Archief | juni, 2012

DE KINDERALLERGIEPOLI VAN HET EMMA KINDERZIEKENHUIS

20 jun

Foto: Marc Driessen

Sinds 2009 organiseert het Amsterdamse Emma Kinderziekenhuis AMC wekelijks een speciale allergiepoli, waar jaarlijks honderden ouders met hun kinderen van 0 tot 18 uit heel Nederland op verwijzing van hun huisarts of specialist naartoe komen. De eerste vraag die aan de orde komt: is mijn kind daadwerkelijk allergisch, en zo ja, waarvoor?

Marte ging voor Het Parool op onderzoek uit, en liep een dag mee op de kinderallergiepoli. Lees haar reportage hier

Advertenties

DE DETECTIVES VAN DE ALLERGIEPOLI

20 jun

Foto: Marc Driessen

Gepubliceerd in Het Parool, 19 juni 2012

50% van de kinderen met een veronderstelde koemelkallergie blijkt die bij nader onderzoek niet te hebben.

“Kijk, ik heb weer een sticker verdiend!”

Vanaf haar bed in het dagziekenhuis houdt de zesjarige Lauren But trots haar ‘Het-gaat-me-lukken-kaart’ omhoog. Erop prijken drie roze Hello Kitty stickers, één voor elk flintertje amandel dat ze vanmorgen heeft gegeten. Er zijn nog vijf vakjes (en evenveel stukjes noot) te gaan.

In Laurens bloed zijn antistoffen tegen amandel gevonden. Vandaag wordt met een zogenaamde provocatietest onderzocht of ze daar daadwerkelijk allergisch voor is. Met tussenpozen van een half uur krijgt ze acht steeds grotere stukjes amandel. Als ze drie uur na het laatste hapje nog geen allergische reactie heeft gehad, is zeker dat ze er niet overgevoelig voor is. Voor het geval ze wél heftig op de nootjes reageert, liggen er medicijnen klaar. Een ernstige (voedsel)allergie kan namelijk levensbedreigend zijn.

Sinds 2009 organiseert het Amsterdamse Emma Kinderziekenhuis AMC wekelijks een speciale allergiepoli, waar jaarlijks honderden ouders met hun kinderen van 0 tot 18 uit heel Nederland op verwijzing van hun huisarts of specialist naartoe komen. De eerste vraag die aan de orde komt: is mijn kind daadwerkelijk allergisch, en zo ja, waarvoor?
“Die is meestal niet zo simpel te beantwoorden”, zegt Aline Sprikkelman, kinderarts-longarts en initiatiefneemster van de kinderallergiepoli. Ze overhandigt Lauren een bekertje met het vierde stukje amandel. Die heeft tot nu toe nergens last van. Terwijl ze braaf op het nootje kauwt, zoekt ze een nieuwe sticker uit.
“Met een bloedtest of een huidpriktest kun je zien of er antistoffen tegen bijvoorbeeld huisstofmijt of pinda in het bloed zitten”, vervolgt Sprikkelman. “In dat geval kan een kind er allergisch voor zijn. Ik zeg met nadruk ‘kan’, want het gebeurt ook dat je antistoffen tegen bijvoorbeeld kippenei vindt, maar dat zich bij het eten daarvan helemaal geen problemen voordoen. Andersom komt trouwens net zo goed voor. Het is dus echt detectivewerk.”

De enige manier om een allergie met 100% zekerheid vast te stellen, is door een provocatietest te doen, zoals Lauren vandaag krijgt. Daarbij wordt met opzet een mogelijke allergische reactie uitgelokt. Vanwege het potentiële risico – in het ergste geval kan een kind in shock raken – gebeurt dat altijd in het ziekenhuis.
Bij zo’n test blijkt regelmatig dat eerder de diagnose ‘allergie’ onterecht is gesteld. Met als gevolg dat een kind bijvoorbeeld onnodig aan een strikt dieet is onderworpen. Zo blijkt 50% van de kinderen met een veronderstelde koemelkallergie die bij een provocatietest toch niet te hebben.
“Ik zie regelmatig ondervoede kinderen op mijn spreekuur”, vertelt Sprikkelman. “Uit angst voor een ernstige reactie hebben de ouders allerlei voedingsmiddelen uitgebannen. Als het kind dan helemaal niet allergisch blijkt te zijn, is dat extra schrijnend.”

Naar schatting één op de drie kinderen krijgt tussen zijn geboorte en zijn 18e jaar last van een allergie, om onduidelijke redenen jongens iets vaker dan meisjes. Hun afweersysteem reageert overdreven heftig op een feitelijk onschadelijke stof. Bij baby’s is koemelk de grootste boosdoener. (Iets) oudere kinderen zijn – net als volwassenen – vaak allergisch voor grassen en pollen, honden en katten, huisstofmijt, of bepaalde voedingsmiddelen zoals noten, pinda’s, kippenei of sommige soorten fruit. Ook allergieën tegen insectensteken of geneesmiddelen komen voor, zij het in mindere mate.
Sommige allergieën zijn tijdelijk – 90% procent van de kinderen met een koemelkallergie groeit daar vóór zijn 3e jaar overheen. Hun immuunsysteem heeft zich dan zodanig ontwikkeld dat de intolerantie verdwijnt. Andere allergieën zijn hardnekkiger. Zo houdt 80% van de kinderen met een overgevoeligheid voor pinda’s of noten daar zijn hele leven last van.
De indruk bestaat dat het aantal kinderen met een (ernstige) allergie de laatste decennia stijgt. Over de reden doen allerlei verhalen de ronde, onder andere dat onze toegenomen hygiëne ervoor zorgt dat we steeds gevoeliger voor van alles en nog wat worden. Maar tot nu toe is voor niet één theorie hard bewijs gevonden. Waarschijnlijk is de stijging in ieder geval deels te verklaren uit het feit dat er meer aandacht is voor allergieën, en dat ze steeds eerder en beter worden herkend.

Een allergie kan heel vervelende klachten geven, van een jeukende mond, neus of ogen tot zwelling, galbulten, diarree, braken, benauwdheid en zelfs een levensgevaarlijke shock. Bovendien doen zich problemen voor waar je bij een allergie niet direct aan denkt.

Sprikkelman: “In de klas in slaap vallen, moeite met concentreren en chagrijnigheid: het zijn allemaal mogelijke effecten van een allergie. Die kan een kind namelijk volledig uitputten. Verder ken ik kinderen die door een heftige allergische reactie op voedsel zo bang zijn geworden dat ze nauwelijks meer iets in hun mond durven stoppen. Een allergie kan een kind ook eenzaam maken, bijvoorbeeld als het vanwege zijn hooikoorts niet kan buitenspelen of vanwege een voedselallergie niet welkom is op de crèche. Dat geeft dan weer extra druk op het gezin.”

Gelukkig is de aandoening in de meeste gevallen goed te behandelen. De simpelste oplossing is de probleemstof te vermijden. Helaas lukt dat niet altijd, bijvoorbeeld met grassen en pollen in de lucht. Dan kunnen medicijnen (pillen, smeersels en neussprays) uitkomst bieden. Welke (combinatie van) geneesmiddelen en leefstijladviezen het beste werkt, hangt af van de aard en de heftigheid van de klachten. Vandaar dat het multidisciplinaire team van de poli (bestaande uit een allergoloog, een kinderlongarts,  een kindermaagleverdarmarts, een dermatoloog en een diëtiste) voor elke patiënt een behandelplan op maat maakt.
Geven al die middelen onvoldoende verlichting (of veroorzaken ze veel bijwerkingen), dan is er nog immunotherapie, een behandeling die de oorzaak van de allergie aanpakt. Door hun lichaam langzaam aan een probleemstof te laten wennen, worden ernstig allergische kinderen vanaf zes jaar er ongevoelig (immuun) voor gemaakt. Deze behandeling vergt echter nogal wat van patiënten.
“Een arts spuit met tussenpozen van een week steeds oplopende hoeveelheden van de stof onder de huid, net zolang tot een onderhoudsdosis is bereikt”, vertelt Sprikkelman. “Daarna moet het kind gedurende drie tot vijf jaar elke maand opnieuw worden geïnjecteerd. Zolang duurt het namelijk om het lichaam blijvend ongevoelig te maken voor allergieveroorzakers. Overigens is er voor sommige allergieën, zoals tegen graspollen, inmiddels ook immunotherapie in tabletvorm.”

Immunotherapie werkt tegen hooikoorts en allergie voor huisstofmijt en insectensteken. Tegen een amandelallergie bestaat (nog) geen behandeling, maar gelukkig heeft Lauren die ook niet nodig. Zeven uur na haar eerste hapje noot zitten er acht stickers op haar ‘Het-gaat-me-lukken-kaart’ en mag ze eindelijk naar huis. Ondanks de antistoffen in haar bloed heeft ze geen klachten gekregen. Ze is dus officieel ‘niet allergisch’ verklaard. Tenminste, voor amandelen. Want voor pinda’s, cashew- en pistachenoten heeft ze óók positief getest. Voor elk daarvan moet ze met een tussenpose van een week een aparte provocatietest ondergaan. Eén troost: na vandaag weet ze in ieder geval zeker dat ze komende sinterklaas met een gerust hart zoveel amandelspijs en marsepein kan eten als ze wil.

[Kader]

Op het spreekuur van de kinderallergiepoli

  • Kevin de Boer (9) heeft astma en is jaren allergisch voor koemelk, honden, katten, huisstof, grassen en boompollen. Voor zijn astma en hooikoorts gebruikt hij dagelijks verschillende medicijnen, en dan nog heeft hij soms klachten. Bovendien is hij erg bang om onbekende dingen te eten, uit angst dat hij het benauwd krijgt of in shock raakt. Daarom willen hij en zijn moeder nog eens goed laten uitzoeken waar hij precies allergisch voor is, en hoe gevaarlijk dat is.
  • Duncan Lionarons (4) at toen hij negen maanden was voor het eerst een boterham met pindakaas. Meteen daarna kreeg hij zwellingen in zijn gezicht en werd hij suf en slap. Een ambulance bracht hem naar het ziekenhuis, waar hij voor een allergische reactie werd behandeld. Een bloedtest leverde geen antistoffen tegen pinda op, maar voor de zekerheid hebben zijn ouders sindsdien alle pinda’s en noten vermeden. Nu Duncan binnenkort naar de basisschool gaat, willen ze voor eens en voor altijd weten of hij daadwerkelijk allergisch is of niet. In overleg wordt besloten een nieuwe bloedtest en een provocatiest te doen.
  • Farshad Sohrabkhan (13) kreeg op zijn 4e hooikoorts. Hij heeft ook astma en een allergie voor pinda’s, noten en soja. Ondanks medicijnen werd de hooikoorts op een gegeven moment zo erg dat hij een groot deel van het jaar nauwelijks meer naar buiten kon. Daarom is Farshad in 2008 met immunotherapie gestart. Het effect was bijna direct merkbaar; hij kon weer zonder problemen buiten spelen. Inmiddels heeft hij er vier jaar maandelijkse injecties op zitten, maar die zijn het volgens hem meer dan waard.

CDA TWEEDE KAMERLID EDDY VAN HIJUM IN ANBO MAGAZINE

4 jun

 

Logisch dat senioren voor hun pensioenen opkomen, vindt CDA Tweede Kamerlid Eddy van Hijum. Maar ze moeten óók oog hebben voor de toekomst van hun (klein)kinderen. “We moeten de pijn van de crisis eerlijk tussen de generaties verdelen.”

Lees het interview met Eddy van Hijum hier

CDA TWEEDE KAMERLID EDDY VAN HIJUM: “LATEN WE DE PIJN EERLIJK VERDELEN”

4 jun

Gepubliceerd in ANBO Magazine nr. 4, juni 2012

Logisch dat senioren voor hun pensioenen opkomen, vindt Eddy van Hijum. Maar ze moeten óók oog hebben voor de toekomst van hun (klein)kinderen. “We moeten de pijn van de crisis eerlijk tussen de generaties verdelen.”

Een roeping wil hij het niet noemen. Maar Eddy van Hijum (40) wist als tiener al dat hij in zijn leven niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de mensen om hem heen wilde opkomen. In het Protestante nest waarin hij opgroeide, was dat trouwens heel vanzelfsprekend; zijn ouders waren actief in de kerk en zetten zich in voor verschillende goede doelen. Zo hoorde dat, in huize Van Hijum.

In het laatste jaar van het atheneum in Sneek vroeg een klasgenoot Van Hijum of hij een keer meeging naar een bijeenkomst van het CDJA, de jongerenafdeling van de landelijke partij. Van Hijum had plezier in het discussiëren over belangrijke onderwerpen en vond het er bovendien “erg gezellig”. Een lidmaatschap was gauw geregeld.

Daarna ging het hard met de politieke carrière van Van Hijum. Hij vervulde verschillende bestuursfuncties binnen het CDJA. Op zijn 25ste werd hij verkozen in de gemeenteraad van Zwolle, waar hij al snel fractievoorzitter werd. Toen hij in 2003 in de Tweede Kamer plaatsnam, was hij met zijn 31 jaar één van de jongste parlementsleden.

Een goede volksvertegenwoordiger heeft niet alleen boekenkennis, maar ook levenservaring. Had u die voldoende op uw 31ste?

“Na mijn afstuderen heb ik onder andere aan een universiteit en als organisatieadviseur gewerkt. Het ontbrak me dus niet geheel aan ervaring. Maar ik geef toe dat het een risico is om zo vroeg voltijd in de politiek te gaan. Als je niet uitkijkt, verlies je de aansluiting met de samenleving. Vandaar dat ik veel tijd besteed aan werkbezoeken, en dat ik regelmatig een spreekuur organiseer in mijn eigen regio, Overijssel.”

Aan de lokale problemen die u daar hoort kunt u vanuit de landelijke politiek toch weinig doen?

“Soms kan ik er vragen over stellen aan een minister, of mijn eigen netwerk inschakelen om ze op te lossen. Maar het belangrijkste is dat ik voeling houd met wat er in het dagelijkse leven speelt. Waar burgers zich druk om maken. Wat er goed gaat en wat niet. In een normale baan hoor je dergelijke verhalen bij het koffieapparaat, maar als politicus moet je meer je best doen om daarvan doordrongen te blijven.”

Geef eens een voorbeeld?

“Samen met een kerkelijke werkgroep in Zwolle ga ik bijvoorbeeld regelmatig in gesprek met minima in de regio. Gewoon bij de mensen thuis. Dan hoor, zie en voel ik uit eerste hand wat het betekent om van een klein inkomen te moeten rondkomen. Ook voor ouderen.”

ANBO maakt zich grote zorgen over de inkomenspositie van ouderen zonder, of met een klein aanvullend pensioen. Zij worden door de bezuinigingen extra hard geraakt.

“Dat is mede de reden dat we in het regeerakkoord hadden vastgelegd dat de AOW gekoppeld bleef aan de stijging van lonen, ondanks alle bezuinigingen. Met sociale partners is afgesproken dat de AOW jaarlijks daar bovenop jaarlijks nog met 0,6% extra stijgt. Uiteraard is de vraag wat een nieuw kabinet hierover besluit, maar het als CDA zullen we ons voor senioren blijven hardmaken.”

Die zorgen van ANBO zijn dus onterecht?

“Natuurlijk zijn er ouderen die het krap hebben. We moeten er voor zorgen dat zij de benodigde steun krijgen, bijvoorbeeld door niet-gebruik van tegemoetkomingen terug te dringen. Ouderenorganisaties doen hierbij goed werk. Maar laten we ook niet vergeten dat de koopkracht van senioren de afgelopen tien jaar met gemiddeld 10% is gestegen, tegenover 2% van 65-minners.”

Kunt u beloven dat, als het CDA weer in het kabinet komt,  ouderen financieel worden ontzien?

“Het gaat erom dat we de pijn eerlijk verdelen. Ik maak me grote zorgen over wat de economische crisis doet met de solidariteit tussen ouderen en jongeren. Het is logisch dat senioren voor hun belangen opkomen. Ze hebben hun hele leven hard voor hun oude dag gewerkt, en dan is het een bittere pil als je opeens minder pensioen krijgt, of meer voor je zorg moet gaan betalen. Aan de andere kant vraag ik ANBO-leden ook om oog te hebben voor de positie van onze kinderen en kleinkinderen. Als we nu niet ingrijpen, kunnen zij later nauwelijks meer aanspraak maken op een pensioen. Om ook hen een goed toekomstperspectief te bieden, vragen we ook van 50-plussers een bijdrage. Bijvoorbeeld door iets eerder te beginnen met het verhogen van de pensioenleeftijd. Geen makkelijke boodschap, maar wel een eerlijke.”

Hoe ziet u de rol van ANBO hierin?

“ANBO heeft de solidariteit tussen jong en oud gelukkig ook hoog in het vaandel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de steun aan het pensioenakkoord. Maar ik ben wel teleurgesteld in de opstelling van de vakbeweging als het gaat om andere maatschappelijke problemen. Het lijkt alsof sommige bonden alleen nog maar tegenstribbelen als het om verandering gaat. Daarmee dreigt het poldermodel uit elkaar te vallen, terwijl dat ons de afgelopen decennia juist zoveel veel goeds heeft gebracht.”

Waar is het misgegaan?

“Nederlandse vakbonden komen op voor goede arbeidsvoorwaarden voor hun leden. Maar door met werkgevers en de overheid akkoorden te sluiten over bijvoorbeeld arbeidsmarkt en pensioen, hebben ze zich altijd óók ingezet voor het grotere belang, namelijk dat van de samenleving als geheel. Wat dat laatste betreft laat de vakbeweging wat mij betreft nu te veel haar verantwoordelijkheid liggen. In plaats van samen te zoeken naar lange termijnoplossingen, maakt ze een terugtrekkende beweging en zet ze in op behoud van verworven rechten. Met zo’n houding kom je niet verder.”

Heeft u er vertrouwen in dat de opvolger van de FNV, de Nieuwe Vakbond, die handschoen zal oppakken?

“Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik niet erg optimistisch ben. Desondanks blijf ik hopen op een goede uitkomst, want van al dat getouwtrek wordt niemand beter. De samenleving heeft een groot belang bij een sterke en verantwoordelijke vakbeweging, en bij een constructief overleg tussen werkgevers en werknemers. Uiteindelijk moet het toch op de werkvloer gebeuren.”

FLEXIBEL WERKEN

Eén van de onderwerpen waar Van Hijum zich in de Tweede Kamer hard voor maakt, is om werknemers de ruimte te geven te werken, waar en wanneer ze willen. In februari van dit jaar diende hij daarover samen met Ineke van Gent van GroenLinks een initiatiefwet in. Als het voorstel ‘Flexibel Werken’ wordt aangenomen (het is nog onduidelijk of er een meerderheid voor is), dan kunnen medewerkers in de toekomst aan hun baas vragen om thuis te mogen werken, of op momenten dat het hun het beste uitkomt. Tijdens schooltijden bijvoorbeeld, of ’s avonds. Een werkgever mag dat verzoek alleen weigeren als er zwaarwegende bedrijfsbelangen zijn, bijvoorbeeld omdat een klus alleen op locatie kan worden uitgevoerd.

Vanwaar dit initiatief?

“De overheid vraagt burgers om massaal aan de slag te gaan, en ook om langer door te werken. Tegelijk wordt er een steeds groter beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van mensen als het gaat om de zorg voor bijvoorbeeld kinderen of een zieke partner. Om dat praktisch mogelijk te maken, moet je ze als overheid wel voldoende gelegenheid geven om arbeid en zorgaken goed te regelen. Eén manier is om werk flexibeler te organiseren. Ook voor ouderen ontstaan dan meer mogelijkheden om werk te combineren met mantelzorg.”

Is het niet aan sociale partners om dat onderling op te lossen?

“Bij voorkeur wel. Maar tot nu toe komen de CAO-afspraken hierover nog onvoldoende van de grond. Vandaar deze stok achter de deur.”

Werkgevers hebben al laten weten dat ze niets in het voorstel zien. Ze noemen het symboolpolitiek.

“Dat zeiden ze ook van de Wet Aanpassing Arbeidsduur, die werknemers het recht geeft om meer of minder uren te vragen. Hoewel er weinig mensen met deze wet in de hand naar de rechter stappen, heeft hij wel bijgedragen aan cultuuromslag. Voor mannen is het bijvoorbeeld normaler geworden om een dag minder te gaan werken als er kinderen komen. We verwachten dat de Wet Flexibel Werken eenzelfde soort effect zal hebben.”

Een verpleegster of bouwvakker kan moeilijk eisen dat hij of zij thuis mag werken.

“Klopt. Maar in de zorg wordt bijvoorbeeld wel steeds meer gewerkt met een systeem van zelfroosteren. Daarbij kunnen medewerkers bijvoorbeeld onderling van dienst ruilen, intekenen op vaste roosters, hun wensen opgeven voor individuele roosters of zelf hun eigen rooster geheel vaststellen. Dat creëert óók ruimte.”

Iets anders waar u vurig voor pleit, is een individueel scholingsbudget voor werknemers. Wat houdt dat in?

“De tijd van ‘een baan voor het leven’ ligt definitief achter ons. Dat betekent dat we meer dan ooit de regie over onze eigen loopbaan moeten nemen. Een individueel scholingsbudget helpt daarbij. Door tijdens je werkzame leven je kennis bij te houden, of je zo nodig te laten omscholen, vergroot je je kansen op de arbeidsmarkt, ook op latere leeftijd. Dat levert uiteindelijk meer zekerheid op dan ontslagbescherming en uitkeringen. Scholing is de beste vorm van sociale zekerheid.”

Wie gaat dat budget in deze crisistijd betalen?

“Het is nu al zo dat de meeste werkgevers een percentage van het loon afdragen aan het scholingsfonds van hun branche. Momenteel hebben al die fondsen samen zo’n 500 miljoen euro in kas. Zonde! Wat mij betreft wordt dat geld gebruikt om voor iedere werknemer een individueel plan te maken over hoe hij zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen.”

Hoe gaat u werkgevers van die noodzaak overtuigen?

“Door een relatie met de ontslagvergoeding te leggen. Ik heb vorig jaar al het idee geopperd om de ontslagvergoeding lager te laten uitvallen als een werkgever flink heeft geïnvesteerd in het kennisniveau of het vakmanschap van zijn medewerker. In het akkoord dat onlangs in de Tweede Kamer tussen vijf fracties is gesloten is deze afspraak nu ook opgenomen. Ik reken er op dat we in de Kamer snel over een uitwerking kunnen debatteren.”

Tot slot: waar ziet u zichzelf over tien jaar?

“Dan ben ik bijna 50! Ik hoop me tegen die tijd nog steeds in te zetten voor de samenleving. En ook dat ik mijn werk goed kan combineren met de aandacht voor mijn vrouw en drie – tegen die tijd – tienerdochters. Als Tweede Kamerlid is dat soms namelijk knap lastig.”

[Kader]

Wie is Eddy van Hijum?

Tijdens zijn studie bestuurskunde aan de Universiteit Twente vervulde Yde Johan (Eddy) van Hijum (17 april 1972) verschillende functies binnen de jongerenorganisatie van het CDJA. Na zijn promotie ging hij aan de slag als organisatieadviseur. Van 1998 tot 2003 was Van Hijum achtereenvolgens lid en voorzitter van de CDA-fractie in de gemeenteraad van Zwolle. In 2003 stapte hij over naar de landelijke politiek. Namens de CDA-fractie voert hij in de Tweede Kamer het woord over verschillende onderwerpen op het terrein van sociale zaken en werkgelegenheid. Van Hijum is getrouwd en heeft drie dochters. U kunt hem via Twitter volgen op @vanHijum.

BEWEGEN VOOR EEN GOEDE GEZONDHEID

4 jun

“Meer bewegen.” Het advies van de dokter is simpel genoeg. Volg het op, en je voelt je vast beter. Maar welke training is waarvoor goed? En hoe pak je het aan? Voor Plus Gezondheid zette Marte de beste bewegingstips  op een rij voor een goede conditie, een fit hart, een gezond gewicht en sterke spieren en botten.

Lees het artikel hier

BEWEGEN: 3 X GOED!

4 jun



Gepubliceerd in Plus Gezondheid, juni 2012

“Meer bewegen.” Het advies van de dokter is simpel genoeg. Volg het op, en je voelt je vast beter. Maar welke training is waarvoor goed? En hoe pak je het aan?

Tekst: Marte van Santen

Bewegen voor een goede conditie en een fit hart

Om in beweging te komen, heeft het lichaam energie nodig. Die komt vrij door met behulp van zuurstof suikers, koolhydraten en vetten te verbanden. Hoe fitter je bent, hoe meer zuurstof je kunt opnemen. Dat houdt je hart en bloedvaten sterk en gezond.

Duurtraining (je gedurende langere tijd matig inspannen, bijvoorbeeld met fietsen, joggen of aerobics) is de meest gebruikte manier om de zuurstofopname van je lichaam geleidelijk te vergroten, en zo een goede conditie op te bouwen. Maar uit recent onderzoek blijkt dat intervaltraining, waarbij je korte periodes van heel intensieve inspanning afwisselt met rustig bewegen (of zelfs rusten), minstens net zo goed werkt.

Als je heel intensief beweegt, bijvoorbeeld door een stukje heel hard te rennen, heb je meer energie nodig dan dat je direct met behulp van zuurstof kan aanmaken. Het lichaam schakelt dan noodgedwongen over op een soort ‘reserveaccu’: suikers in de spieren die zonder zuurstof kunnen worden omgezet in energie. De extra moeite die dit vergt, draagt bij aan een betere conditie. Vandaar dat drie keer per week een paar minuten intervaltraining doen net zo zinvol kan zijn als even vaak drie kwartier fietsen.

Bij intervaltraining kies je een activiteit of oefening, waarbij je zoveel mogelijk verschillende spieren in je lichaam gebruikt. Roeien, fietsen, hardlopen of touwtjespringen bijvoorbeeld. Maar ook opdrukken of kniebuigingen lenen zich er prima voor. Je doet een opwarming van vijf minuten (bijvoorbeeld rustig op de plaats joggen). Vervolgens voer je zes ‘sets’ uit van steeds twintig seconden inspanning, afgewisseld met bijvoorbeeld een minuut rustig bewegen. Om de training te laten slagen, is het belangrijk dat je in die twintig seconden echt tot het uiterste gaat. Rond af met een cool down van vijf minuten (dezelfde als de warming-up). Uiteraard kun je met de tijden variëren. Hoe korter de rustperiode tussen de oefeningen, hoe zwaarder de training wordt.

Bewegen voor een gezond gewicht

De basisregel luidt: om af te vallen moet je meer energie verbranden dan je binnenkrijgt. Hoe je dat doet – met duurtraining, intervaltraining of een combinatie – maakt feitelijk niet uit. Als je er maar voor zorgt dat de balans naar de goede kant doorslaat. Op de websites caloriecalculator.nl en lichaamsoefeningen.nl kun je opzoeken hoe lang je bijvoorbeeld moet fietsen om één gevulde koek (370 kCal) te verbranden (gemiddeld een uur).

Met intervaltraining verbrand je in een korte tijd meer calorieën dan met matige inspanning. Bovendien verbruikt je lichaam na zo’n een intensieve work-out nog urenlang extra energie. Ook als je allang weer aan de keukentafel of achter je bureau zit dus. Dat draagt ertoe bij dat je snel(ler) afvalt. De keerzijde is dat deze vorm van bewegen héél zwaar is en veel kans geeft op spierpijn of blessures. Dat maakt het op de lange duur vaak moeilijk vol te houden, terwijl dat voor blijvend gewichtsverlies (of een betere conditie) wel nodig is. Kies dus voor een mix van activiteiten waarvan je zeker weet dat je je er comfortabel bij voelt.

Bewegen voor sterke spieren en botten

Ons lichaam is ontworpen om constant te bewegen. Maar dankzij moderne gemakken als de auto, de telefoon en de computer brengen we ons leven steeds meer zittend door. Het gevolg: slappe spieren en broze botten, die maken dat we minder sterk en stabiel zijn.

Daar komt krachttraining om de hoek kijken. Want hoe meer je van je spieren en botten vraagt, hoe sterker ze worden. Letterlijk. Door er druk op uit te oefenen, neemt de massa van spieren en botten toe. Bovendien geeft het je meer controle en een betere coördinatie. Dat betekent: minder valpartijen en minder gebroken botten.

Elke oefening waarbij je moet trekken, duwen, tillen of trappen is een goede vorm van krachttraining. Op de sportschool zijn daar allerlei speciale apparaten voor, maar ook thuis kun je prima oefenen, bijvoorbeeld door jezelf met je armen uit je stoel omhoog te duwen en weer te gaan zitten (voor je armen) of zonder armsteun uit een diepe stoel op te staan en weer te gaan zitten (voor je benen). Een fysiotherapeut kan je meer geschikte oefeningen voor in huis geven.

Je zou denken dat krachttraining alleen goed is voor sterke spieren en botten, maar niets is minder waar. Want hoe meer spierweefsel je hebt, hoe meer calorieën je verbrandt. Het is dus óók belangrijk voor een gezond gewicht. Bovendien spelen spieren een belangrijke rol bij het op peil houden van het bloedsuikergehalte in het lichaam, en dus bij bijvoorbeeld het voorkomen van suikerziekte.

ALLE beweging helpt!

Om combinatie van duur- en krachttraining is ideaal om fit en gezond te blijven. (De fanatiekelingen onder ons doen daar nog wat intervaltraining bij.) Maar voel je niet al te schuldig als het niet lukt om dagelijks te sporten of met gewichten in de weer te gaan. Alle beweging is namelijk winst voor je gezondheid.

Vergelijk het maar met een computer. Zolang er wordt getypt of de muis in beweging is, staan alle systemen op scherp. Maar laat de computer een paar minuten met rust, en hij gaat direct in de slaapstand. Als je zit, gebeurt met je lichaam hetzelfde. De innerlijke radertjes draaien langzamer, of komen zelfs tot stilstand, met desastreuze gevolgen. De verbrandingsmotor stagneert, de hoeveelheid suiker en vet in je bloed neemt toe en spieren en botten verliezen hun kracht. Niet verwonderlijk dus dat hoe langer je per dag zit, hoe groter de kans dat je vroegtijdig overlijdt (zo blijkt uit een grootschalig Canadees onderzoek).

In beweging dus! Niet één of twee keer per week, maar de hele dag door. En dat is makkelijker dan je denkt:

  • Sta elk half uur op, ongeacht wat je doet.
  • Wandel tijdens het bellen door het huis in plaats van op de bank te zitten.
  • Lang achter je bureau? Gebruik een zitbal in plaats van een stoel. Die dwingt je spieren om je rechtop te houden.
  • Beweeg zoveel mogelijk tijdens het zitten. Wiebel met je benen, trommel met je vingers op tafel, strek je uit.
  • Loop naar een collega in plaats van hem te mailen.
  • Neem de trap in plaats van de lift.
  • Snijd de groenten in plaats van ze in de keukenmachine te hakken.

Zo bezien kun je vast en zeker méér bewegen dan je nu doet. Gewoon, binnen de vier muren van je huis of kantoor. Wetenschappers zijn het erover eens dat dat op de lange duur wel eens méér gezondheidswinst kan opleveren dan al die uren in de sportschool bij elkaar.

Met dank aan dr. Jo de Ruiter, bewegingswetenschapper Vrije Universiteit in Amsterdam

[Kader]

Sportmedische keuring

Als u ongetraind bent, is het verstandig om vóór u aan de slag gaat eerst een sportmedische keuring te laten doen. Dat geldt ook wanneer u rookt, wat te zwaar bent of hartproblemen in de familie heeft. Bij zo’n keuring (die soms (deels) door zorgverzekeraars wordt vergoed) onderzoekt een sportarts uw bloeddruk, vetpercentage, hart- en longfunctie en urine. Ziet hij geen medische bezwaren, dan kunt u van start.

Op http://www.sportzorg.nl kunt u een test doen om te zien of zo’n keuring in uw situatie verstandig is. De website http://www.conditietesten.nl/sportonderzoek geeft een overzicht de sportmedische adviescentra die een sportmedische keuring uitvoeren. u kunt ook uw huisarts vragen om u door te verwijzen.

[Kader]

Als bewegen pijn doet

1,2 miljoen Nederlanders lijden aan artrose: een aandoening waarbij het kraakbeen rond de gewrichten dunner en zachter wordt. Naar verloop van tijd gaan gewrichtsbotten langs elkaar schuren. De pijn die dat veroorzaakt, belemmert patiënten om goed te bewegen en lekker fit te blijven. In het slechtste geval schiet niet alleen het sporten of fietsen, maar ook de dagelijkse wandeling naar de winkel of het huishouden erbij in. Met alle gevolgen voor de gezondheid van dien.

Gelukkig zijn verschillende manieren om de pijn bij artrose uit te schakelen, of in ieder geval te verminderen, en zo gemakkelijker in beweging te komen.

  • Pijnstillers. Kies in eerste instantie voor paracetamol, of als dat onvoldoende helpt, een ontstekingsremmende pijnstiller (NSAID) zoals ibuprofen of naprosyine (verkrijgbaar bij drogist of apotheek). Overleg bij langdurig gebruik altijd met uw huisarts, in verband met mogelijke bijwerkingen. Zo nodig kan een dokter ook sterkere pijnmedicatie voorschrijven, bijvoorbeeld tramadol of morfine.
  • Crèmes, gels en emugels (crème en gel ineen) met ontstekingsremmende pijnstillers (NSAID’s). Deze zijn bedoeld om milde tot matige gewrichtspijn plaatselijk aan te pakken, bijvoorbeeld in vingers of knieën. De smeersels dringen diep in de huid door, waar ze de pijn en de ontsteking verlichten. De werking bouwt zich geleidelijk op tijdens de eerste week van het gebruik. De middelen zijn zonder recept verkrijgbaar.
  • Bij ernstige, chronische gewrichtspijn kan een arts een injectie met bijnierschorshormoon (corticosteroïden) direct in het gewricht geven. Deze hormonen remmen de ontstekingsreactie en verminderen daardoor mogelijk de klachten. Het effect is echter nooit wetenschappelijk bewezen. Hetzelfde geldt voor een injectie met hyaluronzuur, een soort natuurlijk smeermiddel dat enkele weken tot maanden pijnverlichting zou kunnen geven.
  • Als dit alles onvoldoende uitkomst biedt, is een operatie mogelijk een oplossing, bijvoorbeeld een knievervanging. Verder kan een bezoek aan een pijnpoli zinvol zijn. 87 van de 100 ziekenhuizen hebben zo’n speciale poli waar gespecialiseerde anesthesisten samenwerken met andere deskundigen om de pijn met verschillende methoden (medicatie, oefentherapie, zenuwblokkade) te bestrijden.

 

%d bloggers liken dit: