15 VRAGEN OVER BOEZEMFIBRILLEREN

17 Okt

Je zit rustig op de bank en opeens slaat je hart op hol. Om je rot van te schrikken! Grote kans dat het een aanval van boezemfibrilleren is. 300.000 Nederlanders lijden aan deze vorm van een hartritmestoornis.

Hoewel niet direct gevaarlijk, kan de aandoening vervelende klachten geven en de kans op een beroerte vergroten. Alle reden dus, om er niet mee door te lopen. Hoe herken je de signalen? En wat is eraan te doen? Lukas Dekker, cardioloog in het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven en gespecialiseerd in hartritmestoornissen, geeft antwoord.

1. Wat is boezemfibrilleren?

Dat is een hartritmestoornis, waarbij de boezems van het hart heel snel en ongecontroleerd samentrekken. De hartslag kan daarbij oplopen naar zo’n 150 à 200 slagen per minuut, ongeveer twee keer zoveel als normaal.

Het hart bestaat uit vier holtes: twee boezems (of atria) en twee kamers (of ventrikels). Bovenin het hart zit de sinusknoop: de elektriciteitscentrale van het hart. Vandaar uit worden er elektrische prikkels door het hart gestuurd, waardoor eerst de boezems en een fractie van een seconde later de kamers samentrekken. Dat zorgt ervoor dat het bloed door het hart – en de rest van het lichaam – wordt rondgepompt.

Bij boezemfibrilleren is er niet sprake van één, maar van tientallen elektrische prikkels tegelijk, die zich onafhankelijk van elkaar razendsnel door de boezems begeven. In plaats van dat ze in een keurig ritme tegelijkertijd samentrekken, trillen ze maar wat aan. Als gevolg van die chaos raken ook de hartkamers ontregeld. Ze werken nog wel, maar onregelmatig.

 

2. Wat merk je daarvan?

Veel patiënten – maar niet alle – hebben last van heftige hartkloppingen en een opgejaagd gevoel. Ook duizeligheid, vermoeidheid en kortademigheid komen voor. Patiënten kunnen daar heel bang van worden, vooral omdat ze vaak door een aanval van boezemfibrilleren worden overvallen. Van die angst hebben ze soms nog het meest te lijden. Ze durven daardoor bijvoorbeeld niet meer te sporten of op vakantie te gaan, uit vrees dat er iets fout gaat met hun hart of dat ze niet op tijd hulp zullen krijgen.

 

3. Komen en gaan de klachten of zijn ze er continu?

Dat verschilt van persoon tot persoon. Het begint meestal aanvalsgewijs: de klachten komen op en verdwijnen vanzelf weer. Soms duurt zo’n aanval een paar minuten, soms een uur of een dag. In de loop van de tijd komen de aanvallen vaker terug en/of duren ze langer. Uiteindelijk kan het boezemfibrilleren chronisch worden. Dat betekent dat er constant sprake is van een verstoord en versneld hartritme. De klachten worden dan juist vaak weer wat minder, omdat het lichaam zich aan die situatie aanpast.

 

4. Wie hebben er het meest last van?

Boezemfibrilleren is een echte ouderdomsziekte: driekwart van de patiënten is boven de 65. Van de veertigers heeft 1 op de 100 er last van. Bij mensen van 65 is dat  1 op de 20 en bij mensen van 80  zelfs 1 op de 10. In totaal lijden er zo’n 300.000 Nederlanders aan boezemfibrilleren. Onder andere door de vergrijzing zal dat aantal in 2050 waarschijnlijk zijn gestegen tot één miljoen.

 

5. Is het gevaarlijk?

Nee en ja. Hoe snel en onregelmatig de hartslag ook is, de kamers van het hart blijven gewoon hun werk doen. Een patiënt hoeft zich dus absoluut geen zorgen te maken dat zijn hart er plotseling mee ophoudt, of dat hij een hartaanval krijgt. In die zin is het ongevaarlijk. Maar omdat het bloed tijdens het boezemfibrilleren minder goed door het hart stroomt, kunnen er wel bloedpropjes ontstaan. De kans bestaat dat die via de bloedbaan in de hersenen terecht komen en daar een beroerte veroorzaken. Ook op andere plekken, bijvoorbeeld in de darmen of de nieren, kunnen bloedpropjes problemen geven.  Het boezemfibrilleren zelf kan worden bestreden met medicijnen of een ingreep met een katheter die via de lies naar het hart wordt gebracht.

Om dat te voorkomen, slikken veel patiënten met boezemfibrilleren antistollingsmiddelen, zogenaamde vitamine K antagonisten. Die verdunnen het bloed en verlagen zo de kans op een beroerte met 60 tot 80%. Lastig is dat de waarden van het middel in het bloed nogal kunnen schommelen, bijvoorbeeld door het eten van producten met hoge concentraties vitamine K, zoals groene groenten en kaas. Omdat de hoeveelheid medicatie daarop moet worden aangepast, moeten patiënten elke twee à drie weken hun bloedwaardes bij de trombosedienst laten controleren.

Overigens verschilt het risico op bloedpropjes sterk van  patiënt tot patiënt. Vandaar dat niet alle patiënten antistollingsmiddelen hoeven te gebruiken.

 

6. Wanneer is het verstandig om met klachten naar de dokter te gaan?

Als je meer dan twee keer een op hol geslagen hart hebt gehad of als een eerste aanval langer dan twee dagen duurt. Dus óók als de klachten vanzelf weer overgegaan. Vanwege het verhoogde risico op beroertes is het heel belangrijk dat boezemfibrilleren zo vroeg mogelijk wordt opgespoord– er kunnen dan immers medicijnen gegeven worden om dat te voorkomen. Bovendien verbetert de kwaliteit van leven met de juiste behandeling vaak aanzienlijk. Heel oude mensen denken nogal eens dat de klachten bij hun leeftijd horen en dat het geen zin heeft om naar de dokter te gaan. Dat is onterecht; ook zij kunnen dikwijls goed geholpen worden.

 

7. Hoe ontstaat het?

Boezemfibrilleren kan allerlei oorzaken hebben. De meest voorkomende zijn achterliggende hartproblemen, aderverkalking, een hoge bloeddruk en een te snel werkende schildklier. In veel gevallen is het ook gewoon een kwestie van ouderdom, oftewel: slijtage van het hart.  Zeer fanatieke sporters, bijvoorbeeld mensen die vaak marathons lopen, hebben vanwege de grote belasting van hun hart een grotere kans op boezemfibrilleren. Serieus overgewicht, roken, en veel alcohol vergroten het risico op boezemfibrilleren ook.

 

8. Kun je boezemfibrilleren krijgen van koffie of rode wijn?

Het is bijna nooit de enige oorzaak, maar alcohol en koffie  kunnen wel een aanval van boezemfibrilleren veroorzaken of klachten verergeren. Dat geldt ook voor een stofje in Chinees eten, ve-tsin.

 

9. Is het erfelijk?

Er bestaan zeldzame, erfelijke varianten van boezemfibrilleren. Die openbaren zich echter meestal al op jonge leeftijd. Boezemfibrilleren boven de 60 is vaak het gevolg van ouderdom of van andere lichamelijke problemen.

 

10. Hoe kom je er achter of je boezemfibrilleren lijdt?

Dat is eenvoudig vast te stellen met behulp van een hartfilmpje (ECG). Dat moet dan wel worden gemaakt tijdens het boezemfibrilleren. Als de klachten zich vaak maar aanvalsgewijs voordoen, krijgt een patiënt vaak voor 24 uur of 48 uur een draagbare recorder mee naar huis, waarmee de hartslag constant wordt gemeten. Een Holter-onderzoek, heet dat.

 

11. Wat is eraan te doen?

In eerste instantie wordt geprobeerd het boezemfibrilleren te voorkomen met een combinatie van medicijnen. Er zijn middelen, die de hartslag verlagen, zoals bètablokkers en digoxine, en middelen die het hartritme weer regelmatig maken (anti-aritmica), zoals tambocor en amiodarone. Vooral amiodarone kan nog al eens vervelende bijwerkingen geven, zoals zonneallergie en schildklierproblemen.

Omdat de structuur van het hartweefsel door boezemfibrilleren verandert, werken medicijnen na een bepaalde tijd dikwijls niet meer. Dan is een ingreep via een dun buigzaam buisje, een zogenaamd katheter, dat wordt ingebracht via de lies in veel gevallen een mogelijkheid. Ablatie, heet dat. Via de katheter worden stukjes weefsel in de hartwand die veel ritmeproblemen veroorzaken uitgeschakeld door er kleine littekens in te maken.  De klachten verdwijnen daarmee bijna altijd volledig. Medicijnen zijn dan niet meer nodig.

Ablatie is een ingewikkelde techniek die veel ervaring vereist. Daarom mogen slechts veertien ziekenhuizen in Nederland de ingreep verrichten. Gespecialiseerde cardiologen daar voeren ablaties voor boezemfibrilleren inmiddels op grote schaal uit.

Als mensen heel bang worden van het boezemfibrilleren en moeite hebben met het onvoorspelbare karakter ervan, kunnen ze voor hulp terecht bij een medisch psycholoog.

 

12. Als je eenmaal boezemfibrilleren hebt, houd je het dan de rest van je leven?

Niet als de achterliggende oorzaak wordt weggenomen. Stel: het boezemfibrilleren wordt teweeggebracht door een te snel werkende schildklier. Als dat wordt gecorrigeerd, verdwijnt het boezemfibrilleren meestal ook. Het ziet ernaar uit dat door middel van ablatie het boezemfibrilleren zelf kan worden genezen. Maar omdat die techniek relatief nieuw is, is nog niet duidelijk of de klachten op de heel lange duur kunnen terugkomen.

 

13. Wat zijn de nieuwste ontwikkelingen?

Onderzoekers werken er hard aan om nieuwe anti-aritmica tegen boezemfibrilleren met minder bijwerkingen te ontwikkelen. Voorbeelden zijn dronedarone en vernakalant. Er is ook een nieuwe klasse antistollingsmiddelen in de maak, die de kans op een beroerte verder en minder gauw tot bloedingen leiden. Misschien wel het allerbelangrijkste is dat patiënten die die nieuwe groep middelen gebruiken niet langer hun bloed hoeven laten nakijken bij de trombosedienst. Dat zou hen veel vrijheid kunnen geven. Dabigatran is naar verwachting de eerste variant van de nieuwe antistollingsmiddelen, die op de markt wordt gebracht.

Op het gebied van ablatie zijn allerlei technische ontwikkelingen gaande, die maken dat de artsen preciezer kunnen werken en dat er meer verschillende patiënten mee kunnen worden geholpen.

 

14. Wat mag je wel en niet als je last hebt van boezemfibrilleren?

Werken, sporten, vrijen: in principe mag je alles doen, zolang je je er prettig bij voelt. Dat levert geen gevaar op. Mensen die antistollingsmiddelen gebruiken, moeten sommige activiteiten zoals contactsporten vermijden in verband met een verhoogd risico op bloedingen.

 

15. Wat kun je zelf doen om boezemfibrilleren te voorkomen of klachten te verminderen?

Niet roken, niet teveel drinken, regelmatig bewegen en niet te zwaar worden.

 

[Kader]

Dat kan ook al!

Er zijn speciale meters op de markt, waarmee iemand die antistollingsmiddelen gebruikt thuis zijn bloedwaarden kan controleren. Tijdens een training bij de trombosedienst wordt de patiënt geleerd hoe hij zo nodig zelf de dosering van zijn medicijnen kan aanpassen. Iemand die thuis de stollingswaarde van zijn bloed in de gaten houdt, hoeft in plaats van elke twee of drie weken maar vier keer per jaar voor controle naar de trombosedienst.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: