maar toen ik daar kwam, bleken ze twee weken eerder een rookverbod in de horeca te hebben ingevoerd! Daar ga ik dus nooit meer heen.

Meest waardevolle bezitting:

Mijn kinderen. Geen bezitting? Ik heb ze toch echt zelf gemaakt!

Bovenaan het verlanglijstje:

Een high definition tv en een Wii spelcomputer.

Wat niemand weet:

Dat ik regelmatig een gebedje doe.

In ieder geval nog doen:

Toch een keer als zangeres optreden voor een groot publiek.

 

HOLLANDSE MEESTERS september 13, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 11:39 am

001002

Filmmakers van eigen bodem worden in het buitenland de hemel in geprezen, maar in Nederland zijn ze veel minder bekend. Onterecht, vindt het Nederlands Film Festival, dat dit jaar artistieke filmmakers onder de aandacht brengt mt een eigen label. Even voorstellen: drie makers van Dutch-angle films.  

[Kader]

Dutch Angle

Het Nederlands Film Festival (NFF) is vooral bekend om de Gouden Kalveren die er elk jaar worden uitgereikt. Maar het doet méér. Artistieke Nederlandse filmmakers onder de aandacht brengen bijvoorbeeld, die bij (buitenlandse) filmfestivals veel waardering krijgen, maar die bij het grote publiek nog relatief onbekend zijn.

Om daar verandering in te brengen heeft het NFF het label Dutch Angle in het leven geroepen. Een Dutch angle is een filmtechniek, waarbij schuin van onder wordt gefilmd. Als label staat het voor de lichting succesvolle, vernieuwende filmmakers, die dicht op de werkelijkheid filmen en het grote drama vermijden. Zie je dat label op een film, dan weet je: dit is iets bijzonders. De filmmakers die in 2009 een Dutch Angle krijgen toegekend, zijn: Nanouk Leopold, Mijke de Jong, Simone van Dusseldorp, Eugenie Jansen, Esther Rots, David Verbeek, David Lammers en Fow Pyng.

 

Esther Rots (37)

  • is scenarioschrijver, regisseur, producent en doet montage
  • bekend van de korte films Speel met me (2002), Ik Ontspruit (2003) en Dialoogoefening (2005) en haar speelfilmdebuut Kan door huid heen (2009)
  • won een Gouden Kalf en de NPS Prijs voor de Korte Film voor Dialoogoefening en de prijs van de Internationale Federatie van Filmcritici voor Kan door huid heen
  • op het filmfestival met Kan door huid heen

 Dutch Angle

Tot Kan door huid heen kregen mijn films meer aandacht in het buitenland dan hier. Bizar vind ik dat, en soms ook frustrerend. Gemiddeld trekt een Nederlandse filmhuisfilm 2000 bezoekers. Het lijkt wel of het publiek kleine films van eigen bodem per definitie minder interessant vindt. Pas als ze succes in het buitenland hebben, komen ze hier in de belangstelling te staan. Zonde, want er worden heel mooie films gemaakt. Hopelijk helpt een initiatief als Dutch Angle om méér mensen daarvan te overtuigen.

Erkenning

Voor Kan door huid heen staat de teller inmiddels op 12.000 bezoekers. Een succes dus, maar ik zou graag willen dat nog veel meer mensen hem gaan bekijken. Juist in Nederland. Erkenning van het Nederlandse publiek is voor mij net zoiets als waardering van mijn ouders: daardoor voel ik me gesteund. Het geeft me een stevige basis, en het vertrouwen om de wereld in te trekken.

Filmfestival

Het klinkt misschien vreemd, maar voor ik er voor mijn werk kwam, ging ik nooit naar filmfestivals. En in de bioscoop kom ik ook zelden. Als ik drie films per jaar zie is het veel. Ik werk liever aan het vormgeven van de beelden in mijn eigen hoofd.

Moeilijk

Vooraf werd Kan door huid heen door sommige critici als een ‘moeilijke film’ betiteld. Maar ze hadden het publiek duidelijk onderschat; dat heeft het grote aantal bezoekers wel bewezen. Na een vertoning komen mensen vaak naar me toe om te vertellen hoezeer ze geraakt zijn door het verhaal. Het sterkt me in de opvatting dat je altijd je hart moet volgen.  

Alleskunner

Kan door huid heen heb ik zelf geschreven, geregisseerd, gemonteerd en geproduceerd. Voor mij is dat één langgerekt proces. Ik weet tijdens het maken van een film meestal niet precies wat er gaat gebeuren. Door veel zelf te doen word ik artistiek gezien zo min mogelijk beïnvloed, en kan ik zelf bedenken welke kant het moet opgaan. Monteren vind ik het aller-leukste. Dan komen de lijnen bij elkaar en zie ik eindelijk wat het resultaat wordt.

Allergie

Zodra ik hoor ‘dat kan niet’ gaan al mijn haren overeind staan. Als je met zo’n instelling aan een project begint, hoef je het niet eens te proberen. Wie weet wat je daardoor allemaal misloopt! Dromen zijn er om uitgevoerd te worden. Niets en niemand die je daarin mag beperken.

 

Simone van Dusseldorp (42)

  • is film- en televisieregisseur en scenarioschrijver
  • bekend van de televisieserie Otje (1998) en de speelfilms Diep (2005) en Kikkerdril (2009)
  • won onder andere de prijs voor de beste film op het Filmfestival Geneve voor Diep en de Nederlandse Gouden Award (meer dan 100.000 bezoekers in één maand) en de Publieksprijs voor beste film op Kristiansand International Children’s Film Festival voor Kikkerdril
  • op het filmfestival met speelfilmdebuut Diep

Motivatie

Ik maak films omdat ik een verhaal wil vertellen. Het is voor mij een manier om te communiceren met andere mensen. Als ik het publiek weet te raken met mijn films, voelt dat als een vorm van contact. Het is heel bijzonder als dat op buitenlandse festivals gebeurt. Dan zie je: gevoel is groter dan een taal of een cultuur. Het kent geen grenzen.

Succes

Natuurlijk zijn bezoekersaantallen belangrijk. Toch daar houd ik me tijdens het maken van een film niet zo mee bezig. Het is bijna onmogelijk om vooraf te voorspellen of een film succesvol wordt of niet. Vandaar dat ik me nooit door de ‘hitpotentie’ laat leiden. Ik kan alleen voor mijn personages denken, niet voor het publiek. Voor mij is een film geslaagd als ik mijn boodschap weet over te brengen.

Dutch Angle

Films maken is duur; er blijft meestal weinig over voor promotie. Het is een nare vicieuze cirkel: omdat er weinig aandacht is komen er weinig mensen, en omdat er weinig mensen komen verdwijnt je film snel weer uit het theater. Bovendien zit respect voor cultuur gewoon minder in onze aard. Een Nederlandse acteur of regisseur kan zomaar de vraag krijgen: ‘en, wat is je echte baan?’. Terwijl diezelfde man of vrouw in een land als Frankrijk op handen gedragen zou worden. Bravo dus, voor een initiatief als de Dutch Angle. Een beetje meer trots kan helemaal geen kwaad. De juweeltjes die momenteel in Nederland gemaakt worden verdienen een groter publiek.

Kinderen

Tot nu toe heb ik vooral films en televisieseries voor kinderen en pubers gemaakt. Sommige regisseurs vinden het vreselijk om hen te werken, maar voor mij is het juist makkelijk. Ze zijn zo heerlijk direct, en ik voel ze goed aan. Sinds ik zelf kinderen heb is het nog leuker geworden. Kikkerdril heb ik echt voor mijn dochter gemaakt. Wie weet heeft dat bijgedragen aan het succes – hij heeft 170.000 bezoekers getrokken. Mijn volgende film wordt trouwens voor en met volwassenen. Zo blijf ik mezelf steeds uitdagen. Het laatste wat ik wil is in herhaling vallen.

Persoonlijk

Al mijn films zijn autobiografisch. Dat wil niet zeggen dat ze over mij gaan, maar wel dat je mijn gevoel en mijn ervaringen erin terugziet. Hoe? In de stijl van filmen bijvoorbeeld, of in het licht- en kleurgebruik. Het verhaal en mijn beleving vloeien zo samen tot één. Het is voor mij heel belangrijk dat ik een klik met de hoofdpersoon heb, dat ik me daar op een bepaalde manier in herken. Vandaar ook dat ik het liefst zelf het scenario van een film schrijf, of vroeg bij de ontwikkeling ervan betrokken wil zijn. Op die manier blijf ik het dichtst bij mijn eigen gevoel.

  

Eugenie Jansen (44)

  • is filmmaker
  • bekend van Tussenland (2002), De regels van het vliegen (2004) en Calimucho (2008)
  • won met haar speelfilmdebuut Tussenland in 2002 een Tiger Award op het Rotterdamse filmfestival en de Prijs van de Nederlandse filmkritiek 2008 voor Calimucho
  • op het filmfestival met Calimucho

Dutch Angle

Als je mensen vraagt wat Dutch Design is, hebben ze daar direct een beeld bij. Maar bij Dutch Film is dat veel minder het geval. Vandaar dat het zo goed idee is om de krachten te bundelen en onder één noemer – Dutch Angle – naar buiten te treden. Het maakt ons herkenbaar. De persoonlijke erkenning is leuk, maar ik vind het vooral fijn dat onze films zo bij een groter publiek onder de aandacht komen.

Filmfestival

Ik ben opgegroeid in Limburg. Daar had je geen filmfestivals. Maar mijn moeder nam me wel mee naar het lokale filmhuis. Bij speciale vertoningen zagen we soms wel drie films achter elkaar. Daar is mijn liefde voor het vak geboren. Tegenwoordig kom ik vooral op filmfestivals om mijn eigen werk te presenteren. Ik probeer dan wel zoveel mogelijk films van andere makers te zien. Daar onbevangen van genieten wordt trouwens steeds lastiger; ik kijk altijd door een professionele bril hoe collega’s te werk gaan.

Documentaire

Van huis uit ben ik documentairemaker. Dat kun je zien aan de manier waarop ik speelfilms maak. Het gaat me niet om het grote drama, maar juist om de dingen daaromheen. In een documentaire zijn de hoofdpersonen leidend; als filmmaker pas je je aan hen aan. In een film probeer ik datzelfde te doen, ook al spelen de acteurs een rol.  Echte schoonheid ontstaat vaak bij toeval. Hoe authentieker iets lijkt, hoe mooier ik het vind.

Circus  

Daar speelt mijn film Calimucho zich af. Ter voorbereiding ben ik een paar dagen met het circus meegereisd. De sfeer was zo speciaal; ik was meteen verkocht. Er zijn veel overeenkomsten tussen de twee werelden: zowel in de film als in het circus is het werk heel intens, met gepassioneerde, gedreven mensen die dicht op elkaar zitten. Echt een snelkookpan van emoties. Tijdens het filmen liep alles anders dan we hadden gepland. Het heeft me geleerd nog meer in het moment te leven.

Ambitie

Me steeds weer te laten verrassen. En nooit tevreden te zijn met wat je hebt. Er is altijd méér te vinden, te doen, te maken. Filmen is voor mij een mentale ontdekkingstocht, waarvan je de eindbestemming nooit bereikt.

 

LUCIA RIJKER: VAN BOKSER NAAR BOEDDHIST juni 30, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 2:50 pm

Scannen0014Scannen0013

“Durf ik mijn hart te openen en op mijn bek te gaan?” Die vraag stelt voormalig wereldkampioen boksen en bedreven boeddhist Lucia Rijker zich aan het eind van de documentaire ‘Lucia Rijker en het gevecht om de liefde’. Het antwoord blijft uit.

Ruim twintig jaar lang had ze maar één doel in haar leven: winnen. En met resultaat. Ze werd zes keer wereldkampioen – vier keer als kickbokser en twee keer als bokser – en stond bekend als ‘de meest gevaarlijke vrouw ter wereld’. Nu is Lucia Rijker (41) met sportpensioen, en is er tijd voor andere dingen in haar leven. Voor lesgeven over persoonlijke ontwikkeling bijvoorbeeld. En voor een relatie. Maar dat laatste blijkt nog niet zo makkelijk. “Ik ben zo’n vijf jaar samen met mijn vriendin. Af en aan, want het is hard werken om het goed te houden. Doordat ik vanaf mijn veertiende alleen maar met sport bezig was, heb ik voor mijn gevoel een gedeelte van mijn puberteit gemist. Ik weet niet goed wat ‘normaal’ is op liefdesgebied. Soms voel ik me nog steeds een onzekere tiener.”

Des te toepasselijker was het dat de Boeddhistische Omroep Lucia vroeg om juist over dat thema een documentaire te maken. “Het boeddhisme leert ons dat we allemaal een destructieve kracht in ons hebben”, zegt Lucia. “Die Devada is een hebzuchtig, bang, hongerig dier, dat alleen maar wil nemen en controleren, uit angst iets kwijt te raken. Zeker in romantische relaties kan hij de boel flink verstieren. Bij mij was dat lang het geval. Door het maken van de film ben ik de confrontatie met mijn eigen Devada aangegaan.”

 

Ongewild

In de documentaire spreekt Lucia met bekende Nederlanders zoals actrice Sylvia Kristel, cabaretier Freek de Jonge, zangeres Ellen ten Damme en rapper Negativ over hun beleving van de liefde. Ze hoopt zo meer inzicht te krijgen in haar eigen zoektocht naar een succesvolle relatie. Het praten daarover blijkt echter zwaarder dan gedacht. “Tijdens de gesprekken kwam er veel oud zeer naar boven. Vooral het interview met rapper Negativ raakte me diep. Hij had een houding van ‘anderen hebben mij pijn gedaan, dus doe ik dat terug’. Dat was confronterend en verwarrend tegelijkertijd. Aan de ene kant maakte het me boos dat hij mensen zo kon kwetsen, aan de andere kant begreep ik hem heel goed omdat ik zelf óók zo ben geweest. In Negativ zag ik alle mensen die mij ooit emotioneel verwond hebben, én die ik zelf heb verwond.”

Lucia interviewt niet alleen anderen; ze praat in de documentaire ook uitgebreid over zichzelf. Bijvoorbeeld over het feit dat ze een ongewild kind was. En hoe dat er toe heeft bijgedragen dat ze een uitermate succesvolle ringvechter werd. “Mijn moeder heeft geprobeerd me te laten aborteren, maar ik moest kennelijk toch komen. Toen ze me dat als tiener vertelde, lachte ik erom. Uit onmacht, want de onderliggende boodschap – ‘ik wilde je niet’ – was veel te pijnlijk. Ik begreep ineens wel waarom ik me als kind altijd zo afgewezen had gevoeld. Liefde, dat betekende voor mij: ruzie maken en zorgen delen. Ik kreeg weinig affectie van mijn ouders. Tegelijkertijd genoot ik van de gezellige feesten thuis. Heel verwarrend. Onbewust was ik continu bezig mijn ouders gelukkig te maken. Maar hoe hard ik ook mijn best deed, dat lukte niet.”

 

Klaar

De behoefte aan aandacht en waardering maakte Lucia een gevoelige puber. Een oudere man, een machtsfiguur in het kickboksen, zag zijn kans schoon. “Gaandeweg kwam ik steeds meer onder zijn invloed. Hij controleerde mijn gedachten en mijn handelingen, zo voelde ik dat. In mijn kwetsbaarheid deed ik alles om erbij te horen. Het heeft jaren geduurd voordat ik de zeggenschap over mijn eigen leven helemaal terug had.”

Vijftien jaar hadden ze elkaar niet gezien, toen diezelfde man een week na de opnames voor de documentaire plotseling voor haar neus stond. Een boeddhistische interventie, aldus Lucia. “Tijdens het filmen waren mijn verwondingen uit die periode weer naar boven gekomen, en prompt stond ik oog in oog met hem. Alsof het universum me liet zien: je bent klaar om de volgende stap te zetten in je ontwikkeling.”

Waar ze als kind niet toe in staat was geweest, lukte nu wel: haar grenzen aan hem aangeven. “Het was alsof we samen in de boksring stonden, zo intens was de energie tussen ons. Maar hij bleek niet langer in staat me uit mijn evenwicht te brengen. Toen hij mijn hand wilde schudden, heb ik dat geweigerd. Eindelijk kon ik vanuit kracht naar hem reageren, in plaats vanuit afhankelijkheid. Ik voelde me zo sterk! Op dat moment wist ik: nu ben ik echt klaar met jou.”

 

Loslaten

Zo gedreven als Lucia in haar sport was, zo fanatiek stortte ze zich vijftien jaar geleden ook op het boeddhisme. Waar ter wereld ze ook is, twee keer per dag neemt ze de tijd om ‘chants’ te zingen. “Dat is mijn manier om tot mezelf te komen en inzicht te verkrijgen. Inzicht in wat het leven inhoudt, in wie ik ben, maar vooral ook in wie ik kan worden. Je ouders, je opvoeding, de dingen die je meemaakt: ze creëren bepaalde overtuigingen in je hoofd over hoe de wereld in elkaar zit. Helaas kloppen die vaak niet, omdat ze zijn ontstaan uit pijn of angst. En keuzes die je op basis van dat soort emoties maakt, leveren over het algemeen weinig goeds op. Dat begrijpen is belangrijk, maar daarmee ben je er nog niet. Het boeddhisme leert je om afstand te nemen van je eigen overtuigingen. Zijn die waar? Welke oordelen zitten eraan vast? Brengen ze je verder in het leven, of belemmeren ze je juist? Die vragen stel ik mezelf, vooral bij pijnlijke gebeurtenissen in mijn leven. Het helpt me om me spiritueel te ontwikkelen, om een steeds evenwichtiger mens te worden.”

Het ultieme doel van boeddhisten is om alle valse overtuigingen los te laten en een staat van ‘verlichting’ te bereiken. Daar is geen goed of slecht meer, geen oordeel, alleen maar vrijheid. “Als dat lukt, ga je ‘van het levenswiel af’, zoals dat heet, en hoef je niet meer herboren te worden. Daar ben ik nog lang niet. Maar het is wel iets waar ik naar streef. Er zijn soms momenten dat ik die ultieme vrijheid heel even ervaar. Een beter gevoel bestaat niet.”

 

Boos

Boeddhisme en een vechtsport beoefenen, dat gaat toch niet samen? Die vraag is Lucia misschien wel het meest gesteld de afgelopen vijftien jaar. En elke keer legt ze uit dat het tegendeel waar is. Dat de leer haar juist een betere bokser heeft gemaakt. En dat hij haar heeft geholpen op een gezonde manier afscheid van de sport te nemen.

“Ik was heel boze kickbokser. Boos op mijn ouders, boos op de wereld. Ik had die woede ook nodig om mezelf te motiveren tijdens het vechten, het was mijn drijfveer. Maar door mijn boeddhistische beoefening ging ik nadenken over het waarom van het vechten. Op een gegeven moment kreeg ik een enorme huilbui, waarin ik de beelden langs zag komen van alle mensen die ik ooit had geslagen. Hoe slechter een tegenstander er tijdens of na de wedstrijd aan toe was, hoe beter ik me over mezelf voelde. Sommige mensen ontlenen hun identiteit aan bezittingen, of hun uiterlijk. Voor mij bepaalde het knock-out slaan van vrouwen wie ik was. Het gaf me zelfvertrouwen.”

Haar onuitputtelijke doorzettingsvermogen maakte dat Lucia soms heel ver ging om te winnen. Ze volgde absurd strenge diëten – ooit moest ze in één week acht kilo afvallen, waarna ze een epileptische aanval kreeg – en trainde en vocht tot ze letterlijk niet meer kon lopen van de pijn. “Tijdens die huilbui dacht ik: wat heb ik mezelf aangedaan? Vanaf dat moment ben ik beter voor mezelf gaan zorgen en anders gaan vechten. Niet langer uit woede, maar vanuit het idee dat ik mijn tegenstander nodig had om het beste uit mezelf te halen. Winnen of titels betekenen op zich niets; het zijn lege hulzen. Maar als je ze gebruikt om als mens te transformeren, geef je ze zin. Zo hebben ze me geleerd om meer compassie te hebben voor anderen in hun zoektocht naar het geluk.”

 

Lijden

Vijf jaar geleden werd Lucia gedwongen definitief met topsport te stoppen. “Ik werd eruit gehaald”, zoals ze het zelf zegt. “Tien dagen voor de belangrijkste wedstrijd van mijn carrière tegen mijn Amerikaanse aartsrivale scheurde ik een achillespees. Kort daarna overleed mijn moeder. Duidelijker kon de boodschap niet zijn; het was tijd om er mee op te houden. Onderdeel van je spirituele ontwikkeling is dat je leert los te laten waar je het meest aan gehecht bent. Daar hoef je niet zelf voor te kiezen; dat doet het leven voor je. De ene persoon wordt ziek, de ander gaat failliet, de derde wordt in de steek gelaten. Voor mij was het mijn achillespees. Ik voelde me als een klein kind wiens droom wordt afgepakt: woedend, gefrustreerd, verdrietig, machteloos. Het was een vreselijke tijd, maar tegelijkertijd ook een van de meest waardevolle. ‘Een lotusbloem groeit in de modder’, luidt een boeddhistisch gezegde. Oftewel: alleen door te lijden kun je tot inzicht komen. Uiteindelijk was ik in staat die ervaring zien als een kans om verder te komen in het leven. Vanaf dat moment heb ik geen enkele behoefte meer gehad om naar het boksen terug te gaan. Behalve dan om mijn kennis over de dragen aan anderen.”

 

Tien minuten

Professioneel succes of niet, steeds weer was er die pijn en eenzaamheid uit haar kinderjaren. Vooral in de liefde brak haar dat op. “Het lukte me maar niet om diepgang in een relatie te vinden. De sport en de boeddhistische beoefening maakten veel goed, maar het verlangen naar verbondenheid met mijn vader en moeder bleef me bezighouden.”

Uiteindelijk waren het niet haar ouders, maar was het Lucia zelf die de negatieve spiraal van aandacht vragen en afgewezen worden wist te doorbreken. “Tijdens een spirituele training viel het kwartje. Mijn leven lang had ik mijn vader door de ogen van mijn moeder bekeken. Het beeld dat zij van hem had was op z’n zachtst gezegd niet zo aardig. Ik realiseerde me: maar dat is háár interpretatie van de werkelijkheid. Opeens zag ze mijn vader als een kwetsbare man, die een zwaar leven achter de rug had. Zodra ik thuiskwam, heb ik hem opgebeld. Dat ben ik vervolgens, tot zijn dood, eens per week doen blijven doen. Tot dan toe hadden we nauwelijks contact. Het kwetste me dat hij zo weinig interesse in me toonde. Als vader hoorde hij eigenlijk het initiatief nemen, vond ik. Elke keer als ik de telefoon oppakte, moest ik me over die emoties heen zetten. Tien minuten – zolang moest ik van mezelf met hem praten. In het begin verliepen de gesprekken heel stroef. Maar na een tijdje merkte ik dat hij zich op hun wekelijkse afspraak begon te verheugen. En zelfs af en toe vragen over mijn leven begon te stellen. De  eerste keer dat dat gebeurde, was ik stomverbaasd. Maar ik had zelf bewerkstelligd. Zodra ik mijn verwijten aan de kant had gezet, ontstond er ruimte om een nieuwe band te creëren. Toen hij drie jaar na dat eerste telefoontje een vreselijk agressieve vorm van kanker kreeg, kon ik hem oprecht zeggen hoeveel ik van hem hield. Op zijn sterfbed voelde ik me dichter bij hem dan ooit tevoren.”

 

Gemiste kans

Lucia verloor de afgelopen jaren niet alleen haar vader, maar ook haar moeder. “Ze kreeg een hersenbloeding, waardoor ze zich niet meer verstaanbaar kon uitdrukken. Vreemd genoeg maakte dat ons contact eerder beter dan slechter. Het was dieper, puurder; alsof er een muur tussen ons wegviel. Woorden kunnen erg afleiden en de zaak vertroebelen. Door elkaar simpel aan te kijken en aan te raken bleef er niets anders over dan de essentie: het gevoel.”

Geen ouders meer en geen nageslacht: ze vindt het maar een raar idee dat de lijn na haar helemaal ophoudt. Het besluit om definitief niet aan kinderen te beginnen, heeft Lucia recent genomen. Ze moest wel, want de biologische klok tikt door. “Ik heb heel lang een kinderwens gehad. Of liever gezegd, de wens om te ervaren hoe het is om kinderen te hebben. Want ik wil niets missen in het leven. Maar alleen om dat ‘gemiste kans gevoel’ zwanger worden, vind ik onzin. In plaats van aan een eigen kind geef ik mijn kennis en ervaring nu door de kinderen van anderen, en aan de volwassenen die ik lesgeef. Mensen inspireren om te veranderen, dat is mijn missie in het leven.”

 

Weglopen

Haar huidige relatie is, zoals ze zelf zegt, ‘niet makkelijk’. En samenwonen wil ze voorlopig niet, want ze heeft haar eigen plek nodig. Toch blijft Lucia al vijf jaar lang steeds naar haar vriendin terugkeren. “Omdat ik heel veel van haar houd. Omdat ik niet wil opgeven. Maar vooral ook omdat ik weiger voor mezelf te vluchten. Sommige dingen kun je alleen maar leren in het contact met een ander. Daarvoor weglopen heeft geen zin; al ga je naar de maan, je neemt je problemen mee. Die confrontatie aangaan, elkaar polijsten, dat is volgens mij het spirituele doel van een relatie.”

Controle: dat is een thema waar Lucia het nog moeilijk mee heeft als het om de liefde gaat. Haar leven lang was ze gewend elk detail in de hand te houden, de uitkomst van elke stap zelf te bepalen. Maar niemand garandeert dat investeringen in een relatie uiteindelijk de moeite waard zullen blijken te zijn. “Als bokser controleerde ik mijn tegenstander door haar knock-out te slaan, of door meer punten te scoren. Maar in een relatie werkt dat heel anders. Iemand willen beheersen werkt daar juist averechts. Uiteindelijk kun je alleen je eigen gedachtes en gedrag bepalen, weet ik nu.”

Tot slot: kijkt ze na het maken van de documentaire anders naar haar eigen relatie? “Absoluut. Er is niet één antwoord over hoe ‘het hoort’. Het heeft me flexibeler gemaakt. Zachter ook. En ik ben niet meer zo met verwachtingen van anderen – en van mezelf – bezig. Ik mag dan een rare vogel zijn als het om de liefde gaat, maar ik doe het, net als alles in mijn leven, op mijn eigen manier. Uiteindelijk blijkt die zo slecht nog niet.”

 

De documentaire ‘Lucia Rijker en het gevecht om de liefde’ wordt op maandag 13 juli om 23.20 uur uitgezonden op Nederland 2.

 

[Kader]

Lucia Rijker (1967)

Zowel in het kickboksen als in het boksen was Lucia Rijker jarenlang ongenaakbaar. Ze won al haar professionele wedstrijden: 54 in totaal, waarvan 39 door een knock-out. Zes keer mocht ze zich wereldkampioen noemen, vier keer als kickbokser en twee keer als bokser. In 2004 werd ze wereldberoemd door haar rol in de met Oscars overladen film Million Dollar Baby van Clint Eastwood. Een jaar later dwong een gescheurde achillespees haar de handdoek in de sportieve ring te gooien. Sindsdien heeft ze zich volledig toegelegd op het acteren en het lesgeven. Ze verzorgt over de hele wereld lezingen en trainingen over boksen, boeddhisme en persoonlijke ontwikkeling. Als ze de kans krijgt, maakt ze met veel passie documentaires voor de Boeddhistische Omroep. Lucia woont in Los Angeles. Ze heeft een oudere broer, twee oudere zussen, een vriendin en een hond, Quincy.

 

TOMMY WIERINGA mei 16, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 7:50 am

Scannen0013Scannen0014

 

Schrijver Tommy Wieringa werd op 20 mei 1967 geboren in het Twentse Goor. Hij heeft drie jongere zussen. Een groot deel van zijn jeugd bracht Tommy op de Nederlandse Antillen door. Het legde de basis voor een zwervend bestaan als volwassene. Inmiddels heeft hij geaccepteerd dat hij in Nederland hoort en woont hij met zijn verloofde in een boerderij in Noord-Holland.

 

“Ik ben een enorme verzamelaar, vooral van persoonlijke geschiedenissen. Als ik één rol in onze familie heb, is het die. Mijn huis staat tjokvol erfstukken, oude en nieuwe. Elk ding heeft zijn verhaal, waarvan ik de bewaker ben. Mijn herinneringen heb ik jarenlang in dagboeken verzameld. Vanaf mijn elfde schreef ik alles wat ik zag en hoorde daarin op. Ik vond het een fijn gevoel een afbeelding van het bestaan op papier te maken, en zo een zekere orde in de chaos om me heen te scheppen. Die lust om het dagelijkse leven te kopiëren heb ik niet meer – ik houd al jaren geen dagboek meer bij. Maar de behoefte om verhalen te vertellen des te sterker.

 

Ik was twee toen we de boot vanuit Amsterdam vertrokken, vanaf de kade waar het Lloyds Hotel staat. Mijn vader had als onderwijzer een baan op de Antillen gekregen, en dus gingen we voor een paar jaar naar ‘de west’. Het leven op Aruba was idyllisch. Heimwee kende ik niet, daar was ik te jong voor. Ik zwierf rond door een pas gemaakte wereld, alsof ik de eerste mens op aarde was. Ademloos nam ik alles in me op. Mijn school stond op een heuvel, met doorluchtige lokalen waar de wind doorheen speelde. In de vakantie gingen we per boot naar Venezuela of Colombia. Mijn moeder smokkelde kleine papegaaitjes mee naar huis. Die stopte ze in een kalebas, met een doek erover. Een eenzaam, maar langdurig geluk, zo herinner ik het me.

 

Buiten was de wildernis mijn universum, binnen het hippiedom. Harmonieus zou ik ons gezinsleven niet willen noemen. In de jaren ’50 en ’60 had Nederland geprobeerd terug te keren naar een wereld die door de Tweede Wereldoorlog onherroepelijk was uitgewist. Uit die krampachtige tijd kwamen mijn ouders te voorschijn. Net als veel anderen namen ze afscheid van het fatsoen van hún ouders. Met oranje gordijnen, woeste feesten, promiscuïteit en een paarse zitkuil. De hippiedroom ten top. Ik heb er een aversie tegen overspel door gekregen. De onrust en wanorde die dat veroorzaakt probeer ik verre van me te houden.

 

Op mijn zesde vertrok mijn moeder in haar eentje naar Suriname en Frans Guyana. Op de achterkant van haar ticket schreef mijn vader twintig redenen om terug te komen, bang dat ze voorgoed zou verdwijnen. Voor mijn gevoel was ze wel een jaar weg, op een geheimzinnige reis. In werkelijkheid was het vermoedelijk slechts een paar weken. Ik miste haar, maar keek niet op van haar langdurige afwezigheid. Als kind aanvaard je het bestaan zoals het is. De confrontatie met afscheid en verlies, dat is je schoksgewijze entree in de wereld. Je persoonlijkheid wordt gevormd door hoe je daar mee omgaat. Ik ontwikkelde een blinde levenslust en een peilloos optimisme. Later, op 17-, 18-jarige leeftijd, had ik het geluk ik een hechte groep vrienden te krijgen. Dat werd mijn alternatieve familie.

 

Mijn vader vertegenwoordigt de lichtheid in mijn bestaan, mijn moeder de ernst. Ik kan hen het beste typeren aan de hand van wat ze doen: het zijn ambulante handelaren. Na zijn pensioen is mijn vader in het oude speelgoed gegaan. Mijn moeder heeft in de loop der jaren een klein imperium in zilverwerk opgebouwd. Beide reizen ze de wereld over om spullen in te kopen, hij in een busje, zij per vliegtuig. Vrije geesten. Dat waren ze toen ik jong was, en dat zijn ze nu nog. Mijn moeder is een actievoerster, een anarchiste. Haar leven staat in het teken van strijd, terwijl mijn vader het tot een grap reduceert. Hij is een van de meest humoristische mensen die ik ken. Hoe ze elkaar gevonden hebben? Op het moment dat ze trouwden waren ze elkaars redding. Meer hoef ik daarover niet kwijt.

 

Mijn jeugd is er een in twee delen: de tijd op Aruba en de jaren in Twente. Op mijn tiende gingen we terug. Over dat besluit had ik niets in te brengen: ik werd als buizenpost over de wereld geschoten en in Nederland uitgeworpen. Mijn eerste jaren hier herinner ik me als een koude, treurige hel. Op Aruba was ik opgegroeid onder een oneindige, cyaanblauwe koepel. Hier was de hemel in rechthoeken gesneden, ingekaderd door gebouwen, hoger dan ik ooit had gezien. Het gaf een beklemmend gevoel. Ik heb eens gelezen dat kinderen van repatrianten bovengemiddeld vaak aan depressies lijden. Dat verbaast mij niet. Nog jarenlang heb ik het idee gehad dat mijn leven zich ergens anders moest afspelen. Zodra ik oud genoeg was ging ik op reis, op zoek naar iets dat niet bestond. Soms was ik een half jaar aan een stuk weg. Eén lange vlucht, maar dat realiseerde ik me pas later.

 

Het keerpunt kwam op mijn 33ste. Na een bootreis naar New York had ik plotseling genoeg van de weemoed en melancholie die me al die jaren in hun greep hadden gehouden. Met het bewuste besluit om van Nederland mijn thuis te maken, verdween de onrust en kwam er ruimte in mijn hoofd voor grote vertellingen. Niet lang daarna ben ik met het schrijven van Joe Speedboot begonnen. Het succes van dat boek heeft mijn leven vooral praktisch veranderd. Ik heb nu een pinpas die het altijd doet. Voordien balanceerde ik constant op het randje van de armoede, was ik altijd aan het passen en meten om van het schrijven te kunnen rondkomen. Nu kan ik me in alle rust en vrijheid aan mijn werk wijden.

 

Op mijn twaalfde gingen mijn ouders uit elkaar. De rechter bepaalde dat mijn zusjes en ik bij mijn moeder zouden wonen. Welgeteld één nacht heb ik bij haar en haar vriend doorgebracht. Het nieuwe huis, het nieuwe gezin; ze waren de mijne niet. Bovendien bleef mijn vader helemaal alleen achter. Ik herinner me nog goed hoe onrechtvaardig ik dat vond – zij alles, hij niets. Door bij hem te gaan wonen wilde ik het evenwicht een beetje herstellen.

 

Mijn moeder was de aanstichtster van de breuk. Dat heeft een hele tijd tussen ons in gestaan. Op die leeftijd kijk je niet naar de kwaliteit van een huwelijk; je wilt gewoon een gezamenlijk dak boven je hoofd. Daar mogen geen scheuren in komen, geen lekkage. Toen dat toch gebeurde, gaf ik haar daarvan de schuld. We hebben heel lang een problematische band gehad. Uiteindelijk is het contact weer helemaal hersteld. Of ik mijn moeder nu nog iets kwalijk neem? Natuurlijk niet. Je kunt wel aan de gang blijven.

 

Van een druk vrouwengezin met een krachtige, dominante moeder, kwam ik opeens in een tweepersoons mannenhuishouding terecht. Op mijn twaalfde, in een enorme, kathedraalachtige boerderij in Twente met een onhandige man die nog geen ei kon bakken. We waren totaal op elkaar aangewezen. Het heeft onze band versterkt. Als ik bij mijn moeder was gebleven, was mijn relatie met mijn vader waarschijnlijk vervaagd, langzaam doorschijnend geworden. In plaats daarvan hebben we samen herinneringen gecreëerd.

 

De tijd bij mijn vader was er één van extatische vrijheid. Voor me opende zich een wereld van oneindige mogelijkheden. Niemand weerhield me ervan om te gaan blowen in Amsterdam, om een oorring te laten zetten in Utrecht of om uit stelen te gaan in Apeldoorn. Dingen die ik mijn eigen kind nooit zou toestaan, maar die me een gevoel van vreugde en weidsheid gaven.

 

Elke dag ging op met de trein anderhalf uur op en neer naar de Vrije School. Met mijn vrienden daar had ik het verrukkelijk, maar de Vrije School zelf is een sektarische rotclub, die walgelijke, racistische nonsens uitkraamt. Het enige positieve dat ik erover kan zeggen is dat ik dankzij de Vrije School moeiteloos hele stukken uit de Mattheus Passion kan meezingen. Verder heb ik er alleen maar een ongelofelijke hekel aan antroposofen aan overgehouden.

 

Op school werd mijn capaciteit consequent te laag ingeschat. Het weerhield me er niet van om eindeloos te lezen en te schrijven. Ik had een enorme honger naar boeken. Zo herinner ik het me letterlijk, als een gapend gat van binnen dat gevuld moest worden. De hele bibliotheek werkte ik door, tot en met de grootste rotzooi aan toe. En altijd maar schrijven. Geen idee waar die voorliefde vandaan kwam, niet uit mijn familie in ieder geval. Of schrijven een eerste levensbehoefte is? Laat ik het zo zeggen: het komt nooit voor dat ik een dag niet schrijf.

 

Taal werd mijn wapen; ik onderscheidde me ermee van mijn leeftijdgenoten. Dat gaf controle, macht. Al heel jong kon ik mensen met taal vernielen. Overigens geeft die taalbeheersing me géén zelfvertrouwen als schrijver. Met elk boek moet je het wiel weer opnieuw uitvinden. Dat is het lastige en het aardige van het vak: je blijft altijd onervaren.

 

Ik bezit genoeg verbeelding om de omtrek van een verhaal te maken. Maar voor de invulling ervan heb ik de werkelijkheid nodig. ‘Praktisch autobiografisch’, noem ik dat. Namen, situaties, voorwerpen die zich in mijn blikveld bevinden: ze kunnen allemaal een plek krijgen in mijn volgende roman. Dat patchwork van feiten en fictie maakt het voor mij interessant. Het verleden is een van mijn bronnen. Mijn oude dagboeken gebruik ik nooit om inspiratie uit te putten – daarvoor is het taalgebruik veel te erbarmelijk. Maar het schrijven ervan heeft me wel geholpen mijn herinneringen te verankeren.

 

Een paar jaar geleden ben ik naar Aruba teruggegaan om de plekken van mijn jeugd op  te zoeken. Vanaf de heuvel waar mijn school had gestaan volgde ik de weg naar huis, mijn jonge ik achterna. Ik herinnerde me nog precies hoe ik me als kind voelde, met mijn blote voeten op het warme asfalt, omringd door wildernis. Maar het huis vond ik niet. In verwarring stapte ik uit de auto. Op dat moment schoven herinnering en werkelijkheid met een knarsend geweld in elkaar, en realiseerde ik me dat ik op de juiste plek stond. Alles leek veel kleiner, vandaar dat ik het niet had kunnen vinden. Terwijl jij groeit, krimpt je verleden. Het grappige is dat de beelden van toen nog altijd op dezelfde manier in mijn geheugen staan gegrift. Ook al weet ik nu dat de werkelijkheid een andere is. Het zijn twee naast elkaar bestaande werelden in mijn hoofd, beide even reëel.

 

Mijn ouders zijn trots op wat ik doe. Andermans waardering is prettig als iets af is, maar onbelangrijk zolang ik schrijf. Dan ben ik alleen maar bezig met hoe ik het miniuniversum van mijn boek zo hermetisch en passend mogelijk krijg. Dat de woorden er alleen zó en niet anders hadden kunnen staan. Met dat proces heeft de buitenwereld helemaal niets te maken, dat is alleen van mij. Vandaar ook dat ik het eigenlijk heel onplezierig vind om over mijn werk – en over mezelf – te praten. Uitleg vraagt om extra woorden. Die werken vertroebelend, doen afbreuk aan de puurheid. Als lezers geraakt zijn door een boek, worden ze nieuwsgierig zijn naar de maker. Dat snap ik. Maar ze moeten zich realiseren dat ze het mooiste van hem al hebben gehad. Beter dan wat ik schrijf, wordt het niet.”

 

[Kader]

Caesarion

Tommy Wieringa debuteerde in 1995 met de roman Dormantique’s manco. Voor zijn derde roman, Alles over Tristan (2002), ontving hij Halewijnprijs. In 2005 brak hij door bij het grote publiek met Joe Speedboot, waarvoor hij de Borderwijk Prijs voor Verhalend Proza kreeg. Het boek is in dertien talen vertaald, waaronder het Hebreeuws en het Koreaans. Wieringa is vaste columnist van gratis dagblad De Pers.  

Op 15 mei is het vijfde roman van Tommy Wieringa verschenen, Caesarion. De zoon van Julius Caesar en Cleopatra werd Caesarion genoemd, kleine Caesar. Het is ook de koosnaam die Ludwig Unger, de hoofdpersoon van het boek, van zijn moeder krijgt. Ludwig is voortgekomen uit het huwelijk van twee beroemdheden, en was voorbestemd van hun beider talenten de vermenigvuldiging te zijn. In de ambitieuze dromen van zijn moeder is hij concertpianist. Nu speelt hij in hotelbars, en vertelt in twee nachten zijn levensverhaal aan een vrouw. Het is de geschiedenis van een verloren zoon, een door de wereld aanbeden moeder en een vader die in de wildernis zijn duistere visioenen najaagt.

Meer informatie: www.tommywieringa.nl.

 

VAKLUI (V): ALGEMEEN DIRECTEUREN april 7, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 5:13 pm

scannen0003scannen0004

Jeannine Peek (40) is sinds 1 mei 2008 algemeen directeur van uitzendorganisatie Content. Het is haar tweede directeursfunctie; al op haar 36ste was ze directeur publieke sector van het computerbedrijf Dell Nederland. Daarvoor werkte ze onder andere bij KPN en Worldcom. Jeannine is getrouwd en heeft twee dochters, Emma (7) en Roos (5).

“Voor ik bij Content kwam, werkte ik voornamelijk met mannen. Wat carrièrekansen betreft heeft me dat nooit belemmerd. Nou ja, één keer misschien, toen er een man als directeur werd benoemd, terwijl ik mezelf meer geschikt vond voor die functie. Achteraf neem ik dat niet zozeer het bedrijf, als wel mezelf kwalijk. Ik had duidelijker moeten laten blijken dat ik geïnteresseerd was in die baan. ‘Als ik maar heel hard werk, begrijpt mijn baas wel dat ik hogerop wil’, dacht ik. Niet dus. Vandaar dat ik vrouwen die carrière willen maken ook altijd adviseer: wees niet te bescheiden. Steek je vinger op. Informeer je baas over je ambities. Doe je dat niet, dan pikt een man geheid je plek in. Die komen namelijk wél voor zichzelf op.

Sowieso mogen werkende vrouwen wel wat meer van zich laten horen. Een man meldt aan het eind van het jaar bij zijn baas dat het tijd is voor een salarisverhoging, en eigenlijk zelfs een promotie. Vrouwen doen dat niet, uit angst arrogant of bitchy gevonden te worden. Ze wachten liever af tot de baas naar hen komt. Met als resultaat dat er niets gebeurt. Dat geldt trouwens ook voor de hele discussie over het glazen plafond. Het zijn niet alleen de mannen die daar verantwoordelijk voor zijn; we doen dat ook onszelf aan. Vrouwen nemen simpelweg te weinig het heft in eigen handen. Niet dat ambitieuze vrouwen allemaal mannelijk moeten worden in hun gedrag. Maar snappen hoe mannen in elkaar zitten en daar rekening mee houden is wel handig.

Het werken met mannen heeft veel voordelen. Ze zijn heel duidelijk en direct in hun communicatie. Je weet altijd precies waar je aan toe bent met ze. Wat dat betreft ben ik bij Content in een totaal andere wereld terecht gekomen. 85% van de medewerkers is vrouw. Dat maakt de organisatie ongelofelijk sociaal en warm. Het persoonlijke staat voorop, er wordt goed voor elkaar gezorgd. Dat is een kracht, maar ook een risico.

In onze maatschappij word je als meisje al van jongs af aan geleerd dat je niet mooier of slimmer mag zijn dan je vriendinnen. Iedereen is even belangrijk. Die houding zie je ook bij dit bedrijf terug. Er zijn ontzettend veel goede ideeën. Ze worden alleen niet uitgesproken, omdat vrouwen zich niet beter willen voordoen dan de rest.

Een ander probleem is de indirecte communicatie. Feedback op het werk wordt al gauw gezien als een persoonlijke aanval. Voor je het weet is een medewerker in tranen. Dat vind ik niet gezond, want als je een bedrijf wilt laten ontwikkelen moet je wel commentaar op elkaar kunnen geven. Wat dat betreft mag het allemaal wel wat mannelijker, wat zakelijker worden.

Onlangs had ik een gesprek met een wat oudere directeur van een ander bedrijf. Die dacht dat het niet kon, overstappen van zo’n mannelijke naar zo’n vrouwelijke omgeving. Maar ik vind het juist geweldig om allebei mee te maken. Op deze manier kan ik het beste van twee werelden combineren. Bovendien maakt het feitelijk niet uit of je nu computers verkoopt of mensen aan het werk helpt; zolang je je maar wilt verdiepen in de medewerkers, in de cultuur van het bedrijf. Van nature ben ik heel nieuwsgierig, dus vind ik het geweldig om me een nieuwe omgeving eigen te maken. Overigens gaat dat niet vanzelf. In het begin werd mijn directheid me niet altijd in dank afgenomen. Wat bij Dell ‘professioneel gedrag’ was, wordt hier al gauw als ‘hard’ of ‘afstandelijk’ gezien. Wat dat betreft moet ik zoeken naar een nieuwe balans.

Ik werk voltijd. Dat heb ik altijd gedaan, ook na de geboorte van mijn twee dochters. Dat kan, omdat mijn man door de week de zorg voor hen op zich neemt. Hij heeft een bedrijf aan huis, en kan daardoor flexibeler met zijn werktijden omgaan. Hij brengt de kinderen naar school en haalt ze weer op. ’s Middags is hij bij hen thuis . Toen de meisjes heel klein waren, bemoeide ik me overal mee. Maar dat leidde alleen maar tot onduidelijkheid en misverstanden. Nu bemoei ik me er dus gewoon niet meer mee. Of in ieder geval zo min mogelijk. Dat is wel zo duidelijk en zorgt voor rust, bij mij en bij de rest van het gezin. Natuurlijk zijn er momenten dat ik op mijn tong moet bijten om niets te zeggen. Maar als ik zie hoe geweldig mijn man het doet en hoe gelukkig de meiden zijn, weet ik dat het beter is zo.

De vraag die ik standaard van vrouwen in mijn omgeving krijg is: ‘hoeveel dagen werk je nog?’. Bij het antwoord gaan de wenkbrauwen ver omhoog. Direct kritiek uiten doen mensen niet, maar het is duidelijk dat een meer-dan-voltijd baan voor een moeder met jonge kinderen nog altijd uit den boze is. Vroeger kon ik me daar nog wel eens schuldig over voelen. Tot ik erachter kwam dat me dat gevoel vooral werd aangepraat. Mijn kinderen krijgen alle liefde en aandacht van de wereld; er staat altijd een ouder voor ze klaar. Dat is waar het écht om gaat. Wat de buitenwereld er verder van denkt, is onbelangrijk.

Natuurlijk hoop ik dat mijn dochters later ook voor een carrière kiezen. Maar ik zou niet willen dat ze dat doen om mij een plezier te doen. De ambitie moet echt uit henzelf komen. Voordeel is wel dat ze uit eerste hand ervaren dat een carrière en een gezin prima samen kunnen gaan. Dat maakt de keus voor hen later hopelijk makkelijker.

 

Sinds 1988 heeft Pamela Boumeester (50) diverse functies bij de Nederlandse Spoorwegen vervuld. Momenteel is ze algemeen directeur van NS Poort, de poot van de bedrijf die verantwoordelijk is voor de stations en het vastgoed. Pamela is getrouwd met de directeur Tickets & Service van het reizigersbedrijf van de NS.

“De NS is een echt mannenbedrijf. Van het totale personeelsbestand is 25% vrouw, maar bij NS Poort is dat maar 10%. In 1988 begon ik als managementtrainee. Treinen of techniek deden me weinig – ik was net afgestudeerd in geschiedenis – maar het praktische van de NS sprak me aan. Na een half jaar zei mijn baas: ‘de leidinggevende in Den Bosch gaat weg, hier zijn de sleutels’. Was ik opeens de chef van een stuk of dertig machinisten en rangeerders! Allemaal mannen ja. Of dat acceptatieproblemen gaf? Helemaal niet. Ze hadden er wel lol in dat ze een bijzonderheid in huis hadden.

Het feit dat je de baas bent geeft je niet automatisch gezag; dat heb ik echt moeten verdienen. Ik ging met ‘mijn’ mannen mee op pad, probeerde me zoveel mogelijk in hun schoenen te verplaatsen. Zodra ik doorhad wat voor hen belangrijk was, maakten we samen een plan. Zo gaf ik toen leiding, en zo doe ik dat nu nog steeds.

Het feit dat ik naar ze luisterde betekende overigens niet dat ik alles klakkeloos accepteerde. Toen ik begon hing het kantoor vol naaktfoto’s. Daar wilde ik echt niet continu tegenaan kijken. Ik heb de mannen de keus gegeven: de plaatjes in hun kastjes plakken of ze helemaal weghalen. Als ze echt stoer waren, namen ze ze mee naar huis. Daar werd smakelijk om gelachen, maar de foto’s verdwenen wel.

De NS is een bedrijf dat midden in de samenleving staat. Letterlijk, want je maakt je product waar de klanten bijstaan. En die reizigers, dat zijn er wel acht miljoen per jaar! Bovendien verleen je ook nog eens een maatschappelijke relevante dienst. Zonder mobiliteit komt het land immers tot stilstand. Dat, tezamen met de complexiteit van de organisatie, maakt dat ik het werk na twintig jaar nog steeds boeiend vind.

Bij NS Poort ben ik verantwoordelijk voor alles wat met de stations en het vastgoed te maken heeft. Reizen gaat namelijk over méér dan alleen treinen laten rijden. Als je op de fiets naar het station komt, wil je graag dat je die droog en veilig kunt stallen. En dat je er lekkere koffie kunt halen, als je ’s ochtends geen tijd hebt gehad om te ontbijten. De reisketen noemen we dat: van het begin tot het eind goed verzorgd op weg.

De komende jaren krijgt een aantal grote stations een serieuze face-lift. Er komen meer en andersoortige winkels, gecombineerd met nieuwe diensten. Een apotheek bijvoorbeeld, of een loket waar je je postpakjes op kunt halen. Een ander project is om in een aantal steden huizen rond het station te bouwen. Alles om de omgeving prettiger te maken en de reiziger meer gemak te bieden.

In acht jaar ben ik opgeklommen van leidinggevende op het perron tot regionaal directeur. Natuurlijk kreeg ik af en toe te maken met vooroordelen. Dan kwam er een man mijn kamer binnenlopen en zei ‘oh, er is hier niemand’. Of de heren aan de vergadertafel keken me allemaal verwachtingsvol aan wanneer ik koffie in zou schenken. Dat soort situaties heb ik altijd met een grapje afgedaan. Humor is bij uitstek een manier om met elkaar in verbinding te blijven. Dat werkt beter dan boos te worden en jezelf buiten de groep te plaatsen.

Ik benader mensen met nieuwsgierigheid, probeer uit te vinden wat hen drijft. Daarbij is het interessanter om een goede vraag te stellen dan om een slim antwoord te verzinnen. Uiteindelijk draait het erom medewerkers het beste uit zichzelf te laten halen. Dat is wat me als baas voldoening geeft. En goede resultaten voor het bedrijf realiseren natuurlijk.

In mijn team probeer ik altijd een mix te maken van mannen en vrouwen. En mijn secretaresse is een man. Die diversiteit komt de creativiteit ten goede. Mannen en vrouwen denken en werken nu eenmaal anders. In plaats van elkaar daar vreemd op aan te kijken, kun je er als organisatie ook gebruik van maken. ‘Anders’ is niet eng, maar inspirerend.

Ik heb mijn hele leven voltijd gewerkt. Dat is geen verdienste, ik vind het gewoon leuk. Als het nodig is werk ik zeven dagen per week. Er is maar één moment in de week heilig: de woensdagavond. Dan zorgen mijn man en ik dat we allebei thuis zijn. Helaas is er dan  vaak voetbal op tv. Inderdaad, hij houdt daar wel van en ik niet.

Werk en privé zijn voor mij prima in balans. Zoveel mogelijk huishoudelijke klussen uitbesteden, dat is de oplossing. En je er verder vooral niet druk om maken. We hebben een heleboel dieren, dus het huis ligt altijd vol honden- en kattenharen. Kan me niets schelen. En dat mijn onderbroeken de ene week links in de la liggen en de volgende week rechts maakt me ook niet uit. Als ik ze maar kan vinden.

Piekeren over mijn werk doe ik eigenlijk nooit. Als ik thuis ben, is het klaar; ik heb de gave dat ik de knop goed kan omzetten. Zit me toch iets dwars, dan rust ik niet voor ik het probleem heb opgelost. Die daadkracht is me met de paplepel ingegoten. ‘Nooit vooraf denken dat iets niet kan’, zeiden mijn ouders altijd. ‘Probeer eerst maar eens of het wél lukt.’ Dat geef ik mijn medewerkers ook mee. En zorg ervoor dat je lol hebt in wat je doet. De dag dat ik mijn werk niet meer geinig vind, houd ik ermee op.”

 

Truze Lodder (60, weduwe) is sinds 1987 zakelijk directeur van De Nederlandse Opera en van Het Muziektheater in Amsterdam, waar ze leiding geeft aan in totaal 550 medewerkers. Daarnaast is ze lid van de Raad van Commissarissen van de NS, van Van Lanschot Bankiers en van Icare Productions.

“Ik ben op mijn best onder moeilijke omstandigheden. Een uitdaging kan mij niet groot genoeg zijn, kom maar op! Elke opera die we brengen is weer een nieuwe project. Daardoor blijft het werk, ook na 21 jaar, steeds weer ingewikkeld en spannend. Als het niet meer moeilijk was, ging ik wat anders doen.

Als iemand me ‘financieel directeur’ noemt, ben ik bijna beledigd. Ja, het huishoudboekje moet op orde zijn, maar het gaat om zoveel méér. Als zakelijk directeur ben ik verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van het bedrijf. Ik vorm als het ware het scharnier tussen de dromen van de artistieke leider, Pierre Audi, en de zakelijke belangen van het bestuur. Elke artistieke keuze wordt immers begrensd door tijd, geld, ruimte en menskracht. Ik zeg pas nee op een voorstel, als ik eerst alles heb geprobeerd om ja te zeggen. Men weet dat; daarom wordt mijn gezag geaccepteerd.

Vanaf mijn eerste werkdag – 1 september 1965 – heb ik altijd voltijd gewerkt. Ik was net zeventien en kwam zo van de HBS. ‘Ga toch studeren’, zeiden mijn ouders; mijn cijfers waren er goed genoeg voor. Maar ik wilde financieel zelfstandig zijn. Mijn moeder had ook graag gewerkt, maar had die kans nooit gekregen. Altijd afhankelijk van je ouders of je man; dat zou mij niet overkomen.

Ik begon als manusje-van-alles bij de Holland-Amerikalijn en werkte me gaandeweg omhoog. Negen jaar later stapte ik over naar de AVRO, als leidinggevende in het radiobedrijf. Van de 140 sollicitanten bleef ik met drie mannen over. Tijdens het sollicitatiegesprek stelde programmaleider Tom Nieuwenhuijsen allerlei impertinente vragen. Of ik verliefd of verloofd was en zo. Schandalig vond ik dat! Wat ik toen nog niet wist, was dat juist hij later mijn man zou worden.   

‘Je denkt toch niet dat ik voor zo’n jong meisje ga werken!’. Dat zei de secretaresse toen ik in 1974 bij de AVRO begon. Maar ze werd en bleef mijn secretaresse tot de dag dat ik vertrok. Grappig genoeg was zij de enige van wie ik ooit zoiets heb gehoord. De mannen aan wie ik leiding gaf hebben me vanaf het begin geaccepteerd.

Het was de tijd van de emancipatiebeweging en het feminisme. Ik begreep niet waar al die vrouwen zich zo druk over maakten. Van het slachtoffer uithangen is nog nooit iemand beter geworden. Je kunt beter van je eigen kracht uitgaan, en je niet afhankelijk maken van het oordeel van de buitenwereld. Zo heb ik het in ieder geval gedaan en ik heb me nooit door één man belemmerd gevoeld. Sterker nog, ze hebben me juist alle kansen gegeven.

In 1987 werd ik gevraagd om zakelijk directeur te worden bij De Nederlandse Opera. Ik wist meteen: daar zit ik op mijn plek. Ook al ging ik er in salaris op achteruit. Bij het reclamebureau waar ik op dat moment werkte, was er sprake van veel uiterlijk vertoon. Bij de Opera gaat het tenminste echt ergens over. We houden een eeuwenoude en waardevolle kunstvorm levend. Als ik zie hoe opgetogen en ontspannen bezoekers na een voorstelling de zaal verlaten, weet ik: dit heeft betekenis.

Als leidinggevende ben ik heel kritisch en veeleisend. Medewerkers krijgen constant feedback over hoe ze het er vanaf brengen. Tot vervelends toe waarschijnlijk. Maar ik verwacht van hen dat ze dat naar mij óók doen. Door schade en schande heb ik moeten leren dat mensen op de werkvloer soms een beetje bang voor me zijn. Ik ben nogal nadrukkelijk aanwezig, praat veel en snel. En ik heb de neiging aan anderen dezelfde hoge eisen te stellen als aan mezelf. Dat is niet altijd even handig.

Ik heb heel lang gedacht dat ik niet ambitieus was, omdat ik nooit een specifieke functie heb nagestreefd. Ik vond dat ik gewoon geluk had gehad met al die leuke banen. Mettertijd ben ik me ervan bewust geworden dat ik zelf een belangrijk aandeel heb gehad in mijn succes. Bovendien: jezelf continu willen ontwikkelen en verbeteren zoals ik doe, is evenzeer een ambitie. Nu durf ik vol overtuiging te zeggen dat ik het heerlijk vind om de baas te zijn. En dat ik er nog goed in ben ook.

Alles wat ik doe, doe ik vol overgave. Ik ben grenzeloos, in hoeveel tijd ik in mijn werk steek en in hoeveel aandacht ik mensen geef. Dat is een heerlijke manier van leven, maar het vormt ook een gevaar. De balans is namelijk gauw zoek. Tot vijf jaar geleden zorgde mijn man voor het evenwicht. Hij was mijn klankbord en mijn inspiratiebron. Bovendien dwong hij me af en toe rust te nemen, bijvoorbeeld door samen weg te gaan. Sinds zijn dood in 2003 is het me nog niet gelukt die harmonie terug te vinden. Er zijn weken dat ik niet één avond thuis ben. En vakantie in mijn eentje vind ik een ramp, dus dat komt er ook niet van. Mijn missie voor de komende jaren is: meer tijd voor mezelf. Dat is beter voor mij én voor het bedrijf. Uiteindelijk moeten ze straks ook zonder me kunnen.”

 

KLAAR MET KANKER? maart 23, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 5:53 pm

scannen0021scannen00221

Het lichaam maakt continu nieuwe cellen aan. Normaal gesproken delen cellen net genoeg om oude of kapotte exemplaren te vervangen. Een kankercel houdt zich echter niet aan die regel: die deelt maar door en door. Het DNA – het handboek – van een kankercel is beschadigd geraakt, waardoor een verkeerde boodschap wordt doorgegeven en er ongecontroleerde groei ontstaat. Hoe zo’n beschadiging ontstaat, weet men in de meeste gevallen niet. Waarschijnlijk gaat het om een samenloop van omstandigheden: omgevingsfactoren, erfelijke aanleg en toeval. Er wordt hard aan gewerkt om de oorzaken van verschillende soorten kanker in kaart te brengen. Immers: als je weet wat het probleem is, kun je het beter bestrijden.

Het aantal nieuwe gevallen van kanker stijgt jaarlijks met 1,5 à 2%. Dat komt vooral door de vergrijzing. Maar ook andere factoren spelen een rol. Zo is er momenteel sprake van een ware ‘melanoomepidemie’ (huidkanker), het gevolg van steeds langer en steeds vaker zonnen(banken). Dat het aantal vrouwen met borstkanker stijgt heeft er onder andere mee te maken dat meisjes steeds jonger gaan menstrueren en eerder aan de pil gaan, en dat vrouwen op steeds latere leeftijd hun eerste kind krijgen. Bij de stijging van hoofd-, hals- en darmkanker wordt een verband gelegd met het rook- en drinkgedrag van Nederlanders. Daar staat tegenover dat, dankzij de betere behandelmogelijkheden, het aantal mensen dat aan kanker overlijdt de laatste jaren onverminderd afneemt.

 

Rood vlees en overgewicht

Er gaat bijna geen maand voorbij, of er is wel iets in het nieuws over leefgewoonten die de kans op kanker zouden verhogen of juist verlagen. Wat is daarvan waar?

Volgens professor Sjoerd Rodenhuis, internist-oncoloog en directeur Zorg en Zorgontwikkeling van het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam, is tot nu van roken bewezen dat er een verband met kanker is. Voor andere leefgewoonten ligt dat lastiger.

“Kanker is in de eerste plaats een kwestie van toeval. Bij het proces van celdeling gaan dagelijks dingen mis. Worden die foutjes niet door het lichaam hersteld, dan ontstaat er mogelijk kanker. Het lijkt erop dat allerlei zaken de kans op zo’n foutje in de celdeling – of de mogelijkheid om dat te herstellen – beïnvloeden. Wat je eet bijvoorbeeld, maar ook alcohol en de hoeveelheid beweging. Verder speelt erfelijkheid een rol. Juist omdat de vorming van kanker zo’n ingewikkeld proces is, is het moeilijk om harde uitspraken te doen over hoe bepalend leefgewoonten zijn.”

Over erfelijkheid gesproken: zo’n 5 à 10% van alle kankergevallen is het gevolg van een foutje in het DNA dat in de familie voorkomt. Een relatief klein aantal, maar mensen die drager van zo’n gen zijn lopen een groot risico de ziekte daadwerkelijk te krijgen. Bovendien zijn erfelijke vormen van kanker vaak agressief, en uiten ze zich op relatief jonge leeftijd. Vandaar dat er veel onderzoek wordt gedaan naar het opsporen en behandelen van erfelijke kanker. 

Behalve de genen die direct verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van kanker worden er ook steeds meer genen ontdekt die de kans op kanker een klein beetje vergroten. Rodenhuis: “De hoop is dat we op den duur een risicoprofiel van mensen kunnen maken. Dat wil zeggen dat je voor elk individu kunt inschatten hoe groot de kans is dat hij of zij een bepaalde vorm van kanker krijgt. Vooralsnog blijft dat echter toekomstmuziek; we weten nog veel te weinig om daar nu al zinvolle uitspraken over te doen.” 

 

Vroege opsporing

Om kanker effectief te kunnen behandelen, is het belangrijk het in zo’n vroeg mogelijk stadium op te sporen. Door bevolkingsonderzoek te doen bijvoorbeeld. Voor borstkanker en baarmoederhalskanker gebeurt dat al. Mogelijk komt daar binnen een paar jaar ook een bevolkingsonderzoek naar darmkanker bij. 

Een methode waar de komende jaren veel van verwacht wordt, is het opsporen van stofjes in bijvoorbeeld het bloed of de ontlasting die (op een voorstadium van) kanker wijzen. Rodenhuis: “Op dit moment wordt zo’n techniek in de praktijk al gebruikt om prostaatkanker te vinden. Hopelijk komen er vergelijkbare tests voor andere, veel voorkomende vormen van kanker.” 

Om vast te stellen of iemand kanker heeft, hadden artsen al de beschikking over onder andere de röntgenfoto, de echografie, de CT-scan en de MRI. Een paar jaar geleden is daar de PET-scan bijgekomen. Waar andere apparaten maar een deel van het lichaam in kaart brengen, doet de PET-scan dat helemaal. De methode is vooral handig om uitzaaiingen op te sporen, en om te kijken of medicijnen aanslaan. Rodenhuis: “Voorheen werden patiënten met uitzaaiingen dikwijls niet meer behandeld. Maar als we van de PET-scan weten dat het aantal uitzaaiingen beperkt is, behandelen we tegenwoordig soms wél. In bepaalde gevallen kunnen we de patiënt zo alsnog genezen, in andere gevallen in ieder geval het leven verlengen.”

 

Preciezer

Bij het behandelen van kanker hebben artsen drie opties: chirurgie, radiotherapie (bestralen) en geneesmiddelen. Op alle drie de terreinen zijn de afgelopen jaren enorme stappen voorwaarts gezet. 
Wat het opereren betreft zitten de ontwikkelingen vooral in technieken die de behandeling minder ingrijpend maken, aldus Rodenhuis. “Met behulp van nieuwe trucjes en instrumenten kunnen we steeds gerichter en preciezer werken.”

Of dergelijke technieken de overlevingskans van kankerpatiënten vergroten, durft hij niet te zeggen. “Het zorgt er in ieder geval voor dat we het lichaam minder hoeven te beschadigen. Na de operatie herstellen mensen sneller en kunnen ze eerder naar huis.”

Nieuwe technologische ontwikkelingen zorgen er ook voor, dat bij het bestralen steeds preciezer wordt gewerkt. Met geweldige verbeteringen tot gevolg, vindt Rodenhuis. “We zijn bijvoorbeeld steeds beter in staat rekening te houden met bewegingen van het lichaam tijdens de behandeling. Zo kunnen we de straal laten meebewegen met de ademhaling.” 

De nieuwe bestralingstechnieken dragen bij aan een betere bestrijding van de tumor, maar ook aan het verminderen van bijwerkingen op lange termijn. “De gammastraling die bij radiotherapie gebruikt wordt is gevaarlijk; die kan nog vele jaren later nare gevolgen hebben in de vorm van kanker in omliggend weefsel, of hart- en vaatziektes. Door steeds secuurder te werken neemt de kans daarop af.” 

 

Voorspellen

De meest spectaculaire ontwikkelingen in de behandeling van kanker zijn zonder meer te vinden op het terrein van de geneesmiddelen, zoals chemotherapie en hormoontherapie. Veertig jaar lang konden alleen een paar zeer zeldzame kankervormen met chemotherapie worden genezen. Voor de rest werden medicijnen uitsluitend gebruikt om het leven van ongeneeslijk zieke kankerpatiënten dragelijker te maken, en waar mogelijk te verlengen. De laatste jaren is daar radicaal verandering in gekomen. Door nieuwe (combinaties van) medicijnen en meer inzicht in welke middelen bij welke patiënt werken, zijn veel grotere groepen patiënten bij medicijntherapie gebaat. 

Om te bepalen of je een kankerpatiënt kunt behandelen, en zo ja hoe, is het belangrijk te weten of de kans op uitzaaiingen van de tumor groot of klein is. Sinds enige tijd bestaat er een techniek, genaamd micro-array, waarmee het profiel van een tumorcel in kaart kan worden gebracht. Door te kijken welke genen in de tumorcel ‘aan en uit’ staan, kunnen artsen voorspellingen doen over of een tumor zich waarschijnlijk gaat uitzaaien of niet.

Nu is het nog zo dat veel kankerpatiënten na de operatie voor de zekerheid chemotherapie krijgen toegediend. Maar als je weet dat bij een deel van hen de kans op uitzaaiingen minimaal is, hoef je ze die belastende kuur niet te geven. Zo voorkom je onnodige ‘overbehandeling’. Blijkt echter dat de kans op uitzaaiingen groot is, dan is het misschien beter om een patiënt andere, of een combinatie van medicijnen te geven.

Volgens Rodenhuis is de micro-array één van de belangrijkste ontwikkelingen in de aanpak van kanker. “De techniek wordt nu al hier en daar toegepast, met veel belovende resultaten. Een genprofiel van een tumorcel maken is inmiddels simpel: dat rolt zo uit de computer. Maar de gegevens die je dan krijgt op de juiste manier interpreteren is andere koek. We weten lang nog niet van alle uitkomsten wat ze betekenen, of hoe we die kennis in de behandeling van kanker kunnen gebruiken. Vandaar dat er nog veel meer onderzoek nodig is voor we de micro-array op grote schaal kunnen toepassen.”

 

Zwakke plek

In totaal zijn er op dit moment zo’n vijftig soorten chemotherapie op de markt, plus diverse vormen van hormoontherapie die kunnen worden ingezet bij de behandeling van kanker. De grote vraag waar elke arts tegen aanloopt is: welk middel (of combinatie van middelen) is voor mijn patiënt het beste?

Waar in de beantwoording van die vraag voorheen veelal moest worden gegokt, leren artsen steeds beter te voorzien wat werkt en wat niet. Dat doen ze door de zwakke plek van de tumorcel in kaart te brengen, en het middel te kiezen dat dáár het best op ingrijpt. Bij borstkanker en darmkanker worden met deze aanpak al heel goede resultaten geboekt. 

Rodenhuis vergelijkt de techniek met de behandeling van een bacteriële infectie. “In het laboratorium bekijken we welke vorm van antibiotica bij een bepaalde bacterie het beste werkt. Dat willen we met kankermedicijnen en tumorcellen ook kunnen.”

Toch zal het volgens hem waarschijnlijk nog zeker tien jaar duren voor dat gemeengoed wordt. “Het onderzoek is niet alleen ingewikkeld en duur, je hebt ook veel patiënten nodig om aan te tonen dat een bepaald middel bij een bepaalde tumor werkt. In de praktijk blijkt dat lastig te organiseren.”

 

Doelgericht

Er komen steeds varianten van chemotherapie en hormoontherapie bij, maar er worden heel nieuwe middelen ontwikkeld, aldus Rodenhuis. “Chemotherapie en hormoontherapie zijn medicijnen die de celdeling in alle cellen van het lichaam beïnvloeden. Met mogelijk nare bijwerkingen als misselijkheid en haaruitval tot gevolg. Bovendien verzwakt het afweersysteem daardoor. De laatste jaren komen er steeds meer doelgerichte geneesmiddelen op de markt. Dat zijn medicijnen die afwijkingen in tumorcellen gebruiken en vooral dáárop inwerken. De rest van het lichaam heeft daar dus geen last van.”

Immunotherapie is er een voorbeeld van. Dat is een behandeling met medicijnen, die de natuurlijke afweerreactie van het lichaam tegen kankercellen stimuleert. Verder zijn er middelen die de groei van kankermedicijnen op verschillende manieren afremmen (monoklonale antilichamen). Rodenhuis: “Van die laatste heb ik op korte termijn de hoogste verwachtingen. Bij borstkanker en Non-Hodgkin leveren die al goede resultaten op.”

En dan hebben we het nog niet eens gehad over het moment waarop geneesmiddelen gegeven worden, en voor hoe lang. Rodenhuis: “Er wordt enorm veel onderzoek gedaan naar hoe medicijnen de behandeling in de vorm van chirurgie kunnen versterken. Chemotherapie kan bijvoorbeeld vóór de operatie worden toegediend, om de tumor te doen krimpen en de kans op uitzaaiingen te verkleinen. Maar ook nabehandeling met geneesmiddelen biedt steeds meer kansen.”

Chronische ziekte?

Voorspellen of de kanker uitzaait, de zwakke plek van een tumor opsporen, de juiste combinatie van medicijnen op het juiste moment geven: ze dragen volgens Rodenhuis allemaal bij aan het leveren van maatwerk. “Dat is zonder meer waar we in de toekomst naartoe gaan: een individueel behandelplan voor elke patiënt, en daarmee voor elke tumor.”

Of kanker dan een chronische ziekte wordt, waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden? Rodenhuis: “Voor een deel is dat nu al zo. Steeds grotere groepen kankerpatiënten overleven de ziekte tien, twintig jaar of langer. Het aantal mensen waarbij we de ziekte kunnen controleren neemt alleen maar verder toe. Natuurlijk is dat bij de ene kankersoort makkelijker dan bij de andere. Voor longkanker en alvleesklierkanker hebben we bijvoorbeeld nog maar weinige effectieve middelen. Maar ik ben ervan overtuigd dat ze er ook voor die aandoeningen komen. Binnen tien tot vijftien jaar is voor de meeste kankerpatiënten een chronische behandeling mogelijk.”

 

[Kader]

Kanker in Nederland

  • Het aantal nieuwe gevallen van kanker per jaar is ongeveer 81.000 (42.000 mannen en 39.000 vrouwen). Zo’n 10% daarvan heeft al eerder een andere vorm van kanker gehad. Het aantal ‘eerste’ patiënten ligt dus rond de 73.000.
  • Bijna 44% van de Nederlandse mannen krijgt ooit in hun leven kanker. Van de vrouwen is dat 38%.
  • De meest voorkomende kankersoorten zijn: borstkanker, darmkanker, longkanker, prostaatkanker en huidkanker. Ruim 50% van alle nieuwe kankerpatiënten heeft één van deze vormen.
  • Tweederde van de vrouwelijke kankerpatiënten is boven de 60. Bij mannen is dat zelfs driekwart. Een kleine 10% van de patiënten is onder de 45.
  • Per jaar wordt bij zo’n 350 kinderen onder de 15 jaar kanker vastgesteld. Dat is slechts 0,7% van alle nieuwe patiënten.
  • Het aantal nieuwe gevallen van kanker groeit met circa 1 à 2% (1000 mensen) per jaar. De belangrijkste oorzaken van die stijging zijn de bevolkingsgroei en de vergrijzing.
  • Gemiddeld overleeft 50% van alle kankerpatiënten de eerste vijf jaar na de diagnose.
  • Jaarlijks overlijden er zo’n 38.000 mensen aan kanker. Dat is 30% van alle sterftegevallen. Alleen aan hart- en vaatziekten overlijden meer mensen.
  • De verwachting is dat binnen een paar jaar het aantal sterfgevallen als gevolg van kanker dat als gevolg van hart- en vaatziekten zal overstijgen.
  • Sommige leefgewoonten vergroten het risico op kanker. De belangrijkste daarvan zijn: roken, ongezond eten, veel alcohol drinken, onvoldoende bewegen en veel zonnen. 

 

[Kader]
Tien signalen die mogelijk op kanker kunnen wijzen
(Ga ermee naar de huisarts!)

  • Blijvende heesheid of hoest, eventueel met bloed in opgehoest slijm
  • Slikklachten: als slikken pijn doet, het eten slecht zakt of blijft steken
  • Nieuwe of veranderde moedervlekken
  • Een schilferend plekje of bobbeltje op de huid
  • Een verdikking of bobbel(tje) ergens in het lichaam, bijvoorbeeld in de borst, zaadbal, oksel, hals of lies
  • Bij vrouwen: ongewoon vaginaal bloedverlies of abnormale afscheiding (buiten de menstruatie om)
  • Bij mannen: zaadbalklachten
  • Een veranderd patroon in de stoelgang (zonder duidelijke aanleiding) of bloedverlies en/of slijm bij de ontlasting
  • Veranderingen bij het plassen (vaker, moeilijker of bloed in de urine)
  • Gewichtsverlies zonder aanleiding

Bron: KWF Kankerbestrijding

BORSTKANKER

Hester Oldenburg is oncologisch chirurg in het Nederlands Kanker Instituut Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam. Ze is gespecialiseerd in de behandeling van borstkanker.

Neemt het aantal gevallen van borstkanker toe of af?

“Het aantal vrouwen met borstkanker groeit nog steeds. Door de vergrijzing natuurlijk. Maar sinds de invoering van het landelijk bevolkingsonderzoek in 1994 worden er ook meer vroege gevallen van borstkanker ontdekt. En vrouwen maken steeds meer levenskeuzes, zoals het laat of geen kinderen krijgen, die het risico op borstkanker vergroten.”

En het aantal vrouwen dat aan borstkanker sterft?

“Dat daalt gelukkig al jaren. Voor een klein deel is dat te danken aan de vroege opsporing. Maar er zijn vooral steeds meer mogelijkheden om borstkanker goed te behandelen. Dat het desondanks een van de belangrijkste doodsoorzaken onder vrouwen is, heeft te maken met het grote aantal vrouwen dat ermee te maken krijgt.”

Wat is er tot nu toe bekend over factoren die de kans op het krijgen van borstkanker vergroten?

“Zeker is dat vrouwelijke hormonen zoals oestrogenen een rol spelen bij het ontwikkelen van borstkanker. De stelregel luidt: hoe minder vaak je tijdens je leven menstrueert, hoe lager de kans op borstkanker. Dus: hoe later je begint met menstrueren, hoe vaker je zwanger bent en hoe eerder je in de overgang komt, hoe kleiner de kans. Hetzelfde geldt voor lang borstvoeding geven. Maar let op: krijg je je eerste kind pas na je 33ste, dan wordt een deel van dat positieve effect weer teniet gedaan. Het langdurig gebruik van hormonen in de vorm van de pil of in de overgang verhoogt de kans op borstkanker juist. Net als roken, veel drinken, weinig bewegen en overgewicht. Hoe dat precies werkt, weten we niet. Meestal blijft toch onduidelijk waarom iemand borstkanker krijgt.”

In hoeverre is borstkanker erfelijk?

“In de jaren ’90 zijn er twee genen ontdekt die het risico op borstkanker enorm verhogen, BRCA1 en BRCA2. Als je als vrouw drager bent van een van die genen, heb je 60-80% kans om tijdens je leven borstkanker te ontwikkelen. Ook de kans op eierstokkanker neemt sterk toe. Bovendien is er in dat geval een risico van 50% dat je het gen aan je kind doorgeeft. Van alle vrouwen met borstkanker heeft 5 à 10 % zo’n ‘borstkankergen’. Wereldwijd wordt onderzoek gedaan om te kijken of er nog meer genen zijn die borstkanker veroorzaken. We verwachten van wel, maar tot nu toe zijn ze nog niet gevonden.”

Lukt het om borstkanker steeds eerder op te sporen?

“Sinds de invoering van het bevolkingsonderzoek worden meer en meer vroege gevallen van borstkanker ontdekt. Dat onderzoek – een mammografie – gaat steeds vaker digitaal. Op een digitale borstfoto is meer te zien. Bovendien kan de computer helpen om verdachte plekken te herkennen.

Is de uitslag van een mammografie niet helemaal duidelijk, dan wordt er een echo en soms een MRI gedaan. Het nieuwste apparaat dat ons ter beschikking staat is de PET-scan, die opnamen van het hele lichaam maakt. Die wordt niet zozeer gebruikt om borstkanker zelf vast te stellen, als wel om eventuele uitzaaiingen op te sporen en tijdens de behandeling te kijken of tumoren daadwerkelijk slinken.

Vroege opsporing van borstkanker verhoogt de overlevingskans. Maar er zit ook een andere kant aan. Soms vind je iets minimaals, een voorstadium van kanker dat eigenlijk nog niets voorstelt. Het is onduidelijk of het ooit tot kanker zal uitgroeien, maar voor de zekerheid behandelen we het toch. Met veel – misschien onnodige – zorgen en  belastende behandelingen voor de patiënt, en hoge kosten voor de maatschappij tot gevolg.”

Het bevolkingsonderzoek wordt nu uitgevoerd bij vrouwen boven de 50. Gaat die leeftijd de komende jaren verder omlaag?

“Waarschijnlijk niet. Er wordt voorzichtig over nagedacht om vanaf 45 te gaan screenen, maar er moet eerst nog meer onderzoek worden gedaan of dat echt winst voor de volksgezondheid oplevert. Vooralsnog lijkt dat niet zo te zijn.” 

Draagt zelfonderzoek bij aan vroege opsporing?

“Nee. Natuurlijk is het verstandig om je lichaam goed te leren kennen en er opmerkzaam op te zijn als er onverwacht iets in je borsten verandert. Maar tot nu toe is niet bewezen dat door het doen van zelfonderzoek het sterftecijfer daalt.” 

Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen als het gaat om de diagnostiek en de behandeling van borstkanker?

Minder dan 5% van de nieuwe gevallen van borstkanker is uitgezaaid. Dat betekent dat het overgrote deel kan worden geopereerd. Ongeveer 60% van de borstoperaties gebeurt tegenwoordig borstsparend. Een belangrijke ontwikkeling in dat verband is dat patiënten steeds vaker chemotherapie vóór de operatie krijgen, met als doel de tumor te doen krimpen. Het maakt het makkelijker om borstsparend te opereren. Bovendien verkleint het mogelijk de kans op uitzaaiingen later.

Bij het opereren en de eventuele bestraling daarna wordt steeds meer ‘beeldvorminggeleid’ gewerkt. Met behulp van technieken zoals de MRI kunnen we vóór – en in de toekomst misschien zelfs tijdens – de operatie driedimensionale plaatjes maken. Zo kunnen we nog preciezer werken en hoeven we minder onnodig te snijden. Bij het bestralen betekent het, dat de dosis straling gerichter kan worden toegediend en er minder omliggend weefsel wordt beschadigd.

Verder gaan de ontwikkelingen op het terrein van borstreconstructie heel snel. De mogelijkheden om te reconstrueren zijn nu veel groter dan een paar jaar geleden, zelfs bij een borstsparende operatie. Helaas passen nog lang niet alle ziekenhuizen in Nederland die nieuwe technieken toe.

Een heel belangrijke uitvinding is de micro-array. Daarmee kunnen we voorspellen wat de kans is dat een tumor zal uitzaaien. Dat is zo essentieel, omdat vrouwen niet overlijden aan een tumor in de borst, maar aan de uitzaaiingen van borstkanker.

Verder zijn we steeds beter in staat zijn het juiste medicijn bij een bepaalde tumor te zoeken. Nog niet zo lang geleden hebben we bijvoorbeeld ontdekt dat ongeveer 20% van de borstkankerpatiënten een tumor heeft met een bepaald soort receptoren – zeg maar voelsprieten. Er is een middel, Herceptin, dat zich aan die voelsprieten bindt en de tumor te lijf gaat. Dat werkt zo goed, dat de sterfte in die groep patiënten met 50% is gedaald. Zo’n spectaculair resultaat hebben we niet eerder met medicijnen behaald. Omdat het een ‘doelgericht’ medicijn is dat alleen op de tumor werkt, zijn er bovendien minder bijwerkingen.”

Wordt borstkanker in de toekomst een chronische ziekte waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden?

“We krijgen steeds meer mogelijkheden om borstkanker goed te behandelen, waardoor het aantal vrouwen dat aan de ziekte sterft nog verder naar beneden gaat. Volgens mij zal het echter nooit zo ver komen dat er helemaal niemand meer aan borstkanker komt te overlijden. Er blijven altijd heel agressieve vormen van kanker bestaan waar geen kruid tegen opgewassen is.”

 

[Kader]

Borstkanker: de feiten

  • Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker in Nederland.
  • Een derde van alle vrouwen die kanker krijgen heeft borstkanker. Jaarlijks zijn dat er zo’n 12.000. De verwachting is dat dit aantal in 2015 zal zijn opgelopen naar 17.000.
  • Een Nederlandse vrouw heeft een kans van 1 op 8 om tijdens haar leven borstkanker te krijgen.
  • Borstkanker komt ook bij mannen voor: 1 op de 1500 mannen krijgt borstkanker.
  • 75% van alle vrouwen die borstkanker krijgen is ouder dan 50 jaar.
  • Bekende factoren die het risico op borstkanker verhogen, zijn: borstkanker in de familie, kinderloosheid, eerste zwangerschap na je 33ste, eerste menstruatie op jonge leeftijd, late overgang, hormoongebruik in de overgang, overgewicht na de overgang en de consumptie van drie of meer glazen alcohol per dag.
  • Jaarlijks worden een miljoen vrouwen uitgenodigd voor een screening in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Zo’n 80% geeft daar gehoor aan. 
  • Gemiddeld wordt 1,4% van de onderzochte vrouwen doorverwezen voor nader onderzoek in het ziekenhuis. Ongeveer de helft van de doorverwezen vrouwen (zo’n 7000) blijkt daadwerkelijk borstkanker te hebben.
  • De  kans dat een borstkankerpatiënt vijf jaar na de diagnose nog in leven is, is 75 – 85%. Als de tumor kleiner is dan 2 cm en er geen uitzaaiingen zijn is dat zelfs 85 – 95%.
  • Jaarlijks sterven zo’n 3500 vrouwen aan borstkanker.
  • Als gevolg van het bevolkingsonderzoek en vooral ook betere behandelingen is het sterftecijfer voor borstkanker sinds begin jaren ’90 met 16% gedaald.

 

[Kader]

Symptomen die op borstkanker kunnen wijzen

  • Een knobbeltje in de borst
  • Deukjes of kuiltjes in de huid van de borst
  • Een sinds kort ingetrokken tepel of een verandering van de tepel, zoals roodheid of schilfertjes
  • Bruin of bloederig vocht uit de tepel
  • Pijn in de borst waar het klierweefsel anders aanvoelt
  • Een borst die warm aanvoelt en rood verkleurd is
  • Een wondje van de borsthuid dat niet geneest

 

[Kader]

10 fabels over borstkanker (NIET waar dus!)

  1. Aan borstkanker ga je altijd dood. 
  2. Borstzelfonderzoek verkleint de kans op borstkanker
  3. Borstkanker is altijd erfelijk
  4. Een vrouw met grote borsten heeft meer kans op borstkanker
  5. Pijn in de borst wijst altijd op borstkanker
  6. Je kunt borstkanker krijgen van deodorants 
  7. Stress kan borstkanker veroorzaken
  8. Het dragen van beugel-bh’s vergroot de kans op borstkanker
  9. Mannen kunnen geen borstkanker krijgen
  10. Inname van extra vitamines voorkomt borstkanker

 

Edith Wientjes-Gijsselman (43) was 34 toen ze negen jaar geleden borstkanker kreeg. De tumor in haar rechterborst werd ontdekt, vijf weken na de geboorte van haar zoon Noah. Edith heeft een eigen yogastudio. Ze is getrouwd met Bart.

“’Ik kan niet doodgaan!’ Dat is het eerste wat ik uitriep toen de dokter me vertelde dat ik kanker had. Ik kon dat ventje van vijf weken toch niet alleen laten? De oerkracht die me op dat moment overspoelde gaf me de moed het gevecht aan te gaan.

Na de bevalling kreeg ik last van mijn rechtborst. Er zat een harde schijf in en hij deed zeer. ‘Het is een melkklier’, zeiden de verloskundige en de kraamhulp. Voor de zekerheid stuurde mijn huisarts me voor controle naar het ziekenhuis. Dezelfde dag nog kreeg ik te horen: het is kanker. Ik kon alleen maar huilen.

De week erna werd ik al geopereerd. De tumor was zo groot – vijf bij zeven centimeter – dat mijn borst moest worden geamputeerd. Een paar maanden later volgde nog vijf weken dagelijks bestraling.

Na de operatie wilde ik de wond eigenlijk niet zien. Ik had mijn hele leven met onzekerheid geworsteld. Mijn lijf was het enige waar ik wél vertrouwen in had. Getraind, slank: ik zag er gewoon goed uit. Het idee dat daar een stuk vanaf gehakt was, kon ik niet verdragen. Uiteindelijk moest ik natuurlijk wel. Maar tot op de dag van vandaag vind ik het moeilijk naar mijn borsten te kijken. Zelfs nu de geamputeerde borst  gereconstrueerd is.

Godzijdank werden er geen uitzaaiingen gevonden. Toch bleef ik heel lang angstig. ‘Zie je wel, het gaat fout’, dacht ik bij elk pijntje dat ik voelde. Ik zat zo ongeveer elke maand in het ziekenhuis. Echt, ik heb de artsen tot waanzin gedreven. Maar ik wist gewoon niet hoe ik met mijn gevoel moest omgaan.

De ommekeer kwam twee jaar geleden, nadat mijn vader aan longkanker was overleden. De laatste dagen van zijn leven heb ik hem samen met mijn zus verzorgd. Toen hij uiteindelijk stierf, was dat niet eng. Integendeel, ik was blij dat hij van de pijn en ellende verlost was. Het gaf me een gevoel van berusting. En daarmee moed om weer vooruit te durven kijken. Sindsdien heb ik meerdere yogaopleidingen gevolgd en ben ik mijn eigen yogastudio begonnen.

De afgelopen jaren heb ik twee vriendinnen aan borstkanker verloren. Een derde zit middenin de behandeling. Ik ging met haar mee naar de bestraling en een pruik uitzoeken. Heel confronterend. Maar in plaats van bang voelde ik me juist sterk. Ik ben er tenslotte nog! Het jaarlijkse mammogram is tot nu toe steeds schoon. Als het aan mij ligt, doe ik er zeker nog veertig jaar bij.

De kanker en alles wat er op volgde heeft me een zelfverzekerder, krachtiger mens gemaakt. Ik zeg eerder wat ik denk, trek me minder aan wat anderen van me vinden.  Niemand kiest ervoor om ziek te worden. Maar het heeft me wel doen inzien dat je het leven zelf leuk moet maken. Dat doe ik, iedere dag weer.”

 

DARMKANKER

Annemieke Cats is maag-darm-leverarts (MDL-arts) in het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam.

Neemt het aantal gevallen van darmkanker toe of af?

“Er zit een lichte stijging in. Net als bij borstkanker is dat deels te verklaren door de groei van de bevolking en de toenemende vergrijzing. Maar we vermoeden dat leefgewoonten – eten, bewegen – ook een belangrijke rol spelen.”

En het aantal mensen dat aan darmkanker sterft?

“Dat daalt licht. De afgelopen jaren hebben we flinke stappen vooruit gezet in de behandeling. Dat betekent dat we meer mensen kunnen genezen. Een goed voorbeeld is de groep patiënten die uitzaaiingen heeft in de lymfklieren, maar nog niet elders in het lichaam. We weten sinds kort dat een deel van hen positief reageert op een combinatie van twee verschillende soorten chemotherapie. De kans dat een patiënt met uitzaaiingen in de lymfklieren na vijf jaar nog leeft, is daarmee verhoogd van 50-60% naar 70-80%.”

Wat is er tot nu toe bekend over factoren die de kans op het krijgen van darmkanker vergroten?

“Er lijkt een sterk verband te zijn tussen een bepaalde leefstijl en de kans om darmkanker te ontwikkelen. Darmkanker komt veel vaker voor in de westerse wereld dan in Azië en Afrika. Op het moment dat iemand uit Japan naar de VS verhuist en daar de leef- en eetgewoontes van een Amerikaan overneemt, neemt de kans dat hij darmkanker krijgt toe. Het eten van veel rood vlees en vleeswaren verhoogt het risico. Mogelijk geldt hetzelfde voor overgewicht, roken en het drinken van meerdere glazen alcohol per dag. Vezels, vooral die in groenten en fruit, lijken een beschermend effect te hebben. Hetzelfde geldt voor regelmatig bewegen.”

In hoeverre is darmkanker erfelijk?

“Iets minder dan 5% van alle mensen met darmkanker heeft een erfelijke vorm van de ziekte, meestal het Lynch-syndroom – ook wel HNPCC genoemd. Mensen met dit syndroom hebben 50% kans om de aanleg aan hun kind door te geven. Erfelijke darmkanker ontwikkelt zich doorgaans op vrij jonge leeftijd, gemiddeld rond het 45ste jaar. Vandaar dat het zo belangrijk is om je, als er darmkanker in je familie voorkomt, regelmatig te laten onderzoeken.”

Lukt het om darmkanker steeds eerder op te sporen?

“Met darmkanker is iets bijzonders aan de hand: je kunt het opsporen en verwijderen, vóór dat het daadwerkelijk tot kanker uitgroeit. Dat zit zo. Dikkedarmkanker ontstaat  bijna altijd uit een darmpoliep. Dat is een verdikking van het slijmvlies dat de binnenkant van de darm bekleedt. Poliepen zijn goedaardige gezwellen, maar sommige kunnen uitgroeien tot kanker. Als je poliepen verwijdert voordat ze kwaadaardig worden, kun je darmkanker voorkomen.

Om poliepen zo vroeg mogelijk te achterhalen, denkt het kabinet erover om een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker in te voeren. In 2010 wordt daarover een besluit genomen. Zo’n screening kan op verschillende manieren gebeuren. Met een inwendig kijkonderzoek van de darm, waarbij eventuele poliepen direct worden verwijderd. Dat onderzoek werkt goed, maar het is belastend voor de patiënt. Vooraf moet hij of zij laxeren. Bovendien kan het pijnlijk zijn, en gênant. Onderzocht wordt of mensen het acceptabel zouden vinden om op grote schaal aan zo’n onderzoek mee te werken.Een alternatief is om de ontlasting te onderzoeken op stofjes die de aanwezigheid van kanker kunnen verraden. Die test is echter niet erg precies en je kunt geen weefsel wegnemen om na te kijken. Er zijn wel meer specifieke testen in ontwikkeling.”

Uitgezaaide kanker wordt over het algemeen niet geopereerd. Bij darmkanker kan dat soms wel. Waarom?

“Ruim 50% van alle patiënten met darmkanker komt voor een operatie in aanmerking. Daar zitten inderdaad ook mensen bij met een beperkt aantal uitzaaiingen, meestal in de longen of de lever. Vijf jaar na de ingreep leeft van die groep nog 25 à 40%, beduidend meer dan zonder operatie.Dat we mensen met beperkte uitzaaiingen toch een ‘genezende’ behandeling kunnen geven, komt omdat darmkanker zich relatief langzaam ontwikkelt. Van een goedaardige poliep tot een kwaadaardig gezwel duurt zo’n tien jaar. Als we geluk hebben geeft dat ons de tijd om uitzaaiingen te verwijderen, voordat ze te wijdverspreid zijn. De nieuwste ontwikkeling is dat we patiënten vóór de operatie al met medicijnen behandelen, in de hoop dat de uitgezaaide tumoren kleiner worden. Of dat werkt, en zo ja welke middelen daarvoor het meest geschikt zijn, wordt momenteel onderzocht. Hetzelfde geldt voor de vraag of je beter eerst de kanker in de darmen of eerst de uitzaaiingen weg kunt halen.”

Wat zijn andere belangrijke ontwikkelingen als het gaat om de diagnostiek en de behandeling van darmkanker?

“Aan een behandeling gaat een darmonderzoek vooraf. Veel patiënten vinden dat vervelend. Vandaar dat veel research wordt gedaan naar andere, minder belastende onderzoekmethodes. Zo is er bijvoorbeeld al een driedimensionale CT-scan, waarbij je op de computer een darmonderzoek kunt nabootsen, zonder dat je daadwerkelijk met een slang in de darmen van de patiënt naar binnen hoeft. Een andere ontwikkeling is die van de videocapsule. Die slikken patiënten in, zodat er van binnenuit video-opnames kunnen worden gemaakt van de dikke darm. Wat de chirurgie betreft: sinds een paar jaar weten we dat het verstandig is om bij een darmoperatie alle omliggende lymfklieren weg te halen. Dat verkleint de kans op uitzaaiingen. Door ze in het laboratorium te onderzoeken krijgen we bovendien een beter beeld in welk stadium de ziekte zich precies bevindt. Blijkt dat de kanker is uitgezaaid naar de lymfklieren, maar nog niet naar de rest van het lichaam, dan behandelen we na de operatie met chemotherapie. De endeldarm – het laatste stukje van de dikke darm voor het uiteinde – zit in het kleine bekken, waar een chirurg relatief weinig ruimte heeft. Met nieuwe technieken lukt het steeds beter om een tumor daar goed te verwijderen, zodat de kans dat hij terugkomt kleiner wordt. Een andere nieuwigheid bij de behandeling van endeldarmkanker is inwendige bestraling. Dat is preciezer en tast waarschijnlijk minder omliggend weefsel aan. We hebben ook steeds meer mogelijkheden om mensen met verder uitgezaaide darmkanker te behandelen. Daarvoor gebruiken we vijf middelen, zowel chemotherapie als doelgerichte medicijnen. Vier van de vijf zijn relatief nieuw. Door patiënten een combinatie van deze middelen te geven, kunnen we de levensduur van mensen met ongeneeslijke darmkanker met anderhalf à twee jaar verlengen.”

Wordt darmkanker in de toekomst een chronische ziekte waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden?

“Ik denk dat we steeds meer mensen zullen kunnen genezen. En dat we ongeneeslijke zieke patiënten langer in leven kunnen houden. Maar dat darmkanker een chronische ziekte wordt waaraan niemand meer overlijdt? Ik zou het prachtig vinden, maar op dit moment geloof ik niet dat het zo ver gaat komen.” 

[Kader]

Darmkanker: de feiten

  • Jaarlijks krijgen zo’n 11.000 mensen darmkanker. Iets minder dan de helft daarvan is vrouw. Bij een kwart van de patiënten gaat het om endeldarmkanker (kanker in het laatste stuk van de dikke darm).
  • 14% van alle mannen die kanker krijgt heeft darmkanker. Voor vrouwen ligt dat  percentage een fractie lager.
  • 1 op de 16 mannen en 1 op de 18 vrouwen in Nederland krijgt darmkanker.
  • Na prostaatkanker en longkanker is dikkedarmkanker de meest voorkomende soort kanker bij mannen. Bij vrouwen komt dikkedarmkanker, na borstkanker, op de 2e plaats.
  • Darmkanker komt het meest voor bij mensen boven de 60.
  • Risicofactoren zijn: consumptie van veel rood vlees en weinig vezels, en onvoldoende lichaamsbeweging. Personen die veel bewegen hebben waarschijnlijk 40-50% minder kans op darmkanker.
  • De  kans dat een darmkankerpatiënt vijf jaar na de diagnose nog in leven is, is 50-60%. Indien er geen uitzaaiingen zijn stijgt dit naar 70-80%.
  • Jaarlijks sterven er circa 4500 mensen aan darmkanker.

 

[Kader]

Symptomen die op darmkanker kunnen wijzen

  • Veranderingen in het ontlastingpatroon, bijvoorbeeld verstopping of afwisselend verstopping en diarree
  • Bloed en/of slijm in de ontlasting
  • Loze aandrang
  • Vermoeidheid, en duizeligheid door bloedarmoede
  • Vage buikpijn
  • Een gevoelige plek in de buik

 

Joop Willemsen (53, verloofd) werkt als inkoper bij een chemisch bedrijf. In januari 1995 kreeg hij endeldarmkanker. Hij was toen 39. Na een succesvolle behandeling met operatie en chemotherapie is hij inmiddels veertien jaar kankervrij. Hij heeft er wel een permanent stoma aan overgehouden.

“Van kanker genees je nooit. Ja, fysiek misschien. Maar het blijft altijd tussen je oren zitten. Elke keer als ik een pijntje voel, elke keer als ik voor controle naar het ziekenhuis ga, denk ik: ‘het zal toch niet teruggekomen zijn?’. Die angst blijft je achtervolgen. Zelfs na veertien jaar.

Aan de andere kant: geconfronteerd worden met kanker leert je ook veel waardevols over het leven. Het allerbelangrijkste is wel dat ik gezondheid niet meer als iets vanzelfsprekends beschouw. Dat helpt me de onbenullige problemen van het leven te relativeren. Kon ik vroeger nog wel eens gestrest en ongeduldig voor een rood stoplicht staan, nu zie ik soms niet eens dat het groen is geworden omdat ik van de mooie omgeving geniet.

Op een zondagavond veertien jaar geleden kreeg ik aandrang om naar het toilet te gaan. Nog voordat ik de badkamer had bereikt zat er slijmerig bloed in mijn broek. De volgende dag verwees de huisarts me direct door naar het ziekenhuis. Daar ging ik redelijk onbezorgd naartoe. Een aambei, dacht ik, of een gesprongen ader. Ik was immers in topconditie en had nooit eerder klachten gehad.

Toen ik het woord kanker hoorde, schoot als eerste door mijn hoofd: ‘ik ga dood’. Een paar dagen had ik het gevoel dat ik met één been in mijn graf stond. Maar toen bleek dat de tumor goed te operen was, en dat er geen uitzaaiingen waren, keerde de rust terug.

Het fysieke herstel ging snel: een paar weken na de operatie stond ik alweer op de skipiste. De geestelijke acceptatie duurde langer, vooral ook omdat ik de rest van mijn leven een stoma moest dragen. Mijn zelfvertrouwen heeft daar een flinke knauw door gekregen. Gelukkig kan ik mét stoma alles doen wat ik voor de kanker ook deed. Ik fiets, fitness, ski en heb zelfs mijn duikbrevet gehaald.

Ook vrijen met een stoma is geen probleem. Maar het was best even raar toen ik een paar maanden geleden een nieuwe vriendin kreeg. Vooral als je voor het eerst uit de kleren gaat sta je elkaar toch vreemd aan te kijken. Gelukkig deed ze er totaal niet moeilijk over. En schamen doe ik me er allang niet meer voor. De stoma hoort bij mij.

Drie jaar geleden kreeg mijn moeder darmkanker. Daar schrok ik behoorlijk van; misschien is er toch sprake van een erfelijke variant. Maar ik maak me nu niet meer zorgen dan voorheen. Van nature ben ik heel positief ingesteld, ik kijk liever naar wat wel goed gaat dan niet. Piekeren kan altijd nog, toch?

Wat ik van de kanker heb geleerd is dat je leuke dingen niet uit moet stellen. Mensen sparen vaak om na hun pensioen plezier te gaan maken. Maar wie zegt dat je dat haalt? Nee, dan geniet ik liever nu. Binnenkort ga ik met mijn verloofde samenwonen, ook al kennen we elkaar nog niet zo lang. Zo begin ik – voor de tweede keer in vijftien jaar – aan een heel nieuw leven.”

Joop is voorzitter van de afdeling Zuid-Holland van de Stoma Vereniging. Zie voor meer informatie: www.stomavereniging.nl.

LONGKANKER

Houke Klomp is oncologisch chirurg in het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam. Ze is gespecialiseerd in de behandeling van longkanker. 

Neemt het aantal gevallen van longkanker toe of af?

“Onder mannen neemt het af, onder vrouwen juist toe. De ontwikkeling van het aantal gevallen van longkanker volgt daarmee de trends in het rookgedrag: mannen zijn sinds de Tweede Wereldoorlog minder gaan roken, vrouwen steeds meer. Het is niet duidelijk of de piek van vrouwelijke rokers al is bereikt. De komende decennia zal de hoeveelheid vrouwen met longkanker waarschijnlijk nog verder toenemen.” 

En het aantal mensen dat aan longkanker sterft?

“Sinds het midden van de jaren ’80 daalt het aantal mannen dat sterft aan longkanker. Vanaf dat moment werden de effecten van stoppen met roken zichtbaar in de sterftecijfers. Vanaf de jaren ’70 is het aantal vrouwen dat aan longkanker overlijdt juist toegenomen. Als deze trend doorzet, zullen over een aantal jaren meer vrouwen dan mannen aan longkanker overlijden.”

Wat is er tot nu toe bekend over factoren die de kans op het krijgen van longkanker vergroten?

“Roken is de aller-, allerbelangrijkste risicofactor voor longkanker: 90% van alle gevallen van longkanker is het directe gevolg van roken. Mogelijk ligt dat percentage eigenlijk nog hoger, omdat bij de overige 10% meeroken een rol kan spelen. Bij meeroken is de blootstelling aan kankerverwekkende stoffen weliswaar twintig keer zo laag. Maar als je vaak en lang genoeg in een rokerige ruimte verblijft, levert dat wel een verhoogd risico op. Werken met gevaarlijke stoffen, zoals asbest, en luchtvervuiling zijn maar voor een heel klein deel van alle longkankergevallen verantwoordelijk.”

Hoe kan het eigenlijk dat sigaretten longkanker veroorzaken?

“Hoe dat precies werkt weten we niet. Feit is dat je door te roken allerlei giftige stoffen je lijf binnenhaalt. Die veroorzaken een chronische ontsteking in je longen. Het afweersysteem trekt daartegen ten strijde en vervangt beschadigde cellen door nieuwe. In dat proces van celdeling kan het DNA beschadigingen oplopen, met kanker tot gevolg. In totaal zitten er wel veertig kankerverwekkende stoffen in sigaretten. Ondanks dat er veel onderzoek naar wordt gedaan, is nog niet bekend welke stof welke rol speelt in het ontstaan van longkanker. Dat maakt het mede zo ingewikkeld om de ziekte aan te pakken.”

Zijn vrouwen gevoeliger voor de effecten van roken dan mannen?

“Daar leek het wel op, maar sinds kort wordt daar toch aan getwijfeld. Als mannen of vrouwen veel roken, hebben ze een even grote kans op longkanker. Wel lopen vrouwen die nooit of zeer weinig gerookt hebben een hoger risico dan mannelijke niet-rokers. Mogelijk heeft dat te maken met de hormoonhuishouding van vrouwen en hun natuurlijke vermogen om DNA-schade in longcellen te repareren.”

Heeft nog zin om te stoppen als je al dertig jaar rookt?

“Het heeft altijd zin om te stoppen. Wel is het zo dat als je langer dan twintig jaar hebt gerookt, het risico op longkanker nooit meer teruggaat naar nul. Je blijft dan als het ware hangen op het verhoogde risico dat je liep op het moment van stoppen.”

Is longkanker erfelijk?

“Voor zover we nu weten niet. Er is geen bekend ‘longkankergen’, zoals bij borstkanker of darmkanker.” 

Lukt het om longkanker steeds eerder op te sporen?

“Niet echt. Het lastige is dat mensen vaak pas klachten krijgen als de longkanker al is uitgezaaid. Sterker nog, de helft van de patiënten meldt zich met klachten op andere plekken in hun lichaam dan hun longen. Uit onderzoek blijken die dan het gevolg te zijn van longkanker. Onderzocht wordt of het zin zou hebben mensen met een verhoogd risico op longkanker periodiek te screenen door middel van een CT-scan. Zo’n onderzoek levert veel ‘verdachte’ foto’s op, maar daarvan blijkt maar een heel klein deel daadwerkelijk longkanker te zijn. Bovendien is nog niet bewezen dat de overlevingskans van die patiënten door de vroege opsporing toeneemt.”

Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen als het gaat om de diagnostiek en de behandeling van longkanker?

“De kans om van longkanker te genezen is de afgelopen dertig jaar nauwelijks verbeterd. Dat komt omdat longkanker een heel ‘efficiënte’ vorm van kanker is: agressief, hardnekkig, snel verspreidend en met veel verschillende varianten. Van de patiënten zonder uitzaaiingen elders in het lichaam – zo’n 50% van het totaal – komt de helft in aanmerking voor een operatie. Bij de andere helft is de ziekte in de longen zelf al te uitgebreid, of is hun algemene conditie te slecht om een operatie te kunnen doorstaan. Patiënten na een operatie behandelen met medicijnen levert bij borstkanker en darmkanker al gauw een extra overlevingskans van 10 tot 20% op. Bij longkanker is dat maar 5%. Bij patiënten bij wie de longkanker is uitgezaaid naar andere organen slaat behandeling met medicijnen soms wel aan, maar genezen is zelden mogelijk.Gelukkig is er ook goed nieuws te melden. Zo helpt de PET-scan – het apparaat waarbij tumoren in het hele lichaam kunnen worden opgespoord – ons om een steeds betere diagnose te stellen. Het aantal operaties dat achteraf zinloos bleek omdat er toch onontdekte uitzaaiingen waren, is daarmee teruggebracht met 20%. Is een longtumor kleiner dan drie centimeter en zit hij op een plek die goed te opereren is, dan is er een goede kans op genezing. 75% van die patiënten is vijf jaar na de diagnose nog in leven. Er wordt bekeken of het zinvol is patiënten vóór een operatie met medicijnen te behandelen. Op die manier kunnen grotere tumoren soms toch succesvol worden verwijderd. Bovendien verkleint het misschien de kans op uitzaaiingen. Verder kunnen tumoren die aan de buitenkant van de long liggen tegenwoordig veel beter worden bestraald. De techniek is preciezer en de dosis straling hoger, waardoor tumoren vaker helemaal verdwijnen. De meest veelbelovende ontwikkeling is die van de doelgerichte medicijnen. De laatste jaren zijn er enkele van dat soort middelen voor longkanker op de markt gekomen. Die slaan goed aan bij zo’n 8% van de patiënten. Dat klinkt misschien weinig, maar het is de eerste keer dat we met geneesmiddelen zulke veelbelovende resultaten boeken. Verder zijn we in staat met onderzoek vooraf te bepalen bij welke patiënten ze waarschijnlijk wel gaan werken en bij welke niet. Of we mensen ook echt met die middelen gaan genezen weten we nog niet; daarvoor zijn ze te kort in gebruik.” 

Wordt longkanker in de toekomst een chronische ziekte waaraan patiënten niet meer hoeven te overlijden?

“Er moeten nog een hoop stappen worden gezet, maar ik ben ervan overtuigd dat we binnen twintig jaar specifieke medicijnen hebben voor een aantal soorten longtumoren. Vergelijk het maar het onderzoek naar middelen tegen AIDS; dat is uiteindelijk ook heel snel gegaan. Het proces van kankervorming is een stuk ingewikkelder, maar toch zien we vergelijkbare ontwikkelingen. Ik ga nog meemaken dat longkanker een controleerbare ziekte wordt.”

 

[Kader]

Longkanker: de feiten

  • Jaarlijks krijgen zo’n 10.000 mensen longkanker. Tweederde daarvan is man, een derde vrouw.
  • Longkanker is na prostaatkanker de meest voorkomende kanker bij mannen. Bij vrouwen staat longkanker op de derde plaats.
  • 16% van alle mannen die kanker krijgt heeft longkanker. Voor vrouwen is dat  percentage 8%.
  • 1 op de 14 mannen en 1 op de 30 vrouwen in Nederland krijgt longkanker.
  • 90% van alle longkankergevallen wordt veroorzaakt door roken.
  • Rokers van 1 tot 14 sigaretten per dag hebben een 5 maal hogere kans om aan longkanker te overlijden. Voor rokers van 15 sigaretten of meer is dat risico 10 tot 15 maal hoger.
  • Tussen 1989 en 2005 is het aantal mannen met longkanker met bijna een derde gedaald. In diezelfde periode is het aantal vrouwen met longkanker verdubbeld. Dat komt omdat vrouwen de afgelopen decennia steeds meer zijn gaan roken.
  • De  kans dat een longkankerpatiënt vijf jaar na de diagnose nog in leven is, is 15%.
  • De sterfte aan longkanker is bijna net zo hoog als het aantal nieuwe gevallen: bijna 10.000 per jaar.
  • Longkanker is de meest dodelijke vorm van kanker. Ieder jaar overlijden er meer mensen aan longkanker dan aan borstkanker en darmkanker samen.
  • De helft van alle rokers overlijdt aan de gevolgen van het roken. Rokers leven gemiddeld dertien jaar korter dan niet-rokers.
  • Tussen 1950 en 2000 zijn er 263.300 Nederlanders aan longkanker overleden.
  • In 2006 overleden dagelijks bijna 9 vrouwen aan longkanker. 17% van alle vrouwen die aan kanker overleden had longkanker.
  • Slechts 1% van de niet-rokers zal ooit overlijden aan longkanker.

 

[Kader]

Symptomen die op longkanker kunnen wijzen

  • Een verandering in het hoestpatroon, bijvoorbeeld een hardnekkige prikkelhoest
  • Bloed in het opgehoeste slijm
  • Kortademigheid
  • Een terugkerende longontsteking
  • Aanhoudende heesheid 

 

Bij Cheryl Boud (56, single) werd in 2006 longkanker geconstateerd. Een deel van haar linkerlong is operatief verwijderd. Daarna kreeg ze chemotherapie. Als gevolg van haar ziekte is ze 100% afgekeurd voor haar werk als PR- en Marketingmedewerker. Ze heeft twee dochters (29 en 26) en twee kleindochters (7 en 2).

Natuurlijk had ik eerder moeten stoppen met roken. Maar je denkt altijd: het overkomt een ander. Bovendien: ik rookte amper tien sigaretten per dag. Daar krijg je toch geen kanker van? Zo houd je jezelf voor de gek.

In mei 2006 voelde ik: er is iets mis. Volgens mijn huisarts zat het tussen mijn oren. Pas drie bezoeken en een half jaar later verwees hij me door naar de longarts. De uitkomst: een tumor en twee uitzaaiingen in mijn linkerlong. Echt verbaasd was ik niet. Mijn vader, moeder, ooms en nichtjes zijn allemaal aan kanker overleden. Het was afwachten tot ik aan de beurt zou zijn.

Na de operatie kreeg ik te horen dat er 50% kans was dat ik na vijf jaar nog zou leven. Met die prognose was ik blij; voor de meeste longkankerpatiënten ligt dat percentage veel lager. Ik ben de strijd met volle kracht aangegaan. Opgeven? Dat nooit. Ik wil mijn kleindochters zien opgroeien!

Natuurlijk was ik wel bang, vooral ’s avonds alleen in bed. Maar voor de buitenwereld hield ik me groot. Ik wilde anderen geen pijn doen met mijn angst en verdriet, vooral mijn dochters niet. Zelfs nu ik tijdens het interview zit te janken, schaam ik me voor mijn tranen. Ik moet sterk zijn van mezelf.

Dat harde pantser kan ik afleggen als ik bij lotgenoten ben. Behalve mijn familie en vrienden zijn vooral zíj het die me op de been houden. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, hebben aan één woord genoeg. Het contact is intens en tegelijkertijd vanzelfsprekend. Bij hen kan ik kwetsbaar zijn. Uithuilen als ik het even niet meer zie zitten. Het heeft me milder gemaakt. Aardiger voor mezelf ook.

Omdat mijn stembandzenuw tijdens de operatie beschadigd is, voelt het alsof ik door een rietje adem. Van vocht of smog krijg ik het benauwd. Ik heb constant pijn. En toch. Ik lees mijn kleinkinderen weer voor. Ga uit met vriendinnen. Badminton, korfbal en rijd paard. Allemaal niet in het tempo van vroeger. Maar ik sta er mooi wel. Beetje bij beetje pak ik mijn oude leven weer terug.

Het is geen toeval dat ik hier nog ben; ik heb een taak te vervullen. De tijd nemen voor elkaar, een luisterend oor bieden; door mijn ziekte heb ik geleerd hoe belangrijk dat is. Ik ben zo bevoorrecht dat familie en vrienden er voor me zijn. Nu wil ik hetzelfde voor anderen betekenen.

Na de chemotherapie heb ik collage gemaakt met foto’s van mezelf van vóór ik ziek werd. Mooie plaatjes van toen ik me op mijn best voelde, het meest gelukkig was. Dat is mijn doel voor de toekomst, om weer zo vrij in het leven te staan. Maar echt vooruit plannen? Dat durf ik nog niet. Ik wil de goden niet tarten.”

 

[Kader]

Het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis

De specialisten die aan deze productie hebben meegewerkt zijn allemaal verbonden aan het Nederlands Kanker Instituut,  – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) in Amsterdam, het enige instituut in Nederland dat volledig is gespecialiseerd in kanker. In het wetenschappelijke laboratorium wordt onderzoek gedaan naar de oorzaak en de behandeling van kanker. Daarnaast worden in de kliniek kankerpatiënten uit het hele land behandeld. Het NKI-AVL werkt samen met academische ziekenhuizen, universiteiten en wetenschappelijke onderzoeksinstituten in Nederland en in het buitenland en wordt internationaal erkend als een Centre of Excellence op het gebied van kanker. Voor meer informatie, zie: www.nki.nl. 

 

VAKLUI (V): BONDSCOACHES maart 6, 2009

Ingedeeld onder: 05 - esta — martevansanten @ 12:52 pm

scannen00071scannen00081

“Op de Olympische Spelen had ik maar ée’n vrouwelijke collega”, vertelt de assistent-bondscoach waterpolo. En de KNVB werd een beetje zenuwachtig toen Vera Pauw de cursus betaald voetbal wilde volgen. Toch went Nederland langzaam aan het het fenomeen ‘mevrouw de bondscoach’. Nu de rest van wereld nog.

Ilse Sindorf (43, single) coacht de Nederlandse waterpolovrouwen. Sinds 2000 is ze bondcoach van Jong Oranje (onder 20). In 2005 kwam daar het assistent-bondscoachschap van de senioren bij. Met die laatste won ze in augustus 2008 een gouden medaille op de Olympische Spelen in Beijing. 

“Op de Olympische Spelen was er geen enkele vrouwelijke coach, en slechts één andere vrouwelijke assistent. Wat dat betreft is Nederland een voorbeeld voor de rest van de wereld. Toen ik in 2000 als coach op topniveau begon, leverde dat wel eens rare taferelen op. Dan vergaten scheidsrechters of andere coaches me een hand te geven. Inmiddels heb ik me meer dan genoeg bewezen en word ik overal geaccepteerd, maar ook in het Nederlandse waterpolowereldje heb ik mijn positie flink moeten bevechten. Achter mijn rug om kreeg ik veel kritiek. Dat het nooit wat zou worden met mij, of dat ik onzinnige beslissingen nam. Daar heb ik me nooit ongemakkelijk door gevoeld. Maar vergeten doe ik het niet. Als iemand geen respect voor mij toont, krijgt hij dat ook niet terug.

Bij de clubs wordt er nog wel door vrouwen training gegeven, maar op selectieniveau vind je alleen nog mannelijke coaches. Waarschijnlijk omdat er weinig vrouwen zijn die zeven dagen per week willen werken. Zeker niet als ze kinderen hebben. Heel jammer, want een vrouwelijke coach of assistent heeft echt een meerwaarde voor een team. Als een speelster met een probleem zit, heeft een man al snel iets van ‘stel je niet aan’. Of hij denkt dat een conflict allang is opgelost, terwijl het eigenlijk nog doorsuddert in het team. Ik houd daar vanzelfsprekend rekening mee, kan me makkelijk inleven in de speelsters. Dat komt de kwaliteit van de coaching in zijn geheel ten goede.

Ik denk dat nog teveel coaches hun wil aan spelers willen opleggen. Voor mij betekent coachen: tweerichtingsverkeer. Ik leg iets bij hen neer, maar verwacht ook een eigen mening terug. Hoe zou je het zelf aanpakken? Wat is tactisch de beste oplossing? Door daarover in gesprek te gaan, krijg je het beste resultaat. Wat helpt is dat ik niet zo nodig de baas hoef te zijn. Als ik naar voren geschoven word, prima. Maar ik ga net zo makkelijk achter iemand staan. Ik haal mijn voldoening uit de samenwerking en het resultaat, niet uit mijn positie.

Waterpolo is van kinds af aan mijn leven – mijn ouders namen we op mijn tweede al mee naar het zwembad. Maar pas sinds 2005 kan ik er ook volledig mijn brood mee verdienen. Daarvoor heb ik er altijd bij gewerkt, als office manager bij een orthodontist. Heel wat anders, maar ik heb nog dagelijks plezier van wat ik daar heb geleerd over organiseren. 

Sinds ik voltijd bij de zwembond in dienst ben, werk ik zeven dagen per week en heb ik geen vakantie meer gehad. Natuurlijk is dat zwaar, maar ik heb toch een wereldbaan? Praktisch gezien is het wel eens lastig. Zo heb ik net een nieuw huis gekocht, waar nog veel aan moet gebeuren. Maar ja, vrij nemen om te klussen lukt niet. Mensen denken vaak dat ik vanwege dat drukke programma geen kinderen heb. Niet waar. Ik ben dol op kinderen, maar ik heb gewoon nooit een sterke behoefte gevoeld om ze zelf te krijgen.

Als een man zich in de sport eenmaal bewezen heeft, is en blijft hij een held. Maar als vrouw moet je steeds opnieuw laten zien wat je kunt. Dat ik daarin mezelf kan blijven is waarschijnlijk één van de redenen van mijn succes. Sowieso trek ik me van nature weinig van anderen aan. Zou ik dat wel doen, dan hield ik het niet lang vol. In de sport heeft iedereen een mening. En er heerst veel jaloezie. Als boegbeeld moet je alle kritiek opvangen. Het hoort erbij, maar leuk is het niet.

Mannen zeggen vaak dat meisjes trainen moeilijk is, vanwege alle drukte en het geklets. Maar voor mij is het juist makkelijk. Laatst gaf ik een clinic aan schoolkinderen in Rotterdam. Wie luisterden daar niet? De jongens dus. Meisjes zijn van nature gedisciplineerder. Overigens zou ik in de toekomst best nog eens jongens of mannen willen trainen. Zo kan ik mezelf verder ontwikkelen. Bovendien: er zijn al zoveel mensen in de sport die óf het een, óf het ander doen. Het lijkt me een uitdaging een echte allrounder te worden. 

Het goud op de Olympische Spelen was voor mij het toppunt van sportief geluk; elk moment van de finale staat in mijn geheugen gegrift. Extra bijzonder was dat ik veel speelsters via Jong Oranje zelf naar de top heb helpen brengen. Dat je als coach dan niet ook een medaille krijgt, voelt wel een beetje zuur. In plaats daarvan hebben de speelsters een Olympisch diploma voor me gemaakt. En zelfs een kopie van hun medaille voor me laten gieten! Die is misschien wel meer waard dan het origineel. 

Na de Olympische Spelen is hoofdcoach Robin van Galen ermee gestopt. Ik zal zijn functie niet overnemen. Voor mijn gevoel ben ik nog teveel verbonden met deze ploeg. Dat is niet goed – als hoofdcoach moet je voldoende professionele afstand kunnen nemen. Bovendien heb ik met veel speelsters al acht jaar gewerkt. Voor hen is het denk ik beter als er iemand van buiten met een frisse kijk op de zaak komt. Maar dat betekent niet dat ik geen ambitie heb om nog een keer bondscoach te worden – integendeel. Olympisch goud halen als hoofdcoach staat bovenaan mijn verlanglijstje.” 

 

Vera Pauw (45, getrouwd met voetbalcoach Bert van Lingen) is bondscoach van het Nederlands vrouwenvoetbalelftal, waarmee ze zich in oktober vorig jaar voor Europees Kampioenschap in augustus wist te kwalificeren. Daarnaast is ze de motor achter de eredivisie voor vrouwen. Eerder speelde Vera als profvoetbalster in Nederland en Italië en was ze bondscoach van het Schotse vrouwenelftal. 

“Toen we ons ten koste van Spanje voor het Europees Kampioenschap kwalificeerden, hield ik het niet droog. Het was zo’n ontlading! Jaar in jaar uit heb ik keihard gewerkt om het vrouwenvoetbal in Nederland naar een hoger niveau te tillen. Met heel veel plezier, maar het resultaat bleef steeds uit. Door ons te kwalificeren hebben we die ‘sluier van mislukking’ eindelijk van ons afgeworpen. Vanaf nu tellen we écht mee.

In het feestroes die volgde was er één iemand die ik heel erg miste: mijn overleden moeder. Vanaf dat ik klein was heeft zij samen met mijn vader almaar geknokt om deuren voor me te openen, die tot dan toe gesloten waren. Meisjesvoetbal bestond bijvoorbeeld nog niet; lid worden van een club zat er tot mijn verdriet dus niet in. Mijn ouders kregen het voor elkaar dat de KNVB me op mijn 13e dispensatie gaf, zodat ik met het dameselftal van Brederodes mocht meedoen. Dat legde de basis voor mijn verdere carrière. 

Voetbal is samen met hockey de grootste vrouwensport van Nederland. Toch hebben wij een ondergeschikte plaats in de sportwereld. Dat komt omdat voetbal van oudsher de belangrijkste sport is in Nederland. Die wordt per definitie beheerst door mannen. In Zweden geldt hetzelfde voor ijshockey en in de VS voor honkbal; daarin komen vrouwen ook nauwelijks aan de bak. 

Daar komt bij dat in Nederland een typisch feminine cultuur heerst. Dat wil zeggen dat je bescheiden moet blijven, en vooral niet mag opscheppen over jezelf. Voor de emancipatie in het algemeen en die in de sport in het bijzonder is dat funest. Als uitblinker word je naar beneden gehaald – stel je voor dat je beter bent dan de rest! Het is afgunst en jaloezie troef, terwijl men in landen met een masculiene cultuur, zoals Schotland of Italië, juist trots is als een speelster excelleert.

Ik stond niet te springen om bondscoach te worden. Het is namelijk helemaal niet altijd leuk om voor de troepen uit te lopen. Ik ontmoet zoveel weerstand en kritiek, dat ik soms echt het bijltje erbij neer wil gooien. Dat doe ik niet, omdat het mijn levensproject is deze taak te vervullen. Ik heb alles aan het vrouwenvoetbal te danken, zowel zakelijk als persoonlijk. Nu is het tijd om terug te geven. Er zijn teveel mensen in de sport – vooral in het voetbal – die er uitsluitend op uit zijn er zelf beter van te worden. 

Mijn belangrijkste missie is om de weg voor vrouwen naar de top vrij te maken, zowel voor speelsters als voor bestuurders en coaches. Toen ik in 2004 als eerste vrouw de cursus Coach betaald voetbal wilde volgen, moest de KNVB apart toestemming geven. Alleen omdat ik geen man was! Inmiddels zijn daarvoor regels opgesteld, zodat het voor vrouwen na mij makkelijker wordt. Een ander doel is de beloning. Als voetbalster kon ik niet leven van mijn sport. Voor de vrouwen die nu in het Nederlands elftal spelen geldt dat ook nog. Terwijl een – gedeeltelijk – salaris voorwaarde is om professioneel met de sport bezig te kunnen zijn. Hoog tijd dus om daar verandering in te brengen. 

Veel mannen hebben de neiging om vrouwenvoetbal als iets minderwaardigs te zien.  Gelukkig hoor ik steeds minder dat alle speelsters manwijven zouden zijn, zeker sinds we zo goed presteren. Waar we nu vooral tegen strijden is het idee dat vrouwenvoetbal commercieel oninteressant is. Sportredacties – die bijna altijd uit mannen bestaan – zenden vrouwenvoetbal niet uit, en dus denken bedrijven dat het niet de moeite waard is om reclamegeld in te steken. Onzin. In Duitsland, Zweden, Noorwegen, Engeland en Frankrijk is vrouwenvoetbal na mannenvoetbal de best bekeken sport. Vóór tennis, wielrennen en de Formule1. Als de Nederlandse tv overstag gaat, weet ik zeker dat het hier niet anders zal zijn. 

Dat er weinig vrouwelijke voetbalcoaches zijn, komt omdat vrouwen vooral afgerekend worden op wat ze niet kunnen en mannen op wat ze wel kunnen. Als vrouw moet je niet alleen beter zijn dan een man in hetzelfde werk, nee, je moet perfect zijn. Ook zoiets: vrouwen worden beoordeeld als groep, mannen als individu. Als één vrouw niet kan inparkeren, kunnen ze het allemaal niet. Over mannen zul je zoiets nooit horen. Het maakt dat je je als vrouw keer op keer opnieuw moet bewijzen. 

Ik heb elke stap in mijn carrière moeten bevechten, maar het heeft wel resultaat opgeleverd. De KNVB heeft inmiddels de meest vrouwvriendelijke aanpak van alle sportbonden. In 2008 was het meisjes- en vrouwenvoetbal speerpunt van het beleid. En met het oprichten van de eredivisie voor vrouwen heeft het bestuur echt zijn nek uitgestoken. 

Helaas betekent dat niet dat er ook al sprake is van gelijke arbeidsvoorwaarden. Het zal niemand verbazen dat mijn inkomen lager is dan dat van mannencoach Bert van Marwijk. Wat dat betreft is er nog een lange weg te gaan. Daar zeur ik niet over. Ik ben realistisch genoeg om te weten dat je de wereld niet in één dag kunt veranderen, en zelfs niet in een paar jaar. Tegen de tijd dat het vrouwenvoetbal net zo gewaardeerd is als het mannenvoetbal, geniet ik allang van mijn pensioen in ons huis in Frankrijk.”

 

Susannah Chayes (single) is naast acht mannen de enige vrouwelijke roeibondscoach van Nederland. Zij vervult die functie sinds 2000. De afgelopen jaren wist ze met ‘haar’ jongens – de lichte mannen – diverse internationale successen te behalen. Vanaf 2009 traint Susannah de discipline ‘zware vrouwen’. 

“Je kunt je afvragen wat er zo leuk is aan een boot sneller van A naar B te laten varen. Maar het complexe verhaal erachter is wat het boeiend maakt. Ik ben niet alleen met de technische aspecten van het roeien bezig, maar ook met psychologie, fysiologie, voeding en biomechanica. Al die aspecten neem ik mee in mijn aanpak. Als dat vervolgens in de praktijk resultaat oplevert, geeft dat een kick. 

Ik heb de afgelopen jaren nooit gemerkt dat mannen liever door man dan door een vrouw worden getraind. Topsporters zijn per definitie egocentrische mensen – het enige dat voor hen telt is hun prestatie verbeteren. Alles staat daarvan in dienst. Als ze beter kunnen worden door met jou samen te werken, doet het er niet toe of je man of vrouw, jong of oud, Limburger of Fries bent. 

Ik heb in het verleden mijn toenmalige vriend getraind, naast wie ik ’s avonds weer op de bank zat. En ook vrouwen tegen wie ik zelf nog had geroeid. Voormalige concurrentes dus, die ik in een wedstrijd niet kon luchten of zien. Maar zodra iemand in de boot stapt neemt mijn professionele eer als coach het over. Dan is het opeens geen partner of tegenstander meer, maar een sporter die ik het beste uit zichzelf wil laten halen. 

Allebei mijn ouders waren heel actief binnen de roeiclub, dus ik was daar van jongs af aan ook veel te vinden. Op mijn elfde werd ik landelijk jeugdkampioen. Daarna werd het roeien steeds serieuzer, maar de internationale top heb ik helaas nooit bereikt. Op een gegeven moment kreeg ik zoveel last van blessures, dat ik me helemaal op coachen ben gaan richten. 

Op een gemiddelde werkdag geef ik twee trainingen. Tussendoor maak ik trainingsschema’s, zijn er vergaderingen en zorg ik voor het materiaal. Dat gaat zeven dagen per week door, vaak wel twaalf uur per dag. Tussen kerst 2007 en de Olympische Spelen in augustus 2008 heb ik twee dagen vrij gehad. En toen was ik ziek. Hoe ik zo’n programma volhoud? Door er ontzettend veel lol in te hebben. Maar je moet wel uitkijken dat je geen roofbouw op jezelf pleegt. Als ik eerlijk ben ga ik die grens iets te vaak over. 

Een werkweek van tachtig uur laat weinig ruimte voor andere dingen. Mijn sociale leven staat bijvoorbeeld altijd op een laag pitje. Hoe lastig dat kan zijn merk ik nu ik sinds kort weer aan het daten ben. Het is ontzettend moeilijk af te spreken op tijden dat iemand met een ‘normale’ baan vrij is. Aan de andere kant: ik kom met dit werk in elk gevoel ruim aan mijn lichaamsbeweging. In drukke tijden fiets ik soms wel tachtig kilometer per dag langs de baan op en neer. 

Bondscoach zijn is de mooiste job ter wereld. Minder leuk is dat iedereen zich met je bemoeit. Hoe beter je wordt, hoe meer kritiek je krijgt. Bovendien is de afrekening in de sport keihard: alleen de eerste plek is goed genoeg. Extra lastig is dat je als coach nooit alles in de hand hebt. Je probeert de optimale omstandigheden te creëren, maar uiteindelijk moeten de mannen of vrouwen in de boot het afmaken.

De buitenwereld herinnert me er regelmatig aan dat ik de enige vrouwelijke roeibondscoach ben. Zelf stond ik daar nooit zo bij stil, tot ik voor het eerst naar een internationale coachconferentie ging. Ik was daar namelijk een van de weinige vrouwen tussen overwegend oudere mannen. In het begin gaven die in hun naïviteit – het kwam niet in ze op dat ik óók een coach kon zijn – al hun geheimen aan me prijs. Maar inmiddels kennen ze me goed genoeg om die fout niet meer te maken. 

Amerikaanse universiteiten verplichten hun roeiteams evenveel vrouwelijke als mannelijke coaches aan te nemen. Positieve discriminatie dus. Maar omdat er simpelweg niet genoeg goede vrouwen zijn, gaat de kwaliteit van het vak daarmee achteruit. Vandaar dat ik liever pleit voor creëren van betere kansen voor jong coachingstalent. Jongens én meisjes. Daar kom je uiteindelijk verder mee. 

Ik heb wel eens het gevoel dat ik me meer moet bewijzen dan mijn collega-coaches. Maar dat ligt eerder aan mijn karakter dan aan het feit dat ik een vrouw tussen allemaal mannen ben. Mijn collega’s verschillen onderling vaak meer van elkaar dan ik van hen. Ik denk wel dat vrouwen over het algemeen meer behoefte aan waardering hebben, ook in de sport. Dat zou bij het coachen behoorlijk in de weg kunnen zitten. Het is immers niet je taak om aardig gevonden te worden, maar om de atleet optimaal te laten presteren.

Het coachen als beroep is heel lang ondergewaardeerd. Gelukkig heb ik sinds 2007 ik een voltijdaanstelling, en kan ik mijn werk echt professioneel aanpakken. Daarvoor had ik er altijd een baantje bij. Of ik dit werk over vijf jaar nog doe? Geen idee. Ik wil heel graag alsnog voor die medaille op de Olympische Spelen gaan. Aan de andere kant vind ik het ook belangrijk om over een leven na de sport te denken. Hoe specialistischer je wordt, hoe minder je je op andere vlakken ontwikkelt. Dat is soms een verontrustend idee. Want als ik geen coach meer kan zijn, wat dan wel?”