PATRICIA EN HANNAH OVERWONNEN HUN SOCIALE FOBIE

4 Nov

scannen.jpgscannen0001.jpg 

Dit artikel is gepubliceerd in Margriet nr. 45 – 2 november 2007.  

Bijna iedereen voelt zich wel eens ongemakkelijk in het gezelschap van anderen. Als je voor het eerste iemand ontmoet bijvoorbeeld, of als je een praatje moet houden voor een grote groep mensen. Maar wat was als de angst daarvoor zo erg is dat hij je hele leven beheerst? Dan is er sprake van een sociale fobie 

Patricia (38) is getrouwd en heeft een dochter van negen. Zij heeft haar hele leven al last van een sociale fobie. Mede door het volgen van een groepstraining sociale vaardigheden heeft ze haar angsten inmiddels goed onder controle. Patricia volgt een opleiding tot maatschappelijk werkster en werkt part-time bij de Angst-, Dwang- en Fobiestichting. 

“Zolang als ik me kan herinneringen heb ik moeite gehad met sociale contacten. Dat begon al op de lagere school. Ik heb altijd aanleg gehad om stevig te zijn en daar werd ik al jong mee gepest. Bovendien kreeg ik weinig positiefs te horen van mijn ouders. Al met al voelde ik me van alle kanten afgewezen. Het gevolg was dat ik een enorme faalangst ontwikkelde. Op voorhand ging ik er vanuit dat ik overal slechter in was dan de rest. In de loop van de tijd werden mijn angsten steeds erger. Vooral bij onbekenden voelde ik me enorm opgelaten. Verjaardagen waren een ramp. Ik probeerde me bij dat soort gelegenheden zoveel mogelijk af te zonderen om maar niet met mensen te hoeven praten. Of ik ging gewoon helemaal niet. Maar dan voelde ik me daarna vaak nog rotter, omdat ik het mezelf kwalijk nam dat ik de makkelijkste uitweg had gekozen.  

Tot twee jaar geleden heb ik me nooit gerealiseerd dat ik wel eens een fobie zou kunnen hebben. Ik was opgegroeid met een moeder die zelf last had van allerlei angsten, dus ik wist niet beter. Omdat zij onder andere aan straatvrees leed, werd ik er al jong op uitgestuurd om allerlei klusjes voor haar te doen. Mijn vader was ondertussen langdurig en ernstig ziek. Toen ik veertien was overleed hij. Terwijl ik daar nog helemaal niet aan toe was, werd ik zo gedwongen allerlei volwassen taken op me te nemen. Het gevolg was dat ik me als meisje nooit echt veilig heb gevoeld. Daarover praten kon thuis niet. Mijn moeder wist amper hoe ze met haar eigen angsten moest omgaan, laat staan dat ze mij daarmee kon helpen.  

Eenmaal uit huis ging het iets beter. Ik volgde een opleiding tot bloembindster en vond een leuke baan. Het feit dat ik iets gevonden had waar ik goed in was gaf me zelfvertrouwen. Helaas ontwikkelde ik na een tijdje contacteczeem voor snijbloemen en planten en moest ik op zoek naar iets nieuws. Het goede gevoel over mezelf was ik in een klap kwijt. Vijf jaar later werd onze dochter geboren. Door allerlei fouten tijdens de bevalling kon ik het na mijn zwangerschapsverlof niet opbrengen weer aan het werk te gaan. Ik besloot ontslag te nemen en fulltime moeder te worden. Als gevolg daarvan raakte ik in een sociaal isolement. Ik werd steeds angstiger en depressiever. Als we perse ergens naartoe moesten, stelde ik vooraf allemaal regels voor mijn man op, zo van ‘als er een onbekende op me afkomt, moet jij dat doen’. Ik verlangde dat hij zich daaraan hield, anders ging ik niet. Het leverde eindeloze discussies op. Hulp heb ik in die periode nooit gezocht, want ik wist helemaal niet dat er iets met me aan de hand was. Ik dacht echt dat ik de enige was met dat soort angsten.  

Na een slopende periode vol onzekerheid en verdriet vond ik het welletjes en besloot ik een opleiding voor Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD) te gaan volgen. Daar leerde ik mezelf beter begrijpen. Toch bleven mijn angstklachten me nog erg dwarszitten. Zo moest ik regelmatig presentaties geven. Ik bereidde me altijd belachelijk goed voor, maar toch klapte ik op het moment zelf volledig dicht. Benauwdheid, hartkloppingen… ik vergat alles wat ik had bedacht. Het werd zo erg, dat ik zelfs overwoog om met mijn opleiding te stoppen. Maar ergens had ik er zó genoeg van mezelf weer iets te ontzeggen.   

In dezelfde periode zag ik in de krant een vacature bij de Angst-, Dwang- en Fobiestichting. Tot dat moment had ik geen idee dat er een patiëntenvereniging voor dat soort klachten bestond. Uit nieuwsgierigheid heb ik gesolliciteerd en tot mijn verbazing werd ik aangenomen. Eenmaal daar ging er een wereld voor me open. Ik voelde zoveel herkenning bij de verhalen die ik hoorde! Opeens realiseerde ik me dat ik zelf ook last had van een sociale fobie. Via de ADF-Stichting heb ik toen een groepstraining sociale vaardigheden gevolgd. Daar leerde ik me bewust te worden van mijn angstige gedachten en vervolgens langzaam maar zeker mijn gevoel en gedrag te veranderen. Natuurlijk vond ik het in het begin vreselijk eng, zeker ook omdat je bijvoorbeeld rollenspellen met de andere cursisten moet doen. Maar tegelijkertijd was het heel fijn om zoveel herkenbare verhalen uit de groep te horen. Dat relativeert je eigen problemen enorm.  

Als onderdeel van de training moest ik een brief aan mijn interne criticus schrijven, het duiveltje op je schouder dat je de hele dag vertelt dat je toch niets kunt. Ik vertelde hem dat ik zó van hem baalde en dat ik niet wilde dat hij nog langer mijn leven zou beheersen. Daarna ging ik me steeds zekerder over mezelf voelen. Ik hóef immers niet naar dat duiveltje te luisteren. Ik kreeg als het ware weer grip op mijn leven. Helemaal af van mijn fobie ben ik nog steeds niet, maar ik heb nu een manier gevonden om met mijn angsten om te gaan. Het zal me niet meer gebeuren dat ik mezelf iets leuks moet ontzeggen! Bovendien geloof ik voor het eerst dat ik net zoveel waard ben als ieder ander. Dat heeft positieve effecten op alle aspecten van mijn leven: ik zorg beter voor mezelf, ik ben een leukere echtgenote en moeder en bovenal ben ik een stuk aardiger voor mezelf. En dat is het grootste goed dat je jezelf kunt geven.”  

Hannah (50) is alleenstaand. Ze werkt als doktersassistente in een gezondheidscentrum. Van jongs af aan had Hannah onder andere last van een heftige angst om te blozen. Zes jaar geleden zocht ze hulp en nu is ze ‘fobievrij’.   

“Als klein kind was ik al bang voor van alles en nog wat, maar mijn sociale angst begon op mijn 13e. Ik was op een verjaardag van een vriendinnetje. Er was daar ook een jongen die ik leuk vond en zij maakte daar ten overstaan van iedereen een opmerking over. Onmiddellijk kreeg ik een kop als een boei, ik kon wel door de grond zakken. Vanaf dat moment was ik vreselijk bang om te blozen.  

Voor een deel heb ik mijn klachten denk ik van huis uit meegekregen. Mijn moeder was ook vaak angstig. Bovendien zei mijn vader vaak – onder het mom van een grapje – tegen me ‘dat kun je toch niet, daar ben je te dom voor’. Het gevolg was dat ik mijn hele leven heb geprobeerd het tegendeel te bewijzen. Ik werd een enorme perfectionist, vond mezelf nooit goed genoeg.  

Veel mensen met een sociale fobie zijn bang voor nieuwe contacten, maar bij mij was het juist andersom. Een gesprek met een onbekende vond ik geen probleem, maar zodra ik iemand beter leerde kennen, sloeg de paniek toe. Ik vond mezelf zo’n nietsnut dat ik ervan overtuigd was dat ik nooit aan de ander zijn verwachtingen kon voldoen. Continue was ik bezig met wat andere mensen van me dachten, ik kon mezelf daar helemaal gek mee maken. Ik vergeleek mezelf ook steeds met anderen, waarbij ik uiteraard als ‘mindere’ uit de bus kwam.  

Ondanks mijn sociale fobie heb ik altijd wel de opleidingen en het werk gedaan dat ik wilde. Ik beleefde er alleen amper plezier aan, omdat ik altijd gespannen was. Zodra de aandacht naar mij uitging brak het zweet me uit. En altijd was er die angst voor dat rode hoofd. In de loop van de tijd heb ik mezelf allerlei foefjes aangeleerd om dat naar buiten toe te camoufleren. Als er bijvoorbeeld overleg was met collega’s, zorgde ik dat ik een bijna leeg glas water voor me had staan. Zodra ik het idee kreeg dat me iets gevraagd zou gaan worden, stond ik op om het bij te vullen. Of ik stelde voor het verslag van de vergadering te maken, terwijl ik dat helemaal niet leuk vond. Zo probeerde ik de aandacht van mezelf af te leiden.  

De fobie heeft mijn leven enorm beperkt; ik kon nergens echt van genieten. Alleen al van een vraag als ‘wat heb je gisteravond gegeten’ kon ik helemaal verstijfd raken van angst. Ik had steeds maar het gevoel alsof ik examen deed, alsof ik het ‘goede’ antwoord moest geven. Vaak zei ik maar wat of er vanaf te zijn, maar daarna kon ik mezelf dan wel voor mijn hoofd slaan omdat ik zo stom was geweest. Alles ging in termen van goed en fout.  

Misschien wel het belangrijkste dat ik door mijn fobie heb gemist, is een gezonde liefdesrelatie. Ik heb in de loop der jaren wel vriendjes gehad, maar dat was altijd heel vrijblijvend. Ik dacht steeds ‘als hij erachter komt hoe ik echt ben, val ik geheid tegen’. Daarom had ik meestal relaties met bezette mannen. Die namen me op voorhand immers al niet erg serieus als partner. Op die manier werd mijn negatieve zelfbeeld steeds bevestigd.  

Zeven jaar geleden kreeg ik een relatie waarvan ik hoopte dat het misschien toch serieus kon worden. Dat was het moment dat ik wist dat ik iets aan mijn fobie moest doen. Tot dan toe had ik nooit met iemand over mijn angsten gepraat. De schaamte daarover was te groot. Ik vond mezelf zo’n zwakkeling! Maar ik wist dat het nooit wat zou kunnen worden met de liefde als ik geen actie zou ondernemen. Ik heb me aangemeld bij de Universiteit Utrecht, waar ze onderzoek deden naar sociale fobieën. Driekwart jaar lang kreeg ik medicijnen en moest ik elke maand allerlei vragenlijsten invullen. Tot mijn eigen verbazing werd ik minder bang. Niet dat de fobie opeens weg was, maar de angst was in ieder geval niet meer alles overheersend. Het motiveerde me om de volgende stap te zetten: cognitieve gedragstherapie bij een psycholoog. Daar leerde ik met behulp van allerlei praktische oefeningen op een andere manier naar dingen te kijken. Ik moest bijvoorbeeld een dagboek bijhouden, waarin ik alleen maar positieve dingen mocht schrijven. De eerste weken kon ik amper iets bedenken, maar in de loop van de tijd ging het steeds makkelijker. Bovendien merkte ik dat ik ook positiever naar mezelf ging kijken. Ik werd me er bewust van dat er misschien ook nog wel een andere werkelijkheid was dan die ik mezelf al die jaren had voorgehouden. Dat men me wellicht toch niet zo raar vond als ik al die tijd had gedacht. Zo veranderde gaandeweg ook mijn zelfbeeld. Na een jaar was ik voor mijn gevoel ‘fobievrij’ en ben ik met de therapie gestopt. Natuurlijk heb ik nog mijn kwetsbare kanten, maar ik weet nu: die horen gewoon bij mij.  

Tijdens mijn therapie ben ik ook voor het eerst naar lotgenotenavonden gegaan. Het was zo’n opluchting te zien dat er mensen waren met dezelfde soorten angsten als ik! Dat heeft me echt ontzettend geholpen. Zodra ik met mijn therapie klaar was, heb ik me daarom aangemeld als vrijwilliger om groepen van lotgenoten te gaan begeleiden. Het geeft enorm veel  voldoening om op deze manier iets terug te kunnen doen. Eigenlijk kun je zeggen dat ik van mijn angst mijn missie heb gemaakt om anderen te helpen. En mijn leeftijd bewijst: je bent nooit te oud om je angsten aan te pakken!” 

Bert van Iperen is psycholoog. Met zijn collega Bert Dijkhuizen heeft hij sinds 2000 een eigen praktijk, TwoBe. Samen verzorgen ze onder andere de groepstraining Sociale vaardigheden van de Angst-, Dwang- en Fobiestichting.  

Wat is een sociale fobie?

Bij een sociale fobie zijn mensen angstig zijn in situaties met andere mensen. Vaak realiseren ze zich dat die angst niet terecht, maar toch blijven ze bang. Voorbeelden van dit soort situaties zijn: een praatje met iemand maken, koffie drinken in gezelschap of een toespraak houden.  Bijna iedereen heeft wel een beetje last sociale angst, maar bij een fobie is die zo sterk dat iemands dagelijks leven erdoor wordt belemmerd. Bovendien gaat de angst gepaard met lichamelijke klachten, zoals blozen, trillen, zweten en soms zelfs van een aanval van paniek. Mensen met een sociale fobie zijn bang om voor gek te staan. Ze richten hun aandacht meer op wat anderen van hen denken dan op wat er in werkelijkheid gebeurt. 

Hoe vaak komen sociale fobieën voor?

10-15% van de Nederlanders heeft in meerdere of mindere mate last van een sociale fobie. Bij ongeveer 3% levert de fobie praktische beperkingen op in het dagelijks leven. Sociale fobieën komen ongeveer anderhalf keer vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. 

Hoe ontstaat een sociale fobie?

Een sociale fobie is een chronische aandoening. Zonder behandeling gaat de angst meestal niet over. Wel kan het zo zijn dat de ernst van de klachten wisselt. Net zoals je in de ene periode gelukkiger bent dan in de andere geldt dat ook voor de mate van angstklachten. Wat een sociale fobie veroorzaakt is niet precies bekend. Uit onderzoek is wel gebleken dat een gedeelte waarschijnlijk erfelijk bepaald is en een ander deel wordt veroorzaakt door invloeden van buitenaf.  

Ontwikkelt een sociale fobie zich altijd in de jeugd?

Meestal ontstaat een sociale fobie voor het 20e levensjaar, vaak in de puberteit. Soms is er een traumatische gebeurtenis die een sociale fobie uitlokt, maar meestal ontwikkelt de angst zich geleidelijk.  

Wat zijn de gevolgen voor mensen met een sociale fobie?

Doordat de angsten al jong ontstaan, hebben ze vaak gevolgen voor de ontwikkeling. Zo hebben mensen met sociale fobie soms een minder hoge opleiding dan ze zouden willen of werken ze onder hun kunnen. Ook eenzaamheid ligt op de loer. Mensen met een sociale fobie zijn vaker alleenstaand zijn dan mensen zonder zo’n fobie. 

Wat zijn de behandelopties?

Een sociale fobie wordt meestal behandeld met cognitieve gedragstherapie. Bij die vorm van therapie leert de patiënt op een praktische manier zijn of haar irreële gedachten (bijvoorbeeld ‘het is raar om te blozen’) te vervangen door reële gedachten (bijvoorbeeld ‘iedereen bloost wel eens’). Ook wordt er geoefend met moeilijke situaties.  

Hoe lang duurt de therapie?

Dat verschilt per therapie. De groepstherapieën van de ADF-Stichting bestaan uit veertien bijeenkomsten (verspreid over een aantal zes maanden). Tussendoor oefenen de deelnemers zelf en maken ze huiswerk.  

Wat is het succespercentage van cognitieve gedragstherapie?

60-70% van de deelnemers heeft na het volgen ervan duidelijk minder klachten.  

Is er een leeftijdgrens voor het volgen van cognitieve gedragstherapie?

Nee, je kunt op elke leeftijd iets aan jezelf veranderen, zelfs als je tachtig bent!  

<Kader>

Voor meer informatie over sociale fobieën en de behandeling daarvan kunt u terecht bij de Angst-, Dwang- en fobiestichting. De stichting is op werkdagen bereikbaar van 9.00 – 13.30 en maandag- t/m donderdagavond van 19.00 – 20.30. Telefoon: 0900 – 200 87 11 (€ 0,35 p.m.) Of kijk op http://www.adfstichting.nl. 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: