Archief | april, 2020

MAATWERK BIJ EEN PRIKKELBARE DARM

28 apr

Zelf je behandeling kiezen werkt jpg

Gepubliceerd in +Gezond, april 2020. Illustratie: Mirjam Borsjé.

Prikkelbaredarmsyndroom  — buikpijn en problemen met de ontlasting — kan je leven flink verzieken. Gelukkig zijn er verschillende behandelingen die de klachten kunnen verlichten. 

Prikkelbaredarmsyndroom, afgekort PDS, komt veel voor. Naar schatting lijdt één op de tien mensen eraan, twee keer zoveel vrouwen als mannen. De klachten — onder andere buikpijn en problemen met de ontlasting — ontstaan vaak in de puberteit en kunnen het hele leven aanhouden. PDS is weliswaar niet gevaarlijk, maar de impact ervan op het dagelijkse leven is groot. Sommige patiënten durven nauwelijks meer de deur uit.
Er is niet één duidelijke oorzaak voor PDS. De darm kan bijvoorbeeld te heftig of juist te traag bewegen, of overgevoelig zijn. Dat maakt de diagnose lastig. En daarmee ook de behandeling. De belangrijkste adviezen voor mensen met PDS zijn regelmatig en gezond eten, voldoende bewegen en stress vermijden. Zo nodig kunnen medicijnen helpen. Denk aan middelen tegen obstipatie of diarree of medicatie die krampen tegengaat. Soms vermindert een lage dosis antidepressivum de gevoeligheid van de dunne darm, waardoor de pijn afneemt. Helaas is vooraf niet te zegen welke behandeling bij wie het beste resultaat boekt.
“Tot een paar jaar geleden werd er veel aangerommeld”, stelt Marten Otten, maag-darm-lever-arts in medisch centrum De Veluwe in Apeldoorn. “Er was er geen eenduidige, simpele methode voor de begeleiding van PDS-patiënten. De huisarts en MDL-arts deden verschillende lichamelijke onderzoeken, zonder dat daar een duidelijke diagnose uitkwam. Vervolgens werden patiënten veelal zonder goede hulp naar huis gestuurd. Het gevolg: ze voelden zich onbegrepen. Bovendien bleven ze dikwijls met hun klachten zitten.”
Een nieuwe aanpak
Dat moet beter kunnen, dacht Otten. Samen met de Prikkelbare Darm Syndroom Belangenvereniging ontwikkelde hij daarom REDUCE PDS. Dat is een aanpak waarbij de MDL-arts, een gespecialiseerde MDL-verpleegkundige en de huisarts een PDS-patiënt samen  begeleiden. De patiënt krijgt uitgebreide informatie over elf mogelijke behandelingen, waarna hij of zij er zelf drie kiest om uit te proberen. (Zie kader.) Het meest populair zijn pepermuntoliecapsules, probiotica en het speciale FODMAP-beperkte dieet. Maar ook hypnotherapie en diverse medicijnen worden vaak gekozen.
Sinds de introductie in 2015 is ongeveer een kwart van de Nederlandse ziekenhuizen het REDUCE PDS-programma gaan gebruiken. Met succes. “We hebben wetenschappelijk onderzocht wat het in de praktijk oplevert”, vertelt Otten. “Wat blijkt? 72 procent van de patiënten vindt dat deze aanpak hun kwaliteit van leven verbetert. Ze zijn vooral tevreden over de begeleiding, het begrip, de acceptatie van PDS als lichamelijke zieke en het zelf mogen beslissen over de behandelingen.”
Eigen regie
Dat laatste is een belangrijk uitgangspunt van het programma. De gelijkwaardige relatie tussen patiënt en zorgverlener staat centraal. Zij wisselen informatie uit en komen samen tot een weloverwogen besluit. Op die manier krijgen patiënten meer inzicht in hun eigen situatie en vooral ook meer regie daarover. Dat vergroot de kans op succes.
Mooi meegenomen is dat er door de REDUCE PDS-methode minder inwendige darmonderzoeken nodig zijn. “Dat komt omdat gespecialiseerde professionals beter kunnen inschatten of zo’n scopie echt nodig is”, aldus Otten. “Bij de standaard aanpak van PDS krijgt één op de vier patiënten een darmonderzoek. Bij REDUCE PDS is dat één op de zeven. Het betekent minder heftige ingrepen voor de patiënt en minder mogelijke complicaties.”
Tot slot wil Otten graag nog iets kwijt over de veelgehoorde opmerking dat de PDS vast ‘tussen de oren’ zit. “Onzin”, betoogt hij. “Omdat de hersenen van PDS-patiënten extra alert zijn voor wat er in de darmen gebeurt, kan stress de klachten wel verergeren. Maar dat maakt ze niet minder echt. PDS is een serieuze ziekte, die om een serieuze aanpak vraagt. Met REDUCE PDS bieden we die.” 

HOE WERKT REDUCE PDS?

Stap 1
Als de huisarts PDS vermoedt, kan die een patiënt doorverwijzen naar de MDL-arts. Een in PDS gespecialiseerde MDL-verpleegkundige voert een intakegesprek en laat zonodig aanvullend onderzoek doen. Vervolgens bespreken de MDL-arts en de verpleegkundige hun bevindingen met de patiënt. 

Stap 2
Tijdens een voorlichtingsgesprek geeft de verpleegkundige uitleg over PDS en bespreekt ze de elf behandelopties met de patiënt. Vervolgens kiest die zelf welke drie zij (onder begeleiding van de huisarts) wil gaan volgen. 

Stap 3
De patiënt probeert de drie gekozen behandelingen na elkaar ieder twee maanden uit, om zo te ontdekken welke aanpak voor haar het beste werkt. Tussentijds overlegt ze met de huisarts over de resultaten. 

Stap 4
Na de verschillende behandelingen te hebben geprobeerd, besluit de de patiënt in overleg met de huisarts of ze met een of meerdere daarvan wil doorgaan. Als geen van de behandelingen heeft gewerkt, verwijst de huisarts haar terug naar de specialist en de MDL-verpleegkundige.

Meer informatie: pdsb.nl/reduce.

UIT WELKE MOGELIJKHEDEN KUN JE BIJ REDUCE PDS KIEZEN? 

Voorlichting
Het klinkt als een open deur, maar lang niet alle patiënten krijgen goede uitleg over wat PDS precies is. Volgens MDL-arts Otten kan uitgebreide voorlichting al een wereld van verschil maken. “Als patiënten beter snappen wat er in hun lichaam gebeurt en dat PDS niet gevaarlijk is, geeft dat veel rust. Dat maakt het voor hen makkelijker om met hun klachten te leven.” 

Voeding
Ongeveer 70 procent van PDS-patiënten merkt dat bepaalde voedingsmiddelen hun klachten verergeren. Een speciaal dieet kan dan helpen. 

  • Eliminatiedieet
    Het is vaak lastig om er zelf achter te komen welk voedsel precies problemen geeft. Een diëtist kan dan helpen om stapje voor stapje voedingsmiddelen (vlees, vet, kaas, vruchten, groentes, kool, ui, melk) uit het dieet te schrappen. Dat heet een eliminatiedieet. De patiënt houdt een dagboekje bij om te zien wanneer de klachten wel of niet verminderen. 
  • FODMAP-beperkte dieet
    Een variant op het eliminatiedieet is het zogenaamde FODMAP-dieet. De afkorting FODMAP is een verzamelnaam voor verschillende voedingssuikers en koolhydraten. Ze zitten vooral in vloeibare zuivel, tarwe en bepaalde soorten groenten en fruit. Bij PDS-patiënten is de dunne darm vermoedelijk niet in staat om sommige van die stoffen op te nemen. Als ze vervolgens onverteerd in de dikke darm belanden, breken ze bacteriën alsnog razendsnel af. Daarbij produceren die gas, dat een opgeblazen gevoel en pijn kan veroorzaken. Bij het FODMAP-beperkte dieet vermijdt een patiënt zes weken alle voedingsmiddelen met FODMAP’s erin. Als de klachten in die tijd afnemen, voegt ze daarna elke week weer een groep van de ‘verboden’ producten toe en kijkt ze hoe haar lichaam reageert.

Hypnotherapie
Al decennialang is bekend dat mensen met ernstige PDS veel baat kunnen hebben bij hypnotherapie. De behandeling geeft ze de mogelijkheid om hun darmen op een ontspannen manier te laten werken. Ook de beleving van pijn kan door hypnotherapie veranderen. Stel dat een PDS-patiënte last heeft van ernstige obstipatie. Dan roept een hypnotherapeut bijvoorbeeld het beeld op van een snelstromende rivier en vraagt haar dat in haar darmen over te nemen. Bij een patiënte met buikpijn kan hij een beeld gebruiken van warme of koude doeken om de darmen om de pijnprikkels te dempen. Net wat zij het prettigst vindt. De suggesties die de therapeut op die manier creëert, brengen bij patiënten lichamelijke reacties teweeg die de klachten kunnen verminderen. Uit onderzoek van het UMC Utrecht is gebleken dat dat bij ongeveer de helft van de patiënten gebeurt. 

BACTERIËN
De samenstelling van de darmbacteriën is bij PDS-patiënten anders is dan bij mensen zonder PDS. Sommige van die bacteriën maken zuren aan, die de darmwand kunnen irriteren. Hoe meer van deze zuren in de ontlasting zitten, hoe erger de klachten van een PDS-patiënt. Andere bacteriën lijken juist een beschermend effect te hebben bij PDS. De belangrijkste zijn: Lactobacilli, Bifidobacteria en Enterobacteriaceae. Deze bacteriën worden vaak gebruikt in probiotica. Dat zijn  producten die grote hoeveelheden nuttige melkzuurbacteriën bevatten. Helaas weten artsen nog niet welk probioticum voor welke PDS-patiënt het meest geschikt is. Het is dus een kwestie van uitproberen of en zo ja welk probioticum de klachten vermindert. 

MEDICATIE DIE OP DE DARMEN WERKT

  • Antibiotica
    Net als probiotica kunnen ook antibiotica de samenstelling van de darmbacteriën beïnvloeden. Uit een groot Amerikaans onderzoek uit 2011, waarbij 1200 PDS-patiënten een 14-daagse antibioticumkuur kregen, bleek dat bij vier op de tien de klachten meerdere maanden afnamen. Van de patiënten die een placebo kregen, hadden er drie op de tien minder klachten.  
  • Pepermuntolie
    Het laatste wetenschappelijke inzicht is dat pepermuntoliecapsules de spierspanning van het spierweefsel in de darmen kunnen verminderen. Daardoor werken ze krampwerend en dempen ze pijnprikkels. Kies wel voor gecoate capsules. Die vallen niet in de maag, maar pas verderop in de dunne darm uiteen. Dat is van belang om bijwerkingen als zure oprispingen tegen te gaan.
  • Spasmolitica
    Ook deze geneesmiddelen verslappen de spieren van het maagdarmkanaal. Omdat ze over het algemeen snel werken, hoeven patiënten ze alleen te gebruiken als ze een pijnaanval hebben. 
  • Iberogast
    Dit is een vrij verkrijgbaar geneesmiddel, dat bestaat uit een mengsel van 9 kruidenextracten (bittere scheebloek, kamillebloemen, zoethoutwortel, pepermuntblad, citroenmelisseblad, grote engelwortel, stinkende gouwe, karwijzaad en zaad van de mariadistel). Hoe het precies werkt, is niet bekend. Mogelijk beïnvloedt ook dit middel de spiercellen in het maagdarmkanaal. 

ANTIDEPRESSIVA
In een heel lage dosering kunnen antidepressiva de gevoeligheid van de dunne darm en de pijnprikkels uit de buik verminderen. Een arts schrijft dit soort middelen bij PDS dus nietvoor omdat hij denkt dat een patiënt depressief is of omdat hij gelooft dat het probleem tussen de oren zit, maar omdat de medicijnen ook een andere werking hebben. Nadeel is wel dat het zes tot acht weken kan duren voor ze — mogelijk — gaan werken. 

 

LEVENSLESSEN VAN JURIST SASKIA PETERS

27 apr

Schermafbeelding 2020-04-27 om 14.23.35

Gepubliceerd in Trouw, 25 april 2020. (Foto: Merlijn Doomernik.)

Hoogleraar arbeidsrecht Saskia Peters maakt zich zorgen over de toenemende ongelijkheid op de arbeidsmarkt. Ze hoopt dat de coronacrisis de hervormingen in een stroomversnelling brengt. 

