Archief | april, 2018

DE LEVENSLESSEN VAN ELLEN LAAN

24 Apr

Levenslessen Ellen Laan jpg

Gepubliceerd in Trouw, 21 april 2018 (Foto: Merlijn Doomernik)

Seksuoloog Ellen Laan werd wereldwijd bekend met haar baanbrekende onderzoek naar seksualiteitsbeleving van vrouwen. Gisteren sprak ze haar oratie uit als hoogleraar aan de faculteit geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam. “Hoog tijd dat vrouwen hun eigen genot voorop stellen.” 

Les 1: Pesten tekent je voor het leven

“Als kind draaide alles in ons gezin om de kappers- en tabakszaak die mijn ouders aan huis runden. Vanzelfsprekend moesten mijn vier broers en zussen en ik daarin helpen. Voor mijn tiende verkocht ik al shag en gematteerde sigaren. Onze katholieke opvoeding was strikt en traditioneel. We moesten vooral niet te veel willen; dat zou alleen maar tot teleurstelling leiden. Die wereld paste mij helemaal niet. Ik was de slimste van de klas, lezen was mijn grote passie. Stiekem verslond ik alle tijdschriften in onze winkel, voordat ze werden verkocht. Dat maakte me niet alleen een buitenbeentje in binnen ons gezin, maar ook op de lagere school. Met als gevolg dat ik veel werd gepest. Omdat ik alles als eerste kon, omdat ik extra taken van de meester kreeg, omdat ik me lichamelijk vroeg ontwikkelde. Twee jaar lang vroeg ik iedere dag of ik met de andere meisjes mocht meespelen. Iedere dag was het antwoord nee. ‘Ik wou dat je dood was’, zei een klasgenootje. Het deed me geloven dat er iets fundamenteel mis was met me. Van die onzekerheid heb ik tot op de dag van vandaag soms last.”

Les 2: Als het om seksualiteit gaat, is de emancipatie nog lang niet af

“Zo verlegen als ik sociaal was, zo vrij voelde ik me seksueel. Vanaf mijn eerste keer, op mijn zeventiende, vond ik seks heerlijk. Dat kwam zeker niet omdat ik zo’n vrije opvoeding had gehad. Thuis praatten we er nooit over. Masturberen was iets slechts, leerden we. Het weerhield me er overigens niet van om dat laatste als tiener te doen. Toen ik een vriendin vol enthousiasme over die lekkere eerste vrijpartij vertelde, keek ze me geschokt aan. Achteraf heeft die ervaring me mede op het spoor van de seksuologie gezet. Want hoezo zouden vrouwen niet mogen genieten? Wist je dat slechts 30 procent van de vrouwen klaarkomt tijdens penetratie, tegenover 90 procent van de mannen? In die getallen is de afgelopen decennia nauwelijks iets veranderd. Nog zoiets: één op de tien vrouwen ervaart pijn bij het vrijen. Voor jonge vrouwen geldt zelfs dat ongeveer de helft wel eens pijn heeft of heeft gehad. Schokkend vind ik dat. Het heeft me tot een seksuele feminist gemaakt. Mijn missie is om ervoor te zorgen dat vrouwen hun eigen genot voorop gaan stellen. Seksueel plezier is namelijk een noodzakelijke voorwaarde voor pijnloze en prettige seks, niet een ‘bonus’ waar je ook vanaf kunt zien.” 

Les 3: Vrouwen hebben niet minder zin, wel minder plezier

“Een medestudente stelde voor om samen een afstudeeronderzoek naar seksuele beleving bij vrouwen te doen. Het bleek een gouden greep; dertig jaar later ben ik nog niet uitgepraat over het onderwerp. Het is ongelofelijk hoeveel misverstanden er anno 2018 nog over seks bestaan. Bijvoorbeeld dat mannen testosteronbommen zijn, die altijd zin hebben. Kul. Het woord libido kunnen we wat mij betreft direct uit het woordenboek schrappen; zo’n oerdrift bestaat helemaal niet. Testosteron veroorzaakt zelf geen lust. Je brein en genitalia hebben het hormoon wél nodig om op seksuele prikkels te kunnen reageren. Dat mechanisme werkt bij vrouwen precies hetzelfde als bij mannen. Want ja, ook zij hebben testosteron. 

Kortom: vrouwen hebben niet minder ‘libido’, wel minder plezier. Als je zelden klaarkomt of misschien zelfs pijn hebt bij het vrijen, is het logisch dat je niet staat te springen om het nog een keer te doen. Daarover gesproken: we moeten echt eens af van het idee dat seks gelijk staat aan coïtus. In hetero pornofilms draait alles om penetratie. Het versterkt het onterechte idee dat neuken vanzelfsprekend is, en voor beide partijen even bevredigend. Niet dus. De vagina is het baringskanaal, daar moet een kind doorheen. Logisch dat het geen supergevoelig orgaan is! Mijn voorstel voor een nieuwe definitie van seks is daarom: het delen van seksueel plezier. Op welke manier dan ook. Als je geniet en regelmatig een orgasme krijgt, leer je je brein dat seks een beloning oplevert. Dat heeft weer tot gevolg dat prikkels prikkelender worden, en je dus sneller opgewonden raakt. Reken maar dat je dan — óók als vrouw — vaker zin krijgt.”  

Les 4: Minderwaardigheidsgevoel werkt verlammend

“Als je mijn CV bekijkt, lijk ik heel succesvol. Of eigenlijk ben ik dat ook, maar zo voelt het vaak niet. Ik ben altijd bang geweest voor succes. Op school had ik immers geleerd dat dat een reden was om afgewezen te worden. Ik was stilletjes, liep ineengedoken. Alles om maar niet gezien te worden. Mijn klasgenoten vonden me arrogant, terwijl ik me juist kleiner dan klein voelde. Kennis werd mijn houvast. Na mijn afstuderen ging mijn carrière als een speer. Mijn onzekerheid bleef me echter parten spelen. Toen ik in 2014 het aanbod kreeg om hoogleraar te worden, heb ik dat twee jaar afgehouden, omdat ik mezelf niet goed genoeg vond. ‘Laat het maar over aan mensen over die het echt kunnen’, hoor ik mijn vader in mijn hoofd zeggen. Hij bedoelde het goed, maar het effect was funest. Vanwege mijn angst om niet goed genoeg te zijn, heb ik onderzoeken niet gedaan, papers niet geschreven. En ook sociaal heb ik er veel om gelaten. Het aantal feestjes waar ik op het laatste moment niet naartoe durfde, is niet te tellen.” 

Les 5: Kanker relativeert alles

“Sinds een jaar ben ik eindelijk grotendeels verlost van dat ellendige minderwaardigheidsgevoel. En dat nota bene dankzij de diagnose borstkanker, die ik in augustus 2016 kreeg. Er volgden chemotherapie en hormoontherapie en ik werd geopereerd en bestraald. Het klinkt vast vreemd, maar het bleek behalve een stressvolle en verdrietige óók een gelukkige periode. Ik werd bedolven onder lieve aandacht. Voor het eerst in mijn leven durfde ik te geloven dat er mensen zijn die echt om me geven, gewoon om wie ik ben. Dat besef maakt me intens dankbaar en blij. Ik ben nu minder onzeker, en vooral ook minder streng voor mezelf. Sinds de kanker is mijn leven een stuk lichter. Of ik er ook een betere therapeut door ben geworden? Ik behandel veel vrouwen die na kanker seksuele problemen ervaren. Het was dus best een rare gewaarwording om opeens aan de andere kant te staan. Maar ik geloof niet dat ik mijn werk anders doe, al kan ik me wel beter inleven. Ik weet nu immers uit eerste hand hoe het voelt om met een geopereerde borst en een kaal hoofd te vrijen. Mijn eigen seksuele plezier is er overigens niet minder om.” 

Les 6: Je kunt niet vroeg genoeg met seksuele voorlichting beginnen

“Veel vrouwen én mannen hebben geen idee van hoe de genitale anatomie van een vrouw in elkaar zit. Wat in de volksmond de clitoris heet, is eigenlijk het spreekwoordelijke topje van de ijsberg. Feitelijk is de clitoris een zwelorgaan, dat even groot is als dat van de man. Alleen zie je dat bij de vrouw niet, omdat het aan de binnenkant zit. Vanaf het zichtbare topje lopen de zwellichamen inwendig door tot voorbij de vagina. Voor plezierige penetratie zijn een gezwollen clitoris en vochtige vagina van groot belang. Dat zouden we alle kinderen moeten leren. Mijn eigen dochters heb ik van jongs af aan uitgelegd dat vrouwen een lekker plekje hebben, en dat je daaraan kunt zitten. Je hoeft je als ouder echt geen zorgen te maken dat je daar te vroeg mee begint; wat ze niet kunnen of willen begrijpen, vergeten ze. Mijn partner Mario wees me er trouwens op een gegeven moment op dat ik zo vaak over orgasmes praatte, dat ik mijn dochters misschien ook moest uitleggen dat je niet faalt als je niét klaarkomt. Hij had groot gelijk: prestatiedruk is de dood in de pot voor fijne seks.”

Les 7: Lekkere seks is leeftijdsonafhankelijk

“Veel vrouwen zijn bang dat het na de overgang gedaan is met seksueel plezier. Maar dat hoeft helemaal niet. En het is ook niet waar dat postmenopauzale vrouwen per definitie meer pijn hebben bij het vrijen. Het mechanisme om door seksuele prikkels nat te kunnen worden, werkt voor en na de overgang namelijk even goed. Het probleem zit hem erin dat vrouwen vóór de menopauze vaak nog wel pijnloos gemeenschap kunnen hebben, zonder heel opgewonden te zijn. Als de vagina na de overgang wat droger en minder veerkrachtig wordt, is penetratie dan ineens wél pijnlijk. Om kort te gaan: seksuele overgangsklachten zijn niet het gevolg van een verlies aan oestrogeen, maar van een gebrek aan opwinding. Nog altijd voelen veel vrouwen gêne om voor hun eigen seksuele plezier te gaan. Ze stellen het genot van hun partner boven dat van henzelf. Niet voor niets heb ik in mijn oratie een lans gebroken voor meer seksuele gelijkheid. De oplossing zit hem erin om samen nieuwe prikkels te ontdekken. Zoenen, likken, strelen, masseren, fantasieën met elkaar bespreken of elkaar met de vingers stimuleren bijvoorbeeld. Kijk ter inspiratie maar eens omgyes.com. Forceer hoe dan ook niets. Want vrijen hoort — en hoeft — echt niet pijnlijk te zijn.” 

[Kader]

Ellen Laan

Psycholoog en seksuoloog Ellen Laan (Abbekerk, 1962) is hoofd van de afdeling Seksuologie en Psychosomatische Obstetrie en Gynaecologie van het AMC Amsterdam. In 1988 studeerde ze cum laude af aan de Universiteit van Amsterdam. Zes jaar later promoveerde ze daar eveneens cum laude op een onderzoek naar de werking van seksuele opwinding bij vrouwen. Seksuologen over de hele wereld gebruiken de resultaten daarvan tot op de dag van vandaag in hun klinische praktijk. Laan doet onderzoek, geeft les en behandelt patiënten. Recentelijk richtte ze de stichting Seksueel Welzijn op, die seksuele gelijkheid door wetenschappelijk onderzoek, voorlichting en hulpverlening wil bevorderen (seksueelwelzijn.nl). In december 2016 werd ze benoemd tot hoogleraar Biopsychosociale determinanten van seksuele gezondheid aan de Universiteit van Amsterdam. Vorig jaar publiceerde ze samen met haar collega Rik van Lunsen het boek Seks! Een leven lang leren. Op 20 april 2018 sprak ze haar oratie uit. Laan heeft een lat-relatie en twee dochters uit een eerder huwelijk, Leah (22) en Britt (18). 

Advertenties

‘MEDICIJNEN TEGEN REUMA WERKEN BIJ VROUWEN ANDERS’

23 Apr

Gepubliceerd in Plus Magazine, april 2018

Jarenlang werd medisch onderzoek vooral voor en door mannen gedaan. Terwijl bijvoorbeeld reuma zich bij vrouwen vaak anders uit dan bij mannen. Ook veel behandelingen tegen reuma werken bij hen verschillend. Dr Irene van der Horst-Bruinsma, reumatoloog in het VUmc in Amsterdam: “Niet alle reumatologen zijn zich hiervan bewust. Met als gevolg dat patiënten mogelijk niet altijd de juiste zorg krijgen.” 

 

Vanaf de dossierkast in haar werkkamer staart een meterhoog geraamte reumatoloog Irene van der Horst-Bruinsma dagelijks aan. Het mannelijke nepskelet komt handig van pas als ze uitleg wil geven over Axiale spondyloartritis, de verzamelnaam voor reumatische aandoeningen met ontstekingen in het bekken en de wervelkolom, waarvan de ziekte van Bechterew de bekendste is. Van der Horst-Bruinsma is hierin gespecialiseerd. “Ik realiseer me nu pas dat het model — natuurlijk — een mannetje is”, zegt ze verbaasd. “Het bewijst maar weer dat de medische wetenschap vooral op mannen is gefocust. Hoog tijd dus dat ik er eens een vrouw naast zet.” 

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen mannen en vrouwen met reuma? 

“Die zijn legio. Vrouwen hebben bijvoorbeeld twee keer zo vaak last van chronische gewrichtsreuma, officiële naam: reumatoïde artritis. Andere vormen van reuma, zoals de ziekte van Bechterew, komen weer meer bij mannen voor. Bij die laatste aandoening hebben vrouwen meer pijn, maar op een röntgenfoto zijn afwijkingen bij hen juist vaak minder goed te zien. Gemiddeld krijgen zij daardoor vijf jaar later een juiste Bechterew-diagnose, met als gevolg dat ze onnodig lang met chronische stijfheid en pijn rondlopen. Bovendien is eenmaal ontstane schade, net als bij andere vormen van reuma, onomkeerbaar. Vandaar dat snelle opsporing en behandeling zo belangrijk is.”

Hoe kan het dat dokters de ziekte missen? 

“Omdat ze zich niet bewust zijn van die verschillen. En als je niet weet waar je naar moet kijken, zie je het niet. Veel artsen hebben tijdens hun opleiding geleerd dat de ziekte van Bechterew tien keer zo vaak bij mannen voorkomt. Inmiddels is dat aantal bijgesteld naar drie keer zoveel, maar toch denken ze nog altijd minder snel aan Bechterew als er een jonge vrouw met rug- en bekkenklachten op hun spreekuur komt. Terwijl zij de ziekte dus óók kunnen krijgen.”

Wat is er nodig om hier verandering in te brengen?

“Medisch onderzoek, de ontwikkeling van nieuwe medicijnen, het opstellen van behandelprotocollen: bij reumatische aandoeningen zijn die decennialang vóór en dóór mannen gedaan. Voor het gemak gingen die er vanuit dat mannen- en vrouwenlichamen hetzelfde werken, en hetzelfde op bijvoorbeeld medicijnen reageren. Inmiddels weten we echter wel beter. Door meer kennis over de verschillen te vergaren, en meer bewustwording te creëren, willen we de kwaliteit van de zorg voor vrouwen verbeteren.” 

Hoe draagt u daar zelf aan bij? 

“Om iets te kunnen veranderen, moet je eerst weten wat het probleem precies is. Vandaar dat ik veel onderzoek doe naar bijvoorbeeld de verschillende effecten van medicijnen bij mannen en vrouwen met reuma. Twintig jaar geleden hadden we nauwelijks behandelmogelijkheden voor deze patiënten. Dat veranderde begin deze eeuw, toen er een nieuw soort reumaremmers op de markt kwam, zogenaamde TNF-blokkers. Die verbeterden de kwaliteit van leven van veel patiënten enorm. Maar bij onze vrouwelijke patiënten met Bechterew en artritis psoriatica bleek het positieve effect ervan minder groot dan bij mannen, terwijl dat bij reumatoïde artritis juist niet zo was. Daar moeten we meer over weten, dacht ik. Dus heb ik bij medicijnfabrikanten aangeklopt of ze in hun oude onderzoeken eens kritisch wilden kijken naar het onderscheid tussen mannen en vrouwen. Ik heb daar jarenlang om moeten zeuren.”

Waarom?

“Omdat het opnieuw uitpluizen van gegevens extra tijd en geld kost. Bovendien hebben fabrikanten er weinig baat bij. Als immers blijkt dat hun middel bij vrouwen minder goed werkt, zou dat ten koste kunnen gaan van de verkoop. Dus staan ze niet te springen om de informatie daarover te delen. Het is niet erg ethisch, maar zo werkt de markt nu eenmaal. Nu er één schaap over de dam is, volgen er hopelijk meer.”

Wat kwam eruit?

“Het bevestigde dat vrouwen met Bechterew minder baat hebben bij de bestaande medicijnen. Bovendien stoppen ze vaker met de behandeling, vermoedelijk omdat die minder goed werkt, of omdat ze meer bijwerkingen ervaren. Die uitkomsten zijn bekrachtigd in ons onderzoek bij onze eigen patiënten.”

Hoe kan dat? 

“We denken dat het te maken heeft met het hogere vetpercentage van vrouwen. Dat kan ervoor zorgen dat het lichaam meer ontsteking aanmaakt. Verder werken de lever en de nieren van vrouwen anders bij het afbreken van medicatie. Ook vrouwelijke hormonen hebben mogelijk effect. Als we al die invloeden beter begrijpen, kunnen we vrouwen gerichter gaan behandelen. Maar zo ver zijn we nog lang niet. Voorlopig zou het al heel wat zijn als de nieuwe inzichten ons helpen om verschillende vormen van reuma eerder op te sporen. Want hoe sneller je erbij bent, hoe meer schade je kunt voorkomen.”  

Heeft u, met de kennis van nu, zelf wel eens een vrouwelijke patiënte tekort gedaan?

“Nee, dat geloof ik niet; ik heb vrouwen — en mannen — altijd serieus genomen. Maar helaas krijg ik nog steeds vrouwen op mijn spreekuur, waarbij een andere arts de diagnose Bechterew heeft gemist. Vandaar dat ik mijn best doe om zoveel mogelijk collega’s  bewust te maken van de sekseverschillen. ‘Begin je daar nu weer over’, verzuchten die wel eens als ik binnenkom. Prima, denk ik dan, dat betekent dat ik in mijn missie ben geslaagd.” 

Zien reumatologen bij mannen ook wel eens iets over het hoofd? 

“Terechte vraag! Eén van de symptomen van Bechterew is botontkalking. Een typische aandoening van oudere vrouwen, maar bij Bechterew komt botontkalking juist weer vaker bij jonge mannen voor. Dat is dus iets waar mannen met deze aandoening — en hun artsen — extra alert op moeten zijn.” 

Wat is uw advies aan de lezers van Plus? 

“De zieke van Bechterew ontstaat bijna altijd tussen het 20ste en het 40ste levensjaar. 50-plussers met deze aandoening hebben vaak jaren geleden de boodschap gekregen dat er weinig aan te doen is, en dat ze zich maar moeten redden met oefentherapie en pijnstillers. Maar zelfs al je al lang aan de ziekte lijdt, kun je nog baat hebben bij de medicijnen die de afgelopen jaren zijn ontwikkeld. Dus ben je als Bechterew-patiënt nooit met TNF-blokkers behandeld, vraag daar dan alsnog om. ” 

[Kader]

CV

Reumatoloog dr. Irene van der Horst – Bruinsma (57) studeerde geneeskunde in Leiden. Na haar promotie ging ze bij het VUmc in Amsterdam aan de slag. Ze specialiseerde zich in de groep reumatische aandoeningen genaamd Axiale Spondyloartritis en richtte daar een speciaal kenniscentrum voor op. Daarnaast zet ze zich actief in voor de erkenning van man-vrouwverschillen bij reumatische ziekten. 

 

‘SLAAPPILLEN HEBBEN ZELDEN ZIN’

23 Apr

Gepubliceerd in Plus Magazine, maart 2018

Naar schatting de helft van ons slaapt naar eigen zeggen regelmatig slecht. En dat heeft meer gevolgen dan we denken. Neuroloog Hans Hamburger: “Slaap is van levensbelang”. 

Hij zegt het liever niet tegen zijn patiënten, maar zelf is neuroloog en slaapdeskundige Hans Hamburger een uitstekende slaper. Hij noemt het zelfs “een van zijn favoriete hobby’s”. Maar op dat verhaal zitten de uitgeputte en soms zelfs wanhopige mensen die zich op Hamburgers slaapspreekuur melden natuurlijk niet op te wachten. Alhoewel? “Als er geen achterliggende ziekte is, zijn een paar relatief simpele tips over gezond slaapgedrag vaak voldoende om voor een betere nachtrust te zorgen.” 

Wat is dat, gezond slaapgedrag? 

“Na een actieve dag heeft je brein tijd nodig om terug te schakelen voor het in slaap kan vallen. Je doet er daarom goed aan om na acht uur ’s avonds alleen nog dingen te doen waarvan je ontspant. Voor veel mensen betekent dat: tv kijken, of op een computer, tablet of telefoon bezig zijn. Maar het blauwe licht dat dit soort apparaten afgeven, ontregelen je interne klok en verhinderen dat je in slaap valt. Zet alles dus minstens een uur voor je naar bed gaat uit.” 

Hoeveel mensen hebben last van slapeloosheid? 

“Ongeveer de helft van de Nederlanders slaapt naar eigen zeggen regelmatig slecht. Bij minder dan zes uur kom je echt tekort. Naar schatting één op de vijf mensen heeft een slaapziekte. Slapeloosheid vormt de grootste groep, maar ook slaapapneu, waarbij je tijdens het slapen steeds kort stopt met ademen, rusteloze benen en een verstoorde biologische klok — officiële naam ‘circadiane ritmestoornis’ — komen bijvoorbeeld veel voor.” 

Wat is het gevaar van te weinig slapen? 

“Mensen met een chronisch slaaptekort hebben onder andere een flink verhoogde kans op obesitas, diabetes type 2 en hart- en vaatziekten. Dat komt omdat slaap een belangrijke rol speelt bij onder andere de stofwisseling, de afweer en de aanmaak van veel hormonen. Verder onthoud je dingen minder goed als je te weinig slaapt, en ben je minder productief. Ook hebben slechte slapers vaker last van angsten, depressie, burn-out en/of verslaving.” 

Is er iets aan te doen? 

“Dat hangt van de oorzaak af, maar in de meeste gevallen wel. Belangrijk is om goed in kaart te brengen wat het slaapprobleem veroorzaakt. Dat kun je laten uitzoeken bij een gespecialiseerd slaapcentrum. De meest doeltreffende behandeling tegen slapeloosheid is een speciale vorm van cognitieve gedragstherapie.”

Waarom maakt u zich al dertig jaar hard voor behandeling van patiënten met slaapproblemen? 

“Omdat slaap voor je gezondheid minstens zo belangrijk is als gezond eten en drinken, en voldoende bewegen. Maar als het over levensstijl gaat, hoor je hier nog veel te weinig over. Bovendien beseffen mensen onvoldoende hoe groot de impact van een slaaptekort is.” 

Is daar in de zorg wel voldoende aandacht voor? 

“Absoluut niet! Veel huisartsen en specialisten weten het verschil niet tussen slaperigheid door een slaapziekte en vermoeidheid door een andere lichamelijke ziekte of depressie. Het gevolg is dat patiënten vaak geen goede diagnose krijgen. Ze worden dan naar huis gestuurd met slaappillen, terwijl die de oorzaak van het probleem helemaal niet aanpakken. In de helft van de gevallen is boezemfibrilleren het gevolg van slaapapneu. Daar is bij cardiologen nog veel te weinig aandacht voor. Verder hebben sommige medicijnen als bijwerking dat je er slechter van gaat slapen. Bètablokkers bijvoorbeeld, die veel mensen slikken tegen een hoge bloeddruk. De oplossing is dan niet om een slaapmiddel te geven, zoals vaak gebeurt, maar om te onderzoeken of een ander bloeddrukverlagend middel minder slaapklachten veroorzaakt.”  

Klopt het dat ouderen minder slaap nodig hebben?

“Tussen de 30 en 70 jaar heb je gemiddeld tussen de 7 en 8 uur slaap nodig. Boven de 70 vermindert dat iets, omdat mensen dan overdag minder actief zijn. Verder verandert je interne klok als je ouder wordt. Van nature gaan de meeste mensen tussen elf en twaalf uur ’s avonds slapen en worden ze om zeven uur ’s ochtends weer wakker. Bij ouderen schuift dat ritme vaak wat naar voren. Dat komt onder andere doordat de ogen met het ouder worden achteruit gaan. Daglicht dringt dan minder goed binnen. Het gevolg is dat ouderen’s avonds vaak eerder in slaap vallen. Als ze dan ’s ochtends om vier of vijf uur wakker worden, denken ze — onterecht — dat ze een slaapstoornis hebben. De oplossing is om overdag voldoende buiten te komen en actief te zijn, en ’s avonds niet te vroeg naar bed te gaan.”

Hebben slaapmiddelen zin?

“Zelden. Ze kunnen je weliswaar helpen om makkelijker in te slapen, maar vervolgens verstoren ze de natuurlijke slaapcyclus. Daardoor rust je er niet echt uit. Bovendien werken ze gemiddeld 24 uur, waardoor je overdag last houdt van suffigheid, vermoeidheid en geheugenproblemen. Dat kan gevaarlijke situaties opleveren, bijvoorbeeld in het verkeer. Ook kan je evenwicht verstoord raken, waardoor je sneller valt. Voor kalmerende middelen, zoals oxazepam, geldt trouwens precies hetzelfde. Bovendien veroorzaken al dit soort middelen afhankelijkheid, een mooi woord voor verslaving. Dat effect treedt al op na tien dagen gebruik.”

En vrij verkrijgbare middelen, zoals melatonine? 

“Het is eigenlijk raar — en niet ongevaarlijk — dat melatonine als hulpmiddel voor het slapen wordt verkocht. Melatonine is geen slaappil maar een hormoon, dat invloed heeft op je biologische klok. De eerste dagen maakt het je weliswaar een beetje slaperig, maar dat effect is na een week wel uitgewerkt. Dan blijf je zitten met enkel een ontregelde interne klok, waardoor je slaapproblemen alleen maar kunnen toenemen. Overleg dus altijd met je dokter voor je melatonine gaat gebruiken.”

Helpt het bekende slaapmutsje? 

“Ook al niet. Alcohol kan je weliswaar helpen om sneller in slaap te vallen, maar de stof zorgt er óók voor dat je onrustiger en minder diep slaapt. Het gevolg is dat je vaker tussendoor wakker wordt en de volgende dag minder uitgerust bent.” 

Wat kun je zelf dan wel doen om je lichaam een handje te helpen? 

“Zorg voor een donkere en koele slaapkamer, liefst rond de 18 graden. Om het licht buiten te houden kun je verduisteringsgordijnen aanschaffen. Een goedkopere oplossing is een slaapmasker. Routine is ook belangrijk. Ga elke dag op dezelfde tijd naar bed en sta op dezelfde tijd op. Daarmee instrueer je je lichaam dat het zich klaar moet maken voor het slapen. Zorg overdag voor veel licht overdag en voldoende beweging. Lekker buiten wandelen kortom.” 

[Kader]

CV

Neuroloog en somnoloog (specialist slaapgeneeskunde) Hans Hamburger (67) is oprichter van het Amsterdam Slaap Centrum, een van de eerste van zijn soort in Nederland, gevestigd in het Boerhaave Medisch Centrum. Hij specialiseerde zich vanaf de jaren ’90 in slaap(problemen). Hij organiseert congressen en trainingen voor slaapgeneeskundigen, en maakt zich er publiekelijk hard voor dat patiënten én zorgverleners slaapproblemen serieuzer nemen.

WAT TE DOEN AAN EEN FROZEN SHOULDER?

17 Apr

18-09 De vraag, Frozen shoulder

Gepubliceerd in Margriet nr. 9, februari 2018

Aline (54): “Ik heb al twee maanden last van een pijnlijke en stijve schouder. Volgens de huisarts is het een frozen shoulder. Heeft het zin om daarmee naar de fysiotherapeut te gaan?”

Jeroen Bijman, sportfysiotherapeut bij Bijman+Helsloot Fysiotherapie in Purmerend en voormalig bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de Sportgezondheidszorg (NVFS):

“Ja, dat heeft zeker zin om de schouder zo mobiel mogelijk te houden, en daarmee te voorkomen dat de klachten verergeren. Maar verwacht niet dat de fysiotherapeut de aandoening of de pijn helemaal kan laten verdwijnen.

Iemand met een frozen shoulder kan zijn schouder en arm minder goed bewegen. Het probleem ontstaat door een ontsteking in het bindweefsel van het schoudergewricht. Die maakt de schouder stijf en pijnlijk. Vaak begint het ermee dat je je arm niet goed meer kunt draaien of optillen, en/of dat dat veel pijn doet. Soms zijn de klachten zo erg, dat dagelijkse dingen als aankleden of haren kammen niet meer lukken. Kenmerkend is verder dat patiënten ’s nachts vaak extra veel pijn voelen. 

Het is een veelvoorkomend probleem; 2 tot 5 procent van alle Nederlanders krijgt een ‘primaire’ frozen shoulder, oftewel: zonder duidelijke aanleiding. Maar bij nog veel meer mensen ontwikkelt de klacht zich als gevolg van een andere aandoening. Zo loop je bijvoorbeeld meer kans op een frozen shoulder als je de ziekte van Parkinson of hart- of schildklierproblemen hebt, of als je een beroerte hebt gehad.  Verder krijgt 10 tot 20 procent van de diabetespatiënten er last van. Vandaar dat je er met een frozen shoulder goed aan doet om voor de zekerheid je bloedsuiker te laten checken. Ook als je je arm en schouder lange tijd minder goed hebt kunnen gebruiken, bijvoorbeeld als gevolg van een borstoperatie, neemt het risico erop toe. De aandoening komt het meest voor bij vrouwen tussen de veertig en de zeventig jaar. 

In verreweg de meeste gevallen gaat een frozen shoulder vanzelf over. Vaak duurt dat wel heel lang, gemiddeld tussen de negen maanden en 3,5 jaar. Een genezende behandeling is er niet, maar met de juiste begeleiding kun je er in ieder geval voor zorgen dat de klachten niet verergeren of dat het herstel wordt vertraagd. In de eerste fase ligt de focus meestal op pijnbestrijding. Daar kan de huisarts over adviseren. Daarna is het belangrijkste om — binnen je pijngrens! — te blijven bewegen. Door de pijn hebben patiënten meestal de neiging om hun arm zoveel mogelijk stil te houden, en de schouder zo min mogelijk te belasten. Maar daardoor wordt de stijfheid alleen maar erger. Een fysiotherapeut kan je helpen om je arm en schouder op een verantwoorde manier te blijven gebruiken, en de overgebleven beweeglijkheid zo goed mogelijk te benutten. 

Tot slot: op internet zijn tal van filmpjes met schouderoefeningen te vinden. Ga daar niet zonder goede instructie van een fysiotherapeut mee aan de slag. Als je je schouder te veel belast en/of door je pijngrens heengaat, is het effect namelijk averechts, en maak je het probleem alleen maar erger.”  

WERKGELUK LOONT

17 Apr

Anique Wijnhoud jpg.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 17 april 2018

Een geluksrevolutie teweegbrengen: dat is wat psycholoog Anique Wijnhoud wil. Op de werkvloer, wel te verstaan. Want qua welzijn op het werk valt er volgens haar nog een wereld te winnen. 

Paspoort
Naam: Anique Wijnhoud
Leeftijd: 27
Opleiding: Toegepaste Psychologie aan de Hanzehogeschool Groningen
Beroep : Oprichter en eigenaar van Rebelpoint in Groningen, een organisatieadviesbureau gespecialiseerd in het creëren van meer werkgeluk
Sinds: 2014

Iedereen kent wel zo iemand. Een familielid of vriend die elke dag met tegenzin naar zijn werk gaat. Die geen lol (meer) heeft in wat hij doet, en ’s avonds uitgeput thuiskomt. Hoe hij daar verandering in moet brengen, weet hij niet. Een andere baan zoeken misschien? Grote kans dat hij zich daar na een tijdje dan weer net zo ellendig voelt. Zonde, vindt Anique Wijnhoud dat. Als organisatieadviseur, gespecialiseerd in werkgeluk, hoort zij dagelijks dit soort verhalen. “Vaak voelen mensen zich overgeleverd aan allerlei — negatieve — omgevingsfactoren. De bedrijfscultuur die moordend is, collega’s die elkaar afvallen of de inhoud van het werk die saai is bijvoorbeeld. Ze hebben het idee dat daar zelf weinig invloed op kunnen uitoefenen. En dus nemen ze er maar genoegen mee dat er niet meer in zit. Bij werkzoekenden zie ik dat trouwens ook. Ze accepteren de eerste beste baan, zodat ze in ieder geval ‘maar iets’ hebben. Wat een verspilling van energie en talent, denk ik dan. Op die manier doe je jezelf én je werkgever tekort.” 

Waarom? Eén baan is beter dan géén baan, zullen veel mensen denken.
“Natuurlijk snap ik dat er brood op de plank moet komen. Maar als je werk doet dat eigenlijk niet bij je past, waarvoor je je emotioneel in allerlei bochten moet wringen en dat je niet gelukkig maakt, houd je het op de lange duur niet vol. Bovendien kun je op die manier je talenten en vaardigheden niet optimaal benutten, en dus ook niet het beste van jezelf geven.” 

Wat maakt dat iemand wel of niet gelukkig is in zijn werk?
“Essentieel is dat je iets doet wat aansluit bij wie bent, en hoe je in het leven staat. Daar bedoel ik mee dat je er energie van krijgt en dat je je nuttig voelt. Verder willen mensen zich graag kunnen ontwikkelen in hun werk. En een positieve werksfeer en steun van collega’s en leidinggevenden zijn ook belangrijk.” 

Je hebt dat soort dingen toch niet altijd voor het uitkiezen?
“Meer dan je denkt! Maar dan moet je wel eerst van jezelf weten waar je goed in bent, waar je energie van krijgt, wat je belangrijk vindt en wat je van anderen nodig hebt om dat waar te maken. Als je dat snapt, kun je vervolgens dingen gaan veranderen. Daar help ik organisaties en teams bij. Met als doel zoveel mogelijk happy rebels te creëren. Zo noemen we medewerkers die weten wat ze kunnen en willen, en de durf hebben om daarnaar te handelen. Dat dat loont, blijkt wel uit het feit dat zij hun werkgeluk gemiddeld een negen geven.” 

Hoe pak je dat aan?
“Ik heb een speciale methode ontwikkeld, waarmee mensen aan de hand van praktische opdrachten veertig dagen aan de slag gaan met het thema werkgeluk, zowel individueel als in groepsverband. Onlangs heeft het personeel van een Groningse winkel dat bijvoorbeeld gedaan, maar ook een operatieteam van een ziekenhuis. Na afloop bleken de deelnemers hun passie en energie te hebben teruggevonden, en werkten ze beter samen.”  

Waarom veertig dagen?
“Omdat het gemiddeld zoveel tijd kost om gedrag te veranderen. Vandaar ook dat bijvoorbeeld trainingen op de lange duur meestal weinig effect hebben; ze beklijven niet.” 

Organisatieadviseurs zijn er te over. Wat maakt jouw aanpak anders?
“In plaats van te focussen op wat er allemaal mis is, laat ik mensen inzien wat er wél kan. Daarvoor maak ik gebruik van mijn kennis over positieve psychologie. Ik geloof heilig dat medewerkers prima in staat zijn om hun eigen werkgeluk te vergroten. Het enige wat ze nodig hebben, is een kaart en een kompas om van A naar B te komen. Die lever ik ze.”

Je bent 27 en zelf pas een paar jaar aan het werk. Waar haal je de wijsheid vandaan?
“Al tijdens mijn studie vond ik het frusterend om te zien dat zoveel mensen qua werk niet op de goede plek zitten. Of wel op de goede plek zitten, maar daar niet tot hun recht komen. Dat moet beter kunnen, dacht ik. Zo ontstond het idee voor mijn bedrijf. Uiteindelijk is daar mijn Rebel-methode uit voortgekomen.” 

Wat is je advies voor mensen die op dit moment naar een baan op zoek zijn?
“Veel werkzoekenden staren zich blind op vacatures en proberen hun CV daarop aan te passen. Mijn tip is om dat om te draaien. Breng eerst goed voor jezelf in kaart wat je belangrijk vindt in een functie, wat je te bieden hebt, waar je blij van wordt en voor wie je graag werkt. Zoek vervolgens een baan die daar zo goed mogelijk op aansluit. Beperk je niet tot vacatures in jouw studie- of werkgebied, durf breder te kijken. En wees trots op jezelf. Werkzoekenden hebben vaak de neiging om zich onderdanig op te stellen. Ze vinden dat ze dankbaar moeten zijn als iemand ze een baan wil geven. Volgens mij is het precies andersom. Een organisatie mag blij zijn als je voor ze wilt werken! Als je door zo’n andere bril naar de arbeidsmarkt gaat kijken, zul je zien dat er nieuwe kansen op je pad komen.” 

 

WIET OP RECEPT

16 Apr

Gepubliceerd in Margriet 16, april 2018

 

Minder misselijk door een kop wietthee. Nauwelijks pijn meer dankzij een paar druppels cannabisolie. Het gebruik van cannabis als ‘medicijn’ wordt steeds populairder. Sinds 2003 kan dat ook op recept. Wat is daar het voordeel van?

Wat is het verschil tussen medicinale cannabis en ‘gewone’ wiet? 

Medicinale cannabis — en de olie die ervan wordt gemaakt —  is alleen op recept verkrijgbaar. Je koopt het dus bij de apotheek. Het middel is dan gegarandeerd zuiver. Dat wil zeggen dat er geen pesticiden, zware metalen, schimmels of andere rommel in zitten. Bij een product van de coffeeshop of wietolie van de drogist weet je dat nooit zeker, zelfs als er bijvoorbeeld op staat dat het biologisch is. Niemand controleert dat namelijk. Verder is de samenstelling van medicinale cannabis altijd gelijk. Je kunt er dus op vertrouwen dat je daarmee, elke keer als je het gebruikt, dezelfde hoeveelheid actieve stoffen binnen krijgt. Dat maakt het medicinale effect beter voorspelbaar.

Bij welke aandoeningen kun je cannabis toepassen? 

Voor zover nu bekend, kan het middel geen ziektes genezen, maar wel klachten van bepaalde aandoeningen (en bijwerkingen van andere medicijnen) verminderen. Inmiddels is er voldoende wetenschappelijk bewijs dat cannabis (ook bekend als wiet of marihuana) werkt tegen: 

  • pijn, spierkrampen en spiertrekkingen bij Multiple Sclerose (MS) en ruggenmergschade;
  • misselijkheid, verminderde eetlust, vermagering en verzwakking bij kanker en aids;
  • misselijkheid en braken als gevolg van medicatie of bestraling bij kanker, hepatitis C of aids;
  • chronische pijn (vooral zenuwpijn, fantoompijn, aangezichtspijn of chronische pijn na gordelroos);
  • het syndroom van Gilles de la Tourette en
  • de oogziekte glaucoom, waarbij andere behandelingen niet helpen. 

Daarnaast zijn er steeds meer aanwijzingen dat cannabis een positief effect heeft bij onder andere de darmziekten colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn, epilepsie, jeuk, migraine, reuma, ADHD en hersentrauma. Maar de werking hierbij is minder hard bewezen.

Hoe gebruik je het?

Medicinale cannabis kun je op allerlei manieren gebruiken. Roken is de bekendste, maar zeker niet de  beste. Dat kan longbeschadigingen geven en keel-, neus- en longontsteking  veroorzaken. Er zijn genoeg alternatieven. Je kunt cannabis bijvoorbeeld eten (in koekjes of cake) of drinken (in de vorm van thee). Een andere mogelijkheid is het inhaleren met behulp van een verdamper. Misschien wel het populairst is het gebruik van cannabisolie, die je in je mond druppelt. 

Hoe komen apotheken eraan? 

Zij kopen gedroogde cannabisbloemen in bij het Bureau voor Medicinale Cannabis (BMC), onderdeel van het Ministerie van VWS. Dit bureau is verantwoordelijk voor de gecontroleerde productie. Er zijn vijf variëteiten verkrijgbaar (Bedrocan, Bedrobinol, Bediol , Bedica en Bedrolite), elk met een eigen samenstelling en sterkte. Van de bloemen kun je thee zetten (1 gram is voldoende voor 1 liter) of je kunt ze verwarmen en de damp inhaleren. Daar heb je dan wel een speciale vernevelaar of verdampingsapparaat voor nodig. Tot op heden is er maar één zo’n apparaat medisch goedgekeurd, de Volcano Medic.

Hoe weet je welke variant (mogelijk) voor jou geschikt is? 

Dat hangt van je klachten af en kun je het beste in overleg met je (huis)arts bepalen. Meestal is het een kwestie van proberen welke soort bij jou het beste resultaat geeft. Welke variant je ook kiest, het is sowieso belangrijk om de dosering langzaam op te bouwen. Gebruik een product tenminste twee weken om echt te kunnen beoordelen wat het met je doet.

Valt cannabisolie ook onder medicinale cannabis? 

De cannabisolie (ook wel wietolie of CBD-olie) die je zonder recept bij de drogist of op internet koopt niet. Daar zit namelijk geen duidelijke kwaliteitscontrole op. Uit recent onderzoek blijkt dat de samenstelling ervan erg kan variëren. Je weet dus feitelijk niet zeker wat je koopt, of wat het doet. Sommige apotheken maken zelf cannabisolie. Daarvan is de samenstelling en kwaliteit wél gegarandeerd. Desgewenst kan je eigen apotheek de medicinale olie bij een collega bestellen.

Schrijven artsen het middel vaak voor? 

Steeds meer. Vorig jaar verstrekten artsen 50.000 keer een recept voor medicinale cannabis. Dat aantal is in vijf jaar 400 procent toegenomen, blijkt uit cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen. Vooral cannabisolie op recept is aan een opmars bezig. Naar schatting gebruiken nu tussen de 8.000 en 13.000 Nederlanders medicinale wiet. Hoeveel mensen buiten de apotheek om cannabis of CBD-olie voor medisch gebruik kopen, is niet bekend.

Wat als je dokter je geen recept wil geven? 

Dat is lastig. Veel artsen hebben moeite met het voorschrijven van cannabis, omdat het nog geen geregistreerd medicijn is. Van goedgekeurde, geteste medicatie weten dokters wat ze kunnen verwachten, en wat de voor- en nadelen zijn. Hoewel er steeds meer bekend wordt over de werking van cannabis, is nog niet alles wetenschappelijk bewezen. Dat maakt artsen huiverig. Werkt je eigen dokter niet mee, dan kun je bij een ander een second opinion vragen.

Kan medicinale cannabis bijwerkingen geven? 

Als je grote hoeveelheden gebruikt, kun je bijvoorbeeld last krijgen van invloed op je stemming, slaapproblemen of hartkloppingen. Maar omdat een lage dosering meestal voldoende is, komen dit soort bijwerkingen in de praktijk relatief weinig voor. Om dezelfde reden raken patiënten die medicinale cannabis gebruiken zelden verslaafd. Belangrijk om te weten: cannabinoïden kunnen tijdelijk een sterk effect hebben op de hartslag en de bloeddruk. Patiënten met een historie van hart- en vaatziekten, of die hartmedicijnen nemen, moeten zich bij het gebruik van cannabis daarom goed laten begeleiden door een arts. 

Word je er ook high van? 

Dat hangt van de samenstelling af. In cannabis zitten verschillende werkzame stofjes, zoals tetrahydrocannabinol (THC, waar je high van wordt) en cannabidiol (CBD). Van varianten van met relatief weinig THC word je niet high, bij varianten met meer THC kan dat wel gebeuren. 

Wordt het middel vergoed? 

Voorheen vergoedden sommige zorgverzekeraars het gebruik (deels) vanuit de basis- of aanvullende verzekering, maar sinds afgelopen jaar zijn ze daar bijna allemaal mee gestopt. Verzekeraars willen eerst meer bewijs zien dat het echt werkt. Patiënten moeten het dus meestal zelf betalen. De kosten kunnen flink oplopen. Voor een potje met vijf gram medicinale cannabis van de apotheek betaal je tussen de € 45 en € 50. Dat is altijd nog goedkoper dan in de gemiddelde coffeeshop. Cannabisolie op recept kost € 42,50 voor een flesje van 10 milliliter.

Met medewerking van apotheker Annemieke Horikx, werkzaam bij het Geneesmiddel Informatie Centrum van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en biochemicus en cannabisonderzoeker Arno Hazekamp.

[Kader]

Pas op voor slaolie met een kleurtje

De cannabisolie van de drogist of internet is aanzienlijk goedkoper — gemiddeld tussen de € 15 en € 20 — dan die van de apotheek. Maar daarvan weet je nooit zeker wat erin zit. Cannabisonderzoeker Arno Hazekamp onderzocht 47 verschillende flesjes CBD-olie van de drogist. Bij ruim de helft bleek er iets anders in te zitten dan op het etiket stond. In zeven flesjes zaten helemaal geen werkzame stoffen. Het was feitelijk slaolie met een kleurtje. Uit andere studies blijkt dat de olie soms ook verontreinigd is, bijvoorbeeld met bestrijdingsmiddelen. Ook dat staat uiteraard niet op het etiket. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’ gaat dus niet altijd op. Laat je daarom goed voorlichten voor je cannabisolie zonder recept aanschaft. Het consumentenprogramma Radar besteedde in oktober vorig jaar aandacht aan het onderwerp. Je kunt de uitzending terugkijken op radar.avrotros.nl. 

Meer weten?

  • Op de website van het Bureau Medicinale Cannabis van het Ministerie van VWS kun je een brochure downloaden over de gezondheidseffecten van cannabis: cannabisbureau.nl/medicinale-cannabis/patiënteninformatie. 
  • Het Wetenschappelijk Informatiecentrum Cannabis geeft heldere informatie over hoe cannabis werkt, en welke keuzes je moet maken bij het gebruik ervan. wic-cannabis.org 
  • De Stichting Patiënten Groep Medicinale Cannabis Gebruikers (PGMCG) is een belangenvereniging voor en door patiënten die medicinale cannabis (willen) gebruiken. Op pgmcg.nl is veel informatie te vinden over toepassing en gebruik bij verschillende ziektebeelden. 

 

José Kuijpens (55) heeft al ruim vijftien jaar te kampen met chronische vermoeidheid en pijn. Na een jarenlange paracematolverslaving kan ze nu zonder pijnstillers. Dankzij de cannabisolie.  

“Mensen die wiet als medicijn gebruiken, worden vaak als verslaafden en losers bestempeld. Geheel onterecht. Kijk naar mij. Ik ben een doodnormale vrouw: echtgenote, moeder en voormalig medewerkster in de kinderopvang. Aan de buitenkant zie je er niets van dat ik cannabis gebruik; ik ben nooit high. Maar het zorgt er wel voor dat ik tenminste nog een beetje normaal kan functioneren. 

In 2002 kreeg ik last van allerlei vage klachten: slecht slapen, ernstige spierkrampen, nergens energie voor. Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), luidde de diagnose. Daar is geen behandeling tegen. ‘Waarom probeer je geen cannabis?’, opperde de huisarts. Ik was inmiddels zo wanhopig, dat ik overal voor openstond. Maar van het roken van joints werd ik vooral suf, dus stopte ik daar weer mee.

Ik modderde jaren door — op een gegeven moment slikte ik wel vijftien paracetamol op een dag — tot ik in 2013 op internet op CBD-olie stuitte. De druppels onder mijn tong hadden direct effect; de pijn was beter te verdragen, en ik had meer energie. Tot mijn opluchting voelde ik me er totaal niet stoned door. Toen ik twee jaar later bij een operatie zenuwschade in mijn lies opliep, bleek de cannabis een life saver; het is het enige wat een beetje werkt tegen de chronische zenuwpijn die ik nu bovenop de CVS heb. 

Helaas vergoeden verzekeraars medicinale wiet niet. De preparaten uit de apotheek zijn voor ons onbetaalbaar, dus verbouwen we de plantjes zelf. Mijn man bereidt er olie uit. Ook maakt hij cannabiszalf, tegen mijn reumatische klachten. Inmiddels weet ik precies hoeveel ik overal van nodig heb. 

Als gevolg van de pijn en vermoeidheid was mijn wereld heel klein geworden. Het voelde alsof mijn hoofd vol watten zat; alles ging langs me heen. Dankzij de cannabis heb ik mijn leven terug. Afgezien van een bloedverdunner, slik ik helemaal geen medicijnen meer. En hoewel ik altijd pijn heb en houd, maak ik weer contact met anderen, doe ik weer mee. Ik zou niet meer zonder kunnen.” 

 

Vijf jaar geleden was Marian Hutten (54) nog afgekeurd. Medicinale cannabis heeft haar leven veranderd; ze is nu volledig arbeidsgeschikt, en kan bijna alles weer.  

“Als kind had ik al veel last van astmatische bronchitis. Later ging dat over in COPD. Ik moest meerdere keren per dag puffers gebruiken tegen de benauwdheid. Desondanks kreeg ik regelmatig een longontsteking. Gemiddeld zat ik vier keer per jaar aan de antibiotica. En dan nog belandde ik regelmatig in het ziekenhuis. 

Na mijn 40ste kwamen er andere klachten bij: fibromyalgie, artrose, botontkalking en chronische pijn. Ik kreeg allerlei medicijnen, waaronder veel zware pijnstillers. Maar ik verdroeg ze allemaal even slecht; ik werd er misselijk en duizelig van, en ze gaven maag- en darmklachten, en problemen met mijn lever en nieren. Genoeg is genoeg, dacht ik vijf jaar geleden. In overleg met mijn huisarts en mijn specialist ben ik toen met alle reguliere medicijnen gestopt. Sindsdien gebruik ik alleen nog medicinale cannabis in verschillende vormen, zoals tinctuur, zalf en via verdamping. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld. En ik ben niet één keer meer in het ziekenhuis opgenomen geweest. 

Om hier te komen, heb ik wel een lange weg moeten bewandelen. Zo heb ik zes jaar bij mijn huisarts moeten zeuren voordat hij me medicinale cannabis wilde voorschrijven. Er is nog zoveel onwetendheid over, óók onder artsen. Vandaar dat Serge de Bruijn en ik 3,5 jaar geleden de Stichting Patiënten Groep Medicinale Cannabis Gebruikers hebben opgericht. Op onze website geven we veel — wetenschappelijk onderbouwde — informatie. Patiënten kunnen met al hun vragen bij ons terecht. Verder overleggen we veel met de overheid en medici om de kennis en acceptatie te vergroten. Na zijn jarenlange verzet belt mijn huisarts mij nu om advies te vragen! 

Maar we zijn er nog lang niet. Zo vergoeden zorgverzekeraars medicinale cannabis tegenwoordig bijna nooit meer, zelfs niet uit de aanvullende verzekering. Daardoor blijven veel patiënten die er baat bij hebben van het middel verstoken. Daar kan ik me echt boos om maken. We hebben dus nog een boel werk te verzetten.”

 

 

TE OUD OM TE GAAN HARDLOPEN?

16 Apr

M05 Vraag van de week hardlopen

Gepubliceerd in Margriet, januari 2018

Carola (57): “Ik wil graag beginnen met hardlopen, maar volgens mijn dochter ben ik daar te oud voor. Kan ik dit idee beter laten varen?”

Jeroen Bijman, sportfysiotherapeut bij Bijman+Helsloot Fysiotherapie in Purmerend, is bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de Sportgezondheidszorg (NVFS).

“Onderzoekers van de Amerikaanse Standford University School of Medicine volgden gedurende twintig jaar duizend 50-plussers. De helft van hen liep regelmatig hard, de andere helft niet. Wat bleek? De eerste groep kreeg gemiddeld zestien jaar later last van ouderdomsklachten, en overleed gemiddeld ook later. Verrassend genoeg hadden de hardlopers op hun oude dag niet meer last van gewrichtsklachten, en ook niet meer heup- of knieoperaties ondergaan. 

Je bent dus nooit te oud om te starten met hardlopen. Mits je het verstandig aanpakt. De meest gemaakte fout is dat beginners te snel te veel willen. Dan is het risico op blessures groot. Om het verstandig op te bouwen, heb je veel geduld nodig. Laat je niet gek maken omdat je bijvoorbeeld binnen een bepaalde tijd aan een bepaalde loopwedstrijd wilt meedoen. Dat is vragen om problemen. 

Als je voor het eerst gaat hardlopen, moet je je lichaam aan de bewegingen laten wennen, en het sterker maken. Dat door je door — stevig — te gaan wandelen. Pas als je dat probleemloos een uur volhoudt, kun je het rennen voorzichtig opbouwen. Twee keer per week een korte training, waarbij je de intensiteit heel langzaam uitbreidt, is meer dan voldoende. Om te weten hoe je dat het beste aanpakt, kun je een hardloopcursus doen. Dan leer je ook meteen een goede looptechniek. Als alternatief kun je een hardloopapp op je telefoon te gebruiken, bijvoorbeeld Hardlopen met Evi. Die is zowel geschikt voor absolute beginners als voor lopers met een ervaring. Nog een paar tips:

  • Laat vóór je met hardlopen begint een sportmedische keuring doen, zeker als je bijvoorbeeld rookt, wat te zwaar bent of hartproblemen in de familie hebt. Zorgverzekeraars vergoeden zo’n keuring soms (deels). Meer informatie vind je op sportzorg.nl. 
  • Als je net start, kun je prima op ‘gewone’ gympen lopen. Schaf eventueel wel naadloze sokken aan; die voorkomen blaren. Vind je het hardlopen leuk en wil je het verder uitbouwen, dan is het verstandig om je speciale hardloopschoenen te laten aanmeten. 
  • Een goede vuistregel voor het tempo is dat je tijdens het rennen nog een gesprek moet kunnen voeren met een (denkbeeldige) persoon naast je. 
  • Hardlopen met een vriendin of een groep is gezellig, maar het gevaar is dat dat je je aan het tempo van anderen aanpast. Dat vergroot de kans op blessures. Spreek dus af dat iedereen in zijn eigen tempo loopt. 
  • Rekken en strekken voor en na het hardlopen is niet nodig. Veel beter is om als warming up en cooling down voor- en achteraf vijf minuten stevig te wandelen.”

 

%d bloggers liken dit: