Archief | 19:36

VRAGEN OVER EUTHANASIE IN PLUS

19 Feb

Hoewel het wettelijk goed is geregeld in Nederland, bestaan er nogal wat misverstanden over euthanasie. Marte zocht het uit en zette de belangrijkste informatie op een rijtje. Deze maand in Plus: een compleet overzicht van alle aspecten van euthanasie.

In hetzelfde nummer: er komen steeds meer speciale mannen- en vrouwenklinieken in Nederland. Ook sommige ziekenhuizen bieden afzonderlijke poli’s voor mannen en vrouwen. Waarom is dat? En wat bieden ze meer dan de ‘gewone’ specialist? Marte maakte een rondje langs de klinieken en zette de voors en tegens op een rij.

Benieuwd naar de artikelen? Kijk dan op deze website onder Plus. Of koop het maartnummer van Plus nu in de winkel! (Verkrijgbaar t/m 20 maart.)

Advertenties

17 VRAGEN OVER EUTHANASIE

19 Feb

Dit artikel is gepubliceerd in Plus Magazine van maart 2010.

Hoewel het wettelijk goed is geregeld in Nederland, bestaan er nogal wat misverstanden over euthanasie.

1. Wat is euthanasie?

Het woord euthanasie komt van het Griekse woord euthanatos, dat letterlijk ‘een goede dood’ betekent. Van euthanasie is sprake als een arts aan een patiënt een dodelijk middel toedient, op uitdrukkelijk verzoek van een patiënt zelf. Een tweede mogelijkheid is dat de patiënt de dodelijke medicatie die hij van de dokter krijgt zelf inneemt. Deze vorm van euthanasie komt maar weinig voor (in 7% van de gevallen).

2. Je hoort steeds vaker over palliatieve sedatie. Wat is het verschil?

Palliatieve sedatie is het toedienen van slaapmiddelen (sedativa) tijdens de laatste levensfase van een patiënt, als diens klachten niet meer te behandelen zijn. De patiënt wordt in slaap gebracht tot aan zijn overlijden. Uiteindelijk sterft hij aan de gevolgen van zijn ziekte – een natuurlijke dood. Dat is een belangrijk verschil met euthanasie, waarbij er opzettelijk direct een einde aan het leven wordt gemaakt door dodelijke medicatie te geven.

Een arts mag alleen palliatieve sedatie toepassen, als hij verwacht dat zijn patiënt niet meer dan twee weken te leven heeft. Nogal wat mensen denken dat euthanasie alleen mogelijk is als iemand spoedig zal sterven, maar voor euthanasie geldt geen termijn.

Palliatieve sedatie wordt gezien als een vorm van normaal medisch handelen, en is dus niet strafbaar. Euthanasie is dat wel, tenzij de arts zich aan bepaalde zorgvuldigheidseisen houdt. (Zie ook vraag 5.)

3. Hoeveel Nederlanders hebben een euthanasieverzoek?

Zo’n 107.000 mensen zijn lid van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE). Het is aannemelijk dat de meeste van hen een euthanasieverklaring van de vereniging hebben ingevuld. Daarnaast zijn er waarschijnlijk nog duizenden niet-leden, die zelf een verzoek hebben opgesteld.

Ruim 80% van de euthanasieverzoeken komt van patiënten met een ongeneeslijke vorm van kanker, die om (hulp bij) het beëindigen van hun leven vragen. De overige verzoeken zijn vooral afkomstig van mensen met neurologische aandoeningen zoals de dodelijke spierziekte ALS, en hart- en vaatziekten zoals terminaal hartfalen. Verder stelt een groeiend aantal mensen een euthanasieverzoek op vóórdat ze ziek worden, voor het geval ze in een situatie terecht komen die ze nu als ondraaglijk en uitzichtloos beschouwen.

 

4. Hoe vaak vindt euthanasie plaats?

Per jaar overlijden er in Nederland in totaal ongeveer 140.000 mensen. Bij zo’n 2400 van hen is euthanasie toegepast. Meestal voert de huisarts de euthanasie thuis uit. Zo’n 10.000 mensen die stierven werden palliatief gesedeerd.

5. Is euthanasie strafbaar?

Volgens de Euthanasiewet is het verboden een ander te doden, ook als die daar nadrukkelijk om heeft gevraagd. De wet biedt één uitzondering: een arts (en alléén een arts) mag euthanasie toepassen, als hij zich aan een aantal zorgvuldigheidseisen houdt en meldt dat hij de euthanasie heeft uitgevoerd. Doet hij dat niet, dan kan hij alsnog strafrechtelijk worden vervolgd. Onzorgvuldig uitgevoerde euthanasie kan leiden tot een gevangenisstraf van maximaal twaalf jaar. Voor hulp bij zelfdoding is dat maximaal drie jaar.

Uit onderzoek blijkt dat zo goed als alle euthanasiegevallen worden gemeld. Van de ongeveer 2400 euthanasiegevallen per jaar worden er gemiddeld vier als ‘onzorgvuldig’ beoordeeld. Niet alle gevallen van onzorgvuldigheid leiden tot vervolging. Sinds de invoering van de Euthanasiewet in 2002 is nog geen enkele arts wegens onzorgvuldige euthanasie veroordeeld.

6. Wat zijn die zorgvuldigheidseisen?

De arts moet er zeker van zijn dat er sprake is van een ‘vrijwillig en weloverwogen euthanasieverzoek’. Dat mag dus niet onder druk van anderen zijn gedaan. De patiënt moet ook ‘wilsbekwaam’ zijn, oftewel, de gevolgen van zijn besluit overzien. Zijn dokter moet hem daarom goed informeren over zijn ziekte en de behandelmogelijkheden.

Verder moet de arts ervan overtuigd zijn dat er op dat moment (en dus niet in de toekomst) sprake is van ‘uitzichtloos en ondraaglijk lijden’ van de patiënt. Samen moeten ze het erover eens zijn dat er geen andere oplossing meer is dan euthanasie.

Als een arts tot euthanasie wil overgaan, is hij verplicht minimaal één andere, onafhankelijke dokter te raadplegen, die de patiënt persoonlijk spreekt. Die tweede arts (meestal een hier speciaal voor opgeleide arts, een zogenaamde SCEN-ats) maakt een  schriftelijk verslag waarin hij beschrijft of aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. In tegenstelling tot wat veel mensen denken hoeft de tweede arts géén toestemming te geven voor de euthanasie.

Verder moet de dokter het dodelijke middel zelf toe dienen. Hij mag dat dus niet overlaten aan een verpleegkundige of familielid. Tot slot moet de arts na uitvoering van de euthanasie het overlijden melden bij de gemeentelijke lijkschouwer, en bij een toetsingscommissie die speciaal is ingesteld om te beoordelen of hij zorgvuldig heeft gehandeld.

7. ‘Ondraaglijk en uitzichtloos lijden’ kan voor iedereen iets anders betekenen. Hoe bepaalt een arts of die grens echt is bereikt?

Van uitzichtloos lijden is sprake, als er een ziekte is vastgesteld en er geen redelijke behandelmogelijkheden meer zijn. Met redelijk wordt bedoeld dat de behandeling binnen korte tijd verbetering moet geven, en dat die niet te zwaar mag zijn voor de patiënt.

Wat ‘ondraaglijk’ inhoudt, is een stuk ingewikkelder. Daarbij kijkt een dokter niet alleen naar het ziektebeeld, maar ook naar hoe de patiënt de (pijn)klachten beleeft. Op basis daarvan kan de dokter overtuigd raken dat er voor zijn patiënt in die specifieke omstandigheden sprake is van ondraaglijk lijden. Overigens verschuiven veel patiënten hun eigen grens naarmate de ziekte langer duurt, en stellen de euthanasie zo langer uit dan ze in het begin van hun ziekte voor mogelijk hielden.

8. Wat gebeurt er op het moment van levensbeëindiging?

De dokter vraagt aan de patiënt of hij met de euthanasie wil doorgaan. Als de patiënt bevestigend antwoordt, zal de dokter hem een injectie geven met een middel om hem in een heel diepe, comateuze slaap te brengen. Dat gebeurt via een slangetje dat meestal een dag ervoor door een verpleegkundige in een ader van de hand of arm is ingebracht. Dit om te voorkomen dat de arts op het moment zelf geen goede ader kan vinden, of mis prikt. Vervolgens wordt via hetzelfde slangetje een spierverslappend middel ingespoten, waardoor het hart tot stilstand komt. Omdat de patiënt in een diepe coma is, merkt hij daar niets van. Tot slot stelt de dokter het overlijden vast. In totaal neemt dit proces ongeveer tien tot dertig minuten in beslag.

9. Hoe moet ik het regelen als ik zelf euthanasie zou willen?

Een euthanasieverzoek (ook wel wilsbeschikking genoemd) hoeft niet per se schriftelijk te worden gedaan. Als u uw wens aan uw dokter vertelt, is hij verplicht dat in uw dossier op te nemen. Daarmee is uw wens vastgelegd (maar niet toegezegd, zie ook vraag 10). Een schriftelijk verzoek heeft wel de voorkeur, omdat uw arts daarmee bij de toetsing van de euthanasie, minder snel in de problemen komt.

U kunt uw verzoek in uw eigen woorden op papier zetten. Een standaardverklaring, zoals die van de NVVE, kan een handig hulpmiddel zijn, maar is zeker niet noodzakelijk – al zijn er huisartsen die er ten onrechte om vragen.

De wet stelt geen eisen aan de vorm. Het gaat erom dat u zo duidelijk mogelijk omschrijft wanneer de situatie voor u, in uw eigen ziekteproces, ondraaglijk wordt. Voor het opstellen van het verzoek zijn geen getuigen nodig, en u hoeft het ook niet te laten goedkeuren door een notaris. Net als een donorcodicil blijft een euthanasieverzoek geldig totdat u het weer intrekt. Het regelmatig vernieuwen is niet nodig, al vinden sommige artsen (en de toetsingscommissie) dat wel fijn omdat u daarmee laat zien dat uw wens onveranderd is. Belangrijk is dat u, op het moment dat uw persoonlijke grens bereikt is, precies benoemt wat maakt dat uw situatie op dat moment ondraaglijk en uitzichtloos is geworden. Ook voor het verwerkingsproces van de nabestaanden kan deze informatie waardevol zijn.

10. Is mijn dokter verplicht om mijn euthanasieverzoek uit te voeren?

Nee. Euthanasie is geen plicht van de arts, en geen recht van de patiënt. Het is een besluit dat alleen in goed overleg en met gezamenlijke instemming genomen kan worden. Een dokter heeft tegenover zijn patiënt twee verplichtingen, namelijk om zijn lijden weg te nemen of te verlichten, en om hem in leven te houden. Die tweede plicht botst met de vraag om euthanasie. Daarom kunnen artsen weigeren een euthanasieverzoek in te willigen. Dat mogen ze ook om geloofsredenen doen. De arts moet zijn gewetensbezwaren dan wel op tijd duidelijk maken aan de patiënt.

In 2005 vroegen ongeveer 8.400 mensen om euthanasie. Van die verzoeken werden er ruim 6.000 niet ingewilligd. Vaak stellen patiënten hun euthanasie uit en/of overlijden ze voordat hun vraag om euthanasie aan de orde is gekomen (39%). Soms biedt behandeling toch nog uitkomst, of is het lijden van de patiënt op een andere manier te verlichten, bijvoorbeeld met extra pijnbestrijding (8%). 10% van de patiënten trekt de verklaring weer in. In ongeveer 16% van de niet uitgevoerde euthanasiegevallen was er volgens de arts geen sprake van ondraaglijk lijden. In 5% van de gevallen had de arts principiële bezwaren.

11. Wat kan ik doen als mijn dokter niet wil meewerken?

Euthanasie uitvoeren is voor alle artsen een zeer belastend onderdeel van hun vak. Om te beoordelen of een patiënt uitzichtloos en ondraaglijk lijdt en zich bewust is van de gevolgen van zijn besluit, moet een arts zijn patiënt goed kennen. Dan kan alleen als u al enige tijd bij hem onder behandeling bent. Vandaar dat het belangrijk is uw verzoek tijdig met uw huisarts te bespreken. Als blijkt dat hij niet in staat is u met uw euthanasieverzoek te helpen, mag u verwachten dat hij u doorverwijst naar een collega. Bent u onder behandeling in een ziekenhuis, dan kunt u aan uw specialist vragen of hij u wil helpen. Als beiden u niet willen helpen of niet willen doorverwijzen naar een collega – een situatie die in de praktijk weinig voorkomt – dan moet u zelf op zoek naar een andere huisarts.

12. Als ik geen arts kan vinden die mij bij mijn euthanasie wil helpen, kan ik dan in het buitenland terecht?

België en Luxemburg hebben een euthanasiewet die op hoofdlijnen overeenkomt met de Nederlandse. Als uw arts(en) vinden dat uw verzoek niet binnen onze wet valt, dan krijgt u in die landen hoogstwaarschijnlijk ook nul op het rekest. Ook omdat er geen behandelrelatie is tussen dokter en patiënt.

In Zwitserland wordt een persoon die een patiënt bijstaat bij zelfdoding niet gestraft, tenzij hij dat doet uit winstbejag of misdadige motieven. Voorwaarde is dat de patiënt ongeneeslijk ziek en helder van geest is. Overigens wil de Zwitserse regering de wet strikter gaan toepassen. Dat betekent dat in de toekomst alleen nog buitenlanders die in Zwitserland wonen er gebruik van kunnen maken.

13. Mijn kinderen zijn tegen euthanasie. Kan mijn dokter me dan toch helpen?

Ja. Een euthanasieverzoek is een persoonlijke wens. Als u en uw arts het erover eens zijn dat euthanasie de enige overgebleven oplossing is, dan kunnen uw kinderen de uitvoering niet tegenhouden. In een familiegesprek, onder begeleiding van de arts, kunt u proberen om met elkaar in contact te blijven. De ervaring leert dat zo’n gesprek voor nabestaanden enorm waardevol kan zijn.

14. Wat gebeurt er met mijn euthanasieverzoek als ik in coma raak?

Dan is dat onbruikbaar. Zodra iemand in coma raakt, is er geen sprake (meer) van ondraaglijk lijden. Daarmee valt het verzoek niet langer onder de euthanasiewet. Iets anders is dat u in uw euthanasieverzoek kunt aangegeven dat u in zo’n geval niet (langer dan een bepaalde periode) behandeld of gereanimeerd wilt worden. Daaraan moet een arts zich dan wél houden.

15. En als ik dement raak?

Als iemand dement is, kan de dokter niet meer beoordelen of de patiënt euthanasie wil, en of hij de gevolgen daarvan kan overzien. Daarom mag een arts in die situatie niet met een euthanasieverzoek instemmen. Oók niet als dat is opgesteld vóór de dementie intrad. De Euthanasiewet biedt wel de mogelijkheid euthanasie uit te voeren in een vroege fase van dementie, als de patiënt nog wilsbekwaam is. In de praktijk vragen patiënten dat echter zelden. Het ingewikkelde van dementie is dat een patiënt weliswaar steeds meer onder de ziekte gaat lijden, maar dat er naarmate het ziekteproces vordert minder goed met hem over te praten valt. Dat maakt het bijna onmogelijk om het juiste moment voor euthanasie te bepalen. Al net zo ingewikkeld is een euthanasieverzoek van een psychiatrisch patiënt. Ook daarbij is het heel moeilijk vast te stellen of zo’n verzoek vrijwillig en weloverwogen is gedaan, of dat het voortkomt uit de ziekte. Alleen als een psychiatrisch patiënt volledig is uitbehandeld, is euthanasie een optie. Dat gebeurt hoogstens in enkele gevallen per jaar.

16. Wat als iemand niet ziek is, maar hij wel aan het leven lijdt?

Zonder medische grondslag is euthanasie verboden. Dat geldt ook voor de vorm waarbij de patiënt zelf het drankje inneemt (hulp bij zelfdoding). Sterker nog, zelfs het geven van instructies over zelfdoding is strafbaar. Voor artsen en voor leken.

17. Bestaat er ondersteuning voor het maken van keuzes rondom euthanasie?

  • Op de website http://www.alsjenietmeerbeterwordt.nl vertellen acht mensen die wisten dat ze niet meer beter zouden worden over hun keuzes, waaronder ‘beslissen over je levenseinde’. De filmpjes, die ook op DVD verkrijgbaar zijn, vormen een bruikbaar hulpmiddel bij het voeren van een gesprek met uw arts of familie over het onderwerp, en bij het opstellen van een euthanasieverzoek.
  • Voor meer informatie over euthanasie kunt u terecht bij de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE), telefoon: 0900-6060606 (€ 0,20 per min.) of http://www.nvve.nl. Voor leden heeft de NVVE een ondersteuningsdienst.
  • Op de website van de Nederlandse Patiënten en Consumentenfederatie, http://www.npcf.nl, kunt u een brochure bestellen of downloaden, getiteld ‘Tijdig spreken over het levenseinde bij een levensbedreigende ziekte’.

Met medewerking van  Eric van Wijlick, beleidsadviseur van de KNMG (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst), en Yvonne van Ingen, specialist ouderengeneeskunde, palliatief consulent & SCEN-arts.

 

MANNEN- EN VROUWENKLINIEKEN

19 Feb

Dit artikel is gepubliceerd in Plus Magazine van maart 2010.

Er komen steeds meer speciale mannen- en vrouwenklinieken. Ook sommige ziekenhuizen bieden afzonderlijke poli’s voor mannen of vrouwen. Zijn die wel nodig? En wat bieden ze meer dan een ‘gewone’ specialist?

Meer dan een miljoen mannen in Nederland heeft last van typische ‘mannenklachten’ als plas- of erectieproblemen. Toch bezoekt slechts 25% van hen de huisarts in een vroeg stadium. Mannen zijn namelijk notoire ‘zorgmijders’.

“Vrouwen gaan in verband met hun menstruatiecyclus of vragen over voortplanting regelmatig naar de huisarts. Mannen komen daar veel minder. Als je dan na je 45ste gezondheidsklachten krijgt, is de stap naar de dokter groot. Zeker als het gaat om kwesties als plas- of erectieproblemen”, zegt professor Eric Meuleman, hoogleraar andrologische urologie aan het VU Medisch Centrum in Amsterdam. In dat ziekenhuis zette hij een aantal jaar geleden een speciale ‘mannenkliniek’ op, waar hij zo’n vierhonderd patiënten per jaar ziet. Doel van de kliniek is niet alleen naar de specifieke klacht, maar naar de algehele gezondheid van de ouder wordende man te kijken.

Zo’n brede aanpak van typische mannenklachten is volgens Meuleman hard nodig. Alleen al omdat mannen gemiddeld vier jaar korter leven dan vrouwen. Dat is vooral te verklaren uit verschillen in leefgewoonte en risicogedrag, meent Meuleman. “Mannen leven over het algemeen ongezonder. Ze eten slechter en roken en drinken meer dan vrouwen.”

Gedragsverandering

Dat een ongezonde leefstijl gevolgen kan hebben voor hart en vaten was al bekend. Maar de laatste jaren blijkt dat er óók een verband is met plas- en erectieproblemen.

“Je zou die verschijnselen kunnen zien als een vroege waarschuwing dat er iets niet goed gaat in het lichaam”, zegt uroloog Rob Schipper, initiatiefnemer van de Mannenkliniek van het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch, waar hij vooral erectieproblemen behandelt. Meer dan de helft van de mannen die Schipper ziet heeft artherosclerose (aderverkalking). “Van hun hart hebben patiënten op dat moment meestal nog geen last”, zegt Schipper. “Maar het is wel een teken aan de wand.”

De laatste jaren zijn er veel nieuwe middelen voor typische mannenklachten op de markt gekomen. De meest bekende is Viagra, tegen erectiestoornissen. “Zo’n ‘quick fix’ is natuurlijk makkelijk”, aldus Meuleman. “Maar je lost de achterliggende oorzaak – zoals aderproblemen als gevolg van een ongezonde leefstijl – er niet mee op. Daarvoor is een gedragsverandering nodig. Medicijnen kunnen wel een goed hulpmiddel zijn.”

Meer tijd voor de patiënt

Zowel hij als Schipper zijn van mening dat de huisarts een essentiële rol speelt bij het adviseren over een gezonder leven. Maar waar zijn tijd of kennis tekort schiet, vormen hun mannenklinieken een waardevolle aanvulling. Bovendien geven ze meer bekendheid aan het onderwerp en verlagen ze de drempel om hulp te zoeken.

Een voorbeeld van een centrum dat zich helemaal toelegt op de gezondheidsproblemen van de ouder wordende man is Andros Mannenkliniek. De vier vestigingen – in Arnhem, Leiden, Maastricht en Amsterdam – behandelen elk zo’n 1500 patiënten per jaar. “De zorg in onze klinieken biedt diverse voordelen ten opzichte de poli in het ziekenhuis”, zegt professor Frans Debruyne, algemeen directeur van Andros. “We hebben meer tijd voor een patiënt; een check-up in ons centrum duurt gemiddeld een uur. Bovendien wordt al het benodigde onderzoek binnen één dagdeel uitgevoerd. En er zijn geen wachtlijsten.”

Van hun patiënten kampt 30% met plasklachten, 40% met erectieproblemen en nog eens 30% met een combinatie van die twee. Een multidisciplinair team, bestaande uit een uroloog, een gespecialiseerde verpleegkundige en zo nodig een cardioloog of een diëtist, brengt de problemen in kaart, geeft advies en schrijft eventueel medicijnen voor.

Is dat niet verwarrend, zo’n aparte kliniek, náást de huisarts en het ziekenhuis? “Helemaal niet”, meent Debruyne. “Een patiënt komt bij ons terecht na een verwijzing door de huisarts. En we werken goed samen met specialisten uit de regio, waar we naar kunnen doorverwijzen voor een operatie als dat nodig is. Maar verreweg de meeste problemen lossen we zelf op.”

[Kader]

Voor welke klachten naar een mannenkliniek?

  • Plasklachten en problemen met de prostaat (vergroting, ontsteking of pijn)
  • Erectieproblemen
  • Seksuele problemen, zoals te snel klaarkomen
  • Vitaliteitverlies door een tekort aan het hormoon testosteron
  • Overgewicht
  • Een te hoog cholesterolgehalte
  • Een second opinion over bovenstaande problemen


Ongewild urineverlies

Ook voor typische vrouwenklachten, zoals ongewenst verlies van urine of ontlasting of een verzakte baarmoeder, kun je in een speciale kliniek terecht. Alant Vrouw bijvoorbeeld. De twee vestigingen, in Bilthoven en Amsterdam, hebben een samenwerkingsverband met het UMC Utrecht en het AMC Amsterdam. De gynaecologen van Alant werken ook een aantal dagen in de week in het academische ziekenhuis.

“Eigenlijk is Alant Vrouw een expertiseicentrum van het ziekenhuis, maar dan op een andere locatie”, zegt gynaecoloog Jan-Paul Roovers, medisch directeur van Alant Vrouw in Amsterdam. “Vrouwen die zich met typische vrouwenklachten bij het AMC melden, worden direct naar Alant Vrouw doorgestuurd.”

Volgens Roovers voorziet zijn kliniek in een grote behoefte. “De helft van de vrouwen boven de veertig heeft wel eens last van ongewild urineverlies. Een derde van hen kampt met een verzakte baarmoeder. En één op de tien vrouwen in deze leeftijdsgroep heeft ernstige problemen met de ontlasting, zoals obstipatie. Die percentages nemen toe met het ouder worden. Vrouwen schamen zich er vaak voor om over dat soort klachten te praten. Ook denken ze vaak dat er toch niets aan te doen is.”

Geheel onterecht, zo blijkt. Problemen met ongewild urineverlies worden bij Alant met een kleine ingreep (in één dag) behandeld. Maar waarom kan dat dan niet zo snel in een ziekenhuis? Roovers: “Bij Alant zijn we alleen maar met dit soort problemen bezig. We hebben dus veel specialistische kennis in huis, inclusief bekkenfysiotherapeuten en continentieverpleegkundigen. Net als in een mannenkliniek bieden ook wij een totaalaanpak; zo nodig staat er ook een uroloog of een seksuoloog klaar. Die zitten één kamer verderop, zodat de patiënte er snel terecht kan. Het maakt dat we kwalitatief hoogwaardige zorg kunnen bieden.”

Kennisachterstand

Het UMC Utrecht was één van de initiatiefnemers van Alant Vrouw. Professor Bert Fauser, gynaecoloog en hoofd van de Divisie Vrouw en Baby in dat ziekenhuis, is blij met de extra aandacht voor typische vrouwenklachten. “De gezondheidszorg is decennialang door mannen bepaald. Op vrouwenproblemen werd neergekeken. Met als gevolg dat we nu met een kennisachterstand zitten.”

Fauser zou het liefst zien dat alle ziekenhuizen in de toekomst totaalzorg voor vrouwen gaan aanbieden. ‘Women’s health’, noemt hij dat, naar het voorbeeld van hoe de vrouwenzorg in de VS is georganiseerd. Het belangrijkste verschil met de ziekenhuiszorg hier is dat de patiënte bij women’s health centraal staat, en niet het specialisme. “De overgang kan menstruatieproblemen of incontinentieklachten geven. Maar de kans op hart- en vaatziekten, botontkalking en alzheimer neemt er óók door toe. Bij ouder wordende vrouwen met klachten wil je al die dingen tegelijk in de gaten houden. Specialisten moeten bij de behandeling ervan dus beter samenwerken.”

Menopauzecentrum

Veertien ziekenhuizen in Nederland hebben een speciaal ‘menopauzecentrum’. En zo’n tien organiseren een ‘bekkenbodempoli’ voor vrouwen. Goede eerste stappen, meent Fauser. “Maar de zorg blijft ook daar vaak beperkt tot één onderwerp en een specialisme. Ik zou willen dat bij vrouwen die zich met overgangsklachten bij de huisarts of de specialist melden, standaard aandacht wordt besteed aan bijvoorbeeld het risico van hart- en vaatziekten.”

Hart- en vaatziekten zijn doodsoorzaak nummer één bij vrouwen in de postmenopauze – de kans daaraan te sterven, is zelfs negen keer groter dan aan borstkanker – maar worden vaak niet herkend. Fauser: “In tegenstelling tot mannen komen vrouwen vaak niet met pijn op de borst bij een arts, maar met klachten die bij de overgang lijken te horen, zoals lage rugpijn en vermoeidheid. De link met hart- en vaatziekten wordt dan niet gelegd.” Speciale poli’s en klinieken zijn volgens hem dan ook zeker geen overbodige luxe.

[Kader]

Waarvoor kun je bij een vrouwenkliniek terecht?

  • Blaasklachten, zoals een terugkerende blaasontsteking, pijn bij het plassen of incontinentie
  • Ontlastingsklachten
  • Vaginale verzakking
  • Pijn bij het vrijen
  • Onderzoek en behandeling van een afwijkend uitstrijkje
  • Overgangsklachten
  • Sterilisatie
  • Een second opinion over bovenstaande problemen

[kader]

Is een gespecialiseerde kliniek beter?

Daar is geen harde uitspraak over te doen. “Zorgverzekeraars kopen zorg in bij ziekenhuizen én bij zelfstandige behandelcentra”, zegt Marleen Relouw, woordvoerder van Zorgverzekeraars Nederland. “Dat doen ze alleen als er volgens bepaalde regels wordt gewerkt en aan de kwaliteitseisen wordt voldaan.”

Het feit dat de behandelingen bij de Andros Mannenkliniek en Alant Vrouw door alle zorgverzekeraars worden vergoed, betekent dus dat je er als patiënt van op aan kunt dat de kwaliteit van de zorg daar – net als in de ziekenhuizen – op orde is.

[Kader]

Zelfstandig behandelcentrum (ZBC)

Andros Mannenkliniek en Alant Vrouw zijn zelfstandige behandelcentra (ZBC’s). Een ZBC is een door de overheid erkende kliniek, waarin minstens twee specialisten samenwerken. Je kunt er terecht voor bepaalde specialistische behandelingen, die vanuit de zorgverzekering worden vergoed. De meeste ZBC’s zijn te vinden in de buurt van de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag.

Een ZBC verleent vooral niet-acute zorg, die goed te plannen is en waarvoor de patiënt niet hoeft te worden opgenomen. De kliniek wordt gefinancierd met private middelen en heeft een bedrijfsmatige aanpak. Ook een privékliniek werkt op die manier, maar die voert vaak behandelingen uit die niet door de zorgverzekeraar worden vergoed (zoals cosmetische chirurgie).

[Kader]

Meer informatie

Mannen:

Vrouwen:

%d bloggers liken dit: