Archief | 14:49

AGNES KANT IN ANBO MAGAZINE

26 Feb

In aanloop naar de verkiezingen interviewde Marte AGNES KANT voor het maart/aprilnummer van ANBO Magazine. Hoe we in ons land met ouderen omgaan is beschamend, vindt de fractievoorzitter van de Socialistische Partij. Als het aan haar ligt wordt overal in Nederland buurtzorg ingevoerd. En blijft de AOW-leeftijd 65.

In hetzelfde nummer: drie mensen die na hun officiele pensioen zijn blijven werken. Dat geeft voldoening, levert sociale contacten op en houdt de geest scherp, weet René Schalk, bijzonder hoogleraar ouderenbeleid.

Lees het interview met AGNES KANT en de verhalen van actieve senioren op deze site ANBO Magazine.

Advertenties

AGNES KANT: “NEDERLAND MOET WEER MENSELIJK WORDEN”

26 Feb

 

Dit artikel is gepubliceerd in ANBO Magazine, maart 2010.

Hoe in ons land wordt omgegaan met ouderen, is beschamend, vindt fractievoorzitter van de Socialistische Partij Agnes Kant. 50-plussers hebben recht op een plek op de arbeidsmarkt. En ouderen verdienen betere zorg.

Onverschrokken doorbijter. Dossiervreter. Kampioen vragen stellen. Het zijn slechts een paar typeringen voor de vrouw die sinds juni 2008 de SP-fractie in de Tweede Kamer leidt. Of ze haar standpunten nu delen of niet: vriend en vijand zijn het erover eens dat haar verontwaardiging oprecht is. Dat blijkt ook wel als ze – nog voordat ons interview goed en wel begonnen is – van wal steekt. Over haar stokpaardje de thuiszorg natuurlijk, over de AOW en het armoedebeleid, en al die andere ‘pijnpunten’ die ze zo graag wil aanpakken. Het is duidelijk: Agnes Kant is nog lang niet uitgestreden.

Het is inmiddels anderhalf jaar geleden dat de economische crisis in volle hevigheid toesloeg in Nederland. Hoe staan we er volgens u voor?

“Het herstel komt maar moeizaam op gang. Dat is niet zo vreemd, want de crisis heeft ons laten zien dat onze samenleving is gebouwd op drijfzand. Steeds minder collectieve voorzieningen en steeds meer ‘eigen verantwoordelijkheid’ en vrije markt, daar draaide het de afgelopen decennia om. Met als gevolg dat we nu in een enorme crisis zitten. Meer dan ooit tijd is het tijd voor een andere aanpak. Ik ga me er hard voor maken dat Nederland weer menselijk en sociaal wordt, in plaats van liberaal.”

Is Nederland nu dan asociaal?

“In veel opzichten wel. Kijk eens naar de ouderen die aangewezen zijn op hulp van anderen. Ik vind het werkelijk beschamend hoe we daar mee omgaan. De thuiszorg, de verpleeghuizen: ze kunnen hulpbehoevenden niet die zorg bieden waar ze recht op hebben. Niets ten nadele van het personeel, want dat rent de benen uit zijn lijf. Maar door de bezuinigingen en de marktwerking wordt het hen gewoon onmogelijk gemaakt om hun werk goed te doen. Dat levert mensonterende situaties op. Iedereen is het erover eens dat het zo echt niet langer kan. Maar er iets aan doen, ho maar.”

Waarom gebeurt er dan zo weinig?

“Ik denk dat de veertigers en vijftigers van Nederland met een enorm schuldgevoel worstelen. Ze zijn zo druk met hun gezinnen en hun carrières, dat ze geen tijd hebben om goed voor hun ouders te zorgen. In plaats van dat toe te geven en een oplossing te zoeken, kijken ze de andere kant op. Politici komen met misleidende verhalen over dat betere zorg onbetaalbaar is.”

Maar meer mensen aan het bed kost ook meer geld.

“Dat hangt er maar vanaf hoe je het regelt. Als het aan ons ligt, gaan we zorg zoveel mogelijk in de buurt, dicht bij de mensen zelf, organiseren. Daar zijn al heel goede voorbeelden van. Buurtverpleeghuizen bijvoorbeeld, met twaalf of 24 bewoners. Familieleden en buurtbewoners kunnen daar makkelijk op bezoek komen en een handje helpen. Jongeren vinden er een bijbaantje. Zo blijven mensen betrokken bij elkaar. Ik zou willen dat er vanaf nu allen nog maar van dat soort kleinschalige voorzieningen worden gebouwd.

Een ander voorbeeld is de buurtzorg, oftewel: thuiszorg in de buurt. Dat blijkt een groot succes.  Hulpbehoevenden worden door vaste medewerkers bezocht, zodat ze niet steeds een ander gezicht zien. Een team van wijkverpleegkundigen en verzorgenden hebben een eigen ‘buurtje’ en meer zeggenschap, waardoor ze weer plezier in hun werk krijgen. En je kunt er maatwerk leveren. Als de dochter van mevrouw Jansen bij haar op bezoek gaat, hoeft de thuiszorg die dag niet óók te komen. Dat, en het feit dat er minder bureaucratie is, betekent dat je betere en menselijker zorg kunt bieden voor dezelfde prijs als de uitgeklede, onpersoonlijke thuiszorg waar veel ouderen nu mee te maken krijgen.”

Als iedereen zo blij is met die buurtzorg, waarom wordt het dan niet landelijk ingevoerd?

“Vanwege de marktwerking. Buurtzorg moet met andere aanbieders strijden om een opdracht van een gemeente. Door ingewikkelde aanbestedingsprocedures en concurrentie op prijs komt buurtzorg niet altijd als winnaar uit de bus. Terwijl het inhoudelijk voor iedereen de beste oplossing is. Vandaar dat ik eind vorig jaar een wetsvoorstel heb ingediend om de marktwerking in de thuiszorg af te schaffen. Als de andere politieke partijen de buurtzorg inderdaad zo geweldig vinden als ze zeggen, zouden ze daar allemaal vóór moeten stemmen.

Daarmee zijn we er trouwens nog niet wat de zorg betreft. Ik vind bijvoorbeeld ook dat het eigen risico moet worden afgeschaft. En de AWBZ en het basispakket van de zorgverzekering niet verder mogen worden uitgekleed. Sterker nog, ik wil de bezuinigingen daarop terugdraaien.”

Allemaal maatregelen die veel geld kosten. Terwijl het aantal mensen dat zorg nodig heeft groeit. Hoe denkt u de gezondheidszorg op de langer termijn betaalbaar te houden?

“Om te beginnen door flink te snijden in de bureaucratie. Minder managers, minder registratie, geen eigen bijdrage: met dat soort dingen kunnen we al meer dan een miljard euro per jaar besparen. Verder kun je zoals gezegd een boel geld uitsparen door de zorg op een praktische manier op buurtniveau te regelen. De rest zullen we met z’n allen moeten opbrengen, door de zorgpremies inkomensafhankelijk te maken. Op die manier draagt iedereen naar vermogen bij. Dat is nu namelijk niet zo. Rijkere mensen hoeven over een groot deel van hun inkomen bijvoorbeeld geen AWBZ-premie te betalen. Dat is niet solidair.

Een andere manier om te besparen is om gezondheidsproblemen vroeg op te sporen. Preventie dus. Op initiatief van de SP is er een wetswijziging aangenomen, die gemeenten verplicht om gezondheidspreventie voor senioren te organiseren. Door ouderenconsultatiebureaus op te zetten bijvoorbeeld. Mensen kunnen daar terecht om hun ogen of hun bloedsuiker te laten controleren, of voor advies over gezond leven. En via huisbezoeken is er ook aandacht voor sociale aspecten, zoals eenzaamheid. Problemen vroeg opsporen levert niet alleen besparingen op, maar zorgt ook voor een betere kwaliteit van leven. Tot nu toe zijn er nog maar weinig gemeenten die het preventiebeleid goed hebben geregeld. Ik zou het geweldig vinden als de lokale ANBO-afdelingen daarover aan de bel gaan trekken.”

Iets anders dan. U heeft zich de afgelopen maanden fel verzet tegen de verhoging van de AOW-leeftijd. Waarom?

“Dat is ook weer een voorbeeld van asociaal beleid. Gemiddeld worden 65-plussers nu vier jaar ouder dan toen de AOW werd ingevoerd. Fijn, kunnen mensen eindelijk wat langer van hun oude dag genieten. Dat heet welvaart. Maar het kabinet wil daar nu weer twee jaar vanaf halen. Zogenaamd omdat de AOW onbetaalbaar wordt. Onzin, je kunt het geld daarvoor ook ergens anders vandaan halen. Door geen nieuwe straaljagers aan te schaffen bijvoorbeeld. En door een belastingtarief van 60% in te voeren op inkomens boven de Balkenende-norm. Dat is wat de SP wil. De verhoging van de AOW-leeftijd is kortom geen noodzaak, zoals het kabinet ons wil doen geloven, maar een politieke keuze.

De regering haalt er nog meer misleidende argumenten bij. Ze zeggen: we leren tegenwoordig bijna allemaal door, dus je begint toch later met werken. Wat een elitaire manier van naar de wereld kijken! Verzorgenden en tegelzetters starten echt al op hun 16e. Die moeten als het aan het kabinet ligt dus 51 jaar werken. Wie lukt dat?

Verder wordt er gezegd dat de verhoging van de AOW-leeftijd het tekort aan personeel in de zorg en het onderwijs oplost. Maar dat soort werk is vaak helemaal niet tot je 67ste vol te houden. Bovendien: mensen boven de 50 komen nu al nauwelijks aan de bak op de arbeidsmarkt. Laten we daar eerst maar eens wat aan doen.

Sowieso vind ik dat je het recht op AOW niet moet koppelen aan het aantal jaren dat iemand gewerkt heeft. Er zijn ook mensen die vijf kinderen opvoeden, of voor een zieke partner zorgen, of veel vrijwilligerswerk doen, of gehandicapt zijn. Ook zij hebben wat mij betreft recht op AOW op hun 65ste. Het is niet voor niets een volksverzekering.”

Veel ANBO-leden maken zich er druk om dat ze als 50-plusser nauwelijks aan het werk komen.

“Voor kleinere bedrijven moeten we regelen dat als een oudere werknemer ziek wordt, de overheid het loon 52 weken doorbetaalt. Verder zou de Arbeidsinspectie leeftijdsdiscriminatie veel harder moet aanpakken. En ik vind dat mensen uit andere Europese landen hier alleen maar werk mogen doen waar geen enkele Nederlander voor te vinden is. Terug naar een systeem van tewerkstellingvergunningen dus. Een vrije markt voor arbeid in de Europese Unie is leuk, maar het zorgt er vooral voor dat werkgevers voor een dubbeltje op de eerste rang zitten en dat onze eigen werklozen niet aan de slag komen. Daar moeten we tegen in actie komen.”

Waar komt die enorme strijdlust bij u toch vandaan?

“Vanuit de overtuiging dat het anders en beter kan in Nederland! Eindeloze debatten, daar houd ik niet van. Het liefst laat ik direct zien hoe slecht de zaken ervoor staan, om vervolgens te zeggen: ‘En zo lossen we het op.’ Dat geldt zeker voor de manier waarop we in dit land met ouderen omgaan. De afbrokkeling van de zorg, de verhoging van de AOW-leeftijd, de armoede; ik kan niet bevatten dat we dat als samenleving allemaal laten gebeuren.”

Wat kunnen ouderen volgens u zelf doen om meer aandacht voor hun positie te vragen?

“Om te beginnen: door te stemmen. Op 3 maart zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Dat is bij uitstek de gelegenheid om van u te laten horen. Maar er is meer. De SP houdt enquêtes onder burgers om te horen waar ze het meest mee zitten. Vervolgens proberen we samen met hen de problemen aan te pakken. Dat zou de ANBO lokaal ook kunnen doen: mensen mobiliseren om iets te veranderen in hun woonplaats. Het is een misverstand dat je in de vier jaar tussen verkiezingen niets in te brengen hebt. De samenleving maken we samen. Maar dan moet je je wel verenigen.”

Veel mensen zeggen: ‘Dat heeft toch geen zin’.

“Door de individualisering hebben we het vertrouwen in het collectief een beetje verloren. Maar als 50-plussers een manifest opstellen met concrete ideeën over wat er beter kan in hun plaats, moet ik de gemeenteraad nog zien die dat naast zich neer durft te leggen. Samen sta je sterk. Dat was vroeger zo, en dat is anno 2010 niet anders. Maak daar gebruik van!”

[Kader]

Wie is Agnes Kant?

Agnes Kant (getrouwd, twee dochters) werd op 20 januari 1967 geboren in Duitsland. Haar beide ouders gaven les op een school nabij Hannover, aan Nederlandse kinderen van NAVO-militairen. Op haar tiende keerde de familie terug naar Nederland.

Kant studeerde gezondheidswetenschappen in Nijmegen, waar ze ook promoveerde. Na haar studie werd ze voorzitter van de SP-afdeling in haar woonplaats Doesburg. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 werd de SP daar met 29% van de stemmen de grootste partij. Kant werd gemeenteraadslid.  Datzelfde jaar ging ze ook aan de slag als beleidsmedewerker voor de Tweede Kamerfractie van de SP.

In mei 1998 werd ze gekozen als Tweede Kamerlid. Ze voerde over diverse onderwerpen het woord, maar ze werd vooral bekend als het parlementaire gezicht van de gezondheidszorg. Op 20 juni 2008 volgde ze Jan Marijnissen op als fractieleider van de SP.

GELUKKIGER MET WERK

26 Feb

Dit artikel is gepubliceerd in ANBO Magazine, maart 2010.

Ouder worden we allemaal, dat is onvermijdelijk. Maar dat betekent niet dat we daarmee meteen buitenspel hoeven staan. Sterker nog, er is alle reden om ook na het pensioen maatschappelijk actief te blijven. Dat maakt ons tevredener en gelukkiger, zo blijkt. En het houdt ons nog scherp van geest ook.


Er is iets raars aan de hand in Nederland. We leven steeds langer, maar tegelijkertijd worden we op steeds jongere leeftijd als ‘oud’ gezien. Als je de media moet geloven, heb je je beste tijd op je 50ste wel gehad. En een 65-plusser die nog werkt is een uitzondering . “Daarmee doen we de maatschappij – en vooral ook onszelf – enorm tekort”, meent René Schalk. Als bijzonder hoogleraar ouderenbeleid aan de Universiteit van Tilburg doet Schalk onder andere onderzoek naar ouderen en werk. Wat blijkt? Meedoen in de samenleving vervult een aantal fundamentele behoeftes, op welke leeftijd dan ook. Het houdt je vitaal, het is goed voor je algemene welbevinden en het scherpt je geest.

Of je nu vrijwilligerswerk verricht, een betaalde baan hebt, eens studie volgt, uitzendwerk doet  of op een andere manier betrokken blijft: het levert vooral veel voordelen op. “Als je gezondheid het toestaat, is het heel plezierig om actief te zijn”, stelt Schalk. “Je maakt je nuttig, je betekent iets voor een ander en je hoort ergens bij. Dat is goed voor je zelfbeeld. Kennis en ervaring overdragen geeft eveneens voldoening. En het levert nog aanzien en waardering op ook. Als je meedoet, bouw je nieuwe sociale contacten op, die je leven verrijken en het saamhorigheidsgevoel versterken. Activiteiten geven structuur aan je dag en voorkomen sleur. En een extra zakcentje is vaak ook meegenomen.”

Volgens Schalk is het een groot misverstand dat ouderen minder gemotiveerd zouden zijn dan jongeren om aan de slag te gaan. “Ouderen willen zich net zo graag ontwikkelen; die behoefte houdt nooit op. Het is bovendien nog nuttig ook. Want wie nieuwe dingen leert, blijft jong van geest en voelt zich fitter. Alleen krijgen 50-plussers daar in onze maatschappij vaak niet de kans voor.”

Zelfs mensen die het werk vóór hun pensioen helemaal niet leuk vonden, moeten zich volgens hem niet laten ontmoedigen om toch bezig te blijven te blijven. “Juist niet! Voor hen is het een nieuwe kans om iets te gaan doen waar ze echt lol in hebben. Als dat lukt, is de voldoening alleen maar groter.”

Schalk heeft tot slot nog een belangrijke tip voor mensen die aan de slag willen. “50-plussers hechten enorm aan vrijheid en flexibiliteit. Maak daar duidelijke afspraken over, met je werkgever of vrijwilligersorganisatie én met jezelf. Hoeveel uur per week ben je beschikbaar? Wil je op oproepbasis werken? Wat gebeurt er als je een paar keer ‘nee’ zegt op een verzoek? Door dat soort dingen vooraf goed in kaart te brengen, voorkom je dat de nieuwe ervaring op een teleurstelling uitloopt.”

De Universiteit van Tilburg heeft samen met het Academisch Trainingscentrum de Nationale Senioren Barometer ontwikkeld. Wilt u meedoen aan dit jaarlijkse onderzoek naar de mening van 50-plussers over onder andere zorg, wonen, vrije tijd en werk? Kijk dan op http://www.seniorenbarometer.nl.

[Kader]

ANBO Toekomstcoach

Wilt u weten of u klaar bent voor uw pensioen, en op welke manieren u daarna allemaal actief kunt blijven? Doe dan de test op http://www.toekomstcoach.nl. Op deze website, die op 7 september vorig jaar door de ANBO werd gelanceerd, kunt u in twintig minuten een vragenlijst invullen. Daarna ontvangt u per email een brief met een uitgebreid persoonlijk en praktisch advies over allerhande zinvolle activiteiten op het terrein van sport, cultuur, religie, zorg voor anderen of betaald werk, inclusief organisaties waar u daarvoor terecht kunt.

Voor meer informatie, kijk op www.toekomstcoach.nl of bel de ANBO servicelijn: (030) 233 00 60

Wopke Bekema (60) werkte 34 jaar als rechercheur bij de politie in Amersfoort. Op zijn 58ste ging hij met vervroegd pensioen. Na twee jaar begon het weer te kriebelen. Nu werkt hij een aantal uur per week vrijwillig als drager bij een uitvaartcentrum. Hij krijgt daar een onkostenvergoeding voor.

“Ik keek best uit naar mijn pensioen. Heerlijk, om niet meer elke dag de wekker te hoeven zetten! Geen stress, geen werkdruk, geen verplichtingen; het voelde als één lange vakantie. Van het beruchte ‘zwarte gat’ heb ik niets gemerkt. Hobby’s genoeg – ik loop hard en ik vis graag. En mijn vrouw en ik hebben met de caravan een reis van een paar maanden door Spanje gemaakt.

Maar in augustus vorig jaar begon het toch te kriebelen. Ik heb altijd sociaal werk gedaan. Die betrokkenheid verdwijnt niet opeens omdat je geen betaalde baan meer hebt. In de krant en op internet ging ik op zoek naar vrijwilligerswerk. Een vaste job wilde ik niet meer. De vrijheid bevalt me veel te goed.

Iets geschikts vinden was moeilijker dan ik dacht. Er is zoveel te doen! Een visvriend wees me op de mogelijkheid om drager te worden bij een uitvaartmaatschappij. Dat sprak me meteen aan. Toen ik mijn vader en mijn moeder moest begraven, heb ik veel respect gekregen voor het uitvaartwerk. Mooi dat ik nu op dat terrein iets terug kan doen.

Door dit werk heb ik er bovendien een leuke vriendengroep bij gekregen. We werken steeds in een team van acht dragers, allemaal vrijwilligers. Tijdens de uitvaartdienst drinken we samen koffie. Daarna dragen we de kist helemaal naar het graf. Best bijzonder, want tegenwoordig wordt die meestal op een karretje vervoerd.

Me nuttig kunnen maken en nieuwe contacten opdoen, dat geeft me het meest voldoening van dit werk. Veel extra inkomsten levert het niet op, maar toch zijn die paar tientjes ook meegenomen. Voor wat nieuw visgerei bijvoorbeeld.

In de toekomst wil ik het werk graag verder uitbreiden. Een overledene thuis ophalen bijvoorbeeld, of de condoleance verzorgen. Misschien ga ik wel een opleiding tot uitvaartbegeleider volgen. Het klinkt wat vreemd, maar het werken als drager houdt me betrokken bij het leven.

Salesmanager Erik Prinsen (68) ging op zijn 60ste met de VUT. Maar dat was voor hem geen reden om het bijltje erbij neer te gooien. Na zijn pensioen onderhield hij eerst drie dagen per week de externe contacten voor een groep apothekers. De laatste vier jaar doet hij allerlei klussen voor seniorenuitzendbureau Oudstanding.

“Ik vind het een voorrecht dat ik nog kan werken. Vijftien jaar geleden werd ik heel ziek. Kanker. Gelukkig kwam ik daar goed doorheen. Negen jaar geleden moest ik weer een zware operatie ondergaan. Daarna wilde de arbo-arts me definitief afkeuren. Mooi niet! Het werken houdt me juist gezond. Het helpt als je gestimuleerd wordt een prestatie te verrichten. Bovendien vindt mijn vrouw me veel aardiger als ik wat te doen heb.

Wat mij betreft zitten er alleen maar voordelen aan bezig blijven. Werken geeft je een doel, een reden om je bed uit te komen. Je hoort nog ergens bij. Je leert nieuwe mensen kennen. Het houdt je geestelijk en lichamelijk in conditie. En je verdient nog wat extra’s ook.

Veel mensen kijken uit naar hun pensioen. Dat verlangen heb ik nooit gehad. Ik ben allang blij dat ik fit genoeg ben om ’s ochtends met frisse moed aan de slag te gaan. Mijn ziekte heeft dat gevoel van dankbaarheid alleen maar versterkt.

Via Oudstanding heb ik de laatste jaren veel verschillende klussen gedaan. Als verkeersregelaar hield ik toezicht bij de Amsterdamse marathon. Ik heb verf rondgebracht voor een groothandel, mensen wegwijs gemaakt met een nieuw computersysteem van de bibliotheek en ik geef voorlichting op scholen over een drinkwaterproject van ontwikkelingsorganisatie Simavi in Kenia. De kortste klus was één dag, de langste twee maanden.

Het leuke van uitzendwerk is dat het nooit saai wordt; elke opdracht is anders. En ik kom mensen tegen die ik anders nooit had ontmoet. Op de 50plusbeurs bijvoorbeeld, waar ik al vier jaar abonnementen verkoop voor Plus Magazine. Een bezoeker vroeg me daar vorig jaar meewarig: “Moet u nog steeds werken?” “Nee hoor”, antwoordde ik vrolijk. “Maar ik wil het wel graag!” Ik weet het zeker: zolang ik gezond ben, ga ik door.”

Op haar 65ste moest onderwijzeres Wilma Enkelaar-Cadogan (66) verplicht met pensioen. Maar ze bleef daarna gewoon doorwerken op dezelfde basisschool. Wel ging ze in dagen terug, van vijf dagen naar 1,5 dag per week.

“Ik had er geen moment bij stil gestaan dat mijn pensioen eraan kwam. Een paar maanden voor mijn 65ste verjaardag begon een collega erover. Eerlijk gezegd schrok ik me rot. ‘Is de koek nu al op?’, dacht ik. Ik voelde me nog veel te jong om te stoppen.

Mijn hele leven heb ik in het onderwijs gewerkt. Vandaag de dag geeft me dat nog net veel vreugde als veertig jaar geleden. De kleuters aan wie ik les geef zijn zo onbevangen, dat gaat nooit vervelen. Of de kinderen  de afgelopen jaren niet drukker zijn geworden? Wel mondiger. Maar ik heb nog genoeg energie om ze aan te kunnen.

Artikelen lezen, met computers werken, bijscholing volgen: mijn baan houdt me scherp. En het vormt een goede afleiding; ik heb nauwelijks tijd om te piekeren. Nu ik wat ouder word, vind ik het ook fijn om mijn kennis en ervaring aan jonge collega’s over te kunnen dragen. Zo geef ik iets terug aan het onderwijs, waar ik zelf zoveel moois van heb gekregen.

Voor mijn 65ste verjaardag werd op school een groot feest georganiseerd, dat twee dagen duurde. Ik stond zelfs in de krant! En in mijn plannen om door te werken werd ik volledig gesteund. Heerlijk, om je zo gewaardeerd te voelen.

In het begin had ik er wel moeite mee om minder dagen te gaan werken. Je moet toch in een nieuw ritme komen. Langzamerhand begin ik eraan te wennen. En die extra tijd zelfs wel prettig te vinden. Ik heb al jaren een piano in huis staan. Nu vind ik eindelijk de tijd om die goed te leren bespelen. Als ik straks niet meer op school kan werken, wil ik daar graag meer mee doen. Door in bejaardentehuizen liedjes te gaan zingen met bewoners bijvoorbeeld. Maar tot het zover is, blijf ik me met hart en ziel inzetten voor de kinderen.

%d bloggers liken dit: