STRIKT VERTROUWELIJK: 13 VRAGEN OVER MEDISCH BEROEPSGEHEIM

21 Sep

006007

Gepubliceerd in Plus Magazine, oktober 2013

Dokters, verpleegkundigen, psychotherapeuten: zonder uw toestemming mogen ze met niemand over uw behandeling praten, zo is de regel. Maar in de praktijk is dat niet altijd zo simpel als het lijkt.

1. Wat is medisch beroepsgeheim?

Simpel gezegd: een zwijgplicht. Die garandeert dat iedereen vrijelijk voor hulp bij een zorgverlener kan aankloppen, en dat patiënten volledig open naar hun behandelaar kunnen zijn.

2. Voor wie geldt het beroepsgeheim allemaal?

Simpel gezegd: voor iedereen die een vorm van gezondheidszorg aanbiedt. Bijvoorbeeld dokters, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, GZ-psychologen, psychotherapeuten en tandartsen. Voor medewerkers die zelf geen zorg geven maar er wel bij betrokken zijn (zoals assistenten en secretaresses) geldt een afgeleid beroepsgeheim. Ook zij mogen dus niet zonder uw instemming met iemand anders over uw medische geschiedenis praten.

Overigens geldt het beroepsgeheim niet alleen tussen behandelaar en patiënt, maar ook tussen behandelaars onderling. Alleen als dat nodig is voor goede zorg mag een behandelaar medische gegevens met een collega delen. De huisarts van een patiënt met een allergie voor verdovingsmiddelen mag die informatie bijvoorbeeld doorgeven aan de tandarts van die patiënt.

3. Hoe zit het met bedrijfsartsen?

Huisartsen, verzekeringsartsen, bedrijfsartsen: het beroepsgeheim is voor allemaal gelijk. Stel, een vrouw zit overspannen thuis vanwege een ernstig conflict met een collega. Als zij niet wil dat haar baas dat weet, mag de bedrijfsarts dat niet tegen hem zeggen. Wat de bedrijfsarts wél kan doen, is met de werkgever in gesprek gaan over hoe het werk kan worden aangepast (bijvoorbeeld overplaatsing naar een andere afdeling) zodat de werkneemster goed kan re-integreren.

4. En met hulpverleners die officieel geen gezondheidszorg bieden, zoals maatschappelijk werkers?

Zij hebben net zo goed een geheimhoudingsplicht. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor mensen die thuiszorg geven. Het verschil tussen deze groep en artsen is dat die laatste ook een verschoningsrecht hebben. Dat wil zeggen dat zij mogen weigeren om als getuige vragen van een rechter of justitie of politie te beantwoorden.

5. Houden dokters zich goed aan het beroepsgeheim?

Dat is moeilijk te zeggen. Bij de Zorglijn van de Nederlandse Patiënten Consumentenfederatie (NPCF) komen jaarlijks slechts enkele tientallen klachten binnen over misstanden in de omgang met medische gegevens. Ook het aantal tuchtzaken dat patiënten hierover aanspannen is beperkt. Zo bezien lijkt het dus meestal goed te gaan. Maar misschien is dat ook onwetendheid. Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) meldde in juni nog dat veel zorginstellingen onzorgvuldig omgaan met de medische gegevens van hun patiënten. Van de negen door hen doorgelichte instellingen hield geen één zich aan de normen voor gegevensbescherming. Medewerkers keken bijvoorbeeld uit nieuwsgierigheid in de dossiers van collega’s of van mensen die ze kenden. Dat mag dus echt niet.

In een enquête van het tijdschrift Medisch Contact uit 2012 meldde 49% van de deelnemende artsen dat ze het beroepsgeheim in de praktijk wel eens doorbreken. Overigens wil dat nog niet zeggen dat ze in al die gevallen ook echt buiten hun boekje gaan. Er zijn namelijk situaties waarin een hulpverlener zijn beroepsgeheim terzijde mag schuiven.

6. Wanneer dan?

Als een patiënt zelf toestemming heeft gegeven om zijn gegevens met iemand anders te bespreken, bijvoorbeeld als een man aan zijn huisarts laat weten dat zijn echtgenote zijn bloeduitslagen mag opvragen.

Als er sprake is van bepaalde besmettelijke infectieziekten, zoals hepatitis, TBC of mazelen. In dat geval is een arts verplicht dat bij de GGD te melden, zodat er maatregelen kunnen worden genomen om verdere verspreiding tegen te gaan.

Als een behandelaar een ‘conflict van plichten’ voelt. Er moet dan een ernstig gevaar dreigen, dat alleen kan worden afgewend door het beroepsgeheim te doorbreken. Stel, een man mishandelt zijn vrouw herhaaldelijk. Als haar arts voor haar veiligheid vreest, mag hij de politie over die situatie informeren. Zelfs als de vrouw dat zelf niet wil.

7. Wie bepaalt of er sprake is van een conflict van plichten?

De zorgverlener. Als leidraad geldt dat een collega in dezelfde situatie dezelfde keus zou moeten kunnen maken. Een paar voorbeelden (en het oordeel van artsenfederatie KNMG daarover).

  • Een patiënte vertelt in vertrouwen aan haar GZ-psycholoog dat zij geld van haar demente moeder heeft gestolen. Hij meldt dat vervolgens aan de politie.
    KNMG: Dat kan echt niet, want er is geen sprake van dreigend ernstig gevaar.
  • Een patiënt verbiedt zijn dokter om aan zijn vrouw te vertellen dat hij een serieuze geslachtsziekte heeft. De arts doet dat toch, omdat haar gezondheid in het geding is.
    KNMG: Niets mis mee, mits man en vrouw een seksuele relatie hebben.
  • Een spoedeisende hulparts waarschuwt de politie als een patiënt die overduidelijk dronken is in de auto stapt.
    KNMG: Op het randje, mag alleen als er geen andere manier is om de man ervan te weerhouden om auto te rijden.
  • Een huisarts die tijdens de vakantie de praktijk van collega waarneemt, leest (zonder medische aanleiding) de dossiers door van patiënten die hij kent.
    KNMG: Dat kan echt niet.
  • De dochter van een patiënt belt zijn huisarts met een vraag over de medicatie van haar vader. Omdat zij meestal met haar vader meekomt naar het spreekuur, geeft de dokter haar de informatie.
    KNMG: Op het randje, mag alleen als de arts zeker weet dat de vader dat goedvindt.
  • Een tandarts deelt tijdens een etentje een grappig verhaal over een patiënt, zonder zijn naam te noemen.
    KNMG: Op het randje, want het risico bestaat dat de patiënt wordt herkend.
  • Tijdens een borrel vertelt een specialist haar collega’s over een bekende Nederlander die bij haar in behandeling is.
    KNMG: Dat kan echt niet.

8. Tegen welke problemen lopen patiënten aan?

Soms vindt een patiënt dat zijn of haar behandelaar het beroepsgeheim onterecht heeft geschonden, zoals in het voorbeeld van de mishandeling of de geslachtsziekte. Andersom kan ook, dat iemand meent dat een zorgverlener het beroepsgeheim juist te streng toepast. Daar hebben vooral naasten of nabestaanden van patiënten last van, bijvoorbeeld als zij het dossier van een overleden familielid niet mogen inzien.

9. Waarom mag dat eigenlijk niet?

Beroepsgeheim houdt niet op bij het overlijden. Als een patiënt niet vóór zijn dood duidelijk heeft aangeven dat zijn naasten zijn dossier mogen inzien, zal een dokter er dus vanuit gaan dat hij dat niet wilde.

10. Welke gevolgen heeft de invoering van het elektronische patiëntendossier (EPD) voor het beroepsgeheim?

Geen. De patiënt bepaalt of bijvoorbeeld zijn huisarts of ziekenhuis een EPD voor hem mag maken en zo ja, welke behandelaars die gegevens mogen inzien. Het is dus zeker niet zo dat alle zorgverleners daar zomaar in mogen kijken.

11. Hoe lang worden mijn medische gegevens eigenlijk bewaard?

15 jaar, tenzij u na die tijd nog steeds voor dezelfde aandoening wordt behandeld of het bijvoorbeeld in verband met een erfelijke aandoening belangrijk is om uw dossier te bewaren.

12. Vorig jaar was er veel commotie over het filmen van patiënten op de eerste hulp van het VU Medisch Centrum in Amsterdam. Mag dat zo maar?

Er zijn regelmatig programma’s op tv waarbij patiënten herkenbaar in beeld komen. Als ze daar zelf vooraf toestemming voor hebben gegeven, is dat geen probleem. Patiënten kunnen er ook mee instemmen dat hun behandelaar over hen vertelt. Daarmee heffen ze dan het beroepsgeheim (voor die specifieke situatie) op. Bij de opnames in het VUmc werd echter pas achteraf, dus nadat patiënten al waren gefilmd, toestemming gevraagd (of kregen patiënten onvoldoende tijd om na te denken of ze wel echt toestemming wilden geven). Dat mag niet.

13. Waar kan ik terecht als ik vind dat mijn behandelaar niet zorgvuldig met mijn gegevens omgaat?

In eerste instantie bij uw behandelaar zelf. Als die uw vragen niet naar tevredenheid beantwoordt, kunt u contact leggen met de klachtenbemiddelaar of een klacht indienden bij de klachtencommissie van de instelling. Een andere mogelijkheid is om een klacht in te dienen bij de tuchtrechter, of schadevergoeding te eisen bij de gewone rechter. In alle gevallen kan de afdeling Informatie en klachtenopvang van een Zorgbelangorganisatie in de buurt u hierover adviseren. (Zie voor adressen http://www.zorgbelang-nederland.nl.)

Met medewerking van prof. mr. Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Leiden en coördinator gezondheidsrecht bij de artsenfederatie KNMG, en mr. drs. Martine Versluijs, senior adviseur bij de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF).

De voorbeelden in dit artikel zijn onder meer afkomstig uit Medisch Contact. Nr. 51/52 – 19 december 2012.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: