Archief | december, 2017

VERHALENVERTELLER CHRISTIAAN JÖRG

12 Dec

Christiaan1

Gepubliceerd in Groninger Museum Magazine, december 2017. 

Conservator Christiaan Jörg, samensteller van de tentoonstelling De wereld in huis in het Groninger Museum, staat internationaal bekend als expert op het gebied van Aziatisch keramiek uit de 17e en 18e eeuw. Hoewel hij officieel al jaren met pensioen is, werkt hij nog altijd minstens veertig uur per week. 

Amper tien was hij, toen conservator Christiaan Jörg (72) in de tuin van zijn oom een witte scherf vond met een blauwe versiering van een Chinese dame. Een ander kind had die waarschijnlijk ongeïnteresseerd aan de kant gegooid, maar Jörg kon zijn geluk niet op. Het antieke porselein had voor hem iets magisch; het was een toegangspoort naar het verleden, naar een andere wereld. De scherf kreeg een ereplaats in zijn kamer, naast zijn zelfgemaakte kunstboeken. Meer dan zestig jaar later bezit hij het stukje porselein nog steeds. Net als het onstuitbare enthousiasme dat hij als jongetje in de tuin van zijn oom voelde. “Mijn werk bestaat uit schat zoeken. Wie kan dat nu zeggen?”

Hoe raakt een kind van tien geïnteresseerd in kunst?
“Ik heb de verhalen achter oude voorwerpen altijd fascinerend gevonden. En ik houd van mooie dingen. Als tiener verzamelde ik plaatjes van kunst, uit tijdschriften en kalenders. Die plakte ik dan op. De vellen bond ik samen tot een boek. Op mijn zestiende kocht ik mijn eerste kunstobject, een Inuit-beeldje, bij een kunsthandelaar in Den Haag. Mijn ouders keken met verbazing toe. Ik kom uit een familie van dominees en kleermakers, dus voor hen was het een vreemde wereld.”

Wat vonden ze ervan dat u kunstgeschiedenis wilde studeren?
“Dat ging niet zonder slag of stoot. Als ik niet in het kleermakersbedrijf wilde, moest ik in ieder geval iets nuttigs leren. Dus begon ik braaf aan een studie rechten. Maar ik vond het vreselijk. Toen leerde ik mijn latere vrouw kennen. Zij zei: ‘Je moet nog een heel leven werken, dan kun je maar beter lol in je vak hebben.’ Meer aanmoediging had ik niet nodig; ik stopte direct met rechten en stapte over naar kunstgeschiedenis. Daar raakte ik al snel gefascineerd door kunstnijverheid, en in het bijzonder Oosters porselein.”

Wat boeide u daar zo aan?
“Die voorwerpen staan dicht bij ons in het dagelijkse leven. Iedereen heeft wel een oude kast of antiek bordje in huis. Zulke spullen vertellen ieder hun eigen verhaal over wie we als Nederlanders zijn, en waar we vandaan komen. Je hebt letterlijk een stukje geschiedenis in handen. Niets leukers dan om de historie daarvan te reconstrueren. Dat porselein van de andere kant van de wereld al eeuwen geleden hier terechtkwam, maakt het voor mij extra spannend. Toen ik later zelf les ging geven, liet ik studenten het verhaal achter spullen uit hun eigen familie uitpluizen. Als een soort Tussen kunst en kitsch. Dan kwamen die voor hen ineens echt tot leven.”

Er kloppen vast vaak mensen vaak bij u aan die willen weten wat het bordje van hun moeder of het potje van hun opa waard is.
“Dat vind ik alleen maar leuk. In de meeste gevallen moet ik ze helaas vertellen dat ze het voorwerp beter gewoon kunnen gebruiken. Maar heel soms kan ik iemand blij maken. Ik heb een keer als expert opgetreden in het tv-programma Schatten op zolder. Het 17-eeuwse kommetje dat daar voor mijn neus stond, was meer waard dan gedacht. Een andere keer kreeg ik bijna een hartstilstand toen een dame een zeldzame, gemerkte Delftse tulpenvaas uit haar tas trok. Die is later in New York geveild voor 12.000 dollar.”

Toch lijkt kunstnijverheid minder aanzien te hebben dan beeldende kunst. Waarom is dat?
“Het zijn vaak voorwerpen die je in het dagelijkse leven toepast. En je vindt ze overal. Dat maakt ze voor sommige mensen minder speciaal. Voor mij werkt het precies andersom. Juist het feit dat mensen ze vroeger in handen hebben gehad en hebben gebruikt, creëert de magie.”

Na zijn promotieonderzoek naar ‘Porselein als handelswaar’ werd Jörg op zijn 33ste gevraagd om conservator kunstnijverheid in het Groninger Museum te worden. Hij greep de kans met beide handen aan, ook al moesten hij, zijn vrouw en hun twee jonge dochters daarvoor naar de andere kant van het land verhuizen. “Zoveel banen zijn er niet in dit vak. Bovendien had het Groninger Museum al een heel rijke collectie. Dat komt volgens mij door de noordelijke zuinigheid. Aan het einde van de achttiende eeuw raakte Aziatisch porselein uit de mode. Het verdween naar de kelders en werd later weggegooid. In Groningen en Friesland wisten ze echter dondersgoed wat pa en ma of opa en oma ervoor hadden betaald. Daardoor koesterden ze het meer, en is er veel bewaard gebleven.”
In het museum had Jörg allerlei soorten collecties onder zijn hoede, van meubels tot textiel. Maar het Aziatische porselein bleef zijn grote liefde. De tentoonstellingen die hij daarover organiseerde, zetten hem internationaal op de kaart.

Wat maakt uw aanpak als conservator anders?
“Ik gebruik kunst om geschiedenisverhalen te vertellen. Wat werd er in China en Japan allemaal voor porselein geproduceerd? Welke afbeelden gebruikten ze? Waarom kochten Nederlanders dat? Hoe vervoerden ze het? Om dat soort vragen te beantwoorden, moet je kunstvoorwerpen koppelen aan allerhande andere informatie. Die werkwijze was nieuw; mijn tentoonstellingen trokken mensen van over de hele wereld. Overigens vonden veel collega’s het ook vloeken in de kerk. Kunst mocht niet over handel en geld gaan, vonden ze. Maar ik heb niets met zo’n verheven benadering.”

Heeft u zelf veel voor het Groninger Museum aangekocht?
“Ontzettend veel! Vermoedelijk rond de 1200 stukken.”

Wat was het bijzonderste?
“Dat was grappig genoeg geen aankoop, maar een ruildeal. In 1986 klopte veilinghuis Christie’s bij me aan. Ze wilden een lading van 200.000 Chinese porseleinen voorwerpen verkopen, afkomstig uit een VOC-schip dat drie jaar eerder in de buurt van Singapore door een Britse duiker was opgedoken. Ze vroegen of ik kon achterhalen om welk schip het ging. Prima, dacht ik, maar dan wel in ruil voor een exemplaar voor ons museum van alle verschillende soorten porselein aan boord. Aan de hand van de inventarislijsten kon ik vervolgens achterhalen dat het schip de Geldermalsen was, uit 1752. Mede dankzij mijn uitzoekwerk en het boek dat ik erover publiceerde, bracht de lading uiteindelijk 43 miljoen gulden op.”

Zo’n onorthodoxe aanpak was vast not done in de kunstwereld.
“Klopt. De duiker had alles zelf naar boven gehaald, zonder hulp van een archeoloog. Collega’s vonden daarom dat ik had meegewerkt aan schatgraverij, en plundering van de scheepvaartgeschiedenis. Misschien hadden ze een punt, maar gedane zaken nemen geen keer. Ik had twee opties: óf mijn handen er vanaf trekken, óf zorgen dat de unieke verzameling werd veiliggesteld en gedocumenteerd. Uit praktische overwegen heb ik voor het laatste gekozen. Zo is de hele collectie voor onderzoek in het museum behouden.”

Officieel bent u acht jaar geleden met pensioen gegaan, maar u werkt zich nog een slag in de rondte. Wordt het niet eens tijd om van wat welverdiende rust te gaan genieten?
“Ben je gek! Daarvoor vind ik mijn vak veel te leuk. Ik ben bezig met een fantastisch onderzoeksproject in Dresden. En ik maak als gastconservator nog steeds tentoonstellingen, zoals De wereld in huis. Verder besteed ik veel tijd aan het onderhouden van mijn netwerk in binnen- en buitenland. Doe ik dat niet, dan denken ze binnen de kortste keren dat ik Alzheimer heb, of dood ben. Dat kan ik me niet veroorloven, want ik heb nog zoveel méér verhalen te vertellen.”

[Kader]
CV
Christiaan Jörg (1944) studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden en promoveerde op een onderzoek naar de handel in Chinees porselein in de 17e eeuw. Van 1978 tot 2003 was hij conservator en hoofd onderzoek bij het Groninger Museum. Daarnaast werkte hij als hoogleraar ‘Oost-Westrelaties in de decoratieve kunst’ in Leiden. In totaal maakte hij meer dan 25 grote tentoonstellingen en publiceerde hij ruim 115 boeken, catalogi en artikelen. Voor zijn werk kreeg hij in 1995 de Vuurslagprijs, de grootste kunsthistorische prijs in Nederland. In 2012 werd hij benoemd tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau. Jörg is weduwnaar, en heeft twee dochters en twee kleinkinderen.

Bekijk het hele Groninger Museum Magazine hier

Advertenties

VRIENDEN VOOR HET LEVEN

12 Dec

Gepubliceerd in LUMC Magazine, december 2017

Het is niet de eerste plek waar je aan denkt als je nieuwe vrienden zoekt. Toch vonden deze zes mensen een soulmate in het LUMC. Patiënte Karin Houweling (31): “Dat onze vriendschap juist hier is ontstaan, maakt hem extra waardevol.”

Persoonlijk contact is er genoeg in het Leids Universitair Medisch Centrum. Maar de meeste mensen zijn daar natuurlijk niet voor de gezelligheid. Ze komen er, omdat ze zorg nodig hebben. Of omdat ze er werken. Vrienden maken? Dat doe je op de sportclub, of in de kroeg.
En toch ontstaat ook in een ziekenhuis af en toe een bijzondere band. Dan is daar zomaar, ineens een klik. Door een gedeelde ervaring. Of gewoon, omdat je elkaar aardig vindt. Voor je het weet ben je vijftien jaar bevriend met een medepatiënte, die ooit bij je op zaal lag. Of ga je met je collega op vakantie. Zes LUMC-vrienden vertellen.

Als tieners ondergingen Evie Erkelens (30) en Joyce Weeda (30) in het LUMC bijna gelijktijdig zware behandelingen tegen een zeldzame vorm van botkanker.
Evie: “14 waren we. Middenin de puberteit kortom. En dan lig je ineens met kanker in het ziekenhuis.”
Joyce: “Evie liep drie chemokuren op mij voor. Zij kon me dus precies vertellen wat ik kon verwachten.”
Evie: “Het was heel bijzonder om een meisje van dezelfde leeftijd met dezelfde soort botkanker te ontmoeten. Die komt in Nederland jaarlijks namelijk maar drie tot vijf keer voor. En dan ook nog vooral bij jongens.”
Joyce: “We kregen allebei chemotherapie, een operatie en een stamceltransplantatie. Het enige verschil was dat de tumor bij Evie in haar been zat en bij mij in mijn arm.”
Evie: “Bij de chemo hadden we een infuuslijn van wel negen meter. Konden we samen kletsen, of een filmpje of Idols kijken. Zo voelden we ons toch een beetje gewone pubers.”
Joyce: “Na mijn eerste kuur moest ik wegens koorts in quarantaine. Op mijn verjaardag hing voor het raam van mijn kamer een kussensloop met Winnie-the-Pooh, dat Evie speciaal voor mij had gemaakt. Was ik wat minder alleen.”
Evie: “Na alle behandelingen verwaterde het contact een beetje. We waren vooral met ons eigen herstel bezig.”
Joyce: “Dat veranderde toen we gingen studeren. Bleken we los van elkaar dezelfde opleiding te hebben gekozen: sociaal-pedagogische hulpverlening.”
Evie: “Nu werken we allebei in de jeugdhulpverlening, en doen we beiden vrijwilligerswerk voor kinderen met kanker.”
Joyce: “Als we bijvoorbeeld voor controle naar het LUMC moeten, plannen we onze afspraken zo mogelijk op dezelfde dag.”
Evie: “Daarna gaan we samen tapas eten. Dat is echt een traditie geworden.”
Joyce: “Twee jaar geleden was Evie op mijn bruiloft. Zo bijzonder om daar samen te kunnen staan!”
Evie: “Dit jaar zijn we allebei dertig geworden, en vijftien jaar beter. Een dubbele mijlpaal. Uiteraard hebben we dat met z’n tweeën gevierd.”
Joyce: “Evie snapt dingen die niemand anders snapt. Bijvoorbeeld hoe ongemakkelijk littekens kunnen voelen als je een nieuwe relatie krijgt.”
Evie: “Gelukkig gaat het hartstikke goed met ons. Maar kanker houdt de rest van je leven impact. Wat dat betekent, weet je alleen als je het zelf hebt meegemaakt.”
Joyce: “We hoeven elkaar nooit iets uit te leggen. Dat onuitgesproken begrip is onbetaalbaar.”

Tim Oudshoorn (33) en Bob Molkenboer (24) werken allebei als verpleegkundige op de afdeling neurologie en neurochirurgie van het LUMC.
Bob: “In het laatste jaar van mijn opleiding was Tim mijn begeleider. We hadden gelijk een klik, vooral omdat we dezelfde flauwe humor hebben.”
Tim: “We maken natuurlijk best heftige dingen mee, dus dan heb je af en toe wel wat luchtigheid nodig om het vol te houden.”
Bob: “Na mijn afstuderen kwam ik vast op de afdeling werken. Gaandeweg gingen we steeds vaker buiten het werk met elkaar om.”
Tim: “90 procent van onze collega’s is vrouw. Hartstikke leuk, maar onbewust zoek je elkaar als mannen misschien toch wat eerder op.”
Bob: “We zijn bijvoorbeeld een keer naar Lowlands geweest, en we hebben samen gekart.”
Tim: “Het is niet zo makkelijk om als volwassene nieuwe vrienden te maken. Maar met Bob ging het eigenlijk vanzelf. Hij is heel relaxt.”
Bob: “Onze vriendinnen bleken het samen ook prima te kunnen vinden. Afgelopen zomer zijn we zelfs met z’n vieren op vakantie naar Rhodos geweest.”
Tim: “Mijn vriendin en ik hadden hadden al geboekt, toen bleek dat Bob dezelfde weken vrij had. ‘Waarom gaan jullie niet mee?’, vroeg ik.”
Bob: “Ik wilde altijd nog eens naar Griekenland, dus de keus was snel gemaakt. Net toen we daar waren, was er ’s nachts een aardbeving. Het hele gebouw schudde, ik schrok me wild.”
Tim: “De volgende ochtend vond ik een paniekerig berichtje van Bob op mijn telefoon. Waren mijn vriendin en ik overal doorheen geslapen.”
Bob: “Afgezien daarvan was het een topvakantie. Tim is negen jaar ouder dan ik, maar daar merk ik in de praktijk niks van; we zitten altijd op één lijn.”
Tim: “Dat is veel belangrijker dan een getal. Ik voel me trouwens helemaal geen 33. Mijn vriendin is ook elf jaar jonger.”
Bob: “Tijdens de vakantie hebben Tim en ik besloten om samen te gaan tennissen. Dat doen we nu twee of drie keer per week.”
Tim: “Op het werk zien we elkaar eigenlijk niet zo veel meer, we delen gemiddeld twee keer per maand een dienst.”
Bob: “Het lijkt haast wel of we expres niet meer samen worden ingeroosterd. Misschien vindt men dat we het dan té gezellig hebben.”

Patiënte Karin Houweling (31) en onderzoekster Yvonne de Jong (29) ontmoetten elkaar in juni 2015, tijdens een interview voor LUMC Magazine.
Karin: “Ik was voor controle in het LUMC, toen me gevraagd werd of ik aan een artikel wilde meewerken.”
Yvonne: “Het ging om de rubriek De Kennismaking, waarin patiënten en medewerkers met elkaar in gesprek gingen.”
Karin: “Yvonne bleek bij de afdeling pathologie promotieonderzoek te doen naar de soort kraakbeenkanker die vier jaar eerder bij mij was ontdekt.”
Yvonne: “Na afloop van het interview zijn we nog wat gaan drinken. Voor we het wisten, zaten we een uur te kletsen.”
Karin: “We hebben het eigenlijk nauwelijks over mijn ziekte gehad.”
Yvonne: “Ik ben een type dat altijd eerst de kat uit de boom kijkt. Maar bij Karin voelde ik me meteen op mijn gemak.”
Karin: “We zijn heel verschillend; ik ben juist een open boek en vertrouw mensen snel. Daarom vullen we elkaar zo goed aan, denk ik.”
Yvonne: “Na dat eerste gesprek hebben we contact gehouden. Eerst via WhatsApp, later zijn we regelmatig samen gaan eten.”
Karin: “Vorig jaar bleek mijn kanker terug te zijn. Na een pittige operatie stond Yvonne elke dag met cadeautjes aan mijn bed, terwijl veel anderen het lieten afweten. Dat vond ik zo bijzonder.”
Yvonne: “Logisch toch? Het was heel heftig dat ze weer onder het mes moest. Natuurlijk wilde ik er voor haar zijn.”
Karin: “Het is fijn om te weten dat zij veel van mijn ziekte snapt. Maar ze zal nooit op de stoel van mijn dokter gaan zitten.”
Yvonne: “Ik ben geen arts. Bovendien kan ik geen patiëntgegevens inzien. Ik weet dus niet méér over Karins diagnose dan ze mij heeft verteld.”
Karin: “In een ziekenhuis voel je je heel kwetsbaar. Dat onze vriendschap juist hier is ontstaan, maakt hem extra waardevol. Ik weet dat al mijn zorgen en problemen veilig zijn bij Yvonne. Ze heeft een heel speciaal plekje in mijn hart.”
Yvonne: “Dat we elkaar maar een paar keer per jaar zien, maakt niets uit. Als ze me nodig heeft, ben ik er voor Karin. En andersom is zij er voor mij.”

Bekijk het hele LUMC Magazine hier

ZOEKEN NAAR ZELDZAME ZIEKTEN

12 Dec

Gepubliceerd in LUMC Magazine, september 2017.

Je zal hem maar hebben: een ziekte die nauwelijks iemand kent. Je loopt jarenlang allerlei dokters af en geen van hen snapt wat er nu echt aan de hand is. Met als gevolg dat je onnodig lang op een behandeling moet wachten. Als die er al is. Dat kan en moet beter, vindt men op Europees niveau. Bijvoorbeeld door meer kennis uit te wisselen en nauwer samen te werken. Het LUMC neemt daarin als coördinerend centrum van het grootste Europese netwerk voor zeldzame ziekten het voortouw. Drie patiënten vertellen hoe het is om een zeldzame ziekte te hebben.

“We snappen nu pas waarom er in mijn familie veel bronchitis voorkomt”
Naam: Brigit van Berkel
Leeftijd: 56
Aandoening: longziekte Alpha-1 en als gevolg daarvan COPD
Diagnose in: 2010
“Als ik in 2010 niet van mijn paard was gevallen, had ik misschien wel nooit — of in ieder geval pas veel later — ontdekt dat ik een zeldzame longziekte heb. Aan die val hield ik een klaplong over, die maar niet wilde genezen. Mijn arts testte me op Alpha-1, een zeldzame, erfelijke longziekte. Omdat het LUMC in deze aandoening is gespecialiseerd, ben ik daarnaar overgestapt.
In Nederland zijn er zo’n 700 patiënten met Alpha-1 bekend. Zij hebben een tekort aan een bepaald eiwit, waardoor weefsels beschadigd raken. Meestal zitten de beschadigingen in de longen. Alpha-1 veroorzaakt dan COPD. Zo ook bij mij. Toen ik de diagnose kreeg, ben ik direct gestopt met roken.
In mijn familie komt veel bronchitis voor. En mijn vader had ook COPD. Maar pas bij mij werd duidelijk wat daar de reden van was. Sinds mijn diagnose ben ik flink achteruit gegaan en heb ik veel last van kortademigheid. Mijn longfunctie is nu nog ongeveer 50 procent. Ik kan niet meer wandelen in de Ardennen, en na een half uur paardrijden in de manege moet ik afstappen vanwege kortademigheid. Gelukkig lukt buiten rijden nog wel. Als ik voor een longtransplantatie in aanmerking zou komen, zou ik dat waarschijnlijk doen. Maar daarvoor zijn mijn longen nu nog niet slecht genoeg.
Alpha-1 is niet te genezen, je kunt alleen de symptomen — kortademigheid, benauwdheid, vermoeidheid — bestrijden. Er bestaat een medicijn dat het longweefsel tegen beschadiging beschermt. Ik heb dat twee keer een jaar in studieverband van het LUMC gekregen. In die periode is mijn longfunctie nauwelijks achteruit gegaan. Maar het medicijn is duur en wordt voor mij niet vergoed. Heel erg frustrerend om te weten dat er een middel is dat de ziekte vertraagt, maar dat ik niet kan krijgen. In omringende landen, zoals Duitsland, is het voor meer patiënten beschikbaar, maar Nederland hanteert heel strenge regels. Dat heeft te maken met de hoge kosten van medicijnen voor zeldzame ziektes. Ik zou willen dat ze wat coulanter in de verstrekking waren. Een alternatief is er voor mij namelijk niet.”

“Als ik de loterij win, gebruik ik het geld om meer bekendheid aan de ziekte te geven
Naam: Rob de Lijn
Leeftijd: 55
Aandoening: ziekte van Cushing
Diagnose in: 2013
“Dat mijn huisarts niet wist wat er met me aan de hand was, neem ik haar niet kwalijk. Wel dat ze mijn klachten niet serieus nam. Als ze dat wel had gedaan, had me zoveel leed bespaard kunnen blijven. Daar kan ik nog steeds boos om worden.
Tot mijn 50ste had ik amper een huisarts gezien. Maar opeens zat ik er elke drie maanden. Mijn bloeddruk was te hoog, ik hield vocht vast, mijn haar viel uit, mijn huid werd dunner, mijn spierkracht verminderde; elke keer kwamen er nieuwe klachten bij. Omdat mijn hart in orde bleek, zocht mijn huisarts er verder niets achter. ‘Koop maar steunkousen’, zei ze.
Eind 2012 kreeg ik ongelofelijke pijn in mijn rug. Wat bleek? Ik had twee gebroken ruggenwervels en een incomplete dwarslaesie, het gevolg van botontkalking. Na vijf dagen in het ziekenhuis kwam er een internist aan mijn bed. Binnen een paar minuten wist hij wat ik had. Het bleek de ziekte van Cushing te zijn, een zeldzame hormonale aandoening, die jaarlijks bij zo’n vijftig mensen wordt vastgesteld. Zij hebben een goedaardig gezwel op hun hypofyse, de klier die onder andere het hormoon cortisol aanmaakt. De productie daarvan raakt dan helemaal van slag — mijn cortisolniveau was dertig keer te hoog — met allerlei klachten tot gevolg. Met een operatie en eventueel bestraling is de ziekte goed te behandelen.
Zelf was ik inmiddels in een rolstoel beland. Na vier maanden in een revalidatiecentrum kon ik met een rollator weer een paar meter lopen. Ik voelde me niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gehandicapt. Als ik er in die periode een einde aan had kunnen maken, had ik het vermoedelijk gedaan, zo wanhopig en somber was ik.
Dankzij de inzet van de mensen in het LUMC ben ik er gelukkig bijna helemaal bovenop gekomen. Wonder boven wonder loop en fiets ik weer, en ben ik volledig aan het werk. Het allerbelangrijkste is dat ik weer volop van het leven geniet. Mede door het LUMC heb ik mijn vertrouwen in de zorg terug. Als ik de loterij win, gebruik ik het geld om meer bekendheid aan de ziekte van Cushing te geven.”

“Blijf zoeken als je voelt dat er iets niet klopt”
Naam: Natalie van Dijke – De Kam
Leeftijd: 36
Aandoening: lipodystrofie
Diagnose in: 2007
“Begin twintig was ik, en altijd moe. Elke beweging deed pijn. De ziekte van Pfifer, dachten de dokters. Maar mijn andere klachten — eten moeilijk verdragen, misselijkheid, overgeven, diarree — konden ze niet verklaren.
In 2003 was ik met familie bij mijn oma op bezoek. Zij had diabetes, en voor de grap besloten we allemaal onze glucose te testen. Ik schrok me rot toen ik mijn waarden zag. Bleek ik ook suikerziekte te hebben. De medicijnen maakten me alleen maar ellendiger. Ik moest meer bewegen, maar na een rondje fietsen was ik de rest van de dag kapot. En toen ik insuline ging spuiten, stegen mijn bloedsuikerwaarden juist in plaats van dat ze daalden. Het voelde alsof mijn lichaam van binnen kapotging. Reden genoeg om met alle medicatie te stoppen. Mijn huisarts en internist hadden geen idee wat ze verder konden doen.
Maar de klachten bleven. Drie jaar later kreeg ik bovendien een rare bobbel in mijn buik. Via vrienden van mijn ouders kwam ik in het LUMC terecht. Daar rustten ze niet voordat ze wisten wat er met me aan de hand was. Maanden later kwam het antwoord: lipodystrofie, een aandoening waarbij onderhuids vetweefsel verdwijnt, en allerlei lichaamssystemen ontregeld raken Omdat de ziekte zo zeldzaam is — hij komt bij 1 op de 10 miljoen mensen voor, in Nederland is er slechts een handjevol patiënten — is er geen standaardbehandeling. Gelukkig bestaat er experimenteel medicijn uit Amerika. In Nederland wordt dat nog niet vergoed, maar ik krijg het van het LUMC. Vanaf het moment dat ik het innam, voelde ik me fitter en had ik minder pijn. Dankzij het middel leid ik weer een normaal leven. Wel bleek het moeilijk om mijn suikerziekte onder controle te krijgen. Met nieuwe medicatie gaat dat sinds kort eindelijk beter.
Ik vind mezelf niet zielig. Maar ik baal soms wel dat mijn huisarts me zo lang heeft laten doorsukkelen. Ik druk anderen dus altijd op het hart om hun zoektocht vooral niet op te geven als ze zelf voelen dat er iets niet klopt. Overigens vertel ik weinig mensen over mijn aandoening. Ik wil dat ze me kennen als Natalie, niet als die vrouw met een zeldzame ziekte.”

 

ALLES OVER HET PLACEBO-EFFECT

12 Dec

 

Gepubliceerd in LUMC Magazine, september 2017.

Je beter voelen door een pil met niks erin: dat is het beeld dat de meeste mensen hebben van een placebo. Maar volgens de Leidse hoogleraar gezondheidspsychologie Andrea Evers gaat de werking ervan veel verder. In het LUMC doet zij onder meer onderzoek naar het placebo-effect bij beginnende reuma. “Hopelijk hebben patiënten dankzij een placebo in de toekomst minder medicijnen nodig.”

Simpel gezegd draait het placebo-effect om verwachtingen van patiënten. Die zorgen er mede voor of een behandeling goed of juist minder goed aanslaat. Het maakt bijvoorbeeld nogal wat uit of je je dokter wel of niet vertrouwt. Ook de manier waarop je behandelaar informatie met je deelt, heeft veel invloed. Hetzelfde geldt voor je eerdere positieve of negatieve ervaringen met een therapie. Al dat soort factoren spelen een rol bij het uiteindelijke resultaat van een behandeling.
“Dat geldt als je iemand een nepmedicijn geeft, maar óók bij een echte pil of ingreep”, zegt klinisch psycholoog Andrea Evers. Als hoogleraar gezondheidspsychologie, verbonden aan het LUMC, doet ze veel onderzoek naar het placebo-effect. Een medische behandeling zónder een placebo-effect bestaat volgens haar eigenlijk niet. “Je kunt je verwachtingen immers niet uitschakelen. Die hebben dus altijd effect.”
Dat werkt zo. Als je gelooft dat een behandeling gaat werken, stimuleert dat je hersenen om in actie te komen. Er komen dan allerlei lichamelijke processen op gang. Het afweersysteem wordt bijvoorbeeld opgepord, of er worden stofjes aangemaakt die pijn onderdrukken, of je stemming verbeteren. Zolang je verwachtingen maar positief zijn, kan dat zelfs gebeuren als je een pil zonder werkzame stoffen krijgt. “Vandaar dat een placebo, bijvoorbeeld een neppijnstiller of een nepantidepressivum, wel degelijk echt wat kan uithalen”, verklaart Evers. “Hoe sterker en langduriger het idee dat iets gaat helpen, hoe groter het effect.”
Betekent dat, dat mensen zichzelf kunnen genezen? “Dat is te kort door de bocht”, haast Evers zich te zeggen. “Maar het is wel degelijk zo dat ieder mens over een natuurlijke apotheek beschikt, die je bij de aanpak van klachten kan helpen.” Volgens haar is het aandeel van je eigen verwachtingen in het uiteindelijke resultaat van een behandeling veel groter dan de meeste mensen denken. “Uit onderzoek weten we dat een placebo bijvoorbeeld bij de behandeling van pijn zeker de helft van het effect van een echte pijnstiller kan oproepen. Er zijn kortom allerlei factoren rondom de behandeling die een rol spelen. Het is zonde dat we daar in de zorg niet meer gebruik van maken.”

Placebo-onderzoek in het LUMC
In samenwerking met de afdeling reumatologie van het LUMC onderzoekt Andrea Evers of artsen het placebo-effect kunnen gebruiken om patiënten met beginnende reumatoïde artritis vaker en sneller te laten herstellen. In het begin van het onderzoek kregen alle deelnemers de gebruikelijke medicijnen om hun ontstekingen af te remmen. Vervolgens is de helft van de deelnemers die blijven slikken, maar nu krijgen ze daar steeds minder van. Bij de andere helft van de groep wisselt de dosis van week tot week volgens een schema, dat het placebo-effect mogelijk kan versterken.
“Het doel is om het lichaam met behulp van het placebo-effect te trainen om zelf ontstekingsremmende stofjes aan te maken”, vertelt Evers. “Als dat werkt, hoeven mensen met beginnende reuma in de toekomst mogelijk minder medicijnen te nemen. En hebben ze dus minder last van bijwerkingen.” Eind 2018 hoopt ze te kunnen zeggen of dat daadwerkelijk zo is.

“Ik heb geen idee of ik echte of neppillen slik”
Eén van de deelnemers aan het placebo-onderzoek in het LUMC is de 72-jarige Maria Versteeg.
“In mei vorig jaar zwollen mijn handen ineens op. Ze waren zo dik, dat het leek alsof mijn vingers aan elkaar zaten geplakt. De ring aan mijn rechterhand was niet meer te redden, die moest worden doorgezaagd. Mijn vingers trokken krom en de huid op mijn handen kwam steeds strakker te staan. Hartstikke pijnlijk. Ik kon er niets meer mee.
Mijn huisarts verwees me door naar het LUMC. Beginnende reumatoïde artritis, luidde het oordeel van de arts. Gelukkig was ik er snel bij; ik had nog geen schade aan mijn gewrichten. De reumatoloog vroeg me of ik aan het placebo-onderzoek wilde meedoen. Daar hoefde ik niet lang over na te denken; als ik toekomstige patiënten kan helpen, doe ik dat graag. Bovendien had ik er het volste vertrouwen in dat de doktoren goed op me zouden passen. Zij hebben er immers verstand van.
Een paar dagen nadat ik met de medicijnen was begonnen, werden mijn vingers al dunner. Inmiddels heb ik nergens last meer van; de ontsteking is weg en mijn bloedwaarden zijn weer normaal. Tot mijn eigen verbazing en die van mijn omgeving heb ik helemaal geen medicatie meer nodig. Ik weet dat een deel van de pilletjes die ik voorheen slikte nep was. Maar hoeveel? Geen idee. Een vriendin noemde me een proefkonijn. Best een raar idee. Maar zolang ik klachtenvrij ben, maak ik me er niet druk om.“

Wat kun je als patiënt zelf doen om van het placebo-effect te profiteren?

  • Zoek een behandelaar die je vertrouwt.
  • Vraag door als je niet goed begrijpt waarom je een bepaalde behandeling krijgt, of hoe die werkt.
  • Wees je bewust van je verwachtingen en spreek die ook uit naar je dokter.
  • Stem alleen in met medische besluiten als je er zelf een goed gevoel over hebt.
  • Als je weet dat je je snel zorgen maakt over risico’s of bijwerkingen van behandelingen, zoek daarover dan niet te veel informatie op internet. De onzekerheid en onrust die dat veroorzaakt, kan je behandeling negatief beïnvloeden.

Aandacht loont
De relatie tussen een patiënt en zijn of haar behandelaar heeft een grote invloed op het resultaat van een behandeling. In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten, blijken opleiding en ervaring van behandelaars niet doorslaggevend om het vertrouwen van patiënten te winnen. Voor hen is aandacht veel belangrijker. Niet voor niets betekent placebo letterlijk ‘ik zal behagen’. Inlevingsvermogen en betrokkenheid van de behandelaar, daar draait het om.

Met open vizier
Als mensen wéten dat ze een ‘lege’ pil krijgen, dan werkt die natuurlijk niet. Toch? Mis! De Amerikaanse hoogleraar psychologie Ted Kaptchuk, directeur van het programma voor placebo-onderzoek aan de Harvard Medical School, toonde onlangs aan dat een placebo wel degelijk kan bijdragen aan genezing, zelfs als patiënten ervan op de hoogte zijn. Placebo ‘met open vizier’, noemt hij dat. Bij mensen met chronische pijnklachten en prikkelbare darmsyndroom behaalde hij met zo’n open placebo goede resultaten.
Andrea Evers daarover: “Je kunt het immuunsysteem trainen om – in reactie op een placebo – bepaalde stofjes zelf aan te maken. Een voorbeeld. Onderzoekers lieten mensen met een allergie drie dagen lang een milkshake drinken en tegelijkertijd een anti-allergiemiddel innemen. Een week later kwamen ze terug en kregen ze alleen de milkshake, zonder medicijn. Wat bleek? Hun allergische reactie was wederom verlaagd. De hersenen hadden dus geleerd om in reactie op de milkshake zelf de ontstekingsremmende stof zelf te produceren.”
Overigens is het niet zo dat patiënten dan helemaal geen medicijnen meer nodig hebben,. “Als er geen koppeling meer is met de echte medicatie dooft het placebo-effect langzaam uit”, besluit Evers. “Je moet dus echte medicijnen blijven geven, maar waarschijnlijk kan dat wel in lagere doses. In een internationaal onderzoek bij mensen met de huidziekte psoriasis is de werking van deze aanpak al aangetoond. De patiënten konden uiteindelijk toe met de helft van de normale hoeveelheid hormoonzalf.”

Twee rode pillen graag

  • Twee placebopillen werken beter dan één.
  • Een grote pil werkt beter dan kleine.
  • Een placebopil met een bekende merknaam op het doosje werkt beter dan een ‘anonieme’ pil.
  • ‘Duurdere’ placebomiddelen hebben een grotere werking dan ‘goedkopere’.
  • Placebo’s waarvan de arts zegt dat die het beste werken, blijken in de praktijk ook effectiever.

Nocebo
Verwachtingen kunnen het resultaat van een behandeling positief, maar óók negatief beïnvloeden. Dat heet het nocebo-effect. Een patiënt die een medicijnen ziet als puur gif en de behandeling tegen wil en dank ondergaat, krijgt waarschijnlijk meer bijwerkingen dan een patiënt die achter de kuur staat, aldus gezondheidspsycholoog Andrea Evers. Zo rapporteerden borstkankerpatiënten die daar vooraf uitgebreid over waren geïnformeerd méér bijwerkingen van hun chemokuur dan patiënten die de uitleg niet hadden ontvangen.

Leugentje om z’n bestwil?
In de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) staat dat een arts de plicht heeft zijn patiënt duidelijk te informeren over onderzoeken en behandelingen. In de praktijk betekent dat, dat een dokter geen placebo aan een patiënt mag geven, zonder dat die dat weet. Zelfs niet als de behandelaar gelooft dat die er baat bij heeft. In het kader van een wetenschappelijk onderzoek kan daarvoor een uitzondering worden gemaakt, mits de patiënt dan maar weet dat hij mogelijk een placebo krijgt.

WAT TE DOEN AAN EEN SLECHTE ADEM?

11 Dec

M39 Vraag van de week halitose

Gepubliceerd in Margriet 39, 22 september 2017.

Brenda (60): “Een collega ruikt onfris uit zijn mond. Moet ik daar iets van zeggen? En kan ik hem tips geven wat eraan te doen is?”

Tandarts-parodontoloog en implantoloog Paul Sipos, werkzaam in het Centrum Implantologie Parodontologie Amstelveen: 
“De meeste mensen zijn zich niet bewust van hun slechte adem — officiële naam: halitose. Dat komt omdat je eraan went. Vergelijk het maar met parfum of aftershave: een nieuw luchtje ruik je in het begin zelf nog wel, maar op een gegeven moment nauwelijks meer. Het probleem komt trouwens veel voor; zo’n kwart van de volwassenen heeft er last van.
Mensen in de omgeving vinden het meestal knap lastig om iemand op een onfrisse mondgeur te wijzen. Toch is het goed om het wel aan te kaarten. Ernstige halitose kan namelijk voor sociale problemen zorgen, bijvoorbeeld omdat vrienden of collega’s de persoon in kwestie gaan vermijden.
De oorzaak van een slechte adem ligt bijna altijd in een slechte mondhygiëne. Sommige bacteriën in de mond zetten bepaalde eiwitten om in zwavelverbindingen. Die veroorzaken de onaangename geur. Speeksel heeft een beschermende werking tegen deze bacteriën. Vandaar dat een droge mond, bijvoorbeeld door medicijngebruik of het drinken van (veel) koffie, een slechte adem kan verergeren. Dat is ook de reden dat veel mensen ’s ochtends een slechtere adem hebben, aangezien je ’s nachts minder speeksel aanmaakt. Verder kan een (tandvlees)ontsteking voor halitose zorgen. Heel soms is er iets anders aan de hand, zoals een ontsteking van neus- of bijholtes, slokdarm- of maagproblemen of diabetes.
Door je mond beter schoon te houden, is het probleem in 80 procent van de gevallen te verhelpen. Dat betekent in ieder geval twee keer per dag minstens twee minuten poetsen met een elektrische tandenborstel. Ook heel belangrijk: je tong goed schoonmaken. Vooral het achterste deel, aangezien daar de meeste bacteriën op zitten. Een handig hulpmiddel is een zogenaamde tongschraper, te koop bij de drogist. Flossen, stoken en ragen helpen ook; daarmee maak je de ruimten tussen de tanden en kiezen goed schoon, en verklein je de kans op infecties. Als je het prettig vindt, kun je een spoelmiddel gebruiken om je mond goed na te spoelen. Het meest doeltreffend is chloorhexidine. Pas op: bij lang gebruik verandert dat je smaak en geeft het een donkerbruine aanslag. Wees ook voorzichtig met alcoholhoudende spoelmiddelen, omdat die je mondslijmvlies bij veelvuldig gebruik kunnen beschadigen.
Koffie kun je beter zoveel mogelijk laten staan als je last van halitose hebt. Drink in plaats daarvan voldoende water om een droge mond te voorkomen. Laat tot slot je tandarts je gebit elk half jaar controleren. Eventueel kan een mondhygiënist het intensief reinigen. Mocht dit allemaal onvoldoende helpen, vraag dan advies aan je tandarts of huisarts. Een verwijzing naar een parodontoloog (een tandvleesspecialist) of het speciale halitosespreekuur dat veel ziekenhuizen tegenwoordig hebben, kan je veel leed besparen.”

EINDELIJK VAN DE JICHT AF

11 Dec

PLN12_13A jicht1

Gepubliceerd in Plus Magazine, december 2017. 

Jos Wetzels (66) leed twintig jaar aan zeer pijnlijke jichtaanvallen. Tot hij bij een gespecialiseerde reumatoloog kwam, die een oplossing voor zijn klachten vond. 
“Het voelde alsof iemand een mes in mijn enkel zette en die in tweeën splitste. Zo erg was de pijn. Tijdens die eerste aanval, zo’n 25 jaar geleden, schrok ik me rot; ik had geen idee wat me overkwam. De huisarts stelde jicht vast. De pijnstillers die hij me gaf, haalden weinig uit. Wat was ik opgelucht toen de pijn na een paar dagen weer verdween! Helaas kreeg ik amper zes weken later een tweede aanval, al snel gevolgd door een derde en een vierde. De ene keer zat het in mijn enkel, de andere keer in mijn grote teen of knie. Waar ook, de vlammende pijn was altijd ondraaglijk.
Er doen nogal wat verhalen de ronde dat jicht het gevolg is van een overdadige leefstijl. Grotendeels onterecht, want het is een stofwisselingsziekte. Maar omdat ik best een Bourgondiër ben, dachten veel mensen in mijn omgeving dat het mijn eigen schuld was. Dat vond ik soms best lastig.
Toen mijn klachten bleven terugkomen, schreef mijn huisarts na een half jaar dagelijks 100 mg allopurinol voor, medicatie om de boosdoener, het teveel aan urinezuur in mijn bloed, aan te pakken. Het aantal jichtaanvallen nam daardoor weliswaar iets af, maar gemiddeld moest ik toch zo’n vijf keer per jaar van werk verstek laten gaan omdat de pijn te erg was. Bovendien kreeg ik last van artrose — slijtage — in mijn handen. De reumatoloog die ik op een gegeven moment bezocht, wist geen betere oplossing dan me nóg sterkere pijnstillers te geven. Zo modderde ik door.
Daar kwam pas verandering in toen ik een jaar of vijf geleden bij de gespecialiseerde reumatoloog Tim Jansen van het VieCuri Medisch Centrum in Venlo terechtkwam. Voor het eerst kreeg ik écht goede uitleg over wat jicht precies is, en wat je eraan kunt doen. Hij motiveerde me om een paar kilo af te vallen en in plaats van één minstens drie keer per week te gaan sporten. Verder verhoogde hij de dosering van mijn medicatie flink. Sindsdien ben ik zo goed als klachtenvrij. Pijnstillers slik in nauwelijks meer, en ik werk zonder problemen nog vier dagen per week. Achteraf denk ik: had ik mijn mond maar eerder opengetrokken, en was ik maar sneller naar een andere specialist op zoek gegaan. Dan was me vermoedelijk een boel ellende — en wellicht ook blijvende lichamelijke schade — bespaard gebleven.”

De laatste jaren zijn er belangrijke stappen gezet in de behandeling van jicht. Helaas profiteren nog lang niet alle patiënten daarvan, zegt reumatoloog Tim Jansen, voorzitter van de werkgroep jicht van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie (NVR). 

Komt het vaker voor dat jichtpatiënten niet of (te) laat de juiste behandeling krijgen?
Reumatoloog Tim Jansen, voorzitter van de werkgroep jicht van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie (NVR): “Helaas wel. Huisartsen behandelen meestal alleen de pijnklachten van jicht, niet de aanleiding. Maar we hebben tegenwoordig verschillende middelen tot onze beschikking waarmee we de achterliggende oorzaak kunnen aanpakken. Als reumatologen vinden we dat veel meer jichtpatiënten die voorgeschreven zouden moeten krijgen.”

Waarom is dat zo belangrijk?
“Omdat een acute jichtaanval het topje van de ijsberg is. Herhaalde aanvallen kunnen slijtage en schade aan gewrichten veroorzaken, met pijn, stijfheid en bewegingsbeperking tot gevolg. Eenmaal kapot blijft kapot. Bovendien hebben mensen met chronische jicht vaak een hoge bloeddruk en een grotere kans op hart- en vaatziekten. Waarom dat zo is, weten we nog niet precies; vermoedelijk heeft het met de ontstekingen in het lichaam te maken. Al die problemen wil je natuurlijk het liefst voorkomen. Met de juiste behandeling kan dat in veel gevallen ook.”

Even terug: wat is jicht ook weer precies?
“Je lichaam breekt voortdurend cellen af en vervangt die door nieuwe. Bij dat proces komt een stofje vrij, purine, dat afbrokkelt in urinezuur. Normaal gesproken lost urinezuur op in het bloed, waarna je het via de nieren uitplast. Bij mensen met jicht werkt dat stofwisselingsproces niet helemaal goed, waardoor ze te veel urinezuur in hun bloed krijgen. Het vormt dan kristallen, die onder andere neerslaan in de gewrichten. Het afweersysteem ziet die kristallen als onnatuurlijke indringers en gaat aan de slag om ze op te ruimen. De pijnlijke ontsteking waarmee dat gepaard gaat, heet een acute jichtaanval.”

Komt het veel voor?
“In Nederland zijn er bijna twee miljoen mensen met reumatische aandoeningen. Hoeveel daarvan jicht hebben, wordt niet apart bijgehouden, maar het gaat om serieuze aantallen.”

Wat zijn de belangrijkste klachten?
“Bij een jichtaanval hebben patiënten een heftige, brandende pijn in een gewricht, die bewegen moeilijk maakt. Het gewricht is rood, gezwollen en voelt warm aan. Soms komt er ook koorts bij. In 50 tot 60 procent van de gevallen treft de aanval de grote teen. Ook in andere gewrichten zoals de voet, enkel, knie, vinger, pols en de ellebogen kan jicht voorkomen, soms zelfs in meerdere tegelijk.”

Hoe gaat het daarna verder?
“Een aanval duurt meestal enkele dagen tot drie weken. Daarna gaan de klachten veelal vanzelf over, maar niet altijd. Soms blijft de aanval maar doorgaan.Tweederde van de patiënten krijgt binnen een jaar na de eerste aanval een tweede. Dan spreken we van chronische jicht. Na verloop van tijd kunnen bij de gewrichten verdikkingen onder huid — zogenaamde tophi of jichtknobbels — ontstaan. Meestal zijn ze niet pijnlijk.”

Klopt het jicht een typische mannenziekte is?
“Ja, het merendeel van de patiënten is man. Zij krijgen hun eerste jichtaanval meestal tussen hun 40ste en hun 50ste jaar, vrouwen na de overgang. Dat meer mannen er last van hebben, komt vermoedelijk doordat vrouwelijke hormonen een beschermend effect tegen jicht hebben. Verder speelt leefstijl mogelijk een rol. Overgewicht en alcoholgebruik vergroten de kans op een jichtaanval iets, en die zaken komen vaker bij mannen voor.”

Daarover gesproken: jicht wordt wel een welvaartsziekte genoemd. Terecht?
“Nee. Sommige voedingsmiddelen bezitten van nature veel purine, dat het urinezuurgehalte in het bloed verhoogt. Producten met veel natuurlijke of synthetische suikers bijvoorbeeld. Als je toch al veel purine in je lichaam hebt, kan verkeerde voeding een aanval uitlokken. Maar dat jicht uitsluitend een ziekte van drinkebroers en Bourgondiërs zou zijn, is echt een misverstand. Voeding is maar voor zo’n 10 procent verantwoordelijk voor het urinezuurgehalte in het bloed. De overige 90 procent wordt bepaald door factoren binnen het lichaam.”

Hoe wordt jicht behandeld?
“Bij een acute aanval krijgen patiënten ontstekingsremmende pijnstillers, zogenaamde NSAID’s, en eventueel een middel om gewrichtsontstekingen af te remmen, zoals prednison, colchicine of een zogenaamde interleukine-1-blokker. Komen de aanvallen vaker voor, dan is het zogezegd belangrijk om de achterliggende oorzaak aan te pakken en op die manier ernstiger problemen te voorkomen. Het meest gebruikte medicijn daarvoor is allopurinol. Dat verlaagt de hoeveelheid urinezuur in het bloed. Een op de tien patiënten krijgt daar darm- of huidklachten van. Voor hen is er een alternatief, febuxostat, met dezelfde werking. Zonodig kunnen we aanvullend benzbromaron geven, een middel dat ervoor zorgt dat je meer urinezuur uitplast. Soms is het even zoeken, maar met (een combinatie van) deze middelen kunnen we uiteindelijk 99 procent van de patiënten jichtvrij krijgen. Kortom, met de juiste aanpak kan jicht de wereld uit.”

Waarom geven (huis)artsen dit soort medicijnen dan niet altijd?
“Omdat lang niet alle dokters hiervan op de hoogte zijn. Verder verschillen huisartsen en reumatologen van mening over de beste aanpak van jicht. Waarschijnlijk heeft het ermee te maken dat de minder ernstige gevallen bij de huisarts komen, terwijl specialisten vooral patiënten met complexe problemen zien. Het gevolg is dat we verschillende behandelnormen hanteren. In de huisartsenrichtlijn staat dat patiënten met méér dan drie jichtaanvallen per jaar kunnen overwegen om medicatie te gaan slikken die de oorzaak bestrijdt. Reumatologen vinden dat advies veel te terughoudend. Wij zeggen: iedereen die binnen een jaar twee jichtaanvallen heeft gehad, zou deze medicijnen moeten nemen.”

Hoe lang moet je die gebruiken?
“Dat hangt van de situatie af, maar vaak doen patiënten er goed aan die voor de rest van hun leven te slikken.”

Hebben alternatieve behandelingen zin?
“Er zijn bijvoorbeeld homeopatische middelen om je urine minder zuur te maken. Dat zou tegen jicht helpen, maar het effect daarvan is nooit aangetoond. Hetzelfde geldt voor alle andere alternatieve middelen tegen jicht; er is geen enkel bewijs voor de werking. Kies je toch voor een alternatieve behandeling, meld dat dan altijd aan je arts. Stop nooit zomaar met je reguliere medicijnen.”

Wat kun je als patiënt verder zelf doen?
“Het belangrijkste is om ervoor te zorgen dat je snel de juiste behandeling krijgt. Heb je binnen een jaar twee jichtaanvallen, vraag je huisarts dan om allopurinol. Als dat onvoldoende helpt, is het verstandig om je naar een reumatoloog te laten doorverwijzen. Die kan aanvullend onderzoek doen en een maatwerkadvies geven. Verder doen jichtpatiënten er goed aan om dagelijks twee tot drie liter te drinken, om zoveel mogelijk urinezuur uit te plassen. Een gezond gewicht en een gezonde voeding vormen een belangrijke aanvullende behandeling. Dat alleen is meestal niet genoeg om helemaal van de jicht af te komen, maar het kan er soms wel voor zorgen dat je met een lagere dosering medicatie afkunt.”

[Kader]
Voedingsadvies bij jicht

  • Wees voorzichtig met alcohol, met name bier en maltbier. Alcohol bevordert het urinezuurgehalte in het bloed en maakt het voor de nieren moeilijk om urinezuur kwijt te raken.
  • Hoe meer fructose je dagelijks binnenkrijgt, hoe hoger het risico op een jichtaanval kan zijn. Fructose komt voor in veel zoete producten, zoals suikerhoudende frisdranken, fruitsappen, koek en snoep. Beperk het gebruik daarvan dus.
  • Magere zuivelproducten zijn juist goed. Bepaalde eiwitten in zuivelproducten bevorderen namelijk de uitscheiding van urinezuur. Hetzelfde geldt overigens voor koffie, mits je er minimaal ze kopjes per dag van drinkt.
  • Als je overgewicht hebt, is het verstandig om af te vallen tot een gezond gewicht. Bij een gezond gewicht zal het urinezuurgehalte in het bloed dalen.

Bron: Reumafonds.

%d bloggers liken dit: