Archief | 14:25

PSYCHIATER ANNE SPECKENS OVER MINDFULNESS

13 Mei

Gepubliceerd in Plus Magazine, mei 2017

Zweverig gedoe voor hardnekkige hippies. Dat is het vooroordeel waar psychiater Anne Speckens vaak tegenaan loopt als ze over mindfulness vertelt. Maar dat idee is volgens haar achterhaald. “Er is steeds meer wetenschappelijk bewijs dat mindfulness bij bijvoorbeeld depressie écht werkt.”

Voor Anne Speckens, hoogleraar psychiatrie en oprichter van het Radboud Centrum voor Mindfulness, is mindful leven een tweede natuur geworden. Dat betekent dat ze tijdens dit interview haar computer en haar telefoon uitzet, en niet nadenkt over wat ze later vandaag nog allemaal moet doen. In plaats daarvan luistert ze heel aandachtig naar de vragen, en denkt ze bewust na over hoe ze de lezers van Plus zo goed mogelijk kan informeren en helpen. “Op mindfulness gebaseerde therapie kan bij veel patiënten die een depressie hebben gehad een terugval voorkomen.”

Mindfulness is voor veel mensen maar een vaag begrip. Kunt u het concreet maken?
“Het makkelijkste is om het te zien als het tegenovergestelde van handelen op de automatische piloot. In plaats van dat je gedachteloos doorrent, geef je heel bewust en zonder oordeel aandacht aan wat er op dit moment in je lichaam en geest gebeurt.”

Hoe doe je dat?
“Je leert van een afstandje naar je eigen gedachten en gevoelens te kijken, en het verband zien tussen gedachten, emoties en lichamelijke sensaties. Dat helpt om je denkpatronen te herkennen, je af te vragen hoe behulpzaam die eigenlijk zijn en er misschien anders mee om te gaan.”

Dat gaat vast niet zomaar.
“Nee, het is een vaardigheid, net als lezen of rekenen. Het kost tijd om die aan te leren.”

Wat heb je eraan?
“Mensen die een training mindfulness bij ons centrum hebben gevolgd en daarmee aan de slag gaan, geven na een tijdje vaak aan dat ze zich minder overweldigd voelen, en weer grip krijgen op hun leven. En dat ze milder worden, naar zichzelf en naar anderen. Ze kunnen beter met uitdagingen omgaan en hebben bijvoorbeeld minder kans op een burn-out. Patiënten die een of meerdere depressies hebben gehad, verkleinen de kans op een terugval.”

Hoe werkt dat?
“Onbewust hebben we allerlei overtuigingen en oordelen. Dat je nooit zwak mag zijn bijvoorbeeld, of dat anderen je dom vinden. Die zijn heel bepalend voor hoe we ons voelen of gedragen. En niet altijd op een positieve manier. Als je dat ontdekt, realiseer je je dat je gedachten en gevoelens hébt, maar dat je ze niet bént. Dat bewustzijn helpt weer om je minder slachtoffer te voelen, te accepteren dat het is zoals het is, mededogen te ervaren en in het moment te zijn. Veel mensen vinden dat dat de kwaliteit van hun leven ten goede komt.”

Wat heeft u daar in uw werk als psychiater aan?
“Begin deze eeuw heeft een aantal collega’s een behandeling ontwikkeld met mindfulness als basis, waarbij patiënten leren om zich niet langer te vereenzelvigen met hun negatieve gedachten. De afgelopen jaren hebben we onder andere in het Radboud veel onderzoek gedaan naar het effect van deze mindfulness based cognitive therapy (MBCT), oftewel: ‘aandachtsgerichte cognitieve therapie’. Daarin blazen we wereldwijd echt een deuntje mee.”

Wat waren belangrijke uitkomsten?
“Inmiddels weten we dat MBCT bij mensen die al vaker een depressie hebben gehad, heel goed werkt om een nieuwe depressie te voorkomen. Ook bij patiënten met een acute depressie, angstklachten en ADHD is de aanpak bewezen effectief. Mensen met kanker en onbegrepen lichamelijke klachten, zoals chronische pijn, kunnen er eveneens veel baat bij hebben. Zij leren anders met hun ziekte om te gaan, waardoor ze bijvoorbeeld minder somber of angstig zijn.”

Wat wilt u nog bereiken?
“Zoveel! Lang niet alle patiënten die er baat zouden kunnen hebben, worden door hun huisarts of andere behandelaars op de mogelijkheden van mindfulness gewezen. Het is ook belangrijk dat MBCT voor alle GGZ-patiënten in Nederland beschikbaar komt, want dat is nu helaas nog niet zo. Verder vormen zorgverzekeraars nog altijd een groot obstakel. Die vergoeden een mindfulnesstraining nu alleen voor patiënten die meerdere depressies hebben gehad, terwijl we inmiddels weten dat MBCT bij heel veel andere aandoeningen ook doeltreffend is. Daar is dus nog een hoop werk aan de winkel. Tot slot zou ik het geweldig vinden als alle geneeskundestudenten tijdens hun studie standaard een mindfulnesstraining krijgen. Uit onderzoek dat we in Nijmegen hebben gedaan, blijkt dat namelijk te leiden tot minder burn-outs en beter functioneren van artsen in opleiding.”

Waarom voelt u zich geroepen om dat allemaal voor elkaar te krijgen?
“Ik ben psychiater geworden omdat ik geïnteresseerd ben in de mens als geheel, en mindfulness gaat over de kern van het mens zijn. Over wijsheid, compassie en acceptatie. Er is zo weinig tolerantie voor beperking en verlies. Terwijl niets of niemand perfect is. We kunnen kortom wel wat meer mildheid gebruiken, als individuen en als maatschappij. Als iedereen wat bewuster zou leven, zou de wereld een stuk mooier zijn.”

Heeft het zin om op latere leeftijd nog een mindfulnesstraining te doen?
“Zeker weten. Juist als je wat ouder wordt, krijg je vaak met allerlei ingrijpende veranderingen te maken, zoals ziekte en afscheid. Mindfulness kan je helpen om het verdriet hierover toe te laten en te accepteren dat het leven eindig is. Tegelijkertijd leert het je ook om te genieten van wat je nog wel hebt. En ook als je op latere leeftijd psychische klachten hebt, kan aandachtsgerichte cognitieve therapie nuttig zijn.”

Hoe vind je een goede trainer?
“Op de website van de Vereniging Mindfulness Based Trainers Nederland en Vlaanderen, vmbn.nl, kun je bijvoorbeeld op regio of soort training zoeken. De professionals die bij deze beroepsvereniging zijn aangesloten, voldoen allemaal aan bepaalde kwaliteitscriteria, geven een minimum aantal trainingen per jaar en volgen zelf na- en bijscholing.”

Hoe heeft mindfulness uw eigen leven veranderd?
“Net als heel veel anderen heb ik een overvolle agenda. Maar ik heb mezelf aangeleerd om mijn aandacht maar op één ding tegelijk te richten. Dat komt niet alleen de kwaliteit van mijn werk ten goede, het geeft me ook meer voldoening. Ik ervaar alles bewuster, sta meer open voor anderen en ben minder gestrest. In plaats van dat ik word geleefd, maak ik weloverwogen keuzes over wat ik wel en niet wil doen en zijn.”

[Kader]
CV
Psychiater Anne Speckens (51) studeerde medicijnen in Leiden. Na haar studie maakte ze snel carrière in Londen, waar ze op haar 34ste hoofd was van de afdeling voor angst- en dwangstoornissen van het gerenommeerde Maudsley Ziekenhuis. In 2004 werd ze benoemd tot hoogleraar psychiatrie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, waar ze het eerste universitaire mindfulnesscentrum van Nederland opzette. In 2015 werd ze door de Raad van Bestuur van het Radboud benoemd tot Principal Clinician, een predicaat voor zorgverleners die voorlopen in het vernieuwen van de patiëntenzorg.

Advertenties

ALS JE TANDZENUW ONTSTOKEN IS

13 Mei

Gepubliceerd in Plus, mei 2017

Veel mensen zien erg op tegen een wortelkanaalbehandeling, vooral vanwege de mogelijke pijn. Is die angst gegrond? Gespecialiseerd tandarts Jan Warnsinck geeft antwoord.

1. Wanneer moet je een wortelkanaalbehandeling ondergaan?
Tandarts-endodontoloog Jan Warnsinck, universitair docent endodontologie aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam: “Als je een ontstoken en geïnfecteerde tandzenuw hebt. Iedere tand en kies zit met een wortel vast in de kaak. In de wortel bevinden zich één tot vijf kanaaltjes met levend weefsel, zoals zenuwvezels, bindweefsel en bloedvaatjes. Komen daar bacteriën in, dan kan het weefsel kan gaan ontsteken. Zonder behandeling sterft de tandzenuw op den duur af.Zo’n ontsteking kan een zwelling en/of koorts veroorzaken. Uiteindelijk kun je de tand of kies zelfs verliezen.”

2. Hoe ontstaat zo’n ontsteking?
“De mondholte zit bij ieder mens barstensvol bacteriën. Normaliter kunnen die geen kwaad – bij een gezond, gaaf gebit vormen je tanden en kiezen een natuurlijke barrière, zodat bacteriën niet kunnen doordringen in het onderliggende weefsel. Maar als je een gaatje hebt, ontstaat er als het ware een toegangspoort. Dat kan ook gebeuren door bijvoorbeeld een tandbreuk na een ongeluk, een vulling die niet helemaal goed meer aansluit of een beschadiging door tandenknarsen.”

3. Hoe ouder, hoe groter de kans op schade (en dus op een wortelkanaalbehandeling)?
“Het hangt er natuurlijk vanaf hoe goed je je gebit onderhoudt, maar in algemene zin kun je dat wel stellen. Iets anders is dat mensen het steeds belangrijker vinden om tot hoge leeftijd hun eigen gebit te behouden. Dat betekent ook dat er gaandeweg meestal meer aan moet worden gerepareerd. In de praktijk doen we steeds meer wortelkanaalbehandelingen bij 50-plussers.”

4. Wat merk je van een wortelkanaalontsteking?
“Het begint vaak met gevoelige tanden, bijvoorbeeld bij het drinken van van koude of warme dranken, of het eten van zoetigheid. Je kunt ook last krijgen met kauwen, of zelfs een constante, kloppende pijn voelen. Die kan heel heftig zijn. Overigens is het een misverstand dat een wortelkanaalontsteking altijd pijn veroorzaakt. Als de zenuw in de wortel al is afgestorven, voel je er niets van.”

5. Hoe stelt een tandarts de diagnose?
“Vaak – maar niet altijd – kun je een ontsteking op een röntgenfoto zien. In aanvulling daarop doet de tandarts onderzoek in de mond, bijvoorbeeld door te kijken of er zichtbare beschadigingen zijn.”

6. Hoe gaat de behandeling in zijn werk?
“Om bij de wortelkanalen te komen, creëert de tandarts eerst een opening in de tand of kies. Met verschillende vijltjes maakt hij de kanalen vervolgens ruimer, zodat hij ze goed kan ontsmetten. Dat doet hij door ze door te spoelen met een sterk verdunde chlooroplossing. Een houder op de tand of kies met daarachter een rubberlapje zorgt ervoor dat er tijdens de behandeling geen speeksel met bacteriën in de wortelkanalen komt, en geen spoelmiddel in de rest van de mond. Als alles helemaal schoon is, vult hij de kanalen op, meestal met een mix van een soort cement en rubber. Zo wordt de kans zo klein mogelijk dat er in de toekomst opnieuw bacteriën in de kanalen terechtkomen. Tot slot maakt hij de tand of kies weer dicht met een vulling. Afhankelijk van het aantal kanalen en de ingewikkeldheid duurt de behandeling meestal tussen de 1,5 en 2,5 uur. Soms kan die in één keer worden afgerond, soms moet je er een tweede keer voor terugkomen.”

7. Kun je hiervoor bij je eigen tandarts terecht?
“Dat hangt af van zijn expertise en ervaring. Veel tandartsen doen de behandeling zelf. Als ze niet de juiste kennis in huis hebben, of als ze verwachten dat een behandeling erg gecompliceerd is, verwijzen ze door naar een endodontoloog. Dat is een gespecialiseerde tandarts die een aanvullende opleiding van drie jaar heeft gevolgd, uitsluitend over wortelkanaalbehandelingen.”

8. Hoe zit het nu echt met de pijn?
“De zenuwpijn vooraf kan haast ondraaglijk zijn. Maar de behandeling zelf is dankzij de goede verdovingsmiddelen die we tegenwoordig hebben pijnloos. Als de zenuw al is afgestorven, is een verdoving soms zelfs niet eens nodig. Door de intensieve reiniging kan het gebitselement wel tijdelijk geïrriteerd raken. Daardoor kun je een paar dagen last houden van napijn. Over het algemeen is die goed te bestrijden met reguliere pijnstillers, zoals paracetamol of ibuprofen. Houdt de pijn langer aan, neem dan contact op met de tandarts.”

9. Is het nodig om na de behandeling antibiotica te gebruiken?
“Vrijwel nooit. Alleen als een ontsteking gepaard gaat met een heel heftige zwelling of hoge koorts, of als een patiënt extra kwetsbaar is voor infecties door andere gezondheidsproblemen zoals immuunziekten of hartproblemen, kan het verstandig zijn om antibiotica te geven.”

10. Ben je na een wortelkanaalbehandeling voor altijd van het probleem af?
“Meestal wel. We proberen de wortelkanalen zo goed mogelijk te reinigen en af te sluiten. Maar in een enkel geval kan het voorkomen dat er toch een restje van de ontsteking blijft zitten, of dat er een nieuwe opening ontstaat waar bacteriën door kunnen binnendringen. Dan is soms een nieuwe behandeling nodig.”

11. Een wortelkanaalbehandeling is een kostbare ingreep. Heeft het zin om bij meerdere tandartsen offertes aan te vragen?
“De behandeling bestaat uit verschillende handelingen met elk een eigen code. Voor al die codes heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) maximumtarieven bepaald, die door zo goed als alle tandartsen worden gehanteerd. Daar zit dus weinig verschil in. Maar de kosten kunnen, afhankelijk van de ingewikkeldheid van de behandeling, wel flink uiteenlopen. Eén wortelkanaal van een snijtand schoonmaken is vanzelfsprekend minder tijdrovend – en dus minder duur – dan drie of vier van een grote kies. Verder kan de ene tandarts andere of meer verrichtingen doen dan een collega, bijvoorbeeld doordat hij gespecialiseerde apparatuur gebruikt, waarvoor hij apart declareert. Zo kunnen er toch prijsverschillen ontstaan.
Voor een uitgebreide of dure behandeling kan het handig zijn om een offerte aan te vragen. Dan krijg je in ieder geval inzicht in hoe de kosten zijn opgebouwd. Schroom niet om je tandarts om uitleg te vragen. Voor een behandeling boven de 250 euro is hij sowieso verplicht een offerte te geven.
Een wortelkanaalbehandeling zit niet in het basispakket. Dat betekent dat je alleen een vergoeding krijgt als je een aanvullende tandartsverzekering hebt. Afhankelijk van je verzekeraar en het pakket ontvang je een percentage van het bedrag terug, tot een bepaald maximum.”

ALTIJD PIJN

13 Mei

ALTIJD PIJN jpeg.jpg

Gepubliceerd in Radar+, lente 2017

Tussen de twee en drie miljoen Nederlanders hebben altijd pijn, vaak zonder dat er (nog) een duidelijke oorzaak voor is. Dat kan een dagelijkse hel zijn. 5 deskundigen vertellen hoe chronische pijn ontstaat, en vooral of er iets aan te doen is.

 

Anesthesioloog dr. Mischa Simon is hoofd van het Pijnbehandelcentrum van het Leids Universitair Medisch Centrum.
“We spreken over chronische pijn als die meer dan drie maanden duurt en langer aanhoudt of zwaarder is dan verwacht, bijvoorbeeld na herstel van een ziekte of een operatie. Tussen de twee en de drie miljoen Nederlanders hebben er dagelijks last van. Het is dus een gigantisch probleem, dat een enorme impact heeft op het leven van mensen. Relaties en werk lijden eronder, en patiënten vinden het vaak moeilijk om de moed erin te houden. De meeste chronische pijnklachten komen voor in de lage rug, nek, schouders, armen, benen, gewrichten en zenuwen. De oorzaken zijn heel divers. Artrose, hernia, wervelschade, fibromyalgie of zenuwschade, bijvoorbeeld.
Acute pijn is een – belangrijke en nuttige – waarschuwing. Maar als de zenuwen die het pijnsignaal aan de hersenen doorgeven overprikkeld of beschadigd raken, kan de pijn aanhouden, zelfs als de oorspronkelijke aanleiding al lang is verdwenen. De pijn gaat dan als het ware een eigen leven leiden. In dat geval heb je te maken met een nieuw, op zichzelf staande aandoening: chronische pijn. Dat is een ingewikkeld, veelomvattend probleem, waar meestal geen simpele oplossing voor is.
Als we geen duidelijke – behandelbare – oorzaak voor de pijn vinden, hebben we grofweg twee opties: medicijnen die de pijnprikkel dempen of de zenuw die de pijnprikkel veroorzaakt (tijdelijk) uitschakelen. Dat laatste kan met behulp van injecties, elektrische prikkels of een operatie. Daarnaast is er zo nodig ondersteuning van bijvoorbeeld een fysiotherapeut of een psycholoog.
We gaan tot het uiterste om een remedie te vinden, maar helaas lukt het niet altijd om een patiënt helemaal pijnvrij te krijgen. Dan kan een speciaal therapieprogramma helpen om anders met pijn om te gaan.”

Revalidatiearts prof. dr. Rob Smeets, gespecialiseerd in chronische pijn, is hoogleraar revalidatiegeneeskunde aan de Universiteit Maastricht en werkt in het St. Jans Gasthuis en bij Libra Revalidatie & Audiologie in Weert.
“Pijnpatiënten die bij een revalidatiearts terechtkomen, hebben meestal al van alles geprobeerd. Dan kan revalidatie toch niets meer uithalen, denken ze. Maar uit eigen wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een pijnrevalidatieprogramma bij meer dan 70 procent van de patiënten voor minder pijn, vermoeidheid en beperkingen zorgt. Dat komt niet per se omdat ze van de pijn af zijn, maar vooral omdat ze er anders mee leren omgaan.
Pijnrevalidatie is bedoeld voor mensen met chronische klachten in het bewegingsapparaat zoals nek of rug, een whiplashsyndroom, fibromyalgie of een complex regionaal pijnsyndroom. Het eerste wat we doen, is hun situatie zo goed mogelijk in kaart brengen. Hoe is de pijn ontstaan? Wat zijn factoren die de pijn uitlokken of instandhouden? Op basis daarvan maken we een maatwerkplan. Vaak bestaat dat uit een combinatie van bewegen en psychosociale hulp. Bij chronische pijn is namelijk altijd méér aan de hand dan alleen lichamelijk letsel.
Pijn maakt mensen bang. Zodra ze pijn voelen, stoppen ze met een activiteit. Of ze durven er überhaupt niet meer aan te beginnen. Zo belanden ze in een neerwaartse spiraal, waardoor ze uiteindelijk niets meer kunnen. Met graded exposure therapy helpen we ze om het bewegen langzaam weer op te bouwen. Dat maakt ze lichamelijk maar ook mentaal sterker. En doordat ze hun bezigheden weer (deels) kunnen oppakken, neemt de pijn een minder grote plek in het dagelijks leven in.
Een bepaalde vorm van gedragstherapie, acceptance and commitment therapy, leert patiënten daarnaast om anders over pijn te denken, en te accepteren wat ze nog wel en niet meer kunnen. Alles met als ultiem doel: een betere kwaliteit van leven, óók als de pijn blijft.”
55 ziekenhuizen en revalidatiecentra bieden een speciaal pijnprogramma. Kijk voor meer informatie op revalidatie.nl.

Psycholoog Madelon Peters, hoogleraar experimentele gezondheidspsychologie aan de Universiteit Maastricht, deed de afgelopen jaren veel onderzoek naar de relatie tussen optimisme en pijnbeleving.
“Optimistische mensen kunnen beter met chronische pijn omgaan. Ze verdragen die beter, en worden er minder snel gestrest of depressief door. Hoe dat precies werkt weten we niet, maar het is wel duidelijk dat een optimistisch levenshouding hoop geeft. Dat motiveert patiënten om in actie te komen en eraan te werken om hun situatie te verbeteren, in plaats van bij de pakken neer te zitten.
Al in de jaren ’80 bewezen Amerikaanse wetenschappers dat optimisten beter kunnen omgaan met stress, na een operatie sneller herstellen en zelfs langer leven. Ik wilde weten hoe dat bij pijn zat. En vooral ook of je de levensinstelling van mensen positief kunt beïnvloeden, om zo hun pijn draaglijker te maken.
In ons onderzoek lieten we proefpersonen zich gedurende een bepaalde periode heel bewust voorstellen hoe een positieve toekomst eruit zou zien – een bewezen effectieve manier om mensen optimistischer te maken. Daarna deden we een pijnexperiment. Wat bleek? De optimisten voelden minder pijn dan de proefpersonen die geen visualisaties hadden gedaan.
Het effect ging zelfs verder. Mensen met pijn presteren over het algemeen slechter op geheugen- en concentratietests. Logisch, want pijn leidt enorm af. Maar in ons onderzoek vonden we dat de personen die we vooraf optimistisch hadden gemaakt, mentale taken even goed mét als zonder pijn volbrachten.
Een praktische tip om zelf positiever te worden, is om dagelijks drie positieve dingen over die dag op te schrijven. Het klinkt misschien zweverig dat je met zoiets simpels bijvoorbeeld pijn kunt beïnvloeden. Maar aan de uitkomsten van ons wetenschappelijke onderzoek was niets vaags: positieve psychologie werkt echt.”
Madelon Peters schreef samen met psycholoog Elke Smeets het boek Geluk en optimisme – Een bewezen werkzaam programma op basis van positieve psychologie.

Dr. Anne Lukas is anesthesioloog en pijnspecialist in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam. 

“Elk jaar krijgen zo’n 100.000 Nederlanders kanker. Op het moment van de diagnose heeft ongeveer de helft van hen pijnklachten. Bij uitbehandelde patiënten ligt dat aantal nog flink hoger. Vaak wordt gedacht dat pijn onlosmakelijk met de ziekte is verbonden. Maar dat idee is echt achterhaald. Er zijn tegenwoordig namelijk heel veel manieren om dit soort pijn te verhelpen, of in ieder geval dragelijk te maken.
De laatste jaren begrijpen we steeds beter hoe pijn bij kanker ontstaat, en waarom een bepaalde behandeling bij de ene patiënt wel werkt en bij de andere niet. Dat betekent dat we de pijn ook gerichter kunnen aanpakken, en een maatwerkoplossing kunnen zoeken. Bovendien hebben we steeds meer verschillende medicijnen en behandelmethoden tot onze beschikking. Verder is de kennis bij bijvoorbeeld huisartsen over het onderwerp enorm toegenomen.
Ruim de helft van alle kankerpatiënten geneest, of overleeft langdurig. Door de vroege opsporing en de betere behandelmogelijkheden, neemt dat aantal alsmaar verder toe. Fantastisch, maar het creëert ook nieuwe uitdagingen. Voor veel mensen wordt het leven na kanker namelijk nooit meer hetzelfde. Vaak horen daar ook klachten bij, zoals chronische pijn. Late gevolgen, noemen we die. Soms treden ze pas maanden of zelfs jaren na de behandeling op. Het lastige is dat de mensen dan qua hulp nog wel eens tussen wal en schip vallen. Dat geldt zeker voor overlevers, die niet meer voor hun kanker in behandeling zijn. De uitdaging voor de komende jaren is om ook hen allemaal goede pijnbestrijding te bieden.
Kortom: als je als (ex-)kankerpatiënt pijn hebt, is het belangrijk dat je dat eerlijk zegt. Vraag je arts om informatie en hulp. Geeft de behandeling niet voldoende verlichting? Laat je dan doorverwijzen naar een pijnspecialist. Want pijn lijden bij of na kanker hoeft echt niet.”

Psycholoog dr. Frits Winter is schrijver van het boek De pijn de baas, waarvan de afgelopen dertig jaar meer dan 50.000 exemplaren zijn verkocht. Zijn methode wordt gebruikt in veel revalidatieklinieken en fysiotherapiepraktijken.
“Chronische pijn is in veel gevallen therapieresistent. Professionele hulp haalt dan weinig tot niets (meer) uit. ‘Je moet er maar mee leren leven’, horen patiënten vaak. Een wreed advies, want voor hen betekent dat: veroordeeld zijn tot een uitzichtloos leven vol pijn. Zo lijkt het althans. Want therapieresistent betekent gelukkig niet dat er niets aan pijn te doen is. Ga maar na: veel patiënten weten donders goed dat hun pijn verergert als ze moe of gestrest zijn, of juist vermindert als ze zich gelukkig voelen. Pijn is dus geen statisch gegeven – je kunt er zelf invloed op uitoefenen. Mits je over de juiste kennis en vaardigheden beschikt. Je eigen therapeut worden, noem ik dat.
Het draait allemaal om het bereiken van een evenwicht tussen inspanning, ontspanning en afleiding. Als je dat lukt, krijgt de pijn een minder grote rol in je leven. Pijnvermindering is daarbij geen doel op zich, maar vaak wel een automatisch gevolg van de veranderingen die je doorvoert. Dat klinkt natuurlijk makkelijker dan het is. Als je leven jarenlang door pijn is beheerst, ben je vaak onzeker, bang of somber. Dan kun je wel een steuntje in de rug gebruiken om jezelf uit het moeras omhoog te trekken. Met dat doel heb ik een een praktische, no nonsense handleiding gemaakt over hoe je op eigen kracht de pijn de baas wordt. Stapsgewijs werk je aan het herstel van je kracht en conditie, aan het organiseren van support en aan het terugkrijgen van de regie over je leven. Een betere pijndemper is er niet. Ik heb keer op keer gezien dat pijnpatiënten zichzelf op die manier echt beter kunnen maken.”

EEN TUIN VOL DANSERESSEN

13 Mei

Gepubliceerd in Buitenleven 4, april 2017 (fotografie: Sietske de Vries)

Of het echt de allergrootste van Europa is durft ze niet met zekerheid te zeggen. Maar dat Marianne Joosten (58) één van de grootste collecties irissen en Hemerocallissen – beter bekend als daglelies – heeft, staat wel vast. Duizenden soorten beheert en verkoopt ze, waarvan de meeste in haar enorme showtuin in Rutten (Flevoland) zijn terug te vinden.

Het begon allemaal halverwege de jaren ’80. Marianne Joosten zocht een hobby. Iets alleen van haar, een rustpuntje in haar drukke bestaan. Samen met haar man Freddy runde ze een landbouwbedrijf, dat ze in 1978 van Freddy’s vader en moeder hadden overgenomen. Zowel de ouders van Freddy als die van Marianne waren pioniers in de Noord-Oostpolder. Afkomstig uit respectievelijk Noord-Brabant en Limburg hadden die na de Tweede Wereldoorlog alles achter zich gelaten om te helpen bij het droogleggen van ‘het nieuwe land’. In 1954 waren zij één van de eersten die in aanmerking kwamen voor een eigen boerenbedrijf aldaar. 25 jaar later namen Freddy en Marianne het stokje over. Inmiddels runnen ze het familiebedrijf samen met een van hun vier zonen, Erwin, die de kwekerij uiteindelijk helemaal zal overnemen.
“Toen wij begonnen, was het economisch een lastige tijd voor boeren”, vertelt Marianne. “De rente was torenhoog, de inkomsten waren laag. We werkten voor de bank, zo voelde het.” Om wat afleiding te hebben van de dagelijkse sores en een extra zakcentje te verdienen, besloot ze snijbloemen te gaan kweken. De keus viel op gipskruid – eind jaren ’70 een razend populair bloemetje, dat zo ongeveer in elk boeket was terug te vinden. “Ik begon met een klein veldje. De oogst ging elke ochtend naar de bloemenveiling. Hartstikke spannend; ik wist vooraf nooit wat ik eraan over zou houden.”

2000 gulden
Ze beleefde er zoveel plezier aan, dat ze in 1986 besloot uit te breiden met haar lievelingsbloemen, irissen. “Ze zijn zo sierlijk”, zegt ze. “Met hun zwierige rokjes lijken het wel danseressen.” Bij een handelaar in Voorburg kocht ze een collectie met veertig verschillende soorten. Die had ook nog een collectie met vijftig soorten Hemerocallissen in de aanbieding – beter bekend als daglelies. “Tweeduizend gulden wilde hij daarvoor hebben”, weet Marianne nog. “Dat was in die tijd ontzettend veel geld. Maar mijn man twijfelde geen moment. ‘Vind je het leuk? Dan doen we het!’, zei hij.”
Terug in Flevoland ging Marianne enthousiast met de planten aan de slag. Door ze steeds te delen, groeide het aantal gestaag. En toen stopte er middenin een zomer ineens een Duitse auto in het verlaten polderland. “Heeft u de collectie Hemerocallissen van de heer Gerritsen gekocht?”, vroeg de man die uitstapte. “Bleek dat hij al drie jaar op zoek was naar een specifieke, oranje soort”, vertelt Marianne. “Tot mijn stomme verbazing wilde hij voor één neus – een groeipunt van een vaste plant – 80 mark betalen. Ik kon mijn oren niet geloven.” In de catalogus die de Duitser haar liet zien, zag ze allemaal vergelijkbare prijzen. “Toen realiseerde ik me pas wat voor een collectie ik in handen had. Vanaf dat moment ben ik planten aan particulieren gaan verkopen.”

Fanclubs
Marianne kwam tot de ontdekking dat er tal van verzamelaars van irissen en Hemerocallissen zijn. “Sommige mensen verzamelen koi karpers, andere planten”, zegt ze. “Er zijn fanclubs, tijdschriften en congressen voor iris- of Hemerocallisliefhebbers. Het is een wereld op zich.” Gaandeweg kreeg ze er steeds meer lol in om haar eigen collectie uit te breiden. Met als gevolg dat ze nu zo’n 1300 verschillende soorten Hemerocallissen heeft en 1500 soorten irissen. “Dat klinkt veel, maar de diversiteit is enorm. Je hebt hoge en lage planten, vroege en late bloeiers, en ga zo maar door. Verder is er eindeloos veel variatie in de kleuren en vormen van de bloemen.”
Bijna al haar soorten zijn te bewonderen in de gigantische showtuin van 2800 m2 in de vorm van een iris, die ze in 1996 besloot aan te leggen. Het doel: deze prachtige planten meer bekendheid geven. “Het zijn rijk bloeiende en gemakkelijke vaste planten, die niet veel nodig hebben”, aldus Marianne. “Maar het allerbelangrijkste is dat ze zo mooi en sierlijk zijn. Als ik door mijn tuin loop en de bloemen zie stralen in de zon, kom ik echt helemaal tot rust. Ik voel me vereerd om ieder jaar weer van zoiets moois te mogen genieten.”
Om haar enthousiasme met anderen te delen, organiseert ze open dagen, rondleidingen en lezingen. In de verkoophoek zijn zo goed als alle soorten irissen en Hemerocallissen te koop, met prijzen variërend van 5 tot 80 euro. Daarvoor komen liefhebbers van heinde en verre. Steeds vaker weten die de kwekerij ook via internet te vinden. “Op onze website hebben we een uitgebreide webshop. Inmiddels is zo’n dertig procent van onze verkoop online. Duitsland, België, Engeland, Amerika, Rusland; onze planten gaan de hele wereld over.”

Daglelie met roomkaas
Hoewel de Hemerocallis in de volksmond ‘daglelie’ heet, is dat volgens Marianne eigenlijk een misleidende naam. Het is namelijk helemaal geen lelie. “De Hemerocallis is een vaste plant, die groeit in een kluit. Hij heeft dus geen bol, zoals een lelie. De bloemen van daglelies zijn – zoals de naam al zegt – na één dag uitgebloeid. Maar er komen zoveel bloemen aan een plant, dat je zeker zes tot acht weken achter elkaar plezier van de bloei hebt.”
Nog een verschil: het stuifmeel van de daglelie geeft in tegenstelling tot dat van de lelie géén permanente vlekken. En terwijl de bloemen van een lelie heel giftig zijn, kun je die van de enkelbloeiende daglelie prima eten. (Dubbelbloemige planten zijn niet eetbaar.)
“Sinds een paar jaar organiseren we iedere zomer een Hemerocallisdiner”, besluit Marianne. “Dan bereiden twee koks een viergangenmenu met de bloemen. Die smaken naar knapperige sla. Oranje bloemen zijn wat zoetig, rode juist weer peperig. Je kunt ze bijvoorbeeld vullen met roomkaas, rijst of ijs. Ook de knoppen zijn lekker, bijvoorbeeld in de soep of een witlofschotel. Die moet je voor gebruik wel even blancheren. Verder is het natuurlijk prachtig om je gerecht met bloemen te versieren. Zo wordt elke maaltijd een feestje.”

[Kader]
Kwekerij Joosten is van 1 april tot 1 augustus elke zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur geopend. Daarbuiten ook op afspraak. Het derde weekend van mei en het tweede weekend in juli is er een open weekend met speciale activiteiten.
Meer informatie: www. kwekerij-joosten.nl.

[Kader]
Hemerocallis

  • Vaste plant met een grof wortelgestel die groeit in een kluit.
  • Vanuit de kroon groeien stevige bloemenstengels, die zelfs bij veel regen of wind blijven staan.
  • Afhankelijk van de soort dragen de bloemenstengels tussen de 15 en 50 bloemen.
  • De bloemen verschillen in doorsnede van 3 tot 30 centimeter.
  • Er zijn vroegbloeiende soorten (juni) en laatbloeiende soorten (juli/augustus). Sommigen herbloeien in september/oktober.

[Kader]
Iris

  • Er zijn verschillende soorten irissen, die allemaal een andere grondsoort en verzorging nodig hebben.
  • Afhankelijk van de soort bloeien de vaste planten tussen april en juni.
  • De bekendste is de baardiris (Iris Germanica), die zijn naam dankt aan de ‘baard’ die op de onderste bladeren groeit (bedoeld om hommels te lokken). Groeit in elke doorlatende, losgemaakte grondsoort.
  • Een heel andere soort is de Japanse iris, (Iris Ensata), die van veel vocht houdt. In de zomermaanden kan die zelfs in het water staan.
  • De ‘Van Gogh-iris’ (Iris Sibirica) is te herkennen aan het grasachtige blad, waarboven de bloemen op hoge stelen uitsteken.

[Kader]
TUINTIPS VAN MARIANNE

Baardiris 

  • Baardirissen hebben ‘zon op de voeten’ nodig. Kies dus een zonnige plaats in de tuin en plant er geen andere planten direct omheen. Zonder voldoende zon zullen we weinig bloeien en uiteindelijk wegkwijnen.
  • Als je een plant in een pot hebt gekocht, laat die dan volledig uitbloeien, voordat je hem in de volle grond plaatst. Geef de pas geplante iris met droog weer wel wat water, anders gaat die in rust en maakt hij geen nieuwe wortels.
  • Plant de iris oppervlakkig in een losgemaakte grondsoort. Een goede methode is om een plantgat te maken met een verhoging in het midden. Plaats de stengel (rhizoom) op de verhoging en spreidt de wortels naar beneden toe uit. Druk ze stevig aan. Het is het beste als de bovenkant van de stengel net boven de grond steekt. Zo voorkom je dat ze wegrotten. Plant irissen ongeveer 30 centimeter uit elkaar.
  • Het eerste jaar zullen de planten weinig tot geen bloemen geven, maar naarmate ze ouder worden, wordt de bloei steeds rijker.
  • Als ze uitgebloeid zijn, verwijder je de volledige bloemstengel. Voorkom dat er water in de gemaakte wonden blijft staan, omdat dit tot rotting kan leiden.
  • Na een jaar of vier kan de bloei afnemen. Dan is het nodig om de iris te scheuren en opnieuw te planten. De beste periode om te verplanten is na de bloeiperiode.
  • Baardirissen hoeven geen overdreven bemesting. Geef ze vroeg in het voorjaar en onmiddellijk na de bloei een beetje bloed – en beendermeel, of samengestelde meststoffen met een laag stikstofgehalte (7-14-28) Te rijke meststoffen zorgen voor veel loof en weinig bloemen, en maakt irissen heel gevoelig voor ziekten.

Hemerocallis

  • Hemerocallissen groeien in elke goed losgemaakte, doorlatende grondsoort. Plant ze op ongeveer 8 cm diep, met 45 cm ertussen, op een zonnige of half beschaduwde plaats.
  • Zorg voor een zuivere aanplant, zonder onkruid en afgestorven bladeren. Dit voorkomt ziekten en ongedierte.
  • De Hemerocallis kan het hele jaar door geplant worden, maar de beste periode is tussen oktober en april, buiten vorstperiodes om.
  • Kleine Hemerocallissen kunnen ook in potten worden geplant.
    Bemest de Hemerocallis in het voorjaar en na de bloei licht met bloed- of beendermeel of een samengestelde meststof (12-10-18).
  • Het duurt een jaar of drie voor je optimaal kunt genieten van de weelderige bloei, waarna de planten nog jaren kunnen blijven staan. Als de bloei vermindert, kun je ze delen en herplanten.
  • De Hemerocallis is een vaste plant die relatief weinig last heeft van ziekten en plagen. Wel duikt de Hemerocallis galmug steeds vaker op, een klein insectje dat eitjes legt in de jonge bloemknoppen van de vroegbloeiende Hemerocallissen. De larfjes eten de bloemknop van binnenuit op, waardoor de bloemknop misvormd raakt. Verwijder de aangetaste bloemknop (niet de hele bloemstengel, dat is niet nodig). Gooi de aangetaste bloemen niet op de composthoop, om verdere verspreiding te voorkomen.

PLUKROUTE IN TILBURG

13 Mei

Gepubliceerd in Buitenleven 4, april 2017 (foto: Kim Balster)

Duizenden Nederlanders zetten zich het hele jaar door met hart en ziel in voor de natuur bij hun in de buurt. Wie zijn deze helden die er, weer of geen weer, op uitgaan om bomen te kappen, onkruid te wieden, dieren te redden of wandelpaden te onderhouden? Buitenleven geeft ze een gezicht. Deze keer: de tuinierster.

Hoewel ze met plezier in haar flat woont, mist Sabine Kuys (45) wel een tuin. Vandaar dat ze extra geniet van het werken aan de plukroute in de Tilburgse wijk Stokhasselt.
“Ik ben altijd dol op tuinieren geweest. Maar op een balkon ben je vrij gauw klaar. Vandaar dat ik meteen enthousiast reageerde toen de gemeente een paar jaar geleden besloot om een braakliggend terrein in onze buurt om te toveren tot een eetbaar park. Toen de twintig moestuinen werden vergeven, stond ik vooraan. Van mei tot september ben ik bijna elke dag wel in mijn tuintje te vinden. Heerlijk, om met mijn handen in de aarde te zitten en van mijn eigen oogst te kunnen eten.
In april 2015 is een groep enthousiaste vrijwilligers samen met initiatiefnemer Martijn Ballemans aan de slag gegaan om de plukroute aan te leggen, een wandeling door de buurt waarlangs je op verschillende plekken gratis noten, fruit en bloemen kunt oogsten. Het was hard werken – tuinieren is het nieuwe fitness – maar het resultaat mag er zijn! Een flinke boomgaard met appel- en perenbomen, een bessenhaag met ruim driehonderd bessenstruiken, een eetbaar speelbos met zeventig hazelaars, krentenboompjes en vlierbessen; eigenlijk teveel om op te noemen. Verder hebben we ook nog een flinke kruidentuin en een pluktuin met bijvoorbeeld vijgen, wilde citroen, blauwe bessen en de bijzondere ‘Franse uiensoepboom’. Geschilderde appeltjes op straat wijzen je de weg en geven aan waar je kunt plukken. Zo leer je meteen je eigen buurt beter kennen.
Door het groene vrijwilligerswerk heb ik trouwens ook nieuwe mensen ontmoet. Ik woon in een wijk met veel verschillende culturen. We hebben nu onderling meer contact. Een van de moestuintjes is bijvoorbeeld van Turkse mensen. Leuk om te ontdekken hoe anders we tuinieren en voedsel gebruiken. Verder zijn er veel ouderen en kinderen bij het project betrokken. Het brengt verschillende generaties samen. Een soort jaren ’70 gevoel, heel gemoedelijk. Als buurt zijn we ook collectief trots op wat we hebben neergezet; we willen het graag netjes houden. Onkruid krijgt bij ons echt geen kans!
Vrijwilligers volgen zo nodig workshops, bijvoorbeeld om te leren snoeien of schoffelen. Zo heb ik al heel wat bijgeleerd, ook over alle de verschillende planten en bomen. Van sommige, zoals de kiwibes, had ik nog nooit gehoord.
Het is elk jaar weer spannend om te zien wat de opbrengst wordt. En wat je er allemaal mee kunt doen. Ik maak nu bijvoorbeeld mijn eigen fruitsap en chutneys. Verder ben ik me aan het verdiepen in het maken van tincturen, geneeskundige aftreksels van kruiden. Misschien ga ik daar zelf wel workshops over geven. Op die manier geef ik ook weer wat aan de buurt terug. ”

[Kader]
Een eigen plukroute?
De plukroute in Stokhasselt is een initiatief van projectmanager, trainer en coach Martijn Ballemans. Martijn woont in een yurt, beheert een permacultuurtuin en houdt zich bezig met de opzet van een ecodorp. Interesse in een plukroute bij jou in de wijk, op je bedrijf of school? Neem contact met hem op voor meer informatie: www.plukroute.nl.

[Kader]
Wist je dat….

  • de plukroute in Stokhasselt bestaat uit een buurtmoestuin, een educatietuin, een boomgaard, verschillende fruitmuren, kersentipi’s, een notenweide, een vlindertuin, een bessenhaag, een pluktuin, een eetbaar speelbos en een trapveldje?
  • langs de plukroute 84 verschillende eetbare planten, struiken en bomen staan? Op de website plukroute.nl kun je precies zien wat je per maand kunt oogsten en vind je recepten die je met geoogste kruiden, groenten en fruit kunt maken.
  • alle voedsel van de plukroute onbespoten en gratis is? En lekker dichtbij natuurlijk, dus minder foodmiles. Het idee is om de route uit te breiden en zo de hele wijk van eetbaar groen te voorzien.

POST UIT FRIESLAND

13 Mei

Gepubliceerd in Buitenleven, april 2017

In Buitenleven schrijven moeder Francien en dochter Marte, beiden importFriezen, elkaar over hun ervaringen met het dorpsleven. Deze keer over parkieten, ooievaars en kippen.

  • Illustratrice Francien van Westering (66), bekend van haar kattentekeningen, verhuisde vijftien jaar geleden van de randstad naar een lieflijk boerderijtje in Zuid-Friesland. Daar woont ze met haar man Bram, haar Tibetaanse terriër Dribbel, zes poezen, zes hennen en een haan.
  • Begin vorig jaar besloot Franciens dochter, journaliste Marte van Santen (41), haar te volgen. Ze verruilde haar Amsterdamse appartementje voor een hoekhuis in een klein Fries plaatsje, 20 kilometer bij haar moeder vandaan. Ze deelt haar woning met haar vriend Peter en haar grijze koningspoedel Dirkje.

Lieve mam,
Toen ik nog in Amsterdam woonde, had ik het idee dat er maar drie soorten vogels op de wereld waren: duiven, meeuwen en halsbandparkieten. Ieder op hun eigen manier maakten ze mijn leven zuur. De duiven poepten mijn terras en mijn auto onder. De meeuwen scheurden vuilniszakken open en blokkeerden met hun nesten de schoorstenen. En de gifgroene parkieten met hun rode snavels? Die maakten me zomers steevast bij het eerste ochtendgloren wakker. Wat een hysterisch krijsende druktemakers!
Ken je trouwens het verhaal van hoe de – van oorsprong tropische – halsbandparkiet een veelvoorkomende Amsterdamse stadsvogel werd? Vermoedelijk is dat de schuld van een medewerker van een Amerikaanse bedrijf, dat in de jaren ’70 in een reusachtig gebouw op de Overtoom was gevestigd. Vanuit het pand werden klanten in heel Nederland voorzien van nieuwe onderdelen voor onder andere gesneuvelde schrijfmachines, scheerapparaten, rekenmachines en kopieerapparaten. Op de gigantische zolder hield een van de werknemers een grote kolonie halsbandparkieten. Het waren er minstens honderd, zo vertelt het verhaal. Schijnbaar kon dat in de jaren ’70 gewoon! Toen het bedrijf in 1977 verhuisde, konden de vogels vermoedelijk niet mee, en werden de ramen van de zolder opengezet. Met als gevolg dat ik veertig jaar later elke ochtend met een kussen op mijn hoofd in bed lag.
Vogels waren op z’n zachtst gezegd dus niet mijn beste vrienden. Maar sinds ik buiten woon, is dat helemaal veranderd. Ik weet nog goed dat ik voor het eerst roodborstjes in mijn tuin zag. Tjee, wat zijn die mooi! En toen er afgelopen winter ineens een grote bonte specht op mijn vogelhuis zat, kon ik mijn geluk niet op. Alsof ik naar een aflevering van een natuurserie op televisie keek. Maar dan echt.
Wist je dat hier vlakbij een enorme ooievaarskolonie huist? Langs een weg in de buurt zitten wel dertig nesten. 25 jaar geleden waren deze majestueuze vogels in Nederland nog uitgestorven. De vogelbescherming heeft er toen voor gezorgd dat er nieuwe nestplatformen werden gebouwd, en dat ooievaars uit dierentuinen werden uitgezet in het wild. Inmiddels zijn er ongeveer 700 broedparen in ons land. Waarvan dus een heel stel bij mij om de hoek. Als ik er langs rijd, doe ik altijd mijn raam open om te horen of ze klapperen om elkaar te begroeten. In Amsterdam had ik me vast rot geërgerd aan dat kek-kek-kek-geluid. Maar hier in Friesland denk ik: hoe meer verschillende vogels, hoe beter.
Kus,
Marte

Lieve dochter,
Voor ik hier op mijn boerderijtje woonde, dacht ik nooit na over kippen. Die dieren stonden ver van me af. Ja, ik kwam ze tegen in de supermarkt, als wit vlees, maar dat was het dan wel. Ik was me er niet eens van bewust dat het vógels waren. Dat veranderde dramatisch op het moment dat ik mijn eigen kippen kreeg. Weet je nog, dat ik ze zelf moest vangen? Dat gebeurde ’s nachts, in de tuin van een verlaten landgoed. De vereenzaamde oude man die op dat landgoed woonde, was overleden. Tijdens zijn langdurige ziekte waren de dieren verwilderd. Ze zwierven wat door de immense tuin en sliepen in verlaten schuren, of gewoon in een boom. Voor bijna alle dieren was een goed huis gevonden. Bram en ik kwamen de laatste halen – in het donker, anders waren ze niet te vangen. Het was een heel avontuur om ze vast te pakken en in de kattenreismanden te krijgen. Ik voelde me net een kippendief! Toen we naar huis reden was het een vreemde gewaarwording om in plaats van kattengejammer kippengeluidjes vanaf de achterbank te horen.
Het was wel even wennen, want ik wist dus niets van kippen. De boeken die ik had gekocht hielpen helemaal niet. Ze gingen er van uit dat ik gekortwiekte kippen bij een betrouwbare fokker had gekocht, en dat ik een keurig kippenhok had. Er stond niets in over verwilderde kippen met complete vleugels en een eigenzinnig karakter. Míjn kippen zijn vrijbuiters en voelden er niets voor om netjes in een hok te zitten. Na drie dagen waren ze al uitgebroken en bepaalden ze zelf de regels. Ik liet ze maar – ze zouden het zelf wel het beste weten.
Na een paar weken waren ze helemaal thuis en hadden ze hun eigen routine. In het mooie hok wat we gekocht hadden wilden ze niet; ze sliepen liever op de hanenbalken in de schuur. Ik heb geleerd dat kippen dappere, leuke, intelligente en sociale dieren zijn. Hoe heb ik ooit zonder ze gekund? Hun eitjes smaken zo lekker! Wanneer ik ze vrij en tevreden door de tuin zie scharrelen, denk ik vaak aan hun soortgenoten die een treurig bestaan leiden in overvolle legbatterijen. Echt, ik vind kippen de leukste vogels die er zijn. Wat wou ik graag dat ze allemaal zo’n fijn leven hadden als die van mij. En ook fijn: ik heb eindelijk vogels waar de katten bang voor zijn!
Alle liefs,
Francien

%d bloggers liken dit: