HET KINDERBREIN IS KNEEDBAAR

3 Apr

Foto: Joost Bataille

Gepubliceerd in Didactief, april 2012

Op 23 maart sprak Lydia Krabbendam haar oratie uit als hoogleraar Educational Neuropsychology aan de Faculteit Psychologie en Pedagogiek van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Haar missie: leraren duidelijk te maken dat ze de prestaties van kinderen (nog) meer beïnvloeden dan ze zelf denken. 

 

Wat doet een hoogleraar Educational Neuropsychology in haar dagelijkse werk?

“Het vakgebied van de onderwijsneuropsychologie houdt zich bezig met de wisselwerking tussen wat er in de klas gebeurt en de ontwikkeling van de hersenen. Veel breinontwikkelingen zijn biologisch verankerd; ze vinden bij alle kinderen op min of meer dezelfde manier plaats. Het is belangrijk om het onderwijs goed op die verschillende ontwikkelfasen af te stemmen. Aan de andere kant is het kinderbrein óók kneedbaar; het wordt mede gevormd door alles wat het meemaakt. Dat betekent dat je daar als leraar of lerares veel invloed op hebt. Welke precies, daar doe ik onderzoek naar, voornamelijk bij pubers.”

 

Iedere leraar in opleiding leert over de verschillende ontwikkelingsfasen van een kind. Wat voor inzichten kan hersenonderzoek daaraan toevoegen?

“Het afgelopen decennium is er in het middelbaar onderwijs een steeds groter beroep gedaan op de zelfredzaamheid van kinderen. Dat zou goed zijn voor hun ontwikkeling, en ze verantwoordelijkheid bijbrengen. Maar breinonderzoek heeft aangetoond dat ze in die fase vaak helemaal niet in staat zijn om zo zelfstandig te werken. Zo weten we inmiddels dat het emotionele deel van het brein in de puberteit ongelofelijk actief is. Het zorgt ervoor dat sociale aspecten – status in de klas, erbij willen horen, etc. – in die periode veel zwaarder wegen dan de rationele behoefte om te leren. Je moet als leraar dus extra veel moeite doen om ervoor te zorgen dat de feitelijke informatie die je wilt overbrengen óók een plekje krijgt in het brein. Dat vereist eerder een sturende aanpak dan een vrije teugel.”

 

Is het onderwijs voldoende op de breinontwikkelingen bij kinderen afgestemd?

“Er is in ieder geval steeds meer interesse voor. Maar het is wel belangrijk dat we de uitkomsten van ons onderzoek bruikbaar maken voor de praktijk. Een voorbeeld. Als tieners moeten samenwerken, zijn meisjes angstiger dan jongens. Ze vrezen dat anderen ze zullen gebruiken om er zelf beter van te worden. Jongens doen dat ook daadwerkelijk; die vinden het prima als meisjes zich uitsloven en zij daarop kunnen meeliften. De eerste resultaten van breinonderzoek bij twintigers lijkt dat te bevestigen: het angstgebied in de hersenen is bij meisjes in zo’n situatie actiever dan bij jongens.
Aan die kennis heb je echter alleen iets als je het vertaalt naar een praktisch advies. In dit geval betekent het bijvoorbeeld dat scholen die samenwerkend leren willen invoeren niet alleen de groepsprestatie moeten belonen, maar óók individuele prestaties. Op die manier creëer je een ‘veilige’ omgeving voor meisjes en dwing je jongens om een gedegen bijdrage te leveren. Dan komen beiden het beste tot hun recht.”

 

De laatste jaren is er enorm veel aandacht voor breinonderzoek, van Eveline Crone tot Dick Swaab. Waar komt die belangstelling vandaan?

“Het appelleert aan een grote menselijke behoefte om te verklaren waarom we zijn zoals we zijn. Dankzij een speciale scantechniek, de functionele MRI, kunnen neurowetenschappers tegenwoordig prachtige gekleurde plaatjes van het brein tevoorschijn toveren. Het bedrieglijke is echter dat die plaatjes geen ‘foto’ zijn van hersenen in actie, zoals vaak wordt voorgesteld. Het is het resultaat van een lange reeks bewerkingen, waarvan we de betekenis nog lang niet altijd goed kunnen interpreteren. Desondanks worden er vaak heel stellige conclusies aan verbonden, bijvoorbeeld dat een crimineel kind zo wordt geboren.”

 

Tijdens uw oratie heeft u zich duidelijk uitgesproken tegen de opvatting van sommige hersenwetenschappers dat alles in het brein al vóór de geboorte is vastgelegd. Wat is daar het gevaar van?

“Dat je denkt dat je je er maar bij moet neerleggen dat je dom of ongelukkig of agressief bent, omdat je toch niet kunt veranderen. Voor de omgeving is er het risico dat je onderschat hoeveel invloed je hebt op hoe een kind zich ontwikkelt. Het is echt niet zo dat we alle gedrag op basis van hersenonderzoek opeens volledig kunnen verklaren. De werkelijkheid is veel genuanceerder en ingewikkelder.”

 

U gelooft dus meer in de kracht van ‘nurture’ dan die van ‘nature’.

“Het is én én. Maar ik ben er inderdaad van overtuigd dat de omgeving een grote impact heeft. Daar zijn ook steeds meer wetenschappelijke bewijzen voor. Een mooi voorbeeld is de verschillende prestaties van jongens en meisjes in de exacte vakken. Die zijn slechts deels vanuit aanleg te verklaren. Weliswaar zijn er van nature iets meer meisjes slecht en iets meer jongens goed in wiskunde, maar de overlap tussen beide sekse is groot, zo’n 80%. Toch kiezen meisjes in Nederland veel minder vaak voor exacte vakken, en scoren ze er gemiddeld ook slechter op. In sommige andere landen, bijvoorbeeld in Azië, presteren jongens en meisjes echter bijna gelijk. Dat moet dus haast wel iets te maken hebben met de omgeving waarin ze opgroeien.

Uit eerder onderzoek bij volwassenen weten we al dat als je vrouwen vóór ze een taak moeten uitvoeren vertelt dat mannen die over het algemeen beter doen, ze slechter presteren dan als je ze dat niet vertelt. Mijn vooronderstelling is dat het in het onderwijs net zo werkt. De overtuigingen van leraren over sekseverschillen en de manier waarop ze feedback geven aan jongens en meisjes zouden heel goed mede bepalend kunnen zijn voor hoe ze presteren. Dat is één van de onderwerpen waar ik de komende jaren onderzoek naar ga doen.”

 

Als die invloed van leraren echt zo groot is, wat betekent dat dan voor de praktijk?

“Dat ze nóg alerter moeten zijn op de boodschap die ze uitstralen. Laat ik mijn eigen kind als voorbeeld gebruiken. Mijn dochtertje van vijf vond het van jongs af aan leuk om met blokken te bouwen. Maar net op de basisschool koos ze toch altijd de poppenhoek. Haar vriendinnetjes waren daar ook te vinden, dus waarschijnlijk voelde dat in die nieuwe omgeving als de veiligste keuze. In zo’n situatie is het belangrijk dat een leerkracht een kind aanmoedigt om óók naar de bouwhoek te gaan. Anders wordt alleen haar zorgende kant ontwikkeld, en blijven haar bouwvaardigheden achter. Algemener gesteld: hoe meer je de verschillen tussen jongens en meisjes benadrukt, hoe groter die verschillen daadwerkelijk worden. Ook in de hersenontwikkeling.”

 

Zegt u daarmee dat het Nederlandse onderwijs rolbevestigend is?

“Dat gaat te ver. Maar ik denk wel dat er op dit terrein nog veel is te winnen. Het is een trend om jongens vooral jongensdingen te laten doen en meisjes meisjesdingen. Kijk maar eens in een speelgoedwinkel, dan kun je daar niet omheen! Ik zou willen dat we meer ons best doen om die sekseverschillen te doorbreken. Stel: een kind draait een been uit een Barbie. Bij een jongen zul je waarschijnlijk zeggen: ‘zo zit een Barbie dus in elkaar, kun je haar ook weer repareren?’ Maar bij een meisje klinkt het: ‘dat doet Barbie wel pijn hoor’. Mijn voorstel: draai dat ook eens om.”

 

Maar veel meisjes vinden zorgen toch gewoon leuker dan jongens?

“Die natuurlijke verschillen zijn er zeker, en dat is ook prima. Maar door ze zo te benadrukken, sluit je de ontwikkeling van andere interesses en vaardigheden mogelijk uit. Dat geldt trouwens niet alleen voor sekseverschillen. Als je verwacht dat een kind het goed doet, is dat ook vaker echt zo.

Overigens maakt het ook nog uit hoe je dat die boodschap brengt. Je kunt beter zeggen ‘Wat heb jij hard gewerkt!’ dan ‘Wat ben jij slim!’. In het eerste geval krijgt een kind namelijk het idee dat hij er zelf aan heeft bijgedragen dat hij iets heeft bereikt. Dat hij zelf controle over de situatie heeft, kortom. Maar of je wel of niet slim bent, daar heb je geen invloed op. Daar de nadruk op leggen werkt mogelijk faalangst en dus fouten in de hand.”

 

Welk advies wilt u leraren tot slot graag meegeven? 

“Mensen zijn nature geneigd om anderen in hokjes te stoppen. ‘Een technisch profiel is vast niets voor haar.’ Of: ‘Met zo’n werkhouding gaat die jongen nooit studeren.’ Maar dat soort bewuste of onbewuste opvattingen hebben meer invloed dan je denkt. Ze kunnen een kind gemakkelijk demotiveren, zelfs als je ze niet hardop uitspreekt. Probeer die vastomlijnde ideeën liever los te laten, en ervan uit te gaan dat alles nog mogelijk is. Oók bij kinderen van 16 of 17, want het brein ontwikkelt zich veel langer door dan we vroeger dachten. Het is echt nooit te laat om te leren.”

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: