ADOPTIEGELUK UIT CHINA

8 Aug

Chantalle (34, operatieassistente) en Mischa Tiebie (37, webmanager) kregen op 24 mei 2007 hun Chinese dochter Jin Xiang overhandigd. Jin was op dat moment negen maanden oud. 

“Zodra ik de eerste foto van Jin in mijn hand had was ik op slag verliefd. Het was nota bene een zwart-wit kopie; heel onduidelijk. Maar ik voelde meteen: zij hoort bij ons.

Na een aantal hormoonkuren en zeven miskramen bleek ik endometriose te hebben, een chronische ziekte waarbij baarmoederweefsel aan de buitenkant van de baarmoeder groeit. Omdat ik met die aandoening moeilijk zwanger kon raken en een kindje kon voldragen hebben we in 2003 besloten te gaan adopteren. Op mijn werk in het ziekenhuis ontmoette ik een schattig Chinees meisje met twee staartjes. Ik wist meteen: dat wil ik ook! Niet lang daarna overleed eerst mijn moeder en toen de moeder van Micha. Daarop zijn we direct de adoptieprocedure gestart. We wilden niet langer wachten onze droom te vervullen; daarvoor is het leven tekort.

Over een ander land dan China hebben we nooit gedacht. Ik heb altijd iets met Azië gehad. De mensen zijn er aardig en behulpzaam, het levenstempo is veel rustiger dan hier. En ik vind de Chinese meisjes zo mooi! Of we voor China hebben gekozen omdat we persé een meisje wilde? Dat niet, maar ik vond het wel een bonus.

Toen we eenmaal de knoop hadden doorgehakt kwamen we in een administratieve mallemolen terecht. Een cursus van de Stichting Adoptievoorziening, medische keuringen, tien uur gesprekken met de kinderbescherming, eindeloze hoeveelheden documenten… Natuurlijk is het belangrijk dat alles zorgvuldig verloopt, maar je geduld wordt danig op de proef gesteld. En dan zijn er nog de factoren waar je zelf geen enkele invloed op hebt. Een uitbraak van vogelgriep bijvoorbeeld. Als er zoiets gebeurt vrees je meteen dat de hele procedure alsnog afgeblazen wordt.

In maart 2007 kwam eindelijk het verlossende telefoontje: we zouden de ouders van een dochter worden! Twee maanden later zaten we met veertien andere Nederlandse stellen in het vliegtuig naar China. In een hotel vond de overdracht plaats. Je naam wordt omgeroepen en opeens sta je met een kind in je armen. Heel bizar, maar toch voelde het meteen vertrouwd.

Inmiddels kan ik me geen leven zonder Jin meer voorstellen. Vanaf de eerste dag in Nederland is ze een tevreden en blij meisje. Om haar rustig te laten wennen heb ik zeven maanden vrij genomen van mijn werk. Je hoort nogal eens emotionele verhalen over kinderen die zich niet kunnen hechten aan hun ouders, maar daar hebben wij gelukkig geen last van gehad.

Voor we de adoptieprocedure startten hield ik me niet zo bezig met China. Maar nu lees en kijk ik alles wat ik over het land kan vinden. Ik ga zelfs de Olympische Spelen volgen, ook al houd ik helemaal niet van sport! We willen Jin zoveel mogelijk van haar eigen cultuur meegeven; ze is en blijft tenslotte óók Chinees. Vandaar ook dat we haar geen Nederlandse naam hebben gegeven. Als ze wat groter is, willen we zo vaak mogelijk met haar op vakantie naar haar vaderland. En mocht ze ooit de taal willen leren, dan doe ik met haar mee.

Hoe de Chinezen het doen weet ik niet, maar alle adoptiekindjes die ik ken passen perfect bij hun Nederlandse ouders. Het zouden bij wijze van spreken hun biologische kinderen kunnen zijn. Kijk maar naar Jin: die heeft dezelfde bolle lekkere bolle wangen als ik. En ze houdt net als ik van knutselen en muziek. Ongelofelijk toch? Alsof ze voor ons was voorbestemd.”

Ans (45, huisvrouw) en Dick Verzaal (49, monteur) hebben twee Chinese adoptiekinderen: zoon Shun van 9 en dochter Shui-Ling van 6. Beide lijden aan een aangeboren hartafwijking.

“Het eerste wat door mijn hoofd ging toen ik Shun zag? Wat een klein en mager jochie! Logisch, want door zijn hartkwaal had hij een behoorlijke groeiachterstand. Maar meteen daarna dacht ik ‘dat is mijn zoon’. Voor een kind dat uit mij was gekomen had ik niet meer liefde kunnen voelen.

De keus voor juist voor een Chinees adoptiekindje was vooral een praktische. Elk land stelt zijn eigen eisen aan potentiële ouders en in China maakten we de meeste kans. We waren overigens helemaal niet uit op een kind met een aangeboren afwijking. Maar soms loopt het in het leven anders dan je verwacht.

Toen we in 1999 met de procedure startten werden er bijna alleen maar meisjes aangeboden. Je begrijpt dus hoe verbaasd we waren toen het telefoontje kwam dat ze een zoon voor ons hadden! In eerste instantie wisten we niets van Shun’s fysieke problemen. Daarover hoorden we pas later, na een avondje uit om het goede nieuws te vieren. Ik schrok me rot, want daar hadden we totaal niet op gerekend. Toch was er geen sprake van twijfel; hij was voor ons bestemd en daarmee uit.

Tijdens de overdracht in China was Shun net drie. Hij praatte honderduit, maar we verstonden er natuurlijk geen woord van. Dat was vooral lastig als we hem wilden troosten. Maar al na een paar dagen nam hij woordjes over en binnen drie maanden sprak hij behoorlijk Nederlands. Heel naar was  dat Shun in het begin niets van Dick wilden weten. In het tehuis had hij alleen maar vrouwelijke verzorgers gehad, dus mannen waren eng. Gelukkig trok dat snel bij.

Terug in Nederland bleek Shun’s aandoening behoorlijk ernstig: twee lekkende hartkleppen en een vergrote hartkamer. In China was hij al geopereerd, maar binnen een paar jaar zal dat nog een keer moeten gebeuren. Hij heeft door zijn ziekte een  behoorlijke ontwikkelingsachterstand opgelopen. Vandaar dat hij op een speciale school zit en fysiotherapie krijgt. Maar met wat hulp gaat het nu hartstikke goed met hem.

Die extra zorg voor Shun heeft ons niet belemmerd om nog een kindje uit China te adopteren. Integendeel: bij de tweede hebben we heel bewust voor een zogenaamd ‘special need’ kind gekozen. We zagen hoeveel goeds we voor Shun hadden kunnen doen – in China had hij misschien al niet meer geleefd. Zo’n kans gunden we een ander kind ook.

Twee jaar later reisden we dus opnieuw naar China af, nu om de tweejarige Shui-Ling op te halen. Toevalligerwijs heeft ook zij een hartafwijking, maar wel een die minder erg is. Vanaf de eerste dag was Shui-Ling helemaal thuis bij ons. Eén probleem: ze wilde niet praten! Waarschijnlijk had ze dat nooit geleerd in het kindertehuis. Het heeft wel een jaar geduurd voor de eerste woordjes eruit kwamen. Nu doet ze het prima, ook op school. Ze kan niet wachten om naar groep 3 te gaan.

We willen onze kinderen graag iets meegeven van hun eigen cultuur. Vandaar dat we bijvoorbeeld naar de viering van het Chinees nieuwjaar gaan. En ons huis ligt vol Chinese spulletjes. Shun vindt alles wat met China te maken heeft mateloos interessant, Shui-Ling kan het niets schelen. Beide is prima; het is aan hen of ze wel of niet iets met hun afkomst willen doen. Wat eten betreft zijn ze in ieder geval van alle markten thuis: Chinees, zuurkool, pizza of curry, ze lusten alles!”

Yvette Roman (43, beleidsbewerker) is weduwe. Ze heeft een biologische dochter, Eline (8), en een Chinese adoptiedochter, Lianne (4).

“Toen ik na de eerste cursusdag van de Stichting adoptievoorziening naar huis reed zag ik plotseling de zon door de wolken komen. Het was alsof mijn man Sander zei: zo zou ik het gewild hebben. Na zijn dood wilde ik graag iets positiefs met zijn nalatenschap doen. Adoptie was een logische keus, omdat we samen twee kinderen hadden gewild.

Er was nog een tweede reden waarom ik graag een kindje wilde adopteren. Toen Sander in 2001 overleed was Eline net één jaar oud. Ik vond het belangrijk haar een zusje te geven. Met z’n tweeën ben je zo ontzettend kwetsbaar; als mij iets zou overkomen heeft Eline niemand meer. Maar met z’n drieën zijn we weer een echt gezin.

Voor ik eraan begon was ik bang veel kritiek van andere adoptieouders te krijgen. Dat ik een baby van een stel zou afpikken. En dat ik een adoptiekindje geen vader mocht ontzeggen. Zelf heb ik me daar nooit schuldig over gevoeld. Er zijn zoveel ouderloze kinderen op de wereld; hoe meer er geadopteerd worden hoe beter. En één ouder is altijd nog beter dan in een weeshuis wonen. Met de kritiek daarover is het uiteindelijk trouwens reuze meegevallen.

De gesprekken met de kinderbescherming waren behoorlijk spannend. Behalve een voldoende groot sociaal netwerk om je te helpen worden er geen bijzondere eisen aan alleenstaande ouders gesteld. Toch had ik het idee dat ik me extra moest bewijzen. Gelukkig was het advies positief. In juni 2005 kreeg ik te horen dat ze een dochter voor me hadden.

Zes weken later stond ik in een hotel in China met Lianne in mijn armen. De eerste 24 uur heb ik alleen maar met verwondering naar haar zitten kijken. Daarna voelde ze echt van mij. Dat was trouwens niet anders dan bij mijn dochter Eline; aan haar moest ik ook de eerste uren ‘wennen’.

Voor Lianne was alles in Nederland nieuw: ze was nog nooit in bad geweest, had nog nooit haar tanden gepoetst, had nog nooit gras gevoeld. Het was geweldig genieten, om haar al die dingen te zien ontdekken. Minder leuk was dat ze de eerste maanden moeite had zich aan me te hechten. Ze keek niet eens op als ik wegliep! Gelukkig is ze daar behoorlijk in bijgedraaid.

Eline vond het in het begin best moeilijk met haar nieuwe zusje. Voor we naar China gingen had ze veel last van nachtmerries. En toen Lianne er eenmaal was kreeg ze soms driftbuien. Zo kende ik mijn dochter helemaal niet! Nadat ik hulp voor had gezocht ging het stukken beter. Toch voel ik me af en toe nog schuldig naar Eline. Ze is zo’n lief, zelfstandig meisje; het is makkelijk te vergeten dat zij óók aandacht nodig heeft. Daar probeer ik dus steeds alert op te blijven.

Toen ik ging adopteren was er heel weinig informatie over adoptie door alleenstaanden. Vandaar dat ik het initiatief heb genomen een website over het onderwerp te maken, http://www.adoptiedoorsingles.nl. Inmiddels staan er 175 alleenstaande adoptieouders op de maillijst, waarvan zes mannen. We wisselen ervaringen uit, bijvoorbeeld hoe je goede opvang vindt, hoe je het financieel organiseert of wat je met vaderdag kunt doen. Drie keer per jaar organiseer ik een uitje. Voor de ouders, maar óók voor hun kinderen. Zo wil ik hen laten merken dat zij niet de enige in zo’n bijzonder gezin zijn.”

Rita (42, huismoeder) en Klaas (45, verkoopleider) Knol hebben een biologische zoon en dochter, Lars (16) en Carlein (14), en twee Chinese adoptiedochters, Anne-Lynn (8) en Shù-Lai (5). Binnenkort hopen ze hun derde adoptiekindje, zoon Zhen (4), uit China te kunnen ophalen.

“Het idee dat je van een adoptiekind nooit zoveel kan houden als van een eigen kind is flauwekul. Als je dat denkt, moet je nooit aan adoptie beginnen. Zo anders is het trouwens niet: toen we onze adoptiedochters overhandigd kregen, voelde dat net als een geboorte.

We hebben altijd een groot gezin gewild. Na Carlein bleek dat we zelf geen kinderen meer konden krijgen. Adoptie was toen een voor hand liggende keus. We zijn Anne-Lynn met het hele gezin op gaan halen. Lars en Carlein maakten meteen contact met haar;  alsof ze onderling een onuitgesproken taal hadden. Vanaf het eerste moment was Anne-Lynn een ideaal kind. Zo makkelijk, zo lief! En ze paste perfect in ons gezin.

Eigenlijk wilden we het bij drie kinderen laten, maar omdat het met Anne-Lynn zo goed was verlopen besloten we toch voor een vierde te gaan. Dat pakte heel anders uit. We waren al in het kindertehuis om nieuwe dochter Esterel op te halen, toen bleek dat er iets flink mis was met haar. Ze hing apathisch in onze armen, terwijl ze dwangmatig met haar beentje sloeg. Zwaar autistisch, bleek later. En dat terwijl geestelijk gehandicapte kinderen überhaupt niet voor adoptie in aanmerking komen.

Ter plekke werden we voor het blok gezet of we Esterel wel of niet accepteerden. Met pijn in ons hart hebben we haar achter gelaten; we vonden dat we het onze andere kinderen niet aan konden doen met een zwaar autistisch zusje thuis te komen. Maar het voelde alsof we een kind hadden verloren. Net als bij een zwangerschap hadden we ons immers maanden op haar komst voorbereid. We hebben ook nog altijd een foto van haar op tafel staan. Al woont ze niet bij ons, ze voelt toch als ons kind.

Twee dagen later werd onverwacht een ander meisje aan ons voorgesteld, Shù-Lai. Een emotionele achtbaan was het! Maar we waren er niets voor niets, dus we besloten haar te accepteren. Zo lief en makkelijk als Anne-Lynn was, zo boos en opstandig was Shù-Lai in het begin. Ze verzette zich met hand en tand tegen alle veranderingen om haar heen. Dat heeft een half jaar geduurd. Toen lachte ze voor het eerst; ineens was het over. Maar een strijd was het wel!

Je zou denken dat we er na de ervaring met Esterel wel genoeg van hadden. Maar het adoptieproces heeft ons leven zo verrijkt. Als ouder en als mens zijn we er enorm door gegroeid. En we zijn zo trots op onze vier kanjers! Vandaar dat we hebben besloten een derde adoptiekindje uit China te halen. We verwachten ons zoontje Zhen dit najaar in onze armen te kunnen sluiten. Daarmee is het gezin echt af, want door onze leeftijd komen we niet voor nog een procedure in aanmerking.

Tussen onze kinderen is het vanaf het eerste moment goed gegaan. Feitelijk is het wennen aan een adoptiebroertje of -zusje niet anders dan aan een broertje of zusje dat je uit het ziekenhuis meebrengt. De meiden zijn zelfs onafscheidelijk! Misschien komt het omdat we zelf uit grote gezinnen komen dat het zo makkelijk gaat. En misschien ook omdat we nuchtere oosterlingen zijn. Als je zelf nergens een drama van maakt, doen je kinderen dat ook niet.”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: