CDA TWEEDE KAMERLID EDDY VAN HIJUM: “LATEN WE DE PIJN EERLIJK VERDELEN”

4 Jun

Gepubliceerd in ANBO Magazine nr. 4, juni 2012

Logisch dat senioren voor hun pensioenen opkomen, vindt Eddy van Hijum. Maar ze moeten óók oog hebben voor de toekomst van hun (klein)kinderen. “We moeten de pijn van de crisis eerlijk tussen de generaties verdelen.”

Een roeping wil hij het niet noemen. Maar Eddy van Hijum (40) wist als tiener al dat hij in zijn leven niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de mensen om hem heen wilde opkomen. In het Protestante nest waarin hij opgroeide, was dat trouwens heel vanzelfsprekend; zijn ouders waren actief in de kerk en zetten zich in voor verschillende goede doelen. Zo hoorde dat, in huize Van Hijum.

In het laatste jaar van het atheneum in Sneek vroeg een klasgenoot Van Hijum of hij een keer meeging naar een bijeenkomst van het CDJA, de jongerenafdeling van de landelijke partij. Van Hijum had plezier in het discussiëren over belangrijke onderwerpen en vond het er bovendien “erg gezellig”. Een lidmaatschap was gauw geregeld.

Daarna ging het hard met de politieke carrière van Van Hijum. Hij vervulde verschillende bestuursfuncties binnen het CDJA. Op zijn 25ste werd hij verkozen in de gemeenteraad van Zwolle, waar hij al snel fractievoorzitter werd. Toen hij in 2003 in de Tweede Kamer plaatsnam, was hij met zijn 31 jaar één van de jongste parlementsleden.

Een goede volksvertegenwoordiger heeft niet alleen boekenkennis, maar ook levenservaring. Had u die voldoende op uw 31ste?

“Na mijn afstuderen heb ik onder andere aan een universiteit en als organisatieadviseur gewerkt. Het ontbrak me dus niet geheel aan ervaring. Maar ik geef toe dat het een risico is om zo vroeg voltijd in de politiek te gaan. Als je niet uitkijkt, verlies je de aansluiting met de samenleving. Vandaar dat ik veel tijd besteed aan werkbezoeken, en dat ik regelmatig een spreekuur organiseer in mijn eigen regio, Overijssel.”

Aan de lokale problemen die u daar hoort kunt u vanuit de landelijke politiek toch weinig doen?

“Soms kan ik er vragen over stellen aan een minister, of mijn eigen netwerk inschakelen om ze op te lossen. Maar het belangrijkste is dat ik voeling houd met wat er in het dagelijkse leven speelt. Waar burgers zich druk om maken. Wat er goed gaat en wat niet. In een normale baan hoor je dergelijke verhalen bij het koffieapparaat, maar als politicus moet je meer je best doen om daarvan doordrongen te blijven.”

Geef eens een voorbeeld?

“Samen met een kerkelijke werkgroep in Zwolle ga ik bijvoorbeeld regelmatig in gesprek met minima in de regio. Gewoon bij de mensen thuis. Dan hoor, zie en voel ik uit eerste hand wat het betekent om van een klein inkomen te moeten rondkomen. Ook voor ouderen.”

ANBO maakt zich grote zorgen over de inkomenspositie van ouderen zonder, of met een klein aanvullend pensioen. Zij worden door de bezuinigingen extra hard geraakt.

“Dat is mede de reden dat we in het regeerakkoord hadden vastgelegd dat de AOW gekoppeld bleef aan de stijging van lonen, ondanks alle bezuinigingen. Met sociale partners is afgesproken dat de AOW jaarlijks daar bovenop jaarlijks nog met 0,6% extra stijgt. Uiteraard is de vraag wat een nieuw kabinet hierover besluit, maar het als CDA zullen we ons voor senioren blijven hardmaken.”

Die zorgen van ANBO zijn dus onterecht?

“Natuurlijk zijn er ouderen die het krap hebben. We moeten er voor zorgen dat zij de benodigde steun krijgen, bijvoorbeeld door niet-gebruik van tegemoetkomingen terug te dringen. Ouderenorganisaties doen hierbij goed werk. Maar laten we ook niet vergeten dat de koopkracht van senioren de afgelopen tien jaar met gemiddeld 10% is gestegen, tegenover 2% van 65-minners.”

Kunt u beloven dat, als het CDA weer in het kabinet komt,  ouderen financieel worden ontzien?

“Het gaat erom dat we de pijn eerlijk verdelen. Ik maak me grote zorgen over wat de economische crisis doet met de solidariteit tussen ouderen en jongeren. Het is logisch dat senioren voor hun belangen opkomen. Ze hebben hun hele leven hard voor hun oude dag gewerkt, en dan is het een bittere pil als je opeens minder pensioen krijgt, of meer voor je zorg moet gaan betalen. Aan de andere kant vraag ik ANBO-leden ook om oog te hebben voor de positie van onze kinderen en kleinkinderen. Als we nu niet ingrijpen, kunnen zij later nauwelijks meer aanspraak maken op een pensioen. Om ook hen een goed toekomstperspectief te bieden, vragen we ook van 50-plussers een bijdrage. Bijvoorbeeld door iets eerder te beginnen met het verhogen van de pensioenleeftijd. Geen makkelijke boodschap, maar wel een eerlijke.”

Hoe ziet u de rol van ANBO hierin?

“ANBO heeft de solidariteit tussen jong en oud gelukkig ook hoog in het vaandel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de steun aan het pensioenakkoord. Maar ik ben wel teleurgesteld in de opstelling van de vakbeweging als het gaat om andere maatschappelijke problemen. Het lijkt alsof sommige bonden alleen nog maar tegenstribbelen als het om verandering gaat. Daarmee dreigt het poldermodel uit elkaar te vallen, terwijl dat ons de afgelopen decennia juist zoveel veel goeds heeft gebracht.”

Waar is het misgegaan?

“Nederlandse vakbonden komen op voor goede arbeidsvoorwaarden voor hun leden. Maar door met werkgevers en de overheid akkoorden te sluiten over bijvoorbeeld arbeidsmarkt en pensioen, hebben ze zich altijd óók ingezet voor het grotere belang, namelijk dat van de samenleving als geheel. Wat dat laatste betreft laat de vakbeweging wat mij betreft nu te veel haar verantwoordelijkheid liggen. In plaats van samen te zoeken naar lange termijnoplossingen, maakt ze een terugtrekkende beweging en zet ze in op behoud van verworven rechten. Met zo’n houding kom je niet verder.”

Heeft u er vertrouwen in dat de opvolger van de FNV, de Nieuwe Vakbond, die handschoen zal oppakken?

“Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik niet erg optimistisch ben. Desondanks blijf ik hopen op een goede uitkomst, want van al dat getouwtrek wordt niemand beter. De samenleving heeft een groot belang bij een sterke en verantwoordelijke vakbeweging, en bij een constructief overleg tussen werkgevers en werknemers. Uiteindelijk moet het toch op de werkvloer gebeuren.”

FLEXIBEL WERKEN

Eén van de onderwerpen waar Van Hijum zich in de Tweede Kamer hard voor maakt, is om werknemers de ruimte te geven te werken, waar en wanneer ze willen. In februari van dit jaar diende hij daarover samen met Ineke van Gent van GroenLinks een initiatiefwet in. Als het voorstel ‘Flexibel Werken’ wordt aangenomen (het is nog onduidelijk of er een meerderheid voor is), dan kunnen medewerkers in de toekomst aan hun baas vragen om thuis te mogen werken, of op momenten dat het hun het beste uitkomt. Tijdens schooltijden bijvoorbeeld, of ’s avonds. Een werkgever mag dat verzoek alleen weigeren als er zwaarwegende bedrijfsbelangen zijn, bijvoorbeeld omdat een klus alleen op locatie kan worden uitgevoerd.

Vanwaar dit initiatief?

“De overheid vraagt burgers om massaal aan de slag te gaan, en ook om langer door te werken. Tegelijk wordt er een steeds groter beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van mensen als het gaat om de zorg voor bijvoorbeeld kinderen of een zieke partner. Om dat praktisch mogelijk te maken, moet je ze als overheid wel voldoende gelegenheid geven om arbeid en zorgaken goed te regelen. Eén manier is om werk flexibeler te organiseren. Ook voor ouderen ontstaan dan meer mogelijkheden om werk te combineren met mantelzorg.”

Is het niet aan sociale partners om dat onderling op te lossen?

“Bij voorkeur wel. Maar tot nu toe komen de CAO-afspraken hierover nog onvoldoende van de grond. Vandaar deze stok achter de deur.”

Werkgevers hebben al laten weten dat ze niets in het voorstel zien. Ze noemen het symboolpolitiek.

“Dat zeiden ze ook van de Wet Aanpassing Arbeidsduur, die werknemers het recht geeft om meer of minder uren te vragen. Hoewel er weinig mensen met deze wet in de hand naar de rechter stappen, heeft hij wel bijgedragen aan cultuuromslag. Voor mannen is het bijvoorbeeld normaler geworden om een dag minder te gaan werken als er kinderen komen. We verwachten dat de Wet Flexibel Werken eenzelfde soort effect zal hebben.”

Een verpleegster of bouwvakker kan moeilijk eisen dat hij of zij thuis mag werken.

“Klopt. Maar in de zorg wordt bijvoorbeeld wel steeds meer gewerkt met een systeem van zelfroosteren. Daarbij kunnen medewerkers bijvoorbeeld onderling van dienst ruilen, intekenen op vaste roosters, hun wensen opgeven voor individuele roosters of zelf hun eigen rooster geheel vaststellen. Dat creëert óók ruimte.”

Iets anders waar u vurig voor pleit, is een individueel scholingsbudget voor werknemers. Wat houdt dat in?

“De tijd van ‘een baan voor het leven’ ligt definitief achter ons. Dat betekent dat we meer dan ooit de regie over onze eigen loopbaan moeten nemen. Een individueel scholingsbudget helpt daarbij. Door tijdens je werkzame leven je kennis bij te houden, of je zo nodig te laten omscholen, vergroot je je kansen op de arbeidsmarkt, ook op latere leeftijd. Dat levert uiteindelijk meer zekerheid op dan ontslagbescherming en uitkeringen. Scholing is de beste vorm van sociale zekerheid.”

Wie gaat dat budget in deze crisistijd betalen?

“Het is nu al zo dat de meeste werkgevers een percentage van het loon afdragen aan het scholingsfonds van hun branche. Momenteel hebben al die fondsen samen zo’n 500 miljoen euro in kas. Zonde! Wat mij betreft wordt dat geld gebruikt om voor iedere werknemer een individueel plan te maken over hoe hij zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen.”

Hoe gaat u werkgevers van die noodzaak overtuigen?

“Door een relatie met de ontslagvergoeding te leggen. Ik heb vorig jaar al het idee geopperd om de ontslagvergoeding lager te laten uitvallen als een werkgever flink heeft geïnvesteerd in het kennisniveau of het vakmanschap van zijn medewerker. In het akkoord dat onlangs in de Tweede Kamer tussen vijf fracties is gesloten is deze afspraak nu ook opgenomen. Ik reken er op dat we in de Kamer snel over een uitwerking kunnen debatteren.”

Tot slot: waar ziet u zichzelf over tien jaar?

“Dan ben ik bijna 50! Ik hoop me tegen die tijd nog steeds in te zetten voor de samenleving. En ook dat ik mijn werk goed kan combineren met de aandacht voor mijn vrouw en drie – tegen die tijd – tienerdochters. Als Tweede Kamerlid is dat soms namelijk knap lastig.”

[Kader]

Wie is Eddy van Hijum?

Tijdens zijn studie bestuurskunde aan de Universiteit Twente vervulde Yde Johan (Eddy) van Hijum (17 april 1972) verschillende functies binnen de jongerenorganisatie van het CDJA. Na zijn promotie ging hij aan de slag als organisatieadviseur. Van 1998 tot 2003 was Van Hijum achtereenvolgens lid en voorzitter van de CDA-fractie in de gemeenteraad van Zwolle. In 2003 stapte hij over naar de landelijke politiek. Namens de CDA-fractie voert hij in de Tweede Kamer het woord over verschillende onderwerpen op het terrein van sociale zaken en werkgelegenheid. Van Hijum is getrouwd en heeft drie dochters. U kunt hem via Twitter volgen op @vanHijum.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: