Archief | 09:05

HOOP DOET LEVEN

15 Mei

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 12 mei 2018 (Foto’s: Jaspar Moulijn)

Tien jaar geleden was Peter Smit (33) ernstig depressief en beschadigde hij zijn lichaam. Vandaag de dag heeft hij de allesoverheersende wanhoop achter zich gelaten, en helpt hij als ervaringsdeskundige psychiatrisch patiënten de regie over hun leven terug te krijgen. 

  • Naam: Peter Smit
  • Geboren: 9 september 1984 in Hoogezand-Sappemeer
  • Woonplaats: Emmen
  • Opleiding: MBO ICT, HBO Ervaringsdeskundige
  • Werk: werkt voltijd als ervaringsdeskundige in de psychiatrie
  • Privé: woont samen met zijn vriendin, hun hond Balin en hun twee katten Biruh en Misty.
  • Bijzonderheden: werd aangenomen bij het Korps Mariniers, maar besloot na twee maanden met de opleiding te stoppen

De littekens op zijn onderarmen zijn nog duidelijk zichtbaar. Witte lijnen en vlekken, die een dagelijkse herinnering vormen aan het verleden. De huid van de linkerarm is een wirwar van ontelbaar veel krassen, ingekerfd met messen, glasscherven of welk ander scherp voorwerp er ook maar voorhanden was. Op de rechterarm een haast sierlijk patroon van lichte vlekken, iets groter dan twee euromunten. Dat zijn de overblijfselen van de brandwonden die Peter Smit (33) zichzelf jarenlang toebracht. Tenminste, een deel ervan. De heftigste beschadigingen zijn operatief verwijderd, en met een huidtransplantatie van zijn been afgedekt. Hij schaamt zich er niet voor om zijn gehavende lijf aan de wereld te tonen. “Mijn littekens zijn onderdeel van mij en mijn verhaal”, zegt hij simpel.
Anders
Dat verhaal begint in het Friese Noordbergum, waar Smits vader dominee was. Het gezin — vader, moeder, Peter en zijn oudere zus — woonde in de pastorie, naast de kerk. Eind jaren ’80 telde het dorp een kleine 2000 inwoners. Dus toen bleek dat Smit ‘anders’ was dan de andere kinderen, waren de ogen al snel op hem gericht. “Ik snapte de wereld om me heen niet”, vertelt hij. “Op de basisschool liep ik daardoor vast. Het was net alsof ik door een andere bril keek. De rekentafels kreeg ik niet in mijn hoofd, terwijl ik alles wist van het heelal. Daar konden de juffen en meesters weinig mee. Ik voelde ook niet aan wat klasgenootjes van me verwachten. Wat voor hen vanzelfsprekend was, vond ik onbegrijpelijk. Ik had geen antenne voor hoe het hoorde, voor wat normaal was of niet. Gingen we belletje trekken, dan bleef ik staan terwijl de rest wegrende. Zo werd ik het sukkeltje van het dorp.”
Zijn leeftijdgenoten hadden al gauw door dat Smit van hen verschilde, en dus kwetsbaar was. Ze scholden hem uit, pakten zijn knikkers af, lieten hem niet meespelen. Dat werd nog erger toen hij op zijn zevende naar een lomschool in Leeuwarden moest. “‘Daar gaat de mongool’, riepen ze als ik ’s ochtends met een speciaal busje werd opgehaald.”
Gevaarlijk
Zijn liefhebbende ouders probeerden Smit zo goed mogelijk te helpen en te beschermen. Ze legden hem uit dat hij thuis in zijn eigen wereld kon leven, maar dat het aan de andere kant van de voordeur heel anders werkte. De boodschap die hij daar uithaalde was: buiten is het gevaarlijk. “Terwijl mijn klasgenoten in de pauze speelden, verzamelde ik stenen en scherven die ik zo nodig als wapen kon gebruiken als de chauffeur van het busje me zou ontvoeren, of iemand anders me kwaad zou doen.”
Ondertussen probeerde hij wanhopig om ‘normaal’ te zijn. Toen hij van zijn ouders vurig gewenste witte sportschoenen kreeg, wist hij het zeker: nu hoor ik erbij. Vol verwachting vertrok hij naar school, in de overtuiging dat hij overladen zou worden met complimenten. In plaats daarvan gingen de andere kinderen één voor één met hun vieze zolen op zijn nieuwe schoenen staan. “Hoe hard ik ook mijn best deed, het was niet genoeg. Ik snapte niet waarom; mijn verwachtingen klopten nooit met de werkelijkheid.”
Ook op de lomschool bleken ze Smit niet de hulp te kunnen bieden die hij nodig had. Op z’n elfde restte er niets anders dan dagbehandeling in een kliniek voor jeugdpsychiatrie. Daar kreeg hij in een huiselijke omgeving een jaar lang bijgebracht hoe het dagelijkse leven werkt. Dat je je jas ophangt en iemand een hand geeft als je binnenkomt, dat je stil bent als een ander voor het eten wil bidden, en dat je niet lacht als een klasgenoot pijn heeft of verdrietig is. Ook leerde hij op een andere manier te denken: oorzaak en gevolg scheiden, reflecteren, zich concentreren. “In praktische zin heb ik daar ongelofelijk veel aan gehad”, zegt hij. “Tegelijkertijd was dat jaar funest voor mijn zelfvertrouwen. Dat ik naar zo’n kliniek moest, was de ultieme bevestiging van mijn anders zijn. Toen ik er op mijn twaalfde vertrok, voelde ik me niets meer waard.”
Huisje, boompje, beestje
Het gezin verhuisde naar Emmen, waar Smit eerst naar het voorbereidend en later naar het middelbaar beroepsonderwijs ging. Met zijn nieuw verworven vaardigheden kon hij zich aardig staande houden. “Ik kom uit een familie van hoogopgeleide, succesvolle mensen met goede banen”, vertelt hij. “Daar wilde ik niet voor onderdoen. Ik meldde me bij het Korps Mariniers, in de hoop dat mensen me dan stoer zouden vinden. Maar na een paar weken wist ik al dat dat niets voor mij was. Later probeerde ik me te bewijzen door een vierjarige ICT- opleiding te doen volgen. Ook dat paste eigenlijk helemaal niet bij me.”
Al zijn keuzes draaiden om één ding: geaccepteerd worden. Het was ook de reden dat Smit op z’n 21ste samen met zijn eerste vriendin een huis kocht. Want huisje, boompje, beestje, zo hoorde het toch? “Achteraf was dat het slechtste wat ik kon doen”, zegt hij nu. “Ik raakte de stabiele, veilige omgeving van mijn ouderlijk huis kwijt. Bovendien dwong het samenwonen me om constant een rol te spelen. Op bezoek bij schoonfamilie, samen boodschappen halen: ik deed het omdat het van mezelf moest. Maar ik was steeds bang dat ik in de fout zou gaan, dat mensen me raar zouden vinden. Toch ploeterde ik voort. Want als ik dit ook niet tot een succes kon maken, wat bleef er dan nog voor me over?”
Dat voortdurend de schijn ophouden, eiste echter wel zijn tol. Smit werd kortaf en depressief. Zijn relatie begon scheuren te vertonen. Hij kwam veel aan, kreeg allerlei onverklaarbare lichamelijke klachten en moest zich steeds vaker ziek melden bij de computerwinkel waar hij werkte. Toen hij op z’n 23ste helemaal thuis kwam te zitten, ging het razendsnel bergafwaarts.
Pijn
Smit herinnert zich het moment als de dag van gisteren. Juni 2010 was het, toen hij een glas liet vallen. Bij het opruimen van de scherven sneed hij zich per ongeluk in zijn hand. “De pijn drong door al mijn verdoofde emoties heen. De wereld was voor mij één groot raadsel. Maar die pijn snapte ik wél. Hij paste bij de somberheid en boosheid in me. Wat een opluchting gaf dat. Het was het enige gevoel dat ik zelf onder controle had. Bovendien verdiende ik het als mislukkeling om te lijden, vond ik. Pijn was dus een passende straf.”
De dag na het incident wist Smit: die ontlading wil ik weer voelen. Hij begon zichzelf steeds vaker te beschadigen, vooral als de wanhoop de overhand kreeg. Het bleef overigens niet bij snijden; hij bracht zichzelf ook brandwonden toe, bijvoorbeeld door een paperclip in het vuur te houden tot die gloeiend heet was, en hem vervolgens op zijn huid te drukken. Zijn wonden verzorgde hij — zo goed en zo kwaad als het ging — zelf. “Op internet kun je alles bestellen, ook hechtdraad en
-naalden. Daarmee naaide ik de snijwonden dicht. Zonder verdoving uiteraard.”
Smit was in die periode in behandeling bij een psycholoog. Hij kwam daar regelmatig met z’n armen in het verband. De therapeut bood hem hulp, maar maakte hem ook verwijten. “Hij vond mijn zelfbeschadiging een vorm van aandachttrekkerij. Volgens hem probeerde ik de boel te manipuleren. Pas toen ik mezelf letterlijk aan stukken had gesneden en mijn vriendin mijn behandelaar in paniek opbelde, nam hij me serieus. Had hij dat eerder gedaan, dan had het vermoedelijk nooit zo ver hoeven komen.”
Vijfhonderd hechtingen
Smit werd opgenomen. Ondanks dat hij inmiddels twee zelfmoordpogingen had gedaan, kwam hij — tegen zijn zin — op een open afdeling terecht. “Voor mijn opname had ik scheermesjes onder de steunzool van mijn schoenen verstopt. Daarmee heb ik mijn polsen doorgesneden.”
Toen het bloed eruit gutste, raakte hij in paniek. ‘Hier zit ik niet op te wachten, ik zit net te eten’, verzuchtte de verpleegkundige bij wie hij zich totaal overstuur meldde. Ze bracht hem terug naar zijn kamer. “Pas na drie kwartier kwam er iemand om me naar de eerste hulp te brengen. Daar kreeg ik meer dan vijfhonderd hechtingen in mijn armen.”
Eén ding had hij met zijn wanhoopsdaad wel voor elkaar gekregen: hij mocht naar een gesloten afdeling. Maar ook daar lukte het hem om zichzelf te blijven beschadigen. “Dan vroeg ik bijvoorbeeld aan mijn ouders om een ringbandblok voor me mee te nemen, zodat ik wat kon schrijven. De spiraal gebruikte ik vervolgens om in mijn arm te kerven.”
De ommekeer kwam toen een nieuwe verpleegkundige haar intrede op de afdeling deed. Zij besloot het heel anders aan te pakken. “Ze vroeg me alle spullen waarmee ik mezelf pijn deed bij haar in te leveren, maar wel met de belofte dat ik ze altijd terug mocht vragen. Op het moment dat het me allemaal te veel werd, zocht ik haar op. ‘Kun je het nog even uitstellen?’, vroeg ze dan. Vaak lukte dat, soms niet. Dan sprak ik met haar af hoe lang ik mezelf zou  beschadigen. Daarna maakte ze me geen verwijten, maar vroeg ze me wat er was gebeurd dat ik het niet meer kon volhouden.”
Smit had in zijn leven al heel wat hulpverleners versleten. Maar door deze verpleegkundige voelde hij zich voor het eerst oprecht gezien en gehoord. “Zij is mijn redding geweest. Dankzij haar vond ik de moed om met mijn destructieve gedrag te stoppen.” Hij kreeg andere antidepressiva, waardoor hij snel opknapte. Voor de zekerheid werd hij — in overleg en op eigen verzoek — een maand lang 24 uur per dag in de gaten gehouden. Daarna mocht hij naar huis.
Gedaanteverandering
De acute crisis was weliswaar voorbij, maar daarmee waren de achterliggende problemen nog niet opgelost. Inmiddels was Smit alles kwijtgeraakt: zijn gezondheid, zijn baan, zijn vriendin, zijn huis en zijn geliefde katten. Onverzorgd en 170 kilo zwaar trok hij op z’n 28ste weer bij zijn ouders in. “Ik kon en durfde niets meer. Zelfs een brief posten was al te veel.”
Zijn alles overheersende minderwaardigheidsgevoel verlamde hem volledig. Uiteindelijk zou hij zichzelf dankzij de hulp van een begripvolle behandelaar langzaam terugvinden. “In heel kleine stapjes hielp hij me mijn leven weer op te bouwen. Vond ik dat ik naar Amsterdam moest kunnen, dan zei hij ‘loop eerst maar eens een rondje om het huis’.”
Na twee jaar hard werken was Smit er klaar voor om weer op zichzelf te gaan wonen. 75 kilo lichter, in een strak pak en medicijnvrij herkenden zijn oude hulpverleners hem nauwelijks terug. Ze vonden zijn gedaanteverandering zo inspirerend, dat ze hem vroegen of hij als ervaringsdeskundige — een zorgprofessional die spreekwoordelijke bruggen bouwt tussen hulpverleners en cliënten — bij hen wilde komen werken. Daarvoor moest hij dan wel eerst solliciteren en een tweejarige HBO-opleiding volgen.
“Ik stond op het punt om mijn psychiatrische verleden — inclusief het bijbehorende stigma — achter me te laten. Bovendien heb ik in de loop der jaren behoorlijk wat negatieve ervaringen met de GGZ gehad. Reden genoeg om de deur achter me dicht te trekken en nooit meer om te kijken, zou je denken. Maar na lang wikken en wegen ben ik toch op het aanbod ingegaan.”
De mogelijkheid om daadwerkelijk een verschil te kunnen maken gaf de doorslag. “Ik wil hulpverleners laten inzien dat cliënten vooral behoefte hebben aan erkenning, normalisering en menselijk contact. Dat weegt voor hen veelal zwaarder dan de therapieën, pillen en protocollen waar professionals vaak druk mee zijn. Herstellen lukt alleen als je de perspectieven van behandelaars en patiënten verenigt, en zo hun werelden samenbrengt. Ik vind het fantastisch dat ik daar nu een rol in kan spelen.”
Hoop
In 2014 begon Smit op kosten van zijn nieuwe werkgever aan zijn opleiding Ervaringsdeskundige in de zorg aan de Hanzehogeschool. Twee jaar later had hij zijn diploma en een baan op zak. Nu helpt hij hulpverleners om de belevingswereld van psychiatrische patiënten beter te begrijpen. “Het zit hem vaak in kleine dingen: nieuwsgierig zijn, een open houding hebben, de tijd voor iemand nemen, doorvragen. Daardoor voelen cliënten zich serieus genomen, en laten ze zich eerder helpen.” Behalve dat hij professionals adviseert, werkt hij ook met patiënten ze om de regie over hun leven terug te helpen terugkrijgen. “We hebben gedeelde ervaringen. Dat geeft een band en opent deuren.”
Voor Smit horen zijn suïcidale neigingen inmiddels tot het verleden. En na zijn opname heeft hij zichzelf ook nooit meer beschadigd. “Eind 2012 zat ik bij mijn ouders in een hoekje van de bank, 100 procent afgekeurd, mijn leven uitzichtloos. Nu werk ik voltijds. Ik kan andere mensen helpen, wat ik diep van binnen altijd al het wilde. Samen met mijn lieve vriendin heb ik net een huis gekocht. En als ik ’s avonds thuis kom, wachten er een hond en twee katten op me. Het allerbelangrijkste is dat ik op mijn 33ste eindelijk mezelf kan zijn, en daar nog trots op ben ook. Waarmee ik maar wil zeggen: er is altijd hoop.”

 

Advertenties
%d bloggers liken dit: