Archief | november, 2016

HET PERFECTE SPEL

29 nov

2016-11-26-lc-spellekijn

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 26 november 2016.

Spellenkenner Annetol Griskov runt al achttien jaar de Spellekijn in Leeuwarden. Zijn beste cadeautip? “Maak het kinderen niet te moeilijk.”

Gezelschapsspellen. Kinderspellen. Bordspellen. Partyspellen. Abstracte spellen. Familiespellen. Kaartspellen. Fantasyspellen. Vriendenspellen. Spellen die je tegen elkaar speelt, of juist samen. Spellen die tien minuten duren, of een halve dag. Wie speciaalzaak Spellekijn aan de Leeuwardense Peperstraat binnenstapt, voelt zich al snel overweldigd. De schier eindeloze wandplanken zijn van vloer tot plafond gevuld met dozen in alle soorten en maten. Meer dan acht duizend verschillende spellen in totaal. Het spelgekke personeel heeft die zo goed als allemaal zelf gespeeld.  “Want pas als je persoonlijk hebt ervaren hoe een spel werkt, kun je er goed over adviseren”, aldus eigenaar Annetol Griskov (43).

Ironisch genoeg hield Griskov als kind helemaal niet van (echte) spelletjes. “Van mijn broer moest ik altijd Stratego spelen”, verzucht hij. “Vreselijk vond ik dat.” Veel liever zat hij achter de computer, waar hij een groot deel van zijn tijd doorbracht. Gaandeweg raakte hij door die eenzame bezigheid veel vrienden kwijt. Om als student weer onder de mensen te komen, besloot hij in de ‘echte’ wereld een fantasykaartspel te gaan spelen, Magic the Gathering. Dat beviel zo goed, dat hij meer en meer medespelers om zich heen verzamelde. Het idee voor een spellenvereniging was geboren.

“Op dat moment waren er in Nederland nog weinig spellen voor volwassenen te krijgen”, vertelt Griskov. “En internet stond nog in de kinderschoenen. Dus besloot ik zelf maar spellen te gaan importeren.” Van het één kwam het ander, en in 1998 startte hij met Spellekijn. Hetzelfde jaar werd zijn oudste kind geboren. Achttien jaar later staat zijn zoon achter de kassa sinterklaascadeaus in te pakken.

Samen

In de twee decennia dat Griskov zijn winkel runt, is er een hoop veranderd. Waren spelletjes vroeger alleen voor kinderen (of nerds), nu is het heel normaal dat iedereen, jong of oud, speelt. Het overgrote deel van het – almaar uitdijende – aanbod komt uit het buitenland en is in het Nederlands vertaald. “Vooral Duitsland is van oudsher een spellenmekka”, vertelt Griskov. “Duitse spellen zijn veelal pareltjes, maar vanwege de complexiteit dikwijls minder geschikt voor het grote publiek. Helaas komen mensen daar meestal pas achter nadat ze ze hebben aangeschaft. Neem Agricola, een enorme hit. Op zich een meesterlijk spel, maar ook gigantisch ingewikkeld om aan te leren. Bij negen van de tien kopers belandt het daarom al snel ongebruikt in de kast.”

De laatste jaren komen er steeds meer ‘coöperatieve’ spellen op de markt. Oftewel: spellen waarbij je als spelers samenwerkt om een taak tot een zo goed mogelijk einde te brengen. Over die trend is Griskov erg enthousiast. “Iedere ouder weet dat een verloren spelletje de sfeer in huis flink kan verzieken. Met coöperatieve spellen heb je daar geen last van. Je vormt immers een team. Dat zorgt voor verbondenheid en saamhorigheid. Verschillende leeftijden werken gemakkelijk samen en leren van elkaar. Bovendien hoef je nooit op je beurt te wachten – vooral met kleine kinderen een groot voordeel.”

Een andere grote verandering is dat we, dankzij de apps op onze telefoons en tablets, tegenwoordig op ieder moment van de dag duizenden spelletjes binnen handbereik hebben. Je zou denken dat die de populariteit van fysieke spellen flink onder druk hebben gezet. “Integendeel”, aldus Griskov. “Veel echte spellen hebben door hun digitale evenknie nieuw leven ingeblazen gekregen. Toen de app ‘Wordfeud’ een hit was, schoot de verkoop van Scrabble omhoog. Hetzelfde zien we nu met het kaartspel Pokemon. Trouwens, als reactie op al dat  individualistische ‘beeldschermen’, willen mensen juist meer dingen samen doen. Net als ikzelf twintig jaar geleden. Uiteindelijk zoeken we elkaar toch weer op.”

Kinderachtig

Maar hoe kiest Sinterklaas uit het overdadige aanbod het juiste spel? “Dat is knap lastig”, erkent Griskov. Wat je volgens hem in ieder geval niet moet doen, is klakkeloos de aanbevelingen van (spellen)websites volgen. “Die worden vaak geschreven door echte fanatiekelingen. Maar hun oordeel zegt weinig over hoe geschikt of leuk een spel voor jou of je kind is. Dat geldt trouwens ook voor spellen met het predicaat ‘Speelgoed van het jaar’. Daar zitten vooral commerciële belangen achter. Als je je enkel daardoor laat leiden, is de kans op een miskoop groot.”

(Groot)ouders die een spel voor een (klein)kind uitzoeken, kijken vaak als eerste naar de leeftijd op de doos. Ze willen natuurlijk niet met iets kinderachtigs aankomen, dus kiezen ze voor een kind van 8 een spel ‘vanaf 8 jaar’. “Dat is een veelgemaakte denkfout”, aldus Griskov. “Om zo’n spel te begrijpen, moet het kind waarschijnlijk op z’n tenen lopen. Dat komt het spelplezier niet ten goede. Grote kans dat hij of zij gefrustreerd raakt en het voortijdig voor gezien houdt. Kies dus liever een spel met een wat lagere leeftijd.”

Hij heeft meer praktische tips. Zo is het volgens hem heel belangrijk om een spel te nemen dat vooral niet te lang duurt. “Volwassenen overschatten vaak hoeveel tijd kinderen zich kunnen concentreren. Je kunt beter twee keer een kort spel spelen dan één lang spel waar na een half uur niemand zin meer in heeft. Verder moet het niet te moeilijk zijn; hoe minder spelregels, hoe beter. Aan de doos kun je dat lastig afzien, maar van veel spellen zijn op internet instructiefilmpjes te vinden, waarin het spel wordt voorgedaan. Dan ontdek je gauw genoeg hoe ingewikkeld het is. Tot slot: kies iets dat past bij de motoriek van het kind. Een priegelspel met veel kleine onderdelen laten spelen door een wat ‘onhandig’ kind, is vragen om problemen.”

Het juiste spel aanschaffen is dus niet zomaar wat. Niet voor niets komen mensen van heinde en verre naar Spellekijn voor advies. “We vragen wat je leuk vindt, wat het moeilijkste spel is dat je ooit hebt gespeeld”, besluit Griskov. “Op basis van die informatie bevelen we een spel aan dat het beste bij jou of je kind past. Dat is niet per se het mooiste, nieuwste of best verkochte spel, maar het spel waar jullie waarschijnlijk het meeste plezier aan beleven. Want dat is uiteindelijk waar het om draait.”

[Kader]

Met deze spellen zit je (volgens Annetol Griskov) altijd goed

  1. Boomgaard (vanaf 3 jaar)
    Al meer dan 25 jaar een klassieker voor peuters en kleuters. In dit coöperatieve spel werken spelers werken samen en trachten de klus – het plukken van fruit uit een boomgaard – zo snel mogelijk te klaren, voordat de raaf er met de buit vandoor gaat. Simpele regels, geen competitie. Speelduur: 10 minuten.
  2. Carcassonne Junior (vanaf 4 jaar)
    Vereenvoudigde versie van het immens populaire Carcassonne voor volwassenen. Doel is om wegen te bouwen en daarop je speelstukken te plaatsen. Wie het eerst al zijn stukken kwijt is, heeft gewonnen. Speelduur: 45 minuten.
  3. Woolfy (vanaf 5 jaar)
    Samenwerkingsspel waarbij je gezamenlijk een stenen huis bouwt om de drie biggetjes tegen de boze wolf te beschermen. Speelduur: 20 minuten.
  4. Machi Koro (vanaf 6 jaar)
    Japans dobbelspel waarin de spelers met gebouwkaarten een eigen stad opbouwen. Lijkt qua opzet op een computerspel, waardoor kinderen moeiteloos snappen hoe het werkt. Speeltijd: 30 minuten.
  5. Karuba (vanaf 8 jaar)
    Een soort strategisch bingo, waarbij spelers hun expeditieteam zo slim mogelijk over junglewegen moeten leiden. Omdat elke speler een eigen speelbord heeft, kun je het met kinderen met verschillende leeftijden en niveaus spelen zonder dat die elkaar in de weg zitten. Speeltijd: 40 minuten.
  6. River Dragons (vanaf 8 jaar)
    Doel is om bruggen te bouwen en zo aan de overkant van de rivier te komen. Omdat er veel onverwachte dingen kunnen gebeuren en je elkaar flink kunt dwarszitten, verloopt het spel elke keer anders en gaat het niet snel vervelen. Speeltijd: 25 minuten.
  7. Sheriff of Notthingham (vanaf 10 jaar)
    Spelers verzamelen goederen en proberen die langs de sheriff de stad in de krijgen. Interactief spel waarbij je veel moet bluffen. Speeltijd: 60 minuten

[Kader]

Tips voor de aanschaf van een kinderspel

  • Kies een spel met niet te veel spelregels dat het liefst zo kort mogelijk duurt.
  • Hecht niet te veel waarde aan de (lagere) leeftijd op de doos. Het spelplezier is veel belangrijker.
  • Laat je niet leiden door reclames of andere commerciële aanbevelingen, maar door ervaringen van andere gebruikers.
Advertenties

TYPISCH DE JONGSTE

18 nov

Gepubliceerd in ZIN 12, 20 oktober 2016.

Zijn oudsten echt altijd betweterige leiders? En jongsten verwende flierefluiters? Je plek in het ouderlijk gezin bepaalt (mede) je persoonlijkheid.

Het is een geweldig onderwerp voor feestjes. Vraag iemand naar zijn positie in de geboorterij, en de verhalen komen direct los. Over hoe een oudste nooit uit de band kon springen omdat ze altijd het goede voorbeeld moest geven. Of waarom een miskende middelste zich nimmer gehoord voelde. Wat te denken van de boze jongste, die – zelfs nu ze in de veertig is – door haar broers en zussen nooit serieus wordt genomen? En dan is er natuurlijk het enig kind, dat zich levenslang moet verantwoorden dat hij écht niet verwend of zielig is. Hoe oud je ook bent, je plek in het gezin blijft altijd dezelfde. Net als soms de frustraties daarover. Als je daar niets mee doet, kunnen dat minitrauma’s worden.

Rollen

In gezinnen zijn vaak duidelijke rolpatronen te herkennen. Dat werkt door in wie je bent, en in wat voor werk en partner je kiest. Niet voor niets zijn verrassend veel wereldleiders oudsten, functioneren veel middelsten als een spin in het web en gaan veel jongsten het creatieve pad op.

 ‘De oudste moet de wijste zijn.’ Dat is het eerste wat in Karin (1963) opkomt als ze aan vroeger denkt. Als oudste van drie zussen voelde ze zich altijd verantwoordelijk voor de jongere meisjes, des te meer toen haar ouders gingen scheiden. “Voor mijn gevoel moest ik het gezin bij elkaar houden, en mijn zussen beschermen”, vertelt ze. “Als volwassene vond ik het heel lastig om dat los te laten, daar heb ik echt aan moeten werken.”

Zus Elly (1965) vond de middelste een leuke plek. “Ik pikte van iedereen wat mee. Misschien dat ik daarom ook zo’n goede bruggenbouwer ben. Ik kan me makkelijk in verschillende posities verplaatsen. Bij discussies tijdens het eten was ik de natuurlijke scheidsrechter.” Natuurlijk zaten er ook minder leuke kanten aan de middelste zijn, bijvoorbeeld dat ze altijd in de schaduw van jongste zusje stond. “Daardoor werd ik meer verlegen. Het heeft lang geduurd voordat ik mezelf durfde laten horen.”

‘Baby’ Jacqueline (1968) beleefde naar eigen zeggen vooral een heel relaxte jeugd. “Laat Jacq maar gaan”, zeiden haar ouders altijd. Het gevolg was dat ze een enorme fladderaar werd. “Ik had duizend dromen en projecten en mocht die ook allemaal uitvoeren. Misschien dat dat voor mijn zussen wel eens frustrerend was.” Minder leuk vond ze dat er veel van haar werd weggehouden. “Ik ontdekte bijvoorbeeld pas jaren later dat Karin als tiener veel ellende heeft meegemaakt. Maar uit bescherming had niemand me dat ooit verteld.”

Extra

Het belang van je plek in de geboorterij werd voor het eerst in de 19e eeuw omschreven door psycholoog en antropoloog Francis Galton. Hij ‘ontdekte’ dat eerstgeborenen oververtegenwoordigd waren in de wetenschap. Zijn verklaring: oudste kinderen krijgen de meeste aandacht en het beste eten, en dat is bepalend bij de ontwikkeling van hun karakter. Dit idee werd verder uitgewerkt door de Oostenrijkse psycholoog Alfred Adler, een tijdgenoot van Freud. Volgens Adler zijn we vanaf onze geboorte verwikkeld in een Darwiniaanse overlevingsstrijd, waarbij we met broers en zussen vechten om de tijd, liefde en aandacht van onze ouders. Historisch gezien zijn ouders ook altijd verschillend met hun kinderen omgegaan, bepleitte hij. De oudste kreeg bijvoorbeeld eeuwenlang automatisch de macht. En de jongste werd het vaakst naar de oorlog gestuurd, want die was toch ‘extra’.

Een eenvoudige manier om jezelf en anderen beter te begrijpen: zo noemt de Britse klinisch psycholoog Linda Blair het inzicht in het belang van je plek de geboorterij. Na 25 jaar praktijkervaring viel het haar op dat uiteenlopende mensen die in hun families de oudste, middelste of jongste waren bepaalde karaktertrekken met elkaar gemeen hadden. Zo zag ze opmerkelijk vaak een groot verantwoordelijkheidsgevoel bij oudste kinderen, en dat jongsten gemakkelijker teleurgesteld worden. Middelsten laten zich volgens haar nogal eens overhalen, terwijl ze bij enig kinderen herhaaldelijk perfectionisme en zelfvertrouwen tegenkwam. Ze schreef er een paar jaar geleden een boek over, Je plaats in het gezin. Daarin legt ze uit dat geboortepositie zo’n belangrijke rol speelt, omdat die heel bepalend is voor de dynamiek tussen ouders en kinderen, en tussen kinderen onderling. Snappen wat je plaats in het gezin voor jou betekent, kan je volgens haar helpen om je positieve eigenschappen zo goed mogelijk te benutten en negatieve patronen te doorbreken.

Pionier tegen wil en dank

Iemand die zich daar zeker in herkent, is schrijfster en oudste dochter (van vier) Lisette Schuitemaker (1954). Samen met Wies Enthoven publiceerde ze het boek Het oudste dochter effect. “Ik heb me altijd zó anders gevoeld dan mijn jongere broers en zusje”, zegt ze. “Een buitenbeentje, verantwoordelijk voor niet alleen hen, maar eigenlijk de hele wereld. Om die reden werd ik bijvoorbeeld al heel vroeg vegetariër. En zo opstandig als de broer na mij was, zo braaf was ik.”

Schuitemaker vond het moeilijk om eeuwig en overal de eerste te moeten zijn – met sporten, op school, met vriendjes – en had het gevoel dat ze altijd vóór moest blijven op haar boers en zusje. Een pionier tegen wil en dank, zo omschrijft ze het. De druk die ze zichzelf hierover oplegde, werd uitvergroot door de verwachtingen van vooral haar moeder. Dat ze als eerste zou trouwen bijvoorbeeld (wat ze overigens niet deed).

“Als ik ooit kinderen krijg, wil ik een tweeling, dacht ik vroeger; dan is er tenminste geen oudste. En zag ik een advertentie in de krant voor de geboorte van een tweede, dan voelde ik direct medelijden met de broer of zus die van de troon was gestoten. Nu ik me meer in het onderwerp heb verdiept, snap ik dat ik constant aan mijn ouders probeerde te bewijzen dat ik hun liefde en aandacht nog steeds waard was, ook al moesten ze die uiteindelijk over vier kinderen verdelen. Maar dat begreep ik toen nog niet.”

Eenmaal volwassen realiseerde Schuitemaker zich dat ze zich, zowel in haar privéleven als op haar werk, onbewust met andere ‘oudsten’ had omringd. Bij hen voelde ze een onuitgesproken herkenning en een vanzelfsprekend begrip. Die bewustwording zorgde voor een aha-moment. “Vanaf dat moment ging ik mijn eigen ‘oudstengedrag’ steeds beter herkennen en begrijpen. Waarom ik altijd alles goed voor elkaar moet hebben bijvoorbeeld. Waarom ik er constant voor moet zorgen dat iedereen het naar zin zijn heeft en dat alles goed loopt. Oftewel: waarom ik het gevoel heb dat ik de wereld moet redden en mezelf constant wil bewijzen.”

Dat inzicht hielp haar om bewust te kiezen of ze er wel of niet in dat gedrag mee wilde gaan. “Ik ken nu mijn valkuilen – ik hoef de organisatie van een familiedag niet op me te nemen, of anderen altijd maar uit de brand te helpen. Dat geeft ruimte in mijn hoofd, en een gevoel van controle. Bovendien zie ik nu ook de positieve kant, en kan ik genieten van mijn verantwoordelijke, plichtsgetrouwe, voortvarende, zorgzame en serieuze oudstengedrag. Want het is natuurlijk ook hartstikke fijn om je zaakjes op orde te hebben en anderen te kunnen helpen.”

Betekenis

Je plaats in het gezin kan zeker veel betekenis hebben, denkt ook psychotherapeut Frans Schalkwijk (1957), schrijver van het onlangs verschenen boek Onvolmaakt tevreden, over omgaan met je innerlijke criticus. Maar nog veel belangrijker dan de volgorde is volgens hem welke betekenis je daaraan hecht. “We maken allemaal ons eigen verhaal over onze geschiedenis”, legt hij uit. “Een middelste kind kreeg vroeger misschien minder aandacht dan een oudste. Maar het werd ook meer met rust gelaten. Of dat een fijne ervaring was of niet, hangt er maar net vanaf welk verhaal je daarvan maakt, welke inkleuring je eraan geeft.”

Of je als volwassene een positieve of negatieve waarde toekent aan je plek in het gezin, is volgens hem van veel meer afhankelijk dan alleen de geboortevolgorde. Je temperament en de omstandigheden waarin je bent opgegroeid bijvoorbeeld, maar ook hoeveel jaar er tussen jou en je broers en zussen zit, en hoe zij de verschillen hebben ervaren. “De werkelijkheid is zoveel genuanceerder dan een etiket ‘oudste’ of ‘enig kind’. Je doet die geen recht aan door alles op je plek in het gezin te willen gooien.”

Dat is systeemtherapeut Marieke Borleffs (1964) helemaal met hem eens. Als je merkt dat je vastloopt in je leven, kan nadenken over de je positie in de geboorterij volgens haar één van de startpunten zijn om te onderzoeken waar je problemen vandaan komen. “Het zorgt voor herkenning en verbinding, en geeft woorden aan gevoelens die soms lastig uit te drukken zijn”, zegt ze. “Wat dat betreft kan het een handig hulpmiddel zijn. Maar als je er te veel waarde aan toekent, kan het je juist belemmeren om verder te komen. Dan hoor je bijvoorbeeld: ‘Ik kan niet veranderen, want als jongste kind ben ik nu eenmaal zo’.”

Hoe groter de druk, hoe meer mensen de neiging hebben om zich vast te bijten in ‘hun’ versie van de waarheid, aldus Borleffs. Dat merk je bijvoorbeeld rond kerst, of rond de verdeling van een erfenis. Beladen momenten waarop volwassen kinderen als vanzelf in hun oude rollen terugvallen, en genoegdoening willen voor de pijn waar ze al die jaren mee hebben rondgelopen. “Het moeilijkste is om te accepteren dat je daar geen erkenning voor krijgt”, zegt Schalkwijk. “Vaak hebben mensen hun hele leven wrok gevoeld voor het feit dat een ander kind het – in hun ogen – beter had, of meer aandacht kreeg. Maar als je vasthoudt aan die wens tot ‘herstelbetaling’, blijf je vastzitten in het verleden.”

Dat hoeft dus niet, benadrukken beide therapeuten. De eigenschappen die je hebt overgehouden aan je plek in het gezin zijn geen vast gegeven, maar strategieën die je hebt ontwikkeld om met je ouders, broers en zussen en met de omstandigheden om te gaan. Je hoeft je er dus heus niet bij neer te leggen dat je als middelste altijd een onzekere vrouw op de achtergrond zal blijven. “Als je inziet dat er niet één waarheid is, creëer je ruimte om een andere betekenis aan je ervaringen te geven. Op die manier herschrijf je je eigen verhaal”, verklaart Borleffs.

Dat betekent overigens niet dat je je karakter moet veranderen. Integendeel. Als het lukt om de pijn erover los te laten, kun je ‘trauma’s’ die aan je geboortepositie kleven omzetten in iets positiefs. “De feiten uit het verleden kun je niet veranderen”, besluit Schalwijk. “Maar de beleving en de betekenis die je eraan toekent wel. Aan jou de keus.”

[Kader]

En, klopt het een beetje…?

Of je er veel waarde aan echt of niet: de meeste mensen herkennen wel iets van zichzelf in de typische karaktertrekken van oudste, middelste, jongste en enig kinderen.

Oudsten

  • Kracht: Goede leiders. Betrouwbaar. Verantwoordelijk. Ambitieus. Georganiseerd. Harde werkers.
  • Keerzijde: Behoudend. Te veel controle willen. Bang voor afwijzing. Veel behoefte aan bevestiging. Moeilijk met mislukkingen kunnen omgaan. Snel te veel hooi op hun vork nemen.

Middelsten

  • Kracht: Echte teamplayers. Kunnen goed relativeren. Prima bemiddelaars.
  • Keerzijde: Met alle winden meewaaien. Toegeven aan groepsdruk. Te snel compromissen sluiten. Niet voor zichzelf opkomen.

Jongsten

  • Kracht: Ongecompliceerd. Creatief. Vindingrijk. Sociaal.
  • Keerzijde: Gebrek aan eigenwaarde. Opstandig. Veel behoefte aan aandacht. Ongeorganiseerd. Minder doelgericht. Snel anderen de schuld geven.

Enigen

  • Kracht: Zelfvertrouwen. Assertief. Georganiseerd. Kunnen goed zichzelf vermaken en alleen zijn.
  • Keerzijde: Ongemakkelijk voelen in groepen. Perfectionistisch. Ongeduldig. Veeleisend.

 

 

VRIJPLAATS OM DOOD TE GAAN

18 nov

2016-11-17-dvhn-willemien-lenstra

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 17 november 2016.

Zo’n 650 mensen zag Willemien Lenstra, vrijwilliger van het hospice Gasthuis Groningen, afgelopen jaren komen en gaan. Een deel van hun bijzondere verhalen tekende ze op in het boekje Mevrouw wil versterven!.

“Zullen we voor het interview in het hospice afspreken, of vindt u dat eng?”

Willemien Lenstra (63), een van de initiatiefnemers van het Gasthuis Groningen, vraagt het voor de zekerheid maar. Want zo normaal als de dood na achttien jaar vrijwilligerswerk in het ‘bijna-thuis-huis’ voor haar is geworden, zo beangstigend is die nog altijd voor sommige buitenstaanders.

“Laatst nog een journaliste van een landelijke krant”, vertelt ze. “Die durfde ons niet te bezoeken. Jammer, want dan had ze kunnen zien dat een hospice helemaal niet zo somber en deprimerend is als veel mensen denken.”

En inderdaad, wie het statige pand aan de Groningse Eendrachtskade binnentreedt, stapt in een warm bad. Veel licht hout en primaire kleuren. Behang met Delfts blauwe bordjes in de woonkeuken. En een snoeppot die altijd is gevuld. Alsof je thuiskomt.

“Dat is precies de bedoeling”, zegt Lenstra. “Je bent hier vrij om zo dood te gaan als je zelf wilt. Met je eigen spullen om je heen, en desgewenst een sigaret of een fles drank en je kat op bed. Voor zover het praktisch uitvoerbaar is, mag alles.”

Jaarlijks sterven er in de zes kamers die het gasthuis telt zo’n veertig mensen, het overgrote deel aan kanker. De gemiddelde leeftijd bij het overlijden is 68 jaar, de gemiddelde verblijfsduur een maand. Arm of rijk, gelovig of atheïst; iedereen is welkom. Dat geldt trouwens net zo goed voor de 125 vrijwilligers die het huis draaiende houden. (Er zijn geen betaalde medewerkers). “We laten iedereen hier in zijn of haar waarde”, aldus Lenstra. “En zo hoort het natuurlijk ook. In de dood zijn we allemaal gelijk.”

Al achttien jaar rijdt ze bijna dagelijks naar het gasthuis, waar ze gemiddeld 25 uur per week doorbrengt. In die tijd heeft ze veel bijzondere mensen leren kennen. Haar hoofd zat zo vol met hun verhalen, dat ze besloot ze op papier te zetten. Een vijftigtal is begin dit jaar gebundeld in het boekje Mevrouw wil versterven!. Ze schreef het in eerste instantie voor zichzelf, maar ook om buitenstaanders een idee te geven van hoe het er achter de voordeur van een hospice nu écht aan toegaat. “De vraag die ik vaakst krijg? Hoe ik dit zware werk kan volhouden.”

Nou vooruit, dan beginnen wij daar ook mee.

“Het klinkt misschien vreemd, maar de dood is slechts een klein onderdeel van ons werk. Doodgaan is een moment, een ademtocht. Het overgrote deel van de tijd zijn we als vrijwilligers bezig om het leven zo aangenaam mogelijk te maken. We hebben veel plezier met elkaar, het is vaak heel gezellig hier. Mensen die ziek zijn en alleen wonen, zorgen dikwijls slecht voor zichzelf. Als ze dan bij ons komen en alle aandacht en liefde krijgen, knappen ze zienderogen op. Dat geeft zoveel voldoening! Niks ‘volhouden’ dus, ik doe het met plezier.”

Waarom vinden veel mensen een hospice dan toch eng, denkt u?

“Het beeld bestaat dat er een en al somberheid en verdriet heerst, maar dat is dus een groot misverstand. Verder vermoed ik dat de dood voor veel mensen gelijk staat aan het verlies van controle. Om daarmee geconfronteerd te worden, is kennelijk heel beangstigend.”

Wanneer kan iemand in een hospice terecht?

“Als hij of zij terminaal is. De benodigde indicatie geeft het Centrum Indicatie Zorg (CIZ) af bij een levensverwachting van maximaal drie maanden. De patiënt heeft bij ons dan recht op terminale thuishulp.”

Waarom kiezen mensen ervoor om in een hospice te sterven?

“Soms hebben ze geen naasten die voor ze kunnen of willen zorgen. Of het wordt de familie te veel. Vaak willen patiënten hun dierbaren ook niet belasten. Verder is dit een heel veilige omgeving. Niets hoeft, alles mag. En je bent nooit alleen. Natuurlijk kun je de deur van je kamer dichtdoen als je dat wilt, maar van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zijn er vrijwilligers aanwezig. En ’s nachts is er een verpleegkundige van de thuiszorg die de boel in de gaten houdt. Dat is voor veel mensen een geruststellende gedachte.”

Wie betaalt dat allemaal?

“Het kost jaarlijks zo’n 100.000 euro om dit huis te runnen. Dat geld gaat op aan woonlasten, verzekeringen en eten en drinken. De helft betalen gasten in de vorm van een huur van 40 euro per dag. De andere helft krijgen we binnen via fondsenwerving.”

Niet iedereen kan dat bedrag per dag opbrengen, zeker niet als een verblijf langer duurt.

“Er zijn zorgverzekeraars die de bijdrage betalen, maar vaak alleen als je een heel uitgebreide aanvullende verzekering hebt. Vreemd eigenlijk, als je bedenkt dat wij tien keer zo goedkoop zijn als een verpleeghuis. Soms biedt de bijzondere bijstand uitkomst. Als er echt geen andere mogelijkheid is, rekenen we niets. We sturen in ieder geval niemand wegens geldgebrek naar huis.”

Hoe komt iemand op het idee om een hospice te beginnen?

“Toen ik in de jaren ’90 voorzitter van Humanitas Groningen was, hoorde ik steeds vaker dat mensen ‘gedwongen’ in een instelling overleden omdat dat thuis niet kon. Op dat moment was er namelijk nog niets voor palliatieve zorg in Noord-Nederland. Ik vind dat iedereen zo moet kunnen sterven als hij of zij het liefste wil. Vanuit die gedachte is het plan voor het Gasthuis geboren.”

Hoe ziet een dag bij jullie eruit?

“Zeven dagen per week zijn er van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat vijf vrijwilligers aanwezig. Die runnen het huishouden – schoonmaken, wassen, boodschappen doen – en brengen tijd door met de gasten. We doen er alles aan om het hun zo goed mogelijk naar de zin te maken. Als ze trek hebben in een frikadel of een haring, halen we die. En willen ze samen winkelen of naar de kroeg, dan kan dat ook. Mensen denken vaak dat terminaal zieken de hele dag op bed liggen, maar dat is lang niet altijd zo.”

Is er niets in dit werk waar u moeite mee heeft?

“Jawel, het afleggen. Dat haat ik. Ik vind het ongemakkelijk en eigenlijk ongepast om mensen aan te raken die zich niet kunnen verweren. Gelukkig zijn er ook vrijwilligers die daar anders over denken. Ze zorgen ervoor dat de overledene ontspannen glimlachend op bed ligt. Prettig om naar te kijken, en zo moet het ook. Die laatste indruk van een dierbare blijft namelijk altijd bij je. Daarom is het werk van de afleggroep zo belangrijk.”

Wat is er in die achttien jaar veranderd?

“We zien steeds vaker heel eenzame, verwaarloosde mensen. Dikwijls hebben zij behalve een terminale ziekte ook psychische problemen. Ik vrees dat dat het gevolg is van de bezuinigingen in de geestelijke gezondheidszorg. Positief is dat de pijnbestrijding de afgelopen jaren zoveel beter is geworden. Niemand hoeft meer met pijn te overlijden.”

Vindt er veel euthanasie plaats?

“Verrassend weinig. Veel gasten wapperen bij binnenkomst met een euthanasieverklaring, maar uiteindelijk blijkt die zelden nodig, misschien één of twee keer per jaar. Het merendeel overlijdt met behulp van palliatieve sedatie, waarbij de patiënt in slaap wordt gebracht tot hij een natuurlijke dood sterft.”

Wat zijn uw bijzonderste herinneringen?

“In totaal heb ik hier zo’n 650 mensen zien komen en gaan. Er zijn zoveel mensen die ik nooit zal vergeten. De dame die vroeg of ik naar haar huis wilde gaan om haar fotoboeken te vernietigen. De gewelddadige TBS-er die een van de vriendelijkste mensen bleek die ik ooit heb ontmoet. De vrouw die in de la van haar nachtkastje acht flessen sterke drank had staan waar ze met rietjes uit dronk. Het kindje van veertien maanden dat een half jaar bij ons heeft gewoond. Maar het meest bijzonder waren misschien wel de drie bruiloften die we hier hebben gevierd.”

Is uw eigen idee over de dood door dit werk veranderd?

“Nee. Bang ben ik daar nooit voor geweest. Ik geloof niet in leven na de dood, dus weg is weg. Vandaar ook dat ik het graag aan mijn nabestaanden overlaat om mijn uitvaart op hún manier te regelen. Zij hebben daar belang bij, voor mij maakt het niet meer uit. Ik heb geen behoefte om over mijn graf te regeren.”

Meer informatie: gasthuisgroningen.nl.

[Kader]

Mevrouw wil versterven!

Op basis van haar ervaringen verzamelde Willemien Lenstra zo’n vijftig verhalen en bundelde die in het Mevrouw wil versterven! Kleine miniatuurtjes van willekeurige gasten, die tezamen een verhelderend beeld geven van hoe het er in een hospice aan toegaat. Het boek (€ 12,50) is te verkrijgen bij diverse Groningse boekhandels of te bestellen via gasthuisgroningen.nl of via bol.com.

NOOIT TE VROEG OM OVER DE DOOD TE BEGINNEN

18 nov

2016-11-17-lc-mary-mijnlieff

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Nooorden,
17 november 2016.

Voor veel ouders is het een van de moeilijkste onderwerpen om met hun kinderen over te praten: de dood. Toch doe je er volgens orthopedagoog Mary Mijnlieff, gespecialiseerd in rouw- en verliesbegeleiding voor kinderen, goed aan om dat regelmatig te doen. “Erover spreken maakt de dood minder bedreigend.”

Maak je kinderen niet bang als ze met ze over de dood praat?

“Dat is een groot misverstand. Mensen denken vaak ze kinderen moeten beschermen tegen de angst en pijn die bij de dood horen. Daarom hebben ze de neiging om de waarheid erover af te zwakken, of te verdoezelen. Helaas zit je kinderen daarmee eerder dwars dan dat ze het helpt. Het zorgt ervoor dat áls de dood zich aandient, ze niet goed afscheid kunnen nemen. Het beste advies dat ik kan geven is dan ook om er juist wél met ze over te spreken.”

Vanaf welke leeftijd kan dat?

“Eigenlijk is het nooit te vroeg om over de dood te praten. Begin er dus zo jong mogelijk mee – vanaf 2,5 of 3 jaar – en bij voorkeur op een moment dat er niets ernstigs aan de hand is. Leg uit dat ‘dood’ betekent dat het lichaam stuk is en niet meer gemaakt kan worden. Je hoeft niet meteen over mensen te beginnen, een dode vogel of muis kan een heel goede aanleiding zijn om het onderwerp aan te snijden. Leg uit dat als een levend wezen overlijdt, het stijf en koud wordt en de kleur eruit verdwijnt. Zo voorkom je dat een kind later schrikt als het iemand opgebaard ziet. Het onbekende en onverwachte is namelijk veel enger dan de dood zelf. Ga daarna, als het kind 4 of 5 is, eens samen naar een begraafplaats en vertel wat er daar gebeurt. Wat een begrafenis of crematie is en hoe die eraan toegaat. Houd het luchtig door bijvoorbeeld op vervoer te focussen; dat de kist per auto, kar, boot of bus vervoerd kan worden. Je kunt ook op zoek gaan naar herkenbare symbolen op de grafstenen, zoals duiven, treurwilgen en zandlopers. Laat het onderwerp regelmatig terugkomen. Je kunt bijvoorbeeld samen benoemen wat de verschillen zijn tussen leven en dood, dat iemand die is overleden niet meer ademt, zijn ogen dicht heeft, niet meer denkt en geen pijn meer voelt. Op die manier maak je de dood minder bedreigend.”

Wat moet je vooral niet zeggen?  

“Dat de overledene ‘voor altijd is gaan slapen’; dan is de kans groot dat kinderen zelf niet meer naar bed durven. Pas ook op met uitspraken als ‘hij is op een andere plek’, of ‘zij is in de hemel’, vooral bij kleine kinderen. Kleuters kunnen niets met het idee van eindigheid; voor hen betekent weggaan dat je weer terug kunt komen. Ook dat kan beangstigend zijn. Bovendien kunnen ze daardoor in hun verdriet blijven hangen. Bij basisschoolkinderen is het belangrijk te benadrukken dat zij op geen enkele manier schuld hebben aan de dood van een naaste. Anders bestaat het risico dat een kind bijvoorbeeld gaat denken dat als hij maar liever was geweest, oma niet was gestorven. Herhaal in de periode na het overlijden dus regelmatig dat zij er echt niets mee te maken hebben. Pubers tot slot willen vaak niet met hun familie over hun verdriet praten. Dwing ze daar dan ook niet toe. Zij zoeken hun eigen uitlaatklep, op school, bij vrienden of op de sportvereniging. Ouders voelen dat vaak als een afwijzing, maar dat hoort echt bij de leeftijd. Eventueel kun je een mentor of coach vragen of die het onderwerp bij je kind wil aankaarten.”

Doe je er goed aan een kind mee te nemen naar een begrafenis of crematie?

“Ja. Ik raad mensen altijd aan om dat te doen, ongeacht de leeftijd. Oók als kinderen het zelf niet willen. Spreek dan bijvoorbeeld met ze af dat ze in ieder geval even meegaan, en dat als ze tijdens de dienst echt weg willen, een vriendin of tante alsnog met ze naar buiten gaat. Uiteindelijk doe je ze daar een groot plezier mee. Want hoe vaak hoor je volwassenen niet zeggen dat ze als kind niet echt afscheid van iemand hebben kunnen nemen, omdat ze niet mee mochten naar de uitvaart? Om dezelfde reden is het trouwens belangrijk om ze na het overlijden van een direct familielid bij de organisatie te betrekken. Laat ze meedenken, geeft ze een rol. Voorkom dat kinderen bij een condoleance of een afscheidsbijeenkomst verloren rondlopen.”

En laten zien hoe iemand opgebaard ligt?

“Ook daar doe je goed aan, want ook dat is een belangrijk onderdeel van het afscheidsproces. Mits je het goed voorbereidt. Vertel vooraf zo precies mogelijk wat een kind kan verwachten. Dat het lichaam koud is, dat de koeling kan brommen, dat er mensen zullen zijn die huilen. Als je het op die manier aanpakt, geef je hem of haar de beste kans om op een goede manier met het verlies in het reine te komen.”

Wat als iemand zelfmoord heeft gepleegd? Moet je dat ook vertellen?

“Als het om de dood gaat, kun je het beste altijd zo dicht mogelijk bij de waarheid te blijven. Zelfs bij zo’n moeilijk onderwerp als zelfmoord. Dat geldt des te meer als het om een direct familielid gaat. Kinderen die pas veel later ontdekken dat hun vader of moeder zichzelf van het leven heeft beroofd, voelen zich vreselijk verraden. Door daarover te zwijgen, beschadig je de loyaliteit van het kind met de overledene én met de overgebleven ouder.”

Rouwen kinderen anders dan volwassenen?

“Ja, bij hen gaat het meer in stukjes. Het ene moment kunnen ze huilend op de bank zitten, het volgende moment spelen ze alweer vrolijk. Dat zegt niets over hoe moeilijk ze het ermee hebben. Net zo goed als het onderwerp negeren of wegstoppen niet helpt om pijn bij kinderen te voorkomen. Het is dus belangrijk om alle ruimte te geven aan rouw en herinneringen, zowel de fijne als de moeilijke. En maak duidelijk dat het oké is om verdrietig te zijn. Dan zul je ontdekken dat kinderen veel meer aankunnen dan we als volwassenen vaak denken.”

[Kader]

Meer tips van Mary

  • Boeken: “Bij kleine kinderen kun je heel goed prentenboeken gebruiken om over de dood te praten. Er zijn er legio. Een van mijn favorieten is Adriaan – Een kist voor Stippie, over het overlijden van een hond. Er is ook een animatiefilmpje van gemaakt.” npo.nl/adriaan/10-12-2012/KRO_1583759.
  • Museum: “In Amsterdam vind je uitvaartmuseum Tot Zover. Aan de hand van een speurtocht komen kinderen daar van alles te weten over zaken als afscheid nemen, rouwen, rituelen van andere culturen en manieren om mensen te herinneren.” totzover.nl.
  • Gedenken: “Er zijn allerlei creatieve manieren om herinneringen levend te houden, bijvoorbeeld door samen met een kind een gedenkdoos of een troostboom te maken. Mooie voorbeelden vind je bijvoorbeeld op de site van de Vlaamse vereniging Talismanneke.” talismanneke.be.
  • School: “Met de dierentuinexcursie Leven en dood van de olifant en Zoo laat uitvaartvereniging Yarden in samenwerking met olifantenkenner Marjo Hoedemaker kinderen van de bovenbouw in het basisonderwijs spelenderwijs kennismaken met leven, dood en afscheid. Je als school opgeven kan via: youtube.com/watch?v=ivKoSI5owac.”

[Kader]

Mary Mijnlieff

Leerkracht en orthopedagoog Mary Mijnlieff (57) werkte jarenlang in het onderwijs. Ze is gespecialiseerd in de behandeling van (traumatische) rouwverwerking bij kinderen en heeft een eigen praktijk. Daarnaast geeft ze advies aan ouders over het onderwerp en traint ze leerkrachten over hoe ze beter kunnen omgaan met trauma’s bij leerlingen. Meer informatie: www.rouwverwerking-kinderen.nl.

HELPT ASPIRINE KANKER VOORKOMEN?

18 nov

Gepubliceerd in Margriet 48/49, 18 november 2016.

Naomi (35): “Een vriendin vertelde me dat een half aspirientje per dag de kans op hart- en vaatziekten en sommige soorten kanker kan verkleinen. Doe ik er goed aan dat dagelijks te nemen?”

Vasculair internist prof. dr. Saskia Middeldorp, hoogleraar trombose en hemostase in het AMC Amsterdam:

“Nee, tenzij je geschiedenis van hart- en vaatziekten hebt, zoals een hart- of een herseninfarct of etalagebenen. Is dat niet het geval, dan wegen de voordelen van dagelijks preventief aspirine slikken niet op tegen de nadelen.

De werkzame stof in aspirine, acetylsalicylzuur, werkt bloedverdunnend, waardoor er minder snel verstoppingen in bijvoorbeeld de kransslagaders ontstaan. Een dagelijkse, lage dosering kan het risico op hart- en vaatziekten met een vijfde verlagen. Waarom geven we dan niet iedereen aspirientjes, zou je denken. Omdat bloedverdunners ook nare en zelfs gevaarlijke bijwerkingen kunnen hebben. De belangrijkste: inwendige bloedingen, bijvoorbeeld in de maag of hersenen. Die kunnen blijvende schade geven. Je kunt er zelfs aan overlijden.

Kortom, ik raad je af om zomaar dagelijks aspirine te gaan slikken. Om hart- en vaatziekten te voorkomen, heb je er veel meer aan om gezond te leven: niet roken, regelmatig bewegen en gezond eten. Ook niet onbelangrijk: de onderzoeken naar de positieve gezondheidseffecten van aspirine zijn vooral bij mannen gedaan. De voordelen voor vrouwen lijken (nog) kleiner.

Denk je dat je – vanwege een ziektegeschiedenis – toch baat bij aspirine zou kunnen hebben, overleg dan met je huisarts of specialist. Die kan je eventueel een lage dosering voorschrijven. 80 milligram is voor een beschermende, bloedverdunnende werking namelijk genoeg. Ter vergelijk: in de aspirientjes die voor pijnstilling worden gebruikt, zit 500 milligram. Tabletten met 30, 80 of 100 milligram werkzame stof noemen we in de volksmond kinderaspirine. Die term is echter achterhaald; in de huidige kinderaspirine zit namelijk geen acetylsalicylzuur meer, maar paracetamol. Overigens kan het wel vijf jaar duren voor het preventieve effect van aspirine meetbaar is. Je moet het slikken dus lang volhouden.

Behalve tegen hart- en vaatziekten zou aspirine misschien ook de kans op sommige soorten kanker kunnen verkleinen. Veel vormen van kanker gedijen goed bij een ontsteking, omdat ontstekingscellen groeistoffen leveren aan een tumor. Aspirine werkt ontstekingsremmend en vertraagt zo mogelijk de ontwikkeling van kankercellen. Bovendien remt aspirine wellicht ook de aanleg van nieuwe bloedvaatjes en de groei van weefsel, beide nodig om een tumor te laten groeien. Maar er is nog veel meer onderzoek nodig om uit te zoeken hoe dat allemaal precies werkt, en hoe we die processen kunnen beïnvloeden. Pas als we dat weten,  kunnen we bekijken of het zinvol is om aspirine ook preventief tegen kanker te gaan gebruiken.”

Wekelijks geven (medisch) specialisten in Margriet antwoord op gezondheidsvragen van lezeressen. Heb je ook een vraag die je wilt voorleggen aan de (medisch) specialisten? Stuur hem naar rurbrieken@margriet.nl o.v.v. ‘vraag aan’. 

ALTIJD PIJN

10 nov

Gepubliceerd in Margriet 47, 11 november 2016.

Amanda (51): “Al anderhalf jaar heb ik zoveel pijn in mijn nek, armen en handen, dat ik er slecht van slaap en weinig in huis kan doen. De door de huisarts en neuroloog voorgeschreven pijnstillers, fysiotherapie en yoga halen niets uit. Ik ben er radeloos van. Wat kan ik doen?”

Anesthesioloog en pijnspecialist dr. Olav Rohof heeft meer dan 30 jaar ervaring met de behandeling van (chronische) pijn.

“We spreken over chronische pijn als die meer dan drie maanden duurt. Ongelofelijk veel Nederlanders hebben er dagelijks last van, wel tussen de twee en de drie miljoen, vooral in de lage rug, nek, schouders, armen, benen, gewrichten en zenuwen. Boosdoeners zijn bijvoorbeeld een hernia, artrose, fibromyalgie of zenuwschade.

Om te weten of en zo ja wat je aan langdurige pijn kunt doen, moet je eerst snappen wat de oorzaak is. Pijn afdoen als alleen maar ‘psychisch’, is in ieder geval niet terecht. In veel gevallen speelt stress een rol, maar er is vaak ook een lichamelijke probleem. Om daar achter te komen, is goed onderzoek nodig door een arts die ervoor heeft doorgeleerd: een pijnspecialist. Dat is een anesthesioloog die een extra opleiding heeft gehad op het gebied van pijngeneeskunde.

Bijna alle ziekenhuizen hebben inmiddels een speciaal pijncentrum, waar zulke gespecialiseerde anesthesiologen samenwerken met andere behandelaars, zoals fysiotherapeuten, psychologen en neurologen. Gezamenlijk hebben zij tal van behandelingen tot hun beschikking waarmee ze de pijn in veel gevallen kunnen verhelpen, of op z’n minst kunnen terugbrengen tot een aanvaardbaar niveau.

Helaas komen lang niet alle mensen die er baat kunnen hebben daadwerkelijk bij een pijncentrum terecht. Dat komt omdat veel patiënten, maar óók veel huisartsen, niet weten wat er allemaal mogelijk is op het gebied van pijnbestrijding. Of ze denken – onterecht – dat pijn er bij bepaalde ziektes, zoals reuma of kanker, gewoon ‘bij hoort’, en dat ze er maar mee moeten leren leven.

Als zaken als pijnstillers en fysiotherapie onvoldoende helpen en de pijn langer dan drie maanden aanhoudt, is het verstandig om naar een pijncentrum te gaan. Dat is des te belangrijker, omdat langdurige pijn een eigen leven kan gaan leiden. De zenuwen die het pijnsignaal aan de hersenen doorgeven, kunnen namelijk overprikkeld of beschadigd raken. In zo’n geval blijft de pijn bestaan, zelfs als de eigenlijke oorzaak al lang is verdwenen. In dat geval heb je te maken met een nieuw, op zichzelf staand probleem, en ben je nog verder van huis.

Mijn advies is kortom om je door je huisarts door te laten verwijzen naar een pijncentrum. Laat je niet met een kluitje in het riet sturen, want een goede pijnbehandeling is een basisvoorziening waar alle patiënten recht op hebben.”

Op www.anesthesiologie.nl vind je een overzicht van alle ziekenhuizen met een pijncentrum.

Wekelijks geven (medisch) specialisten in Margriet antwoord op gezondheidsvragen van lezeressen. Heb je ook een vraag die je wilt voorleggen aan de (medisch) specialisten? Stuur hem naar rurbrieken@margriet.nl o.v.v. ‘vraag aan’. 

 

HUIS EN WINKEL IN ÉÉN

10 nov

Gepubliceerd in Buitenleven, oktober 2016.

Ze moest er tot haar 47ste op wachten, maar toen trok Monique dan eindelijk in de oude boerderij waar ze al haar hele leven van droomde. Dat ze in het voorhuis de lang gewenste woonwinkel Anno Oud kon beginnen, maakte het helemaal af. “Hier ben ik thuis.”

  • Wie: Monique (56), haar vriend Rijk (47) en hun airedale terriër Olle (1)
  • Waar: In het centrum van het plaatsje Ruinerwold in Drenthe
  • Wat: Een gerenoveerde boerderij uit 1835
  • Sinds: 2007
  • Woonoppervlakte: 300 m2, waarvan zo’n 100 m2 wordt gebruikt als winkelruimte
  • Website: annooud.nl

Als kind wilde Monique twee dingen: tijdreizen (zodat ze de Middeleeuwen met de prachtige kastelen en hoepelrokken kon bezoeken) en Heidi zijn. Die laatste droom kwam – een beetje – uit toen ze op haar 21ste naar Zwitserland vertrok om in de horeca te gaan werken. Teruggaan in de tijd bleek lastiger. Alhoewel? Nu ze in een 81 jaar oude boerderij woont en een woonwinkel met antiek en brocante runt, is de geschiedenis een onlosmakelijk onderdeel van haar leven geworden.

“Ik heb altijd een fascinatie voor oude spullen gehad”, vertelt ze. “Alleen al de geur kan je naar een andere tijd transporteren. Een nieuwe stoel kan mooi zijn, maar heeft geen verhaal, er hangt geen sfeer omheen. Dan raak ik er al snel op uitgekeken. Terwijl een doorleefde tafel me nooit gaat vervelen.”

Luchtbed

Hun Drentse boerderij was voor Monique liefde op het eerste gezicht. Vanwege het karakter, en de twee aparte ingangen die hem geschikt maakte voor een winkel. Haar vriend Rijk schrok in eerste instantie van al het werk dat moest worden verzet – gevelrenovatie, nieuw dak, nieuwe badkamer en keuken, om maar een paar dingen te noemen – maar hij zag wel het potentieel. Met de verbouwing waren ze uiteindelijk een half jaar zoet. “Eerst hebben we het woongedeelte – de oude stallen – aangepakt en daarna het voorhuis, waar nu de winkel zit. Omdat we toentertijd nog in Emmeloord woonden, bleef ik tijdens de verbouwing vaak overnachten. Lag ik daar op een luchtbedje tussen de rommel.”

Monique was altijd al creatief bezig, maar in dit huis kon ze echt ‘los gaan’. Als het even kon, pakte ze zelf het gereedschap op – voor hakken, zagen of stenen slijpen draait ze haar hand niet om. Vaak was het een kwestie van uitproberen of iets werkte. “In de werkkamer wilden we buiten binnen halen door er een vloer van oude terrasklinkers te maken. In eerste instantie hadden we daar – net als je buiten zou doen – zand tussen gedaan, maar dat gaf te veel rotzooi. Toen hebben we de vloer toch maar gevoegd.”

Rust en ruimte

Die vloer staat symbool voor Moniques smaak: stoer, naturel, onbewerkt, oud. Ze valt voor grove, robuuste spullen. En vooral niet meisjesachtig. Het verroeste metalen haardscherm dat voor haar houtkachel staat bijvoorbeeld. Of de oude motorkap die ze als kunstobject in haar winkel verkoopt. “Zo mooi! Jammer dat ik daar zelf geen ruimte voor heb.”

Van wie ze haar gevoel voor inrichting heeft weet ze niet, maar in ieder geval niet van haar ouders. Hun huis was barstensvol. “Elk stukje muur was bedekt met lijstjes en schilderijtjes, overal stonden vaasjes die mijn vader op de rommelmarkt kocht. Misschien dat mijn stijl daarom zo eenvoudig is. In mijn huis zal je nooit prullaria en tierlantijntjes vinden. Ik heb behoefte aan rust en ruimte om me heen.”

Eén van haar beste vondsten was de antieke tegelvloer die nu de badkamer en het toilet van de boerderij siert. Linea recta afkomstig uit een oud kasteel in Frankrijk. “Ben ik na al die jaren stiekem toch nog een beetje een kasteelvrouw.”

7 VRAGEN AAN MONIQUE

Op wat in huis ben je het meest trots?

“Op de deuren van de badkamer en de wc. Die heb ik helemaal zelf gemaakt, van oude planken. De drempels eronder trouwens ook. Daarvoor heb ik oude waaltjes – gebakken klinkertjes – bij elkaar gezocht, op maat gemaakt en ingemetseld. Ik word er nog elke dag blij van als ik ze zie.”

Wat was je beste aankoop?

“Een gebint. Door de verbouwing van de bovenverdieping moest in de woonkamer een extra draagbalk komen. We waren al bij verschillende oude bouwmaterialenzaken geweest, toen ik er in Staphorst toevallig één langs de weg zag liggen. De boerderij waar hij uitkwam, werd gesloopt. De jongens die ermee bezig waren, zaagden hem voor me op maat en brachten hem zelfs thuis. De prijs: één krat bier.”

En je grootste miskoop?

“Het bad. Ik vind het prachtig van vorm, maar het is eigenlijk te klein, waardoor Rijk zit er met zijn lange lijf dubbelgevouwen in zit. Zakelijk was mijn grootste miskoop een ijzeren kinderbedje, dat drie jaar in de winkel heeft gestaan. Niemand had er belangstelling voor, dus nu gebruik ik het maar als bankje in de tuin.”

Welk meubelstuk heb je met pijn in je hart verkocht?

“Een oude ronde tafel die in de hal van ons huis stond. Echt een blikvanger als je binnenkwam. Afgelopen kerst deed ik mee aan een open huis in het dorp. Eén van de bezoekers wilde de tafel ter plekke kopen. Tegen mijn gevoel in ben ik gezwicht. Nu staat er een stamtafel uit een café in Meppel in de hal. Ook leuk, maar toch mis ik de ronde tafel nog steeds.”

Wat zou je nog willen veranderen?

“Toen we het kochten, bleek het dak van het voorhuis zo lek als een mandje. De kosten voor het herstel waren veel hoger dan we hadden beraamd, waardoor we geen badkamer meer op de bovenverdieping van het woondeel konden maken. Dat zou ik alsnog heel graag doen. Verder wil ik een muur in de woonkamer een kleurtje geven. Alleen kan ik niet besluiten welke kleur dan.”

Waar zit je het liefst op een natte herfstdag?

“Bij de houtkachel. Ondanks de centrale verwarming is ons huis namelijk moeilijk warm te krijgen. Met de koekoeksklok erbij is de gezelligheid compleet. Niet heel stoer natuurlijk, zo’n klok, maar die doet me aan mijn tijd in Zwitserland denken. Overigens staat hij meestal uit, want anders worden we gek van het geluid.”

Zie je jezelf hier oud worden?

“In dit huis wel, maar misschien niet in dit dorp. Ik heb lang heimwee naar Amsterdam en Emmeloord gehad. Drentenaren zijn zó anders. Het heeft een hele tijd geduurd voordat ik daaraan gewend was. Dat ik me hier nu thuis voel, komt omdat ik de mensen geaccepteerd heb zoals ze zijn. Maar of ik er voor altijd wil blijven, weet ik niet.”

STYLINGTIP

“Gebruik alledaagse objecten eens op een andere manier dan ze bedoeld zijn. Hang bijvoorbeeld een aantal oude lades aan de muur en zet daar boeken of mooie spullen in.”

FAVORIETE ADRESJES

  • De Winkel
    Een winkel in een oude boerderij met antiek, brocante en woonaccessoires, vooral uit Bretagne, waar ik graag inspiratie opdoe. De spullen worden heel origineel gepresenteerd, je kijkt je ogen uit. Zo staat er bij de ingang een groot aquarium met allerlei objecten erin. Verder is er een hoek ingericht als een antieke winkel, inclusief oude snoeppotten en verpakkingen.
    Dorpsstraat 68, Koekange. dewinkelkoekange.nl
  • Iets van Niets
    Eigenaresse Marjan Buursma is nooit klaar met haar jacht op bijzondere kasten, tafels, stoelen, bedden en andere hebbedingen waar je heel blij van wordt. Haar stoere stijl is vergelijkbaar met de mijne. Soms gaan we ook samen op pad om spullen in te kopen.
    Industrieweg 86, Hoogeveen. ietsvanniets.nl
  • Antieke bouwmaterialen bij Mercator & Co
    Hier vind je bijvoorbeeld hardstenen wasbakken en douchebakken, Franse kranen, rustieke vloerdelen en Franse plavuizen en mozaïeken. Vaak minder duur dan bij vergelijkbare zaken in de randstad. Zelf heb ik er de antieke tegelvloer voor mijn badkamer en toilet vandaan gehaald, afkomstig uit een Frans kasteel.
    Westeinde 20, Dwingeloo. mercatorenco.nl
  • Home Stock
    Waar ik ook kom, ik word altijd naar woonwinkels getrokken. Zo ook in Haarlem, waar mijn broer woont. Tijdens een wandeling door de stad kwamen we bij Home Stock terecht. In dit mini-woonwarenhuis van 1500m2 hebben ze een geweldig aanbod. Oude gymtoestellen bijvoorbeeld, stoere legerkisten en industriële lampen. Ook een goede plek om ideeën voor je eigen inrichting op te doen.
    Drossestraat 7, Haarlem. homestock.nl
  • Loods 66
    550 m2 met een zeer uitgebreid assortiment industriële brocante en vintage spullen. Inclusief de wereld aan oude lp’s en singles. Bovendien kan eigenaar Jan Loods je hele verhalen vertellen over zijn assortiment.
    Kruisakkers 1, Annen. loods66.nl

 

 

%d bloggers liken dit: