ZES KEER JE HAAR WASSEN OM EEN RAMP TE VOORKOMEN

29 Sep

Else de Haan (Foto: Jan van Breda)

 

Gepubliceerd in Het Parool, 29 september 2011

Om aan dit artikel te mogen meewerken moet Iris (17) schriftelijk toestemming geven. Dat vindt ze heel moeilijk. Niet omdat ze haar verhaal niet wil vertellen, maar omdat ze dan haar naam moet opschrijven. Als ze hoofdletters gebruikt, of leestekens of getallen, is ze bang dat er iets naars zal gebeuren. Dat denkt ze ook als ze op tv naar het nieuws kijkt, of als ze de koelkast opent, of als ze een lichtkopje een oneven keer aandoet. Haar dwanggedachten vertellen haar dat ze daarmee iets afschuwelijks zal veroorzaken. De dood van haar ouders bijvoorbeeld, of een grote ramp zoals een aardbeving of een vliegtuigongeluk. Ergens weet ze best dat zulke dingen niet haar schuld kunnen zijn, maar toch voelt ze zich verantwoordelijk.

Iris lijdt al haar hele leven aan een dwangstoornis. Zo lang als ze zich kan herinneren moet ze allerlei rituelen uitvoeren om rampscenario’s te voorkomen. Al op haar 4e voelde ze zich gedwongen om twee keer over een drempel lopen, of vier keer langs een spiegel. Veertien jaar later heeft ze tientallen van dat soort gewoonten. Geeft ze daar niet aan toe, dan raakt ze verstijfd van angst. Haar gedachten blokkeren en ze krijgt het benauwd. Dat paniekerige gevoel weet ze alleen te sussen door de nare gedachten ‘goed te maken’ met dwanghandelingen.

Slechte getallen

Sinds een aantal maanden volgt Iris een dagbehandeling bij het expertisecentrum Angst en Dwang van de Bascule, academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie in het AMC Amsterdam. Iedere doordeweekse ochtend komt ze met andere jongeren met angst- en dwangklachten en hun behandelaars samen om gedragsoefeningen te doen. Daarna gaan ze naar een speciale school in de buurt. Aan het eind van de dag komen ze opnieuw bij elkaar om te bespreken hoe het is gegaan.

Vanochtend gaat Iris oefenen met iets in drie keer weggooien. Dat is lastig omdat drie een ‘slecht’ getal is. Sociotherapeute Martine Maat overhandigt haar een leeg theedoosje. “Scheur jij het in drieën?” moedigt ze Iris aan. “Dan gooi je de drie stukken daarna een voor een in de vuilnisbak. Je zult zien dat er niets naars gebeurt.”

Zenuwachtig draait Iris het doosje in haar handen rond. Haar kort afgebeten zwart gelakte nagels schieten razendsnel op en neer. Zo makkelijk als ze een paar minuten geleden nog zat te praten, zo ver van de wereld lijkt ze nu. Ergens weet ze best dat ze met haar gedachten geen vreselijke gebeurtenissen over zich kan afroepen. Maar haar angstige gevoel zegt iets anders.

Na enig aandringen van Martine Maat sleept Iris zichzelf naar de vuilnisbak. Een voor een gooit ze de stukjes papier erin. Ze wil niets liever dan nóg iets weggooien, zodat het aantal handelingen op vier komt. Daar draait het bij haar dwang namelijk om; alles, maar dan ook alles, moet in tweeën of een veelvoud daarvan gebeuren. Van het wassen van haar haar en het aandoen van haar jas, tot het roeren in een kopje of het weggooien van een papiertje.

Stoeptegels en zebra’s

Iris is zeker niet de enige jongere die aan een dwangstoornis lijdt. Naar schatting 1 op de 50 kinderen worstelt met soortgelijke klachten. Zij hebben meestal last van dwanggedachten: nare, indringende ideeën en beelden over bijvoorbeeld ziekten of rampen die steeds maar terugkomen. Om het bijbehorende angstige of onrustige gevoel tegen te gaan, voeren ze dwanghandelingen uit. Zichzelf en hun omgeving veelvuldig schoonmaken bijvoorbeeld. Dingen eindeloos controleren. Alles in een vaste volgorde doen. Of handelingen steeds herhalen en tellen. Daarnaast vragen ze vaak onophoudelijk om geruststelling.

In mindere mate heeft bijna elk kind wel wat van dat soort rituelen. Wie herinnert zich niet het gevoel dat je de randen van de stoeptegels of de witte strepen van het zebrapad moest vermijden? En veel peuters ordenen hun speelgoed in een vaste volgorde, of willen elke avond hetzelfde verhaaltje horen voor slapen. Dat soort gewoonten geven een veilig gevoel en maken de wereld overzichtelijk. Maar als kinderen er echt last van krijgen – als de rituelen buitensporig veel angst oproepen of erg veel tijd gaan kosten – kan er sprake zijn van een dwangstoornis. Dat is ook het moment om hulp te zoeken.

Else de Haan, bijzonder hoogleraar cognitieve gedragstherapie bij kinderen en adolescenten aan de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar de behandeling van dwangklachten bij jongeren. “Een speciale vorm van gedragstherapie blijkt het best te helpen,” vertelt ze. “Daarbij zoeken kinderen de situatie waar ze bang voor zijn bewust op. In plaats van het angstige gevoel ‘ongedaan’ te maken met dwanghandelingen leren ze dat de paniek ook vanzelf kan verdwijnen, zonder aan de eisen van de dwang toe te geven. Zo ontdekken ze: ik heb de zekerheid van al die rituelen helemaal niet nodig. Ruim de helft van de kinderen met een dwangstoornis heeft baat bij die aanpak.”

Een dwangstoornis ontstaat volgens De Haan meestal in de vroege puberteit, al komt het ook op jongere leeftijd voor. Erfelijke aanleg is belangrijk, maar ook stressvolle gebeurtenissen en het karakter van het kind spelen een rol. Ter geruststelling: de opvoeding lijkt géén invloed te hebben op het ontwikkelen van een dwangstoornis.

Miskend probleem

Behalve als hoogleraar werkt Else de Haan ook als psycholoog en psychotherapeut bij de Bascule. Kinderen met dwangklachten die daar na een verwijzing terecht komen, krijgen in eerste instantie zestien weken individuele gedragstherapie. Als dat onvoldoende helpt wordt de behandeling verlengd en/of uitgebreid met medicijnen die de angst verminderen (het antidepressivum sertraline). Biedt ook dat geen soelaas, dan is er de mogelijkheid van een dagbehandeling of een klinische opname. Uiteindelijk wordt zo voor het grote merendeel van jonge patiënten een goede oplossing gevonden.

Bij de Bascule worden jaarlijks zo’n veertig jongeren met een dwangstoornis behandeld, afkomstig uit heel Nederland. Een opvallend klein aantal, zeker als je bedenkt dat er behalve in Groningen geen andere gespecialiseerde centra zijn waar kinderen met dwangklachten terecht kunnen. En dat terwijl er statistisch gezien op elke middelbare school meerdere jongeren met een dwangstoornis rondlopen.

“Het is een miskend probleem,” stelt Else de Haan. “Helaas wordt een dwangstoornis lang altijd niet herkend. Bovendien zijn er maar weinig therapeuten die echt weten wat je eraan moet doen. De theorie van de gedragstherapie is niet moeilijk, maar om kinderen te motiveren de gedragsoefeningen te doen is veel ervaring nodig.”

Haar advies aan ouders: wacht niet te lang met hulp zoeken als je vermoedt dat je kind dwangklachten heeft. En bevraag een behandelaar altijd kritisch op zijn of haar ervaring met de behandeling van stoornis. Blijf niet te lang doormodderen als blijkt dat een therapie niet werkt. Want hoe langer de klachten aanhouden, hoe moeilijker het wordt om er vanaf te komen.

Goede hoop

Iris kwam er op haar 13e bij toeval zelf achter dat ze aan een dwangstoornis leed. Ze had toen al heel wat zinloze therapieën achter de rug. Op internet las ze iets over de symptomen van dwang en dacht: dat heb ik ook! Haar opluchting was groot, maar het zou nog vier jaar duren voor ze de juiste hulp kreeg. In de tussentijd probeerde ze meerdere keren een einde aan haar leven te maken, zo wanhopig werd ze van haar beangstigende gedachten.

Na afloop van de oefening met de vuilnisbak lopen zij en Martine Maat samen buiten een blokje om. Die afleiding helpt om niet in het paniekgevoel te blijven hangen.

“Hoe is het met je oppashond?” vraagt sociotherapeute Martine.

Onmiddellijk klaart Iris’ gezicht op. “Ik heb zaterdag vijf uur met hem gewandeld!” vertelt ze trots. Een week eerder heeft ze hond Shady meegenomen naar de Bascule. Haar gedragsoefeningen gingen die dag veel beter, en ze was ook minder angstig. “Dat komt omdat ik me verantwoordelijk voor hem voel,” zegt ze. “Ik mag niet bang zijn, anders wordt hij dat ook.”

Die positieve ervaring geeft goede hoop. Als ze dat gevoel maar kan vasthouden, lukt het haar in de toekomst vast om op zichzelf te gaan wonen. Samen met een hond natuurlijk.

Om privacyredenen is de naam van Iris veranderd.

Journaliste Marte van Santen schreef Slaaf van mijn gedachten – De behandeling van een dwangpatiënte. Voor dit boek, dat op 15 september 2011 verscheen, liep ze negen maanden mee bij de Angst- en dwangpoli van het AMC Amsterdam.

Marte van Santen, Slaaf van mijn gedachten (Nieuw Amsterdam, 2011), € 17,50

Kader]

MEER LEZEN

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: