Marte van Santen

Freelance journaliste en schrijfster

23 VRAGEN OVER STAAR september 26, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 10:08 am

017018

Jaarlijks worden er in Nederland 140.000 mensen aan de staar in hun ogen geopereerd. Het is daarmee de meest uitgevoerde operatie. Wanneer is het nodig om zo’n ingreep te laten doen? En heb je na een staaroperatie nog een bril nodig? Oogarts Bart L.M. Zijlmans van het Oogziekenhuis in Rotterdam geeft antwoord.

Tekst: Marte van Santen

1. Wat is staar?

Voor in het oog, direct achter de pupil, bevindt zich een doorzichtige lens. Om goed te kunnen zien moet die helder zijn. Met het verouderen wordt de lens stugger en harder. De eiwitten waaruit de lens is opgebouwd klonteren samen, met vertroebelingen en verminderde lichtinval tot gevolg. Dat wordt staar of cataract genoemd.

In verreweg de meeste gevallen is ouderdom de oorzaak. Soms kan staar echter ook aangeboren zijn, of het gevolg zijn van een beschadiging in het oog, of van een ziekte, zoals diabetes. Bepaalde medicijnen, zoals Prednison, kunnen de kans op staar vergroten.

2. Wat merk ik ervan?

Dat hangt er vanaf op welke plek in de ooglens de vertroebeling zich ontwikkelt en hoe groot die is. Als alleen de randen van hun ooglens zijn aangetast merkt u daar weinig van. Zit de troebele plek in het midden, dan ontstaan er klachten. U gaat dan bijvoorbeeld dubbel of wazig zien, vooral in de verte. Kleuren kunnen doffer en grauwer lijken. Mensen met staar worden vaak heel gevoelig voor tegenlicht; dat werkt verblindend of zorgt voor schitteringen in het oog. In huis gaan ze daarom met hun rug naar het raam zitten, buitenshuis vermijden ze fel zonlicht. Als u in korte tijd opeens veel sterkere brillenglazen nodig heeft, kan dat ook op staar wijzen. De aandoening is niet pijnlijk.

3. Hoeveel mensen lijden eraan?

Staar is veruit de meest voorkomende gezichtsstoornis. Uit registraties van huisartsen blijkt dat in 2003 naar schatting 120.900 mannen en 222.800 vrouwen in Nederland staar hadden. Dat aantal neemt door de vergrijzing snel toe. Per jaar worden er in Nederland zo’n 140.000 patiënten aan de aandoening geopereerd. 70% van de mensen die aan staar geholpen worden is boven de 70 jaar.

4. Is te voorspellen wie er last van krijgt?

Iedereen kan er last van krijgen, want staar is een gevolg van het natuurlijke verouderingsproces. Hoe ouder, hoe groter de kans op klachten. Staar komt bij vrouwen iets vaker voor dan bij mannen. Bij staar die op latere leeftijd ontstaat speelt – naast ouderdom en omgevingsfactoren – in  ongeveer de helft van de gevallen erfelijkheid een rol.

5. Hoe ontwikkelt de aandoening zich?

Dat gaat heel langzaam. De meeste mensen merken er in het begin niks van. Pas als een groter deel van de ooglens is aangetast, gaat het gezichtsvermogen achteruit en ontstaan er problemen. Gewoonlijk zit de staar in beide ogen, maar meestal wordt het ene oog erger getroffen dan het andere. Waarom is niet bekend.

6. Hoe wordt de diagnose gesteld?

Een opticien kan staar herkennen, maar als mensen er last van hebben, kan de hij ze niet behandelen. De oogarts kan dat wel. Om de diagnose te stellen, voert die verschillende (pijnloze) onderzoeken uit. Hij meet hoe scherp je dichtbij en in de verte ziet. Met een zogenaamde spleetlamp bekijkt hij of de ooglens vertroebeld is. Tot slot doet hij een oogspiegelonderzoek om de kwaliteit van uw netvlies te beoordelen.

7. Kan ik met staar nog autorijden?

Door staar kunnen de koplampen van tegenliggers verblindend werken. Vooral ’s avonds is dat lastig. Als het gezichtsvermogen zozeer is aangetast dat het niet meer binnen de normen van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) valt, mag je geen auto meer rijden. Dit kan alleen  worden onderzocht met een zogenaamde visustest en een gezichtsveldonderzoek. Staarpatiënten zijn niet allemaal verplicht zich te laten keuren; het CBR bepaalt per geval of dat nodig is. Als u aan staar lijdt is hetwel verstandig deze test door de oogarts te laten uitvoeren, vlak voor de vervaldatum van het rijbewijs.

8. Kan ik iets doen om staar te voorkomen?

Voorkomen kun je het niet, maar je kunt de kans erop wel iets verkleinen door niet te roken, niet teveel te drinken, gezond te eten en vooral ook zonnebril te dragen. Langdurige blootstelling aan fel zonlicht kan de ontwikkeling van staar namelijk versnellen.

9. En om de ontwikkeling te vertragen?

Niet meer dan hierboven staat. In het beginstadium van staar kun je de gezichtsscherpte verbeteren door een (sterkere) bril te dragen en extra verlichting te gebruiken. Maar dat soort maatregelen werken maar tijdelijk. Er wordt wel gezegd dat bepaalde voedingssupplementen met veel anti-oxidanten zouden helpen, maar daarvoor is tot nu toe onvoldoende wetenschappelijk bewijs.

10. Is staar te genezen?

Er zijn geen medicijnen tegen staar. De enige oplossing is een operatie, waarbij de aangetaste, troebele lens wordt vervangen door een heldere kunstlens. Zo’n ingreep heeft overigens niets te maken met een laserbehandeling, die soms wordt gebruikt om mensen van hun bril of lenzen af te helpen.

11. Wanneer is het nodig om staar te laten opereren?

Als de klachten zo hinderlijk worden dat je er last van ondervindt bij de dagelijkse bezigheden. Het verschilt van persoon tot persoon wanneer dat punt bereikt is. Eerder opereren zorgt niet voor een beter resultaat. Wel wordt door het wachten de kans op complicaties iets groter doordat de ooglens harder wordt.

12. Kunnen allebei mijn ogen tegelijk geopereerd worden?

Nee. Tussen de operatie van het eerste en het tweede oog zit minimaal vier weken. Die tijd is nodig om het eerste oog volledig te laten herstellen. Pas dan kan de oogarts het definitieve resultaat beoordelen, en bepalen hoe sterk de lens in het tweede oog moet zijn.

13.Wat gebeurt er als ik er niets aan doe?

Als staar onbehandeld blijft, kan hij uiteindelijk tot blindheid leiden. Wereldwijd zijn er ongeveer 17,5 miljoen blinden als gevolg van staar. Dat is bijna de helft van het totaal aantal blinden. In Nederland komt blindheid door staar gelukkig zo goed als nooit meer voor.

14. Hoe gaat een staaroperatie in zijn werk?

Vóór de operatie wordt berekend hoe sterk de kunstlens moet zijn om het best mogelijke resultaat te geven. Tenzij je zelf de voorkeur geeft aan een algehele narcose, wordt de ingreep uitgevoerd onder plaatselijke verdoving. De arts maakt een klein sneetje in het oog. Met speciale apparatuur verpulvert hij de troebele lens en zuigt die weg. Vervolgens plaatst hij via hetzelfde sneetje de kunstlens in het oog. Het wondje is zo klein dat het vrijwel nooit gehecht hoeft te worden. In totaal neemt de operatie 20 tot 30 minuten in beslag.

15. Wat zijn de nieuwste ontwikkelingen op dat terrein?

Met behulp van nieuwe apparaten is de operatietechniek de laatste jaren steeds verder verbeterd. Een oogarts hoeft tegenwoordig nog maar een heel klein sneetje – variërend van 2,2 tot 2,8 millimeter – in het oog te maken. Daardoor is de kans op complicaties kleiner en verloopt het herstel sneller. De kunstlenzen zelf worden ook steeds beter. Zo is het al mogelijk om een multifocale kunstlens – voor veraf en dichtbij scherp zien – te gebruiken. Een torische kunstlens kan het zicht corrigeren van mensen bij wie het hoornvlies niet mooi rond is, ook wel een cylindrische afwijking of astigmatisme genoemd. De multifocale en de torische kunstlenzen worden op dit moment nog niet standaard door zorgverzekeraars vergoed. Gemiddeld moeten patiënten 600-900 euro bijbetalen per oog operatie voor een multifocale of torische lens.

16. Ben ik na de operatie van mijn bril af?

Dat is wel het streven. Een kunstlens is – in tegenstelling tot uw eigen ooglens – niet in staat zich aan te passen aan afstand. Vandaar dat sommige mensen die na een staaroperatie in de verte scherp zien, toch een leesbril nodig hebben. Andersom komt ook voor. Patiënten die voor multifocale kunstlenzen kiezen, zijn na de operatie in ongeveer 85% van de gevallen ‘brilvrij’. (Voor torische lenzen zijn nog geen cijfers bekend.)

Hoe dan ook geeft een staaroperatie in bijna alle gevallen (97%) een aanzienlijke verbetering van het zicht. Hoeveel hangt onder andere af van hoe ver de staar ontwikkeld was vóór de operatie en of u nog andere oogaandoeningen heeft. Bij minder dan 1% van de patiënten wordt het gezichtsvermogen blijvend slechter. Dat is dan meestal het gevolg van een complicatie na de operatie, of van een andere oogaandoening.

17. Moet ik voor de operatie in het ziekenhuis worden opgenomen?

Dat is niet nodig; die kan poliklinisch worden uitgevoerd. In totaal duurt het verblijf in het ziekenhuis ongeveer twee uur. Na de operatie wordt het behandelde oog afgeplakt. Omdat je  met één oog diepte en afstanden minder goed kunt inschatten, mag je dan niet zelf autorijden.

18. Wat voor complicaties kunnen er optreden?

Een staaroperatie is een heel veilige operatie met weinig kans op complicaties. Als die zich toch voordoen, zijn ze over het algemeen goed te verhelpen en leveren ze meestal geen blijvende problemen op. Voorbeelden van mogelijke complicaties tijdens of na de operatie zijn: een breuk in het lenskapsel (1 à 2 op 100 gevallen), vocht onder het netvlies (1 op 100 gevallen), een infectie in het oog (1 op 1000 gevallen), een bloeding tijdens de operatie (1 op 2000 gevallen) of het loslaten van het netvlies (1 op 3000 gevallen).

In 10 – 20% van de gevallen ontstaan enkele maanden of zelfs jaren na de operatie opnieuw vertroebelingen in het oog. Dat wordt nastaar genoemd. Nastaar is goed te verhelpen met een pijnloze laserbehandeling.

Een onbekend aantal patiënten ziet na de operatie een zwarte band of sikkel aan de rand van het gezichtsveld (negatieve dysfotopsie). Dit – overigens ongevaarlijke – effect is helaas niet te behandelen. Meestal verdwijnt het in de loop van de tijd vanzelf, omdat de hersenen zich aan het nieuwe beeld aanpassen.

19. Waar moet ik na de operatie op letten?

De oogarts schrijft oogdruppels en/of –zalf voor, die je gedurende drie weken moet gebruiken om de kans op infectie te verminderen. Het wondje in het oog heeft tijd nodig om te helen. Vandaar dat wordt geadviseerd om een week lang geen zware arbeid te verrichten of te sporten. Wandelen, traplopen en douchen zijn geen probleem. Tenzij de oogarts anders voorschrijft, kun je direct weer aan het werk. De eerste twee weken draag je overdag je eigen bril of een zonnebril en ’s nachts een beschermende oogkap. Na de operatie zal de arts je adviseren over wanneer je weer auto kunt rijden.

20. Hoe lang duurt het voor ik na de operatie weer helemaal scherp zie?

Bij sommige patiënten is dat al na enkele uren, bij andere duurt enkele dagen dagen. Blijft het zicht na een paar dagen wazig, neem dan contact op met de oogarts.

21. Steeds meer ziekenhuizen en klinieken hebben een zogenaamde ‘staarstraat’. Wat is dat?

In een ‘staarstraat’ probeert een ziekenhuis of oogkliniek alle benodigde consulten en onderzoeken achter elkaar op één dag te organiseren. Concreet betekent het, dat als de  oogarts een staaroperatie adviseert, direct de benodigde vervolgstappen – van vooronderzoek en bloedtests tot een gesprek met de anesthesist en het inplannen van de operatie – worden geregeld. Het grote voordeel van deze manier van werken is dat je niet meerdere malen naar het ziekenhuis (terug) hoeft.

22. Hoe zit het met de wachtlijsten voor staaroperaties?

Die lopen erg uiteen. Volgens de websites www.kiesbeter.nl en www.independer.nl varieert de wachttijd voor een staaroperatie bij de vermelde ziekenhuizen en klinieken tussen de één en twintig weken. Wie de wachttijd te lang vindt, kan zelf een ander ziekenhuis zoeken. Een andere optie is de afdeling zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar vragen om een instelling met een kortere wachttijd te vinden.

23. Behalve ziekenhuizen zijn er ook steeds meer gespecialiseerde privéklinieken die staaroperaties uitvoeren. Hoe weet ik waar ik het best terecht kan?

Privéklinieken die staaroperaties verrichten zijn zogenaamde zelfstandige behandelcentra (ZBC’s): door de overheid erkende klinieken waar minstens twee artsen medisch specialistische zorg bieden. Staarbehandelingen in ZBC’s worden over het algemeen door de zorgverzekering vergoed.

Of je kiest voor een ziekenhuis of een ZBC hangt af van uw persoonlijke voorkeur. Een ZBC biedt zeer gespecialiseerde zorg. Maar dat doen gespecialiseerde oogcentra in ziekenhuizen ook. De wachttijden kunnen onderling zeer uiteenlopen (zie vraag 22). ZBC’s bieden alleen dagbehandeling; je kunt er niet opgenomen worden. Treden er na een operatie in een ZBC complicaties op, dan bestaat de kans dat je alsnog naar het ziekenhuis moet.

Op de websites www.kiesbeter.nl en www.independer.nl vind u een kwaliteitsbeoordeling van ziekenhuizen en klinieken die staaroperaties verrichten. Daaruit blijkt dat het overgrote deel gemiddeld of goed scoort. Helaas hebben niet alle instellingen de benodigde gegevens aangeleverd, zodat het overzicht incompleet is. U kunt ook advies vragen aan uw zorgverzekeraar.

Voor meer informatie over het Oogziekenhuis Rotterdam kunt u terecht op www.oogziekenhuis.nl.

 

OUDEREN MINDER VATBAAR VOOR MEXICAANSE GRIEP september 26, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 10:06 am

015016

60-plussers krijgen in oktober niet alleen een oproep voor de gewone griepprik, maar ook voor een vaccinatie tegen de Mexicaanse griep. Maar er is meer dat u moet weten.

Ouderen hebben waarschijnlijk minder kans de Mexicaanse griep te krijgen dan jongeren.

Iedereen kan de Mexicaanse griep krijgen. Maar het lijkt erop dat mensen die vóór 1957 geboren zijn, er iets minder vaak ernstig door getroffen worden. Dat komt doordat de Mexicaanse griep qua samenstelling enigszins lijkt op de griep die toen rondwaarde. Wie voor 1957 al eens griep heeft gehad, heeft waarschijnlijk bepaalde antistoffen in het lichaam die ook tegen de Mexicaanse griep werken. Mensen jonger dan 52 hebben die weerstand zeker niet en worden dus makkelijker ziek.

De gevolgen van de Mexicaanse griep zijn voor ouderen ernstiger.

Hoewel de Mexicaanse griep bij 52-plussers iets minder voorkomt, kunnen de gevolgen voor hen wel serieuzer zijn. De Mexicaanse griep verloopt namelijk het heftigst als iemand ook een andere, serieuze aandoening heeft, bijvoorbeeld suikerziekte of hart- of longproblemen. Dat is juist meer het geval bij ouderen dan bij jongeren.

Uw (klein)kinderen zijn de motor van de griepepidemie.

Kinderen lopen meer risico omdat ze minder weerstand hebben tegen ziektes. Hun immuunsysteem is nog betrekkelijk ‘blanco’. Doordat ze van nature vaak aan elkaar zitten, dragen ze het virus ook nog eens makkelijk aan elkaar over. Zo vormen kinderen als het ware de ‘motor’ van de griepepidemie.

Als iemand in uw omgeving Mexicaanse griep heeft, hoeft u niet uit voorzorg het contact met uw (klein)kinderen te vermijden. De kans is groot dat zij op andere plekken, zoals op school, op het werk of bij de sportclub, toch wel met het virus in aanraking komen. Als u zelf besmet raakt, is het wel verstandig om het contact met anderen tot een minimum te beperken.

De ‘gewone’, jaarlijkse griepprik die alle 60-plussers kunnen krijgen, beschermt NIET tegen de Mexicaanse griep.

De jaarlijkse wintergriep en de Mexicaanse griep zijn twee totaal verschillende virussen, die elk hun eigen aanpak nodig hebben. Vandaar ook dat er niet één vaccin – een middel dat het lichaam stimuleert om zelf antistoffen te produceren – voor beide griepsoorten gemaakt kan worden. Haalt u jaarlijks een griepprik, dan moet u zich dit jaar nog een keer laten inenten tegen de Mexicaanse griep. U bent gedurende het griepseizoen dan zo goed mogelijk beschermd tegen beide virussen. De griepprikken bieden geen garanties; ook wie is ingeënt, kan de (Mexicaanse) griep krijgen. Met andere woorden; geen enkel vaccin is 100 procent ‘griepproof’.

Maar de kans op ernstige ziekte is na vaccinatie wel veel kleiner. Hoeveel kleiner precies is nog onduidelijk. Omdat het om een nieuw vaccin gaat en omdat het virus zich continu blijft ontwikkelen, is vooraf niet te zeggen hoe goed het zal werken. Om het effect van het vaccin tegen de Mexicaanse griep te vergroten, krijgt u hiervan twee keer een dosis met een tussentijd van drie weken.

60-plussers hebben recht op een ‘Mexicaanse-griepprik’.

De vaccinatie zal vanaf eind oktober gefaseerd gebeuren. De groepen die hem het hardst nodig hebben krijgen als eerste een inenting. Dat zijn alle 60-plussers en de mensen met een medisch risico die ieder jaar al opgeroepen worden voor de griepprik. Ook medewerkers in de gezondheidszorg krijgen een oproep, omdat zij een groot besmettingsrisico lopen en bron kunnen zijn voor mensen die vanwege een kwetsbare gezondheid veel kans op complicaties hebben, zoals chronisch zieken. Gezinsleden en mantelzorgers van een kleine groep mensen met een sterk verhoogd risico komen eveneens voor de prik in aanmerking. In totaal gaat het om vijf à zes miljoen Nederlanders. Het gevaar bestaat dat het virus in het najaar agressiever wordt of resistentie verwerft tegen virusremmers. In dat geval zullen meer mensen worden ingeënt. De vaccinatie is overigens niet verplicht.

De meeste patiënten overlijden niet aan de Mexicaanse griep.

Maar de Mexicaanse griep kán wel dodelijk zijn, net als de gewone wintergriep. Daaraan overlijden jaarlijks zo’n achthonderd à duizend mensen. Meestal zijn dat patiënten die een verzwakte weerstand hebben als gevolg van andere aandoeningen. Het lichaam is daardoor minder goed in staat de aanval van het griepvirus af te slaan. Er kan dan een longontsteking ontstaan, met ernstige ademhalingsproblemen. Bestaande ziektes kunnen door de griep bovendien verergeren of ontregeld raken.

Volgens de Gezondheidsraad voorkomt de bestaande griepprik bij ouderen naar schatting 50 procent van het aantal griepgevallen en ziekenhuisopnamen. Ook vermindert de griepprik bij ouderen het aantal sterfgevallen door griep aanzienlijk (28 tot 50 procent).

Aan de Mexicaanse griep zullen in Nederland zeker ook mensen overlijden. Mogelijk ligt dat aantal hoger dan bij de gewone griep, omdat het een nieuw virus is. Hoeveel patiënten er uiteindelijk zullen sterven is niet te voorspellen. Dat hangt onder andere af van hoe snel het virus zich verspreidt, of het virusremmende middel oseltamivir (productnaam: Tamiflu) werkzaam blijft, en of het vaccin tegen de griep op tijd komt en effectief is. Maar in verreweg de meeste gevallen genezen mensen gewoon vanzelf van de griep, óók van de Mexicaanse griep.

Uit voorzorg virusremmers nemen heeft geen zin.

Virusremmers zijn medicijnen die de vermeerdering van het virus in het lichaam sterk afremmen. De meest bekende is Tamiflu. Het middel, dat alleen op recept verkrijgbaar is, zorgt ervoor dat iemand korter en minder heftig griep heeft, en minder besmettelijk is voor anderen. Tamiflu werkt weliswaar preventief tegen de griep, maar omdat je het middel maximaal zes weken mag gebruiken is in het geval van een epidemie de kans groot dat je na die zes weken alsnog besmet raakt. Tamiflu helpt niet om extra weerstand tegen de griep op te bouwen; dat kan alleen een vaccin doen.

Hoewel virusremmers niet in het basispakket van de zorgverzekering zitten, worden ze voor mensen die de Mexicaanse griep hebben wel vergoed. Er zijn in Nederland genoeg virusremmers beschikbaar om iedereen die het nodig heeft te behandelen. Ook dat is dus geen reden om preventief via de huisarts of internet medicijnen in te slaan.

Vaak uw handen wassen beschermt beter dan een mondkapje.

Koop papieren zakdoekjes, geen mondkapjes. Meerdere keren per dag uw handen wassen – en ze afdrogen met een papieren doekje dat u daarna weggooit – is de beste manier om besmetting te voorkomen. Mondkapjes hebben alleen zin als u ze consequent gebruikt en elke paar uur vervangt. Bovendien moet de pasvorm perfect zijn om optimaal te beschermen. Bij een goedkoop mondkapje van de doe-het-zelfzaak is dat meestal niet het geval.

Zinvoller is het om uw mond, neus en ogen zo min mogelijk aan te raken en woon- en werkruimtes goed te ventileren. Het griepvirus wordt overgedragen door de lucht, met praten, niezen en hoesten, of via handen of voorwerpen, zoals een deurknop. Verspreiding vindt vooral plaats in ruimtes waar mensen dicht bij elkaar zitten en waar slecht wordt geventileerd. Moet u hoesten of niezen en hebt u geen (papieren) zakdoek bij de hand? Doe dat dan in uw elleboogholte in plaats van in uw hand. Gebruik voor het neussnuiten papieren zakdoekjes, en gooi ook die meteen weg.

Griep? Ga niet naar de dokter, maar bel.

De symptomen van de Mexicaanse griep zijn hetzelfde als die van de gewone griep: koorts, koude rillingen, hoofdpijn, spierpijn, vermoeidheid en een droge hoest. Soms komt daar ook braken en diarree bij. Hebt u dergelijke klachten en is uw temperatuur hoger dan 38 graden, gaat u dan niet naar de huisarts, maar neem telefonisch contact met hem op. Zo voorkomt u dat u eventueel andere patiënten in de wachtkamer of de dokter zelf besmet. De huisarts zal vervolgens beoordelen of er bloedonderzoek gedaan moet worden – alleen in een laboratorium kan men aantonen welk virus de griep veroorzaakt – en of het nodig is om virusremmers voor te schrijven. De incubatietijd van griep, de periode tussen het binnenkrijgen van het griepvirus en het moment van de eerste ziekteverschijnselen, is twee tot vijf dagen. Hebt u de Mexicaanse griep opgelopen, dan bent u besmettelijk van de dag vóór de klachten zijn begonnen, tot vijf of zes dagen daarna.

Met dank aan Jim van Steenbergen, arts-infectieziektebestrijding van het RIVM, en Aaldert Mellema, senior adviseur ouderenzorg bij GGD Nederland.

 

13 VRAGEN OVER HET CONSULTATIEBUREAU VOOR OUDEREN augustus 21, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 9:08 am

Scannen0007Scannen0008

Consultatiebureaus voor kinderen kenden we al heel lang. Maar er komen ook steeds meer consultatiebureaus voor ouderen. Inmiddels zijn er al meer dan 90. Wat heb je eraan?

1. Een consultatiebureau voor ouderen, waar is dat voor nodig?

De 50+-ers van nu leven ongezonder dan tien jaar geleden, zo blijkt uit onderzoek. We drinken meer, bewegen minder en zijn vaker te zwaar. Vrouwen zijn bovendien meer gaan roken. Dat levert gevaren voor de gezondheid op, en het tast de kwaliteit van leven aan. Door bijvoorbeeld regelmatig uw bloeddruk te laten controleren en advies te vragen over een gezonde leefstijl, kunt u problemen voorkomen, of ervoor zorgen dat die eerder opgespoord worden. Daarin kan een medewerker van een consultatiebureau voor ouderen u bijstaan. U krijgt er praktische advies, met als doel: zo lang mogelijk gezond, gelukkig en zelfstandig,in uw eigen omgeving wonen.

2. Zijn er al niet genoeg instanties die zich met ouderen bezighouden?

Ja, dat zijn er zelfs zoveel dat mensen vaak door de bomen het bos niet meer zien. Daar komt het consultatiebureau voor ouderen om de hoek kijken. Behalve dat ze advies geven en problemen in een vroeg stadium opsporen, verwijzen de medewerkers u indien nodig ook door naar andere organisaties op het terrein van zorg, welzijn en wonen. Zo weet u direct waar u terecht kunt als u hulp nodig heeft.

3. Wie werkt er op zo’n consultatiebureau?

Een wijkverpleegkundige of een speciaal daarvoor opgeleide ouderenadviseur. Die werkt vaak samen met andere deskundigen, zoals een fysiotherapeut, een psycholoog of een diëtist.

4. Vanaf welke leeftijd kan ik me er melden?

Bij sommige bureaus vanaf vijftig, bij andere vanaf zestig jaar.

5. Waarvoor kan ik er terecht?

Is drie glazen wijn op een dag teveel? Is het erg als ik dingen vergeet? Hoe maak ik nieuwe contacten? Of meer algemeen: hoe kan ik zo gezond mogelijk ouder worden? Met dat soort vragen kunt u bij het consultatiebureau voor ouderen terecht. Er is geen standaardlijst van diensten; die verschillen van plek tot plek. Wat alle consultatiebureaus gemeen hebben is dat ze wel adviseren en controleren, maar niet behandelen (daarvoor moet u in eerste instantie bij uw huisarts zijn).

Tijdens het spreekuur loopt de medewerker samen met u een vragenlijst door. Daarbij kijkt hij of zij niet alleen hoe u zich lichamelijk voelt, maar ook hoe het geestelijk met u gaat. Slaap- en eetgewoonten komen aan de orde, net als geheugenproblemen, gezondheidsklachten en medicijngebruik. Ook zaken als eenzaamheid, depressie of mantelzorgproblemen worden besproken. Vervolgens worden uw bloeddruk en bloedsuiker- en cholesterolgehalte gemeten en wordt u gewogen.

Op basis van de uitkomsten zal de medewerker u een concreet advies geven. Dat kan over leefstijl gaan, of over hoe u uw weg kunt vinden in het woud aan (gezondheids)voorzieningen. Zo nodig zal hij of zij een andere deskundige inschakelen, of u adviseren om naar uw huisarts te gaan.

6. Mijn huisarts kan die tests toch ook doen?

Uiteraard kunnen de medische tests ook door een huisarts worden gedaan. Maar vaak gaan ouderen daar pas naar toe als hen daadwerkelijk wat mankeert. Het consultatiebureau wil juist voorkómen dat er problemen ontstaan. Bovendien heeft een huisarts maar weinig tijd om de achtergrond van een klacht met u te bespreken. Een eerste consult bij een consultatiebureau voor ouderen duurt driekwartier tot een uur (in tegenstelling tot de tien of twintig minuten van het consult bij de huisarts). Daarna volgen nog twee vervolgconsulten om te zien hoe het met u gaat. Overigens worden huisartsen op steeds meer plekken betrokken bij het opzetten van een consultatiebureau voor ouderen, zodat zo goed mogelijk kan worden samengewerkt.

7. Leefstijladvies boven de vijftig: heeft dat nog zin?

Zeker weten. Fysiek actief zijn, gezond eten, niet roken, en verstandig omgaan met alcohol en medicatie kunnen ook op latere leeftijd ziekten en beperkingen voorkomen. Bijvoorbeeld: als u op uw 62 stopt met roken, zal het risico op longkanker nooit meer hetzelfde worden als van iemand die nooit gerookt heeft. Maar het neemt ook niet meer verder toe. Het consultatiebureau kan u een advies op maat geven over wat voor u de beste methode is om het stoppen vol te houden.

8. Gaan mensen echt gezonder leven na een bezoek aan een consultatiebureau?

De meest gesignaleerde klachten bij het consultatiebureau zijn overgewicht, verhoogde bloeddruk, slaapproblemen en spannings- en angstklachten. Aan die zaken valt meestal prima wat te doen. Of dat in de praktijk ook betekent dat mensen gezonder gaan leven is niet duidelijk; daar moet nog (meer) onderzoek naar worden gedaan.

Deskundigen verschillen van mening over het nut van een consultatiebureau voor ouderen. Enerzijds past de aanpak goed in het beleid van het kabinet, dat ernaar streeft gezondheidsproblemen te voorkomen of in ieder geval vroegtijdig op te sporen. Anderzijds vragen sommige deskundigen zich af of er niet onnodig veel wordt getest, en of de kosten ervan wel opwegen tegen de baten. Bovendien zijn er twijfels over of juist de mensen met een verhoogd gezondheidsrisico – die de hulp het hardst nodig hebben – zich wel spontaan bij een consultatiebureau melden.

9. Heb ik een verwijsbrief nodig?

Nee. U kunt zelf contact opnemen voor het maken van een afspraak. Daar moet u – anders dan bij een consultatiebureau voor kinderen – zelf het initiatief voor nemen.

10. Wat kost het?

Een consult op het spreekuur is meestal gratis. Soms is er sprake van een kleine eigen bijdrage van bijvoorbeeld 10 euro. Verder worden de kosten opgebracht door verschillende instanties, bijvoorbeeld de gemeente, de provincie, de thuiszorg en/of een zorgverzekeraar in de regio.

11. Waar vind ik zo’n consultatiebureau?

Dat kan bijvoorbeeld in een gebouw van de thuiszorg of van de Stichting Welzijn Ouderen zijn, of in een verzorgingshuis of wijkgebouw. Informeer bij de Seniorenraad of het WMO-loket in uw gemeente.

12. Ik heb ook wel eens gehoord van een periodiek geneeskundig onderzoek voor ouderen, en van een seniorenspreekuur. Wat is het verschil met een consultatiebureau voor ouderen?

Er is geen verschil. Sommige organisaties vinden consultatiebureau voor ouderen betuttelend of stigmatiserend klinken. Zij kiezen daarom voor een andere naam.

13. Precies. Is er nou echt geen betere naam te verzinnen?

Vast wel. Stuur uw suggesties naar: Redactie Plus Magazine, Postbus 44, 3740 AA Baarn.

Met medewerking van Geraldine Visser, adviseur Consultatiebureau voor Ouderen bij Vilans.

 

BRANDENDE VRAGEN OVER ZONNEN juli 3, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 12:31 pm

Scannen0005Scannen0006

Goed geZONd? Dermatoloog Bing Thio van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam beantwoordt vragen van Pluslezers over gezond en veilig bruin worden.

In de zomer van 2008 heb ik antizonnebrandcrème gekocht met een houdbaarheid van een jaar. De fles is nog niet open geweest. Kan ik die dit jaar alsnog gebruiken?

Ria van der Wal

Ja, dat kan. Het is niet zo dat de direct crème bederft, maar na afloop van de op de verpakking aangegeven periode – een afbeelding van een open potje met daarin het aantal maanden dat het product na aankoop in de winkel houdbaar is – loopt de beschermingsfactor wel langzaam terug. Hetzelfde gebeurt als de verpakking eenmaal geopend is. Houd daar in het gebruik rekening mee.

Overigens doen mensen vaak te lang met een fles zonnebrandcrème, omdat ze te weinig van het product aanbrengen. Om de beschermingsfactor te krijgen die op de verpakking staat, dient u een dikke laag – een handje vol per lichaamsdeel – op de huid te smeren. Herhaal dat elke twee uur en telkens na het zwemmen. Oók als het product waterbestendig is. Na het zwemmen – en helemaal na het afdrogen – blijft er niet veel meer van over op de huid.  

 

Hoe veilig is het om zelfbruinende crème te gebruiken als bescherming tegen de zon?

Houben Wilms

Niet het soort product, maar de Sun Protection Factor (SPF) of beschermingsfactor bepaalt de mate waarin u tegen de zon beschermd bent. Kiest u een zelfbruinende crème – of een dagcrème – met een goede SPF, dan is het niet nodig om dat lichaamsdeel óók met antizonnebrandcrème in te smeren. Meestal zit in zelfbruiners echter géén beschermingsfactor. Gebruik in dat geval als u gaat zonnen alsnog een antizonnebrandmiddel. Neem een beschermingsfactor die past bij uw huidtype (zie kader). Het maakt niet uit of u een duur of goedkoop antizonnebrandproduct aanschaft; de zonbeschermingsfactor is altijd gegarandeerd.

[Kader]

Hoe kies ik mijn beschermingsfactor?

Huid-type Uiterlijke kenmerken Verbandings-ervaring Bruiningservaring Aanbevolen

factor

1 Zeer lichte huid, vaak sproeten, rood of lichtblond haar, blauwe ogen Verbrandt zeer snel Wordt niet of nauwelijks bruin 50
2 Lichte huid, blond haar, grijze, groene of lichtbruine ogen Verbrandt snel Wordt langzaam bruin 30
3 Licht getinte huid, donkerblond tot bruin haar, vrij donkere ogen Verbrandt niet snel Wordt gemakkelijk bruin 20
4 Een van nature getinte huid, donker haar, donkere ogen Verbrandt bijna nooit Bruint zeer gooed 10 – 20

Bron: www.gezondzonnen.nl

Tip: Op de website www.kwfkankerbestrijding.nl vindt u een test om uw huidtype te bepalen en een persoonlijk zonadvies voor uw vakantiebestemming.

  

Ik gebruik verschillende medicijnen, die ervoor zorgen dat mijn gezicht onmiddellijk op zonlicht reageert. Zelfs van de lichtste zonnestraal krijg ik meteen rode uitslag in de vorm van bultjes die erg jeuken. Ik gebruik al jaren een zeer vette dagcrème. Kan ik nog meer doen om de klachten te voorkomen?

Margo Dekkers

Sommige geneesmiddelen, zoals antibiotica, plaspillen, pijnstillers en middelen tegen suikerziekte, hartklachten of reuma, kunnen een overgevoeligheidsreactie voor licht veroorzaken. Fotosensibilisatie, heet dat. Informatie daarover vindt u in de bijsluiter. De huid die in de zon komt verbrandt dan sneller, wordt vlekkerig of vertoont bultjes en jeuk. Een lichtovergevoeligheidsreactie op medicijnen is niet te voorkomen. Wel zijn er verschillende manieren om de klachten te verlichten. Als de reactie niet ernstig is, kan een natte doek op de huid de zwelling te verminderen. Bij jeuk helpen tabletten die de allergische reactie onderdrukken (antihistaminicumtabletten). Als u naar buiten gaat, zorg er dan voor dat u zich met een zeer hoge beschermingsfactor (50+) insmeert (ook als het bewolkt is). Bij heel ernstige klachten kan in overleg met de arts de dosering van uw medicijnen mogelijk iets worden verlaagd.

 

Dat je door het gebruik van sommige geneesmiddelen gevoeliger kunt worden voor zonlicht, ondervond ook Herma Copier. Toen zij na het gebruik van antibiotica onder de zonnebank ging, kreeg ze allemaal vlekken op haar armen. Die zijn nadien nooit meer helemaal weggegaan. In de zon worden ze donkerder van kleur. “Moet ik nu uit de zon blijven?”, vraagt zij zich af. En ook: “Kunnen de vlekken zich tot kanker ontwikkelen?”

Of u uit de zon blijft, hangt er vanaf hoe vervelend u de vlekken vindt. Om gezondheidsredenen hoeft het in ieder geval niet. Een overgevoeligheidsreactie op licht en de ontwikkeling van huidkanker zijn twee heel verschillende processen, die niets met elkaar te maken hebben. 

 

Hoe komt het dat je benen minder snel bruin worden dan je hoofd en je armen? Ik ben een fietser en heb mijn onderbenen altijd bloot. Helaas blijven het een beetje ‘melkbenen’. Hopelijk kunt u mij advies geven over hoe mijn benen ook leuk gekleurd worden?

Marja Mulders

Je hoort wel eens dat hoe dunner de huid is, hoe sneller hij bruin wordt. Dat is niet waar. Als armen en benen precies evenveel zon krijgen, worden ze gelijkmatig bruin. Maar juist daar zit het probleem; dat lukt namelijk bijna nooit. Fietst u met korte mouwen en zonder hoed of petje, dan zijn uw gezicht en armen bijna constant aan het zonlicht blootgesteld. Bij blote (onder)benen verwacht je dat ook, maar in feite worden die deels afgeschermd door uw armen en uw romp. Ook de fietsbeweging zelf zorgt ervoor dat de onderbenen minder zon vangen. De enige oplossing is uw benen in te smeren met een zelfbruinende crème of af en toe wat te laten ‘bijkleuren’ door languit in een tuinstoel te gaan zitten. Maar dat is toch geen straf? 

 

Ik ben pas bij de dermatoloog geweest voor een paar zogenaamde ‘zonschadeplekjes’. Dat waren rode plekjes, die door de arts met stikstof zijn behandeld. Ik ben geen fanatieke zonneaanbidder, maar ik vind het wel lekker om af en toe in de zon te zitten. Mag dat nu nog?

Frans van Vliet

 

Meer lezers met huidaandoeningen vragen zich af of ze nog in de zon mogen. Theo Mansveld bijvoorbeeld, die huidkanker heeft gehad op zijn neus. De plek is door de plastisch chirurg verwijderd, maar toch zit hij niet helemaal gerust in de zon. Die zorg is begrijpelijk, zeker in het geval van huidkanker. Maar het feit dat een huidplekje (in welke vorm dan ook) is verwijderd, is geen reden om de zon helemaal te mijden. Sterker nog, een mens heeft zonlicht nodig om vitamine D te produceren. Die zorgt voor sterke botten en tanden, en speelt een belangrijke rol bij het in stand houden van de weerstand. Let wel: voor de aanmaak van vitamine D is twee of drie keer een kwartiertje zonlicht per dag genoeg. Het idee dat als je langer in de zon zit, je ook meer vitamine D aanmaakt, is een fabeltje.

Huidkanker ontstaat niet van de ene op de andere dag; daar gaan meestal jaren van (teveel) zonnen aan vooraf. Het effect van al die UV-straling stapelt zich als het ware op. Het is dus niet zo dat een klein beetje zon een enorm extra risico oplevert. Overmatig zonnen is vanzelfsprekend niet verstandig. Maar dat geldt óók voor mensen zonder huidklachten. Het allerbelangrijkste is ervoor te zorgen dat u nooit verbrandt. Gaat u de zon in, smeer onbedekte huid dan dik in met een antizonnebrandmiddel en herhaal dat elke twee uur. Tussen 12.00 en 15.00 ’s, als de zonkracht het sterkst is, is het beter om de zon helemaal te mijden.

 

[Kader]

Zonkracht

In de zomer wordt in het weerbericht nog al eens over ‘zonkracht’ of ‘UV-index’ gesproken. Dat is een maat die de intensiteit van de zon weergeeft. Hoe sterker de zonkracht, hoe eerder je verbrandt. In Nederland wordt de zonkracht weergegeven op een schaal van 0 tot 10.

Om te bepalen hoeveel minuten u bij een bepaalde zonkracht onbeschermd in de zon kunt zijn voordat uw huid verbrandt, kunt u de volgende rekensomgebruiken:

  • Huidtype 1: maximale tijd in de zon = 67 minuten gedeeld door de zonkracht
  • Huidtype 2: maximale tijd in de zon = 100 minuten gedeeld door de zonkracht
  • Huidtype 3: maximale tijd in de zon = 200 minuten gedeeld door de zonkracht
  • Huidtype 4: maximale tijd in de zon = 300 minuten gedeeld door de zonkracht

Bijvoorbeeld: bij zonkracht 4 en huidtype 2 begint uw huid te verbranden na (100:4=) 25 minuten in de zon.

De verwachte zonkrachtwaarden staan in weerberichten in de krant, op pagina 708 van NOS Teletekst en op de website www.knmi.nl. Op radio en tv wordt alleen melding gemaakt van een zonkracht van 6 of hoger. KWF Kankerbestrijding verzorgt een gratis sms-bericht bij een zonkracht van 7 of hoger. Om zo’n ‘zonkrachtalarm’ per SMS te ontvangen, kunt u zich aanmelden via www.alarmbericht.nl.

Bron: KWF Kankerbestrijding

 

CHECK JE MOEDERVLEK mei 21, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 8:59 am

Scannen0017Scannen0018

 

Gemiddeld hebben we er zo’n 25 van: moedervlekken. Dat een vreemde moedervlek tot huidkanker kan uitgroeien, is algemeen bekend. Maar wist u ook dat slechts 10% van alle huidkankergevallen het gevaarlijke melanoom betreft? En dat hoe meer moedervlekken u heeft, hoe groter de kans op zo’n melanoom is? Zeven verrassende feiten over ‘verdachte’ moedervlekken.

  

1. Na uw 50ste neemt het aantal moedervlekken op het lichaam vaak af

Een moedervlek is niets meer en niets minder een ophoping van pigmentcellen in de huid. Waarom zo’n ophoping ontstaat is onduidelijk, maar het is een heel normaal verschijnsel. Hoe meer tijd u als kind (onbeschermd) in de zon heeft doorgebracht, hoe groter het aantal moedervlekken. Ook erfelijkheid speelt een rol.

Een enkele moedervlek is aangeboren, maar de meeste ontstaan tussen het 3e en het 20ste jaar. Krijgt u op latere leeftijd nieuwe moedervlekken, dan zijn die per definitie ‘verdacht’. Na het 50ste jaar neemt het aantal moedervlekken vaak af. Het is niet bekend waarom dat gebeurt. Let op: kwaadaardige moedervlekken verdwijnen niet met het ouder worden. Reden om vanaf die leeftijd extra alert op verdachte plekjes te zijn.

 

2. Elke verandering in een voorheen onopvallende moedervlek is verdacht

Gewone moedervlekken – bol, zacht en egaal van kleur – worden zelden kwaadaardig. De kans daarop is minder dan 1 op een miljoen. Maar er bestaan ook onrustige – in medische termen ‘atypische’- moedervlekken  Die kunnen uitgroeien tot een potentieel gevaarlijke vorm van huidkanker, ook wel melanoom genaamd.

Verandert een moedervlek van vorm, of gaat hij jeuken of bloeden, dan kan er sprake zijn van een ontwikkeling in een kwaadaardige richting. Zo’n onrustige moedervlek ziet er anders uit dan een gewone moedervlek. Hij is asymmetrisch – dus niet netjes rond of ovaal – en heel vlak. In tegenstelling tot een normale moedervlek, die een duidelijke, strakke omlijning heeft, zijn de contouren van een atypische moedervlek vaag. De vlek loopt als het ware langzaam over in de normale huid. Vaak heeft hij verschillende kleuren: van lichtbruin naar donkerbruin en zelfs zwart. Ook grijstinten komen voor. Een verdachte moedervlek is meer dan 5 millimeter groot, een melanoom meestal meer dan 10 millimeter.

 

3. Zonder zon geen moedervlekkanker

Onder invloed van de UV-stralen in het zonlicht kunnen de pigmentcellen in de huid zich ongecontroleerd gaan delen. Omdat het lichaam van nature in staat is beschadigde cellen te repareren, stopt dat proces meestal vanzelf. Maar in sommige gevallen gebeurt dat niet en vormt er zich een kwaadaardig huidgezwel: een melanoom. Het overgrote deel van de melanomen ontwikkelt zich uit een moedervlek.

Verreweg de grootste risicofactor voor de ontwikkeling van een melanoom is de zon; alleen erfelijke vormen van moedervlekkanker (zo’n 10% van het totaal) kunnen zonder blootstelling aan zonlicht ontstaan. Vooral periodes van korte, maar heftige zonblootstelling – zoals onder de zonnebank of tijdens het ‘bakken’ op het strand – zijn gevaarlijk. Andere factoren die de kans op het ontstaan van een melanoom (licht) verhogen zijn:

  • een lichte huid die moeilijk bruin wordt en snel verband;
  • meer dan 50 gewone of meer dan 3 onrustige moedervlekken;
  • twee of meer eerstegraads familieleden met een melanoom.

In vergelijking met andere Europese landen komen melanomen in Nederland relatief vaak voor; bij vrouwen staat het melanoom op 5 in de top 10 van meest voorkomende kankersoorten, bij mannen op 8. Het aantal gevallen stijgt al jaren gestaag. Dat heeft er waarschijnlijk mee te maken dat Nederlanders fervente zonaanbidders zijn. Bovendien maken wij ons, samen met de Zweden, van alle Europeanen het minst zorgen over huidkanker. Met als gevolg dat we te laat naar de huisarts gaan met een verdachte moedervlek.

 

4. De meeste gevallen van huidkanker ontstaan niet uit een moedervlek

Per jaar wordt naar schatting bij zo’n 30.000 mensen huidkanker vastgesteld. Het overgrote deel daarvan is kanker van de opperhuid (een basaalcelcarcinoom of plaveiselcelcarcinoom). Deze kankervormen ontstaan wel door de zon, maar niet uit een moedervlek. (Daarover meer in het volgende nummer van Plus.)

In minder dan 10% van alle gevallen van huidkanker is er sprake van een melanoom, wat letterlijk ‘zwart gezwel’ betekent. Omdat een melanoom zich snel kan uitzaaien, is het wel is verreweg de gevaarlijkste vorm van huidkanker.

Een melanoom treft vooral mensen boven de 50 jaar. Krijgt iemand op jongere leeftijd een melanoom, dan gaat het dikwijls om een erfelijke variant van de ziekte.

Melanomen kunnen overal op het lichaam voorkomen, zelfs onder de hoofdharen. Sommige lichaamsdelen zijn er echter wel ‘gevoeliger’ voor dan andere. Bij mannen is dat vooral de rug, bij vrouwen zijn dat de rug en de benen. Vrouwen krijgen iets vaker moedervlekkanker dan mannen. Dat zou met hun zongedrag te maken kunnen hebben, maar bewezen is dat niet.

 

5. Huisartsen zien gemiddeld maar eens per twee jaar een kwaadaardige moedervlek

In totaal worden er zo’n 2500 melanomen per jaar ontdekt. Dat betekent dat een huisarts gemiddeld eens in de twee jaar een patiënt met een melanoom op zijn spreekuur krijgt. Met zo weinig ‘voorbeelden’ kan het lastig zijn om de juiste diagnose te stellen. Vandaar dat een verdachte moedervlek in principe altijd wordt verwijderd. Afhankelijk van de soort moedervlek en zijn eigen expertise doet een huisarts dat zelf, of verwijst hij door naar een dermatoloog.

Een dermatoloog heeft wél veel ervaring met het beoordelen van verdachte moedervlekken. Bovendien kan hij gebruik maken van hulpmiddelen die de huisarts niet heeft, zoals een dermatoscoop. Dat is een instrument dat de moedervlek tien maal uitvergroot. Op die manier worden afwijkingen in de vorm of kleur beter zichtbaar.

Tot een paar jaar geleden bestonden er lange wachtlijsten voor de dermatoloog, maar tegenwoordig kun je er binnen een paar weken terecht. Bij zeer verdachte moedervlekken is dat zelfs al binnen een paar dagen. Steeds meer ziekenhuizen hebben bovendien een speciaal ‘moedervlekkenspreekuur’. Daar zijn de dermatoloog, de chirurg en de oncoloog tegelijk aanwezig om mensen met verdachte moedervlekken zo goed en zo snel mogelijk te helpen.

 

6. Ruim 80% van de patiënten overleeft een melanoom

Een arts zal een verdachte moedervlek altijd verwijderen. Dat gebeurt door de plek onder plaatselijke verdoving weg te snijden. Het verwijderde weefsel gaat naar het laboratorium voor nader onderzoek. Als blijkt dat er sprake is van een melanoom, dan wordt dezelfde plek nogmaals geopereerd. Afhankelijk van de dikte van de tumor wordt voor de zekerheid 1 à 2 centimeter extra weefsel verwijderd. Vervolgens onderzoekt de arts met zijn handen de dichtstbijzijnde lymfklieren op uitzaaiingen. Voelt hij iets verdacht, dan hij zal een echo of eventueel een CT-scan van dat gebied laten maken.

7 tot 14 dagen na de tweede operatie worden de hechtingen uit de wond verwijderd. Bij dunne melanomen (van 1 millimeter of minder) is daarna in principe geen controle meer nodig. Bij dikkere melanomen wordt de patiënt nog een aantal jaren gevolgd.

Een uitgezaaide melanoom is erg gevaarlijk, maar gelukkig wordt de tumor meestal ontdekt en verwijderd vóór hij zich kan verspreiden. In de meeste gevallen hebben mensen met een melanoom dan ook een heel goede prognose: ruim 80% van hen overleeft de eerste vijf jaar. Bij vroege opsporing stijgt dat percentage zelfs naar 90%. Het overgrote deel van de patiënten krijgt na verwijdering nooit meer nieuwe klachten.  

 

7. Zelfcontrole loont

Het is verstandig om uw lichaam regelmatig op veranderende of nieuwe moedervlekken te controleren. Doe dat bijvoorbeeld op de eerste dag van elk kwartaal. Vaker heeft geen zin, want dan vallen veranderingen niet meer op. Een moedervlek die u speciaal in de gaten wilt houden, kunt u met een centimeter ernaast op de foto zetten. Dat maakt het makkelijk om na drie maanden te zien of hij veranderd is van omvang, vorm of kleur. Voor het nakijken van uw rug kunt u een spiegel gebruiken, of de hulp van een ander inroepen. Heeft u drie of meer onrustige moedervlekken, of twee of meer eerstegraads  familieleden met een melanoom? Laat uw moedervlekken dan jaarlijks door een dermatoloog inspecteren.

 

[Kader]

Wanneer naar de dokter?

  • Als de moedervlek groter of dikker wordt
  • Als de moedervlek van kleur verandert
  • Als de moedervlek van vorm en/of omtrek verandert, en de rand onregelmatig wordt
  • Als de moedervlek gaat te jeuken
  • Als de moedervlek begint te bloeden
  • Als er een zweertje of korstje op de moedervlek komt

 

[Kader]

Voorkomen is beter dan genezen

  • Afgelopen februari heeft het Huidfonds de website www.checkjevlekje.nl  gelanceerd. De site is bedoeld om mensen alert te maken op mogelijke veranderingen in hun huid, zoals vlekjes, zweertjes of verkleuring of groei van moedervlekken. U kunt er onder andere uw eigen moedervlekken vergelijken met voorbeelden van gezonde en verdachte moedervlekken.
  • Juni is Melanoommaand. Op verschillende zaterdagen worden dan informatiebijeenkomsten georganiseerd. Zo is er op zaterdag 13 juni in het Leids Universitair Medisch Centrum om 16.00 uur een openbaar college over moedervlekken, en om 16.30 uur een over huidkanker. Voor meer data en adressen, zie: www.myskincheck.nl.

 Dit artikel is tot stand gekomen met medewerking van prof. dr. Wilma Bergman, dermatoloog en bijzonder hoogleraar aan het Leids Universitair Medisch Centrum.

 

CONTACTALLERGIE NEEMT TOE april 27, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 9:26 am

scannen0020scannen0021

Altijd een probleemloze huid gehad en opeens last van jeuk en uitslag? Misschien is het een contactallergie!  

Jeuk, roodheid, bultjes, zwellingen of schilfers: het zijn vervelende en soms ontsierende verschijnselen van een zogeheten ‘contactallergie’. Het komt vaker voor dan hooikoorts of astma. Bijna 4% van de Nederlandse mannen meldt zich ermee bij de huisarts, en ruim 5% van de Nederlandse vrouwen. Omdat lang niet iedereen met huidklachten naar de dokter gaat, ligt het werkelijke aantal patiënten waarschijnlijk (veel) hoger, volgens Europese studies zelfs tussen de 7 en 28% van alle volwassenen. En dat aantal stijgt.

Hoe ouder, hoe meer kans

Niet doordat we steeds gevoeliger worden, maar doordat er steeds meer stoffen bijkomen die een allergische reactie kunnen oproepen. En dat zijn heel gewone dingen; de nieuwste geur wasverzachter, lijm om foto’s in te plakken of de ‘geheime’ toevoegingen die het strijken van overhemden overbodig maken. In principe kan elk stofje dat de huid binnendringt het afweersysteem zo overdreven heftig laten reageren, dat er een allergische reactie optreedt. Wordt dat stofje als vijand herkend, dan maakt het lichaam afweercellen aan. Deze cellen ‘onthouden’ die stof, zodat het lichaam een volgende keer dat de verdachte stof – het allergeen – opduikt, snel in actie kan komen om hem op te ruimen.

Vaak begint een contactallergische reactie met roodheid of jeuk. Als de oorzaak wordt weggenomen – bijvoorbeeld door oorbellen een paar dagen niet te dragen – verdwijnen de klachten meestal vanzelf. Blijft het contact bestaan, dan kan er eczeem ontstaan: een ontstekingsreactie waarbij de huid dik, rood en schilferig wordt en vaak ook jeukt. In uitzonderlijke gevallen komen ook galbulten of blaren voor.

Er kan een reactie optreden als de huid maar een paar keer met de allergene stof in aanraking komt, maar het kan ook jaren duren voor het lichaam allergisch reageert. Vandaar dat de kans op klachten met de jaren toeneemt; een oudere huid is nu eenmaal aan meer stoffen blootgesteld dan een jongere. Of iemand daadwerkelijk een allergie ontwikkelt, hangt af van de samenstelling en sterkte van het allergeen, maar ook van aanleg. Heeft u eenmaal een contactallergie ontwikkeld, dan kunt u ook gevoeliger gaan reageren op andere stoffen. Hoe dat komt, is niet bekend. 

 

Nu contact, overmorgen jeuk

Contactallergie is een vorm van allergie die vertraagd reageert: je merkt er op z’n vroegst pas na 24 tot 48 uur iets van. Die tijd heeft het afweersysteem nodig om de stof te herkennen en tot actie over te gaan. Een allergene stof kan op verschillende manieren in het lichaam komen. Via de huid, en ook via de luchtwegen. Parfum kan dus tot huidklachten leiden, als de geurstof via de slijmvliezen in de bloedbaan komt.

Wat voor problemen u ervaart, hangt onder andere af van de sterkte van de stof en hoe vaak u eraan wordt blootgesteld. Kunstnagels zijn berucht; de acrylaten (soort plastic) daarin zijn zo sterk, dat één keer contact vaak al voldoende is voor een allergische reactie. Nikkel is een relatief zwakke allergene stof, maar omdat mensen er vaak veel en lang aan worden blootgesteld – bijvoorbeeld in riemen, sieraden, brilmonturen en zelfs via mobieltjes – komt nikkelallergie veel voor.

 

Allergie voor schoenen, jeuk aan de vingers

Allergische reacties kunnen zich niet alleen voordoen waar de stof in contact komt met de huid, maar ook op andere plekken. Strooihaarden heten zulke plekken. Ze ontstaan doordat de allergene stof zich via het bloed verspreid. En dus niet doordat je jezelf op verschillende plekken hebt gekrabd – contactallergie is niet besmettelijk. Van chroom is bijvoorbeeld bekend dat het veel strooihaarden veroorzaakt. Chroom komt vrij bij het looien van leer en zit dus in veel schoenen, en kan behalve voetklachten ook jeuk en roodheid geven op andere delen van het lichaam. Soms ontstaat een allergische reactie pas nadat de betreffende stof in contact is gekomen met (zon)licht; een fotocontactallergie. Bekend voorbeeld is zonnebrandcrème, waarvan u pas tijdens of na een zonnebad bultjes of jeuk krijgt.

Ook de plek waar contact wordt gemaakt en de conditie van de huid spelen een rol. De huid rond de ogen is heel dun. Niet verwonderlijk dus dat cosmetica juist daar vaak voor problemen zorgt. En iemand met droge handen met kloofjes krijgt eerder last van een handeczeem dan iemand met verzorgde, goed ingevette handen. 

 

Plakkertjes

Niet alle huidklachten zijn het gevolg van een contactallergie. Vaak is de huid slechts geïrriteerd, bijvoorbeeld na te vaak handen wassen. Huidirritatie en contactallergie geven dezelfde klachten, maar de behandeling is verschillend. Alleen een allergietest kan uitsluitsel geven over wat het probleem is. Daarbij worden plakkertjes met verschillende allergene stoffen op de rug aangebracht. Na 48 uur is te zien of een van de stoffen een allergische reactie heeft veroorzaakt. De test wordt in het ziekenhuis door een dermatoloog uitgevoerd.

Het is belangrijk om te weten of er sprake is van een irritatie of een contactallergie, omdat de behandeling verschilt. Bij irritatie helpt het de huid vet te houden met crème, waarna de klachten binnen enkele dagen moeten verdwijnen. De behandeling van een contactallergie begint vaak met het advies de allergene stof zoveel mogelijk te vermijden en de huid niet onnodig te irriteren. Dat geeft bij 80% van de patiënten een verbetering. Daarnaast kan een arts een cortisonzalf voorschrijven. Cortison is een lichaamseigen hormoon dat ontstekingsremmend werkt. Het nadeel is dat ze de huid bij langdurig gebruik dunner en gevoeliger maken. Er zijn ook zalven zonder cortisonen (zoals Elidel en Protopic). Die tasten de huid niet aan, maar werken minder goed. Parfenac is een kalmerende crème die zonder recept verkrijgbaar is. Bij allergisch eczeem wordt het gebruik ervan echter ontraden omdat Parfenac op zichzelf ook weer allergische reacties kan veroorzaken.

Heeft u vaak last van huidirritaties en lukt het niet die met een vette crème weg te krijgen? Dan is de kans groot dat het een contactallergie is. Ga in dat geval naar de huisarts, want contacteczeem dat langer dan zes weken duurt, is chronisch en veel moeilijker weg te krijgen, zélfs als de directe oorzaak van de allergie wordt weggenomen. Ook andere prikkels, zoals water, zeep en wrijving tegen de huid, kunnen het eczeem dan opnieuw activeren. 60-80% van de mensen met chronisch handeczeem komt daar niet meer vanaf. Vraag dus op tijd deskundig advies! 

Een contactallergie kan niet genezen. De gevoeligheid kan wel minder worden als u de stof waar u allergisch voor bent consequent mijdt. Dan kunt u er  ‘overheen groeien’, óók op latere leeftijd.

 

[Kader]

De meest voorkomende allergieveroorzakers:

  • Metalen, vooral nikkel (sieraden, gespen, knopen, ritsen, brillen, maar ook chroom in schoenen)
  • Rubber (ballonnen, werkhandschoenen, regenlaarzen, schoenen, duikbrillen, condooms)
  • Geurstoffen (in parfums, cosmetica, luchtverfrissers)
  • Conserveermiddelen in cosmetica
  • Geneesmiddelen (allerlei soorten, crèmes, en ook tabletten)

 

[Kader]

Wat kunt u zelf doen als u last heeft van een contactallergie? 

  • Als u weet waarvoor u allergisch bent, vermijd het contact met die stof dan zoveel mogelijk.
  • Niet krabben, want krabben veroorzaakt huidinfecties.
  • Gebruik geen zeep en andere uitdrogende verzorgingsproducten.
  • Vermijd cosmetica met alcohol of geurstoffen.
  • Douche niet te heet en niet te lang – dat droogt de huid uit.
  • Houd de huid vet met een crème zonder alcohol of geurstoffen.
  • Allergisch voor cosmetica? Vraag de dermatoloog dan naar de ‘allergiepas’ van de Nederlandse Cosmetica Vereniging. Daarop worden ingrediënten vermeld waarvoor u allergisch bent, zodat u die makkelijk kunt herkennen op het etiket van een product. 

 

[Kader]

Meer weten?

  • Het Huidfonds: www.huidfonds.nl of via de Huid-Infolijn: 026 – 351 41 60 (werkdagen tussen 9.30 en 15.00).
  • De Vereniging voor Mensen met Constitutioneel Eczeem (VMCE): www.vmce.nl of 033 – 2471044 (werkdagen tussen 9.00 en 17.00)

 

Met medewerking van dr. Thomas Rustemeyer, dermatoloog aan het VU Medisch Centrum in Amsterdam.  

 

13 VRAGEN OVER JICHT april 27, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 9:24 am

scannen0018scannen0019

1. Wat is jicht?

In het lichaam worden voortdurend cellen afgebroken en vervangen door nieuwe. Bij dat proces komt een stofje vrij, purine genaamd, dat afbrokkelt in urinezuur. Normaal gesproken lost urinezuur op in het bloed, waarna het door de nieren via de plas wordt uitgescheiden. Maar om allerlei redenen kan iemand teveel urinezuur in zijn bloed hebben. Het vormt dan kristallen, die onder andere neerslaan in de gewrichten. Het lichaam ziet die kristallen als onnatuurlijke indringers en gaat aan de slag om ze op te ruimen. De pijnlijke ontsteking waarmee dat gepaard gaat, wordt een acute jichtaanval genoemd. Treden dergelijke aanvallen vaker op (meer dan twee keer per jaar), dan spreekt men van chronische jicht.

 

2. Is zo’n aanval schadelijk?
In principe niet. Maar als de aanvallen vaak voorkomen en niet behandeld worden, kan slijtage van het gewricht optreden. Met stijfheid en bewegingsbeperking tot gevolg. Mensen met chronische jicht hebben overigens vaak ook een hoge bloeddruk, en een verhoogde kans op hart- en vaatziekten. Een goede verklaring hiervoor ontbreekt. Vraag uw huisarts dus uw bloeddruk te meten als u jicht heeft, en laat die meting elk jaar herhalen.

 

3. Waarom wordt jicht in de volksmond ook wel ‘het pootje’ genoemd?

Omdat de ziekte vaak in de grote teen optreedt, in zo’n 50 tot 60% van de gevallen. De reden daarvoor is niet bekend. Ook in andere gewrichten zoals de enkel, de knie, de vinger, de pols en de ellebogen kan de aandoening voorkomen, soms zelfs in meerdere tegelijk. De wervelkolom, heupen en schouders worden zelden door jicht aangetast.

 

4. Wat zijn de belangrijkste klachten?

Heftige pijn aan de basis van de grote teen of in een ander gewricht (wat bewegen moeilijk maakt). Het gewricht is rood, gezwollen en voelt warm aan.  Soms treedt tijdens een aanval ook koorts op. Na verloop van tijd kunnen zogenaamde ‘jichtknobbels’ (ook wel ‘tophi’ genoemd) ontstaan. Dat zijn verdikkingen onder de huid die soms erg groot worden. Meestal zijn ze niet pijnlijk. Gaan ze open, dan komt er een witte afscheiding naar buiten. De knobbels kunnen niet door de huisarts worden verwijderd, omdat de wond (zonder urinezuurverlagende behandeling) niet dichtgaat. Sommige patiënten, minder dan 10%, krijgt na verloop van tijd ook last van nierstenen of minder goed functionerende nieren.

 

5. Het schijnt dat je met jicht geen rood vlees meer mag eten en geen wijn meer mag drinken. Wat is daarvan waar?

Sommige voedingsmiddelen bezitten van nature veel purine, dat het urinezuurgehalte in het bloed verhoogt. Rood vlees bijvoorbeeld, maar ook peulvruchten en schelpdieren (zie kader). Als u last heeft van jicht, kunt u die beter met mate eten. Ook veel alcoholhoudende dranken kunnen een jichtaanval uitlokken. Vooral bier, port en sterke dranken zijn ‘boosdoeners’. Wijn lijkt de kans op jicht opvallend genoeg niet te vergroten.

De afgelopen tijd zijn er regelmatig berichten in de media verschenen dat dranken met veel suiker (zoals frisdrank) de kans op jicht zouden vergroten. Andersom zou het drinken van koffie juist beschermen tegen jicht. Vooralsnog is geen van beide beweringen wetenschappelijk bewezen. Dat jicht uitsluitend een ziekte van drinkebroers en Bourgondiërs zou zijn, is overigens een misverstand. Voeding is maar voor zo’n 10% verantwoordelijk voor het urinezuurgehalte in het bloed; de overige 90% wordt bepaald door factoren binnen het lichaam. Als het purinegehalte toch al hoog is, kan de verkeerde voeding een aanval uitlokken.

 

7. Wat kun je nog meer zelf doen om een jichtaanval te voorkomen?

Kijk uit met snel afvallen. Veel zogenaamde ‘crashdiëten’ bevatten veel eiwitten en weinig koolhydraten. Dat kan het gehalte aan urinezuur in het bloed verhogen en een jichtaanval teweegbrengen.

 

8. Klopt het dat jicht een typische mannenziekte is?

Ja, een ‘oudere-mannenziekte’ zelfs. In Nederland lijden ongeveer 150.000 mensen aan jicht, en driekwart daarvan is man. Tot nu toe hebben artsen nog niet kunnen achterhalen waarom dat zo is. Mogelijk speelt de leefstijl van mannen (meer rood vlees eten, meer bier drinken) een rol. De helft van de patiënten is ouder dan 65 jaar.

 

9. Is de ziekte erfelijk?

Deels wel. Bij 30% van de jichtpatiënten komt jicht in de familie voor. Recent hebben onderzoekers drie genen gevonden die mogelijk een rol spelen bij de ontwikkeling van de aandoening. Mensen met deze genvarianten blijken tot 40% meer risico te lopen. Maar een erfelijke aanleg alleen is niet genoeg om de ziekte te krijgen; daarbij spelen ook andere factoren zoals een ongezonde leefstijl een rol. Andersom kunnen mensen zonder die specifieke aanleg óók jicht ontwikkelen.

 

10. Kun je zelf iets doen om de pijn te verlichten?

Het gewricht koelen, bijvoorbeeld door er een cold pack (plastic zakje met een speciaal soort gel dat je in de vriezer af laat koelen) op te leggen. Zit de jicht in de knie of de voet, dan is verstandig het been hoog te houden en druk (bijvoorbeeld door staan en lopen) zoveel mogelijk te vermijden. Een acute jichtaanval gaat doorgaans binnen enkele dagen tot een week vanzelf over.

 

11. En als dat niet genoeg helpt? 

Als de (pijn)klachten ernstig zijn, kan een arts geneesmiddelen voorschrijven om de ontsteking te bestrijden. In eerste instantie zijn dat vaak Diclofenac, Naproxen of andere zogenaamde ‘nsaid’s’. Als de huisarts via onder andere bloedonderzoek de diagnose jicht heeft gesteld, wordt meestal Colchicine voorgeschreven.

 

11. Wat te doen als de jicht terugkomt?

Als de jicht vaker dan twee keer per jaar optreedt, is de kwaal chronisch en kan een patiënt worden behandeld met geneesmiddelen die het urinezuurgehalte in het bloed verminderen. Het meest gebruikte middel daarvoor is Allopurinol. Het aantal aanvallen vermindert er sterk door en soms blijft de jicht zelfs helemaal weg.

 

12. Welke alternatieve behandelingen helpen?

Van geen enkele alternatieve behandeling is het effect op jicht aangetoond. Kiest u voor een alternatieve behandelaar, meld dat dan altijd aan uw behandelend arts. Stop nooit zomaar met uw reguliere medicijnen.

 

13. Wanneer is het verstandig je naar een reumatoloog te laten doorverwijzen?

Als er twijfels zijn over de diagnose of als het aantal aanvallen, de pijn of jichtknobbels ondanks medicatie niet verminderen, is het verstandig naar een reumatoloog te gaan. Dat geldt ook als de jicht in meerdere gewrichten zit of als er complicaties (zoals nierstenen of nierfalen) optreden. Als de huisarts niet het initiatief neemt om door te verwijzen, vraag er dan zelf om.

 

[Kader]

Voedingsmiddelen die veel purine bevatten

  • peulvruchten en spinazie
  • rood vlees (niet goed doorbakken)
  • orgaanvlees, zoals hart, hersenen, niertjes en zwezerik
  • vissoorten, zoals haring, sardines, ansjovis, forel, zalm en kabeljauw
  • schaal- en schelpdieren, zoals mosselen en garnalen

 

Met medewerking van Martijn Gerritsen, reumatoloog bij het Jan van Breemeninstituut (JBI) in Amsterdam. Het JBI is een gespecialiseerd centrum voor mensen met klachten en afwijkingen aan het houdings- en bewegingsapparaat. Voor meer informatie: www.janvanbreemen.nl of 020-5896589.

 

 

“GOD HIELP MIJ TE GENEZEN, NU HELP IK ANDEREN” februari 20, 2009

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 8:32 am

scannen0015scannen0016

Nadat Wilma Buhrs (57) in 1997 borstkanker had overwonnen, wilde ze iets teruggeven aan de wereld. In de sloppenwijken van Kampala vond ze haar lotsbestemming.

Wilma Buhrs: “Voor ik kanker kreeg was ik alleen maar met ‘later’ bezig. In mijn wereldje was dat heel vanzelfsprekend. Veel draaide om uiterlijk vertoon en geld. Dat werd allemaal anders toen ik op een ochtend de douche uitstapte en tijdens het afdrogen een klein knobbeltje in mijn borst voelde. Voor de zekerheid ging ik naar de dokter, maar echt bezorgd was ik niet. Des te groter was de schok toen het borstkanker bleek te zijn. Op drie verschillende plekken zelfs. Ik had geen andere keus dan mijn borst te laten amputeren.

De maanden daarna verkeerde ik in een shock. Ik dacht, las en droomde alleen nog maar over kanker. Hoe verwerk je het verlies van een borst? Wat vertel je je kind? Wat betekent een borstamputatie voor je seksleven? Wanneer kun je weer aan het werk? Ik zocht contact met lotgenoten en kreeg met vier vrouwen een bijzondere band, zij hebben me echt door het eerste jaar gesleept.

Na ongeveer een jaar begon ik langzaam weer oog te krijgen voor de wereld om me heen. Maar het was mijn wereld niet meer. De dingen waar mijn vriendinnen en collega’s zich druk over maakten – de laatste mode, een nóg groter huis, wéér een nieuwe auto – deden me niets meer. Ik voelde me heel verloren, een vreemde in mijn eigen leven. Maar er kwam tegelijkertijd een gevoel van haast over me. Want wie weet hoe lang je nog te leven hebt? Ik besloot alleen nog die dingen te doen, die me nu gelukkig maken. ‘Later’ heb ik uit mijn vocabulaire geschrapt. Vage vriendschappen die meer energie kostten dan ze opbrachten heb ik beëindigd. En mijn baan – toch al niet echt leuk – heb ik opgezegd. Zonder een idee te hebben wat ik dan wel wilde. Maar ik was ervan overtuigd dat het antwoord vanzelf zou komen. 

In 2000 werd ons gevraagd of we Vincent, een Oegandese jongen van 16 die met zijn muziekgroep naar Nederland kwam, een paar weken in huis wilden nemen. Zonder nadenken zei ik ja. Het leuk me een leuke manier om een helpende hand uit te steken. Vincent raakte iets heel dieps in me. Met zijn traditionele muziekinstrumenten toverde hij muziek en warmte in huis. Wat had ik dat gemist! In zijn aanwezigheid kon ik me voor het eerst in lange tijd weer echt kon ontspannen. Toen Vincent na zes weken weer naar Oeganda vertrok, voelde het alsof ik mijn tweede zoon uitzwaaide. Het zou geen vaarwel worden, maar een nieuw begin. 

Een jaar later ben ik hem in de sloppenwijken van Kampala gaan opzoeken. Ik weet niet wat ik verwacht had, maar zeker niet het piepkleine plaggenhutje, gemaakt van koeienpoep. Vincent woonde daar met zijn oma en vijf andere kinderen. Verwarming of licht was er niet. Overdag bedelden ze om eten. ’s Nachts sliepen als lepeltjes op de grond om elkaar warm te houden. Maar ondanks hun armoedige leven waren ze zó opgewekt, zó zorgzaam. Voor elkaar én voor mij. Ik had nooit meer zonder schuldgevoel kerst kunnen vieren als ik niet iets voor hen was gaan doen. Dat werd de Stichting Help UGanda. Mijn aanwezigheid in Kampala voelde vanaf de eerste dag vanzelfsprekend: alsof ik mijn lotsbestemming had gevonden. Natuurlijk kreeg ik terug in Nederland te horen dat mijn stichting verspilling van tijd en geld zou zijn. Zelfs mijn man stond niet te springen – hij heeft veel moeite met de ‘liever lui dan moe’ mentaliteit van de Afrikanen. Maar voor mij was het duidelijk: dit is de rol die God me gegeven had en niets of niemand kon me daar vanaf brengen. God heeft mij geholpen om beter te worden. Nu wil ik hetzelfde voor anderen doen. 

Met mijn stichting steun ik vijf projecten: een kindertehuis, een medisch centrum, tandartsenhulp aan kinderen in de sloppenwijk, een lepraziekenhuis en een invalidenschool. Regelmatig krijg ik aanvragen voor nieuwe projecten, maar hier laat ik het bij. Het moet emotioneel en fysiek wel behapbaar blijven. 

In 2006 kreeg ik opnieuw borstkanker. Ook mijn tweede borst moest worden geamputeerd. Een maand na de operatie zat ik alweer in het vliegtuig naar Oeganda. Door mijn wond kon ik niet veel doen, maar alleen al door daar te zijn voelde ik me beter. De bezorgdheid, de aanraking, de troost van de mensen daar: het was als een warm bad. In Oeganda mocht ik me kwetsbaar opstellen, hoefde ik niet weg te lopen voor de pijn. Ik kon er kortom helemaal  mezelf zijn. Een beter medicijn is er niet. 

Het contrast tussen het leven hier en daar is enorm. Toch voel ik me niet schuldig over mijn relatieve rijkdom – ik heb simpelweg het geluk gehad dat ik in het welvarende Nederland ben geboren. Maar ik wil de mensen hier wel laten zien dat er méér is om je druk over te maken dan alleen de ecotax of de stijgende benzineprijzen. Dat doe ik door geld en spullen in te zamelen voor mijn stichting en door lezingen te houden op scholen en in kerken. 

Ik krijg vaak de vraag of mijn projecten geen druppel op een gloeiende plaat zijn. Maar je zult maar net onder die ene druppel staan. Kijk naar Vincent: met onze hulp heeft hij in Nederland een computercursus gevolgd. Nu heeft hij een goede baan in een ziekenhuis in Kampala. Hij is bezig een huis voor zichzelf te bouwen en hij onderhoudt zijn familie. Bovendien helpt hij op zijn beurt weer andere kinderen door hun scholing te betalen. Zo wordt die ene druppel langzaam een plas en uiteindelijk een heel meer.

Oeganda heeft me meer goeds gebracht dan ik vooraf ooit had kunnen dromen. Niet alleen voelt het geweldig iets terug te doen voor mijn medemens, het heeft me na de kanker ook het broodnodige zelfvertrouwen gegeven. Vijftien jaar geleden had ik niet gedacht dat ik de kracht zou hebben om in mijn eentje door Afrika te reizen, of om geld in te zamelen voor mijn stichting. Als ik niet ziek was geworden, was ik daar misschien nooit achtergekomen.

Onlangs heeft Vincent een zoontje gekregen, Trevor, dat onze achternaam draagt. Een grotere beloning kan ik me niet wensen. Als ik straks met Trevor in mijn armen sta, ben ik de meest trotse oma van heel Oeganda.” 

Voor meer informatie over de Stichting Help UGanda, kijk op www.stichtinghug.nl.

 

 

WAT MAG U VAN UW HUISARTS VERWACHTEN? oktober 28, 2008

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 10:42 am

De huisarts die 24 uur per dag beschikbaar is voor zijn patiënten bestaat al lang niet meer. Wat is er voor in de plaats gekomen? De huisartsenzorg anno 2008 in 23 vragen en antwoorden.

1. Mag ik zelf bepalen welke huisarts ik kies?

Patiënten hebben de vrijheid om zelf een huisarts te kiezen. Er zit echter één maar aan: huisartsen hebben onderling afgesproken dat ze ernaar streven hun patiënten in geval van nood binnen vijftien minuten te kunnen bereiken. Kiest u een huisarts ver bij u vandaan, dan kan hij niet aan die afspraak voldoen. Vandaar dat Nederland is opgedeeld in verschillende werkgebieden. Woont u binnen het werkgebied van de arts van uw voorkeur, dan kunt u daar (mits er plaats is in de praktijk) terecht. Woont u daarbuiten, dan zal hij u waarschijnlijk doorverwijzen naar een arts meer in de buurt.

2. Als ik ontevreden ben over mijn huisarts of ga verhuizen, kan ik dan zonder problemen van huisarts wisselen?

Ja, zolang u een arts bij u in de buurt kiest (zie het antwoord op vraag 1). Het kan echter zo zijn dat de praktijk van uw voorkeur een patiëntenstop heeft ingevoerd. Dat gebeurt als het aantal patiënten in de praktijk te groot wordt om nog goede zorg te kunnen garanderen. In dat geval moet u op zoek naar een andere praktijk.

Werken er meerdere artsen in een praktijk en heeft u voorkeur voor één van hen (bijvoorbeeld een arts van hetzelfde geslacht), spreek dat dan vooral uit. Als het mogelijk is zal men altijd proberen aan uw voorkeur te voldoen.

3. Een paar jaar geleden had iedereen de mond vol over het dreigende huisartsentekort. Is dat doemscenario waarheid geworden?

Gelukkig niet. Landelijk gezien zijn er op dit moment voldoende huisartsen. Wel zijn sommige regio´s beter voorzien dan andere, maar nergens is het aantal zo laag dat mensen geen huisarts in de buurt kunnen vinden. Ook voor de toekomst verwacht de overheid geen structureel tekort. De komende jaren gaan weliswaar veel huisartsen met pensioen, maar er worden voldoende nieuwe artsen opgeleid om dat gat te vullen.

4. Mag ik bij een praktijk met meerdere huisartsen verwachten dat ik altijd door dezelfde arts te woord word gestaan?

In een praktijk met meerdere huisartsen wordt u in principe bij één van hen ingeschreven. Dat is prettig voor u als patiënt, maar óók voor uw huisarts. Het is immers belangrijk dat hij een vertrouwensrelatie met u kan opbouwen, en uw medische geschiedenis goed leert kennen. In principe zal de assistente altijd proberen een afspraak bij uw eigen arts te regelen. Lang niet alle huisartsen werken echter fulltime. Op dagen dat uw eigen arts niet aanwezig is, of bij grote drukte in de praktijk, kan dat betekenen dat u bij een andere arts terechtkomt.

5. Mijn huisarts gaat met pensioen. Hoe vind ik een andere?

Als een huisarts met pensioen gaat, wordt zijn praktijk in de meeste gevallen overgenomen door een opvolger. Wordt de praktijk toch opgeheven, dan zal uw oude huisarts u adviseren over waar u in het vervolg terecht kunt.

6. Sinds kort werkt er een huisarts in opleiding in de praktijk. Ik vind het geen prettig idee om door zo’n onervaren arts geholpen te worden. Mag ik om een ander vragen?

Een arts in opleiding is een volledig bevoegde arts, die bezig is met zijn specialisatie tot huisarts. Hij wordt in zijn werk in de praktijk begeleid door een (van de) huisarts(en), die dagelijks alle dossiers met hem doorspreekt. Er is dus geen reden te veronderstellen dat de kwaliteit van zorg die een arts in opleiding biedt minder is. Voelt u zich daar desondanks onprettig bij, spreek dat dan uit naar de assistente met wie u de afspraak maakt. U bent niet verplicht een consult met een arts in opleiding te accepteren.

7. In mijn huisartsenpraktijk werken een assistente en een praktijkondersteuner. Wat is het verschil tussen de twee?

Alle huisartsenpraktijken hebben een assistente, maar niet alle praktijken hebben een ondersteuner. Een assistente handelt alle telefonische zaken af. Daarnaast voert zij meestal een aantal medische taken uit, zoals het beantwoorden van zorgvragen, het meten van de bloeddruk, het verwijderen van hechtingen, het maken van uitstrijkjes of het testen van urine of bloed.

Een praktijkondersteuner is speciaal opgeleid om een zelfstandig spreekuur in de praktijk te kunnen voeren. Zij begeleidt veelal patiënten met een chronische aandoening (zoals suikerziekte, hart- of vaatziektes of COPD), die regelmatig hun gezondheid moeten laten controleren. Zowel de assistente als de ondersteuner werkt onder eindverantwoordelijkheid van de huisarts.

8. Ik heb een chronische ziekte. Hoe vind ik een huisarts die ervaring heeft met de begeleiding daarvan?

Van veelvoorkomende chronische ziektes zoals suikerziekte, hart- of vaatziektes of COPD weten huisartsen meer dan genoeg om u goed te kunnen begeleiden. Lijdt u aan een meer zeldzame chronische ziekte, dan zal uw huisarts zich in de verschillende aspecten daarvan verdiepen. Kortom: een chronische ziekte hoeft geen reden te zijn om van huisarts te wisselen. Wilt u toch graag een huisarts met gespecialiseerde kennis, informeer dan bij uw specialist of patiëntenvereniging.

9. Mijn huisarts heeft plotseling het inloopspreekuur afgeschaft. Nu ben ik gedwongen om een afspraak te maken. Waarom is dat?

Iedere huisarts bepaalt zelf of hij wel of niet een inloopspreekuur organiseert. Dat hangt onder andere af van het aantal mensen dat er gebruik van maakt. Verder heeft een arts tijdens een druk inloopspreekuur vaak minder tijd voor een patiënt dan tijdens een afspraak. Om de frustratie die dat kan opleveren te voorkomen, kiezen sommige artsen ervoor liever geen inloopspreekuur te houden.

10. Mijn huisarts is telefonisch alleen bereikbaar tussen acht en tien uur ’s ochtends. Maar als ik dan bel krijg ik continu een gesprektoon. Wat nu?

Huisartsen erkennen dat de telefonische bereikbaarheid een groot probleem is. Van de Inspectie voor de Gezondheidszorg hebben zij een jaar de tijd gekregen – tot september 2009 – om de bereikbaarheid te verbeteren (zie kader). Hebt u problemen met uw huisarts, kaart dat dan eens aan bij de assistent, zodat bekeken kan worden op welke momenten het wat rustiger is en u wel contact krijgt.

11. Als ik voor een afspraak bel, kan ik vaak pas de volgende dag terecht. Mag ik dezelfde dag nog een afspraak eisen?

Nee, tenzij het om een acuut probleem gaat. In het geval van een niet-acute klacht geldt dat u binnen twee werkdagen voor een afspraak bij uw huisarts terecht moet kunnen. Overigens is het vaak wel mogelijk dezelfde dag telefonisch een arts uit de praktijk te spreken.

12. Kan ik ’s avonds of in het weekend direct naar de Eerste Hulp met mijn klachten?

Zowel de Eerste Hulp als op de huisartsenpost bieden acute zorg aan patiënten. Het is daarom verstandig eerst de huisartsenpost te bellen. Die is vaak dichterbij en de wachttijd is er over het algemeen een stuk korter. Bovendien kost een bezoek aan de huisartsenpost u niets. Gaat u naar de Eerste Hulp, dan tellen de kosten daarvan mee voor uw eigen risico van 150 euro. Als het nodig is zal de arts van de huisartsenpost u alsnog naar het ziekenhuis doorverwijzen. Is er sprake van een levensbedreigende situatie, dan kunt het beste direct 112 bellen.

13. Toen ik laatst met een ingewikkelde klacht naar mijn huisarts ging, had hij maar tien minuten voor me. Hoe regel ik meer tijd?

Een standaard consult bij de huisarts duurt tien minuten. Dat blijkt meestal voldoende om het probleem te bespreken. Is dat niet het geval, dan kan een vervolgafspraak worden gemaakt. Heeft u meerdere klachten of wilt u veel met uw huisarts bespreken, geef dan bij de assistente aan dat u graag een dubbele afspraak wilt.

14. Ik ben slecht ter been en woon alleen. Mag ik verwachten dat mijn huisarts op huisbezoek komt?

Ja, indien u niet in staat bent zelf naar de praktijk te komen, mag u verwachten dat uw huisarts naar u toekomt.

15. Nadat ik uit het ziekenhuis was ontslagen, heb ik niets meer van mijn huisarts gehoord. Is dat normaal?

Uw huisarts zal na een ziekenhuisopname over het algemeen alleen contact opnemen als hij verwacht dat u nog medische begeleiding nodig hebt. Overigens kan het soms lang duren voor het ziekenhuis uw huisarts van de opname op de hoogte stelt. Daarom is het verstandig na een ziekenhuisopname altijd zelf uw huisarts te informeren over wat er is gebeurd.

16. Mijn partner is ernstig ziek. Kan ik bij mijn huisarts terecht met vragen over hoe ik daar het beste mee kan omgaan?

Absoluut. Ook als u zelf niet ziek bent is uw huisarts er voor u om uw vragen en zorgen met u te bespreken. Heeft u het gevoel dat u – praktisch of geestelijk – hulp nodig heeft, dan kunt u daar ten alle tijden om vragen.

17. Wat is een e-consult?

Standaard is het zeker nog niet, maar er zijn steeds meer artsen die email gebruiken om met hun patiënten te communiceren. Bijvoorbeeld voor administratieve handelingen zoals het maken van afspraken of het versturen van uitslagen, maar ook voor een consult met een patiënt. Dat laatste wordt een e-consult genoemd. Omdat de meeste artsen het belangrijk vinden hun patiënten persoonlijk te zien, komen e-consulten (nog) niet veel voor.

18. Ik wil graag worden doorverwezen naar een specialist, maar mijn huisarts vindt dat niet nodig. Wat kan ik doen?

Leg goed aan uw huisarts uit waarom u het – ondanks dat hij het afraadt – toch belangrijk vindt om te worden doorverwezen. Maakt u zich zorgen naar aanleiding van verhalen uit uw omgeving? Heeft u het gevoel dat hij u niet serieus neemt? Als u duidelijk maakt waar het pijnpunt zit, kan uw huisarts uw zorgen wegnemen, of u alsnog doorsturen naar een specialist. Komt u er samen echt niet uit, dan kunt u een second opinion aan een andere huisarts (binnen of buiten de praktijk) vragen.

19. Ik wil graag worden doorverwezen naar een alternatieve behandelaar, maar mijn huisarts gelooft daar niet in. Wat kan ik doen?

Voor een bezoek aan een alternatieve behandelaar heeft u geen verwijzing nodig van uw huisarts, ook niet als de behandeling door de zorgverzekeraar wordt vergoed. Het is wel belangrijk aan uw huisarts te melden welke aanvullende therapie u volgt, zodat hij daar rekening mee kan houden.

20. Mijn apotheek geeft me een ander merk medicijnen dan mijn huisarts heeft voorgeschreven. Moet ik mijn huisarts daarover inlichten?

Nee, dat is niet nodig. Het merk zegt niets over de inhoud. Het medicijn dat de apotheek u meegeeft zal dezelfde werkzame stoffen bevatten als het merk dat uw huisarts heeft voorgeschreven. Heeft u het idee dat het effect anders is, of dat u andere bijwerkingen ervaart, meldt dat dan aan zowel uw huisarts als uw apotheek.

21. Wat is het verschil tussen een huisartspraktijk, een huisartsenpost en een gezondheidscentrum?

Een huisartsenpraktijk is een praktijk van een of meer huisartsen. Een gezondheidscentrum is een praktijk waarin – behalve meerdere huisartsen – ook andere zorgverleners zijn gevestigd, zoals psychologen, fysiotherapeuten of maatschappelijk werkers.

Binnen werkuren gaat u voor zorg naar uw huisartspraktijk of gezondheidscentrum. ’s Avonds, ’s nachts en in het weekend kunt u met acute problemen terecht bij de huisartsenpost., waarin verschillende huisartsen samenwerken.

22. Moet ik een eigen bijdrage betalen voor mijn bezoek aan de huisarts?

Nee, dat hoeft niet. Het verplichte eigenrisico in de zorgverzekering geldt niet voor huisartsenzorg.

23. Mag mijn huisarts informatie over mijn medisch dossier aan mijn partner geven?

Nee. Uit privacyoverwegingen mag een huisarts medische informatie alleen met de patiënt bespreken. Vandaar dat u bijvoorbeeld altijd zelf naar de praktijk moet bellen over onderzoeksuitslagen.

Dit artikel is tot stand gekomen in overleg met Jettie Bont, huisarts te Hilversum en algemeen bestuurslid van de Landelijke HuisartsenVereniging LHV.

[Kader]

Best tevreden, maar het kan beter

Wie de verhalen op verjaardagsfeestjes verhalen over de huisarts hoort, zou het niet zeggen, maar Nederlanders zijn best tevreden over hun huisarts. Gemiddeld geven we ongeveer een acht, zo blijkt uit verschillende onderzoeken. Hoe vaker mensen hun huisarts zien, hoe meer ze hem waarderen. Of de huiars in de stad of op het platteland woont maakt niets uit.

Valt er dan niets te klagen? “Zeker wel”, zegt Frederik Vogelzang van de Nederlandse Patienten Consumenten Federatie (NPCF). “We krijgen jaarlijks 250 klachten binnen over de huisarts.”Met stip op één: de ‘vrije artsenkeuze’. “Het valt niet altijd mee om een andere huisarts te vinden, zelfs niet binnen het eigen postcodegebied”, zegt Vogelzang. “En ook al zijn Nederlanders gemiddeld tevreden over de communicatie en de bejegening, het gaat nog wel eens mis. Op de tweede plaats staan klachten die hiermee te maken hebben, bijvoorbeeld een onduidelijke diagnose. Verder zijn patiënten soms ontevreden als ze van hun huisarts geen verwijsbrief of medische verklaring krijgen, en ook krijgen we meldingen binnen over de slechte telefonische bereikbaarheid.”

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) noemt in een recent verschenen rapport de bereikbaarheid van huisartsen zelfs ‘onacceptabel slecht’. Meer dan een kwart van de mensen die het speciale spoednummer van de praktijk bellen, krijgt niemand te pakken. En 40% van de mensen die het reguliere nummer bellen wacht langer dan tien minuten.

De IGZ vindt dat huisartspraktijken tijdens kantooruren voor spoed binnen dertig seconden bereikbaar moeten zijn. Voor gewone oproepen moeten praktijken binnen twee minuten bereikbaar zijn. Verder moeten spoednummers geen antwoordapparaat hebben, maar direct beantwoord worden of worden doorgeschakeld naar een vervanger. Daarnaast dienen antwoordapparaten zo min mogelijk voor de gewone bereikbaarheid te worden ingezet. De inspectie geeft huisartsen tot september 2009 de tijd om deze normen over te nemen. Gebeurt dat niet, dan volgen er strenge maatregelen van de overheid.

Nog een pijnpunt: de privacy van patiënten in huisartsenpraktijken. Daaraan valt nog veel te verbeteren, concludeert de Consumentenbond op basis van een enquête onder ruim vierhonderd huisartsbezoekers. Ruim tweederde van de deelnemers gaf aan dat ze de gesprekken vanuit de wachtruimte konden zien; een kwart kon ze ook verstaan. Eén op de drie mensen kon bovendien vanuit de wachtkamer de telefoongesprekken met de assistent volgen.

TIP: De NPCF heeft een Meldpunt Consument en de Zorg, waar u met uw klachten over de (huisartsen)zorg terecht kunt. Telefoon: 030 – 239 67 77 of www.consumentendezorg.nl. De verzamelde klachten worden gebruikt om problemen aan de kaak te stellen bij de politiek en artsenorganisaties.

 

WIE ZOEKT… september 28, 2008

Ingedeeld onder: 22 - Plus Magazine — martevansanten @ 6:56 pm

Vrijwel allemaal ontmoeten we mensen op ons levenspad die we nooit meer vergeten en graag zouden terugzien. Voor Pluslezeres Caroline Welman (50) was dat haar jeugdmaatje Frank. Het werd een emotionele hereniging.

“Negen jaar was ik toen ik op een avond tijdens het eten te horen kreeg dat ik naar een kindertehuis zou gaan. Mijn ouders waren beide erg beschadigd uit de oorlog gekomen. Na slechts vier jaar huwelijk gingen ze uit elkaar. Mijn moeder kon daarna de zorg voor ons niet meer aan. Waarom werd ik uit huis werd geplaatst en mijn broertje en halfzusje niet? Die vraag heb ik nooit beantwoord gekregen. Omdat ik de oudste en de meest mondige was, denk ik. Eenmaal in het tehuis kwamen me ouders me om de beurt eens in de twee weken apart opzoeken. Maar het is nooit meer helemaal goed gekomen tussen ons.

Meteen een klik

Ik heb eigenlijk maar weinig herinneringen aan vroeger. Die zijn allemaal diep weggestopt. Ook de eerste ontmoeting met Frank weet ik niet meer precies. Maar wat ik nooit zal vergeten, is dat er gelijk een klik was. Misschien omdat we zulke tegenpolen waren. Hij heel levenslustig en energiek, ik teruggetrokken en stil.

In die sombere omgeving viel zijn enthousiasme extra op. Ik heb mijn eerste echte zoentje van hem gekregen. Het was heel onschuldig, maar toch… het heeft diepe indruk op me gemaakt. Ik weet nog goed dat Frank wekelijks naar honkbaltraining ging. ‘Wacht maar af!’, riep hij dan vanaf zijn fiets. ‘Later word ik beroemd!’ Nog jaren daarna heb ik het sportnieuws intensief gevolgd, in de hoop zijn naam tegen te komen.

Na twee jaar in het kindertehuis werd ik onverwacht in een pleeggezin geplaatst. Tijd om afscheid te nemen was er niet. Wéér moest ik plotsklaps iemand om wie ik gaf achterlaten. Vanaf dat moment heb ik mezelf nooit meer open durven stellen.

Door de jaren heen bleef ik regelmatig aan Frank denken. Moeite om hem op te sporen deed ik niet. Ik was druk met een nieuw leven voor mezelf op te bouwen, en met de zorg voor mijn kinderen. Bovendien was ik veel te bang pijnlijke herinneringen op te rakelen.

Alles suisde om me heen

Vijf jaar geleden ben ik op aandringen van een vriendin toch op internet gaan zoeken. We vonden zijn geboortedatum, meer niet. Dat was voor mij het teken dat ik het verleden beter kon laten rusten.

In oktober 2006 luisterde ik bij toeval naar Adres Onbekend. Toen begon het toch weer te kriebelen. Ik wilde Frank zo graag vertellen wat een geweldige indruk hij op me achtergelaten had. En wat een waardevolle vriend hij voor mij was geweest. Als kind in een tehuis krijg je dat soort dingen nooit te horen. Ik gunde hem die bevestiging alsnog. En ik was natuurlijk ook gewoon nieuwsgierig hoe het hem verder vergaan was. Ik besloot het er nog één keer op te wagen en stuurde een brief aan het radioprogramma.

Tot mijn verbazing hing presentator Ron Kas binnen een paar dagen aan de telefoon. Een week later zat ik al in de uitzending! Ontzettend spannend vond ik dat. Vooraf had ik me niet echt zenuwachtig gemaakt, maar opeens dacht ik ‘wat als hij me zich helemaal niet herinnert?’. Dat had ik vreselijk gevonden.

Toen Ron vragen ging stellen, kreeg ik het behoorlijk te kwaad. Er kwamen allerlei gevoelens boven waarvan ik vergeten was dat ik ze had. Nooit eerder had ik met iemand over die tijd gepraat. En er luisterden ook nog eens een paar honderdduizend mensen mee! Ik heb mijn voeten plat op de grond moeten zetten om niet in huilen uit te barsten. Eenmaal thuis voelde ik hoe intens het was geweest. Alles suisde om me heen. Heel onwerkelijk.

Nog tijdens de uitzending kwamen er verschillende reacties binnen. Maar toen alle tips een week later nagetrokken waren, was Frank nog steeds niet gevonden. Dat was een grote teleurstelling. Meedoen aan zo’n programma creëert toch verwachtingen. Ik dacht: ‘Waarom heb ik dit mezelf aangedaan?’ Toen heb ik besloten hem helemaal uit mijn hoofd te zetten.

Alleen oog voor elkaar

Tot mijn stomme verbazing belde Ron Kas me dit voorjaar opeens op met het bericht dat er nieuwe aanwijzingen waren. Wat bleek? Mijn verhaal had als onopgeloste zaak in het Algemeen Dagblad gestaan. Met verrassende tips als resultaat. Ik was de teleurstelling van de eerste opname zeker niet vergeten, maar de kans om Frank alsnog te vinden wilde ik niet aan me voorbij laten gaan.

Op zondagmiddag reed ik naar het Mediacafé in Hilversum. Echt zenuwachtig was ik niet. Het was vooral spannend, zoals een kind zich voelt vlak voor zijn verjaardagsfeestje. Mijn verhaal stond als laatste op het programma. Omdat ik geboeid zat te luisteren naar de andere gasten was ik voor ik er erg in had aan de beurt. Het ging opeens zo snel! Ik heb het in een roes beleefd. Ron’s introductie ging helemaal aan me voorbij; ik moest moeite doen om zijn vragen te begrijpen! Het enige dat ik me nog herinner is dat hij zei: “Als je je omdraait, komt Frank nu naar je toegelopen.” Vanaf het moment dat ik Frank aankeek viel de wereld om me heen weg.

Later hoorde ik dat het publiek in een luid applaus was uitgebarsten, maar daar heb ik niets meer van gehoord. We hadden alleen oog voor elkaar. Mijn angst dat hij me niet meer zou herinneren bleek gelukkig ongegrond: hij was mij ook nooit vergeten!

Een vreemde en toch weer niet

Na de uitzending zijn we naar een café in Hilversum gereden. We hebben wel drie uur met elkaar zitten praten. In het begin was dat even onwennig: je zit tegenover een vreemde, en toch weer niet. Maar al snel voelde het heel vertrouwd, als een oude vriendschap waarvan je de draad weer oppakt.

We hebben herinneringen opgehaald, maar ook gesproken over hoe het ons daarna vergaan is. De tijd in het kindertehuis heeft een grote invloed op de rest van onze levens gehad. Meest waardevol vond ik wel te ontdekken dat we dezelfde herinneringen aan die tijd hebben. Als je veertig jaar lang ergens niet over praat lijkt het soms alsof het nooit gebeurd is. Maar door de ontmoeting met Frank weet ik zeker dat ik die rotjeugd niet heb verzonnen.

We hebben niet direct een vervolgafspraak gemaakt, maar wel gegevens uitgewisseld. Toen ik thuis kwam voelde ik me uitgelaten. Door mijn ervaringen in de tehuizen heb ik mijn gevoel altijd heel erg voor mezelf gehouden. Ik heb mezelf open durven stellen voor liefde of affectie; het risico om afgewezen en gekwetst te worden was te groot. Maar door de ontmoeting met Frank komt daar misschien verandering in.”

Adres Onbekend wordt elke zondag van 12.00 – 14.00 uitgezonden op radio 2. www.adresonbekend.kro.nl.

Zelf op zoek naar een oude bekende? Zo pakt u het aan!

Stap 1: Verzamel informatie

Probeer zoveel mogelijk informatie over de persoon in kwestie te verzamelen. Vraag familie, vrienden of oude bekenden met u mee te denken. Misschien herinneren zij zich dingen die u niet meer weet! Begin met de basisgegevens, zoals voor- en achternaam, voorletters, geboortedatum en geboorteplaats. Schrijf vervolgens alle overige informatie op die u kunt achterhalen. Weet u nog een of meerdere adressen waar de persoon in kwestie heeft gewoond? Op welke scholen heeft hij gezeten? Herinnert u zich nog namen van zijn ouders, broers, zussen of vrienden? Heeft hij in dienst gezeten? Was hij lid van een club of vereniging? Wat voor werk zou hij nu kunnen doen? Al dat soort gegevens kunnen u later bij uw zoektocht helpen.

Stap 2: Zoek op internet

Het internet is tegenwoordig dé aangewezen plek om een zoektocht naar een oude bekende te beginnen. We geven u een aantal handige plekken waar u op internet terecht kunt.

Zoekmachines

Van alle zoekmachines op internet is Google waarschijnlijk wel de bekendste. Geeft het intypen van de naam die u zoekt niet direct resultaat, probeer dan eens een van volgende tips:

  • Plaats de voor- en achternaam tussen aanhalingstekens. Zo wordt alleen de letterlijk ingetypte tekst gezocht. Bijvoorbeeld “Karel Jansen” levert meer zoekresultaten op dan de naam zonder aanhalingstekens.
  • Vervang de voornaam door de voorletter. Dus “K. Jansen” of “KJansen” in plaats van “Karel Jasen”.
  • Veel emailadressen werken met leestekens. Vervang spaties in de naam daarom eens door leestekens, bijvoorbeeld “k_jansen” of “k-jansen”.
  • Dat geldt natuurlijk ook voor de volledig uitgeschreven naam, “Karel_Jansen” of “Karel-Jansen”.

Er zijn ook zoekmachines die zich specifiek richten op het zoeken naar personen. Voorbeelden daarvan zijn:

  • www.wieowie.nl
  • www.internetaddressbook.com
  • www.telefoonboek.nl/profiel-zoeken; met de optie ‘profiel zoeken’ worden nagenoeg alle populaire Nederlandse sociale netwerksites doorzocht, zoals Hyves, Linkedin, Youtube, Flickr en Schoolbank

Telefoonboeken

Op internet zijn tal van telefoonboeken te vinden. De belangrijkste voor u op een rij:

  • www.telefoongids.nl: voor telefoonnummers in Nederland
  • www.infobel.nl: voor telefoonnummers in het buitenland
  • www.omgekeerdzoeken.nl: op deze site kunt u aan de hand van een adres of postcode een telefoonnummer terugzoeken

Emailgidsen

Helaas is er niet één centrale gids, waarin alle emailadressen van Nederland vastgelegd zijn. Wel komen er steeds meer websites waar mensen vrijwillig hun emailadres kunnen laten registreren, zodat ze voor anderen makkelijk vindbaar zijn. Een voorbeeld daarvan is de website www.e-mailgids.com. Mocht u uw oude bekende daar niet aantreffen, dan kunt u overwegen zelf uw emailadres achter te laten. Misschien vindt hij u zo wel!

Tip: Zoekt u iemand met een naam die niet zo vaak voorkomt? Vindt u niet de betreffende persoon, maar wel anderen mensen met dezelfde achternaam? Stuur hen dan eens een mailtje. Vaak gaat het om (verre) familie. Mogelijk kunnen zij u met uw oude bekende in contact brengen.

Gespecialiseerde zoeksites

Behalve algemene zoeksites zijn er ook gespecialiseerde zoeksites, die zich uitsluitend richten op het terugvinden van oude bekenden. Voorbeelden daarvan zijn:

  • www.wiezoektwie.nl: een van de grootste personenzoeksites van Nederland. Op deze site vindt u tal van rubrieken waarin u een oproep kunt plaatsen, zoals familieleden, studiegenoten, dienstmaten, collega’s en reisgenoten.
  • www.hoegaathetmet.nl: voor het vinden van onder andere oude buren, collega’s, sportvrienden, klasgenoten, dienstmaten, hobbyclubvrienden etc.
  • www.speurneusje.nl: uw stuurt alle beschikbare informatie naar de website en binnen drie dagen hoort u per emailbericht of de persoon gevonden is. Voor een succesvolle match betaalt u € 29.
  • www.schoolbank.nl of www.schoolpagina.nl: voor het vinden van oude klasgenoten
  • www.dienstmakkers.nl: voor het vinden van oude dienstmakkers

Gemeenschappen op internet

De afgelopen jaren hebben zich op internet steeds meer sociale netwerken gevormd. Het belangrijkste netwerk in Nederland is Hyves, internationaal is dat MySpace. Deze netwerken bieden zoekfuncties om naar leden te zoeken. De kans dat u hier oude bekenden van boven de zestig aantreft is echter niet zo heel groot.

  • Nederland: www.hyves.nl
  • Nederland en internationaal: www.myspace.nl

Kamer van koophandel

Via de website van de Kamer van Koophandel is informatie op te vragen over ondernemingen in Nederland. Het zoeken op de achternaam van een persoon levert vaak een schat aan informatie op.

Stap 3: Pak de telefoon

Ook als u op internet niet direct uw oude bekende heeft teruggevonden, zijn er een boel mensen die u kunt bellen voor nadere informatie. Bijvoorbeeld:

  • Als u denkt te weten in welke stad uw oude bekende woont, kunt u alle mensen met dezelfde achternaam uit het telefoonboek nabellen. Wellicht is een van hen familie.
  • Als u zich nog een oud adres kunt herinneren waar de persoon in kwestie woonde, kunt u de andere bewoners uit de straat nabellen. (Via de website www.omgekeerdzoeken.nl kunt u hun telefoonnummers achterhalen.) Misschien woont een van hen daar al vele jaren en kan hij u meer vertellen over waar uw contact naar vertrokken is.
  • Herinnert u zich nog op welke school uw oude bekende zat? Of van welke vereniging hij lid was? Waag daar dan eens een telefoontje naar. Wie weet hebben zij zijn gegevens nog in hun archieven.

Veel mensen vinden het moeilijk om wildvreemden telefonisch lastig te vallen. Maar als u uitlegt dat u een oude bekende zoekt, stuit u ongetwijfeld op veel begrip. En u zult zien: als u een paar mensen heeft gesproken, gaat het bellen steeds makkelijker. Mocht u onverhoopt toch een onaardige reactie krijgen, laat u zich daar dan vooral niet door ontmoedigen. De aanhouder wint!

Stap 4: Schakel de gemeente in

Als gevolg van strenge privacywetgeving kunt u bij het gemeentearchief alleen oudere gegevens bekijken. Een overzicht van wanneer akten van de burgerlijke stand openbaar worden:

  • geboorteakten: na 100 jaar
  • huwelijksakten: na 75 jaar
  • overlijdensakten: na 50 jaar

Voor recentere informatie kunt u eventueel terecht bij de afdeling Burger en Bestuur van de gemeente waar u denkt dat uw oude bekende mogelijk woont. Dergelijke vragen moet u schriftelijk indienen. Mocht er informatie worden verstrekt, dan is dat meestal niet kosteloos.

Meer kans heeft u als u een gemeente vraagt een brief van u door te sturen. Dat gaat als volgt. U schrijft een gefrankeerde brief aan brief aan uw oude bekende. Die stuurt u aan de laatst bekende gemeente waar hij woonde. In het begeleidend schrijven verzoekt u de gemeente uw brief naar uw oude bekende door te sturen. Of, als hij niet meer in die gemeente woont, naar de gemeente waar hij naartoe is verhuisd. De ene gemeente is wat dit betreft behulpzamer dan de andere. Vraag daarom altijd om een bevestiging van het doorsturen, dan weet u waar u aan toe bent.

Stap 4: Neem contact op met het Centraal Bureau voor Genealogie

Een andere mogelijkheid om aan meer recente informatie te komen is het aanvragen van kopieën van persoonskaarten. Van alle personen die na 1939 zijn overleden bestaat een persoonskaart. Hierop staan onder meer de personalia van de betrokkene, de namen van ouders (vaak met hun geboorteplaats en -datum) en gegevens over huwelijk(en), partner(s) en kinderen. Via deze weg kunt u achterhalen of de persoon die u zoekt is mogelijk overleden. Mocht u de namen van de ouders van de persoon in kwestie weten, dan kunt u langs deze weg wellicht achter meer informatie komen.

U kunt een kopie van een persoonskaart opvragen bij het Centraal Bureau voor Genealogie. Daar zijn wel kosten aan verbonden.

Centraal Bureau voor Genealogie

Postbus 11755

2502 Den Haag

070 – 315 05 80 (speciaal telefoonnummer voor het aanvragen van kopieën van persoonskaarten)

www.cbg.nl

Stap 5: Stap naar de pers

Hebben al bovengaande stappen niets opgeleverd, dan kunt u altijd nog naar de pers stappen. Veel kranten kennen een advertentierubriek waarin oproepen voor ‘gezochten’ worden geplaatst. Landelijke kranten hebben een groot bereik, maar daarin een advertentie plaatsen is vaak behoorlijk duur. Denkt u te weten in welke provincie of plaats uw oude bekende woont, probeer het dan eens met een oproep in een regionale of plaatselijke krant. Op de website kranten.verzamelgids.nl vindt u per provincie een overzicht van een groot aantal kranten. U kunt zich ook tot een radio- of tv-programma wenden. Voor het zoeken naar oude bekenden kunt u het best terecht bij het radioprogramma Adres Onbekend. De tv-programma’s Spoorloos en Vermist richten zich uitsluitend op het terugvinden van uit het oog verloren of vermiste bloedverwanten.

KRO Adres Onbekend

Postbus 23000

1202 EA Hilversum

Telefoon: 0800 – 330 30 30

Email: adresonbekend@kro.nl

Website: adresonbekend.kro.nl

KRO Spoorloos

Postbus 23000

1202 EA Hilversum

Telefoon: 035 – 617 39 11

Website: spoorloos.kro.nl (u kunt een zoektocht aanmelden via een formulier op de website)

Tros Vermist

Postbus 28500

1202 LM Hilversum

Telefoon: 0800 – 20 80 of 035 – 671 52 34

Email: vermist@tros.nl

Website: www.vermist.nl