OLYMPISCHE GOLDEN OLDIES

3 Aug

 

Gepubliceerd in Esta, augustus 2008.

Een gouden plak op de Olympische Spelen, dat was ooit hun enige doel. Hoe kijken deze oud-kampioenen terug op die alles-of-niets-tijd? En zijn ze nog steeds topfit? “Puur voor de lol een rondje rennen lukt me niet meer.”

Arnold Vanderlyde (45) won als bokser drie maal brons op de Olympische Spelen: in 1984 in Los Angeles, in 1988 in Seoul en in 1992 in Barcelona. Tegenwoordig verzorgt Arnold voordrachten en motivatietrainingen voor het bedrijfsleven. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen (4 en 1).

“Sport is gezond, topsport niet. In de loop der jaren heb ik behoorlijk wat blessures opgelopen: een beschadigde schouder, kapotte knieën en een permanente verkromming van mijn rug. De rest van mijn leven moet ik daarom dagelijks een half uur strekoefeningen doen om soepel te blijven.

Als kind werd ik veel gepest met mijn magere, lange lijf. Ik wist niet hoe daar mee om te gaan, anders dan met agressie. Eén verkeerd woord en ik sloeg erop. Alleen in het sporten kon ik mijn emoties op een positieve manier kwijt. Achteraf gezien was dat mijn redding, want zonder sport was ik misschien niet zo goed terecht gekomen. 

Eigenlijk wilde ik profvoetballer worden. Boksen deed ik erbij, als extra training. Toen ik ontdekte dat ik daar meer aanleg voor had, ben ik 100% voor het boksen gegaan. Niet zozeer omdat ik dat leuker vond, maar omdat ik dacht dat ik er meer succes mee kon behalen.

Het boksen confronteerde me op een heel directe manier met mijn lichaam. Als je traint móet je wel constant naar jezelf kijken. Mijn negatieve zelfbeeld draaide zich vanaf dat moment om. In plaats van iets ongemakkelijks waar ik me onzeker over voelde, werd mijn lichaam een instrument om mijn droom te verwezenlijken.

Op het hoogste niveau zijn alle sporten zwaar, maar boksen misschien extra omdat het een contactsport is. Het maakt je lichaam erg kwetsbaar. Natuurlijk ben ik wel eens bang geweest, heel vaak zelfs. Maar dat is juist goed. Het houdt je scherp, in beweging. Wat dat betreft is boksen een metafoor voor het leven: in beide moet je optimaal in balans blijven om zo min mogelijk klappen op te lopen.

Of ik ijdel ben? Absoluut! Elke bokser is trots op zijn lijf. Hij smeert zich in met olie, toont zijn lichaam  aan het publiek. Dat heeft zelfs iets sensueels. Maar het gaat dieper dan alleen het uiterlijk. Gezondheid, fitheid, prestaties: die dingen maken er ook onderdeel van uit. Helaas zien de meeste toeschouwers dat niet. 

Topsporters koesteren hun lichaam, maar tegelijkertijd zijn ze er ook heel kritisch op. Het gevaar bestaat dat het nooit goed genoeg is. Je kunt letterlijk verslaafd raken aan het trainen. Zelf ben ik wel eens een periode ‘overtraind’ geweest, dat ik eigenlijk niet meer kon stoppen. Gelukkig had ik een coach die me op tijd terugfloot.

In 1992 ben ik min of meer van de ene op de andere dag gestopt met boksen. Ik studeerde sportmanagement en zat continu met mijn neus in de boeken. In de weinige vrije uurtjes ging ik met vrienden uit eten of naar de kroeg. Binnen een jaar zaten er flink wat extra kilo’s aan. Dat voelde niet lekker. Het past gewoon niet bij mij, zo’n log lichaam. Sindsdien heb ik er altijd voor gezorgd dat ik fit en op gewicht ben gebleven.

Voor de buitenwereld zal ik waarschijnlijk altijd ‘die bokser’ blijven. Maar zelf zie ik mezelf allang niet meer zo. Mijn voldoening haal ik nu uit heel andere zaken: mijn werk als personal coach en mijn gezin. Daarbij maak ik natuurlijk wel gebruik van de kennis en ervaring die ik als topsporter heb opgedaan. Als ik daar één ding aan heb overgehouden, dan is dat een fit lichaam de basis vormt voor een gelukkige geest. Een positieve, energieke lichaamshouding maakt dat je je goed voelt over jezelf. En dat je vol vertrouwen met de ‘klappen’ van het leven kunt omgaan.”

Arnold Vanderlyde heeft zijn filosofie over gezond en gelukkig zijn opgeschreven in het boek ‘Fighting for succes’ (Arko Sports Media, € 24,95). Meer informatie: www.vanderlyde.nl.

Ellen van Langen (42) won tijdens de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona goud op de 800 meter. De ervaringen die ze tijdens haar sportcarrière opdeed komen goed van pas in haar huidige baan als manager van internationale atleten. Eens per drie weken schrijft Ellen een column voor De Telegraaf. Ze woont samen met haar vriend.

“Mijn hele sportcarrière heb ik met mijn gewicht geworsteld. Als atlete op de 800 meter luistert dat heel nauw; elke kilo te veel hindert je in je prestaties. In mijn toptijd volgde ik daarom een streng dieet: ’s ochtends en ’s middags twee bruine boterhammen en ’s avonds een kleine, vetarme maaltijd. Daar trainde ik dan wel twee keer per dag op. Het gevolg was dat ik continu honger had. Mijn omgeving zei vaak: ‘wat zie je er slecht uit!’. Maar dan wist ik dat ik op de goede weg zat.

Ik ben relatief laat met atletiek begonnen: op mijn 19e,, toen ik in Amsterdam ging studeren. Na twee jaar kwam het besef dat ik beter was dan de anderen. Vanaf dat moment heb ik alles in het werk gesteld om de top te bereiken. Mijn studie moest er zelfs voor wijken.

Voor een baanloopster was ik niet oud – de meeste gaan zeker door tot hun 30ste – maar ik had wel weinig trainingsjaren gehad. Dat was één van de redenen dat ik met zoveel blessures te maken kreeg. Mijn lichaam kon het intensieve regime gewoon niet aan. Maar voordelen had het ook. Ik heb bijvoorbeeld niets van mijn jeugd hoeven missen voor de sport.

Door de jaren heb ik vaak tegen vrouwen gelopen die doping gebruikten. Zelf ben ik nooit in de verleiding gekomen dat ook te doen. Dan maak je je lichaam echt kapot. Maar frustrerend was het wel. Ik volgde hetzelfde trainingsprogramma als henz. Daardoor balanceerde ik vaak op het randje van wat mijn lijf wel en niet aankon.

Sowieso heb ik altijd moeite gehad mijn grenzen te bewaken. Als topsporter ben je altijd moe, voel je altijd wel ergens pijn. Meestal duwde ik dat weg. Ik kon – en kan – heel hard voor mezelf zijn. Dat heeft me wel tot een winnaar gemaakt. Bij de Olympische Spelen in 1992 was ik fysiek niet de sterkste. Maar ik kon wel het diepste gaan van iedereen.

Of ik van mijn lichaam houd? Ik zou het eerder als een haat-liefdeverhouding omschrijven. Als ik voor de zoveelste keer geblesseerd was kon ik daar zó boos om worden. Ik keek dan echt met afschuw naar mijn benen. Alsof ze niet bij me hoorden. Ze lieten me keer op keer in de steek.

Door al die blessures ben ik in 1998 vrij abrupt met atletiek gestopt. Aftrainen ging gewoon niet. Wat eten betreft ben ik in die tijd behoorlijk uit de band gesprongen. Eindelijk hoefde ik me niet meer aan dat strakke dieet te houden! 

In eerste instantie vond ik het niet erg dat ik een beetje aankwam; er mocht best iets bij. En ook prettig: ik had eindelijk weer borsten. Maar op een gegeven moment werd ik echt te zwaar. Ook nu heb ik nog een buikje dat er eigenlijk af moet. Wat dat betreft zal ik altijd een zekere obsessie met mijn lichaam houden. Maar ja, welke vrouw heeft dat niet?

Ik ben weliswaar geen topsporter meer, maar de winnaarsmentaliteit blijft. Wat ik ook doe, ik wil altijd de beste zijn. Soms zit me dat in de weg. Zo heb ik veel moeite om mijn hoofd tot rust te brengen. Vandaar dat ik recent een paar oude hobby’s heb opgepakt: naaien en breien. Het klinkt misschien tuttig, maar als ik achter de naaimachine zit ben ik helemaal van de wereld. Al moet het resultaat dan natuurlijk wel weer perfect zijn.”

Nico Rienks (46) nam tussen 1984 en 2000 als roeier vijf keer achtereen deel aan de Olympische Spelen. In 1988 won hij goud in de dubbeltwee, vier jaar later was er in dezelfde categorie een bronzen medaille. Hij maakte onderdeel uit van de Holland acht, die in 1996 goud behaalde. Nico Rienks is medeoprichter en directeur van Arbodienst Rienks & Partners. Hij is getrouwd en heeft twee zonen (13 en 10).

“Als kind al wilde ik overal de beste in zijn. Toen dat op school niet lukte, stortte ik me helemaal op de sport. Eerst voetbal, later ook volleybal en roeien. Voor iedere sport trainde ik drie of vier keer per week. Daar kwamen in het weekend dan nog de wedstrijden bij. In combinatie met school was dat best veel ja.

Al snel bleek dat ik met roeien boven de rest uitstak. Vanaf dat moment wilde ik maar één ding: de top te bereiken. Ik was al veel met mijn lichaam en mijn gezondheid bezig, maar dat werd toen nog een graadje erger. Ik schreef bijvoorbeeld alles op wat ik at. Dat werd dan later door mijn begeleiders geanalyseerd, zodat ik waar nodig mijn dieet kon aanpassen.

Vanaf mijn achttiende trainde ik tien tot twaalf keer per week. Dat heb ik ruim twintig jaar volgehouden. Blessures heb ik amper gekend. Omdat ik fysiek sterk ben, maar zeker ook omdat ik altijd op tijd mijn grenzen heb aangegeven. Als ik grieperig was trainde ik bijvoorbeeld niet, hoe vervelend dat ook voor de rest van het team was.

Ook belangrijk: ik zorgde ervoor dat er méér was in mijn leven dan alleen sport. Tussen alle trainingen en wedstrijden door heb ik mijn studie bewegingswetenschappen afgerond. En ik ging bijna elke week wel een keer uit met mijn vrienden. Natuurlijk moet je lichamelijk in goede conditie zijn. Maar als je geestelijk niet in balans bent kun je nooit de top bereiken. Mijn mazzel is geweest dat ik altijd een goed evenwicht tussen de twee heb gevonden.

Een paar jaar geleden ben ik uitgeroepen tot succesvolste Nederlandse roeier ooit, maar er is één ding dat blijft knagen: ik heb nooit alleen een grote prijs gewonnen. Jarenlang heb ik met dat doel getraind, maar ik was fysiek gewoon niet sterk genoeg. Eerlijk gezegd zit dat me soms nog steeds dwars. De beste zijn in een eenmansboot is en blijft de ultieme prestatie.

Sinds 2000 roei ik geen grote wedstrijden meer. Maar de obsessie met het sporten, met mijn lichaam: die blijft. Ik train drie à vier keer per week. Ik eet gezond – mijn gewicht is nog hetzelfde als twintig jaar geleden – en ik drink weinig alcohol. Dat is een tweede natuur geworden. Sterker nog: ik moet me fysiek fit voelen om in het dagelijks leven goed te kunnen functioneren. Voor een belangrijke vergadering ga ik vaak een uurtje sporten. Het maakt me letterlijk en figuurlijk sterk.

Puur voor de lol een rondje rennen of roeien lukt me helaas niet meer; ik moet altijd een doel hebben. Recent heb ik me ingeschreven voor de halve marathon. En ik roei nog regelmatig wedstrijden met de oud-Olympische equipe. Die drang om me te willen bewijzen gaat nooit meer over.

Ik heb een hoop opgegeven voor mijn sport, maar ik heb er niets voor hoeven laten. Dat is een belangrijk verschil, want als je het gevoel hebt dat je iets mist win je nooit. Aan de andere kant heb ik met al mijn successen natuurlijk makkelijk praten. Die medailles op de Olympische spelen voelen toch als een soort rechtvaardiging. Voor de buitenwereld, maar vooral voor mezelf. Al die duizenden trainingsuren zijn niet voor niets geweest.”

Tennisster Manon Bollegraf (44) deed in 1996 mee aan de Olympische Spelen in Barcelona, waar ze met haar dubbelpartner vierde werd. Sinds 2005 is ze de coach van het Nederlandse Fed Cup team. Manon is single. Ze heeft een dochter (4).

“De openingsceremonie van de Olympische Spelen in 1996 was het mooiste moment mijn hele sportcarrière. Meer nog dan het winnen van al mijn titels. De emoties daar waren zo overweldigend! Duizenden sporters van over de hele wereld die allemaal vier jaar naar dat ene moment hadden toegewerkt. Dat kán je gewoon niet onberoerd laten. 

Vier jaar eerder zou ik eigenlijk ook al gaan, maar een paar weken van tevoren raakte ik geblesseerd aan mijn enkelbanden. Vanuit mijn ziekenhuisbed heb ik alle wedstrijden gekeken. Vreselijk balen natuurlijk, maar toch kon ik me gauw over de teleurstelling heen zetten. Ik concentreer me in het leven liever op wat wel lukt.

Een echt afgetraind sportlijf heb ik nooit gehad. Op mijn vijftiende moest ik van de sportarts zestig kilo wegen, maar lager dan 64 kilo kwam ik niet. Ik vond eten gewoon te lekker. Bovendien: als ik niet regelmatig chocolade at, werd ik onuitstaanbaar. Dat is trouwens nog steeds zo. In tegenstelling tot veel andere meisjes uit de selectie – ik heb er een paar een echte eetstoornis zien ontwikkelen – heeft dat me nooit onzeker gemaakt. Je kunt altijd een groter shirtje aandoen, toch?

Dat ik aan mijn sportcarrière geen complex heb overgehouden, betekent trouwens niet dat ik niet let op wat ik eet. Net als alle andere vrouwen in de wereld vind ik altijd dat er wel iets af mag. Ik heb nu eenmaal aanleg om snel stevig te worden. Sinds ik in 2000 ben gestopt met tennissen is er 4,5 kilo bij gekomen. Net iets te veel naar mijn zin. Vandaar dat ik met een aantal vriendinnen een weddenschap heb lopen om er een paar kilo af te krijgen.

Of ik bang was voor de extra kilo’s van mijn zwangerschap? Helemaal niet. Maar ik ben waarschijnlijk  een van de weinige vrouwen die na haar zwangerschap minder woog dan ervoor. Dat was het gevolg van een afkeer van zoetigheid en van relationele problemen.

28 jaar lang heb ik bijna continu spierpijn gehad. Zodra ik stopte met tennissen wat die ineens over. Ik was vergeten hoe heerlijk het is om ’s ochtends zonder kramp in je benen naar de badkamer te lopen! Daar kan ik nog elke dag van genieten.

Zodra ik mijn laatste wedstrijd had gespeeld, was ik er ook echt klaar mee. Maar ik vond het wel moeilijk dat ik opeens geen reden meer had om ’s ochtends mijn bed uit te komen. Ik heb me daardoor een tijd behoorlijk verloren gevoeld. Tot ik voor de tennisbond aan de slag kon. In het coachen heb ik een heel nieuwe vorm van voldoening gevonden.

Als topsporter leef je met oogkleppen op. Je moet wel, want afleiding is funest voor je prestaties. Terugkijkend vraag ik wel eens af hoe ik dat volhield. Ik heb bijvoorbeeld vijftien jaar geen sociaal leven gehad. Ook geen relatie. Mannelijke tennissers hebben vaak een vriendin die overal mee naar toegaat. Andersom werkt dat niet zo. Daaraan ben ik dus pas veel later toegekomen.

Tennissen doe ik helemaal niet meer. Maar ik ben wel drie keer per week in de sportschool te vinden. Om fit en op gewicht te blijven natuurlijk, maar ook omdat sporten me blij maakt. Als ik met een rotbui een uurtje ga spinnen, voel ik me daarna honderd keer beter. Bovendien kan ik al mijn woede en frustraties erin kwijt. Sporten maakt me een aardiger en evenwichtiger mens.”

Conny van Bentum (42) won als zwemster drie medailles op de Olympische Spelen: brons in 1980 in Moskou, zilver in 1984 in Los Angeles en opnieuw zilver in 1988 in Seoul. Tegenwoordig werkt Conny als huisarts in Amersfoort. Ze is getrouwd met ex-zwemmer Leon Steenbrink. Samen hebben ze drie kinderen, twee zoons van 11 en 5 en een dochter van 9.

“In mijn topjaren trainde ik vier uur per dag, zes dagen per week. Toch heb ik nooit een obsessie met mijn lichaam gehad. Misschien ook omdat het me fysiek allemaal makkelijk afging. Geen onzekerheden of complexen; ik was gewoon blij met mijn lijf. Zelfs met mijn lengte van 1.81! Die kwam me bij het zwemmen namelijk goed van pas. De moeilijkheden begonnen pas later, nadat ik met de topsport was gestopt.

Mijn drie oudere zussen zaten op zwemmen, dus ging ik ook. Al snel kwam ik er achter dat ik beter was dan zij. Op mijn elfde versloeg ik hen al. Daarna ging het hard: als dertienjarige werd ik kampioen bij de senioren en het jaar daarop nam ik voor het eerst deel aan de Olympische Spelen.

In de elf jaar dat ik op topniveau zwom heb ik nooit serieuze blessures opgelopen. Het grote voordeel van sporten in het water is dat de impact van je bewegingen wordt gedempt. En ook dat je gewicht in het water maar een zevende is van dat op het land. Aan diëten heb ik dan ook nooit gedaan.

In totaal heb ik op internationale toernooien twintig medailles gehaald. Maar bijna nooit een gouden; die gingen altijd naar de Oost-Duitse meisjes. Omdat zij doping gebruikten en ik niet. Natuurlijk heb ik achteraf wel eens gedacht: wat als het eerlijk was gegaan. Maar boos ben ik niet. De doping heeft hen zoveel ellende opgeleverd. En dan heb ik het niet alleen over de zware stemmen en baardgroei. Een van mijn concurrenten ontwikkelde eierstokcysten en werd onvruchtbaar. En de baby’s van andere zwemsters hadden bovengemiddeld veel handicaps. Uiteindelijk zijn zij dus de grote verliezers.

In 1995 raakte ik zelf zwanger. De zwangerschap verliep prima, maar vlak na de geboorte stierf ons zoontje. Zijn longen bleken nauwelijks te zijn ontwikkeld. Die traumatische gebeurtenis vormde een keerpunt in de relatie met mijn lichaam. Het had altijd zo goed gefunctioneerd en nu liet het mij én mijn zoontje in de steek. Opeens was het vertrouwen weg.

In de jaren daarna kreeg ik een steeds meer moeite met lijf. Inmiddels hebben we drie gezonde kinderen, maar dat is niet van een leien dakje gegaan. Na het verlies ons eerste kindje heb ik nog drie miskramen gehad. Zeven zwangerschappen in twaalf jaar, dat hakt erin. Ik at steeds meer en sportte  minder. Voor ik het wist was ik vijftien kilo zwaarder. Het voelde verschrikkelijk, alsof het niet meer mijn lichaam was. Maar ik kon het emotioneel niet opbrengen op dieet te gaan.

Tot een collega-arts me vorig jaar november vroeg het internetafvalprogramma YourDailyLifestyle uit te proberen. Ik dacht: dit is het teken om wat aan mijn gewicht te gaan doen. In de eerste vier maanden ben ik al twaalf kilo afgevallen. Calorieën tellen doe ik niet; daar is dit programma niet op gebaseerd. In plaats daarvan maak ik gezonde keuzes. En ik sport vier keer per week. Met een baan als huisarts en drie kinderen ja!

Langzaam komt dat lekkere gevoel van een fit en gezond lichaam terug. En ik durf weer naar mezelf in de spiegel te kijken. Als esta me een half jaar eerder had gevraagd om aan deze reportage mee te werken, had ik het niet gedaan. Maar nu zeg ik vol trots: ja!”

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: