EEN HEEL NIEUW BEGIN

14 Mrt

scannen0009.jpgscannen0010.jpg 

  

Dit artikel is gepubliceerd in Nouveau – april 2008. 

Wil van Roekel (52) is van oorsprong verpleegkundige. Een groot deel van haar carrière werkte ze als zelfstandig adviseur in de gezondheidszorg. Vier jaar geleden besloot ze haar jeugddroom –in crisisgebieden werken – alsnog waar te maken. Sindsdien is ze door Artsen zonder Grenzen uitgezonden naar Oezbekistan, de Democratische Republiek Congo en Tsjaad. Wil heeft een zoon van 29.  

“Negen jaar geleden kreeg ik van een vriend een Afrikaanse trommel cadeau. Ik nam les en was meteen verkocht. Het ritme maakte een soort oerkracht in me wakker. Fysiek en mentaal kwam ik helemaal los van de wereld. Want piekeren en je op een moeilijk ritme concentreren gaan gewoon niet samen.  

Toen mijn leraar me uitnodigde om mee te gaan op een muziekreis naar zijn thuisland Guinee, heb ik direct ja gezegd. Ik logeerde bij zijn familie. Ondanks dat we elkaars taal niet spraken, gaven ze me direct het gevoel dat ik erbij hoorde. Zonder verwachtingen, zonder oordelen. Voor het eerst in mijn leven kon ik helemaal mezelf zijn. Het was alsof ik thuiskwam. 

Eenmaal bevangen door de liefde het continent en de mensen ging ik zo vaak mogelijk terug naar Afrika. Tijdens mijn reizen werd er regelmatig een beroep op mijn medische kennis gedaan. Maar van de ziektes daar wist ik niets. Daarom besloot ik een opleiding tropische ziekten en ontwikkelingssamenwerking te volgen. Mijn werk als adviseur in Nederland zette ik op een laag pitje.  

Een deel van de lessen werd verzorgd door mensen van Artsen zonder Grenzen. Hun enthousiaste verhalen trokken me over de streep: dat wilde ik ook! Kort nadat ik me bij hen had aangemeld werd ik voor negen maanden naar Oezbekistan uitgezonden. Niet mijn ideale bestemming, maar ik wilde geen nee zeggen. Het ging me immers niet om mijn eigen behoeftes, maar om het helpen van mensen.  

Na Oezbekistan werd het wél Afrika: eerst achttien maanden in Congo en daarna nog negen maanden in Tsjaad. Ondervoeding, oorlogsgeweld, verkrachtingen, tropische ziektes: ik heb het daar allemaal van dichtbij meegemaakt. Tot dat moment kende ik de beelden alleen van tv, maar opeens stond ik er middenin. Vreselijk schrikken, maar tegelijkertijd was ik blij dat ik tenminste iets kon doen 

Ik ben redelijk goed in staat alle ellende van me afzetten. Tenminste, zo lang ik dáár ben. Maar terug in Nederland grijpt het me naar de keel. Er is zóveel rijkdom hier, en tegelijkertijd wordt er zóveel geklaagd. Dat staat me ontzettend tegen. Ik zou daarom graag mijn ervaringen nog eens met een groter publiek delen. Om mensen hier te laten zien hoe erg oorlog is. Vanwege de slachtoffers, maar óók vanwege alles eromheen: de ontwrichting van het onderwijs, van de gezondheidszorg, noem maar op. Weinig mensen realiseren zich de impact daarvan. 

Hoe mijn toekomst er uit ziet? Misschien ga ik binnenkort weer voor Artsen zonder Grenzen op pad. Maar misschien ga ik ook met mijn eigen bedrijf projecten in Afrika opzetten. Een van de grote voordelen van een nieuwe weg inslaan als je wat ouder bent, is dat je je niet meer zo hoeft te bewijzen. Ik kan nu  precies doen waar ik zin in heb. Dat voelt geweldig. 

Ik heb geen seconde spijt gehad van mijn keus om een nieuw begin te maken. Integendeel, het heeft mijn leven enorm verrijkt. Mijn wereld is zoveel groter geworden! Verder heb ik ontdekt dat ik met heel weinig tevreden kan zijn. Me wassen in een emmer? Geen toilet in huis? Vandaag geen eten? Ik red me wel. En ik ben nog gelukkig ook. Bovenal weet ik hoe geweldig het voelt om mensen die het écht nodig hebben te kunnen helpen. Dat motiveert me om er mee door te gaan. Nee, ik ben nog lang niet klaar in Afrika!” 

Marieke van der Wal (50) is getrouwd en heeft drie kinderen, een dochter van 20 en twee zonen van 18 en 15. Ze werkt parttime als activiteitenbegeleidster in de gezondheidszorg. In 2007 kreeg Marieke een nieuw hart.  

“Vorig jaar vierde ik twee verjaardagen: de dag dat ik vijftig jaar geleden werd geboren én de dag dat ik een nieuw hart kreeg. Want op dat moment begon mijn tweede leven.  

Direct na mijn geboorte werd een hartruis geconstateerd. Nader onderzoek wees uit dat er een gaatje tussen de twee hartkamers zat en dat een hartklep niet helemaal goed werkte. Mijn hart moest harder werken dan normaal om het bloed in mijn lichaam rond te pompen.  

Op mijn elfde besloten de artsen me preventief te opereren. Als ze niets deden, zou mijn hart te snel slijten. Het was een zware ingreep; ik lag acht weken in het ziekenhuis. Maar bang was ik niet. Mijn zusje was een aantal jaar daarvoor ook aan haar hart geopereerd. Ik dacht dat het er gewoon bij hoorde.  

De jaren daarna merkte ik weinig van mijn hartproblemen. Ik ging werken, trouwde en kreeg kinderen. Hoewel ik nergens last van had, constateerde de cardioloog na de geboorte van mijn tweede zoon dat mijn hart steeds groter werd en minder krachtig ging kloppen. Hij besloot een pacemaker te plaatsen. Twee jaar later werd mijn hartklep vervangen door een kunstklep. Emotioneel vielen die operaties me zwaar, omdat ik ondertussen kinderen had. Zelf ben ik op jonge leeftijd mijn moeder verloren en ik moest er niet aan denken dat hen hetzelfde zou overkomen. Gelukkig verliep het herstel spoedig.  

In 2004 was mijn pacemaker aan vervanging toe. Zes weken na de operatie bleek ik een bacteriële infectie in mijn hart te hebben opgelopen. Vanaf dat moment ging het geleidelijk bergafwaarts. Ik voelde me rot, had steeds minder energie. Maar voor de buitenwereld hield ik me groot.  

Eind 2006 begon mijn cardioloog voor het eerst over de mogelijkheid van een harttransplantatie. Dat bericht kwam aan als een mokerslag. Het klinkt misschien raar, maar het idee van een transplantatie was nooit in mijn hoofd opgekomen. Daarvoor vond ik mezelf niet ziek genoeg. 

Amper twee maanden daarna was mijn hart al zó verslapt, dat het plotseling ophield te slaan. Het transplantatietraject werd versneld in gang gezet. Na een reeks onderzoeken kwam het verlossende woord: ik was fit genoeg om voor een nieuw hart in aanmerking te komen. Een jaar daarvoor moest ik er nog niet aan denken, nu vierde ik een feestje. 

Inmiddels was ik zo verzwakt dat ik de transplantatie in het ziekenhuis moest afwachten. Als ik die al zou halen, want de artsen gaven me hoogstens nog een paar maanden. Op een avond liep een onbekende arts mijn kamer binnen. ‘Vannacht krijgt u een nieuw hart’, zei ze. Dolblij was ik. In minder dan geen tijd stond mijn hele familie rond mijn bed. Het afscheid was heel emotioneel; ik wist niet of ik ze nog terug zou zien. Maar na een operatie van ruim zes uur deed ik mijn ogen open en wist gelijk: het is oké. Mijn nieuwe hart voelde zo warm en sterk, alsof het er altijd al had gezeten.  

Een jaar later voel ik me beter dan ooit. Wat wil je ook, voor het eerst in mijn leven heb ik een gezond hart in mijn lichaam! Over hoe het verder gaat valt weinig te zeggen. Maar van de extra tijd die ik heb gekregen gaan we ontzettend genieten.  

Hoe gelukkig ik me ook voel, ik ben me er heel bewust dat anderen hiervoor veel hebben doorgemaakt. Rond de eerste verjaardag van mijn transplantatie wil ik de familie van de donor daarom een brief schrijven. En ze vertellen dat ze niet alleen mij, maar ook mijn man en kinderen een tweede leven hebben gegeven. Een groter geschenk bestaat niet.  

Henriëtte Kits (42) is alleenstaand. Ze werkt voltijd als locatiemanager binnen een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. In november 2007 werd Henriëtte pleegmoeder van Jesse (3). 

“Tot voorkort leidde ik het leven van een vrijgezel: ik maakte lange dagen op mijn werk en daarbuiten deed ik precies waar ik zin in had. Spontaan een dagje gaan? Of met een vriendin langs het strand gaan wandelen? Geen probleem! Ik hoefde met niemand rekening te houden. Maar nu ik Jesse in huis heb is dat wel anders.  

Van jongs af aan wilde ik graag kinderen. Zodra de tijd biologisch gezien begon te dringen, heb ik op andere manieren geprobeerd om moeder te worden. Door middel van adoptie bijvoorbeeld. Toen dat niets opleverde heb ik me begin 2007 bij Pleegzorg aangemeld. Daar moest ik eerst een voorbereidingsprogramma doorlopen over wat het eigenlijk betekent, pleegouder zijn.  

Van de soms moeilijke verhalen die ik te horen kreeg schrok in niet. Integendeel, ze maakten me alleen maar méér vastberaden. Er zijn zoveel kinderen met een problematische thuissituatie. Als ik één van hen kan helpen door hem de liefde en aandacht te geven die het verdient, vind ik dat prachtig.  

Na afloop van het programma ging Pleegzorg op zoek naar geschikte match. Drie maanden later kreeg ik een telefoontje. Of ik een meisje van twee in huis wilde nemen. Natuurlijk wilde ik dat! Dolenthousiast hing ik op. Eindelijk was het dan zover.  

Helaas liep het op niets uit. De oma van het meisje, waar ze op dat moment woonde, kreeg twijfels. Dat was voor Pleegzorg reden om het traject stop te zetten. Het was een enorme teleurstelling – ik had zelfs al kleertjes voor haar gekocht. Maar ik was vastbesloten om het opnieuw te proberen.  

Twee weken later belde Pleegzorg alweer, nu over een jongetje van bijna drie. Jesse was verslaafd geboren; zijn ouders waren niet in staat om goed voor hem te zorgen. Hij zat altijd thuis, in het donker. Zijn enige speelgoed kwam uit Happy Meals. Praten kon hij amper, van fysiek contact schrok hij en hij was nog onzindelijk. Gelukkig was ik vanuit mijn werk in de gezondheidszorg heel wat gewend. Ik wilde hem graag helpen.   

Tijd om me op zijn komst voor te bereiden kreeg ik amper, want binnen een paar dagen woonde Jesse al bij me. Van de ene op de andere dag veranderde mijn leven compleet. Ik moest eraan wennen volgens de klok te leven, om Jesse zoveel mogelijk structuur te bieden. En van nature ben ik ontzettend netjes, maar dat leerde ik met al dat speelgoed om me heen snel los te laten. Om nog maar niet te spreken over het feit dat ik plotseling amper meer tijd voor mezelf had. 

Die nieuwe start gold niet alleen voor mij, maar ook voor Jesse. Om hem een normaal eetpatroon aan te leren krijgt hij te drinken uit een fles, en babyvoeding uit een potje. Na zijn middagslaapje neem ik  hem op schoot. Dan geef ik hem een flesje en wieg ik hem een tijdje. Zo leer ik hem een gevoel van geborgenheid. En ik ben heel voorzichtig begonnen met zindelijkheidstraining. 

De afgelopen jaren heeft mijn werk altijd centraal gestaan, maar voor Jesse doe ik graag een stapje terug. Ik wil vier dagen gaan werken in plaats van vijf. Minder kan ik me als alleenstaande ouder niet veroorloven. Gelukkig heb ik goede opvang voor hem gevonden. 

Natuurlijk is het  af en toe moeilijk, bijvoorbeeld als Jesse zonder enige aanleiding een heftige driftbui krijgt. Dan weet ik soms niet waar dat vandaan komt en hoe ik hem het beste kan helpen. Maar twijfels? Nee, die heb ik geen seconde gehad. Dit bijzondere jongetje hoort nu hier. Als het aan mij ligt, blijft hij tot zijn achttiende. En misschien krijgt hij er over een tijdje nog wel een pleegbroertje of zusje bij…” Om privacyredenen is de naam van Jesse gefingeerd. 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: