VAKLUI (V): RECTOREN

11 Apr

Nel Frederix (62, getrouwd)) is directievoorzitter van de RSG Wolfsbos in Hoogeveen, een school met 250 medewerkers en bijna 2000 leerlingen verdeeld over praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo. Uit haar eerste huwelijk heeft ze twee zoons van 37 en 34. 

“Iedereen in Nederland heeft verstand van onderwijs. Kijk maar naar de ingezonden stukken in de krant; daarin staat bijna dagelijks hoe erg het gesteld is. Vooral de dure managers en de bureaucratie moeten het ontgelden. Flauwekul! Het zijn allemaal mythes. Ik zou willen dat men eens ophield elkaar daarover na te praten. Vooral de politici. Die parlementaire onderzoekscommissie was bijvoorbeeld nergens voor nodig. De kwaliteit van het onderwijs is de afgelopen decennia niet slechter of beter geworden; we leveren een ander soort leerlingen af. Zelfredzamer, beter voorbereid op het vervolgonderwijs. Dat wilde de politiek toch? En nu klagen ze weer dat leerlingen onvoldoende kunnen schrijven en rekenen. Dat is het gevolg van de keuzes die politici zelf eerder hebben gemaakt. 

Persoonlijk ben ik het onderwijs ingegaan omdat mijn moeder dat graag wilde. Trouwens, als ambitieus meisje uit een gezin van elf had ik begin jaren ’60 in het katholieke Limburg weinig opties. De roeping kwam pas later, toen ik ontdekte hoe inspirerend en afwisselend het werk is. Je krijgt een redelijk salaris, werkt met kinderen en vervult een belangrijke maatschappelijke functie. Een mooiere baan bestaat niet. 

Ik was pas een jaar als lerares huishoudkunde aan de slag toen ik op mijn 21ste werd gevraagd om directrice van mijn school te worden. Het managen beviel meteen goed, vooral omdat ik daadwerkelijk invloed kon uitoefenen. Twijfels over of ik het dat wel zou kunnen heb ik nooit gehad. Achteraf gezien was ik enorm naïef, maar ik deed het gewoon. 

Toen ik in 1969 trouwde werd ik ontslagen. Dat gebeurde in die tijd nog als je als vrouw in het bijzonder onderwijs werkte. Met mijn man vertrok ik naar Haren, Groningen. Hij had daar een baan gevonden en ik zou huisvrouw worden. Maar dat viel vies tegen! Een vreemde omgeving, weinig om handen… De muren kwamen enorm op me af. Ik nam de eerste baan die ik kon krijgen, als lerares huishoudkunde op een openbare school. En ik ging pedagogiek studeren in Groningen. Want ik wist zeker dat ik nooit meer thuis wilde zitten. 

Vanaf dat mijn jongste vier was heb ik altijd voltijd gewerkt. Eerst in het MBO, daarna in het HBO en nu in het voortgezet onderwijs. Natuurlijk liep ik daarbij tegen vooroordelen aan, zeker toen de kinderen klein waren. “Moet je weer zo nodig emanciperen”, hoorde ik dan als ik ’s ochtends in de auto stapte. Of: “Verdient je man niet genoeg om voor jullie te kunnen zorgen?”. In het begin voelde ik me daar ongemakkelijk bij. Maar op een bepaald moment heb ik besloten me er gewoon niets meer van aan te trekken. Ik wist dat ik mijn werk nodig had om gelukkig te worden, om een goede moeder te zijn. Dan maar niet helpen met voorlezen op school. 

Werken, studeren: het was heel wat anders dan de traditionele gezinssituatie die mijn man voor ogen had gehad. Tegen de spanningen die dat veroorzaakte was ons huwelijk niet bestand. De kinderen bleven na de scheiding bij hem wonen. Dat leverde natuurlijk óók weer commentaar op. Alsof ik hen in de steek had gelaten. Maar in de praktijk pakte het heel goed uit. De jongens liepen in en uit wanneer ze wilden en tegelijkertijd kon ik me op mijn carrière richten. Overigens ben ik wel tot de jongste achttien was in de buurt blijven wonen. En ook het aangaan van een nieuwe relatie heb ik tot dat moment uitgesteld. 

Toen ik vijf jaar geleden in Hoogeveen kwam, werd ik begroet met de spreuk ‘Drenthe is turf, achterdocht en jenever’. Met als achterliggende boodschap: we doen dingen hier op ons eigen manier. Zo’n stelling daagt mij alleen maar uit om de boel juist te veranderen. Inmiddels hebben we van onze fusieschool een echte eenheid weten te maken. De organisatie is geprofessionaliseerd en er wordt hard gewerkt aan betere huisvesting. De ouders krijgen een steeds grotere rol bij de totstandkoming van het beleid. Als een van de weinigen in Nederland profileren we ons als een school met veel aandacht voor techniek. En buiten schooluren worden er creatieve workshops georganiseerd. Dat alles past helemaal in mijn filosofie dat een school méér moet doen dan alleen kennis overdragen. 

Als directeur kan ik hard zijn. Een ‘bitch’, zoals sommige medewerkers zeggen. Niet dat ik mensen onaardig behandel, maar ik spreek ze wel aan op hun verantwoordelijkheid. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen. Ik heb geleerd dat me niet persoonlijk aan te trekken. Het is een keus, net als je als werkende moeder schuldig voelen of niet. Ik heb me nooit als slachtoffer opgesteld. En dus word ik ook niet zo behandeld. 

Ik ben me ervan bewust dat ik een voorbeeldfunctie vervul. Dit is geen negen tot vijf baan, maar daar doe ik nooit moeilijk over. Als er een zwangere docente bij me komt, zeg ik: ‘Gefeliciteerd! Als je maar niet stopt met werken.’ En ik zorg ervoor dat duidelijk zichtbaar is wat ik doe. Op school, maar ook in de gemeenteraad en in de plaatselijke pers. Ik geef kortom het goede voorbeeld door het gewoon te doen. De belangrijkste boodschap die ik daarmee aan de leerlingen wil geven? Als je jezelf serieus neemt, doen anderen dat ook.

Hanneke Koster (47, samenwonend) is sinds 2002 algemeen directeur van De Driemark in Winterswijk, een openbare scholengemeenschap met een breed onderwijsaanbod (vmbo met LWOO, havo en vwo). Daarvoor werkte ze als lerares Frans, afdelingsleider havo en conrector. Op De Driemark geeft Hanneke leiding aan 140 medewerkers die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor 1341 leerlingen. 

Als lerares Frans zag ik er altijd heel vrouwelijk uit. Maar toen ik een leidinggevende functie kreeg, ging ik me mannelijker kleden. Soberder, strenger. Ik dacht dat ik dat nodig had om mijn autoriteit te onderstrepen. De laatste tijd benadruk ik mijn vrouw zijn juist weer. Omdat ik steeds meer in mijn rol groei, maar ook om aan medewerkers en leerlingen te laten zien dat je best directeur kunt zijn én een rokje met hoge hakken kunt dragen. 

Het managementteam waar ik leiding aan geef bestaat uit acht mannen en één vrouw. En ik ben de jongste van allemaal. Dat heeft nooit tot problemen geleid; ik word op mijn resultaten afgerekend, niet op mijn geslacht of mijn leeftijd. Wel merk ik dat aan vrouwelijke schoolleiders vaak hogere eisen worden gesteld. We moeten hard en zakelijk zijn, maar ook warm en begripvol. Dat laatste is bij mannen veel minder het geval.

Het aantal vrouwelijke directeuren in het voortgezet onderwijs schommelt al jaren rond de tien procent. Waarom dat niet groeit? Volgens mij omdat veel vrouwen niet zitten te wachten op zo’n zware verantwoordelijkheid. Een baan als deze legt een enorme druk op je. Het zijn lange dagen en je moet continu op de top van je kunnen presteren. Als er iets fout gaat valt de hele wereld over je heen. Niet iedereen vindt dat prettig. Maar mij daagt het juist uit. 

Mijn moeder heeft me opgevoed met het idee dat je altijd je eigen boontjes moet kunnen te doppen.  Niet dat ik iets heb tegen moeders die thuiszitten. Integendeel. Maar ik wil van niemand afhankelijk zijn. Misschien dat ik daarom ook geen kinderen heb. Ik kan precies doen wat ik zelf wil. 

Door de jaren heen heb ik vermeden om hardop uit te spreken dat ik geen behoefte had aan het moederschap. Om vrouwen die geen kinderen kunnen krijgen niet te kwetsen. Maar ook omdat daar in Nederland nog steeds een beetje vreemd tegenaan wordt gekeken. Voor je het weet ben je voortdurend verantwoording aan het afleggen. Daarover gesproken: vrouwen mét kinderen die carrière willen maken krijgen zo mogelijk met nog meer oordelen te maken. Ik durf te stellen dat moeders met een goede baan het hier moeilijker hebben dan in andere Europese landen. 

Wat ik zo geweldig vind aan het onderwijs, is dat het echt ergens over gáát. Of ik het als een roeping ervaar? Dat is een zwaar woord, maar ik heb wel het idee dat ik werk heb dat er toe doet. Tenslotte leiden we hier de toekomstige generatie van ons land op. Mijn ambitie om leiding te geven komt daaruit voort. Als directeur kun je immers direct invloed uitoefenen op hoe dat gebeurt. 

Voor mij is onderwijs méér dan alleen maar kennis overdragen. Anders gezegd: kinderen iets leren lukt alleen als je ook aandacht hebt voor hoe het verder met hen gaat. Vandaar dat bij ons op school ieder kind een eigen mentor heeft. Die let op de schoolresultaten, maar ook op hoe een leerling in zijn vel zit. Zijn er persoonlijke problemen, dan spelen we daar direct op in. We bieden vanuit school bijvoorbeeld begeleiding aan bij dyslexie. Ook organiseren we trainingen tegen faalangst. En onze professionals geven ondersteuning bij rouwverwerking. Allemaal om ervoor te zorgen dat leerlingen niet uitvallen. De onderwijsinspectie heeft ons zorgsysteem vorig jaar ‘excellent’ genoemd. Of dat mijn vrouwelijke touch is? Zou kunnen, maar die beoordeling laat ik graag aan anderen over. 

Over de kwaliteit van het onderwijs wordt veel geklaagd. Deels is dat terecht: leerlingen hebben anno 2008 minder feitenkennis dan twintig jaar geleden. Dat komt omdat er ze steeds meer vakken krijgen en de lesstof dus minder diep gaat. Wat Nederlands en wiskunde betreft baart me dat best zorgen. Hopelijk komt daar de komende jaren weer meer aandacht voor. 

Tegelijkertijd stelt de maatschappij ook steeds hogere eisen aan het onderwijs. Dat is goed als het betekent dat men meer betrokken is, maar niet als het irreële verwachtingen creëert. Kinderen die te zwaar zijn, niet genoeg van de vaderlandse geschiedenis weten of niet met geld kunnen omgaan: bij elk nieuw probleem wordt naar de scholen gewezen. Op veel vragen hebben we een adequaat antwoord, maar het houdt een keer op. Het is telkens opnieuw je grenzen bepalen. 

Voor mij persoonlijk is het allerbelangrijkste dat ik uitgedaagd word in mijn werk, dat ik elke dag iets nieuws kan leren. Voorlopig is dat hier absoluut het geval. We staan aan de vooravond van de bouw van een nieuw pand, een klus waar ik mijn tanden flink in kan zetten. Maar wie weet werk ik over vijf jaar wel in het hoger onderwijs, of in de zorg. Want zolang je je nieuwsgierigheid de ruimte geeft, zijn de mogelijkheden onbegrensd. 

Ingrid Janssen (44, samenwonend) is directeur van de Open Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam (190 medewerkersen ruim 1600 leerlingen). Daarnaast vervult ze diverse nevenfuncties, zoals bestuurslid van het primair onderwijs in de regio Gouda, lid van de adviesgroep VMBO van het Ministerie van OC&W en lid van de veldadviesraad van het Centrum van nascholing van Amsterdam.

“Als kind wilde ik het liefst boswachter worden. De natuur was – en is – mijn grootste passie. Helaas had ik op mijn eindexamen een vijf voor natuurkunde en dus werd ik niet tot de bosbouwschool toegelaten. Mijn vader zei: ‘waarom word je geen docent?’. Zo kwam ik op de lerarenopleiding in Nijmegen terecht. Daar koos ik voor aardrijkskunde en biologie. Kon ik in ieder geval toch nog veel veldwerk doen. 

Eenmaal aan het werk zag men al snel allerlei leidinggevende talenten in mij. Op mijn eerste school werd ik mentor, vakgroepcoördinator en lid van de medezeggenschapsraad, op de scholen daarna conrector en directeur. Of dat bewuste keuzes waren? Ja en nee. Ik heb al die stappen weloverwogen gemaakt. Maar terugkijkend was ik ook erg bezig met aan de verwachtingen van anderen te voldoen. 

Vanaf mijn eerste dag als docent heb ik een speciale band met het VMBO. Voor VMBO-leerlingen is een stimulerende schoolomgeving cruciaal. Veel meer nog dan voor kinderen op het HAVO of VWO, die genoeg intellectuele bagage hebben om zichzelf wel te kunnen redden. Voor VMBO-ers is dat anders; een diploma vormt een essentiele basis voor hun toekomst. Dat komt ze echter niet aanwaaien. Soms zijn ze daarom lastig te motiveren. Des te meer reden om ze te helpen, denk ik dan. 

Als mensen horen dat ik middenin de Bijlmer werk, hebben ze vaak allerlei vooroordelen. Dat we te maken hebben met integratieproblemen of dat het op school niet veilig zou zijn. Helemaal niets van waar! Sterker nog, ik denk dat wij daar juist minder last van hebben dan op veel andere plekken in Nederland. Ik heb een aantal jaar in een relatief klein dorp gewerkt. Toen daar de eerste asielzoekers kwamen wonen gaf dat meer gedoe dan ik hier op school ooit heb meegemaakt. Je moet het zo zien: multiculturaliteit is in de Bijlmer zo vanzelfsprekend dat niemand er meer van opkijkt. Dat mensen van buiten dat wel doen, zegt meer over hen dan over ons. 

De Open Schoolgemeenschap Bijlmer is méér dan een school; het is een leefgemeenschap. De eerste twee jaar zitten leerlingen van alle nationaliteiten, gezindten en niveaus door elkaar. Over integratie gesproken. Elke les begint en eindigt met een kringgesprek, ook in de bovenbouw. Kinderen leren zo in een groep te participeren, hun mening onder woorden te brengen en naar anderen te luisteren. Docenten zijn dagelijks van half negen tot half vijf aanwezig, om betere communicatie met elkaar én met de kinderen te bevorderen. Drama en sport zijn vaste onderdelen van ons rooster. En we bieden elke dag van drie tot vijf een aanvullend programma aan onze leerlingen. Van sport tot cultuur en van gaming tot extra schoolvakken. Allemaal om ze een zo goed mogelijke start te geven in onze maatschappij. 

Sinds vorig jaar hebben we daar nog iets bijzonders aan toegevoegd: een cursus: Opvoeden doe je samen. Je kunt als school wel zeggen ‘opvoeden is de verantwoordelijkheid van de ouders, daar bemoeien we ons niet mee’. Maar wij hebben ervoor gekozen om problemen als ongezonde voeding, alcoholmisbruik of ontspoord gedrag gezamenlijk aan te pakken. En met succes! We hebben meer aanmeldingen dan plaatsen. Ouders zitten soms ook echt met de handen in het haar. Ze zijn dankbaar als je hen een helpende hand toesteekt. Het feit dat we onze kennis delen en dezelfde regels hanteren maakt het omgaan met de kinderen makkelijker. Voor de ouders, maar ook voor ons.

Of ik als vrouw anders wordt behandeld dan mijn mannelijke voorganger? Volgens mij niet. Het enige dat ik daarover ooit gehoord heb is dat leerlingen me makkelijker benaderbaar vinden. Maar dat kan er ook mee te maken hebben dat ik een stuk jonger ben. Over leeftijd gesproken: dat is in het verleden wél eens een issue geweest. Toen ik op mijn dertigste conrector werd hadden sommige oudere docenten daar moeite mee. Ik moest mezelf extra bewijzen. Over die ervaring heb ik een boekje geschreven, met tips voor jonge managers. Maar dat was net zo goed voor mannen als voor vrouwen bedoeld. 

Zelf heb ik ze niet, dus ik kan moeilijk zeggen of ik deze functie met kinderen net zo goed zou kunnen vervullen. Maar volgens mij kunnen kinderen je juist ook helpen als je een drukke baan hebt. De ervaring hier op school leert dat als vrouwelijke medewerkers – net als ik – geen kinderen hebben, ze vaker ’s avonds en in het weekend werken. Vrouwen mét kinderen stellen duidelijker grenzen. Hun kinderen dwingen hen het werk te relativeren. Nog veel meer dan een partner dat kan. 

Hoe geweldig ik het werk ook vind, deze school is voor mij wel een soort eindpunt. De afgelopen jaren is het evenwicht behoorlijk zoek geraakt. Een baan als deze eist je volledig op. Dat betekent dat er weinig tijd overblijft voor andere dingen. Ik ben teveel van mijn oorspronkelijke passie – de natuur – afgedreven. De enige bomen die ik tegenwoordig nog zie zijn die ik tegenkom als ik mijn hond uitlaat! Daar wil ik de komende jaren verandering in brengen. Misschien ga ik jonge schoolleiders motivatie- en inspiratietrainingen geven in de natuur. Of misschien word ik uiteindelijk toch nog boswachter. Het wordt tijd dat ik niet alleen maar doe wat ik kan, maar vooral ook wat ik zelf wil.” 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: