Archief | januari, 2018

DE LEVENSLESSEN VAN LUITENANT-KOLONEL B.D. CHRISTA OPPERS-BEUMER

29 Jan

2018-01-27 Levenslessen Christa Oppers

Gepubliceerd in Trouw, zaterdag 27 januari 2018. (Foto: Merlijn Doomernik)

Luitenant-Kolonel buiten dienst Christa Oppers-Beumer (58) was in 1982 de eerste vrouw ooit die afstudeerde aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Na een luchtmachtcarrière van 39 jaar ging ze vorige maand met pensioen.

Les 1: Succes is een mix van doorzettingsvermogen en geluk
“Als meisje wilde ik maar één ding: officier worden. Geen idee wat ik anders had moeten doen. Mijn ouders begrepen weinig van mijn passie — mijn vader was weg- en waterbouwkundige, mijn moeder huisvrouw. Maar ze hebben me altijd 100 procent gesteund. Op mijn 6e stuurde mijn vader me naar judo, omdat hij vond dat ik mezelf moest kunnen verdedigen. En op het VWO stimuleerde hij me om wiskunde in mijn pakket te houden. Best bijzonder in een strikt, Hervormd Gelders gezin in de jaren ’60. Mijn grote voorbeeld was mijn buurjongen, Mart de Kruif, die later Commandant der Landstrijdkrachten zou worden. Hij was een jaar vóór mij naar de KMA gegaan. Als hij in het weekend in uniform en vol stoere verhalen thuiskwam, hing ik aan zijn lippen. Dat wilde ik ook! Tot dan toe waren er in het 150-jarig bestaan van de KMA nooit vrouwen toegelaten, maar dat deerde me niet; ik wist zeker dat het me zou lukken. Vijftig opleidingsplekken waren er voor de Luchtmachtopleiding in 1978. Er meldden zich 1200 gegadigden. Toevallig had Nederland eerder dat jaar een VN-verdrag getekend over gelijke rechten op de werkvloer. Toen de politiek besloot daarom de KMA ook voor vrouwen open te stellen, stond ik vooraan in de rij.”

Les 2: Laat je de pis niet lauw maken
“Op 21 augustus 1978 stapte ik ’s ochtends uit de trein en wandelde ik door het Valkenbergpark naar het Kasteel van Breda, sinds de oprichting in 1828 de thuisbasis van de KMA. Het moment dat ik de ophaalbrug overliep, vergeet ik nooit; ik kon nauwelijks geloven dat mijn droom was uitgekomen. Defensie bleek echter nogal overvallen door de komst van mijn twee vrouwelijke Landmacht-jaargenoten en mij. We konden natuurlijk niet bij de jongens slapen, dus kregen we een kamertje achteraf. En in alle haast werden er een toilet en een douche voor ons afgebakend. Mijn jaargenoten zaten er niet mee, sommige tweedejaars wel. Ik ben nooit lichamelijk lastig gevallen, maar ik heb wel nare dingen naar mijn hoofd geslingerd gekregen. ‘Luchtmachthoer’, hoorde ik dan als ik door de gang liep. Ze vonden dat ik de plaats van een vent innam. Ik heb me daar nooit iets van aangetrokken. Integendeel, het motiveerde me juist om te bewijzen dat ik die plek meer dan waard was. ‘Ze maken mij de pis niet lauw’, zoals ze in Brabant zeggen. Oftewel: ik laat me niet bang maken. De enige weg naar buiten was voor mij met een officiersbul in mijn hand.”

Les 3: Twee geloven op één kussen gaan prima samen
“‘Pas maar op, straks komt ze met een Katholiek thuis’, zei mijn moeder tegen mijn vader toen ik op de KMA werd toegelaten. En ze kreeg gelijk. Peer zat twee jaar boven mij. De eerste Kerst kreeg ik een kaart van hem met een X erop. Naïef als ik was, vroeg ik wat hij daarmee bedoelde. ‘Ik laat het je wel zien’, zei hij. Zo kreeg ik in de hal van het kasteel mijn eerste zoen van hem. Sindsdien zijn we onafscheidelijk; hij is al bijna veertig jaar mijn steun in toeverlaat. Ik ben altijd Hervormd gebleven, hij Katholiek. Daar zijn we heel praktisch mee omgegaan. Toen ik in Tilburg ouderling was, ging Peer met mij mee en deed hij de kindernevendienst. Toen we op een basis in Duitsland woonden, was het andersom. Niet dat daar geen Protestante diensten werden gehouden, maar de Katholieke dienst begon later op de ochtend. Konden we zondags tenminste een beetje uitslapen.”

Les 4: Het vergt moed om jezelf te durven zijn
“Tijdens de opleiding werd ik beslist niet ontzien. Maar de praktijk bleek soms weerbarstig. De normen voor sportieve prestaties waren bijvoorbeeld gebaseerd op mannen. Hoewel ik voor een meisje bovengemiddeld fit was, rende ik natuurlijk nooit zo snel als de jongens. En dus belandde ik in het sportieve bijlesklasje, samen met de technische nerds. Vreselijk, want het laatste wat ik wilde, was anders zijn. Tot mijn grote frustratie nam de leiding me soms ook in bescherming. Zo mocht ik tijdens een oefening in Zeeland, in tegenstelling tot alle andere cadetten, als enige niet solo op pad. Ik weet niet wie dat erger vond, de jaargenoot die met mij mee moest, of ik.
Om erbij te horen, paste ik me zoveel aan de mannen mogelijk aan. Dus werd ik grof in de mond en vermeed ik make-up. ‘Met hen meedoen maakt je nog niet één van hen’, zei mijn peletonscommandant. Aan die wijze woorden heb ik later nog vaak aan teruggedacht. Bijvoorbeeld toen ik op mijn 23ste als eerste vrouwelijke battery control officer leiding gaf aan veertig kerels. Tijdens de nachtdienst hoorde ik ze vanuit mijn kantoor porno kijken. Nu zou ik daar direct iets van zeggen, maar toen durfde ik dat niet.”

Les 5: Je kunt niet alles hebben
“Lang heb ik gedacht dat een carrière bij de Luchtmacht niet te combineren viel met kinderen. Daar had ik vrede mee; bij defensie zijn je kameraden je familie. Maar toen werd Peer tijdens de eerste Golfoorlog in 1991 uitgezonden naar Turkije, waar Saddam Hussein zijn scudraketten op had gericht. Ineens kreeg ik het op mijn heupen. Wat als hij zou sneuvelen? Dan had ik niets meer van hem. Op dat moment wist ik: ik wil toch een gezin. Tien maanden na zijn terugkomst werd Susanne geboren, weer vijftien maanden later Frederique. Peer was in die tijd net gestart met een opleidingstraject voor Kolonel. In goed overleg hebben we toen besloten dat ik een paar jaar minder zou gaan werken. Daar heb ik me wel eens schuldig over gevoeld: had ik als eerste KMA-afgestudeerde vrouw niet ook voor een topfunctie als Kolonel of hoger moeten gaan? Maar dan had ik te veel concessies moeten doen. Aan mijn relatie, aan mijn kinderen, aan mezelf. Daar was ik niet gelukkiger van geworden.”

Les 6: Leed dat je samen draagt, voelt lichter
“Ik had al een tijd pijn aan mijn tong. Niets serieus, zeiden de dokters, maar het werd alsmaar erger. Ik ga nog één keer naar de specialist, dacht ik. En toen bleek het kanker. Onvoorstelbaar; op mijn 38ste was ik hartstikke fit, en ik had nooit gedronken of gerookt. De enige optie was een stuk van mijn tong te laten verwijderen. De decennia erna moest dat nog twee maal, de laatste keer heel recent. Mijn geloof is steeds een houvast geweest. Normaal slaap ik als een roos, maar in tijden van stress ga ik ’s nachts liggen malen; in gedachten heb ik mezelf al tig keer begraven. Het helpt dan te weten dat mijn lot in de handen van Onze Lieve Heer ligt, en dat ik onderdeel van iets groters ben. Daarmee kan ik de paniek beteugelen. Om dezelfde reden ben ik altijd open over mijn ziekte geweest. Als je je sores niet deelt, kan niemand je helpen. Het geeft zoveel steun dat mensen meeleven, en een kaarsje voor me branden. Ik voel me gedragen.”

Les 7: Ongewenst gedrag is van alle tijden
“Als Centrale Vertrouwenspersoon bij de Luchtmacht heb ik me dertien jaar hard gemaakt voor een veiliger werkklimaat. Niet alleen voor vrouwen, maar voor álle medewerkers. Vreselijk dus, dat het anno 2017 nodig bleek om bij defensie een nieuw extern meldpunt voor ongewenst gedrag in te stellen. Hebben we dan niets bereikt? Toch is er veel verbeterd. Het onderwerp staat nu van hoog tot laag op de agenda; wegkijken kan niet meer. Ik ben er trots op dat ik daar mijn steentje aan heb bijgedragen. Maar de functie van vertrouwenspersoon overbodig maken, zoals de leiding twintig jaar geleden hoopte? Dat gaat nooit gebeuren. Waar mensen zijn, is ongewenst gedrag. Zeker in een hiërarchische organisatie met grote machtsverschillen moet je daar altijd alert op blijven.”

Les 8: Rolpatronen zijn er om doorbroken te worden
“In Canada zijn er 31 Defensie Attachés — militaire ambassadeurs — uit evenzoveel landen. Allemaal mannen, die samen een ijshockeyteam vormen, The Lame Ducks. Uit beleefdheid nodigden ze mij daar ook voor uit toen ik in 2013 als Defensie Attaché in Canada werd aangesteld. Niemand verwachtte dat ik ja zou zeggen. Maar ik kan prima schaatsen, dus waarom niet? Bovendien was het een uitgelezen kans om te netwerken. Zo belandde ik als enige vrouw in het ijshockeyteam, dat onder andere twee keer per jaar tegen de Canadese generaals speelt. Het was een van de leukste dingen die ik ooit heb gedaan. Andersom ging Peer maandelijks naar het koffieclubje met de vrouwen van de Attachés. Zij vonden dat reuze gezellig, en hij ook.”

Les 9: Nederlanders zijn onvoldoende trots op hun krijgsmacht
“Ik liep in Canada een keer in uniform over straat, toen een man me aansprak. ‘Thank you for your service’, zei hij. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Dat respect, en het besef van wat we als militairen voor een land doen, mis ik hier wel eens. We moeten ons altijd weer verdedigen. ‘Beroepsmoordenaars’, hoor je dan. Burgers hebben liever dat geld naar het verpleeghuis van hun ouders dan naar een nieuwe straaljager gaat. Dat begrijp ik, maar ze vergeten dat de vrijheid waarin we hier leven niet vanzelfsprekend is; die moet je blijven bewaken. De enige manier om het sentiment te veranderen, is door defensie dichterbij de mensen te brengen. Dus niet alleen op schoolreisje naar het Rijksmuseum, maar ook naar een militaire basis. Misschien moeten we ook de dienstplicht herinvoeren. Voor jongens én meisjes uiteraard. Laat jongeren uit eerste hand ervaren wat de krijgsmacht doet, en dat dat iets is om trots op te zijn.”

Les 10: Laat je nooit vertellen dat je niet goed genoeg bent
“Niemand krijgt een diploma van de KMA zonder minstens één keer de Nijmeegse Vierdaagse te hebben gelopen. Dat deed ik dus ook, in mijn derde jaar. Wat een drama. Mijn medelopers waren allemaal minstens een kop groter, waardoor ik de hele weg moest rennen. ‘Ik feliciteer je niet, want zonder bepakking telt niet’, zei een ouderejaars toen ik uitgeput over de finish kwam. Vrouwelijke militairen mochten destijds volgens de Vierdaagse-regels namelijk niet met bepakking lopen. Wat was ik ziek van die opmerking. Dus toen ik vorig jaar werd uitgenodigd om met het Canadese contingent én bepakking opnieuw mee te doen, heb ik die kans met twee handen aangegrepen. Het was loodzwaar, 40 kilometer per dag, soms bij meer dan dertig graden, in een uniform met lange mouwen en tien kilo op mijn rug. Maar ik heb hem uitgelopen.”

[Kader]
Christa Oppers-Beumer
Luitenant-Kolonel b.d. van de Koninklijke Luchtmacht, Christa Oppers-Beumer (Hattem, 1959), was in 1982 de eerste vrouw die afstudeerde aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Na haar studie ging ze bij de 12e Groep Geleide Wapens (12 GGW) aan de slag als Battery Control Officer, de afdelingsofficier die bepaalt wanneer een raket van het luchtafweergeschut wordt afgevuurd. Vervolgens werkte ze onder andere als Personeelsofficier bij de 5e Groep Geleide Wapens, Centrale Vertrouwenspersoon en Hoofd Sectie Management Development bij de Koninklijke Luchtmacht. De laatste vier jaar van haar actieve dienst vervulde ze als eerste en tot dan enige vrouw de functie van Defensie Attaché in Ottawa, Canada. In december 2017 ging ze met functioneel leeftijdsontslag (FLO). Christa Oppers-Beumer is getrouwd met Kolonel b.d. Peer Oppers. Samen hebben ze twee dochters, Susanne (25) en Frederique (24).

Advertenties

VERGROEIDE GROTE TEEN

23 Jan

17-54 De vraag, scheve teen

Gepubliceerd in Margriet 54, december 2017

Karin (62): “Drie jaar geleden ben ik aan mijn scheve grote teen (hallux valgus) geopereerd. Nu staat mijn teen weer scheef en wil de chirurg hem vastzetten. Wat zijn de voor- en nadelen van deze ingreep?”

Als eerste in Nederland specialiseerde orthopedisch chirurg Jan Willem Louwerens zich volledig in voet- en enkelchirurgie. Sinds 1998 werkt hij bij de Sint Maartenskliniek in Nijmegen.
“Een hallux valgus is een vergroeide grote teen. Als de voorvoet breder wordt, gaan de krachten zich er bij het staan en lopen anders over verdelen. Daarbij kan de grote teen steeds schever komen. Door die scheefstand ontstaat een drukpunt aan de binnenkant van de voet. We noemen dat een knok of bunion. Die kan als je schoenen draagt heel pijnlijk zijn. Omdat je voet anders afrolt, kan ook de voorvoet zeer gaan doen. Verder gaat de tweede teen vaak eveneens scheef staan, met nog meer problemen tot gevolg.
Een vergroeide grote teen is een veelvoorkomend probleem; zo’n 1 op de 3 volwassenen heeft er last van, vrouwen vaker dan mannen. Dat komt, denkt men, omdat vrouwen meer smalle schoenen en hoge hakken dragen. Maar daar is geen keihard bewijs voor. De precieze oorzaak weten we simpelweg niet. Waarschijnlijk is het vooral ook een kwestie van aanleg.
In veel gevallen is brede voet met hallux valgus prima zonder operatie te behandelen. Het belangrijkste is goed passende schoenen met brede, zachte neuzen te dragen. Zo nodig kan de huisarts voor een aanvullende behandeling doorverwijzen naar een podotherapeut of een orthopedische schoentechnicus. Steunzolen kunnen pijn in de voorvoet verlichten. Verder adviseren we training van de voetspieren om die sterker te maken. Er zijn ook allerlei hulpmiddelen op de markt, zoals een teenbeschermer of een teenspalk. Die geven misschien tijdelijk verlichting, maar lossen het probleem niet op.
Helpt dit allemaal niet, dan kan een orthopeed de teen operatief rechtzetten. Dat is, zoals u weet, niet niks. Het duurt zes weken voor het bot en het weefsel zijn hersteld. Meestal kunnen patiënten pas na drie maanden weer gewone schoenen aan. In totaal duurt het vaak wel een jaar voordat de voet weer helemaal ‘normaal’ voelt. In veel gevallen zijn patiënten dan wel voorgoed van hun klachten af.
Soms komt het probleem toch terug, zoals bij u kennelijk het geval is. Dan kan het een oplossing zijn om de grote teen bij het grondgewricht in een rechte stand vast te zetten. Dat doen we ook wel als er sprake is van een beschadiging of veel slijtage — artrose — van dit gewricht. Patiënten zijn vaak bang dat ze met een vastgezette grote teen minder goed kunnen lopen. Die vrees is echter onterecht; in verreweg de meeste gevallen kun je hierna weer zonder pijn wandelen en zelfs sporten.
Wat voor u de beste oplossing is, hangt af van de ernst van de hallux valgus, en van hoe uw hele voet eraan toe is. Laat u goed over de verschillende mogelijkheden voorlichten, bij voorkeur door een orthopedisch chirurg met veel ervaring met voetoperaties.”

VERSLAVINGSARTS TRUDI TROMP: “STOPPEN MET ROKEN HEEFT ALTIJD ZIN”

22 Jan

Gepubliceerd in Plus Magazine, januari 2018 (Foto: Linelle Deunk)

Verslavingsarts Trudi Tromp-Beelen (69) mag officieel dan wel met pensioen zijn, maar dat weerhoudt haar er niet van om haar missie — rokers helpen om van hun verslaving af te komen — voort te zetten.

Hoe staat het er in Nederland met het roken voor?
“Sinds de jaren ’70 is het aantal mensen dat rookt flink gedaald. Maar nog altijd rookt ruim een kwart van de volwassenen, omgerekend zo’n 3,5 miljoen mensen. Een ongelofelijk aantal. Zeker als je bedenkt dat een sigaret wel duizend giftige stoffen bevat, die overal in je lichaam schade aan cellen en weefsels toebrengen. Jaarlijks overlijden er zo’n 20.000 Nederlanders aan de directe gevolgen van roken, oftewel 55 per dag. De kwart van de rokers haalt zijn of haar pensioen niet.”

Niet iedereen die rookt wordt daar ziek van, toch?
“Wel veel. Er sterven méér vrouwen aan longkanker dan aan borstkanker. Een op de drie rokers ontwikkelt hart- en vaatziekten. Meer dan 20 procent krijgt de longziekte COPD. Een kwart van alle dementie komt door roken. De lijst ellende is schier eindeloos.”

U bent de afgelopen vijftien jaar uitgegroeid tot een boegbeeld voor stoppen met roken. Waarom trekt u zich het lot van rokers zo aan?
“Omdat zij nog steeds vaak worden gezien als ruggengraatloze slappelingen. Volkomen onterecht. Een tabaksverslaving is qua heftigheid vergelijkbaar met een verslaving aan sommige harddrugs, zoals heroïne. Niet iedereen die drinkt heeft een alcoholverslaving. Maar zo goed als iedereen die rookt, is verslaafd aan tabak. Dat zegt genoeg.”

Waarom is stoppen zo moeilijk?
“Hoe verslavend een middel is, hangt onder andere af van hoe snel en hoe lang het werkt. Inhaleren is de meest doeltreffende manier om drugs in te nemen. Binnen zeven tot tien seconden bereikt nicotine je hersenen. Dat is sneller dan harddrugs die je via je bloedbaan inspuit. Bovendien breekt het lichaam nicotine snel af, waardoor je gauw behoefte krijgt een nieuwe sigaret. En dan zijn sigaretten ook nog eens op elke straathoek verkrijgbaar.”

Veel 50-plussers die al lang roken, denken misschien: het heeft toch geen zin meer om te stoppen.
“Dat heeft altijd zin, hoe oud je ook bent. Al na drie dagen krijg je meer zuurstof binnen. Na een maand wordt je smaak en reuk beter, na zes weken is je huid weer goed doorbloed. Ook gaat je conditie met sprongen vooruit. Gemiddeld is de kans op hart- en vaatziekten binnen vijf jaar weer op het oude niveau. En al wordt het risico op longkanker nooit meer gelijk aan dat van iemand die nooit heeft gerookt, het gaat als je stopt in ieder geval drastisch omlaag.”

En een roker van 75 die zegt ‘Het zal mijn tijd wel duren’?
“Het is natuurlijk een persoonlijke afweging. Maar er zijn ook andersoortige voordelen. Als je vier weken vóór een operatie stopt, heb je bijvoorbeeld 50 procent minder kans op complicaties. Verder hebben stoppers na zes tot twaalf weken aanzienlijk minder last van depressie en angststoornissen dan daarvoor. En misschien wel minstens zo belangrijk: je geeft het goede voorbeeld aan je (klein)kinderen.”

Wat kun je doen om de kans op een succesvolle stoppoging te vergroten?
“Mensen hebben vaak meerdere pogingen nodig voordat het lukt om definitief te stoppen. De grootste kans van slagen heb je als je nicotinevervangers en/of andere geneesmiddelen combineert met professionele begeleiding door een zorgverlener, bijvoorbeeld een praktijkondersteuner van de huisarts. In de behandelrichtlijn staat dat dit bij meer dan tien sigaretten de beste aanpak is. Voor bijna alle rokers dus. Helaas weet nog maar een klein deel van de wensstoppers de weg naar de hulpverlening te vinden.”

Welke geneesmiddelen kunnen helpen?
“Er zijn twee soorten: nicotinevervangers, meestal in de vorm van pleisters, en bepaalde (recept)middelen, die de hunkering naar nicotine verminderen, zoals Zyban, Notrilen en Champix. Als de trek in een sigaret en de ontwenningsverschijnselen afnemen, schept dat ruimte om jezelf nieuw gedrag en nieuwe gewoontes aan te leren. Ook dat is trouwens niet gemakkelijk. Vandaar het nadrukkelijke advies om dat met hulp van een professional te doen.”

Wat vindt u van de e-sigaret?
“Daar heb ik een dubbel gevoel over. Omdat er geen tabak in zit, is die minder schadelijk dan een ‘gewone’ sigaret. Maar de nicotineverslaving blijft. Bovendien weten we nog niet of de dampen uit een e-sigaret op de lange duur niet ook kwalijk zijn. Overigens heeft een van de grote tabaksfabrikanten in 2017 de iQOS Heatstick op de markt gebracht. Dat is een variant op de e-sigaret, maar dan mét tabak. Daarmee ben je dus weer terug bij af.”

Wat is er de afgelopen decennia veranderd in de zorg voor stoppers?
“Toen ik in 2000 in de verslavingszorg ging werken, werd roken daar niet als serieuze verslaving gezien. Veel (huis)artsen hadden trouwens ook geen idee van hoe slecht roken eigenlijk echt is, en hoe ze patiënten daar het beste vanaf kunnen helpen. Wat dat betreft hebben we veel vooruitgang geboekt. In de hele maatschappij is er meer bewustzijn over de gevaren van roken. De hulp in de eerste lijn, bij huisartsenpraktijken, is nu goed geregeld. En gaandeweg zijn steeds meer verslavingsklinieken ook behandeling van tabaksverslaving gaan aanbieden.”

Welke rokers doen er goed gaan om zich naar de verslavingszorg te laten doorverwijzen?
“Mensen die meer dan twee pakjes per dag roken of die het met andere hulp niet lukt om te stoppen. Verder is het belangrijk dat rokers die zich met een andere verslaving melden, bijvoorbeeld aan alcohol of kalmerende medicijnen, tegelijk óók ondersteuning krijgen bij het stoppen met roken. Nicotine vergroot namelijk de kans op terugval bij het herstel van andere verslavingen.”

Hoe zit dat?
“Bijna alle mensen met een andere verslaving, zijn eerst gaan roken. Daarmee hebben ze hun hersenen als het ware rijp gemaakt voor verslavingen. Als je van een ander middel probeert af te komen en je rookt, blijf je het verslavingscentrum in het brein activeren. Dat maakt de kans op terugval extra groot. Kortom, om succesvol af te kicken is het belangrijk om ál het verslavingsgedrag te doorbreken.”

[Kader]
CV
Verslavingsarts Trudi Tromp-Beelen (69) was 25 jaar huisarts in Alkmaar en Amsterdam. In 2000 zei ze haar praktijk vaarwel en richtte ze zich volledig op de verslavingszorg. Tot 2016 werkte ze als verslavingsarts bij de Jellinek Kliniek in Amsterdam, waar ze zich toelegde op de behandeling van roken. Ze was betrokken bij de ontwikkeling van de richtlijn voor behandeling van tabaksverslaving en gaf honderden zorgprofessionals nascholing over (stoppen met) roken. Hoewel ze officieel met pensioen is, doet ze dat laatste overigens nog steeds.

12 VRAGEN OVER GEWRICHTSPIJN

17 Jan

18-02 Gewrichtspijn

Gepubliceerd in Margriet 2, januari 2018.

Bijna 2 miljoen mensen hebben er last van: gewrichtspijn. Vaak worden ze bang om te bewegen. Terwijl het juist zo belangrijk is om dat wél te blijven doen.

1. Wat is gewrichtspijn precies?
Een gewricht is de scharnierverbinding tussen twee botten. Je knie, heup, schouder en elleboog bijvoorbeeld. Maar je vindt gewrichten op veel meer plekken in je lichaam, zoals in je nek, rug, handen en voeten. De uiteinden van de botten die in het gewricht samenkomen, zijn bedekt met een laagje kraakbeen. Om alles goed bij elkaar te houden, zitten er een kapsel en stevige banden omheen. De vloeistof in de binnenste laag van het kapsel werkt met het kraakbeen als smeermiddel. Samen zorgen ze ervoor dat je soepel kunt bewegen. Als er om wat voor reden ook iets mis is met het gewricht, kan dat klachten geven.

2. Hoe voelt dat?
Dat hangt van de oorzaak af. Vaak zijn een of meer gewrichten stijf of pijnlijk. Het kan lastig zijn om bepaalde bewegingen te maken, zoals het opendraaien van deksel of het optillen van een tas. Soms lukt dat helemaal niet meer. Het kan ook zijn dat je ’s avonds niet kunt inslapen, of ’s nachts wakker wordt van de pijn. Vaak hebben patiënten periodes met veel klachten, en dan weer een tijd minder, of niet. Bij artrose — slijtage — is er vaak sprake van ‘startpijn’ in de ochtend. Als je het gewricht beweegt, vermindert die meestal binnen een half uur.

3. Wat kunnen de oorzaken zijn?
Er zijn allerlei mogelijke redenen voor chronische gewrichtspijn. De belangrijkste: artrose, ontstekingsreuma (officiële naam: reumatoïde artritis) en fibromyalgie (ook wel wekedelenreuma genoemd). Bij artrose wordt het kraakbeen aan het uiteinden van de botten dunner. Daardoor bewegen die minder soepel langs elkaar, met mogelijk pijn en stijfheid tot gevolg. Dat proces van natuurlijke slijtage kan versnellen of verergeren door schade aan een gewricht. Denk aan gescheurde enkel- of kniebanden, of een kapotte meniscus in de knie.
Ontstekingsreuma is een heel andere aandoening, namelijk een auto-immuunziekte. Dat wil zeggen dat het afweersysteem ontregeld is, en niet alleen indringers van buitenaf, maar ook de eigen gewrichten aanvalt. Met ontstekingen tot gevolg.
Fibromyalgie tot slot betekent letterlijk ‘pijn in bindweefsel en spieren’. Waardoor patiënten precies klachten krijgen, is onbekend; in hun lichaam is niets te vinden dat de aandoening kan verklaren. Dat betekent overigens niet dat het geen ‘echte’ ziekte is, of dat de klachten alleen ‘tussen de oren’ zitten.

4. Maakt de overgang de problemen erger?
Sommige vrouwen krijgen in de menopauze last van gewrichtspijn, of melden dat bestaande gewrichtsklachten erger worden. Tot nu toe is er geen bewijs voor een relatie tussen de twee, maar het zou best kunnen dat hormoonschommelingen invloed hebben. Daar moet nog meer onderzoek naar worden gedaan.

5. Komen deze aandoeningen veel voor?
Heel veel! Bij naar schatting 1,2 miljoen Nederlanders heeft de huisarts artrose vastgesteld, twee keer zoveel vrouwen als mannen. Vermoedelijk hebben nog veel meer mensen de aandoening, zonder dat er een officiële diagnose is gesteld. In ongeveer de heft van de gevallen zit de artrose in de knie. Dat is daarmee het meest aangedane gewricht. Ook ontstekingsreuma komt veel voor; zo’n 420.000 Nederlanders lijden daaraan. Nog eens zo’n 240.000 mensen hebben fibromyalgie.

6. Hoe ouder, hoe meer kans op gewrichtsklachten?
Simpel gezegd: ja. Artrose is echt een ouderdomsklacht; verreweg de meeste patiënten zijn boven de 55 jaar. Maar als je er aanleg voor hebt, of bijvoorbeeld door intensief sporten je gewrichten buitensporig belast, kunnen de klachten ook op jongere leeftijd ontstaan. De piek van diagnoses van ontstekingsreuma ligt tussen de 40 en de 50 jaar.

7. Wanneer is het verstandig om met gewrichtspijn naar de huisarts te gaan?
Als het gewricht waar je last van hebt gezwollen, warm en/of rood is, of als de pijnklachten langer dan twee weken aanhouden.

8. Kun je ervan genezen?
Nee. Noch artrose, noch ontstekingsreuma, noch fibromyalgie is te genezen. Maar met de juiste aanpak zijn de klachten vaak wel goed te managen.

9. Hoe doe je dat?
Ook dat hangt van de oorzaak af. Bij artrose is het allerbelangrijkste om te blijven bewegen. Patiënten durven dat vaak niet, uit angst voor de pijn. Of ze vrezen dat ze de slijtage verergeren. Het tegenovergestelde is echter het geval. Door te trainen, komt het kraakbeen niet terug. Maar je kunt de spieren eromheen wel sterker maken. Dat komt de controle over het gewricht en de stabiliteit ten goede. Een fysiotherapeut kan je daarbij helpen. Houdt de pijn aan, dan kan die worden bestreden met ontstekingsremmende pijnstillers of een pijnstillende gel. In het ergste geval kan een operatie uitkomst bieden. Het aangedane gewricht wordt dan vastgezet in een goede stand of vervangen door een prothese. Maar dat is een laatste redmiddel.

10. En bij reuma?
Mensen met ontstekingsreuma hadden vroeger vaak ernstige vergroeiingen aan hun gewrichten. Dat komt tegenwoordig gelukkig nog zelden voor. Sinds de introductie van krachtige, ontstekingsremmende medicijnen in de jaren ’80 en ’90 ((methotrexaat en zogenaamde biologicals), is de behandeling namelijk met sprongen vooruitgegaan. Hoe eerder patiënten ermee starten, hoe beter het resultaat.
De behandeling van fibromyalgie tenslotte bestaat meestal uit beweging, zo nodig aangevuld met pijnstillers en/of antidepressiva. Ook cognitieve gedragstherapie kan helpen. Daarbij leren patiënten om op een andere manier met hun klachten om te gaan, zodat ze minder last ervaren.

11. Helpt een speciaal dieet tegen gewrichtsklachten?
Nee. Alleen bij een vorm van reuma, jicht, kunnen bepaalde producten zoals alcohol, vlees, vis of suikers, mogelijk een aanval (mede) uitlokken. Maar bij andere gewrichtsproblemen is er geen enkel bewijs dat een dieet klachten kan verergeren of juist verminderen.

12. Kun je verder zelf iets doen om gewrichtspijn te voorkomen?
Helemaal te voorkomen is de pijn meestal niet. Maar je kunt wel een aantal dingen doen om je gewrichten zo goed mogelijk te beschermen.

  • Blijf bewegen. Dat zorgt ervoor dat je minder stijf wordt. Het oude adagium ‘rust roest’ geldt zeker als het om gewrichtspijn gaat. Hoe minder je je gewrichten gebruikt, hoe erger de klachten worden.
  • Ga voor een gezond gewicht. Als je te zwaar bent, moeten je gewrichten meer kilo’s dragen. Bovendien kan overgewicht ervoor zorgen dat er eerder ontstekingsreacties in je lichaam ontstaan. Voor afvallen geldt: alle beetjes helpen.
  • De belasting van heupen, knieën en rug neemt met een paar kilo al af.
  • Wees voorzichtig met sporten. Blijven bewegen is ongelofelijk belangrijk, maar beschadigingen aan gewrichten kunnen juist klachten veroorzaken of verergeren.
  • Pas daarom op met belastende sporten zoals volleybal en voetbal, waarbij je gemakkelijk letsel aan bijvoorbeeld gewrichtsbanden kunt oplopen. Wandelen, fietsen en zwemmen zijn juist goed voor je gewrichten.

Met medewerking van reumatoloog Karen Bevers en orthopedisch chirurg Jan Willem Louwerens van de Sint Maartenskliniek in Nijmegen, gespecialiseerd in orthopedie, reumatologie, revalidatiegeneeskunde en pijnbestrijding. 

ALLE DAGEN SOMBER

9 Jan

RA06_78TM81_DEPRESSIE_jpg

Verschenen in Radar+, winter 2017.

Van alle psychische aandoeningen komen depressies het meest voor. Een op de vijf volwassenen (tussen de 18 en 65) krijgt ermee te maken. Op ieder moment van het jaar lijden zo’n 550.000 Nederlanders eraan.

 

Jasper Zantvoord, psychiater bij de afdeling psychiatrie van het AMC Amsterdam, is gespecialiseerd in de behandeling van depressie.
“Jaarlijks krijgen naar schatting een miljoen Nederlanders antidepressiva voorgeschreven. Dat betekent echter niet dat zij allemaal depressief zijn. De medicijnen worden namelijk ook voor andere aandoeningen gebruikt. Bij een angststoornis of pijnklachten bijvoorbeeld.
De laatste jaren was er veel te doen over of antidepressiva eigenlijk wel werken. Dat kwam vooral omdat fabrikanten studies met een negatieve uitkomst voorheen lang niet altijd publiceerden. Gelukkig maken inmiddels steeds meer fabrikanten al hun resultaten openbaar, ook de minder gunstige. Daar zijn ook afspraken over gemaakt.
Recent hebben onafhankelijke onderzoekers de uitkomsten van 32 gepubliceerde én ongepubliceerde studies over het gebruik van antidepressiva bij depressieve patiënten opnieuw bekeken. Wat bleek? In ongeveer de helft van deze studies werkten de antidepressiva beter dan een neppil. Het effect was weliswaar relatief klein, maar dat geldt ook voor sommige andere veelgebruikte medicijnen, zoals bepaalde bloeddrukverlagers. Verder verschilt de werkzaamheid van geval tot geval. Bij een ernstige depressie is die bijvoorbeeld groter dan bij een milde.
Kortom: antidepressiva werken inderdaad niet bij iedereen. Maar het idee dat het overgrote deel van de mensen met een depressie onterecht dit soort middelen slikt, is dus pertinent onwaar. Belangrijk is om een goede en zekere diagnose te stellen. Vervolgens kunnen arts en patiënt samen de voor- en nadelen van medicatie tegen elkaar afwegen. Veel gebruikers ervaren namelijk wel bijwerkingen, zoals maag- en darmklachten, seksuele problemen en gewichtstoename.
Natuurlijk moeten artsen niet onnodig antidepressiva voorschrijven. Vergeet echter niet dat patiënten heel erg onder hun depressieve klachten kunnen lijden. Dan zijn medicijnen vaak hun redding. Kritisch discussiëren over nut en noodzaak van pillen bij depressie? Moeten we zeker doen. Maar dan wel op basis van feiten. Laten we vooral niet het kind met het badwater weggooien.”

Hoogleraar psychiatrie Anne Speckens is oprichter van het Radboud Centrum voor Mindfulness in Nijmegen.
“Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat een behandeling gebaseerd op mindfulness heel goed werkt bij depressie. Deze aandachtsgerichte cognitieve therapie leert je om op een andere manier naar je gevoelens en gedachten te kijken. Bij mensen die al vaker een depressie hebben gehad, helpt de behandeling om een nieuwe depressie te voorkomen. Ook bij patiënten met een acute depressie is de aanpak bewezen effectief.
Veel mensen vinden mindfulness een vaag begrip. Het makkelijkste is om het te zien als het tegenovergestelde van handelen op de automatische piloot. In plaats van dat je gedachteloos doorrent, geef je heel bewust aandacht aan wat er op dit moment in je lichaam en geest gebeurt. Mindfulness is heel nuttig voor mensen die blijven piekeren over het verleden, of steeds tobben over de toekomst.
Onbewust hebben we allerlei overtuigingen en oordelen over onszelf en de wereld. Dat je nooit zwak mag zijn bijvoorbeeld, of dat anderen je dom vinden. Die zijn heel bepalend voor hoe je je voelt. Meestal nemen we dit soort ideeën automatisch voor waar aan, en gaan we ons er ook naar gedragen. Of we onderdrukken onplezierige gedachten of gevoelens om ze op die manier onder controle te houden. Helaas werkt dat vaak averechts; het leidt er juist toe dat je ze meer hebt in plaats van minder.
Daar probeert aandachtsgerichte cognitieve therapie verandering in te brengen. De behandeling leert je dit soort gedachten en gevoelens te herkennen, en er zonder oordeel van een afstandje naar te kijken. Daardoor worden ze minder overheersend, en kun je ze beter relativeren. Dat helpt om op een andere manier op situaties te reageren. Daadkrachtig en positief in plaats van negatief en wantrouwend. Zo krijg je weer grip op je leven.”
Op de website van de Vereniging Mindfulness Based Trainers Nederland en Vlaanderen, www. vmbn.nl., vind je een trainer bij jou in de buurt.

Ria Pengel werkt als klinisch psycholoog i.o. en psychotherapeut bij De Bascule, academisch centrum voor kind- en jeugdpsychiatrie.
“Een depressief kind voelt zich langere tijd somber, verdrietig, waardeloos en mislukt. Daar kunnen allerlei klachten bijhoren. Nachtmerries, piekeren, (faal)angst, concentratieproblemen, een negatief zelfbeeld, besluiteloosheid, vermoeidheid, hoofdpijn, buikpijn en meer of juist minder slapen bijvoorbeeld. Ook heeft een depressief kind vaak de neiging om zich terug te trekken. Een aantal gaat blowen of drinken. De somberheid kan zo erg zijn dat een kind niet meer wil leven.
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 1 op de 20 kinderen en jongeren te maken krijgt met een depressie. Een veel grotere groep heeft last van sombere gevoelens. Er is niet altijd één duidelijke oorzaak; vaak gaat het om een optelsom van factoren. Erfelijke aanleg is belangrijk, maar ook de persoonlijkheid van het kind — de manier waarop hij of zij naar de wereld kijkt en met problemen omgaat — en de omstandigheden spelen een rol. Bovendien zijn jongeren in de vroege pubertijd, rond de overgang van de basis- naar de middelbare school, kwetsbaarder voor depressieve klachten.
Bij een milde depressie kan een aantal gesprekken met een hulpverlener op school voldoende helpen. Zijn de depressieve klachten ernstig, dan is cognitieve gedragstherapie het advies. Doel daarvan is om kinderen te leren minder waarde aan hun sombere en beangstigende gedachten te hechten. In aanvulling hierop zijn er trainingen om de sociale vaardigheden en het zelfvertrouwen van het kind te versterken. Zo nodig kunnen antidepressiva als steuntje in de rug geven. Ook ouders krijgen begeleiding.
Het allerbelangrijkste is: het kind weer in beweging krijgen. Het moet weer een reden hebben om zijn of haar bed uit te komen. Als ouders creëer je die door zoveel mogelijk structuur en regelmaat in de dag aan te brengen. Dus bijvoorbeeld samen ontbijten en je kind verantwoordelijk maken voor het uitlaten van de hond. Oók als hij of zij niet meer naar school gaat.”

Huisarts Jako Burgers is hoofd van de afdeling Richtlijnontwikkeling & Wetenschap bij het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en bijzonder hoogleraar Bevorderen van persoonsgerichte zorg in richtlijnen aan de Universiteit Maastricht.
“In de huidige huisartsenrichtlijn over antidepressiva staat maar een paar regels over hoe je deze medicatie het beste kunt afbouwen. In de praktijk blijkt dat te weinig houvast te geven. Vandaar dat we er nu meer praktische tips en handvatten in gaan opnemen. Begin 2018 moet de nieuwe richtlijn klaar zijn.
Het minderen van antidepressiva is knap lastig. Gebruikers zijn bang dat ze zich zonder de medicijnen weer somberder gaan voelen. Bovendien kunnen ze tijdens het afbouwen last krijgen van lichamelijke ongemakken, zoals onrust, slaapproblemen of een grieperig gevoel. Vandaar dat je ook nooit ineens helemaal met de medicatie moet stoppen.
Omdat er zoveel bij komt kijken, is het voor huisartsen trouwens óók een ingewikkeld onderwerp. Misschien hebben we als dokters wel onderschat hoe moeilijk stoppen voor veel patiënten is. Vandaar dat we huisartsen ook extra nascholing over dit onderwerp willen bieden.
In de nieuwe versie van de richtlijn gaan we in op hoe we patiënten psychisch meer en beter kunnen ondersteunen bij het afbouwen. De praktijkondersteuner van de huisarts kan bijvoorbeeld regelmatig contact houden en tips geven. Verder besteden we aandacht aan verschillende doseringsschema’s om het afbouwen zo gemakkelijk mogelijk te maken. Nu al gebeurt dat geleidelijk, maar mogelijk gaat dit voor een aantal mensen toch nog te snel, vooral in de laatste fase. Een praktische oplossing is dan bijvoorbeeld om druppels of afbouwstrips met een heel lage dosering te gebruiken. Je huisarts kan ze met medewerking van je apotheek voorschrijven.
Sowieso is het goed om bij je huisarts aan de bel te trekken als je met antidepressiva zou willen minderen of stoppen. Daarvoor hoef je niet te wachten tot de nieuwe richtlijn er is; hij of zij helpt je graag verder.
Meer informatie: http://www.thuisarts.nl/depressie/ik-wil-antidepressiva-afbouwen

Ybe Meesters is klinisch psycholoog en hoofd van de polikliniek winterdepressie van het Universitair Medisch Centrum Groningen.
Zo’n 480.000 Nederlanders lijden aan seasonal affective disorder (SAD), zoals we een winterdepressie officieel noemen. Nog eens 1,3 miljoen mensen hebben een winterdip, met vergelijkbare, maar mildere klachten.
De symptomen van een winterdepressie en een ‘normale’ depressie lijken erg op elkaar: vermoeidheid, somberheid, moeite met concentreren en de neiging om je terug te trekken. Maar er zijn ook duidelijke verschillen. Meest kenmerkend is natuurlijk dat patiënten met een winterdepressie in de zomer helemaal geen klachten ervaren, maar wel nagenoeg elk jaar in de herfst en winter. Verder lijden mensen met een ‘gewone’ depressie vaak aan slapeloosheid en een gebrek aan eetlust. Bij een winterdepressie is het juist andersom; sommige patiënten slapen wel veertien uur per dag en zijn dan nog niet uitgeslapen. Bovendien hebben ze een grote behoefte aan eten, vooral koolhydraatrijk en zoet voedsel. Daardoor komen ze in de winter vaak aan.
Lang hadden we het vermoeden dat een tekort aan melatonine – het hormoon dat onze biologische klok regelt – een winterdepressie kon veroorzaken. Daarvoor is echter geen hard bewijs. Opvallend genoeg hebben vrouwen vier keer zo vaak last van een winterdepressie als mannen. Mogelijk heeft dat te maken met schommelingen in de vrouwelijke hormonen.
Helaas kun je een winterdepressie niet voorkomen. Maar er is gelukkig wel een effectieve behandeling: lichttherapie. Patiënten gaan daarbij gedurende een werkweek op de poli dagelijks 45 minuten onder een daglichtlamp. Het resultaat is indrukwekkend: 70 à 80 procent is daarna helemaal van hun klachten af. Als je er vroeg bij bent, is een patiënt vaak met één week therapie de hele winter klachtvrij. Overigens hoeft de depressie daarvoor niet heel ernstig te zijn; ook bij matige klachten heeft de behandeling zin. Er zijn veel klinieken in Nederland die lichttherapie aanbieden. Laat je wel door je huisarts doorverwijzen, anders is de kans groot dat je zorgverzekeraar de behandeling niet vergoedt.”

 

 

MIJN LEVEN OP ORDE DANKZIJ EEN BULLET JOURNAL

9 Jan

Bulletjournal jpg

Gepubliceerd in Santé, januari 2018.

Een agenda, een planner, een verzameling lijstjes en een dagboek in één: dat is het bullet journal. De van oorsprong Amerikaanse organisatiemethode verovert in een razend tempo Nederland. Journaliste Marte van Santen (42), fan van het eerste uur, zou niet meer zonder haar ‘bujo’ kunnen. “Ik verzet meer werk, voel me kalmer en slaap beter.”

Het was een maand of drie na mijn laatste chemokuur, toen op een mooie lentedag de telefoon ging. “Hadden wij geen afspraak?”, vroeg de man aan de andere kant van de lijn. Oh. Mijn. God. Helemaal vergeten. Zoiets was me nog nooit overkomen! Ik ben met een to do-lijst in mijn hand geboren. Planning is my middle name. En nu was het me volledig ontschoten dat ik een interview zou doen.
Ik had met veel rekening gehouden toen ik een paar jaar geleden zestien chemokuren moest ondergaan. Maar niet dat mijn hersenen door de behandelingen tegen borstkanker een ware zeef zouden worden. Weg was mijn fameuze geheugen. Foetsie mijn vanzelfsprekende concentratie. Overzicht houden bleek ineens een onmogelijke opgave. Om mijn brein hing een dichte mist, waarin ik keer op keer misgreep.
Voor het eerst in mijn werkzame leven stond ik met mijn mond vol tanden. Na een ongemakkelijke stilte sputterde ik dat ik de afspraak verkeerd had genoteerd. De man in kwestie maakte er gelukkig geen punt van. Maar ik had nog dagen een knoop in mijn maag. De onzekerheid sloeg toe. Als ik zomaar een interview kon vergeten, wat was er dan nog meer uit mijn hoofd verdwenen? En belangrijker nog, hoe kon ik voorkomen dat dat weer zou gebeuren?
Bullets
Het was rond die tijd dat ik online op een artikel uit het Britse blad The Stylist stuitte. Het ging over een nieuw plansysteem, bedacht door de Amerikaanse productontwerper Ryder Carroll (37). Ryder had als kind leerproblemen. Om ervoor te zorgen dat hij toch mee kon komen in de klas, creëerde hij zijn eigen methode om in een schrift overzicht te houden van de taken en gedachten die in zijn hoofd ronddoolden. In de loop van de jaren perfectioneerde hij zijn systeem en gaf hij het een naam: bullet journal, naar het Engelse woord voor opsommingsteken, bullet (dat in dit geval dus niets met kogels te maken heeft). Van afspraken tot herinneringen, van to-do-lijstjes tot levensdoelen; alles kreeg een plek hij in zijn logboek. Naar eigen zeggen was hij er veel productiever door geworden, en ook rustiger. Dat klonk me als muziek in de oren!
Ik klikte op de link naar een filmpje waarin Ryder uitlegt hoe zijn methode werkt. Na de eerste keer kijken duizelde het me. Een index, maand-, week en daglogs, collecties en het migreren van taken? Het klonk alsof ik een studie van zijn methode moest maken, voordat ik ermee aan de slag kon. Toch was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Vooral Ryders belofte dat zijn systeem overzicht en inzicht creëert, intrigeerde me. Want dat was precies wat ik wilde: snappen waar ik in met mijn post-kanker-brein qua planning de mist in ging, en leren hoe ik het handiger en beter kon doen. Dus startte ik het filmpje opnieuw.
Terugkijken
Sinds Ryder Carroll in 2013 besloot zijn aanpak gratis op internet te zetten, heeft het bullet journal in een razend tempo de wereld veroverd. Typ de term in Google, en je vindt meer dan 56 miljoen (!) resultaten. Veel daarvan zien eruit als ware kunstwerken, vol kleurrijke illustraties en hand lettering. Het decoreren van een bujo, zoals fans hun logboek liefkozend noemen, lijkt een trend op zich. Zelf beleef ik er ook veel plezier aan om mijn planning te verfraaien. Maar om van de planmethode te profiteren, hoef je echt niet creatief te zijn.
Het enige wat je ervoor nodig hebt, is een leeg schrift en een pen. Daarin maak je aan het begin van elke maand een overzicht van alles wat je moet doen. Een braindump, heet dat. Oftewel: het leegmaken van je hoofd. Van grote werkklussen tot de planten water geven; elke taak schrijf je op. Deze lijst vul je gedurende de maand steeds aan. Vervolgens kijk je iedere ochtend welke acties van de braindump je die dag wilt doen, en zet je ze op je dagelijkse to do-lijstje.
Tot zover weinig nieuws onder de zon. Het speciale van dit plansysteem zit hem in het terugkijken. Aan het eind van iedere maand maak je namelijk de balans op. Welke taken heb je afgerond? Welke onverrichte zaken hevel je over (in bujo-taal: migreer je) naar de nieuwe maand? En welke kun je beter helemaal schrappen, omdat je weet dat je ze toch niet meer gaat doen? Het idee is dat je, door daar op vaste tijden bij stil te staan, beter inzicht krijgt in hoe je je tijd besteedt, en hoe realistisch de verwachtingen zijn die je van jezelf hebt. Voor mij reden genoeg om het uit te proberen.
Collecties
Al na een paar dagen, merkte ik het effect. Mijn bureau was niet langer volgeplakt met post-its en andere briefjes. En ik kreeg weer ruimte in mijn hoofd. Aan het eind van de week evalueren wat ik wel (en niet) had gedaan, bleek een openbaring. In één oogopslag was duidelijk dat ik te veel hooi op mijn vork nam; zelden kreeg ik alles af. En van sommige dingen die ik van mezelf moest doen, zoals dagelijks een kwartier mediteren, kwam bijna nooit iets terecht. Na drie weken besloot ik dus om ‘meditatie’ niet langer op mijn daglijst te zetten. Wat een opluchting!
In aanvulling daarop begon ik allerhande losse lijstjes (bujo-term: collecties) in mijn schrift te maken. Bijvoorbeeld met lange termijndoelen, boeken die ik nog wil lezen en ‘daar-wil-ik-ooit-nog-iets-mee-doen-ideeën’. In plaats van dat ze eindeloos in mijn brein rondcirkelden en daar onnodig veel ruimte innamen, stonden ze nu op een logische plek bij elkaar. Langzaam trok de mist rond mijn brein op.
Flexibel
Inmiddels is het bijwerken van mijn bujo een vast onderdeel van mijn dag geworden. Planningen, voornemens, wensen, ideeën; ze hebben allemaal hun eigen pagina in mijn logboek. Losse briefjes? Gebruik ik niet meer. Gemiste afspraken? Verleden tijd. Ik maak bewustere keuzes, vaar minder op de automatische piloot. Na een roerige, onzekere periode heb ik weer grip op mijn leven.
In de loop van de tijd heb ik Ryders methode trouwens wel verfijnd. Zo kwam ik er achter dat een maandplanning voor mij niet werkt; liever maak ik een braindump per week. Geen probleem; je past de methode van het bullet journal gemakkelijk aan je eigen wensen aan. Sterker nog, dat is juist goed. Want hoe meer je het je eigen maakt, des te groter de kans dat het systeem werkt, en dat je dat volhoudt. Het resultaat voor mij? Ik verzet meer, voel me kalmer en slaap beter. En dat allemaal met enkel een schrift en een pen.

[Kader]
Zo werkt het bullet journal

  • Neem een blanco schrift en nummer de pagina’s.
  • Gebruik de eerste dubbele pagina (spread) voor een index. Alle nieuwe pagina’s die je maakt, schrijf je in je index, zodat je ze later makkelijk kunt terugvinden.
  • Verdeel de volgende pagina in zes vakken/maanden. In deze ‘toekomstlog’ zet je je belangrijkste afspraken, plannen en doelen voor het komende half jaar.
  • Gebruik een nieuwe spread voor een maandlog: een bondige maandkalender met een to do-lijst (braindump).
  • Aan de hand van de je maandlog maak je dagelijks een actielijst voor die dag. Je daglog kun je ook als een soort dagboek gebruiken. Houd bijvoorbeeld bij wat je heb meegemaakt, of waar je dankbaar voor bent.
  • Migreer maandelijks (of wekelijks) de taken die je niet hebt gedaan naar de nieuwe maand (of week). Bekijk kritisch of je ze opnieuw wilt plannen, of wilt schrappen.
  • Creëer in aanvulling op het plansysteem zoveel verzamelpagina’s (collecties) als je maar wilt. Dat kunnen bijvoorbeeld lijstjes van lekkere recepten of praktische doelen zijn, maar ook overzichten waarin je bijhoudt hoe je je voelt, of hoeveel geld je hebt gespaard (in bujo-taal: trackers).
  • Meer weten? Op de site van bedenker Ryder Carroll vind je  verschillende instructiefilmpjes: bulletjournal.com.

[Kader]
DE PSYCHOLOGIE VAN LIJSTJES
“Het gevoel van controle is één van de belangrijkste redenen waarom veel mensen graag lijstjes maken”, zegt hoogleraar psychologie en schrijver René Diekstra. “Een lijstje creëert orde in de chaos. Niet alleen praktisch, maar vooral ook in je hoofd.”
Naar de stomerij, klant bellen, verjaardagskaart sturen, knutselwerkje voor school maken, afspraak bij de tandarts regelen… Wie piekert er ’s avonds in bed af en toe niet over wat er allemaal nog moet gebeuren? Dezelfde gedachten draaien steeds weer rond in je hoofd, met stress en misschien zelfs slapeloosheid tot gevolg. De beste remedie: een lijstje maken. Grote kans dat je daarna minder piekert en beter slaapt, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek.
“Een lijstje is een praktisch geheugensteuntje”, aldus Diekstra. “Het stelt je gerust dat je dingen niet vergeet. Bovendien creëert het ruimte voor andere gedachten. Drie of vier dringende zaken onthouden lukt misschien nog wel, maar een vijfde of zesde wordt al lastiger; daar zijn onze hersenen niet voor gemaakt. Door zoveel mogelijk op te schrijven, is de kans dus kleiner dat je iets over het hoofd ziet.”
Maar het nut van een lijstje gaat verder dan een simpel geheugensteuntje. Pas als we een actie hebben opgeschreven, kunnen we er namelijk een waardeoordeel aan geven. Diekstra: “Het menselijk brein is van zichzelf niet goed in relativeren. Zolang klussen in je hoofd rondzwerven, lijken ze allemaal even belangrijk. Wat heeft prioriteit? Waar moet je mee beginnen? Geen idee! Maar als je de dingen voor je op papier ziet staan, kun je er met enige afstand naar kijken. En bedenken: ‘dit moet echt vandaag gebeuren’ of ‘zo belangrijk is dat eigenlijk ook weer niet’.”
Een braindump en actielijstjes kunnen dus helpen om ordening aan te brengen en weloverwogen keuzes te maken. In plaats van dat je je overweldigd voelt door alles wat nog moet, creëer je zo een gestructureerd plan. En dan is het afwerken van de klussen ook nog eens goed voor je zelfvertrouwen. Kortom: lijstjes maken loont.

[Kader]
WIE SCHRIJFT, DIE BLIJFT
Er zijn tal van handige digitale plan- en lijstjesapps. Waarom zou je dan voor een papieren schrift en een ouderwetse pen kiezen? “Omdat je alles dan beter onthoudt”, verklaart psycholoog René Diekstra. Voor het schrijven met de hand moeten je hersenen zich volgens hem veel meer inspannen. Het zorgt ervoor dat wat je opschrijft beter in je brein wordt verankerd. “Vandaar dat al mijn studenten aantekeningen moeten maken met pen en papier; laptops zijn in mijn collegezaal verboden.”
Bovendien: in een app kun je honderden taken zetten, en ze vervolgens allemaal negeren. Met een systeem als het bullet journal zie je ze steeds voor je. Het afstrepen en eventueel migreren dwingt je om pas op de plaats te maken, en na te denken over je keuzes. Dat zorgt ervoor dat je jezelf beter begrijpt, en zo nodig je gedrag kunt bijsturen. Voor persoonlijke ontwikkeling, kortom.
Mensen die daar structureel mee bezig zijn, zitten lekkerder in hun vel, blijkt uit onderzoek. Geestelijk én lichamelijk. “Gepieker en stress creëeren niet alleen onrust in je hoofd, maar hebben ook effect op hoe je lijf werkt”, besluit Diekstra. “Bijna iedereen heeft in een periode van stress wel eens last van zijn rug of darmen gehad. Zo zijn er nog veel meer negatieve lichamelijke gevolgen van spanning. Een bullet journal kan helpen om die tegen te gaan.”

[Kader]
TIPS VAN MARTE

  • Investeer in een mooi, stevig schrift, dat lang meegaat en waarvan het papier niet doordrukt. Favoriete merken: Nuuna, Leuchturm en Mijn bullet journal.
  • Voel je niet verplicht om het systeem van Ryder Carroll exact te volgen. Gebruik het bujo waarvoor je zelf wilt, en maak het niet te ingewikkeld.
  • Het grote voordeel van een flexibel systeem is dat je geen fouten kunt maken. Niet tevreden met een spread? Dan begin je gewoon op een nieuwe. In het ergste geval kun je de pagina’s aan elkaar plakken.
  • Op internet circuleren miljoenen foto’s en filmpjes van kunstige voorbeelden. Wil je een creatief kleur- en plakboek van je bujo maken? Leef je uit! Maar laat je vooral niet door anderen imponeren.
  • Daarover gesproken: volgens psycholoog Diekstra is het beter om je bujo juist NIET (online) met anderen te vergelijken of te delen. Dan wordt het immers al snel een competitie ‘wie de mooiste heeft’, of wie de meeste likes krijgt. Dat werkt averechts.

 

GELUKKIG IN DE NATUURSPEELTUIN

9 Jan

Gepubliceerd in Buitenleven 6, 2017.

Duizenden Nederlanders zetten zich het hele jaar door met hart en ziel in voor de natuur bij hun in de buurt. Wie zijn deze helden die er, weer of geen weer, op uitgaan om bomen te kappen, onkruid te wieden, dieren te redden of wandelpaden te onderhouden? Buitenleven geeft ze een gezicht. Deze keer: de medewerkster va een natuurspeeltuin.

 

‘Groen doen’ zit Monika Zuur (38) in het bloed. Vandaar dat natuurspeeltuin De Natureluur in het Amsterdamse Sloterpark, waar ze vier tot acht uur per week als vrijwilliger werkt, als tweede thuis voelt.
“Het leukste vind ik om te zien hoe gefascineerd stadskinderen raken. Als ze kikkerdril vinden of van zelfgeplukte bessen jam maken, stuiteren ze letterlijk van enthousiasme. Er is volgens mij weinig anders wat zo’n energie en geestdrift kan losmaken. Het bewijst de kracht van de natuur.
Ik ben een echte tuindersdochter, opgegroeid in de kassen. Als kind woonde ik in een huis achter het oppot- en vermeerderingsbedrijf waar mijn ouders werkten. Daar werden gewassen gekweekt, gestekt en geënt. Je zou misschien verwachten dat ik na zo’n jeugd niets meer van planten wilde weten, maar het tegenovergestelde was waar. De liefde voor groen zit in mijn genen; ik kan me geen leven zonder natuur voorstellen. Vandaar dat ik bloemiste werd. Helaas dwong een allergie me een paar jaar geleden met mijn werk te stoppen. Via de gemeente Amsterdam kwam ik in het voorjaar van 2016 als vrijwilliger bij De Natureluur terecht. Het werk hier is me op mijn lijf geschreven. Niet alleen zit ik lekker met mijn handen in de grond, ik kan nu ook kinderen leren hoe bijzonder de natuur is, iets wat ik altijd al wilde.
In eerste instantie heb ik me op de kruidentuin gestort, want daar moest heel veel aan gebeuren. De kinderen helpen me met het onderhoud, zoals zaaien en schoffelen. Uiteraard mogen ze ook kruiden plukken. Citroenmelisse bijvoorbeeld. Daar maken we dan samen thee van, zodat ze kunnen proeven hoe het smaakt. We hebben ook een grote heemtuin en een vlindertuin. En een speeltuin natuurlijk! Met een survivalbaan die deels in het water ligt. Voor mij was slootje springen vroeger heel gewoon, maar veel Amsterdammertjes vinden dat iets heel bijzonders. Ze mogen hier nog echt kind zijn, en zich helemaal uitleven en vies worden. Heerlijk vinden ze dat. Hun blijheid werkt aanstekelijk.
Door kinderen zelf te laten ontdekken hoe dingen groeien, raken ze steeds meer geïnteresseerd. Het respect voor de natuur komt daarna vanzelf. Op die manier hoop ik er mijn steentje aan bij te dragen dat ze, als ze later zelf groot zijn, er ook goed voor blijven zorgen.”

[Kader]
De Natureluur
Natuurspeeltuin De Natureluur is te vinden in het Sloterpark in Amsterdam, vlakbij de kinderboerderij. Hij wordt onderhouden door medewerkers van de gemeente Amsterdam en tal van vrijwilligers. Er vinden regelmatig activiteiten plaats, zoals een herfstviering of natuurexcursies op woensdagochtend voor peuters en hun ouders.
Meer informatie: denatureluur.nl.

[Kader]
Wist je dat….

  • de heemtuin (een aangelegde tuin met als doel om allerlei flora en fauna te laten zien) in het Sloterpark al 41 jaar bestaat?
  • er ook een buurtcamping wordt georganiseerd?
  • je vanuit de natuurspeeltuin onder andere een safari op het water kunt maken?
  • kinderen er ook hun verjaardagsfeestje kunnen vieren?
  • er niet alleen activiteiten voor kinderen, maar ook voor volwassenen zijn? Een workshop outdoornavigatie of een 65-plus bootcamp bijvoorbeeld.
  • het Sloterpark aan de Sloterplas ligt? Rondom de plas is een route van 5,8 kilometer uitgezet voor wandelaars, fietsers, skaters en joggers.
%d bloggers liken dit: