Marte van Santen

Freelance journaliste en schrijfster

ONVERWACHT SUCCES oktober 12, 2009

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 8:30 am

014

ACHT MOEDERS VERTELLEN OVER HUN TIENERS LEERDEN MET VERSCHILLENDE  UITDAGINGEN VAN HET LEVEN OM TE GAAN.

Yolande Oosterman (45) over zoon Roy (16), die sinds zijn 11e aan diabetes lijdt.

“In eerste instantie ging Roy heel goed met zijn suikerziekte om; hij vond het wel stoer. Maar in de brugklas had hij er genoeg van om anders te zijn. Op tijd prikken en spuiten deed hij niet meer, met alle gevolgen – stemmingswisselingen, vermoeidheid – van dien. Zijn schoolprestaties gingen achteruit en hij raakte in een sociaal isolement. Ik liet hem maar zoveel mogelijk met rust; bemoeien werkte averechts.

Op school was er geen begrip voor de situatie. Na een ruzie belden ze op dat hij nooit meer terug hoefde te komen. In plaats van hem te helpen, lieten ze hem als een baksteen vallen. Roy kwam op een clusterschool voor kinderen met fysieke beperkingen terecht. Hij verzette zich met hand en tand, maar met veel aandacht, liefde en structuur ging de knop na een aantal maanden om. Zijn suiker is nu goed onder controle en hij leert voor een baan in de sportsector.

Oprecht naar je kind luisteren, zonder teveel voor hem in te willen vullen. Kijken wat hij wél kan in plaats van niet. Die dingen hebben ervoor gezorgd dat het nu weer goed gaat met Roy. Het allerbelangrijkste: vertrouw als ouder op je gevoel, ook als leraren of hulpverleners daaraan twijfelen. Uiteindelijk weet niemand zo goed wat je kind nodig heeft als jij.”

Elsa Bakker (41) over zoon Pieter (14), die vanaf de basisschool veel gepest is.

“Achteraf gezien hebben we de problemen te laat onderkend. Pas aan het eind van groep acht kregen we door hoe erg Damian gepest werd. Maar al vanaf de kleuterschool trok hij regelmatig aan de bel over het treiteren. We dachten dat het wel meeviel; hij had genoeg vriendjes. Bovendien: wie wil nu erkennen dat zijn kind een buitenbeentje is? Inmiddels weten we dat Damian verbaal hoogbegaafdheid is. Dat maakt het voor hem soms lastig om met leeftijdgenoten te communiceren. Niet zo vreemd dus, dat hij al jong buiten de groep viel.

Toen Damian niet meer naar school durfde, hebben we professionele hulp gezocht Een sociale vaardigheidstraining en gesprekken met een kinderpsycholoog leverden niet veel op. Hockeyen in een team wel. Daar leerde hij dat samenwerken in een groep ook leuk kan zijn.

Langzamerhand gaat het steeds beter met Damian, ook op school. Maar helemaal over is het pesten nog niet. Hij is behoorlijk beschadigd door de ervaringen. Dat maakt hem extra kwetsbaar. Des te trotser zijn we dat hij er steeds beter mee leert omgaan.

De belangrijkste les die ik heb geleerd: neem je kind altijd serieus als hij zegt dat hij gepest wordt. Ook al vind je zelf dat het wel meevalt. Als hij het zo ervaart, dan is het zo.”

Joke ten Raa (49) over dochter Claire (14), die aan een zeer zeldzaam syndroom lijdt waardoor ze geen vet in haar bovenlichaam kan vasthouden.

“Het syndroom van Barraquer Simons is aangeboren, maar het openbaarde zich pas toen Claire acht was. Eigenlijk ontdekten we het bij toeval. Omdat ze zoveel blaas- en oorontstekingen had kwamen we bij de kinderarts terecht. Die herkende de ziekte.

Omdat Claire geen vet kan vasthouden in haar armen, schouders, borst en gezicht, ziet ze er anders uit dan andere kinderen. De impact van de diagnose was groot; ze had het gevoel dat iedereen naar haar keek en wilde zich het liefst verstoppen. Van de ene op de andere dag veranderde ze van een vrolijk, zelfverzekerd kind in een stil, teruggetrokken meisje.

Via via hebben we een geweldige psycholoog gevonden. Zij heeft Claire geholpen haar ‘nieuwe ik’ te accepteren. Die hulp van buiten was vooral zo belangrijk, omdat ik in die eerste fase heel emotioneel was. Een onafhankelijke blik kan dan wonderen doen. Zelf heb ik trouwens óók hulp gezocht. Wat ik daarvan heb geleerd? Dat ik Claire niet help door haar als slachtoffer te beschouwen. Haar uiterlijk hoort gewoon bij haar.

Wat ook hielp was dat we actief zijn geworden bij de Stichting Eigen Gezicht. Mijn man en ik zitten in de adviesraad, Claire treft daar lotgenoten. Nu weet ze dat ze niet de enige is met een ‘ander’ gezicht.”

Anne Schrijver (42) over dochter Eline (17), die lijdt aan PDD-NOS, ADD en dyslexie.

“Eline was een jaar of acht toen ze problemen kreeg op school. Concentreren ging moeilijk en ze pikte de lesstof niet goed op. ADD en dyslectisch, luidde het oordeel. Ik stopte met mijn drukke baan om Eline meer aandacht en structuur te kunnen geven. Dat creëerde rust.

Een tijd lang ging het goed, tot Eline zich twee jaar geleden steeds meer begon terug te trekken. Bij het vooruitzicht eropuit te moeten werd ze misselijk, of ging ze hyperventileren. Alsof door alle drukke gedachten haar hoofd ontplofte, zo omschreef ze haar gevoel. Het contact met leeftijdsgenoten verliep steeds stroever.

Een kinderpsychiater stelde de diagnose PDD-NOS, een ontwikkelingsstoornis waarbij kinderen zich moeilijk in anderen kunnen inleven. De opluchting was groot. Eindelijk begreep ze waarom ze zo ‘anders’ was.

Eline ging zes maanden in groepstherapie. Een geweldige ervaring voor haar; opeens zat ze tussen jongeren die zich allemaal zo voelde als zij. Het positieve resultaat: afgelopen juni heeft ze haar MBO1-diploma gehaald!

Hoe we haar door die moeilijke tijd heen hebben gesleept? Door te blijven praten. Door er praktisch voor haar te zijn – ik werk nog steeds maar veertien uur. Maar vooral door haar volledig te accepteren zoals ze is: een geweldige meid. Als je zelf geen drama van de situatie maakt, doet je kind dat ook niet.”

Marjolein Zonnenberg (38) over zoon Mark (14), die geboren is met een ernstige vorm van astma.

“Als kind heb ik zelf ernstige astma gehad, dus ik keek niet raar op toen Mark dat kort na zijn geboorte ook bleek te hebben. Helaas was hij een ‘moeilijk geval’: de medicijnen deden bij hem niet altijd goed hun werk. De eerste jaren van zijn leven was het ziekenhuis in en uit. En ook daarna bleef het tobben. Dat hij ondanks de vele uitval toch op school kon meekomen, heeft hij te danken aan zijn hoogbegaafdheid.

Van jongs af aan hebben we geprobeerd Mark te begeleiden in plaats van hem te leiden in zijn ziekte. Waar mogelijk maakt hij de keuzes – dat geeft hem een gevoel van controle. Misschien dat hij daarom nooit de behoefte heeft gevoeld om zijn astma te verbergen. Toen vorig jaar – eindelijk – het rookverbod in de horeca werd ingevoerd, heeft hij er zelfs op tv in het jeugdjournaal over verteld.

Tussen 2005 en 2007 is hij twee keer een aantal maanden naar het Astmacentrum in Davos geweest. Door de training daar heeft hij zijn fysieke grenzen verlegd en een prima conditie opgebouwd. Een enorme oppepper voor zijn zelfvertrouwen. Nu fietst hij dagelijks 38 kilometer naar school en terug, en zit hij ook mentaal beter in zijn vel. Bewegen is voor iedereen gezond. Maar voor astmapatiënten maakt een goed uithoudingsvermogen letterlijk het verschil.”

Sonja van Dijk (58) over dochter Karin (17), die op haar 14e een zware depressie kreeg.

“’Ik zie het niet meer zitten, ik wil dood.’ Karin was 14 toen ze met die boodschap bij me kwam. Ik schrok me rot. We wisten weliswaar dat ze het moeilijk had – ze sliep slecht, had last van hyperventilatie, ging de deur amper meer uit en droeg alleen nog zwarte kleding. Maar tot dat moment dacht ik dat haar gedrag bij de pubertijd hoorde. Godzijdank trok ze zelf op tijd aan de bel.

Karin’s depressie – want dat was het – bleek het gevolg van de stoornis ADD. Die diagnose was een geweldige opluchting: de somberheid was verklaarbaar. Medicijnen hielpen haar beter te concentreren en weer overzicht te krijgen. Gesprekken met een psycholoog gaven haar hoop voor de toekomst. Dat ging overigens niet van de ene op de andere dag: ze had anderhalf jaar nodig om haar leven weer op de rails te krijgen.

In de tijd dat het zo slecht ging, zat ik overal bovenop. Maar op verzoek van Karin’s psycholoog heb ik wat afstand genomen. Alleen als ze slechte cijfers haalde, mocht ik me met haar huiswerk bemoeien. Zo kreeg ze de kans om haar problemen zelf op te lossen. Met succes, want het gaat geweldig. Volgend jaar wil ze psychologie gaan studeren. Om later kinderen zoals zij te kunnen helpen.”

Esther Wagenaar (55) over zoon Mark (13), die als gevolg van een aangeboren schisis in het achterste deel van zijn gehemelte gehoor- en spraakproblemen heeft.

“Toen hij negen maanden was, werd Mark aan zijn schisis – een spleet in zijn gehemelte – geopereerd. ‘Daar zijn we vanaf’, dacht ik. Niet dus. Mark heeft in zijn leven talloze oorontstekingen gehad, en er zijn vijf keer buisjes in zijn oren geplaatst. Aan een kant heeft hij een blijvend gehoorverlies. Leren praten was lastig. Doordat slordig articuleert is hij vaak moeilijk te verstaan. Bovendien stottert hij sinds zijn vierde. Logopedie helpt, maar lost niet alles op.

Soms heeft hij een tijdje geen zin in al het gedoe rond zijn spraak. Dan gaat hij dus een periode niet naar de logopedist. Prima, zo komt hij er even van los. Gelukkig heeft hij een sterk karakter. Ondanks zijn onzekerheid over hoe hij klinkt, is hij sociale contacten nooit uit de weg gegaan.

Hopelijk krijgt Mark nog meer controle over het spreken. Want hoewel het beter gaat, is hij nog steeds moeilijk verstaanbaar. Ook voor mij ja. Vaak moet ik wel drie keer vragen wat hij zegt. Dan is het moeilijk om niet geïrriteerd te raken. Maar geduldig blijven is zó belangrijk; ik wil hem absoluut niet het gevoel geven dat hij het fout doet. Want hij redt zich juist heel erg goed.”

Judith van Erp (50) over pleegdochter Linda (13), die ernstige gedragsproblemen heeft.

“Linda is sinds een jaar bij ons in huis. Haar leven is tot nu toe niet makkelijk geweest – thuis was er sprake van mishandeling en haar moeder heeft psychische problemen. Toen ze in de pubertijd kwam, ging het fout. Ze liep steeds weg, was agressief, werd geschorst, ging uit stelen en had grote schulden. Zo kwam ze bij ons terecht.

Het belangrijkste wat we voor Linda doen is haar een veilige thuishaven bieden. Met ruimte om te ontdekken wie ze is, maar ook met duidelijke regels. Dat we die heel consequent toepassen, is voor haar moeilijk te accepteren. De ruzies daarover neem ik voor lief. Wij moeten blijven staan, hoe hard ze ook schopt. Daarmee helpen we haar het meest.

Hoezeer haar eigen moeder er ook een potje van maakt, ze blijft altijd de belangrijkste persoon in Linda’s leven. In moeilijke tijden is zij de held, en ben ik de boeman. Daar moet je als pleegouder tegen kunnen.

Uiteindelijk draait het erom Linda’s vertrouwen te winnen. Dat kost heel veel tijd. Het is drie stappen vooruit en twee terug. Maar het geduld loont: de laatste maanden gaat het beter op school. Ze krijgt wat zelfvertrouwen en ze geniet steeds meer van het gewone gezinsleven. Dat is meer dan ik een half jaar geleden had durven hopen.”

 

TANDARTSANGST BIJ KINDEREN: WAT KUN JE ERAAN DOEN? september 24, 2009

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 12:23 pm

012013

1. Hoeveel kinderen hebben last van tandartsangst?

Zo’n 14% van alle kinderen tussen de 4 en de 11 jaar – 220.000 kinderen – is bang voor de tandarts, zo blijkt uit onderzoek.

2. Hoe ontstaat die angst?

Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Door een nare ervaring bij de tandarts, door enge verhalen van vriendjes of omdat ouders zelf erg bang zijn en kinderen het gedrag van hen ‘afkijken’.

3. Ik ben inderdaad zelf ook bang. Hoe voorkom ik dat ik dat doorgeef aan mijn kind?

Kinderen voelen angst bij hun ouders heel goed aan. Als jij als ouder bang bent, dan zal daar wel een reden voor zijn, denken ze. Zo worden ze het zelf ook. Zie je zelf erg op tegen het tandartsbezoek, laat dan een andere volwassene met je kind meegaan. Overleg dat van te voren met je tandarts, zodat die extra rekening kan houden met eventuele angst bij je kind.

4. Mijn kind ziet heel erg tegen een bezoek aan de tandarts op. Wat kan ik doen om hem te helpen?

  • Bereid je kind goed voor op wat er gaat gebeuren, ook als de tandarts bijvoorbeeld een gaatje moet vullen. Laat de tandarts zelf ook nog een keer uitleg geven.
  • Heeft je kind vragen over de behandeling? Spreek dan af om die samen aan de tandarts te stellen.
  • Blijf als ouder bij de behandeling, maar laat die verder aan de tandarts over. Als je ter discussie stelt wat hij doet, kan je kind het gevoel krijgen dat de tandarts niet te vertrouwen is.
  • Doe geen valse beloftes als: ‘Je voelt absoluut niks’. Doet het toch pijn, dan voelt je kind zich verraden.
  • Beloon je kind na afloop, bijvoorbeeld met een cadeautje of een uurtje langer opblijven. Oók als hij bang is geweest of heeft gehuild. Angst bestraffen maakt hem alleen maar erger.

5. Wat kan ik van de tandarts verwachten?

De tandarts zal proberen het vertrouwen van je kind terug te winnen. Bijvoorbeeld door aan te kondigen en uit te leggen wat hij wanneer gaat doen, ook tijdens de behandeling. Verder kan hij met je kind afspreken dat die zijn hand mag opsteken als hij even met de behandeling wil stoppen.

Is je kind zo bang dat controle of behandeling onmogelijk wordt, dan kan de tandarts je doorverwijzen naar een Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde (CBT). Daar werken gespecialiseerde kindertandartsen, die erin zijn getraind extreem angstige kinderen te behandelen. Op de website www.cobijtl.nl vind je een overzicht van alle Centra voor Bijzondere Tandheelkunde in Nederland.

6. Is tandartsangst te voorkomen?

Uit onderzoek blijkt dat hoe eerder een kind aan de tandarts went, hoe kleiner de kans is dat er later angst ontstaat. Twee jaar is een prima leeftijd om je kind voor de eerste keer mee te nemen naar de tandarts, bijvoorbeeld als je zelf voor controle gaat. Je kind kan dan wat rondkijken in de praktijk en raakt zo vertrouwd met de omgeving en de medewerkers. Vertel je kind vooraf wat hij te zien krijgt en dat de tandarts deze of de volgende keer ook even in zijn mond zal kijken. Eerst een paar controlebezoekjes voordat je kind daadwerkelijk wordt behandeld is ook aan te raden.

7.  Nog andere tips?

  • Begin bij een kind onder de vier niet over behandelingen.
  • Let op wat je zegt. Goed bedoelde opmerkingen als: ‘Even flink zijn!’, ‘Het doet vast geen pijn’ of ‘Viel dat even mee!’, suggereren onbewust dat de behandeling pijnlijk of akelig kan zijn.
  • Voor jonge kinderen is het goed als één van de ouders tijdens de controle of behandeling aanwezig is. Als je kind dat wil, kun je hem vanaf een jaar of acht alleen de behandelkamer in laten gaan. Dat geeft zelfvertrouwen.

Met medewerking van prof. dr. Ad de Jongh, angsttandarts en psycholoog bij het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Op www.jmouders.nl/gebit vind je algemene informatie over alles wat met het kindergebit te maken heeft.

 

BOVEN DE 12 WORDT HET PAS ECHT LINK april 22, 2009

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 12:30 pm

scannen00121scannen0013

Onlangs deden leerlingen van groep 7/8 weer massaal (schriftelijk) verkeersexamen. Mooi, denk je als ouder, dan kunnen ze straks veilig op de fiets naar de middelbare school. De cijfers vertellen echter een heel ander verhaal. Juist onder twaalfplussers vallen de meeste verkeersslachtoffers. De remedie is simpel: oefenen, oefenen, oefenen. 

Bij wijze van proef namen vorig jaar honderd middelbare scholieren opnieuw deel aan het schriftelijk verkeersexamen. Het resultaat? Ze scoorden unaniem slechter dan de 200.000 zevende- en achtstegroepers die hetzelfde examen aflegden. Kennelijk beklijft theoretische kennis onvoldoende. De gevolgen daarvan worden desastreus als ze koppeld zijn aan een gebrek aan praktijkervaring. Dit blijkt uit de cijfers: veruit het merendeel van de verkeersslachtoffers tussen 5 en 17 valst in de leeftijdsgroep vanaf 12. 

Verkeersonderwijs is een verlicht vak op de basisschool. Dat wil zeggen: de theorie. Deelname aan het landelijk verkeersexamen is niet verplicht, hoewel bijna alle scholen dit jaar meedoen. Het schriftelijk examen wordt samengesteld door Veilig Verkeer Nederland. Hierbij staat het veilig toepassen van de verkeersregels centraal. Daarnaast leren kinderen rekening te houden met fouten van medeweggebruikers, wat vooral speelt bij voorrang verlenen en voor laten gaan.

Aan het praktijkexamen doet slechts driekwart van de scholen mee. Dit gedeelte moeten ze sinds enkele jaren namelijk zelf organiseren, terwijl dat voorheen werd begeleid door de plaatselijke politie. Die zijn noodgedwongen afgehaakt wegens tijdsgebrek. Het praktijkexamen vindt verspreid over het voorjaar plaats, afhankelijk van wat een school het beste uitkomt. De leerlingen fietsen een route van zes kilometer in de directe omgeving van hun school. 

Met een diploma op zak mogen kinderen dan – voorlopig – weten hoe het in theorie moet. Maar dat betekent niet dat ze de verkeersregels ook altijd adequaat (kunnen) toepassen. Daarvoor moeten ouders aan de bak, want praktijkervaring is zoals gezegd cruciaal. En die krijgen ze alleen door van jongs af aan veel te oefenen. Een kwestie van uren maken dus. Daarom is het belangrijk dat kinderen zo veel mogelijk lopend of fietsend naar school, vriendjes of clubjes gaan. Waarbij je als ouder globaal deze volgorde aanhoudt: eerst fiets je ernaast of voorop (‘Doe wat ik doe’), vervolgens erachter (‘Kun je het zelf al?’). Stap voor stap geef je ze zo meer verantwoordelijkheid. Steeds terloops oefenen, bijvoorbeeld bij een kruispunt (‘Vertel jij maar wanneer we veilig kunnen oversteken’) of dor ze te wijzen op andere weggebruikers (‘Zag je wat die meneer fout deed?’) helpt enorm mee om het broodnodige verkeersinzicht te verkrijgen.

Het is de kunst om goed in te schatten wanneer ze toe zijn aan meer zelfstandigheid en alleen naar school of huis kunnen fietsen. Deels heeft dat met ervaring te maken, deels met leeftijd, en uiteraard ook met de plaatselijke verkeerssituatie. Tegen de tijd dat ze in groep 8 zitten, zouden ze genoeg ervaring moeten hebben om het in hun eentje aardig te redden. Veel ouders vinden het niettemin eng om ze uiteindelijk alleen te laten fietsen. Dat is het natuurlijk ook. Maar het is nog veel enger als ze dat nooit geleerd hebben…

 

Zo bereid je ze voor op het verkeer

  • Probeer zo vaak mogelijk de auto te laten staan en te gaan lopen of fietsen. Zo leert je kind meer in het verkeer en doet hij of zij de beste ervaring op.
  • Geef zelf altijd het goede voorbeeld in het verkeer. Kinderen leren heel veel door gedrag van anderen te imiteren.
  • Ga op tijd de deur uit, dan is het makkelijker om je aan de verkeersregels te houden.
  • Fiets eens achter je kind aan en bespreek achteraf wat er goed of fout ging.
  • Gaat je kind een nieuwe route fietsen? Oefen dan een aantal keren samen, zodat je kind weet wat hij of zij op onveilige plekken moet doen.
  • Stimuleer je kind altijd de veiligste route te nemen. Dit is niet per definitie de kortste route!
  • Leer een wat ouder kind om bij een stoplicht altijd achter een bus of vrachtwagen te gaan staan, nooit ernaast. Dit om te voorkomen dat ze in de beruchte ‘dode hoek’ terecht komen.
  • Als jullie samen in de auto zitten, kijk dan eens naar het effect van fietsers zonder verlichting. Praat ook over wat je onderweg ziet dat er gebeurt op straat.
  • Zorg voor een veilige fiets. Controleer regelmatig het licht op de fiets van je kind.

 

Inzicht bouwt zich op

Het verkeersinzicht van een kind ontwikkelt zich geleidelijk. Tot ze een jaar of 9 zijn, zien kinderen bijvoorbeeld niet alles. Ze kijken alleen in de richting waarin ze lopen en merken niet op wat er om hen heen gebeurt. Het is alsof ze oogkleppen dragen. Een kind ziet een auto van opzij daarom later aankomen dan de chauffeur denkt. Ook het verdelen van aandacht over meerdere zaken is voor kinderen moeilijk. Je zou het misschien niet denken, maar spelen vergt veel concentratie. Kinderen tot een jaar of 8 kunnen hun aandacht maar op één ding tegelijk richten. Als er plotseling verkeer opduikt, hebben ze dat vaak pas (te) laat door. Verder is het lokaliseren van geluiden lastig voor kinderen. Ze horen ze wel, maar weten vaak niet goed waar ze vandaan komen. Allemaal zaken waar je rekening mee moet houden als je je kind (alleen) aan het verkeer laat deelnemen. 

Welke vaardigheden beheersen ze op welke leeftijd?

·         Weten waar een stoep, zebrapad en verkeerslichten voor dienen: 6 jaar

·         Het vermogen om een beweging vóór de stoeprand af te breken: 6 jaar

·         Zichzelf niet langer als middelpunt van de wereld te zien: 7 jaar

·         Inzicht in wat snelheid is: 8 jaar

·         Op een verstandig moment oversteken: 8 jaar

·         Het inschatten van afstanden: 8 jaar

·         Het inschatten van snelheid: 9 jaar

·         Vanuit je ooghoeken zien: 9 jaar

·         Reageren op risico´s: 10 jaar

·         Koers houden op de fiets: 10 jaar

·         Achterom kijken en richting aangeven zonder te slingeren: 10 jaar

·         Een ingewikkelde verkeerssituatie met meerdere auto’s beoordelen: 12 jaar

·         Langzaam fietsen zonder te slingeren: 13 jaar 

Let op: ongeveer 15% van alle kinderen heeft de vaardigheden op de genoemde leeftijd nog niet onder de knie. Sowieso ontwikkelt het vermogen om je aandacht ergens bij te houden en om informatie te verwerken zich door tot een kind 15 jaar is.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen, ‘Jonge kinderen in het verkeer: hun mogelijkheden en beperkingen’

 

Veilig leren fietsen

Ouders hebben nogal eens de neiging om een fiets ‘op de groei’ te kopen. Niet doen! Van een te grote fiets wordt een kind onzeker. Bovendien is het gevaarlijk, zeker als hij niet plat met zijn voeten bij de grond kan. Schaf dus een fiets van het juiste formaat aan. Het veiligst is een fiets met twee soorten remmen: een terugtraprem én een handrem. Niet elk kind heeft al voldoende kracht om terug te trappen en niet elk kind beschikt al over de motorische vaardigheden die nodig zijn voor een handrem. Kies je toch voor een fiets met één rem, dan ben je het beste af met een terugtraprem. 

Heeft je kind nog zijwieltjes nodig, laat die in de winkel dan zó afstellen dat ze bij het rijden de grond niet raken. Op die manier krijgen kinderen het gevoel dat ze eigenlijk zonder kunnen en leren ze extra snel op twee wielen fietsen. Hoe lang zijwieltjes nodig zijn verschilt per kind. De een fietst na de driewieler zo weg op een echte fiets zonder zijwieltjes, de ander heeft daar maanden voor nodig. 

Om de veiligheid te vergroten is het verstandig om een fiets te kiezen met verlichting en reflectoren op het achterspatbord en de trappers. Fietsen met wielen van 20 inch (50,8 cm) en kleiner vallen officieel onder speelgoed en worden daarom niet gecontroleerd op de veiligheidsnormen die voor grotere fietsen gelden. Dat moet u dus zelf doen. Voor kleine kinderen is verder een lange stang met een vlaggetje op de fiets aan te raden. Een fietsende kleuter wordt vaak over het hoofd gezien, maar zo’n vlaggetje mis je niet snel. 

Een fietshelm kan hoofdletsel bij een val voorkomen. Zeker bij (jonge) kinderen is het gebruik van een helm daarom een must. Let bij de aanschaf op de volgende punten:

·    het CE-keurmerk en de Europese norm EN1078 of EN 1080

·    de juiste maat

·    het gebruik volgens de instructies (niet te los, niet te strak)

·    het gewicht van de helm (bij baby’s en peuters kan een te zware helm nekklachten veroorzaken).

 

Waarom kunnen kinderen kwetsbaar zijn in het verkeer?

  • Kinderen zijn geen kleine volwassenen: zowel lichamelijk als geestelijk zijn ze nog in ontwikkeling.
  • Kinderen zijn klein: ze kunnen vaak niet over geparkeerde auto’s etc. heenkijken en rennen daarom nog wel eens onverhoeds de straat op.
  • Kinderen kunnen geluiden nog niet goed lokaliseren: ze horen weliswaar goed, maar weten vaak niet uit welke richting het geluid komt.
  • Kinderen kunnen niet alles wat ze leren meteen foutloos toepassen: verkeersregels moet je je langzaam maar zeker in de praktijk eigen maken. Dat gaat niet zonder fouten.
  • Kinderen hebben een beperkt besef van gevaar in het verkeer: door gebrek aan praktijkervaring kunnen ze het gevaar van een situatie nog niet goed inschatten.
  • Kinderen hebben een langere reactietijd: ze hebben meer tijd nodig dan volwassenen om dezelfde hoeveelheid informatie te verwerken. 

 

Slechte scores bij praktijkexamen

Eén op de zes basisscholen zegt dat de fietsvaardigheid van een deel van de leerlingen zó slecht is, dat dit problemen oplevert bij het praktisch verkeersexamen. Scholieren maakten in 2008 duidelijk meer fouten dan in 2007. Vooral op de handelingen bij het afslaan – zoals hand uitsteken, omkijken en voorrang verlenen – schoorden ze slecht. Dat blijkt uit onderzoek van Veilig Verkeer Nederland onder bijna 1300 basisscholen. 

 

Dit artikel is tot stand gekomen met medewerking van Christel de Heus, coördinator educatie basisonderwijs, en Kirsten Knol, beleidsmedewerker, van Veilig Verkeer Nederland.  

 

“HET LIJKT WEL ALSOF ZE ME HAAT!” april 7, 2009

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 5:15 pm

scannen00011scannen0002

Ze schreeuwen, slaan met deuren, negeren de regels en verzinnen de grofste beledigingen. Herkenbaar? Waarschijnlijk wel. Maar hoe wapen je je als ouder tegen die puberale oorlogsvoering?

Marije (14, 3 vmbo-tl), dochter van Petra (46) en Theo (53) van Bohemen, veranderde van de ene op de andere dag in een onmogelijke puber die haar ouders veelvuldig uitscheldt. Hun jongere dochter, Ella (12, groep 8), die in september naar het havo/vwo gaat, heeft geen gedragsproblemen en vindt haar oudere zus maar irritant.

Petra: “De problemen begonnen na de zomervakantie. We waren net verhuisd en Marije ging naar een nieuwe school. Eerst leek haar gedrag tamelijk onschuldig: zich uren terugtrekken in de badkamer, niet meer vertellen wat er op school was gebeurd. Maar al snel escaleerde het. Ze zocht continu ruzie. Schreeuwen, stampen, schelden; er was geen normaal gesprek meer met haar te voeren. En ze kreeg nieuwe vriendinnen waar we niets mee konden: ongeïnteresseerd, brutaal en in één geval zelfs leugenachtig.

Tijdens de herfstvakantie liep het echt fout. Na een dagje Efteling kwamen zij en een vriendin om half één ’s nachts thuis, in plaats van om acht uur zoals was afgesproken. Toen Theo en ik de avond erna naar een feest waren, liet ze stiekem allemaal vrienden in ons huis. Er waren jongens bij die ze amper kende. Levensgevaarlijk! De volgende ochtend vonden we kauwgom op de vloer, een afgebroken autospiegel en zakjes wiet in de tuin. Op dat moment wist ik even echt niet meer hoe het verder moest.

Toen we Marije op de gebeurtenissen aanspraken, bleek dat het allemaal onbedoeld uit de hand gelopen was. Ze had de gevolgen totaal niet had overzien. Dat is misschien wel het grootste probleem: ze denkt dat ze al zelfstandig genoeg is om alles aan te kunnen. Daar komt bij dat ze er zo graag bij wil horen, dat ze eigenlijk geen nee durft te zeggen tegen haar vrienden. 

Als klap op de vuurpijl zakten haar schoolprestaties opeens dramatisch in. Ze zat alleen maar de hele dag te kletsen en lette totaal niet op. Het resultaat: tien onvoldoendes op haar rapport. Terwijl ze het niveau prima aankan.

In eerste instantie raakte ik behoorlijk in paniek. Met je eerste kind is alles nieuw, dus ook het onvoorspelbare pubergedrag. Ik had geen idee hoe lang het kon gaan duren, of hoeveel erger het nog zou worden. Heel beangstigend. Wat me rust gaf was het besef dat Marije zo mogelijk nog angstiger was dan ik. Zij was immers de weg kwijt. Het was aan ons om orde te scheppen en duidelijk te maken wat we wel en niet acceptabel vonden.

Er zat maar één ding op: de teugels flink aanhalen. Daarbij hebben we als ouders steeds één front gevormd. Na het akkefietje met de vrienden in huis hebben we haar een maand huisarrest gegeven. En jongeren die wij niet kennen komen de deur niet meer in. Uiteraard hebben we ook een serieus gesprek met haar gevoerd over hoe makkelijk de situatie uit de hand had kunnen lopen. Dat maakte geloof ik nog de meeste indruk. Ze houdt zich in ieder geval goed aan de afspraken. Ook wat school betreft. Als ze thuis komt maakt ze eerst een uur huiswerk aan de keukentafel. En voorlopig is de computer ‘off limits’.

Het aller-moeilijkste om mee om te gaan vind ik de ruzies en het schelden; dat raakt me recht in mijn hart. Bovendien is het zo onrespectvol! Zelf was ik als puber ook geen lieverdje, maar het zou nooit in me opgekomen zijn om mijn moeder voor ‘kutwijf’ uit te maken. Elke keer als Marije dat doet, zeg ik dat ik dat belachelijk vind. Maar echt helpen doet het niet.

We hebben een paar pittige maanden achter de rug, maar de laatste weken gaat het gelukkig een stuk beter. We eten gezellig samen en er is weer een normaal gesprek met Marije te voeren. Ze heeft na een ruzie zelfs een keer haar excuus aangeboden! Misschien zijn haar hormonen wat tot rust gekomen. Wat de oorzaak ook is, ik geniet er enorm van. Al speelt in mijn achterhoofd wel steeds de vraag: hoe lang tot de volgende crisis zich aandient?”

Om privacyleden zijn de namen veranderd. 

WAT ZEGGEN DE DESKUNDIGEN? 

Sasha Jeurissen, gedragswetenschapper bij de Stichting Jeugdformaat in Rijswijk:

“Een pubertijd zonder ruzie bestaat niet. Maar als je daarvóór een goede relatie met je kind had, kun je er meestal wel van op aan dat jullie er goed doorheen komen. Het woord vertrouwen is daarbij cruciaal. Pubers hebben dat nodig om in een veilige omgeving te ontdekken wie ze eigenlijk zijn. Maar tegelijkertijd doen ze alles om het op de proef te stellen. Voor ouders betekent het: constant schipperen tussen leiden en loslaten.

Petra en Theo hebben het goed aangepakt met Marije. Ze geven haar vrijheid waar mogelijk, maar stellen duidelijke regels als blijkt dat ze die – nog – niet aankan. Bovendien vormen ze zich één front en verbinden ze duidelijke consequenties aan het overtreden van de afspraken.

Pubers zoeken het conflict op of gaan grenzen over om hun eigen identiteit te ontwikkelen, niet zozeer om jou het leven zuur te maken. Door de dingen die wél goed gaan te blijven benoemen – een jonger zusje helpen met huiswerk, spontaan de tafel dekken – houd je het lijntje naar je kind open. En geef je haar het gevoel dat ze als het fout gaat altijd bij je terecht kan, zonder dat er meteen verwijten en straf volgen.

Marije scheldt haar ouders regelmatig uit. Dat Petra aangeeft dat ze dat onacceptabel vindt is belangrijk. Maar ik raad haar aan het daar niet bij te laten. Zonder respectvol taalgebruik geen respectvolle relatie. Op het moment zelf heeft het weinig zin om op het schelden te reageren; dat is olie op het vuur. Ga in plaats daarvan op een rustig moment het gesprek erover aan. Leg uit waarom je het gedrag onaanvaardbaar vindt. Geef aan dat het je persoonlijk raakt. Gaat het schelden toch door, verzin dan een passende straf. Minder zak- of kleedgeld bijvoorbeeld, telkens als ze ‘stof wijf’ roept.

Over regels en straffen gesproken: het is belangrijk dat je als ouders bepaalt welke normen en waarden voor jullie belangrijk zijn. Sommige regels – zoals niet schelden – staan niet ter discussie. Anderen – het aantal uur op de computer, hoe laat thuis – kun je beter ‘uitonderhandelen’. Daarmee geef je je puber het gevoel dat je oprecht naar haar luistert en haar serieus neemt. Maak vooraf duidelijk wat er gebeurt als de regels worden overtreden. Gebeurt dat vaak, dan kun je een gedragscontract opstellen. Dat klinkt misschien kinderachtig, maar het helpt echt als het verwarde puberbrein dagelijks de geschreven regels aan de muur ziet hangen. Zorg er daarbij voor dat de straf in verhouding staat tot de misstap. Overigens kun je niet voor álles regels opstellen. Puberen betekent voor ouders nu eenmaal ook: je kind zijn eigen keuzes laten maken.

Een tip die ik Petra en Theo nog wil geven is zich vooral niet negatief uit te laten over nieuwe vrienden en vriendinnen. In de oren van je puber klinkt dat als een motie van wantrouwen: alsof zij niet in staat is leuke mensen uit te zoeken. Misschien is dat wel zo, maar dat moet ze dan zelf ontdekken. Ongeïnteresseerde, onbeleefde tieners in huis krijgen is niet leuk. Maar zolang Marije ze nog meeneemt, hebben haar ouders er in ieder geval zicht op.

Voor Marije zijn alle gevoelens die haar overspoelen nieuw, maar voor Petra en Theo óók. Je mag als ouder best laten zien dat je het daar moeilijk mee hebt. De pubertijd is voor iedereen een zoektocht. Gegarandeerd dat het regelmatig mis gaat. Maar dat is geen reden om wanhopig te worden. Sterker nog, je leert ervan. Als puber én als ouder.”

 

Caroline van Nistelrooij, kinder- en jeugdpsycholoog en psychotherapeut bij Plein 20 in Amsterdam:

“Om te beginnen: de ervaringen met Marije zijn heftig, maar zeker niet uitzonderlijk. Ze vallen zonder meer onder de noemer ‘normaal pubergedrag’. Bovendien hebben Petra en Theo goed ingeschat dat ze meer bescherming nodig had in de vorm van strakkere regels. Nu kan ze tegen haar vrienden zeggen: ‘Sorry, het mag niet van mijn stomme ouders’. Maar stiekem vindt ze die duidelijkheid ongetwijfeld heel prettig.

Het is niet zo vreemd dat Marije’s gedrag zo plotseling omsloeg. Verhuizen én naar de een andere school gaan vraagt nogal wat van een kind haar aanpassingsvermogen. Zeker op een leeftijd waarop de goedkeuring van je leeftijdsgenoten allesbepalend is.

Daar komt bij dat Marije op het vmbo zit, terwijl haar zusje straks naar het havo/vwo gaat. Het effect daarvan moet je niet onderschatten. Het vmbo wordt – onterecht – nogal eens afgeschilderd als het afvoerputje van de maatschappij. Dat vooroordeel is als kind moeilijk genoeg om mee om te gaan. Een zusje dat beter kan leren maakt het nog ingewikkelder. Mogelijk dat Marije zich minderwaardig voelt en mede daarom zo heftig reageert.

Bovendien heerst op het vmbo een heel eigen cultuur. Dat kan een loyaliteitsconflict veroorzaken: bij welke wereld hoor ik nu, hoe pas ik me steeds weer aan? De kans is groot dat ze op deze leeftijd voor die van haar vrienden kiest. Knap lastig voor Petra en Theo, omdat ze – afgezien van alle ruzies – het gevoel kunnen krijgen dat ze hun dochter ‘verliezen’. De truc is vooral niet negatief of veroordelend op de nieuwe omgeving te reageren; ze groeit daar nu eenmaal in op. Toon belangstelling, stel vragen. Op die manier houd je de afstand tussen jullie beperkt.

Dat Petra en Theo de juiste regels – en sancties – hebben gekozen, blijkt uit het feit dat ze werken. Worden regels overtreden, bespreek dan eerst waarom het fout is gegaan. Gebeurt het vaker, geef dan een toepasselijke straf. Met ‘toepasselijk’ bedoel ik dat er een directe link met het ‘vergrijp’ moet zijn. Soms kan het werken om je tiener zelf een redelijke straf te laten bedenken. Vergeet trouwens niet ook te belonen als het wél goed gaat. Dus: vier keer op tijd thuis in het weekend? Dan samen naar de film of dat leuke T-shirt voor haar kopen.

Positieve aandacht is sowieso belangrijk. Blijf die geven, ook als je je puber wel achter het belang kunt plakken. Haar lievelingsgerecht koken, zeggen dat ze er leuk uitziet in die nieuwe broek of een lief briefje in haar schooltas; misschien merk je het effect niet meteen, maar op de lange duur maakt het een wereld van verschil. Het geeft haar een goed gevoel, houdt de deur open en helpt je als ouder om ook de leuke kanten van je kind te blijven zien.

Wat het schelden betreft: een puber is boos, gefrustreerd, in de war. Ze uit die gevoelens door jou voor iets vreselijks uit te maken. Het is belangrijk daarbij aan te geven wat je wel en niet acceptabel vindt. Maar die boodschap bij elk scheldwoord herhalen heeft weinig zin. Net als er elke keer ruzie over maken. Jij bent beledigd omdat je respectloos wordt behandeld, terwijl het vaak niet zo persoonlijk bedoeld is. Daar kom je dus nooit uit. Negeren werkt vaak beter.

Kom je zelf een keer ongenuanceerd uit de hoek, schroom dan niet om achteraf je excuus aan te bieden. Zo leer je je kind dat het oké is om fouten te maken en daarop terug te komen.

Ella vindt haar oudere zus maar irritant, en gedraagt zich in tegenstelling tot haar voorbeeldig. Het gevaar van zo’n situatie is dat al je aandacht als ouder dan of naar ‘de lastige’ of naar juist naar ‘de brave’ uitgaat. Dat voorkom je door je kinderen niet te vergelijken. Focus je niet op de verschillen, maar verdiep je in hun afzonderlijke leefwerelden. Zo vermijd je jaloezie en gevoelens van minderwaardigheid.

Tot slot: je hoort vaak verhalen over hoe ellendig pubers zijn. Maar het is ook heel erg boeiend om te zien hoe je kind een volwassen mens wordt. Pubers zijn impulsief, bij de hand, uitdagend en vooral ook: uniek. Vergeet daar als ouder niet van te genieten!” 

 

[Kader]

Hoe houd je het vol?

Twijfel, woede, paniek en zelfs wanhoop: bijna elke ouder van een puber krijgt wel eens met dit soort gevoelens te maken. Wat kun je doen om in al die onrust op de been te blijven?

  • Als je begrijpt wat er gebeurt, is het minder bedreigend. Verdiep je in de ontwikkeling van pubers, bijvoorbeeld door erover te lezen of ervaringen met andere ouders te delen op een internetforum.
  • Realiseer je dat je kind zich minstens net zo verward voelt als jij, en dat het voor hem of haar óók allemaal nieuw is.
  • Maak het niet ernstiger dan het is. Geen overzicht hebben? Impulsief zijn? Ondoordacht handelen? Domme dingen doen waarvan je denkt: dat wéét ze toch? Het hoort er allemaal bij.
  • Zit er niet teveel bovenop. Als je op de achtergrond aanwezig bent, is dat genoeg.
  • Blijf rustig. En vooral ook consequent. Pubers zeggen wel van niet, maar door alle onrust in hun lichaam hebben ze juist behoefte aan duidelijkheid en veiligheid.
  • Neem af en toe letterlijk afstand. Loop gewoon even weg als de ruzie te heftig wordt en kom er later weer op terug.
  • Zoek iemand die jou steunt, bij wie je je kunt afreageren. Een partner, ouder of vriendin.
  • Ga liever niet tegen de hele wereld klagen over je kind. Hij of zij hoort dat geheid terug. Bovendien bevestig je naar jezelf dat je een vreselijk kind hebt.
  • Bedenk dat de pubertijd uiteindelijk vanzelf weer voorbij gaat! 

 

[Kader]

Wanneer is het verstandig professionele hulp in te schakelen?

Het overgrote deel van de tieners vertoont – net als Marije – normaal pubergedrag. Makkelijk is het zeker niet, maar uiteindelijk gaat het vanzelf weer over. Er zijn echter situaties waarin je er als ouder(s) niet alleen uitkomt. Zo is het verstandig hulp te zoeken als:

  • je kind jou of anderen slaat;
  • je kind tekenen van depressie vertoont: slecht eten, slecht slapen, moeite met concentreren, veel spijbelen, etc;
  • je kind zich totaal afsluit en op geen enkele manier met jullie als ouders communiceert;
  • zijn of haar aanvallen persoonlijk tegen jou gericht zijn; dan is er vaak meer aan de hand, bijvoorbeeld verdriet over voortdurende ruzies tussen ouder;.
  • de schoolprestaties van de ene op de andere dag instorten en niet binnen een aantal maanden verbeteren;
  • je kind structureel tegen je liegt;
  • je kind geen aansluiting bij leeftijdsgenoten heeft.
 

HELP ZE MET DE GROTE STAP december 22, 2008

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 12:36 pm

scannen0012scannen0013

 

De enorme overgang van groep 8 naar de middelbare school valt veel kinderen zwaar. Daarom worden er steeds meer trainingen georganiseerd om aanstaande brugpiepers voor te bereiden op hun nieuwe schoolleven. Twee trainers, Tineke Ingwersen en Ineke Haeck, vertellen over hun aanpak.

 

Hoe plan je huiswerk of bereid je een proefwerk voor? Waarvoor kun je wel of niet bij een docent terecht? Hoe maak je nieuwe vrienden? Maar ook: wat kun je doen om beter te leren spellen of begrijpend te lezen? Het zijn slechts een paar van de onderwerpen die aan bod komen in de Bright Brugklastraining, de cursus die Tineke Ingwersen (intern begeleider) en Ineke Haeck (docent Nederlands) ontwikkelden om leerlingen voor te bereiden op de overstap van de basis- naar de middelbare school. “De aansluiting daartussen moet echt beter”, aldus Ineke. Zij is overigens niet de enige die dat vindt; uit recent onderzoek blijkt dat de helft van alle schoolleiders in het voorgezet onderwijs dezelfde mening is toegedaan.

 

Cultuurschok

De vriendinnen Tineke en Ineke werken op verschillende scholen in Noord-Holland. De afgelopen jaren merkten ze – afzonderlijk van elkaar – dat de prestaties in de brugklas flink onder druk staan. Toen dat gegeven tijdens een etentje ter sprake kwam, ontstond spontaan het idee van de brugklastraining. Tineke: “Leerlingen doen het vaak minder goed dan ze zouden kunnen. Soms gaat dat gepaard met andere problemen, zoals agressief gedrag of faalangst.” En nee, de moeilijkheden doen zich volgens haar echt niet alleen voor op de lagere schoolniveaus. “We zien ze van VMBO tot gymnasium.”

Het effect van de ‘cultuurschok’ waar brugklasleerlingen mee te maken krijgen moet  volgens de dames niet worden onderschat. “Van de ene op de andere dag worden kinderen geacht zelfstandig keuzes te maken en problemen op te lossen”, aldus Tineke. “Waar ze op de basisschool nog gemakkelijk hun ouders of een juf of meester aan hun jasje konden trekken, staan ze er plotseling alleen voor. Dat kan een overweldigende ervaring zijn.”  Niet dat daar op de basisschool helemaal geen aandacht aan wordt besteed. “Maar er is te weinig tijd om leerlingen uitgebreid op alle veranderingen voor te bereiden.”

Een groter gebouw, verschillende docenten, verder van huis naar school, nieuwe vriendjes maken: die dingen zijn toch van alle tijden? “Natuurlijk”, beaamt Tineke. “Maar kinderen hebben tegenwoordig minder tijd om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. De druk op het behalen van goede resultaten neemt toe. Als je in de brugklas niet lekker in je vel zit en daardoor onder de maat presteert, word je al snel een niveau teruggeplaatst. Doubleren is al helemaal uit den boze. Dat, in combinatie met het drukke leven dat kinderen verder leiden, maakt de overgang extra zwaar.”

 

SMS-taal

Alsof de sociale en praktische aspecten van een nieuwe school nog niet lastig genoeg zijn, vormt ook het Nederlands voor veel kinderen een obstakel. “En dan heb ik het niet perse over kinderen die thuis een andere taal spreken”, vertelt Ineke. Volgens haar hebben bijna alle kinderen die van de basisschool komen tegenwoordig een taalachterstand. “Oók die naar het VWO gaan.”

Zo gek is dat volgens haar trouwens niet. “Kinderen lezen minder, ze gebruiken een eigen SMS-taal, op de computer schakelen ze de spellingschecker in en ze worden steeds minder door hun ouders gecorrigeerd. Bovendien vormt taal allang niet meer de hoofdmoot van de lesstof op de basisschool. Het is slechts één van heel veel vakken.”

Veel leerlingen spellen dus onvoldoende als ze in de brugklas komen. Ook het begrijpend lezen gaat ze vaak moeilijk af. En dat heeft gevolgen voor álle vakken. “Want hoe kun je een verhaaltjessom tot een goed einde brengen als je niet weet wat er precies staat?” Vandaar dat ongeveer de helft van de tijd in de brugklastraining wordt gebruikt voor taalvaardigheden Nederlands.

 

Steuntje in de rug

In het voorjaar van 2008 zijn Tineke en Ineke met de eerste brugklastraining gestart. De belangstelling was direct groot. “Het lijkt erop dat we in een behoefte voorzien”, zegt Ineke. In het schooljaar 2008 – 2009 organiseren ze drie trainingen van tien weken. Ook zijn er plannen voor een ‘terugkomcursus’ voor brugklassers, om te zien of die het geleerde goed in de praktijk weten te brengen. “Ouders vinden het schijnbaar een geruststellende gedachte, zo’n extra steuntje in de rug. Voor hun kind, maar ook voor zichzelf. Want zeker met een eerste kind dat naar de middelbare school gaat hebben zij  óók geen idee wat te verwachten.”

Voor de aanvang van de training houdt Ineke een intakegesprek met de ouders én het kind. Vooral de achterliggende reden om een leerling voor de training op te geven is belangrijk. “Het komt wel eens voor dat een moeder haar zoon naar ons wil sturen terwijl hij het zelf helemaal niet ziet zitten. ‘Ga jij maar lekker buitenspelen’, zeg ik dan. Want als een kind met tegenzin komt bereik je niets. Verder denken ouders soms dat we tijdens de training het niveau van hun kind kunnen beoordelen. Dat speelt bijvoorbeeld als ze niet tevreden zijn met het schooladvies. Maar ook daar beginnen we niet aan. We kunnen en willen niet op de stoel van de meester of juf gaan zitten.”

Tineke benadrukt dat de cursus niet specifiek bedoeld is voor ‘probleemgevallen’, of angstige of onzekere kinderen. “Uiteraard zijn die ook van harte welkom. Maar de training is voor alle leerlingen van groep 8 nuttig. Ongeacht hun voorgeschiedenis of schoolniveau.”

 

Leren huiswerk maken

Een paar dagen later treffen we Tineke en Ineke opnieuw, nu tijdens een les van de brugklastraining. De acht aanwezige kinderen worden in twee groepjes verdeeld. De ene helft vertrekt met Ineke naar een ander lokaal voor een les ‘spelling van moeilijke woorden’, de andere helft blijft bij Tineke. Bij haar staat vandaag ‘huiswerk maken’ op het programma. “Wat doe als je erachter komt dat je het huiswerk niet goed in je agenda hebt geschreven?”, vraagt ze aan Christopher, Angelo, Lot en Bijtje (allemaal 11). “Dan kijk je in het klassenboek!”, roept Christopher enthousiast. Het vragen aan een vriendje is niet verstandig, voegt hij eraan toe, want misschien heeft die het ook niet goed genoteerd.

Even later zijn de kinderen met Tineke in gesprek over de vraag wat beter is: je huiswerk met iets makkelijks of met iets moeilijks beginnen? Bijtje heeft van haar moeder geleerd dat je eerst de moeilijke dingen moet doen; dan ben je daar maar vanaf. Maar Tineke ziet dat toch anders. Met iets makkelijks starten geeft volgens haar goede moed om met de rest verder te gaan. Bijtje knikt begrijpend. Dat levert vast nog wel enige discussie op aan de eettafel vanavond.

Terwijl de kinderen druk zijn met het maken van een concentratieoefening, vertelt Tineke trots over de veranderingen die ze zelfs na drie lessen al bij hen ziet. “Ze merken hier dat ze niet de enige zijn met vragen over wat hen allemaal te wachten staat. Ze leren hoe ze hun huiswerk moeten organiseren. En dat je verschillende strategieën kunt gebruiken om met pestende klasgenootjes om te gaan. Dat geeft zelfvertrouwen.” Het meest treffend vindt ze wel dat je het effect daarvan er aan de buitenkant afziet. “Ze lopen meer rechtop, ze praten makkelijker; hun hele houding verandert kortom. Alleen dat al geeft ze straks een voorsprong als ze ‘voor echt’ naar de brugklas gaan.”

Tineke Ingwersen is Master Special Educational Needs. Zij zit 26 jaar in het onderwijs. Op dit moment is ze werkzaam als zorgcoördinator op de Tijo van Eeghenschool in Aerdenhout. Zelf heeft ze twee zoons van 21 en 18. Ineke Haeck is drs Nederlandse taal- en letterkunde en 15 jaar docent Nederlands. Ze werkt op het Coornhert Lyceum in Haarlem. Ineke heeft een docher van 10 en en zoon van 12.

 

[Kaders met quotes]

Kinderen:

  • Bijtje (11): “Ik ben de oudste thuis, dus ik had geen idee wat er op de middelbare school gaat gebeuren. Nu ik dat beter weet ben ik minder zenuwachtig. Waar ik het meest aan heb? Het spellen. Daar ben ik op school namelijk helemaal niet goed in. Verder is het heel gezellig, we doen ook spelletjes en zo. Tineke en Ineke hebben veel aandacht voor ons. Als je iets niet snapt kun je het altijd meteen vragen. Daar is op school niet altijd tijd voor.”
  • Lot (11): “Bijtje is mijn buurmeisje en mijn vriendin. Toen ik hoorde dat zij de brugklastraining ging doen, wilde ik dat ook. Door de cursus ben ik helemaal niet meer bang om naar de middelbare school te gaan. Ik weet nu hoe ik alles moet aanpakken. Het handigste dat ik tot nu toe heb geleerd is hoe ik mijn huiswerk moet maken. Of ik het niet zonde van mijn vrije woensdagmiddag vind? Nee hoor, want hierna moet ik toch meteen door naar hockey.”
  • Christopher (11): “Ik heb altijd problemen met ontleden. Het is fijn dat ik de regels daarvoor hier nog eens rustig uitgelegd krijg. Vooral ook omdat ik dyslectisch ben. Mijn moeder is Amerikaanse, dus die kan me niet zo goed met taal helpen. En mijn vader is vaak weg voor zijn werk, want hij is piloot. De cursus was hun idee. In eerste instantie leek het me niet zo leuk, maar nu wel. Het is eigenlijk heel gezellig hier.”
  • Angelo (11): “Ik heb een druk programma. Omdat ik op een heel hoog niveau voetbal, moet ik meerdere keren in de week trainen. Vandaar ook dat ik deze cursus wilde doen: om te leren hoe ik al die dingen straks op de middelbare school moet combineren. Verder ben ik ook best verlegen, dus ik zou het fijn vinden als ik na afloop wat meer zelfvertrouwen heb. En begrijpend lezen, dat wil ik ook beter kunnen. Ik ben enig kind, dus ik heb geen broer of zus die me tips kan geven.”

 

Wat zeggen ouders?

  • Steven Hofmeijer, vader van Christopher: “Via school hoorde ik over de brugklastraining. Het leek me meteen een goed idee. In groep 7 heeft Chris een pre-citotoets gedaan. Daaruit bleek dat hij op sommige punten moeite heeft met taal, vooral bij ontleden. Wat extra ondersteuning komt dus goed van pas. Ook omdat mijn vrouw niet uit Nederland komt en ik voor mijn werk veel weg ben. In eerste instantie was Chris niet zo enthousiast, maar nu vindt hij het toch erg leuk. Hij is geloof ik vooral erg opgelucht dat de docenten niet streng zijn en dat hij geen huiswerk krijgt!”
  • Angela Lolis, moeder van Angelo: “Alles wat Angelo op school kan helpen vind ik positief. Vandaar dat ik direct enthousiast was over het idee van een brugklastraining. Toen Ineke bij ons thuis kwam voor de intake heeft Angelo het gesprek met haar gevoerd. Dat vond ik het belangrijk, want ik wilde dat hij er zelf voor koos om mee te doen. Samen hebben we zijn leerdoelen bepaald: begrijpend lezen, beter concentreren en meer zelfvertrouwen krijgen. Er zijn pas drie lessen geweest, maar het gaat boven verwachting goed. Angelo komt zo blij thuis! Het lijkt er zelfs op dat hij al wat steviger in zijn schoenen staat. Ik kan zo’n cursus echt aanraden.”

 

Dit vinden oud-cursisten:

  • Nicolien (12) en haar moeder Sjane van Marle:
    Sjane: “Nicoliens oudere zus heeft les van mevrouw Haeck. Zo hoorden we over de training. We dachten meteen: waarom niet? Nicolien is dyslectisch, dus het is sowieso aanpoten voor haar op school. Alle hulp is dan welkom.”
    Nicolien: “De lessen waren erg gezellig. De praktische dingen vond ik het leukst, kaften en zo. Wat het meest nuttige is dat ik heb geleerd? Hoe ik mijn huiswerk moet organiseren. Daar heb ik nu echt wat aan.”
    Sjae: “Nicolien is net met de brugklas begonnen, dus ik weet nog niet of de training echt effect heeft gehad. Maar ik merk wel dat ze haar huiswerk heel serieus aanpakt. En ze de dingen vooruit plant. Dat zal ze vast op de cursus geleerd hebben.”
  • Helene (12) en haar moeder Marina van Rechteren:
    Marina: “Als je iets kunt doen om je kind beter op de brugklas voor te bereiden, ben ik daar helemaal voor. Je hoort toch vaak dat kinderen moeite hebben met de overgang van de lagere naar de middelbare school. Bovendien is Helene de oudste van onze kinderen, dus ze had geen idee wat er allemaal op haar af zou komen. Omdat ze veel dingen in het voorjaar al een keer heeft gehoord, komt het haar nu allemaal wat bekender voor.”
    Helene: “De training leek me ook wel praktisch, al had ik geen speciaal doel. Wat ik vooral heb geleerd is hoe ik mijn tijd moet indelen. En hoe ik dingen handig in mijn agenda moet zetten. Ik merk dat ik daar echt wat aan heb nu ik in de brugklas zit. Wat dat betreft ben ik blij dat ik de cursus heb gedaan.”

 

[Kader]

Handige huiswerktips

  • Schijf het huiswerk voor de verschillende vakken op post-it memoblaadjes en plak die op je bureau of aan de muur. Zodra je één vak klaar hebt haal je het blaadje weg en gooi je het in de prullenbak.
  • Begin altijd met iets eenvoudigs. Als je dat snel af hebt geeft je dat een goed gevoel en moed om door te gaan.
  • Zorg voor voldoende variatie. Leer bijvoorbeeld liever niet twee talen achter elkaar. Wissel leer- en maakwerk af.
  • Geef jezelf een kleine beloning als je klaar bent met een vak.
  • Doe geen huiswerk vlak voor je naar bed gaat. Daar slaap je niet rustig op.

 

[Kader]

Wat leren ze?

Een Bright Brugklastraining bestaat uit twintig lessen van 50 minuten, verdeeld over tien weken. Elke bijeenkomst is er één les studievaardigheden en één les taalvaardigheden. Wie tien weken teveel vindt, kan ook voor een eendaagse training op zaterdag kiezen.

Bij de taallessen komen werkwoordspelling, spelling van moeilijke woorden, begrijpend lezen, structuur van teksten, signaal- en verwijswoorden en samenvatten aan de orde.
In de studievaardigheidlessen wordt onder andere aandacht besteed aan plannen, huiswerk maken, concentreren, ontspannen, vrienden maken, omgaan met docenten en samenwerken.

Per training zijn er maximaal 10 leerlingen van alle schoolniveaus.

 

[Kader]

Onvoldoende aansluiting

Een goede aansluiting tussen het primair en voortgezet onderwijs is al lange tijd punt van aandacht van de Onderwijsinspectie. In een recent rapport stelt zij dat de adviezen van de basisschool en de Cito-scores lang niet altijd overeenkomen met het niveau op de middelbare school. Zo volgt een kwart van de leerlingen in het derde jaar van het voortgezet onderwijs een ander niveau dan dat door de basisschool is geadviseerd. Iets meer dan de helft van die groep is doorgestroomd naar een hoger niveau, iets minder dan de helft naar een lager niveau. Daarnaast blijft 3% van de leerlingen in het eerste of tweede jaar zitten. Volgens de Onderwijsinspectie zijn deze `plaatsingsproblemen´ onder andere het gevolg van het feit dat het primair en voortgezet onderwijs onvoldoende op elkaar aanslutien. Wat de afstemming extra lastig maakt is dat middelbare scholen vaak met veel verschillende basisscholen te maken hebben.

Bronnen: Inspectie van het Onderwijs, Aansluiting voortgezet onderwijs op het basisonderwijs ((mei 2007); Rutten, M, M. Amsing en M. Bosch Transitiemomenten in het onderwijs (KPC groep 2007).

 

[Kader]

Andere brugklastrainingen

Er zijn verschillende instanties in Nederland die brugklastrainingen organiseren. Er zijn zowel trainingen voor groep 8 als begeleidingscursussen voor de eerste tijd op de middelbare school. Voor meer info kun je onder meer terecht op de volgende sites:

 

 

ALLES OVER RUZIE december 2, 2008

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 9:20 am

scannen00141

8 VEELGESTELDE VRAGEN OVER RUZIE

Kinderen die continu bekvechten. Of die steeds ruzie met je zoeken. Het is om gek van te worden. De neiging om dat gekibbel zo snel mogelijk af te kappen is groot. Toch is het vaak beter om de boel uit te laten razen, zeggen deskundigen. Maar waar ligt de grens? En hoe geef je als ouder het goede voorbeeld? Het  antwoord op 8 veelgestelde vragen over ruzie.

1. Is ruzie maken slecht?

Een zekere dosis ruzie in huis is niet alleen normaal, maar zelfs gezond. Kinderen leren zo omgaan met boosheid en frustratie en rekening houden met anderen. Ook ontwikkelen ze sociale vaardigheden, zoals gevoelens onder woorden brengen, voor jezelf opkomen en onderhandelen. Kinderen steken er het meest van op als ze de kans krijgen de ruzie zelf op te lossen. Waar nodig begeleid je ze als ouder om te laten zien hoe dat het beste kan. Dat doe je door – zonder partij te kiezen – beide partijen hun verhaal te laten doen en hen te helpen om alternatieven te bedenken.

2. Waar gaan de meeste ruzies over?

Ruzies tussen kinderen en hun ouders gaan vaak over het verkennen van grenzen. Op welke tijd een kind naar bed gaat bijvoorbeeld, of hoe laat een puber thuis mag komen. Bij oudere kinderen is de communicatie zelf ook vaak het onderwerp: zij hebben het gevoel dat hun ouders hen niet begrijpen, terwijl de ouders denken dat hun kinderen niet luisteren. Tussen kinderen onderling gaat het dikwijls over alledaagse dingen, zoals over wie waarmee mag spelen, of over geheimpjes die niet doorverteld mochten worden.

3. Op welke leeftijd maken kinderen het meest ruzie?

Elke leeftijd brengt een ander soort ruzie met zich mee. Je ziet dat het thema verandert, maar ook de heftigheid en de duur. Kinderen tussen de drie en de vijf vertonen van nature meer agressie. Dat is namelijk de leeftijd waarop ze voor zichzelf leren opkomen. Ook in de pubertijd neemt het aantal conflicten toe. In die fase heeft ruzie weer een heel andere functie, te weten het losmaken van je ouders. Kinderen van hetzelfde geslacht en ongeveer dezelfde leeftijd maken de meeste ruzie, simpelweg omdat ze meer met elkaar omgaan.

4. Vanaf welke leeftijd zijn kinderen in staat ruzie te begrijpen?

Kinderen tot een jaar of vijf zijn vooral bezig met wat zij willen; voor het belang van de ander hebben ze nog geen oog. Het gevoel van boosheid overvalt ze en ze vinden het lastig achteraf te vertellen hoe een ruzie is ontstaan. Vandaar dat jonge kinderen vooral bezig zijn met hoe het verder moet (‘wie mag nu besluiten wat er op tv gekeken wordt’). Het uitpraten en vaststellen wie er ‘schuld’ had aan de ruzie heeft op die leeftijd niet veel zin. Vraag liever wat het kind wil, en hoe het dat wil regelen. Praten over waarom een kind ruzie maakt kan goed vanaf een jaar of acht. Dan zijn kinderen namelijk in staat zijn hun eigen gedrag te beredeneren en zich in het gevoel van een ander te verplaatsen.

5. Waarneer moet je ingrijpen bij een ruzie?

Veruit de meeste conflicten lossen zichzelf op; daar zijn kinderen al op jonge leeftijd toe in staat. Maar dan moeten ze wel de kans krijgen om te ‘oefenen’ met ruzie maken. Ouders hebben vaak de neiging om snel tussen beide te komen. Ze spelen dan voor scheidsrechter, of proberen de boel te sussen. Het gevolg is dat kinderen gaan denken dat ruzie maken iets slechts is, en dat je altijd lief en aardig moet zijn. Zolang een ruzie enigszins evenwichtig verloopt en kinderen elkaar geen pijn doen, kun je hem beter op zijn beloop laten. De kans is groot dat ze dan zelf naar een oplossing op zoek gaan. Bovendien voorkom je zo dat ruzie maken een manier van aandacht vragen wordt. Zodra een ruzie fysiek wordt – slaan, schoppen, knijpen – moet je wél direct ingrijpen. Hetzelfde geldt bij verbale agressie (uitschelden, intimideren). Maak onverkort duidelijk dat zulk gedrag onacceptabel is. Woede en frustratie horen bij ruzie maken, maar de grens ligt bij elkaar pijn doen. 

6. Hoe geef je als ouder het goede voorbeeld?

Goed voorbeeld doet goed volgen, ook wat ruzie maken betreft. Het allerbelangrijkste is dat je tijdens een ruzie respect toont, voor elkaar en voor de emoties die onherroepelijk bij een ruzie vrijkomen. Laat de ander – je partner of je kind – altijd uitpraten. Probeer in je argumenten rekening te houden met de gevoelens en wensen van de ander.

Ook belangrijk: blijf als ouders altijd een eenheid vormen naar je kind. Van ouders die in zijn bijzijn over de regels discussiëren raakt een kind alleen maar in de war.

Hard schreeuwen of slaan? Dat werkt averechts. Loopt een ruzie toch uit de hand – en dat kan de beste overkomen – kom er dan later nog een keer op terug. Van te durven bekennen dat je fout zat steken kinderen óók veel op.

7. Wat kun je doen om ruzies te voorkomen?

Probeer of je de achterliggende oorzaak van de ruzies kunt ontdekken. Soms is een kind bijvoorbeeld oververmoeid, voelt het zich achtergesteld of wordt het veel gepest. Kom je er zelf niet achter, vraag dan een grootouder, een leraar of een vriendin om eens een tijdje extra op te letten. Zodra je begrijpt wat er aan de hand is kun je het probleem aanpakken.

Merk je bijvoorbeeld dat broertjes en zusjes elkaar op een bepaald moment van de dag erg in de weg zitten, maak dan een verschillende dagindeling (bijvoorbeeld het ene kind ’s ochtends in bad, het andere ’s avonds). Voor elk een eigen (speel)plek met eigen spulletjes creëren wil bij jaloezie vaak goed helpen.

8. Wanneer is het verstandig om hulp te zoeken?

Wordt er zo vaak en zo veel geruzied dat het de sfeer in huis negatief beïnvloedt? Of heb je intuïtief het gevoel dat er meer aan de hand is met je kind? Dan kan het verstandig zijn om hulp van buiten in te schakelen. In de vorm van een ouderbegeleider bijvoorbeeld, of een kindertherapeut. Hetzelfde geldt voor gevallen waarin kinderen langdurig heel agressief zijn, zonder dat daar een duidelijke aanleiding voor is.

—————

VOORDELEN VAN RUZIE? EEN KIND LEERT:

  1. z’n hart te luchten en emoties en frustraties te uiten
  2. gevoelens onder woorden te brengen
  3. zijn eigen identiteit te ontwikkelen
  4. te ontdekken dat je van mening mag verschillen
  5. voor zichzelf op te komen en grenzen te leren stellen
  6. zicht in te leven in een ander
  7. te onderhandelen en compromissen te sluiten
  8. zich los te maken van zijn ouders

—————-

IS ’T WEER HOMMELES? ZO HELP JE ZE:

  • Vraag waarover ze ruzie hebben.
  • Geef beide partijen de kans hun verhaal te doen.
  • Vraag de ruziemakers  hoe ze het probleem willen oplossen
  • Als ze niets kunnen verzinnen, geeft ze dan een paar opties. Laat ze zelf kiezen.
  • Prijs ze als ze zonder ruzie verder spelen. 

—————-

GEBAKKELEI TUSSEN BROERTJES EN ZUSJES

Waar kan je als kind beter met ruzie oefenen dan thuis? Broertjes en zusjes kun je door een ruzie immers niet kwijtraken, een vriendschap wel.

Onbewust weten kinderen dat hun broertjes en zusjes niet weg kunnen lopen bij een ruzie. Ja, voor eventjes misschien, maar uiteindelijk beland je toch weer samen om de eettafel. Het conflict moét dus opgelost worden. En dat kan ook, in de veilige haven van de familie. Vandaar dat hun conflicten meestal heftiger en emotioneler zijn dan met vrienden of ouders.

Bij ruzie tussen broers en zussen speelt jaloezie dikwijls een rol. Als een kind veel en vaak jaloers gedrag vertoont, kun je er op rekenen dat hij zich oprecht achtergesteld voelt. Of dat in jouw ogen nu terecht is of niet. 

Een jaloers kind wil vooral dat je interesse in hem toont, en hem lief vindt. Maar door ruzie zoeken bereikt het vaak het tegenovergestelde. Geef hem extra aandacht, in plaats van te straffen. Daarmee laat je zien dat zijn gevoel er net zoveel toe doet als dat van zijn broertje of zusje. Met een beetje geluk neemt het aantal ruzies erdoor af.

Vaak ontstaan er vaste ruziepatronen in een gezin. Het oudste kind gedraagt zich dominant en bazig ten opzichte van het jongere broertje of zusje. Bij een conflict zal hij   schreeuwen en schelden. De jongste is nog niet in staat om goed weerwoord te bieden, en timmert er uit frustratie op los. Van nature zijn ouders geneigd het voor één van de twee op te nemen. Vaak is dat de jongste, omdat de oudste ‘toch beter zou moeten weten’. Het gevolg is nóg meer boosheid en jaloezie. 

Tips om ruzies tussen broertjes en zusjes te verminderen

  • Stel duidelijke regels op over wat wel en niet mag en handhaaf die consequent.
  • Dwing kinderen niet om altijd alles samen te doen.
  • Om een patroon van ruzie te doorbreken helpt het soms om drastische maatregelen te nemen.Bijvoorbeeld: al het speelgoed achter slot en grendel, en elk kind één ding laten kiezen waar hij op een vastgestelde tijd mee mag spelen.
  • Doe af en toe ook iets leuks met elk kind afzonderlijk.
  • Kies bij een ruzie zo min mogelijk partij.
  • Als de hoeveelheid ruzie in huis plotseling toeneemt, zoek dan ook naar achterliggende oorzaken.

—————-

(OVER)KOKENDE PUBERS

De puberfase, met alle veranderingen in lijf, geest en driften die daar bij horen, maakt tieners extra kwetsbaar en prikkelbaar. Om het minste of geringste kunnen ze in woede uitbarsten. Veel puberconflicten komen dan ook voort uit onzekerheid, frustratie en stress. Gaat het moeilijk op school, of botst het tussen vrienden, dan richt de onvrede zich al gauw op een makkelijk slachtoffer: een broertje of zusje of de ouders. Naarmate ze ouder worden, gaan pubers zich steeds meer op de omgeving richten, en steeds minder op het kleine wereldje van het gezin. Daarmee neemt het aantal ruzies meestal vanzelf af.

—————

NIET WAAR ZE BIJ ZIJN

Speelt je kroost eens lief samen, lig jij overhoop met je partner. Ruziemaken waar de kinderen bij zijn: is dat erg?

Af en toe ruziën in het bijzijn van de kinderen kan helemaal geen kwaad. Sterker nog, als de ruzie goed verloopt leren kinderen dat je, ondanks meningsverschillen, op een normale manier met elkaar kunt blijven omgaan. Anders wordt het als kinderen heel vaak met ruzie te maken krijgen, of als de ruzie in verbaal of fysiek geweld uitmondt.

Voor een kind is het heel belangrijk dat het begrijpt waar de ruzie tussen zijn ouders over gaat. Bij alledaagse conflicten – wie doet de afwas, waarom is de hond nog niet uitgelaten – is dat geen probleem. Maar ruzies over meer serieuze zaken, zoals over relatieproblemen of over de opvoeding, zijn voor kinderen heel verwarrend. Als ze niet snappen wat er aan de hand is, zoeken ze de oorzaak al gauw bij zichzelf. Verreweg het meest schadelijk zijn conflicten met lichamelijk geweld of waarbij wordt gedreigd of geïntimideerd.

Ook sluimerende meningsverschillen kunnen een nare uitwerking hebben. Kinderen pikken een sfeer van spanning en stilzwijgen perfect op, maar begrijpen doen ze het niet. Het maakt dat ze zich onveilig en onzeker voelen. Soms vertaalt dat zich in problemen als druk gedrag, angst of depressie. Hoe jonger het kind is, hoe dieper ingeworteld zo’n probleem kan raken.

‘Het is niet jouw schuld’

Het is onmogelijk om ruzie in het bijzijn van de kinderen totaal te vermijden. Dat hoeft ook helemaal niet. Maar zorg er wel voor dat je heel goed duidelijk maakt dat zij er geen schuld aan hebben, en dat ze de uitkomst ervan niet kunnen beïnvloeden. Ook belangrijk: een kind moet nooit het gevoel krijgen dat het partij moet kiezen. Dus in een boze bui niet via je kind met elkaar gaan praten (‘zeg maar tegen pappa dat…’).

Een praktische tip is je kinderen regelmatig te vragen of hoe ze zich voelen als jullie ruziemaken. Door hun gevoel serieus te nemen en uit te leggen wat er aan de hand is kun je veel potentiële schade voorkomen. Vertel daarbij dat je je boos maakt om het gedrag van je partner, maar niet over je partner zelf. Zo leer je ze dat je ondanks een verschil van mening, nog steeds heel veel van elkaar kunt houden. 

—————–

TIME-OUT?

Sinds ‘supernanny’ haar intrede in Nederland heeft gedaan is de time-out – al dan niet op een speciale mat of stoel – niet meer weg te denken als opvoedtool. Maar heeft een time-out ook zin bij een fikse ruzie? Drie deskundigen geven hun mening.

  • Fieke Wellink, orthopedagoge en GZ-psychologe: “Dat hangt erg van het kind af. Bij sommige kinderen helpt het om hen even apart te zetten. Anderen reageren er veel beter op als je juist contact met ze maakt, door dicht bij ze in de buurt te blijven en hen zachtjes over hun rug te wrijven. Belangrijk: als je besluit een time-out toe te passen, zorg er dan voor dat je kind vooraf de regels kent. Een time-out die uit de lucht komt vallen heeft geen enkele zin.”
  • Dana Franssen-Hassner, ontwikkelingspsychologe en kindertherapeute: “Je moet voorkomen dat je kind zich machteloos of niet serieus genomen voelt in de discussie. Dat kan gebeuren als jij als ouder opeens ‘time-out’ mag roepen en hij niet. Mijn advies is om, als een ruzie te heftig wordt, allebei apart te gaan afkoelen. Het effect is hetzelfde, maar de aanpak meer gelijkwaardig. Na een tijdje (soms zelfs de volgende dag) is het dan makkelijker om het onderwerp opnieuw te bespreken.”
  • Tischa Neve, kinderpscychologe en J/M’s opvoedcoach: “Ik ben geen voorstander van een time-out bij een heftige ruzie. Je lost het probleem er namelijk niet mee op. Als een kind bijvoorbeeld gaat slaan is het beter hem de consequenties van zijn gedrag te laten ervaren. Bijvoorbeeld door hem een koud doekje of een pleister te laten halen voor degene die hij geslagen heeft. Op die manier wordt hij zich bewust van de nare effecten van zijn gedrag.”

—————-

“EN NU IS HET GENOEG!”

De meeste ouders nemen zich voor nooit te slaan. Toch wordt er behoorlijk vaak uitgehaald, na een uit de hand gelopen ruzie bijvoorbeeld. Maar het gedrag van een kind verander je er meestal niet door.

Ontwikkelingspsychologe en kindertherapeute Dana Franssen-Hassner adviseert ouders niet te slaan. Oók niet als je kind jou eerst slaat. “Het is belangrijk dat kinderen leren dat agressie nog meer agressie uitlokt, en dat op die manier nooit een einde aan geweld komt. Door als ouder te slaan geef je precies de tegenovergestelde boodschap: namelijk dat fysiek geweld een oplossing voor problemen biedt. Bovendien: als jij mag slaan, mag hij dat ook, redeneert een kind. Zo gaat het van kwaad tot erger. Niet voor niets zijn volwassenen die vroeger veel geslagen zijn eerder agressief, en zitten ze vaker psychisch in de knoop.”

Wat doe je als je kind jou of een ander slaat?

  • Maak duidelijk dat je slaan absoluut uit den boze is.
  • Probeer tijdens een ruzie vastberaden en kalm te blijven.
  • Voel je je handen jeuken, loop dan even weg.
  • Gaat het toch mis? Zeg sorry en bespreek samen wat je kunt doen om het goed te maken. 

[Kader]

HOE VAAK SLAAN WE?

Kleine kinderen worden vaker fysiek gestraft dan grotere. Bijna 60% van de ouders geeft zijn peuter wel eens een tik. Bij kleuters daalt dat aantal tot 45% en bij basisschoolleerlingen zakt het nog verder naar 24%. Dat blijkt uit het rapport De leefsituatie van kinderen tot 12 in Nederland. Jongere ouders slaan vaker dan oudere. Jongens worden niet méér geslagen dan meisjes. Op de lange termijn heeft slaan nauwelijks zin. 80% van de peuters vervalt nog dezelfde dag in het ongewenste gedrag, 50% zelfs binnen twee uur.

—————

JONGENSGEPOCH EN MEIDENVENIJN
Jongens slaan of schoppen sneller als ze ruzie maken. Maar betekent dat ook dat ze agressiever zijn dan meisjes? Of uiten die hun agressie op een andere manier? 

Bij jongens wordt de pikorde vooral bepaald door fysieke zaken. Wie het sterkst is bijvoorbeeld, of wie het beste kan voetballen. Meisjes zijn van nature meer gericht op het goed houden van de relatie met anderen. Het is hun sterke kant, maar óók het punt waarop ze kwetsbaar zijn. Dat is dus het terrein waarop zij hun strijd voeren.

Volgens orthopedagoge en GZ-psychologe Fieke Wellink hebben jongens wel degelijk meer aanleg tot agressief gedrag. Maar er is meer aan de hand. “Onze maatschappij is behoorlijk geëmancipeerd, maar we voeden jongens en meisjes nog steeds met verschillende verwachtingen op. Stoer gedrag van jongens wordt  meestal gestimuleerd, inclusief de lichamelijke aspecten die daarbij horen. Ze moeten fysiek laten zien dat ze sterk zijn. Bij meisjes is het tegenovergestelde het geval. Dat vertaalt zich in verschillend ruziegedrag. Jongens zullen zich wat sneller laten verleiden tot een wedstrijdje, al dan niet fysiek. Meisjes daarentegen maken eerder afspraken over hoe ze samen dingen kunnen regelen.”

Maar meisjes kunnen óók venijnig ruzie maken. Wellink: “Meisjes uiten hun agressie indirect, of verbaal. Ze roddelen bijvoorbeeld meer, of negeren een vriendinnetje om haar zo te ‘straffen’. Aan de buitenkant is dat gedrag minder verstorend, maar het kan geestelijk net zo’n heftig effect hebben.”

Uit onderzoek bij kinderen tussen de 8 en de 13 blijkt dat meisjes sneller laten zien dat ze emotioneel geraakt zijn door een ruzie. Ze zoeken bovendien achteraf vaker steun bij een vriendinnetje, een ouder of een juf of meester. Dat betekent overigens niet dat ze meer belang hechten aan hun vriendschappen. Jongens zijn namelijk beter in staat na een ruzie de relatie te herstellen. Meisjes zijn eerder geneigd na een conflict een vriendschap voorgoed te doorbreken.

Jan Kornelis Dijkstra, socioloog aan de Rijksuniversiteit Groningen, deed onderzoek naar agressief gedrag bij pubers. Volgens hem zorgt het vertonen van ‘antisociaal gedrag’ ervoor dat de status van pubers in de groep stijgt. “Zowel populaire jongens als meisjes vertonen agressief gedrag. Wel zijn meisjes vaker ‘relationeel’ in plaats van fysiek agressief. Simpel gezegd: ze zullen eerder roddelen dan er op slaan. Bij jongens is agressie veel zichtbaarder. Om een positie in een groep te verwerven is dominantie heel belangrijk. Meestal uit zich dat in iets fysieks, bijvoorbeeld door een klap uit delen.”

Hoewel fysiek agressief gedrag bij pubers dus een functie lijkt te hebben, loont het op de lange duur niet, aldus Dijkstra. “Hoe ouder kinderen worden, hoe minder ze dat soort gedrag waarderen. Dat geldt vreemd genoeg niet voor relationele agressie, zoals roddel en achterklap. Die neemt vaak juist toe, óók bij jongens.” 

———–

RUZIE? TIPS VAN TISCHA

J/M’s eigen opvoedcoach Tischa Neve krijgt in haar praktijk veel vragen over ruzie. Het eerste wat ze dan doet is ouders geruststellen. Want hoewel ruzie onrust creëert, vermoeiend en soms zelfs beangstigend kan zijn, is het óók nuttig. Door ruzie te maken leren kinderen bijvoorbeeld onderhandelen en omgaan met frustraties.

“Hoewel de meeste ouders wel weten dat ruzie erbij hoort, vinden ze het toch moeilijk om er mee om te gaan”, aldus Tischa. “Ze voelen zich machteloos, of zijn bang het verkeerd aan te pakken. Vaak melden ze zich pas bij mij als ze de wanhoop nabij zijn. Als twee broertjes zoveel ruzie maken, dat ze eigenlijk geen moment meer alleen samen kunnen zijn bijvoorbeeld. Terwijl er met enkele simpele tips vaak al een hoop te verbeteren valt.”

Tischa’s tips

  • Door elk van je kinderen een half uur per dag één op één aandacht te geven vermindert het aantal ruzies aanzienlijk.
  • Geef zelf het goede voorbeeld. Dat betekent: redelijk en duidelijk zijn. Laat je niet verleiden om mee te doen aan het welles-nietes, of om ook te gaan schreeuwen.
  • Ben je toch een keer uit je slof gesloten of boos uit elkaar gegaan, kom er dan later op terug. Vraag hoe je kind de ruzie ervaren heeft en wees niet bang toe te geven dat je onredelijk bent geweest. Zo laat je zien dat je je kind serieus neemt.
  • Als kinderen onderling bakkeleien is het verleidelijk de ruzie snel af te kappen, of om als scheidsrechter op te treden. Beide kun je beter niet doen. Kijk sowieso voor je ingrijpt eerst of kinderen er zelf uitkomen.
  • Een uitzondering is als de ruzie fysiek wordt; dan moet je wél ingrijpen. Haal de vechters uit elkaar en laat duidelijk blijken dat je het gedrag onacceptabel vindt.
  • Maken je kinderen opeens veel meer ruzie dan normaal, dan is er misschien meer aan de hand. Vaak is ruzie het ‘eindpunt’ van andere stress. Is je kind soms boos of verdrietig over hoe het op school gaat? Ben je zelf misschien erg onrustig? Dat soort dingen werken allemaal mee. 

Zo pak je het volgens Tischa in de praktijk aan

  1. Benoem wat je ziet dat er gebeurt (de feiten, niet wat je vermoedt dat er aan de hand was voor je erbij kwam), plus de gevolgen: ‘Ik zie dat jij slaat. Slaan doet pijn, dat doen we hier niet.’
  2. Stel vast wat de behoefte van beide kinderen is. Meestal kun je het zien, soms helpt kort vragen. Zodra je de situatie snapt kap je de verhalen af. ‘Stop maar, ik hoor het al, jullie willen allebei op de computer spelen en dat gaat niet.’
  3. Vraag de kinderen hoe het opgelost kan worden. Laat het ze zelf verzinnen (‘Hoe kunnen we dit oplossen, wat kunnen we doen?’) en help als het nodig is (‘Jullie kunnen om de beurt gaan, of samen een spel doen. Of we zetten dat ding voorlopig helemaal uit’).
  4. Beloon zodra het ze lukt om zonder ruzie te spelen en als ze de ruzie opgelost hebben (al dan niet zelf).
  5. Ga naar de kinderen toe en geef ze kort aandacht als ze wél leuk spelen, in plaats van alleen als er ruzie is. Zo leer je ze dat negatief gedrag en huilen geen aandacht opleveren, maar positief gedrag en leuk samen spelen wel.

————-

WAT TE DOEN MET RUZIEMAKENDE KINDEREN (4 – 12)

Wel doen:

  • Duidelijk maken dat fysiek geweld (slaan, schoppen, bijten, knijpen) en verbaal geweld (schelden, verbaal kwetsen of vernederen) niet mag.
  • De kinderen ieder hun verhaal laten doen.
  • Je onpartijdig opstellen.
  • De verantwoordelijkheid voor het vinden van een oplossing bij de kinderen laten.
  • Hen zonodig wel begeleiden bij het zoeken van die oplossing.
  • Opkomen voor degene die verdrukt dreigt te worden.

Niet doen:

  • Kinderen dwingen altijd alles samen te doen of te delen.
  • Elke ruzie afkappen of je er constant me bemoeien.
  • Kinderen tot een jaar of 4-5 vragen om hun ruzies uitgebreid te beredeneren of reconstrueren.
  • Een kant-en-klare oplossing creëren. 

WAT TE DOEN MET RUZIEMAKENDE PUBERS?

Wel doen:

  • Grenzen stellen. Geef aan wat onacceptabel is en waarom je daar last van hebt.
  • Praten, liefst met ieder kind apart, op een moment dat de emoties weer gezakt zijn.
  • Samen naar een oplossing zoeken.

Niet doen:

  • Ingrijpen, tenzij er sprake is van lichamelijke of geestelijke mishandeling. Laat ze het verder zelf oplossen.
  • Straffen of represailles opleggen: dat verhardt de strijd alleen maar. Praat er liever over met ze.
  • Je bemoeien met de schuldvraag.

——————-

Dit artikel is tot stand gekomen met dank aan:

  • Fieke Wellink is orthopedagoge en GZ-psychologe. Ze heeft een eigen adviespraktijk, Wel-link. Telefoon: 06-23030026, email: wel.link@tiscali.nl. Zie ook www.wel-link.nl.
  • Dana Franssen-Hassner is ontwikkelingspsycholoog, pedagogisch hulpverlener en integratieve kindertherapeut. Haar praktijk Talk en Play richt zich op kindertherapie, ouderbegeleiding en pedagogische hulpverlening. Telefoon: 020 – 486 49 03, email: praktijk@talkenplay.nl. Voor meer informatie: www.talkenplay.nl.
  • Kinderpsycholoog, speltherapeut en opvoeddeskundige Tischa Neve is J/M’s eigen opvoedcoach. Zij is onder meer bekend van het tv-programma Schatjes en heeft diverse boeken over opvoeding op haar naam staan. Meer informatie over Tischa en haar werk is te vinden op www.grootenklein.nl.

 

FAALANGST? DAT HEEFT-IE VAN JOU! oktober 19, 2008

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 5:04 pm

Christa (44) had als kind erge faalangst op school. Haar dochter Sanne (14) lijkt daar nu ook last van te krijgen.

Lars (12) is ontzettend bang dat hij geen goed cijfer voor wiskunde zal halen. Zozeer zelfs, dat hij bij een proefwerk helemaal blokkeert. Zijn vader heeft nooit gevoelens van faalangst gekend. Maar hij stelt wel hoge eisen aan de schoolprestaties van zijn zoon.

Is het toeval dat Sanne en Lars aan faalangst lijden? Of hebben we een grotere invloed op de mogelijke ontwikkeling van faalangst bij onze kinderen dan we denken?

“Onderdeel van een faalangsttraining op school is een avond waarbij de ouders meedoen. ‘Ik was vroeger precies zo’, hoor je dan. Of ‘Was er maar zo’n training geweest toen ik jong was, dan was me een hoop ellende bespaard gebleven.’”

Aan het woord is Annemiek Laanen, counselor van de havo/vwo-klassen op het Oostvaarderscollege in Almere. Samen met een aantal collega’s organiseert ze meerdere keren per jaar een training voor leerlingen die last hebben van faalangst. Volgens haar is er in de meeste gevallen sprake van minimaal één ouder die ook aan faalangst lijdt. Laanen: “Doorgaans zijn het de moeders die het uitspreken. Maar daarmee is niet gezegd dat vaders geen faalangst kunnen hebben. Ik vermoed dat ze het simpelweg moeilijker vinden om ermee voor de dag te komen.”

Aangeboren of aangeleerd?

Met zijn geboorte krijgt elk kind een bepaalde mate van angstige aanleg mee: het ene kind is van nature banger dan het ander. Of zich vanuit die aanleg ook faalangst ontwikkelt, hangt af van de omgeving. Negatieve ervaringen – zoals een mislukt proefwerk of een flauwe opmerking van een leraar – zijn van invloed. Maar ook de houding van ouders ten opzichte van de prestaties van hun kind speelt een belangrijke rol.

Ard Nieuwenbroek is trainer/adviseur en een van de belangrijkste experts op het gebied van faalangst in Nederland. Hij bevestigt dat faalangstige kinderen vaak ouders hebben die zelf aan faalangst lijden. “Hoe goed ouders ook hun best doen om het te verhullen, een kind pikt het altijd op als zijn vader of moeder zich ongemakkelijk voelt. Wanneer het kind vervolgens in een vergelijkbare situatie komt, zal hij het moeilijk vinden om zelfverzekerd op te treden. Zijn ouder heeft immers laten zien dat er iets is om bang voor te zijn. Bovendien kan hij onbewust het idee krijgen dat hij zijn ouder afvalt als hij het beter doet.” Verborgen loyaliteit, noemt Nieuwenbroek dat. Het is één van de factoren die faalangst in een kind kan veroorzaken.

Ben je zelf faalangstig, dan is het volgens Nieuwenbroek zaak dat vooral niet te verbergen. “Leed je er vroeger aan en ben je er vanaf gekomen, leg dan aan je kind uit hoe je dat hebt aangepakt. Heb je er nog steeds last van, stimuleer je kind dan een eigen manier te bedenken om met zijn faalangst om te gaan. Zo voorkom je dat hij zich machteloos gaat voelen. Zoek als het even kan ook zelf hulp, want niets werkt zo goed als een goed voorbeeld.”

Goedmaken

Maar er speelt meer mee dan of ouders zelf faalangst hebben of niet. Zo oefenen sommige ouders veel druk op hun kinderen uit om te presteren. Volgens Laanen gebeurt dat vaak onbewust: “Ik spreek regelmatig ouders die zeggen dat hoge cijfers helemaal niet belangrijk zijn, zolang hun kind maar gelukkig is. Volgens hen is het dus helemaal niet nodig dat hij zich zo’n zorgen maakt. Maar door dat naar het kind uit te spreken, kan hij het idee krijgen dat zijn gevoel raar is, of dat hij in hun ogen faalt. Zo oefenen ze tóch druk op hem uit om het beter te doen.”

Over druk gesproken: nogal wat kinderen moeten volgens Nieuwenbroek ‘goedmaken’ wat hun ouders niet gelukt is. Door betere cijfers te halen bijvoorbeeld, of door langer door te studeren. “Het klinkt misschien raar, maar sommige ouders leiden hun zelfbeeld af van de prestaties van hun kind. Is dat succesvol, dan zijn zij het ook. Op die manier proberen ze zich – dertig of veertig jaar later – alsnog te bewijzen naar hun eigen ouders. En naar hun omgeving, want wie wil er nu niet over zijn kind kunnen opscheppen?“

Onuitvoerbare opdrachten

Om zich emotioneel goed te kunnen ontwikkelen, is het voor een kind belangrijk te weten waar hij aan toe is. Dat geeft duidelijkheid en veiligheid. “Een kind wil weten wat hij van zijn ouders kan verwachten, en vooral ook wat zij van hem verwachten”, vertelt Nieuwenbroek. “Dat wordt lastig als je hem veel onuitvoerbare opdrachten geeft, zoals ‘doe je best’ of ‘wel flink zijn, hoor’. Want hoe weet een kind wanneer hij daaraan heeft voldaan?”

Evenzeer van invloed op het zelfvertrouwen is het aantal negatieve opmerkingen dat een kind te horen krijgt. “Er zijn gezinnen waar men voornamelijk naar elkaar uitspreekt wat niet goed gaat”, zegt Nieuwenbroek. “Complimenten zul je daar weinig tegenkomen. Bij een rapport met allemaal hoge cijfers en één onvoldoende hoort een kind dan ‘Nu alleen die vijf nog…..’.

In de haast of frustratie roept iedereen wel eens wat onduidelijks of negatiefs tegen zijn kinderen. Lang niet allemaal hebben ze daar moeite mee. Maar als je kind last van faalangst krijgt, is het goed na te gaan hoe vaak je dat doet. Nieuwenbroek: “Meestal komen ouders tot de ontdekking dat ze precies dezelfde opmerkingen maken als hun ouders vroeger. Het is een vanzelfsprekende vorm van communicatie geworden; ze weten als het ware niet beter. Maar door veel onuitvoerbare opdrachten te geven, of vooral het negatieve te benadrukken, krijgt een kind het gevoel dat zijn goede prestaties er niet toe doen en kan hij erg aan zichzelf gaan twijfelen.”

Mislukken mag niet

Wat het er allemaal niet makkelijker op maakt, is dat we in een maatschappij leven waar mislukken al snel als een ramp wordt beschouwd. Veel faalangstige kinderen komen dan ook uit gezinnen waar alleen succes telt. “Tijd noch moeite worden gespaard om kinderen het beste uit zichzelf te laten halen”, aldus Nieuwenbroek. “Uiteraard bedoelen ouders dat goed: ze zijn ervan overtuigd dat hun kind het waard is. Maar het legt wel een enorme druk op de gezinsleden. Er heerst als het ware een ongeschreven regel: ‘Mislukken mag niet’.”

Laanen’s collega Jolijn Verhagen, councelor voor het vmbo, komt regelmatig ouders tegen die ervan overtuigd zijn dat hun kind onderpresteert en alles in het werk stellen om de resultaten op te krikken. “Dat speelt vooral in de rapportperiode. Natuurlijk is het begrijpelijk dat ouders zich zorgen maken, en graag zien dat hun kinderen het goed doen op school. Maar wat ze zich niet realiseren is dat ze hun kind daarmee het gevoel geven dat het niet goed genoeg is. Soms ontstaat er een conflict tussen de ouders en de school, bijvoorbeeld over dat het kind niet goed begeleid zou worden. Dan krijgt zo’n kind het helemaal moeilijk. Uit loyaliteit zal hij altijd de kant van zijn ouders kiezen. Maar daarmee worden zijn schoolprestaties nóg meer beladen.”

Helperssyndroom

Andersom kunnen ouders soms ook teveel aan hun kinderen geven. Dan is er sprake van het ‘helperssyndroom’. Verhagen: “Faalangstige ouders hebben wel eens moeite om hun kind dingen zelf te laten ontdekken. Ze zoeken dan bijvoorbeeld alle informatie voor een werkstuk bij elkaar. Of vertellen een kind precies hoe hij zijn huiswerk moet maken. Met als gevolg dat het kind niet leert hoe dat zelf te doen.”

Zonder hulp redt niemand het om volwassen te worden. Maar met tevéél hulp ook niet. Naarmate kinderen groter worden, verschuift de taak van de ouder van helpen (iets voor je kind of samen met hem doen) naar begeleiden (hem leren zijn eigen problemen op te lossen en de situatie zelf aan te kunnen). Dat is lang niet altijd makkelijk. Sommige ouders willen hun kinderen zo graag beschermen tegen mislukkingen, dat ze teveel taken overnemen. Goed bedoeld natuurlijk, maar het heeft als effect dat het kind zich hulpeloos voelt. Gebeurt het vaker, dan kan hij bij zichzelf gaan denken dat hij het leven zonder hulp van anderen kennelijk niet aankan.

Uiteindelijk draait het allemaal om zelfvertrouwen, aldus Nieuwenbroek. “Ouders hebben het beste met hun kinderen voor. Maar om verschillende redenen geven ze hen soms onbedoeld het idee dat ze niet goed genoeg zijn, of dat ze dingen niet kunnen. Het gebrek aan zelfvertrouwen dat dat tot gevolg heeft, is een belangrijke voedingsbodem voor het ontstaan van faalangst.

Gewoon

Als je het zo beluistert moet je als ouder wel heel erg op je tellen passen om je kind géén faalangst te bezorgen. Zo erg is het gelukkig ook weer niet, aldus Nieuwenbroek. “De meeste kinderen leren prima om te gaan met zaken als kritiek en druk van buitenaf. Bovendien hangt het ontstaan van faalangst van veel meer factoren af dan alleen het gedrag van de ouders. Maar mocht je kind er toch last van krijgen, dan is het goed je af te vragen of je daar zelf misschien een aandeel in hebt. Of positiever geformuleerd: wat je als ouder kunt doen om hem daarin zo goed mogelijk te begeleiden. Faalangst, hoort, net als andere angsten, namelijk gewoon bij het leven. Met de juiste vaardigheden kan je daar prima mee leren omgaan.”

<Kader: Faalangst>

  • Iedereen voelt zich wel eens zenuwachtig als hij iets spannends moet doen. Dat hoeft geen probleem te zijn. Sterker nog, een beetje plankenkoorts verhoogt de concentratie en helpt je beter te presteren. Maar als de angst om te mislukken zo groot wordt dat het alles blokkeert, werkt de spanning averechts. In dat geval spreekt men van faalangst.
  • Er zijn drie soorten faalangst: cognitief (over leren op school), sociaal (over afgewezen of negatief beoordeeld worden door een groep) en motorisch (over het uitvoeren van lichamelijke handelingen).
  • Of iemand faalangst ontwikkelt hangt onder andere af van zijn aanleg (sommige mensen zijn van nature angstiger dan anderen) en van zijn omgeving (hebben zijn ouders faalangst gehad, wordt er veel nadruk gelegd op prestaties, etc.).
  • Op de basisschool heeft ongeveer één op de twaalf kinderen last van faalangst, op de middelbare school is dat één op de tien. Hoeveel volwassenen aan faalangst lijden is niet bekend.
  • Vooral de eerste maanden na de overgang van de basisschool naar de middelbare school en de maanden voor het eindexamen zijn ‘risicovolle’ periodes voor het ontwikkelen van faalangst.
  • Kinderen met faalangst hebben vaak ook faalangstige ouders. Uit onderzoek blijkt verder dat meisjes iets vaker faalangst hebben dan jongens en kinderen uit het westen van Nederland iets vaker dan uit het oosten.
  • Onderzocht is het niet, maar volgens Nieuwenbroek lijkt faalangst – en faalangstige ouders – op alle middelbare schooltypes ongeveer evenveel voor te komen. Havo/vwo leerlingen en hun ouders uiten zich wel anders dan die van het vmbo. De eerste groep beredeneert hun angst veel meer, terwijl de tweede groep zijn gevoel er makkelijker uitgooit.

<Kader: Onuitvoerbare opdrachten>

Onuitvoerbare opdrachten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van onzekerheid en faalangst bij een kind. De belangrijkste op een rij:

  1. Doe je best!
    Omdat het resultaat van deze opdracht niet duidelijk is, kun je als kind ook niet nagaan of je daarin geslaagd bent of niet.
  2. Doe me een plezier!
    De achterliggende boodschap van deze opdracht is: je moet iedereen in je omgeving tevreden stellen. Helaas is dat niet mogelijk zonder jezelf volledig weg te cijferen.
  3. Flink zijn!
    Voor kinderen betekent deze opdracht: je moet gevoelens van angst, pijn of verdriet onderdrukken of verbergen.
  4. Schiet op!
    Kinderen die te vaak ‘schiet op’ horen, gaan dingen vlug en oppervlakkig doen. In hun haast is de kans groot dat ze veel fouten gaan maken.
  5. Wees perfect!
    Sommige ouders zijn pas tevreden als alles – kleren, kamer, huiswerk, etc. – perfect is. Maar het is voor kinderen onmogelijk om in alle opzichten ‘foutloos’ te zijn.
  6. Wees toch spontaan!
    Het moeilijkste is om als kind opdrachten te krijgen die in zichzelf tegenstrijdig zijn. Op bevel spontaan zijn gaat immers niet!

Uit: ‘Faalangst en ouders’ van Ard Nieuwenbroek

<Kader: Meer weten?>

<Kader: Faalangst helpen voorkomen>

· Heb je als ouder zelf faalangst (gehad), wees daar dan eerlijk over naar je kinderen. Bespreek hoe je ermee omgaat. Het proberen te verbergen werkt averechts.

· Neem geen (school)taken van je kinderen over, maar help ze het zelf te leren doen. Dat kan bijvoorbeeld door samen een studieschema op te stellen.

· Af en toe mislukken mag! Sterker nog, het is nodig om te leren met tegenslagen om te gaan.

· De mens is van nature geneigd vooral het negatieve te benadrukken. Zorg ervoor dat positieve resultaten óók aandacht krijgen.

· Laat blijken dat je liefde en acceptatie niet van succes op school of in het sociale leven afhankelijk zijn.

· Vermoed je dat je kind faalangst heeft, overleg dan met school. Veel scholen bieden leerlingen cursussen over hoe met faalangst om te gaan.

 

OPVOEDEN VOLGENS DE STERREN oktober 19, 2008

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 5:01 pm

Vuur, aarde, water of lucht: het element waaronder je kind geboren is, is medebepalend voor zijn karakter. Hoe kun je in de opvoeding van die kennis gebruikmaken?

Het vuurtype: Ram, Leeuw en Boogschutter

Karaktereigenschappen

Pubers van het vuurtype zijn enthousiast, actief en spontaan. Ze treden het leven met een open vizier tegemoet. Soms kunnen ze wat eigenwijs uit de hoek komen. Het zijn vrolijke, optimistische kinderen met veel lef en zelfvertrouwen. Risico nemen is voor hen niet eng, maar juist leuk. Sterker nog, ze hebben spanning en avontuur nodig om zich goed te voelen. Stoere types dus, die nog wel eens ruw of onbehouwen uit de hoek kunnen komen. Als ouder kun je een vuurpuber het best veel ruimte geven om zijn tomeloze energie tot uitging te brengen.

Wat vinden ze moeilijk?

Deze kinderen zijn fanatieke druktemakers, die van links naar rechts schieten. Daarbij verliezen ze de praktische kant nogal eens uit het oog. Plannen is dan ook niet hun sterkste kant. Een concreet doel bepalen en daaraan vasthouden, geduld opbrengen en rekening houden met anderen zijn dingen waar vuurtypes vaak moeite mee hebben.

Waar kun je ze mee helpen?

Vuurpubers kunnen soms arrogant worden, of té impulsief. Als ouder doe je er goed aan duidelijke grenzen te stellen en je kind altijd zijn afspraken na te laten komen. Help hem verder zijn zelfbeheersing te ontwikkelen en om anderen in hun waarde te laten.

Studie en carrière

Deze types nemen graag het initiatief; in hun studie en werk zetten ze vaak de trend. Een Ram werkt het liefst projectmatig en ontwikkelt daarbij steeds iets nieuws. Een Leeuw komt het beste tot zijn recht in een leidinggevende of representatieve functie. In ieder geval in een baan met veel aanzien. Beroepen die goed bij een Boogschutter – de ‘eeuwige student’ – passen, zijn docent, journalist, advocaat of arts.

Verliefdheid en relaties

Vuurpubers doen hun naam eer aan: ze staan snel in vuur en vlam. Het zijn echte veroveraars. Eenmaal verliefd gaan ze gepassioneerd op hun doel af. Vooral Rammen laten er geen gras over groeien. Leeuwen zijn charmeurs, die hun geliefde veroveren met grootse gebaren en veel romantiek. Boogschutters zijn jagers van het soort die het gras aan de overkant groener vindt. Niet altijd even trouw kortom.

Communiceren met een vuurpuber

Kinderen van dit type zoeken als geen ander de grenzen op. Conflicten in de pubertijd zijn dan ook onvermijdelijk. Vooral met ‘aardeouders’ bost het nogal eens; die hebben de neiging hun kind af te remmen in hun levenslust en dadendrang. Zorg er als ouder voor dat je ‘vuurvast’ bent en je autoriteit op een heldere manier laat gelden. Wees open en direct, maar vooral ook duidelijk en consequent. Niet gehoord of niet serieus genomen worden maakt vuurpubers dwars. Respect, liefde, vertrouwen en voldoende vrijheid zijn daarom toverwoorden.

Het aardetype: Stier, Maagd en Steenbok

Karaktereigenschappen

Aardetypes zijn degelijk, nuchter en realistisch. Harde werkers ook; ze nemen de tijd om dingen zorgvuldig aan te pakken en laten zich niet gauw gek maken. Meestal verloopt hun pubertijd vrij rustig. Kinderen van dit type zijn vaak behoorlijk materialistisch: ze gaan goed gekleed en bezitten de nieuwste snufjes. Omdat ze erg met hun uiterlijk bezig zijn kunnen ze in de pubertijd extra worstelen met lichamelijke veranderingen.

Wat vinden ze moeilijk?

Als deze kinderen niet lekker in hun vel zitten, reageren ze negatief of cynisch. Ze zijn eerder geneigd iets van een sombere dan van een positieve kant te bekijken. Neerslachtigheid en depressie liggen op de loer. Gevoel van eigenwaarde is voor aardetypes niet vanzelfsprekend. Door hun materialistische inslag kunnen ze soms als kil en afstandelijk overkomen.

Waar kun je ze mee helpen?

Om wat luchtiger en vrolijker door het leven te gaan. Laat zien dat lol maken en genieten oké is, zeker op deze leeftijd! Stimuleer ze om het initiatief te nemen en contact te leggen met anderen. Maak duidelijk dat je hun prestaties waardeert en hun zelfvertrouwen zal zienderogen groeien.

Studie en carrière

Zakelijk, geduldig, realistisch; zo is een aardetype in zijn werk. Hij ordent zaken en creëert een duidelijke structuur. Lang en hard werken is voor hem geen probleem. In bestuurlijke functies komt hij goed tot zijn recht. Aardepubers zullen zich vaak tot de wereld van het grote geld aangetrokken voelen. De IT, de overheid, de bouw (architectuur) en de grafische industrie zijn richtingen die goed bij hem passen.

Verliefdheid en relaties

In de liefde zijn aardetypes erg voorzichtig. Ze willen eerst zeker weten of ze in de smaak vallen. Pas dan beginnen ze hun veroveringsspel, bij voorkeur door de (potentiële) geliefde te overladen met cadeaus. Een Stier heeft tijd nodig om aan de nieuwe situatie van het ‘stel zijn’ te wennen. Lukt dat, dan is hij een zeer trouwe partner. Een Maagd is erg kieskeurig en zal niet gauw verliefd worden. Al dat kleffe gedoe vindt hij maar niks. Van de drie aardetekens is de Steenbok het meest gesloten. Hij stelt hoge eisen: pas als de potentiële partner op alle niveaus is goedgekeurd (opleiding, achtergrond, uiterlijk etc.) kan zich een langdurige relatie ontwikkelen.

Communiceren met een aardepuber

Benader aardepubers op een rustige en nuchtere manier. Als ze in de problemen zitten werkt het beter om praktische oplossingen te zoeken dan in discussie te gaan of je autoritair op te stellen. Dit type kinderen heeft veel behoefte aan veiligheid. Inconsequent gedrag vinden ze vreselijk en brengt hen danig uit hun evenwicht. De tegenpool van aarde is vuur. Een vuurouder doet er goed aan zijn enthousiasme enigszins te temperen. Grote kans dat hij anders frontaal botst met de nuchtere en kalme houding van zijn kind.

Het luchttype: Tweeling, Weegschaal en Waterman

Karaktereigenschappen

Luchttypes zijn de meest spraakzame van de vier elementen. Als puber hebben ze altijd hun woordje klaar. Ze zitten vol ideeën en delen die graag met de rest van de wereld. Contact leggen gaat hen makkelijk af. Luchtkinderen kunnen dingen goed relativeren en houden zeker niet van moeilijk doen. Ze zijn verstandelijk ingesteld en goed in logisch nadenken. Alles wordt zorgvuldig van twee kanten bekeken, voordat er een oordeel wordt geveld. Kennis opdoen en doorgeven vinden ze heerlijk. Communicatie is voor dit type het sleutelwoord.

Wat vinden ze moeilijk?

Soms zijn deze pubers erg theoretisch. Door alles naar boekenkennis te vertalen komen ze nogal eens afstandelijk over. Omgaan met emoties en gevoelens is voor hen lastig. Ook hebben ze de neiging de realiteit uit het oog te verliezen. In de haast alles uit te leggen struikelen ze regelmatig over hun eigen woorden. Luchtkinderen zijn natuurlijke piekeraars: ze vinden het moeilijk hun altijd maar malende gedachten tot stilstand te brengen. Dat kan ze druk, nerveus en wispelturig maken.

Waar kun je ze mee helpen?

Om oprecht te leren luisteren en zich te verdiepen in wat er in anderen omgaat. Check samen met je kind steeds weer hoe realistisch zijn gedachtespinsels zijn. Zo kun je hem helpen om minder te tobben.

Studie en carrière

Luchtmensen zijn de boodschappers van de samenleving. Ze brengen zaken in beweging en leggen verbindingen tussen mensen. Denken en praten is hun kracht. Zolang hij maar goed contact heeft met anderen voelt het luchttype zich in elke werkomgeving thuis. Een baan in de journalistiek of politiek is bij uitstek geschikt.

Verliefdheid en relaties

Relaties zijn heel erg belangrijk voor een luchtpuber. Als hij verliefd is maakt hij dat duidelijk met een brief of gedicht. Woorden betekenen voor hem meer dan daden. Vooral Tweelingen kunnen niet zonder een interessante en spannende partner waar vele uren mee gediscussieerd kan worden. Weegschalen willen vooral alles samen delen. Heel liefdevol, maar het gevaar bestaat wel dat hij zo zijn eigen identiteit verliest. De vrijheidslievende Waterman heeft niet zo’n behoefte aan een intieme liefdesband. Kameraadschap, vrijheid en gelijkwaardigheid zijn voor hem belangrijker.

Communiceren met een luchtpuber

Luchtpubers begrijpen snel waar het om gaat en weten dingen goed te verwoorden. In een conflictsituatie gaan ze zonder meer de strijd met je aan. Leg in dat geval duidelijk uit waarom je reageert zoals je doet; begrip is de helft van de oplossing bij deze kinderen. Met een waterouder – de tegenpool van lucht – kan de communicatie soms stroef verlopen. Een waterouder reageert gevoelsmatig en dat is nu net iets waar een luchtkind moeilijk mee uit de voeten kan.

Het vuurtype: Kreeft, Schorpioen en Vis

Karaktereigenschappen

Watertypes zijn echte gevoelsmensen. Ze beschikken over een groot inlevingsvermogen en enorme verbeeldingskracht. Dromers zijn het, waarvan de realiteitszin soms ver te zoeken is. Waterpubers voelen sferen en stemmingen van anderen feilloos aan. Bovendien is hun intuïtie haarscherp. Ze zijn heel direct betrokken bij de dingen die ze meemaken en reageren direct vanuit hun gevoel. Dat maakt ze emotioneel bijzonder kwetsbaar. Deze kinderen hebben grote behoefte aan emotionele geborgenheid en een veilige thuishaven.

Wat vinden ze moeilijk?

Pubers van dit type kunnen nare ervaringen soms moeilijk loslaten; ze blijven lang in hun negatieve emoties hangen. Iets objectief bekijken of een gebeurtenis relativeren is voor hen lastig. Angst en depressieve buien zijn dan niet ver weg. Omdat ze zich zo goed inleven vinden ze het moeilijk duidelijke grenzen te stellen, met het gevaar dat anderen over hen heenlopen. Om aan de overdaad aan gevoelens te ontkomen kunnen waterpubers nog wel eens vluchten in drank of drugs.

Waar kun je ze mee helpen?

Om hen met beide benen op de grond te houden en hun praktische kant te ontwikkelen. Voorkom dat de fantasie de overhand krijgt. Leer hen dat hun eigen gevoelens óók de moeite waard zijn en dat ze op tijd grenzen stellen naar anderen.

Studie en carrière

De gevoelige watertypes komen geweldig tot hun recht in verzorgende beroepen als arts of verpleegkundige. In het zakenleven doen ze het vooral goed achter de schermen, bijvoorbeeld in de water- of milieusector of de scheepvaart. In een ‘harde’ werkomgeving als een bank of een advocatenkantoor wordt hun gevoeligheid vaak minder gewaardeerd.

Verliefdheid en relaties

Waterpubers hechten zich snel aan een nieuwe geliefde. Er wordt niet zoveel gepraat, maar des te meer gevoeld. Dit type is constant attent op de gemoedstoestand van de ander. Verliefde kreeften zijn vooral heel zorgzaam voor hun partner. Wordt een Schorpioen verliefd, dan gaat dat gepaard met heftige emoties. Het zijn gepassioneerde minnaars die ‘alles of niets’ willen. Vissenpubers kunnen zich totaal verliezen in de romantiek. Het gevaar is dat ze hun geliefde daarbij teveel op een voetstuk plaatsen.

Communiceren met een waterpuber

Waterpubers pikken de gemoedstoestand van hun ouders direct op, ook als die hun verdriet of boosheid proberen te verbergen. De stemming in het gezin oefent een grote invloed uit op hoe ze zich voelen. Maar zo makkelijk als dit type anderen aanvoelt, zo moeilijk is het soms zijn gevoel te doorgronden. Bovendien zijn waterkinderen snel gekwetst en voelen ze zich gauw minderwaardig. Dat maakt de communicatie er niet makkelijker op. Een voorzichtige, zorgzame aanpak is het beste. Respecteer je kind zijn gevoeligheid. Kom niet aan met uitspraken als ‘zo erg is het nu ook weer niet’; daarmee voelt hij zich niet serieus genomen. Als natuurlijke tegenpool zal een luchtouder proberen het gevoel vooral rationeel te benaderen, maar dat werkt juist averechts. Beter is proberen je in te leven in zijn belevingswereld te verplaatsen.

Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met Hermine Merlijn, astrologe en regressie- en reïncarnatietherapeute. Naast therapie geeft Hermine workshops Spiritueel bewustzijn en Spiritualiteit en zwangerschap. Meer weten? Kijk op www.samskara.nl of bel 0570 – 636 503.

 

“MOEILIJKE ETERS MAKEN WE ZELF” september 17, 2008

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 2:59 pm

“Ik vind het bizar dat de gemiddelde Nederlander zo weinig kennis heeft over wat hij in zijn mond stopt. En als je niet weet wat je eet, weet je ook niet wat slecht of goed voor je is. Door kinderen leuke smaakproefjes te laten doen, leren ze spelenderwijs van alles over eten: over waar het vandaan komt en of het gezond is of niet. Daarmee leg je de basis voor gezonde keuzes later.”

Aan het woord is de kok Pierre Wind, die de afgelopen jaren is uitgegroeid tot hét boegbeeld van smaaklessen op school. De meeste mensen kennen Wind van zijn tv-programma’s, waarin hij zich als een overenthousiaste wervelwind door de keuken begeeft. Maar zo doldriest als hij zich op tv gedraagt, zo serieus is zijn boodschap. “Al die te dikke en ongezonde kinderen hebben we zelf gemaakt.”

Hoe is het idee voor smaakles op school ontstaan?

“In 1994 werd voor het eerst de Dag van de Smaak georganiseerd. Koks gingen naar scholen om uitleg geven over de herkomst van eten. Waar melk vandaan komt en hoe mayonaise gemaakt wordt, dat soort dingen. Een goed initiatief, maar één lesje per jaar over eten zet natuurlijk geen zoden aan de dijk. Zo kwam ik op het idee van smaaklessen. Overigens heeft het nog tot 2006 geduurd voordat de lessen landelijk zijn geïntroduceerd. In je jaren ’90 was er gewoon geen animo voor. Maar toen politici en schoolbesturen zich bewust werden van de problemen met overgewicht bij kinderen, sloeg dat plotseling om. Inmiddels doen meer dan 1000 scholen mee.”

Hoe komt het dat je al die jaren zo gepassioneerd over het onderwerp bent gebleven?

“Omdat ik het vreselijk vind dat we onze kinderen tot zulke ongezonde volwassenen opvoeden! Kijk naar mij. Ik heb als kind nooit iets geleerd over gezond eten, noch thuis, noch op school. Met als gevolg dat ik jaren op vettigheid en restjes heb geleefd. Gewoon omdat ik niet beter wist. Ik wil andere kinderen voor hetzelfde lot behoeden. Bovendien: het aantal volwassenen én kinderen met suikerziekte en obesitas loopt de spuigaten uit. Als het zo doorgaat helpen we een hele generatie om zeep. Goed leren eten is de beste en goedkoopste gezondheidspreventie die er is. Hoe eerder je daarmee begint, hoe groter de kans op succes.”

Wat gebeurt er bij een doorsnee smaakles?

“Lekker eten moet je niet alleen proeven, maar ook ruiken, horen, voelen en zien. Eten is beleven! Dat gebeurt door in de klas allerlei proefjes te doen die zinnenprikkelend, leuk en praktisch zijn. Zo ontwikkelen kinderen liefde voor eten. En als je interesse hebt in wat je eet, ga je vanzelf ook nadenken over waar het vandaan komt, en of het wel gezond is. Op de lange termijn vertaalt zich dat in betere en bewustere keuzes.”

Is het schoolprogramma niet veel te druk voor nóg een vak erbij?

“Smaakles is geen grappige extraatje, maar een serieus vak: net zo essentieel als aardrijkskunde of verkeersles. We hebben het tenslotte wel over een eerste levensbehoefte! Als je het zo benadert staan scholen daar wel voor open. Maar smaakles moet wat mij betreft wel verplicht worden. Anders verdwijnt het binnen een paar jaar geheid weer van de agenda. In 2009 worden de eindtermen van het basisonderwijs opnieuw vastgesteld. Lukt het bij die gelegenheid niet smaakles tot een verplicht vak te maken, dan komt er op mijn grafsteen te staan ‘missie mislukt’.

In de lagere klassen gaat het er vooral om kinderen spelenderwijs vertrouwd te maken met verschillende smaken. Later is er sprake van echte kennisoverdracht, over ingrediënten, dierenwelzijn en milieu bijvoorbeeld. Ook op andere manieren kan aandacht aan voedsel worden besteed. Als je kinderen alle provincies uit hun hoofd laat leren, vertel er dan meteen bij dat Zeeland zo’n belangrijk aardappelgebied is. En hoe voedzaam aardappels zijn. En als je elke vrijdagmiddag op school samen thee drinkt of soep maakt, kies dan voor thee met bijzondere smaakjes, of laat kinderen soep met vreemde of kleurtjes bereiden. Vinden ze geweldig en ze steken er nog wat van op ook. Overigens kom je er natuurlijk niet met smaaklessen alleen. De lessen op school moeten versterken wat ouders hun kinderen thuis leren en vice versa.”

Hoe belangrijk zijn ouders bij het ontwikkelen van de smaak van hun kinderen?

“Ongelofelijk belangrijk! Veel ouders geloven het niet, maar een kind kan in principe alles leren eten. moeilijke eters worden niet geboren, maar gemaakt. Door hun ouders ja. Zij bepalen of ‘vies’ bestaat of niet. Naarmate kinderen groter worden gaan ook andere factoren meespelen – wat vriendjes eten en reclame – maar het begint allemaal bij de ouders.”

Vanaf welke leeftijd kun je kinderen iets over smaak leren?

“Vanaf het moment dat ze de eerste hap vast voedsel in hun mond steken. Neem nu die kant-en-klare potjes babyvoeding, met zo’n laffe en vaak ook zoete smaak. Geef je die vaak aan je kinderen, dan zullen ze een enorme drang naar zoetigheid ontwikkelen. Suikermonstertjes worden dat! Bovendien: heb je wel eens zo’n potje geproefd? Ik weet zeker dat je die viezigheid niet voor jezelf op het menu zou zetten. Dus waarom voor je kind dan wel?”

Hoe kun je een kind iets leren eten wat hij niet lekker vindt?

“Door het hem keer op keer te laten proberen, maar hem nooit te dwingen. En nooit, maar dan ook nooit je kind straffen over eten. Anders zal hij altijd een negatief gevoel bij dat bepaalde gerecht houden. In plaats daarvan spreek je af dat hij van alles wat je op tafel zet één hapje proeft. Vindt hij het niet lekker? Probeer het over een paar maanden gewoon opnieuw. Een andere tip is je kind zo jong mogelijk mee te laten koken. Dan zal hij de paprika die hij eerst niet lustte waarschijnlijk wel opeten. Want wie heeft nu commentaar op zijn eigen werk?”

Hoe kun je als ouder het goede voorbeeld geven?

“Om te beginnen door te laten zien dat je zelf alles durft te proeven. En vermijd het woord ‘vies’. Je kunt iets niet lekker vinden, maar van zo’n algemeen statement als ‘het is vies’ komt een product nooit meer af. Verder ben ik een groot voorstander van experimenteren met nieuwe smaken. Breng regelmatig een bezoek aan de natuurwinkel; daar kom je altijd wel iets tegen dat je nog niet kent. Soms is het een flop, maar vaak ook top. Het laatste wat ik zelf heb getest was rijstpasta. Toevallig een flop, want het werd één zompige brij. Maar toch leuk om een keer geproefd te hebben.

Ook een goed idee: geef vanaf dat je kinderen een jaar of acht zijn iedereen in het gezin een vaste kookdag in de week. Dat stimuleert kinderen na te denken over wat ze lekker vinden, hoe je dat bereidt en welke boodschappen je ervoor nodig hebt. Als ouder laat je daarmee zien dat je hun mening over eten serieus neemt.”

Je hebt zelf een zoon van 17 en een dochter van 11. Hoe is het met hun smaakopvoeding gegaan?

“Die is heus niet altijd even soepel verlopen. Maar omdat mijn vrouw en ik er nooit een drama van hebben gemaakt, eten ze inmiddels bijna alles. Al hebben mijn kinderen wel eens moeite met mijn experimenten. Die pakken namelijk niet altijd even goed uit. ‘Je bent toch van kok van beroep?’, zeggen ze dan. ‘Wanneer gaan wij daar eens wat van merken?’ Om die reden mag ik thuis bijna nooit meer koken.

Overigens hebben we in ons gezin met een extra uitdaging te maken: vanaf het moment dat mijn dochter kon praten gaf ze aan dat ze geen dieren wilden eten. Zij is dus als enige in ons gezin vegetarisch. Dat heb ik altijd gerespecteerd, want als een kind iets echt niet wil hoeft dat niet. Heel af en toe eet ze per ongeluk wel eens iets van vlees, in een tosti of zo. Dan zal ik nooit zeggen: ‘zie je wel dat je vlees lekker vindt!’. Net als straffen is ook pesten uit den boze als het om eten gaat.”

Zijn er verschillen in eetgedrag tussen jongens en meisjes?

“Zeker weten. Vooral in de pubertijd gaan de voorkeuren uiteen lopen. Dat heeft met de hormoonontwikkeling te maken. Meisjes hebben als gevolg daarvan bijvoorbeeld een grotere behoefte aan chocolade dan jongens. Vóór de pubertijd worden de verschillen vooral door de ouders veroorzaakt. Simpel gezegd: slecht voorbeeld doet slecht volgen. Door de bank genomen zijn vaders moeilijker eters dan moeders. Als je zo’n zeurende pappa aan tafel hebt die zegt dat groente voor konijnen is kun je wel raden wat zijn zoon van broccoli vindt.”

Zijn lightproducten een goed alternatief voor te zware kinderen?

“Lightproducten zijn oplichterij. In light chips zitten misschien 460 kilojoules per honderd gram, tegenover 550 in gewone chips. Maar 460 is nog steeds heel erg veel! Bovendien geven lightproducten vaak minder voldoening, zodat je er alleen maar meer van gaat eten. Het allerergst zijn wel lightfrisdranken. Puur gif vind ik dat. Mijn advies: geen lightproducten aan je kinderen geven. Als ouder ben je trouwens ook beter af zonder.”

Aan het eind van gesprek wil Pierre graag nog één belangrijke boodschap kwijt. “Vergeet niet dat eten bovenal heel erg leuk is! Als jij daarvan geniet, doen je kinderen dat ook.”

Meer weten over smaaklessen op school? Kijk op www.smaaklessen.nl.

Pierre Wind is schrijver van meerdere boeken, waaronder De wondere wereld van een keukenkoning – Het interactieve familiekookboek (Uitgeverij Tirion, ISBN 978-90-4390-953-2). Daarin staan tal van proefjes en recepten die je samen met je kinderen kunt proberen.

<Kader: Proeven>

Proeven doe je met het binnenste van je mond. En dan vooral met je tong. Niet alleen met de bovenkant, maar ook met de voorkant, de achterkant en de zijkanten. Op je tong zitten speciale cellen waarmee je kunt proeven, zogenaamde ‘smaakknoppen’. Dat is niet hetzelfde als een smaakpapil, want dat is een verzamelpunt. Een papil kan diverse smaakknoppen bevatten, maar ook geen. Smaakknoppen leven maar zo’n dag of tien. Daarna vernieuwen ze zich. Dat is handig, bijvoorbeeld als je je tong verbrand hebt. Een smaakknop proeft zelf niets, maar stuurt slechts een boodschap door naar de hersenen. Samen met signalen uit je neus, je ogen en je oren wordt bepaald waar iets naar smaakt en of het lekker is of niet. Een volwassene heeft gemiddeld een paar duizend smaakknoppen, kinderen hebben er meer. Vooral na je 45ste neemt het aantal smaakknoppen af.

Uit: De wondere wereld van een keukenkoning

<Kader: Wie is Pierre Wind?>

Pierre Wind (43) is kok, docent en schrijver van verschillende (kook)boeken. Hij werkte in sterrenrestaurants als Seinpost, Saur en Prinses Juliana. Ook runde hij jarenlang zijn eigen restaurant. Verrassende gerechten van zijn hand zijn onder andere zuurkoolijs, framboos-bietenparfait, choco-bananensushi, vruchtenhagel-uiencompote, gamba’s met vanillevla, fricandellencarpaccio en erwtensoep met marsepein. Vanaf 1997 kreeg Pierre Wind bekendheid door zijn optredens op televisie in onder andere De Eetfabriek, een serie over de voedselindustrie. In 2004 had hij een gastrol als foodstylist in de film Feestje. Om parlementsleden te overtuigen van het belang van smaaklessen op school verzorgde hij in 2006 een smaakles in de Tweede Kamer.

LEUK OM THUIS TE PROBEREN: DE ZINTUIGENTEST!


Volgens
Pierre Wind proef je met al je zintuigen. Dus niet alleen met je mond, maar, ook met je ogen, je oren, je neus en je huid. Moeilijk te geloven? Probeer deze testjes dan maar eens met je kinderen! Ook leuk voor op een partijtje.

Proeven met je oren

Wat heb je nodig?

MP3-speler met een fijn en een rotmuziekje erop

Toastjes

Eiersalade

Blinddoek

Hoe moet je de proef doen?
Beleg een droog toastje met een laagje eiersalade. Doe de proefpersoon een blinddoek om en zet de hem een koptelefoon op. Speel de track met de rotmuziek af en laat de proefpersoon(en) een hap van het toastje proeven. Let op: de proefpersoon mag vooraf niet weten wat hij gaat proeven. Stel twee vragen: ‘Wat is het?’ en ‘Is het lekker?’. Herhaal het proefje, maar dan met de fijne muziek (en een nieuw toastje).


Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?
Waarschijnlijk zal vond de proefpersoon het toastje dat hij tijdens de rotmuziek heeft gegeten niet lekker, en hetzelfde toastje tijdens het fijne muziekje wel. Grote kans dat hij bovendien zal denken dat hij twee verschillende dingen heeft gegeten. Conclusie: je oren proeven ook.

Proeven met je ogen

Wat heb je nodig?

Twee bakje aardappelsalades

Rode voedselkleurstof (onder andere te koop bij de toko)

Vork

Hoe moet je de proef doen?

Meng voorzichtig een paar druppels voedselkleurstof door een van de bakjes aardappelsalade, zodat die een rode kleur krijgt. Zorg ervoor dat de proefpersonen het mengen niet zien en verklap niet wat in de schaaltjes zit. Laat de proefpersoon van beide schaaltjes proeven en vertellen waar het naar smaakt. Laat hem vervolgens kiezen welke hij het lekkerst vindt.

Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?
De proefpersoon zal hoogstwaarschijnlijk denken dat de aardappelsalade met de rode kleur een andere smaak had dan ‘gewone’ salade. Dat kan helemaal niet, want de kleurstof gebruikt is smaakloos. Zo beïnvloeden je ogen dus je smaak!

Proeven met je neus

Wat heb je nodig?

Theelepel vanillesuiker

Wasknijper

Blinddoek

Hoe moet je de proef doen?

De persoon die aan dit testje onderworpen wordt mag absoluut niet weten wat hij gaat proeven. Doe hem een blinddoek om en zet de wasknijper voorzichtig op zijn neus. Laat hem de theelepel vanillesuiker proeven en vraag hem waar het naar smaakt.

Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?
Als het goed is zal de proefpersoon antwoorden dat hij suiker heeft gegeten. Geen vanillesuiker, want vanille ruik je wel, maar proef je niet.

Proeven met je mond

Wat heb je nodig?

Blinddoek

Heel dun plakje appel (gebruik daarvoor een kaasschaaf)

Heel dun plakje peer

Heel dun plakje ui

Wasknijper

Hoe moet je de proef doen?

Ook bij dit testje mag de proefpersoon absoluut niet weten over wat hij gaat proeven Doe hem een blinddoek om en zet de wasknijper voorzichtig op zijn neus. Leg uit dat hij drie keer iets te proeven krijgt. De proever moet snel een hapje van het plakje nemen, goed kauwen en zeggen wat het is. De geadviseerde proefvolgorde is: appel, ui en peer.

Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?
Dat bijna niemand alle drie de smaken goed heeft. Vooral ui gaat vaak fout. Conclusie: alleen proeven met je mond, zonder gebruik van je andere zintuigen, is heel moeilijk.

Proeven met je gevoel

Wat heb je nodig?

Aardbeienthee

Aardbeiensiroop, aangelengd met water

Hoe moet je de proef doen?

Zet een kopje aardbeienthee en laat dat goed afkoelen in de koelkast. Warm een bekertje aangelengde limonadesiroop op in de magnetron of in een pannetje. Bedek het oppervlak van (ondoorzichtige) bekerts met aluminiumfolie en steek er een rietje in. (Met grote mensen kun je deze test doen met een (ijskoud) glaasje rode wijn en een (ijskoud) glaasje witte wijn.) Zorg dat de proefpersoon niet ziet wat er in de bekers zit. Geef hem eerst de warme beker in de handen en laat hem er een slok van drinken. Vraag hem wat het is en of het lekker smaakt. Herhaal met het de koude beker.

Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?

Dat het warme drankje thee is en het koude drankje limonade. Of iets warm of koud voelt bepaalt dus mede waar het naar smaakt.

<Meer proefjes>

Vla is vla

Hoe goed kun je proeven wanneer je iets anders ziet dan wat je proeft?

Wat heb je nodig?

4 (ondoorzichtige) plastic bekertjes voor 2/3 gevuld met blanke vla

2 X 3 eetlepels vanillevla

3 eetlepels hopjesvla

3 eetlepels chocoladevla

4 ronde velletjes aluminiumfolie of vetvrij papier, zo groot als de doorsnee van het bekertje

4 dikke rietjes

glaasje water

Hoe moet je de proef doen?

Steek in het midden van het aluminiumvelletje of vetvrij papier een dik rietje. Steek het rietje in de blanke vla op zo’n manier, dat het velletje op de vla komt te leggen. Doe hetzelfde voor de andere drie bekertjes. Bedek dan van één bekertje het aluminium- of papieren velletje met hopjesvla. Doe dat met een ander bekertje met chocoladevla en vul de twee overige bekertjes op met vanillevla. Bij alle vier de bekertjes steekt er een rietje uit en zie je de blanke vla niet, maar als je eraan zuigt proef je blanke vla. Belangrijk: de proever(s) mag absoluut niet weten dat er met de bekertjes geknoeid is! Laat hem alle vier de bekertjes proeven (tussendoor een slokje water) en vertellen waar ze naar smaken.

Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?

Waarschijnlijk heeft niemand ze alle vier goed. De kleur van wat we eten beïnvloedt onze smaakbeleving.

Je proeft wat er niet is

Wat heb je nodig?

3 bekertjes

1 soort cola

Hoe moet je de proef doen?

Zet de proefpersoon drie bekertjes cola voor. (Belangrijk: zorg dat hij niet heeft gezien dat je ze uit dezelfde fles hebt ingeschonken.) Vraag om heel zorgvuldig te proeven en vast te stellen welke de lekkerste is.

Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?

Dat één van de drie lekkerder wordt bevonden dan de ander!

Een leuke variant op dit proefje is met drie verschillende colamerken. Maak twee van de flessen leeg. Giet in de twee lege flessen gedeeltelijk de cola uit de derde fles. Schenk de cola in de bekers waar de proefpersoon bij is, zodat hij de verschillende merken kan zien. Vraag of hij wil proeven welke hij het lekkerst vindt. Er zullen weinig proevers zijn die zullen zeggen dat ze alledrie hetzelfde smaken.

Zoet, zoeter, zoetst

Wat heb je nodig?

1 glas frisdrank

2 suikerklontjes

Hoe moet je de proef doen?

Laat de proever een flinke slok frisdrank nemen en vervolgens 2 suikerklontjes opeten. Laat hem vervolgens opnieuw een slok frisdank nemen. Is de smaak hetzelfde gebleven?

Wat zal waarschijnlijk de reactie zijn?

De smaak van de tweede slok zal als minder zoet – en misschien zelfs zurig – worden ervaren. Want als je iets zoets eet of drinkt, zal het product daarna in smaak aan zoetkracht afnemen. Kortom: alle producten die je eet of drinkt hebben invloed op elkaar.

 

HET KOSTBARE KINDERGEBIT september 17, 2008

Ingedeeld onder: 10 - J/M voor Ouders — martevansanten @ 2:52 pm

Dat een kind eerst een melkgebit en dan een blijvend gebit krijgt weten we allemaal. Maar op welke leeftijd is dat wisselen afgelopen? En wanneer moet je je zorgen gaan maken over de ontwikkeling van je kind zijn tanden en kiezen?

Het gebit heeft drie functies: het zorgt ervoor dat we ons eten vermalen, zodat het goed verteerd kan worden. Het helpt ons om duidelijk te praten. En het geeft mede vorm aan ons gezicht. Maar waarom hebben we er twee versies van nodig?

Het melkgebit is een bijzonder slimme oplossing van moeder natuur voor een ingewikkeld probleem: de groei. Tijdens de groei verandert elk deel van het lichaam. Botten, schedel, nagels: alles groeit mee. Dat wil zeggen, alles behalve het gebit. Tanden en kiezen zijn namelijk het hardste weefsel dat we hebben en daarmee niet in staat van vorm te veranderen.

Een grote mensengebit in een groeiende kinderkaak passen lukt niet. Vandaar dat we eerst een kleiner melkgebit krijgen. Dat slijt langzaam tot we eruit gegroeid zijn. Dan wordt het ingeruild voor het blijvende gebit. Die blijvende tanden en kiezen zijn harder. Gelukkig maar, want ze moeten een heel leven mee.

Fase 1: De doorbraak (zes maanden tot drie jaar)

Doorgaans verschijnt het eerste tandje – een van de twee onderste snijtanden – tussen de zes en de negen maanden. Maar het kan ook eerder of (veel) later gebeuren. Bij het ene kind breken de tanden al na drie of vier maanden door, bij anderen duurt dat wel tot ze twintig maanden oud zijn. Gewoon afwachten is het beste advies.

Eerst zijn de tanden van de onderkaak aan de beurt, dan die van de bovenkaak. Dat gebeurt in een vaste volgorde. Na de eerste doorbraak komen er zo elke twee maanden twee tanden bij. De laatste melkkies komt in de regel tussen de 24 en de 30 maanden door. Een volledig melkgebit bestaat uit twaalf tanden en acht kiezen. Jongens krijgen over het algemeen eerder tanden dan meisjes.

tanden

bovenkaak

onderkaak

1e tand

10

8

2e tand

11

12

hoektand

19

20

eerste kies

16

16

tweede kies

28

26

Tabel: Gemiddelde leeftijd waarop het melkgebit doorbreekt (in maanden)

Veel babykwaaltjes, zoals huilen, hangen, koorts of diarree, worden toegeschreven aan doorkomende tandjes. Toch blijkt uit een groot Nederlands onderzoek dat de meeste baby’s weinig last van hun nieuwe gebit hebben. Wel is het vaak zo dat ze graag ergens op willen bijten. Een stukje speelgoed, een bijtring: alles is geod. Let er wel op dat de voorwerpen glad zijn, zodat het tandvlees of de wang niet beschadigd worden. Ook moeten ze goed schoon te maken zijn. Te hard bijten kan eigenlijk niet.

Fase 2: Het tijdelijke gebit is compleet (vier tot zes jaar)

Bijna de helft van de vijfjarigen heeft gaatjes, gemiddeld zes (!) per kind. Veel mensen denken dat de verzorging van het melkgebit niet zo belangrijk is, omdat het toch gewisseld wordt. Niet waar! Er zijn meerdere redenen waarom het nodig is het melkgebit gaaf te houden of – waar nodig – tijdig te vullen. De eerste is de algehele gezondheid van uw kind. Ontstekingen zijn verzamelplaatsen voor bacteriën die zich naar andere delen van het lichaam kunnen verspreiden. Met pijnlijke kiezen kun je bovendien slecht kauwen, wat weer gevolgen heeft voor de spijsvertering. Verder houdt iedere tand en kies van het melkgebit een plekje vrij voor zijn opvolger. Als een melkkies door een gaatje eerder verwijderd moet worden, kan de blijvende kies bijvoorbeeld scheef doorkomen. Tot slot geeft een gaatje in het melkgebit aan dat de poets- en eetgewoontes niet goed zijn. Die situatie zal echt niet ineens verbeteren als een kind gaat wisselen.

Op zijn vierde jaar is een kind oud genoeg om behandeld te worden door de tandarts. In principe moet zijn gebit vanaf dat moment elk half jaar gecontroleerd worden. Het is echter verstandig uw kind al vanaf zijn tweede mee te nemen als u zelf voor periodieke controle naar de tandarts gaat. Laat hem rondlopen en op eigen kracht naar alles kijken. Als dat lukt is het goed om de tandarts even in zijn mond te laten kijken. Zo went hij aan de mensen en de omgeving.

Fase 3: De eerste wisselfase (zes tot negen jaar)

Rond het zesde jaar maken de middelste ondertanden plaats voor de eerste blijvende tanden. De opvolger lost als het ware de wortel van de melktand op, waardoor hij zelf kan doorschuiven. Meestal breken rond dezelfde tijd de eerste blijvende kiezen door. Die wisselen niet, maar komen er gewoon achteraan de tandenrij bij.

Het doorbreken van de blijvende tanden en kiezen levert zelden pijnklachten op. Toch is het een moment van extra aandacht. De eerste blijvende kiezen hebben een sterk geribbeld kauwvlak, waar makkelijk voedselresten in kunnen achterblijven. Dat kan op den duur leiden tot het ontstaan van een gaatje. De tandarts kan gemakkelijk een laagje plastic over het kauwvlak plakken, zodat geribbelde oppervlak mooi glad wordt. Sealen heet dat.

Fase 4: Nog niet uitgewisseld? (negen tot dertien jaar)

In deze periode gebeurt er relatief weinig met het gebit. De kleine kiezen breken door en ergens achterin sluit de tweede grote blijvende kies in de rij aan. De laatste melktand wisselt pas tussen het tiende en elfde jaar. Dat gaat in de regel ongemerkt.

Het melk- en het blijvende gebit verschillen in een groot aantal opzichten van elkaar. Zo zijn de blijvende tanden donkerder, soms wat geler van kleur. Harder poetsen heeft geen zin, ze worden er niet lichter door! Daarnaast is het glazuur van blijvende tanden sterker. Dat moet ook, want ze gaan behoorlijk lang mee.

Gevaren: tandbederf en tanderosie

De afgelopen twintig jaar is het tandbederf (gaatjes) bij kinderen flink gedaald. Onze elfjarigen behoren zelfs tot de kinderen met de beste gebitten van Europa. Betekent dat dat we er geen aandacht meer aan hoeven besteden? Helaas niet! Het aantal gaatjes lijkt de laatste jaren namelijk weer toe te nemen.

Als tanden doorbreken, vormt zich er meteen een laagje tandplak op. Tandplak is een kleverig spulletje, bestaande uit speekseleiwitten, suikers en bacteriën. Die bacteriën zetten suiker om in zuur en lossen daarmee het glazuur op. Als dat teveel en te vaak gebeurt, ontstaan er gaatjes. Tandenpoetsen is de beste manier om de kans op tandbederf (en ontstoken tandvlees) te verkleinen. Daarmee wordt de tandplak verwijderd en het aantal bacteriën drastisch verlaagd.

Niet alleen de suiker, maar ook de zuren in ons voedsel tasten ons gebit aan. Vooral dranken (bijvoorbeeld vruchtensappen en frisdranken) zijn grote boosdoeners. De zuren daarin lossen het glazuur op de tanden op. Tanderosie heet dat. Lees meer over tanderosie op pagina 10 en verder.

Om tandbederf en tanderosie te voorkomen wordt geadviseerd meteen na het doorkomen van de eerste tand te beginnen met tandenpoetsen. Gebruik daarbij tandpasta met fluoride. Een geringe dosis fluoride kan het glazuur van tanden en kiezen sterker – en dus minder oplosbaar – maken. Extra fluoridetabletjes zijn in dat geval niet nodig. Hoe u het gebit van uw kind goed kunt poetsen leest u op pagina 20 en 21.

Andere problemen

Meestal verloopt de ontwikkeling van het kindergebit prima, maar in sommige gevallen kunnen er toch problemen ontstaan. In de volgende gevallen is het verstandig om advies aan uw tandarts te vragen:

  • als uw kind bijna acht jaar is en nog niet wisselt.
  • als er meer dan zes maanden zitten tussen het wisselen van een tand of kies aan de linker- en de rechterkant.
  • als er een nieuwe tand of kies doorkomt, maar de melktand of -kies zit nog steeds vast.
  • als uw kind een langere tijd pijn bij het wisselen heeft dan zijn leeftijdgenoten.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het boek ‘Ik breek door – Gids voor het kindergebit’ van Jaap Veerkamp, Frans Frankenmolen en Karin Weerheijm. (Uitgeverij Thoth 2003, ISBN 9789068683493)