Archief | juli, 2017

STRIPMAKER DICK MATENA

31 Jul

strip-matena jpg.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 29 juli 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Dick Matena
Geboortedatum: 24 april 1943
Geboorteplaats: Den Haag
Opleiding: drie jaar HBS
Werk: publiceerde in tal van stripbladen in binnen- en buitenland, waaronder Pep, Eppo en Donald Duck. In 1977 tekende hij zijn eerste realistische strip, Virl. Breed bekend werd hij met zijn ‘verstrippingen’ van beroemde romans, waaronder De Avonden van Gerard Reve, Turks Fruit van Jan Wolkers en Kaas van Willem Elsschot. Matena is de officiële opvolger van Maarten Toonder en schreef en tekende het laatste Bommelboek Tom Poes en de pas-kaart. In 1986 ontving hij de Stripschapsprijs, in 2003 de Vlaamse Cultuurprijs voor de strip, beide voor zijn hele oeuvre.
Privé: getrouwd, zes kinderen en vijf kleinkinderen
Woonplaats: Amsterdam

——————————————————————————————————————————

“Ik heb een camera in mijn hoofd. Overal waar ik kijk, zie ik filmische beelden. Ik projecteer ze vanuit verschillende standpunten; zou ik ze zus tekenen of zo? In gedachten ben ik constant aan het regisseren en monteren. Wat dat betreft is strips maken niet heel anders dan een film produceren. Behalve dat je voor strips natuurlijk ook goed moet kunnen tekenen.
Eigenlijk wilde ik helemaal geen striptekenaar worden, maar sportjournalist. Mijn vader was profwielrenner. Ik kon goed schrijven, en het leek me fantastisch om wedstrijden te verslaan. Maar op de HBS liep het spaak; leren was niets voor mij. Iemand zei: je moet eens bij Marten Toonder aankloppen. Hoewel ik altijd al veel tekende, was het tot dat moment nooit in me opgekomen dat ik daar mijn werk van kon maken.
Op mijn zeventiende stond ik bij de Toonder Studio’s in Amsterdam op de stoep. Toonder bedacht de verhalen, maar zijn jonge personeel maakte de meeste tekeningen. In drie maanden moest ik me bewijzen. Binnen een jaar tekende ik hele strips van Panda en Tom Poes. Het heeft me tot mijn dertigste gekost om mijn eigen, realistische stijl te ontwikkelen. Het belangrijkste wat ik moest leren, was hoe mensen in elkaar zitten. Teken je die goed, dan valt het niet op. Doe je het verkeerd, dan ziet iedereen het meteen. Lezers onderschatten hoe moeilijk het is om strips te maken. Door de heldere lijnen lijkten ze vaak zo simpel, maar het tegenovergestelde is waar. Het is echt een ambacht.
Mijn dag begint vroeg, om een uur of zes. Ik ga dan direct aan de slag. Vroeger tekende ik vijftien, zestien uur per dag. Maar sinds ik in 2012 een hartstilstand heb gehad, doe ik het iets rustiger aan. Nu werk ik gemiddeld tien uur. Zeven dagen in de week ja. Na al die jaren vind ik mijn werk nog steeds ongelofelijk leuk. Het houdt me in leven. Na het infarct was het een tijdje gitzwart in mijn hoofd. Als ik dan achter mijn tekentafel ging zitten, werd het beter.
Ik heb lang in het buitenland gewoond en gewerkt. Amerika, Spanje, Frankrijk, België; overal was mijn werk bekend. Maar in Nederland had buiten de stripwereld niemand van me gehoord. Dat komt omdat mensen hier met minachting naar strips kijken. Ze zien het als plat, commercieel vermaak. Volledig onterecht. ‘De Calvinisten boven de Moerdijk zijn mensen van het woord’, zei schrijver Jan Siebelink eens tegen me. ‘Daaronder waarderen ze het beeld.’ Hij had helemaal gelijk. Ik kan me er op mijn 74ste nog steeds kwaad over maken dat er hier zo op strips wordt neergekeken. Wat mij betreft is er geen hoge of lage kunst, alleen goed of slecht werk.
Zelf ben ik pas doorgebroken toen ik me buiten de traditionele stripwereld begaf, met mijn verstripte versies van onder andere De Avonden van Gerard Reve en Turks Fruit van Jan Wolkers. Het was anders en uniek dat ik beroemde romans in een beeldverhaal wist te gieten, zonder er één woord uit weg te laten. De literaire wereld was met stomheid geslagen. Ineens zagen schrijvers wat tekeningen kunnen toevoegen. Ik stond ik in alle kranten, zat bij elke talkshow. Helaas heeft het uiteindelijk weinig opgeleverd; onderaan de streep wordt er nog steeds denigrerend over strips gedaan.
Het verstrippen van een boek is ongelofelijk arbeidsintensief. Ik ben al snel negen maanden bezig om te bepalen welke tekst waar moet komen, en hoe ik de plaatjes over de pagina’s ga verdelen. Het is één grote puzzel. Pas als die van begin tot eind klopt, begint het tekenwerk. Daar ben ik dan nog minstens evenveel tijd aan kwijt. Ik doe het vooral voor mijn eigen plezier; rijk word ik er niet van.
Eén van de schrijvers die al lang op mijn verlanglijstje stond, was Simon Carmiggelt. Ik verstrip nu zo’n vijftig van zijn columns, uit verschillende periodes van zijn leven. Bij de slapstickachtige verhaaltjes uit zijn jonge jaren maak ik karikaturale tekeningen. Zijn melancholische kroegverhalen verbeeld ik juist realistisch. Zo kan ik alle stijlen die ik mezelf in de loop van mijn leven heb aangeleerd erin kwijt.
Op welk werk ik het meest trots ben? Dat gevoel ken ik niet. Als ik aan iets nieuws begin, heb ik geen idee hoe ik het moet aanpakken. Zit ik er middenin, dan vind ik mezelf eventjes geniaal. En aan het eind voel ik me een grote mislukkeling. Het kan immers altijd beter; als je tevreden bent, kun je net zo goed meteen stoppen met werken. Eigenlijk zou ik middenin een boek zelfmoord moeten plegen. Dan ga ik gelukkig dood.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

Advertenties

STRIPMAKER FRED DE HEIJ

24 Jul

2017-07-22 NDC Fred de Heij jpg.jpgFoto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 22 juli 2017.

Naam: Fred de Heij
Leeftijd: 57
Geboorteplaats: Amsterdam
Opleiding: Rietveld Academie
Woonplaats: Zaandam
Werk: Publiceert onder andere in Eppo en StripGlossy. Tekende eerder onder meer voor Donald Duck, Tina en Taptoe. Richtte het stripblad Pulpman op. Winnaar Stripschapprijs 2014. Is behalve stripmaker ook illustrator en schilder.
Privé: Getrouwd, twee kinderen van 27 en 29

——————————————————————————————————————————

“Als je, zoals ik, erg van tekenen houdt, zit je met strips goed. Een striptekenaar moet immers heel veel verschillende plaatjes maken. Heerlijk vind ik dat; hoe meer, hoe beter. Ik illustreer ook kinderboeken, en ik schilder. Dat doe ik met ongelofelijk veel plezier, maar striptekenen heeft iets speciaals. Het geeft je als tekenaar de mogelijkheid om een heel verhaal tot leven te brengen, in plaats van dat je er één beeld uitlicht. Ik kan al mijn gevoel erin kwijt. Bovendien kun je je als stripmaker nergens achter verschuilen; je moet álles kunnen tekenen. Wat dat betreft is het een fantastische leerschool.
Als kind tekende ik al strips. Mijn vader vond mijn enthousiasme zo leuk, dat hij op mijn twaalfde een afspraak met stripgrootheid Piet Wijn voor me regelde. Wijn werkte onder andere voor de Toonder Studio’s, Het Parool en Tina. In zijn atelier keek ik mijn ogen uit; dat wilde ik ook! Gaandeweg werd ik het gepriegel echter een beetje zat. Groot werken met verf en kwasten; dat vond ik als puber veel interessanter. Dus koos ik voor de Rietveld Academie.
Eind jaren ’80 ging het toch weer kriebelen en besloot ik het striptekenen opnieuw op te pakken. Met wat voorbeelden onder mijn arm ging ik langs bij mijn oude leraar, The Tjong Khing. Khing is zelf ook striptekenaar. Zijn stimulerende woorden waren misschien net het duwtje in de rug dat ik nodig had. De eerste strippagina’s die ik naar het tijdschrift Wordt Vervolgd stuurde, werden meteen geplaatst. Van het een kwam het ander, en nu creëer ik alweer bijna twintig jaar strips. Of ik nu voor Tina of Penthouse werk, maakt niet uit; als ik maar kan tekenen, is het me allemaal even lief.
Ik lees trouwens ook heel graag strips; mijn huis en atelier staan er tjokvol mee. Zolang het verhaal en de tekeningen goed zijn, ga ik helemaal in een album op. Dan kijk ik dus niet met een professioneel oog, maar gewoon als lezer die vermaakt wil worden. Helaas gebeurt het ook wel eens dat de tekeningen me gaan irriteren. Bijvoorbeeld omdat de lijnen onlogisch zijn, of er een schaduw op de verkeerde plek staat. Dan is de magie weg, en lees ik het boek niet uit. Voor mij is het heel belangrijk dat de beelden kloppen. Vandaar dat ik zelf realistisch teken; dat maakt het makkelijker om in een andere wereld op te gaan.
Het wisselt per strip hoe snel ik teken. Bij sommigen doe ik twee dagen over een pagina, van anderen maak ik meerdere pagina’s op een dag. Een pagina die helemaal af is, gaat in een multomap. Het is het ultieme geluk om daarin dagelijks een verhaal te zien groeien. Maar eenmaal klaar kijk ik nooit meer naar oud werk. Er is nog zoveel méér te tekenen. Om inspiratie zit ik nooit verlegen; ik heb eerder te veel ideeën. Meer dan ik in één leven kan uitvoeren.
Een bijzonder project waar ik afgelopen tijd aan heb gewerkt, is Fflint. Dat beeldverhaal over amateurwetenschapper Llewelyn Fflint, die in het Victoriaanse Londen mysterieuze moorden oplost, werd in de jaren ’70 door Peter van Straaten getekend. Een succes was het toen niet; na drie afleveringen moest hij er al mee stoppen. Schrijver en acteur Ger Apeldoorn wilde de serie nieuw leven inblazen, en vroeg mij de illustraties te maken. Nu ligt er het boek Fflint en het mysterie van de Nevelhaaien. Het eerste verhaal daarin is een bewerking van de oude versie, de volgende drie heeft Ger zelf geschreven. Hij stuurde mij de tekst, met wat suggesties voor het beeld. Vervolgens heb ik allerlei afbeeldingen van Londen rond 1882 gezocht. Gaslampen, kleding; ik heb ze precies zo getekend als ze toen waren. Pas toen het album af was, heb ik naar het origineel van Peter van Straaten gekeken. Gelukkig bleken de twee niet te vergelijken. Overigens heeft Van Straaten onze versie vlak voor zijn dood nog gezien. Grappig genoeg kon hij zich geheel niet herinneren dat hij Fflint ooit zelf had geïllustreerd.
Stripmakers zijn vaak geweldige tekenaars. Maar een hoog aanzien hebben ze meestal niet. Toen een oud-klasgenoot hoorde dat ik nu vooral strips maak, zei ze: “Wat zonde”. Daar moest ik alleen maar hartelijk om lachen. Status zegt me niets; het gaat mij puur om het plezier van het werk. Vandaar ook dat ik tegen kinderen die striptekenaar willen worden zeg: gewoon doen. Een mooier beroep is er niet.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

HOE LANG KAN EEN KOPERSPIRAAL BLIJVEN ZITTEN?

12 Jul

17-30 De vraag, lezen in het donker jpg

Gepubliceerd in Margriet 29, juli 2017.

Viola (49): “Vijf jaar geleden heb ik een koperspiraaltje laten plaatsen. Tot nu toe heb ik geen last van overgangsklachten. Is het nodig om de spiraal nog een keer te laten vervangen, of kan ik die laten zitten tot na de menopauze?”

Gynaecoloog dr. Anne Timmermans, werkzaam in het AMC Amsterdam en Bergman Clinics Vrouwenzorg Amsterdam:
“De officiële naam van een spiraaltje is een Intra Uterine Device (IUD), oftewel: een voorwerp in de baarmoeder. De belangrijkste reden om voor deze vorm van anticonceptie te kiezen, is het feit dat je hem niet kunt vergeten. De betrouwbaarheid is dan ook heel groot, tussen de 99 en 100 procent. Bovendien werken de meeste spiraaltjes gedurende vijf jaar. Al die tijd heb je er geen omkijken naar. Misschien ten overvloede: een spiraaltje beschermt je uiteraard alleen tegen zwangerschap, niet tegen een seksueel overdraagbare aandoening.
Het meest gebruikt is de hormoonspiraal, die lokaal in de baarmoeder een heel lage dosis van het vrouwelijke hormoon progestageen afgeeft. Dat maakt het slijm in het baarmoederhalskanaal ‘taaier’, waardoor zaadcellen er moeilijker doorheen kunnen. Ook wordt er aan de binnenkant van baarmoeder niet of nauwelijks slijmvlies opgebouwd. Mocht er toch een bevruchting plaatsvinden, dan kan het bevruchte eitje zich daar niet innestelen.
Vrouwen die geen hormonen willen of er veel bijwerkingen van ervaren, of die bijvoorbeeld als gevolg van hormoongevoelige borstkanker geen hormonen mogen gebruiken, kunnen als alternatief een koperspiraal nemen. Dat is een hoefijzervormig of T-vormig stukje kunststof met daaromheen een koperdraadje, dat continu een kleine hoeveelheid koper afgeeft. De koperionen leggen de mannelijke zaadcellen als het ware lam. Die kunnen dan niet meer een eicel binnendringen. Verder zorgt het koper er — net als bij een hormoonspiraal — voor dat een eventueel bevruchte eicel zich niet meer in het baarmoederslijmvlies kan innestelen.
In Nederland zijn vier soorten koperspiralen verkrijgbaar: T-Safe, Flexi T, Gynefix en Multi-Safe short. De meest gebruikte, T-safe, biedt tien jaar bescherming tegen zwangerschap, de anderen vijf jaar. Na de periode neemt de werking ervan langzaam af en is vervanging — mits je geen andere vorm van anticonceptie gebruikt — dus noodzakelijk. Als je niet weet welk spiraaltje je hebt, vraag dat dan na bij je arts. Ben je eenmaal door de overgang heen en ervaar je geen klachten van de spiraal, dan hoef je die niet per se te laten verwijderen.
De reden waarom veel vrouwen de voorkeur geven aan hormoonspiraal, is dat die menstruatieklachten vaak vermindert. Bij 35 tot 40 procent van de gebruiksters blijft de menstruatie zelfs helemaal weg. In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, kan dat voor het lichaam helemaal geen kwaad. Bij een koperspiraal blijft de menstruatiecyclus in stand. Sommige gebruikers krijgen zelfs langer en meer bloedverlies. Ook kunnen er tijdens de menstruatie pijnklachten ontstaan, of kunnen die erger worden. In dat geval is het verstandig om met je arts te overleggen of je niet beter voor een ander anticonceptiemiddel kunt kiezen.”

IS ER IETS TE DOEN AAN SLAPPE KNIEËN?

10 Jul

M28 Vraag van de week Slappe Knieen jpg.jpg

Gepubliceerd in Margriet 28, juli 2017.

Marianne (58): “Ik wandel graag en doe aan cardiotraining en fitness. De laatste maanden heb ik een raar gevoel in mijn linkerknie, alsof er iets los zit. Ik merk dat ik anders ga lopen om mijn knie te ontlasten. Volgens mijn huisarts heb ik slappe kniebanden. Kan ik iets doen om mijn knie sterker te maken?”

Jeroen Bijman, sportfysiotherapeut bij Bijman+Helsloot Fysiotherapie in Purmerend en bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de Sportgezondheidszorg (NVFS):
“Dat kan zeker. Waarschijnlijk heb je te soepele gewrichten, ook wel hypermobiliteit genoemd. Zo’n 4 tot 7 procent van de Nederlanders heeft dit van nature. De banden in hun gewrichten zijn elastischer dan strikt noodzakelijk. Als ze worden belast, staan ze niet strak gespannen, zoals bij de meeste mensen, maar rekken ze mee. De gewrichten kunnen daardoor verder dan normaal bewegen en een ‘los’ gevoel veroorzaken. Ook in de knie dus.
Hypermobiliteit is geen ziekte, maar een erfelijke aanleg. Meestal zijn mensen met een dergelijke aanleg gewoon wat leniger dan anderen, en hebben ze er verder geen last van. Maar soms kunnen er toch (pijn)klachten ontstaan. Dat gebeurt dan vooral omdat mensen met te soepele gewrichten zich gemakkelijker overstrekken. Iets anders is dat je klachten elders in het lichaam kunt krijgen, omdat je een bepaald gewricht probeert te ontlasten. Je gaat dan bijvoorbeeld scheef lopen, en krijgt vervolgens pijn in je rug.
De knie is het grootste en zwaarst belaste gewricht in het lichaam. Hij is opgebouwd uit drie botten: het onderste gedeelte van het dijbeen, het bovenste gedeelte van het scheenbeen en de knieschijf. Deze botten zijn met elkaar verbonden middels kraakbeen en kniebanden. Het uiteinde van het bovenbeen is bolvormig, dat van het onderbeen plat. Ze passen dus niet precies. Om de knie toch zonder problemen te laten bewegen, zitten er schijfjes van stevig bindweefsel tussen, de zogenaamde meniscussen.
De kniebanden houden het boven- en onderbeen bij elkaar. Dat is voor een deel ook de functie van de boven- en onderbeenspieren, die de knie ondersteunen. Ze helpen je om stabiel te blijven, en controle uit te oefenen op de stand en de beweging van je knie. Door die spieren sterk te maken en te houden, kun je de schokken die de knie te verwerken krijgt goed opvangen. Dat geldt voor iedereen, maar mensen met te soepele gewrichten hebben daar nog meer belang bij.
Een fysiotherapeut kan je specifieke oefeningen geven om spieren rond je knie te versterken. Ook kan hij je leren om te voelen wat de juiste stand van je knie is, zodat je die niet overstrekt. Het dragen van een iets hogere hak helpt daar trouwens ook voor. Verder is het verstandig om extra voorzichtig te zijn sporten met veel snelle bewegingen, zoals tennis, squash en skiën. Minder belastende sporten, zoals wandelen, fietsen en zwemmen leveren over het algemeen weinig problemen op.”

VAN OPLEIDINGSADVISEUR TOT GLAZENWASSER

4 Jul

2017-07-01 Ies Monas jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 1 juli 2017.

Je carrière vaarwel zeggen en helemaal opnieuw beginnen, dat is nogal wat. Daar is lef voor nodig, en doorzettingsvermogen. In deze serie portretteren we dromenjagers die de sprong waagden. Met succes. In de 9e en laatste aflevering: glazenwasser Ies Monas.

[Kader]
Paspoort
Naam: Ies Monas
Leeftijd: 54
Plaats: Oost-Vlieland
Was: opleidingsadviseur ING Nederland
Is: zelfstandig glazenwasser
Uren per week: 30 à 35

[Broodtekst]

Het moment dat het roer om ging was…
“In 2015, toen ik te horen kreeg dat ik voor mijn werk naar Amsterdam moest verhuizen. Ik had 26 jaar met veel plezier bij ING gewerkt, maar ik wilde mijn fijne dijkhuis op Vlieland daar niet voor opgeven. De vertrekregeling waar ik gebruik van kon maken, bleek het laatste duwtje in de rug dat ik nodig had om voor mezelf te beginnen.”

Ik was aan een nieuw leven toe omdat…
“Ik zelf wilde bepalen hoe ik mijn dagen vulde, in plaats van te worden geleefd. Het is hartstikke leuk om bij een groot bedrijf te werken, maar het betekent ook dat je altijd bent overgeleverd aan de plannen en regels van anderen. Ik was een klein radertje in een groot geheel. Dan ontkom je er niet aan om je constant te moeten aanpassen. Hoewel ik het werk inhoudelijk boeiend vond, ging dat keurslijf me steeds meer tegenstaan. Bovendien was ik het rennen en vliegen zat; de balans tussen werk en privé was zoek. Dat was mede de reden dat ik in 2010 van Amsterdam naar Vlieland ben verhuisd. Al die drukte, al die prikkels; ik zag het echt niet zitten om daarnaar terug te gaan.”

Toen ik ontslag nam wilde ik…
“Aan de bak als zelfstandig trainer. Maar het bleek knap lastig om vanaf Vlieland opdrachten te verwerven en een nieuwe klantenkring op te bouwen. Ondertussen moest er natuurlijk wel brood op de plank komen. ‘Waarom begin je geen zakelijk schoonmaak- en glazenwassersbedrijf?’, zeiden verschillende eilandbewoners tegen me. Daar was op Vlieland namelijk een grote behoefte aan. Het leek me een mooie combinatie, de helft van mijn tijd met mijn handen werken en de andere helft trainingen geven. Maar het schoonmaakwerk nam zo’n vlucht, dat ik daar al snel het merendeel van mijn week aan kwijt was.”

Mensen in mijn omgeving reageerden….
“Heel wisselend op mijn besluit. Bij ING had ik natuurlijk een gespreid bedje. Dat ik die zekerheid zomaar opgaf, konden sommigen moeilijk begrijpen. ‘Je hebt geen idee waar je aan begint’, zeiden ze. Dan werd mijn leeftijd er ook vaak bijgehaald. Maar dat soort opmerkingen hebben me geen seconde aan het twijfelen gebracht. Het voelde zo goed om voor mezelf te hebben gekozen; ik wist zeker dat ik er een succes van kon maken.”

Om dit werk te kunnen doen, heb ik…
“in totaal zo’n 10.000 euro in materiaal geïnvesteerd. Verder ben ik gewoon aan de slag gegaan; glazenwassen is geen hogere wiskunde. Wel heb ik vanaf dag één heel goed naar mijn klanten geluisterd. Zíj bepalen of ik mijn werk goed doe. Reclame heb ik nauwelijks hoeven maken; die gaat hier op het eiland van mond tot mond. Inmiddels heb ik heel wat meerjarige contracten met bedrijven gesloten. Dat had ik twee jaar geleden niet durven dromen.”

Het leukste aan met mijn handen werken vind ik…
“Dat ik mijn hoofd leeg kan maken. En dat het snel resultaat oplevert; je ziet direct waar je het voor doet. Maar alleen fysiek werk is voor mij niet genoeg; ik heb het ook intellectuele stimulans nodig. Daarom ben ik voorzitter geworden van een stichting die een sportcentrum op Vlieland runt. Daar komt behoorlijk wat bij kijken, dus dat is een goede uitdaging voor mijn hoofd.”

Ik heb wel even getwijfeld toen…
“Ik de eerste maanden elke dag doodmoe en met spierpijn thuiskwam. Stel je voor dat ik het lichamelijk niet volhoud, dacht ik. Wat dan? Gelukkig loste het probleem zichzelf op; gaandeweg werd ik vanzelf steeds fitter. En mooi meegenomen: ik ben — zonder dieet — 23 kilo afgevallen.”

Een tegenvaller was…
“Toen bleek dat ik mijn urenregistratie volgens de Belastingdienst in het eerste jaar niet goed had bijgehouden. Om voor de zelfstandigenaftrek in aanmerking te komen, moet je hard kunnen maken dat je in een jaar minimaal 1225 uur voor jezelf hebt gewerkt. De tijd die ik voor klanten bezig was geweest kon ik aan de hand van mijn facturen gemakkelijk in kaart brengen. Maar ook uren die je als zzp’er kwijt bent aan inkopen, administratie, reizen, etc. tellen mee. Ga die een jaar later maar eens proberen terug te halen. Het was een wijze les; nu houd ik elk uurtje dat ik aan mijn bedrijf besteed netjes bij.”

Het beste wat ik voor mijn carrière heb gedaan is…
“Duidelijke keuzes maken. Op een gegeven moment kreeg ik de vraag om de schoonmaak van een aantal nieuwbouwprojecten te doen. Ik heb die kans gegrepen, maar al snel kwam ik erachter dat ik schoonmaakwerk veel minder leuk vond dat het glazenwassen. Bovendien leverde het een hoop gedoe op; ik moest bijvoorbeeld speciale machines van de wal laten komen om de vloeren te kunnen reinigen. Ik heb de klus netjes afgemaakt, maar daarna besloten me alleen nog op het glazenwassen te richten.”

Het fijnste aan voor mezelf werken vind ik…
“Dat ik de regie volledig in handen heb. Ik heb nu minder vrije tijd dan toe ik in loondienst was — voor een zzp’er is het werk nooit klaar. Maar zo ervaar ik het helemaal niet. Ik bepaal zelf waar ik ja en nee tegen zeg, en hoe ik mijn dagen indeel. Dat geeft een enorm gevoel van vrijheid. Vandaar ook dat ik geen mensen in dienst neem; ik wil niet meer verantwoordelijk zijn voor het werk of het inkomen van anderen. ”

Wat ik in de toekomst in ieder geval nog wil is…
“doen wat ik leuk vind. Wat dat dan ook moge zijn. Ik kan gemakkelijk zes dagen per week als glazenwasser werken. Maar ik kies er bewust voor om mijn uren te beperken, zodat ik er andere dingen naast kan doen. Zo werk ik sinds 1 april een aantal uur per week als waldienstmedewerker bij Rederij Doeksen. Gewoon, omdat ik plezier heb in het contact met de badgasten. Uiteindelijk wil ik toch ook het trainen weer oppakken; dat is mijn vak en mijn passie. Als dat niet naast het glazenwassen kan, verkoop ik mijn bedrijf gewoon. Ik weet nu dat ik hoe dan ook wel op mijn pootjes terechtkom.”

[Kader]
Tips voor twijfelaars
Ies: “Ik kan het iedereen aanraden om zijn of haar hart te volgen. Maar dat betekent niet dat je zomaar ondoordacht in het diepe moet springen. Voordat ik ontslag nam, heb ik me heel goed georiënteerd op wat dat praktisch zou betekenen, en uitgebreide financiële prognoses gemaakt. Ook toen ik voor mezelf begon, heb ik me heel goed voorbereid. Op die manier kwam ik goed beslagen ten ijs en was het risico dat het mis zou lopen zo klein mogelijk.”

%d bloggers liken dit: