Marte van Santen

Freelance journaliste en schrijfster

EEN RELATIE IS GEEN TOEVAL oktober 23, 2009

Ingedeeld onder: 17 - Nouveau — martevansanten @ 8:02 am

016017

De zondebok van de familie kiest vaak een partner waar haar ouders het niet mee eens zijn. De favoriete dochter van vader trouwt dikwijls met een oudere man. En kinderen uit een goed huwelijk hebben vaak zelf ook stabiele, duurzame relaties. Kortom: je familie heeft meer invloed op de liefde dan je misschien zou denken.

Wie als jonge volwassene het ouderlijk huis verlaat, krijgt een rugzakje met familiewaardes en opdrachten mee. ‘Over je gevoel praat je niet’ bijvoorbeeld,  ‘buitenstaanders zijn niet te vertrouwen’, of ‘jezelf opofferen voor anderen maakt je een beter mens’. Al die boodschappen spelen een rol bij het aangaan van relaties, vaak zonder dat je je ervan bewust bent.

Loyaal

“Je kunt het leven zien als een liefdesladder”, zegt Else-Marie van den Eerenbeemt, familietherapeut, docent en onderzoeker op het gebied van familiebetrekkingen. “De staanders van de ladder zijn je ouders en andere familieleden. Van hen krijg je  boodschappen mee over wie je bent, over wat goed en slecht is, over wat hoort en niet hoort. Ze vormen de basis voor je gekozen relaties, met een partner of vrienden. Dat zijn de sporten op de ladder.”

Zo bekeken is het niet zo verwonderlijk dat familiebanden effect hebben op liefdesrelaties; de staanders en de sporten van de ladder zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat geldt ook als je geen contact meer met je ouders hebt, of als ze overleden zijn, meent Van den Eerenbeemt. “Een ouder-kindrelatie is de meest fundamentele band die mensen kunnen hebben. Die kun je niet opzeggen of beëindigen. Een ex-partner bestaat, een ex-ouder niet.”

Daar komt volgens haar bij dat ieder kind – en dus elke volwassene – in wezen loyaal is aan zijn vader en moeder. Zelfs als de relatie met hen ernstig beschadigd is. “Je bent nu eenmaal uit hen voortgekomen. Het is ondraaglijk om de vijand van je eigen wortels te zijn, want daarmee word je feitelijk een vijand van jezelf.”

Die gezamenlijke wortels leggen de basis voor een onvervangbare vertrouwensband. Hoe die band vorm krijgt, hoe veilig en gewaardeerd je je als kind voelt, bepaalt mede wat voor relaties je later buiten je familie aangaat.

Goekeuring

“Uit onderzoek blijkt dat er een samenhang is tussen de goedkeuring van ouders over een partner en de kwaliteit van de relatie van hun kind”, vertelt familietherapeut Mirjam Diatlowicki. “Als ouders achter de partnerkeuze staan, is de relatie vaker goed. Het geeft kinderen vertrouwen, en creëert ruimte voor een relatie om zich op een positieve manier te ontwikkelen.”

Andersom maakt een ouderlijke afwijzing het knap lastig om je relatie stevig te houden. Diatlowicki: “Als je ouders je partner maar een loser vinden, kom je onherroepelijk in een loyaliteitsconflict terecht. In zo’n situatie is het heel moeilijk om je emotioneel helemaal aan je partner te geven, hoe zeer je ook achter je eigen keus staat. Dat kan over en weer wrevel en verwijten veroorzaken, en effect hebben op de intimiteit en je seksleven.”

Wat moet en mag

Het (onuitgesproken) erfgoed over liefde en relaties dat je van je familie meekrijgt kan je op verschillende manieren beïnvloeden, vertelt Van den Eerenbeemt. De dingen die je van je ouders mag, oftewel het legaat, helpen je om jezelf te ontwikkelen. De boodschappen zijn dan een hulpmiddel of houvast bij de inrichting van je toekomst. Een gevoel van rechtvaardigheid is bijvoorbeeld een legaat, of de vrijheid om je eigen partner te kiezen, ongeacht zijn afkomst. Maar er is ook zoiets als een delegaat. Dat zijn de dingen die je moet, de dwingende opdrachten. Je familie gelast je – al dan niet stilzwijgend – om op een bepaalde manier te leven, die eigenlijk niet bij je past. Als je als kind bijvoorbeeld hebt geleerd dat buitenstaanders eropuit zijn je te kwetsen, maakt dat het als volwassene lastig om anderen te vertrouwen. Mensen die die boodschap hebben meegekregen, hebben vaak moeite om een liefdesrelatie aan te gaan.

Een delegaat hangt vaak samen met een bepaalde ‘rol’ die je in de familie vervult, aldus Van den Eerenbeemt. “Bijvoorbeeld die van rustbewaarder, zorgdrager of zondebok. Voor je gevoel moet je je daaraan houden – dat verwacht je familie immers – maar tegelijk belemmert het je om helemaal jezelf te kunnen zijn. Verzet je je ertegen, dan voel je je niet loyaal aan je ouders. Ga je er in mee, dan ben je onloyaal aan jezelf.”

Goedmaken

Teveel aan de verwachtingen van je vader en moeder willen voldoen kan problemen in je relatie geven, maar je er tegen afzetten óók. “Je ziet regelmatig mensen die het heel anders willen doen dan hun ouders”, zegt Diatlowicki. “Op die manier denken ze korte metten te kunnen maken met de boodschappen waarmee ze zijn opgegroeid. ‘Dat heb ik uit mijn systeem gewerkt’, hoor je dan. Maar de pijn blijft. En daarmee ook de invloed op hun eigen relatie.”

Het gevaar bestaat volgens Diatlowicki dat je wéér vast komt te zitten in een opdracht, maar dan één tegenovergesteld aan die je van je ouders hebt gekregen. “Zo willen volwassen kinderen van gescheiden ouders soms koste wat het kost voorkomen dat hun eigen huwelijk misloopt. Dat legt een enorme druk op de relatie. Een partner kan de  hoge verwachtingen vaak niet waarmaken. Met de kans dat het dan dus toch fout loopt.”

Een andere valkuil is in je relatie pijn van vroeger ‘goed te willen maken’. Diatlowicki: “Een vrouw met een kille, harteloze moeder zal haar man mogelijk overladen met aandacht, om te verhoeden dat hij net zo moet lijden als haar vader vroeger. Maar wie zegt dat hij daarop zit te wachten? Als je zo je best doet om het ‘anders’ te doen, bestaat de kans dat je de werkelijke behoefte van je partner uit het oog verliest. Je denkt dat je hem behaagt, maar feitelijk ben je vooral met je eigen pijn bezig.”

Een andere vorm van ‘goedmaken’ is bij je partner te zoeken wat je zelf als kind hebt gemist. Dat zie je volgens Diatlowicki vooral gebeuren bij mensen die zich toen ze klein waren nutteloos of minderwaardig voelden. “Volwassenen die als kind emotioneel verwaarloosd zijn, proberen vaak genoegdoening te halen bij hun partner. Tevergeefs, want als je het basisvertrouwen in jezelf mist, kan een partner nooit genoeg bewijzen dat hij van je houdt.”

Verbonden

Wil dat zeggen dat je, als je een ongelukkige jeugd hebt gehad, of een moeizame band met je ouders hebt, je nooit een goede liefdesrelatie kunt opbouwen? “Gelukkig niet”, meent Diatlowicki. “Maar je moet er in dat geval wel harder voor werken.”

Het is volgens haar onmogelijk om in een relatie helemaal met een schone lei te beginnen. “Familiepatronen zijn zo ingesleten, dat je dikwijls je hele leven nodig hebt om daar een passend antwoord op te vinden. Als dat lukt, kom je een stapje verder. Boodschappen uitwissen is lastig, maar je kunt er wel een voor jou positieve interpretatie aan geven.”

Daarvoor is het nodig dat je je ouders niet langer de schuld geeft van hoe je je voelt, aldus Diatlowicki. “Dat is alleen maar negatieve energie. Als je inziet dat je ouders zelf ooit ook kinderen waren, die aan de verwachtingen van hún ouders moesten voldoen, kun je ze hun fouten makkelijker vergeven en hoef je die niet meer goed te maken in je eigen relatie.”

‘Vrijheid in verbondenheid’ noemt Van den Eerenbeemt dat. “Je bent vrij in het maken van je eigen liefdeskeuzes, maar altijd in het besef dat je kind blijft van je ouders, en dat je beïnvloed wordt door de ‘pincode’ die van generatie op generatie wordt doorgegeven. De truc is je daar niet aan te willen onttrekken, maar er een persoonlijke invulling aan te geven. Je eigen toekomst scheppen is niet een kwestie van je losmaken van je ouders, maar van het maken van eigen keuzes in de wetenschap dat je met hen verbonden bent.”

[Optioneel kader]

Familietherapie

  • Op www.contextueelwerkers.nl vindt u een overzicht van familietherapeuten in heel Nederland.
  • Www.mdmcontext.nl is de website van de praktijk van Mirjam Diatlowicki.
  • Op www.else-marie.nl vindt u meer informatie over het werk van Else-Marie van den Eerenbeemt.

[Optioneel kader]

Meer lezen?

  • Else-Marie van den Eerenbeemt, De liefdesladder – Over familie en nieuwe liefdes (Uitgeverij Archipel, 2007).
  • Else-Marie van den Eerenbeemt, Door het oog van de familie – Liefde, leed en loyoaliteit (Uitgeverij Bert Bakker, 2008).
  • Mark Bryan, Taal van de liefde – Verbeter je familierelaties en ontdek jezelf (The house of books, 2000).
  • Ed Nissink, Je ouders op je schouders – De relatie herzien (Uitgeverij Ankh-Hermes, 2002).

[Kader]

Willemijn Pauw (53) werkt op de financiële administratie van een universiteit. Ze heeft sinds zeven jaar een LAT-relatie met Patrick. Haar twee jaar jongere broer overleed toen ze 28 was. Ze heeft een halfzus van 40.

“Op mijn negende vertrok mijn vader. Daarna heb ik hem nooit meer gezien of gesproken, mede uit loyaliteit naar mijn moeder. Met haar heb ik over die gebeurtenis – tot op de dag van vandaag – nooit gepraat. ‘Problemen los je zelf maar op’; dat was de onuitgesproken boodschap die ik meekreeg. Als oudste kind werd ik bovendien geacht mezelf te redden.

Van mijn vader kan ik me niets herinneren. Als persoon heeft hij mijn relaties dus niet beïnvloed. Het feit dat hij ons in de steek liet deed dat wel. Ik heb heel lang moeite gehad anderen te vertrouwen. Net als mijn moeder voelde ik me als mens minderwaardig, en was ik bang om in de steek te worden gelaten.

Net uit huis trouwde ik met een man die me als oud vuil behandelde. Toch ben ik zeven jaar bij hem gebleven, uit angst om alleen te zijn. Mijn moeder heb ik nooit over die ellendige tijd verteld. Na het vertrek van mijn vader en de dood van mijn broertje wilde ik haar niet nog meer belasten. Ik kropte al mijn gevoel op.

Na nog een mislukte relatie ben ik een aantal jaar alleen geweest. Dat was nodig om  mezelf te leren kennen. In die tijd heb ik heel wat afgeanalyseerd. Ik kreeg meer begrip voor mijn ouders, en wist me langzaam van hen los te maken. Dat maakte de weg vrij voor de geweldige, positieve relatie die ik nu heb. Als we een huis vinden dat groot genoeg voor ons beide is, willen we zelfs gaan samenwonen!”

Om privacyredenen is de naam van Willemijn veranderd.

[Kader]

Ellen Meijer (49) – de oudste van drie kinderen – is fotograaf. Ze is 25 jaar getrouwd met Pieter, met wie ze een zoon van 23 en een dochter van 19 heeft.

“Het huwelijk van mijn ouders heeft me vooral geleerd wat ik niet wilde: de dominante, vernederende manier waarop mijn vader mijn moeder – en ons – behandelde. Het maakte me argwanend naar mannen; ik was doodsbang om net zo afhankelijk te worden. Gelukkig trof ik een rustige, gevoelige man, die me in mijn waarde laat.

Als oudste kind werd ik mijn moeders steunpilaar. Ze eiste een groot deel van mijn tijd en aandacht op. Mijn leven stond in dienst van haar, ook toen ik allang uit huis was. Wat ik wilde deed niet ter zake. Het voelde vreselijk benauwend, en maakte me heel onzeker. Maar toch deed ik alles wat ze vroeg. Mijn taak was immers om mezelf voor haar op te offeren.

Die situatie veranderde pas toen ik negen jaar geleden na een ongeluk fysiek niet meer in staat was mijn moeder te helpen. Daarop liet ze me als een baksteen vallen. Wéér kreeg ik de boodschap, die mijn ouders me ook als kind gaven: je bent niet belangrijk, je telt niet mee.

Door het ongeluk ben ik me gaan realiseren hoe ongezond de relatie met mijn moeder eigenlijk was. Sindsdien werk ik er hard aan om de negatieve patronen te doorbreken. Voor mezelf, maar vooral ook om een ander voorbeeld aan mijn kinderen te geven. Dat gaat steeds beter. Toch blijven sommige dingen moeilijk, vooral omdat ik ze nooit heb geleerd. Over mijn gevoelens praten bijvoorbeeld, of tijd of aandacht voor mezelf vragen. Ergens voelt het nog steeds alsof dat niet hoort.”

Om privacyredenen is de naam van Ellen veranderd.

 

VRIENDEN VOOR ALTIJD? september 18, 2009

Ingedeeld onder: 17 - Nouveau — martevansanten @ 1:09 pm

002 (2)003 (2)

In het poeziealbum van toen zijn ze vereeuwigd: de vriendinnen die voor altijd onze béste vriendin zouden zijn. Maar uit onderzoek blijkt dat we elke zeven jaar de helft van onze vrienden ‘vervangen’.

Annemarie de B. is onlangs 50 geworden. Een echte mijlpaal, die een feestje waard was. Met oude en nieuwe bekenden. Ze spitte haar uiteengevallen adresboek door, en voor ze het wist had ze 43 gasten op haar lijstje staan. De avond was een groot succes. Maar met hoeveel van de genodigden zou Annemarie privézaken bespreken?

“Ik schat twee of drie”, zegt socioloog Gerald Mollenhorst. Hij deed onderzoek naar de ontwikkeling van vriendschappen. En wat blijkt? De gemiddelde Nederlander heeft 2,5 vriend met wie hij persoonlijke kwesties bespreekt. 27% van de mensen heeft maar één persoon en 13% zelfs niemand met wie hij zijn privébesognes deelt. Dat lijkt misschien weinig, maar dat valt best mee, aldus Mollenhorst. “Het is bijvoorbeeld meer dan bij Amerikanen. Bovendien: je kent natuurlijk veel meer mensen dan je vrienden hebt.”

In zijn onderzoek keek Mollenhorst hoe vriendschappen zich in de loop der tijd ontwikkelen. De verrassende uitkomst: in zeven jaar raakt een mens gemiddeld de helft van zijn vrienden kwijt. Of beter gezegd: je vervangt ze door andere. Want over het geheel genomen blijft het aantal vrienden dat we hebben in die periode ongeveer gelijk.

 

Nieuwe omgeving

Vriendschap lijkt kortom beperkt houdbaar. Maken we dan zoveel ruzie met elkaar? “Helemaal niet”, meent Mollenhorst. “Slechts één op de tien mensen zet bewust een punt achter een relatie, bijvoorbeeld na een heftig meningsverschil. Maar in verreweg de meeste gevallen bloedt de vriendschap gewoon dood. De belangrijkste reden daarvoor is dat er simpelweg minder gelegenheid is om elkaar te zien. Als je bijvoorbeeld van baan verandert of verhuist, moet je echt je best doen om de contacten met oude collega’s of buren goed te houden. In de praktijk zal het eerder zo zijn dat je hen ‘vervangt’ door mensen die je in je nieuwe omgeving tegenkomt.”

Volgens Mollenhorst is het best jammer dat contacten zo makkelijk verloren gaan. Hechte relaties zorgen er namelijk voor dat mensen gelukkiger en zelfs gezonder zijn, zo blijkt uit onderzoek. Zijn tip: investeer in de vrienden die je belangrijk vindt. “Zorg dat je mogelijkheden creëert om ze regelmatig te zien, zelfs als dat niet meer vanzelfsprekend is. Oud-collega’s kom je weliswaar niet meer op het werk tegen, maar je kunt wel met ze gaan sporten, of een boekenclub met ze beginnen. Zo creëer je een nieuwe verbinding.”

De mogelijkheid om elkaar fysiek te ontmoeten speelt sowieso een veel grotere rol in onze vriendschappen dan we denken, blijkt uit Mollenhorst’s onderzoek. “Men zegt vaak: je familie kies je niet, je vrienden wel. Dat is maar ten dele waar. Het is niet alleen je persoonlijke voorkeur, maar ook de omgeving waarin je je bevindt die bepaalt wie je vrienden zijn. Als je je hele leven op tennis hebt gezeten, maak je meestal geen vriendinnen bij de hockeyclub. En een manager zal niet zo gauw een persoonlijke band opbouwen met iemand van de productieafdeling. Dat principe geldt voor kindervriendschappen net zo goed als voor volwassenen. Bij het vinden van vrienden – en partners – kijken mensen over het algemeen niet verder dan hun eigen ‘kleine wereldje’. Vaak heeft dat trouwens ook te maken met een gebrek aan tijd. Je kunt simpelweg maar in een beperkt aantal kringetjes meedraaien.”

 

Contacten online

Toen Mollenhorst in 2000 met zijn onderzoek begon, speelde het internet nog nauwelijks een rol bij het ontstaan of het onderhouden van vriendschappen. Dat is anno 2009 wel anders. Vooral sociale netwerksites zoals Hyves en Facebook zijn niet meer weg te denken als het om het contact met vrienden en kennissen gaat (zie kader). Dat zulke sites allang niet meer alleen bedoeld zijn voor jongeren, blijkt wel uit de cijfers: in april 2009 had 64,1% van alle Nederlanders tussen de 35 en 49 een profiel op Hyves. Boven de 50 lag dat cijfers weliswaar iets lager, maar in die leeftijdsgroep was nog altijd 29,7 lid van de website. En dat aantal groeit dagelijks.

“Op internet vinden mensen elkaar sneller aardig dan in de echte wereld”, zegt Marjolijn Antheunis, communicatiewetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. Zij promoveerde onlangs op de vraag in hoeverre online communicatie vriendschapsvorming beïnvloedt. Ze ontdekte dat vriendschappen sneller op internet dan in het echt worden gesloten. “Dat komt onder omdat mensen zich online zo goed mogelijk kunnen voordoen. In het gewone leven word je direct afgerekend op je uiterlijk of andere dingen waar je weinig invloed op hebt, zoals blozen of moeilijk uit je woorden kunnen komen. Op internet is dat anders: daar kun je zelf bepalen wat voor beeld anderen van je krijgen.”

Er zijn volgens Antheunis nog meer redenen waarom sites zoals Hyves zo populair zijn. “Het is online veel makkelijker om in een korte tijd veel van elkaar te weten te komen. De gevoelsmatige afstand maakt dat mensen snel heel persoonlijke informatie delen. Zo ontstaat er een vertrouwensband. En je ontdekt sneller hoe iemand in elkaar zit dan als je elkaar op een feestje of in de trein tegenkomt. Hoe meer de ander qua belangstelling op jou lijkt, hoe groter de kans dat je vrienden wordt.”

Daar komt bij dat netwerksites volgens Antheunis bij uitstek geschikt zijn om bij anderen te ‘gluren’. Ongemerkt kijken hoe je vrienden zich presenteren, of het je oude liefde nu vergaat; wie wil dat nu niet?

 

Persoon én via het internet

Pubers die eindeloos achter internet hangen, vakantiefoto’s die alleen nog maar online worden gedeeld: veel mensen vrezen dat internetvriendschappen ten koste gaan van persoonlijke contacten. Geheel onterecht, aldus Antheunis. “Online communicatie biedt juist een extra mogelijkheid om met mensen te communiceren. De relatie met goede vrienden blijkt er nauwelijks door te veranderen. En die met anderen – kennissen, collega’s, sportmaatjes en oud-klasgenoten – wordt er juist sterker van. Zo kun je makkelijker in contact komen of blijven met mensen die je anders waarschijnlijk nooit zou zien.”

Op één punt zijn Mollenhorst en Antheunis het eens: voor een blijvende vriendschap is persoonlijk contact toch onontbeerlijk. “Minder dan 10% van de mensen heeft een vriendschap die uitsluitend virtueel is”, vertelt Antheunis. “Als het klikt, wil je elkaar uiteindelijk ook in het echt ontmoeten. De gedeelde ervaringen die je dan opdoet kunnen nooit door digitaal bericht of een webcam worden vervangen.”

Mensen doen zichzelf op internet vaak mooier voor dan ze zijn. Valt zo’n ‘live’ ontmoeting dan niet tegen? “Nee hoor”, zegt Antheunis. “In een profiel worden meestal maar kleine dingen aangepast. Een paar jaar jonger of een paar kilo lichter, bijvoorbeeld. Niet genoeg om je bij een ontmoeting belazerd te voelen. Bovendien heb je dan al zo’n band opgebouwd, dat uiterlijkheden er minder toe doen.”

De tijd dat vriendschappelijk contact via internet werd gezien als iets voor eenzame of zielige mensen is volgens Antheunis definitief voorbij. “Nog even en het online communiceren is net zo gewoon als bellen. Maak er gebruik van! De kwaliteit van je sociale leven zal er alleen maar op vooruitgaan.”

 

[Kader]

Sociaal netwerk?

In 2007 beschikte 83% van de Nederlandse huishoudens over toegang tot internet. Daarmee loopt ons land internationaal aan kop. Hetzelfde geldt voor het aantal virtuele sociale netwerken: 49% van alle Nederlanders tussen de 18 en 65 is lid van zo’n site. De Verenigde Arabische Emiraten staan tweede op de ranglijst (46%), gevolgd door Canada (44%).

Hyves is de meest populaire netwerksite van Nederland. Leden van Hyves maken een profiel aan, waarin ze een beschrijving van zichzelf geven, foto’s en filmpjes tonen of een weblog bijhouden. Vervolgens gaan ze op zoek naar vrienden en bekenden die ook een profiel hebben. Zo kunnen ze van afstand volgen hoe het met hen gaat. Ook bestaat de mogelijkheid om ‘krabbels’ (berichtjes) achter te laten op pagina’s van vrienden.

 

[Kader]

 Nicolien van Buuren (47) werkt als manager bij de overheid. Ze is getrouwd en heeft drie dochters (15, 13 en 10).

“Mijn vriendengroep ziet er heel anders uit dan zeven jaar geleden. Zo tenniste ik toen wekelijks met een vast clubje. Ook buiten het sporten trokken we veel met elkaar op. Van hen zie ik nu eigenlijk niemand meer. Omdat ik gestopt ben met tennissen, maar ook omdat ik mijn weinige tijd liever aan echte vriendschappen besteed. Je kunt elk uur maar één keer vergeven.

Mijn twee beste vriendinnen heb ik pas negen en vijf jaar geleden leren kennen. De één kwam naast me wonen, de ander ontmoette ik via een training van het werk. Best bijzonder om op latere leeftijd nog van die hechte banden op te bouwen. In mijn omgeving hoor ik dat niet vaak.

Ik was niet bewust naar hen op zoek – hoe doe je dat trouwens, vrienden zoeken? – maar ze vulden wel een gat in mijn leven. De vrouwen die ik nog van school kende, gingen een heel andere kant op dan ik. We hadden steeds minder met elkaar te delen. Mijn nieuwe vriendinnen zijn net als ik erg met hun carrière en hun persoonlijke ontwikkeling bezig. Dat stelt me op mijn gemak; ik voel me door hen begrepen.

Overigens heb ik met de vriendinnen van vroeger nog steeds wel contact, zij het wat minder intensief. Een gedeeld verleden is immers óók wat waard. Dat gooi je niet zomaar weg.”

 

[Kader]

Cecile Akkerman (51, getrouwd) werkt als verpleegster op de afdeling cardiologie van een groot ziekenhuis.

“Ik ben in mijn leven zo vaak verhuisd, dat ik nooit de kans heb gekregen om hechte vriendschappen op te bouwen. Des te bijzonderder vind ik het dat ik nu toch nog een hartsvriendin heb gevonden. Via internet.

Drie jaar geleden stuitte ik bij toeval op een weblog over dieren. Ik werd gegrepen door de verhalen en ik liet een berichtje achter. De maakster van de weblog, Barbara, schreef meteen terug. Zo raakte we ‘aan de praat’. Al snel bleken we heel veel gemeen te hebben: we komen allebei uit een kunstenaarsgezin, onze mannen lijden aan dezelfde ziekte en we hebben veel vergelijkbare dingen meegemaakt. Het voelde meteen zo vertrouwd. Alsof we familie waren.

We schrijven elkaar minimaal eens per week, maar soms ook twee keer per dag. ‘Lieve zusjesvriendin’, zo begin ik mijn mails aan haar. Onze jeugd, onze relaties, de beslommeringen van alle dag; niets blijft onbesproken. Omdat we elkaar zo goed begrijpen, kan ik helemaal mezelf zijn bij Barbara. Onvoorwaardelijk, zo ervaar ik onze vriendschap.

Na drie jaar corresponderen besloten we dat het tijd was elkaar in levende lijve te ontmoeten. Waarom toen pas? Geen idee, het voelde gewoon als het juiste moment. Natuurlijk was ik zenuwachtig, maar zodra we elkaar omhelsden wist ik: het zit goed. In minder dan geen tijd zaten we te kletsen als twee meisjes van zestien. Hoe kan het ook anders; in Barbara heb ik mijn soulsister gevonden.”

 De namen van Nicolien en Cecile zijn om privacyredenen veranderd.

 

EEN HEEL NIEUW BEGIN maart 14, 2008

Ingedeeld onder: 17 - Nouveau — martevansanten @ 12:48 pm

scannen0009.jpgscannen0010.jpg 

  

Dit artikel is gepubliceerd in Nouveau – april 2008. 

Wil van Roekel (52) is van oorsprong verpleegkundige. Een groot deel van haar carrière werkte ze als zelfstandig adviseur in de gezondheidszorg. Vier jaar geleden besloot ze haar jeugddroom –in crisisgebieden werken – alsnog waar te maken. Sindsdien is ze door Artsen zonder Grenzen uitgezonden naar Oezbekistan, de Democratische Republiek Congo en Tsjaad. Wil heeft een zoon van 29.  

“Negen jaar geleden kreeg ik van een vriend een Afrikaanse trommel cadeau. Ik nam les en was meteen verkocht. Het ritme maakte een soort oerkracht in me wakker. Fysiek en mentaal kwam ik helemaal los van de wereld. Want piekeren en je op een moeilijk ritme concentreren gaan gewoon niet samen.  

Toen mijn leraar me uitnodigde om mee te gaan op een muziekreis naar zijn thuisland Guinee, heb ik direct ja gezegd. Ik logeerde bij zijn familie. Ondanks dat we elkaars taal niet spraken, gaven ze me direct het gevoel dat ik erbij hoorde. Zonder verwachtingen, zonder oordelen. Voor het eerst in mijn leven kon ik helemaal mezelf zijn. Het was alsof ik thuiskwam. 

Eenmaal bevangen door de liefde het continent en de mensen ging ik zo vaak mogelijk terug naar Afrika. Tijdens mijn reizen werd er regelmatig een beroep op mijn medische kennis gedaan. Maar van de ziektes daar wist ik niets. Daarom besloot ik een opleiding tropische ziekten en ontwikkelingssamenwerking te volgen. Mijn werk als adviseur in Nederland zette ik op een laag pitje.  

Een deel van de lessen werd verzorgd door mensen van Artsen zonder Grenzen. Hun enthousiaste verhalen trokken me over de streep: dat wilde ik ook! Kort nadat ik me bij hen had aangemeld werd ik voor negen maanden naar Oezbekistan uitgezonden. Niet mijn ideale bestemming, maar ik wilde geen nee zeggen. Het ging me immers niet om mijn eigen behoeftes, maar om het helpen van mensen.  

Na Oezbekistan werd het wél Afrika: eerst achttien maanden in Congo en daarna nog negen maanden in Tsjaad. Ondervoeding, oorlogsgeweld, verkrachtingen, tropische ziektes: ik heb het daar allemaal van dichtbij meegemaakt. Tot dat moment kende ik de beelden alleen van tv, maar opeens stond ik er middenin. Vreselijk schrikken, maar tegelijkertijd was ik blij dat ik tenminste iets kon doen 

Ik ben redelijk goed in staat alle ellende van me afzetten. Tenminste, zo lang ik dáár ben. Maar terug in Nederland grijpt het me naar de keel. Er is zóveel rijkdom hier, en tegelijkertijd wordt er zóveel geklaagd. Dat staat me ontzettend tegen. Ik zou daarom graag mijn ervaringen nog eens met een groter publiek delen. Om mensen hier te laten zien hoe erg oorlog is. Vanwege de slachtoffers, maar óók vanwege alles eromheen: de ontwrichting van het onderwijs, van de gezondheidszorg, noem maar op. Weinig mensen realiseren zich de impact daarvan. 

Hoe mijn toekomst er uit ziet? Misschien ga ik binnenkort weer voor Artsen zonder Grenzen op pad. Maar misschien ga ik ook met mijn eigen bedrijf projecten in Afrika opzetten. Een van de grote voordelen van een nieuwe weg inslaan als je wat ouder bent, is dat je je niet meer zo hoeft te bewijzen. Ik kan nu  precies doen waar ik zin in heb. Dat voelt geweldig. 

Ik heb geen seconde spijt gehad van mijn keus om een nieuw begin te maken. Integendeel, het heeft mijn leven enorm verrijkt. Mijn wereld is zoveel groter geworden! Verder heb ik ontdekt dat ik met heel weinig tevreden kan zijn. Me wassen in een emmer? Geen toilet in huis? Vandaag geen eten? Ik red me wel. En ik ben nog gelukkig ook. Bovenal weet ik hoe geweldig het voelt om mensen die het écht nodig hebben te kunnen helpen. Dat motiveert me om er mee door te gaan. Nee, ik ben nog lang niet klaar in Afrika!” 

Marieke van der Wal (50) is getrouwd en heeft drie kinderen, een dochter van 20 en twee zonen van 18 en 15. Ze werkt parttime als activiteitenbegeleidster in de gezondheidszorg. In 2007 kreeg Marieke een nieuw hart.  

“Vorig jaar vierde ik twee verjaardagen: de dag dat ik vijftig jaar geleden werd geboren én de dag dat ik een nieuw hart kreeg. Want op dat moment begon mijn tweede leven.  

Direct na mijn geboorte werd een hartruis geconstateerd. Nader onderzoek wees uit dat er een gaatje tussen de twee hartkamers zat en dat een hartklep niet helemaal goed werkte. Mijn hart moest harder werken dan normaal om het bloed in mijn lichaam rond te pompen.  

Op mijn elfde besloten de artsen me preventief te opereren. Als ze niets deden, zou mijn hart te snel slijten. Het was een zware ingreep; ik lag acht weken in het ziekenhuis. Maar bang was ik niet. Mijn zusje was een aantal jaar daarvoor ook aan haar hart geopereerd. Ik dacht dat het er gewoon bij hoorde.  

De jaren daarna merkte ik weinig van mijn hartproblemen. Ik ging werken, trouwde en kreeg kinderen. Hoewel ik nergens last van had, constateerde de cardioloog na de geboorte van mijn tweede zoon dat mijn hart steeds groter werd en minder krachtig ging kloppen. Hij besloot een pacemaker te plaatsen. Twee jaar later werd mijn hartklep vervangen door een kunstklep. Emotioneel vielen die operaties me zwaar, omdat ik ondertussen kinderen had. Zelf ben ik op jonge leeftijd mijn moeder verloren en ik moest er niet aan denken dat hen hetzelfde zou overkomen. Gelukkig verliep het herstel spoedig.  

In 2004 was mijn pacemaker aan vervanging toe. Zes weken na de operatie bleek ik een bacteriële infectie in mijn hart te hebben opgelopen. Vanaf dat moment ging het geleidelijk bergafwaarts. Ik voelde me rot, had steeds minder energie. Maar voor de buitenwereld hield ik me groot.  

Eind 2006 begon mijn cardioloog voor het eerst over de mogelijkheid van een harttransplantatie. Dat bericht kwam aan als een mokerslag. Het klinkt misschien raar, maar het idee van een transplantatie was nooit in mijn hoofd opgekomen. Daarvoor vond ik mezelf niet ziek genoeg. 

Amper twee maanden daarna was mijn hart al zó verslapt, dat het plotseling ophield te slaan. Het transplantatietraject werd versneld in gang gezet. Na een reeks onderzoeken kwam het verlossende woord: ik was fit genoeg om voor een nieuw hart in aanmerking te komen. Een jaar daarvoor moest ik er nog niet aan denken, nu vierde ik een feestje. 

Inmiddels was ik zo verzwakt dat ik de transplantatie in het ziekenhuis moest afwachten. Als ik die al zou halen, want de artsen gaven me hoogstens nog een paar maanden. Op een avond liep een onbekende arts mijn kamer binnen. ‘Vannacht krijgt u een nieuw hart’, zei ze. Dolblij was ik. In minder dan geen tijd stond mijn hele familie rond mijn bed. Het afscheid was heel emotioneel; ik wist niet of ik ze nog terug zou zien. Maar na een operatie van ruim zes uur deed ik mijn ogen open en wist gelijk: het is oké. Mijn nieuwe hart voelde zo warm en sterk, alsof het er altijd al had gezeten.  

Een jaar later voel ik me beter dan ooit. Wat wil je ook, voor het eerst in mijn leven heb ik een gezond hart in mijn lichaam! Over hoe het verder gaat valt weinig te zeggen. Maar van de extra tijd die ik heb gekregen gaan we ontzettend genieten.  

Hoe gelukkig ik me ook voel, ik ben me er heel bewust dat anderen hiervoor veel hebben doorgemaakt. Rond de eerste verjaardag van mijn transplantatie wil ik de familie van de donor daarom een brief schrijven. En ze vertellen dat ze niet alleen mij, maar ook mijn man en kinderen een tweede leven hebben gegeven. Een groter geschenk bestaat niet.  

Henriëtte Kits (42) is alleenstaand. Ze werkt voltijd als locatiemanager binnen een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. In november 2007 werd Henriëtte pleegmoeder van Jesse (3). 

“Tot voorkort leidde ik het leven van een vrijgezel: ik maakte lange dagen op mijn werk en daarbuiten deed ik precies waar ik zin in had. Spontaan een dagje gaan? Of met een vriendin langs het strand gaan wandelen? Geen probleem! Ik hoefde met niemand rekening te houden. Maar nu ik Jesse in huis heb is dat wel anders.  

Van jongs af aan wilde ik graag kinderen. Zodra de tijd biologisch gezien begon te dringen, heb ik op andere manieren geprobeerd om moeder te worden. Door middel van adoptie bijvoorbeeld. Toen dat niets opleverde heb ik me begin 2007 bij Pleegzorg aangemeld. Daar moest ik eerst een voorbereidingsprogramma doorlopen over wat het eigenlijk betekent, pleegouder zijn.  

Van de soms moeilijke verhalen die ik te horen kreeg schrok in niet. Integendeel, ze maakten me alleen maar méér vastberaden. Er zijn zoveel kinderen met een problematische thuissituatie. Als ik één van hen kan helpen door hem de liefde en aandacht te geven die het verdient, vind ik dat prachtig.  

Na afloop van het programma ging Pleegzorg op zoek naar geschikte match. Drie maanden later kreeg ik een telefoontje. Of ik een meisje van twee in huis wilde nemen. Natuurlijk wilde ik dat! Dolenthousiast hing ik op. Eindelijk was het dan zover.  

Helaas liep het op niets uit. De oma van het meisje, waar ze op dat moment woonde, kreeg twijfels. Dat was voor Pleegzorg reden om het traject stop te zetten. Het was een enorme teleurstelling – ik had zelfs al kleertjes voor haar gekocht. Maar ik was vastbesloten om het opnieuw te proberen.  

Twee weken later belde Pleegzorg alweer, nu over een jongetje van bijna drie. Jesse was verslaafd geboren; zijn ouders waren niet in staat om goed voor hem te zorgen. Hij zat altijd thuis, in het donker. Zijn enige speelgoed kwam uit Happy Meals. Praten kon hij amper, van fysiek contact schrok hij en hij was nog onzindelijk. Gelukkig was ik vanuit mijn werk in de gezondheidszorg heel wat gewend. Ik wilde hem graag helpen.   

Tijd om me op zijn komst voor te bereiden kreeg ik amper, want binnen een paar dagen woonde Jesse al bij me. Van de ene op de andere dag veranderde mijn leven compleet. Ik moest eraan wennen volgens de klok te leven, om Jesse zoveel mogelijk structuur te bieden. En van nature ben ik ontzettend netjes, maar dat leerde ik met al dat speelgoed om me heen snel los te laten. Om nog maar niet te spreken over het feit dat ik plotseling amper meer tijd voor mezelf had. 

Die nieuwe start gold niet alleen voor mij, maar ook voor Jesse. Om hem een normaal eetpatroon aan te leren krijgt hij te drinken uit een fles, en babyvoeding uit een potje. Na zijn middagslaapje neem ik  hem op schoot. Dan geef ik hem een flesje en wieg ik hem een tijdje. Zo leer ik hem een gevoel van geborgenheid. En ik ben heel voorzichtig begonnen met zindelijkheidstraining. 

De afgelopen jaren heeft mijn werk altijd centraal gestaan, maar voor Jesse doe ik graag een stapje terug. Ik wil vier dagen gaan werken in plaats van vijf. Minder kan ik me als alleenstaande ouder niet veroorloven. Gelukkig heb ik goede opvang voor hem gevonden. 

Natuurlijk is het  af en toe moeilijk, bijvoorbeeld als Jesse zonder enige aanleiding een heftige driftbui krijgt. Dan weet ik soms niet waar dat vandaan komt en hoe ik hem het beste kan helpen. Maar twijfels? Nee, die heb ik geen seconde gehad. Dit bijzondere jongetje hoort nu hier. Als het aan mij ligt, blijft hij tot zijn achttiende. En misschien krijgt hij er over een tijdje nog wel een pleegbroertje of zusje bij…” Om privacyredenen is de naam van Jesse gefingeerd.