Les 1: Met een tweelingzus ben je nooit alleen
“Ik ben zeven minuten ouder dan mijn eeneiige tweelingzus Faustina. Onze ouders — mijn vader was conrector en docent klassieke talen op een middelbare school, mijn moeder huisvrouw en later medisch secretaresse — hadden hun handen vol aan ons. Mijn moeder noemde ons ‘het blok’, want we trokken altijd samen ook, vaak ook tegen hen. Misschien dat het daarom bij twee kinderen bleef.
Behalve mijn beste vriendin was Faustina ook mijn grote concurrent. En we werden natuurlijk veelvuldig met elkaar vergeleken. Dat was niet altijd leuk. Ik heb er een enorme territoriumdrift aan overgehouden; thuis en op het werk moet iedereen van mijn persoonlijke spullen afblijven. Toch waren — en zijn — we onafscheidelijk. We gingen samen op kamers, samen op voetbal, samen rechten studeren. Pas daarna maakten we ons langzaam een beetje van elkaar los. Ik heb echt moeten leren om alleen te zijn. Nog altijd hebben Faustina en ik bijna dagelijks contact. Als we elkaar een tijdje niet zien, voel ik een fysiek gemis. Met de coronacrisis is dat extra zwaar. Begin deze maand waren we jarig. Toen kwam mijn zus, die raadsheer is in Den Haag, toch naar me toe. Alleen, zonder haar gezin. Met gepaste afstand hebben we het samen gevierd. Naast Erik is zij de belangrijkste persoon in mijn leven.” 

Les 2: In de natuur kom je tot jezelf
“Ik ben opgegroeid in Nes aan de Amstel. Als kind keek ik vanuit het zolderraam naar de boerderijen en dacht: daar wil ik wonen. Maar door mijn werk belandde ik met mijn partner Erik — die nota bene van een boerderij komt — eerst in Nijmegen en daarna in Haarlem, met alleen een dakterras. Ik voelde me er opgesloten. Dus toen ik de kans kreeg om hoogleraar in Groningen te worden, wisten we meteen dat we echt buiten wilden wonen. We vonden ons droomhuis aan de rand van een bos in Drenthe, bij het stroomdal van het Zeegserloopje. De eerste keer dat we het zagen, vielen we elkaar in de armen. We wonen op 1,25 hectare, met een eigen vennetje en een stuk moerasbos, omringd door stuifzandgebieden en veenplassen. Het is de hemel op aarde, ik kom hier helemaal tot rust. Een ideale plek om ver weg van iedereen te zijn; er zijn hier meer dieren dan mensen. Jammer dat ik mijn ouders hier nu niet naartoe kan halen. Mijn vader is al in de tachtig en heeft een kwetsbare gezondheid. Uiteraard maak ik me zorgen om hen. Ter compensatie van de afwezigheid deel ik in onze whatsapp-groep veel filmpjes met mijn zus en ouders. Zo kunnen ze meekijken als bijvoorbeeld de reeën hier door de tuin hollen.”

Les 3: Hoe je werkt, bepaalt hoe je leeft
“Als puber wilde ik naar de politieacademie, maar ik kwam niet door de selectie. In plaats daarvan koos ik voor rechten. Al snel werd ik gegrepen door arbeidsrecht. Het mooie van mijn vak is dat het niet alleen over regels gaat, maar vooral ook over hoe je de maatschappij organiseert. Op welke manieren werken mensen? Hoe zijn ze daarin beschermd? Dat bepaalt hoe ze wonen, hoe ze leven, hoe ze hun gezinnen inrichten. Op een hoger niveau gaat arbeidsrecht over verschillen tussen arm en rijk, tussen mensen met en zonder kansen. Over welke samenleving we met z’n allen willen vormen, kortom. Die meer filosofische kanten van het vak vind ik mateloos interessant.” 

Les 4: Alle werkenden verdienen bescherming
“Al vóór de coronacrisis maakte ik me zorgen over de arbeidsmarkt. Door de flexibilisering — het toenemende aantal tijdelijke contracten, payrollers en zzp’ers — staat het systeem steeds meer onder druk. Want hoe organiseer je arbeidsrecht buiten een arbeidsovereenkomst om? Het model  dat we de afgelopen decennia hebben opgetuigd, past niet meer bij de werkelijkheid van nu. Als hoogleraar in vaste dienst ben ik arbeidsrechtelijk optimaal beschermd, met recht op loondoorbetaling bij ziekte, zo nodig een werkloosheidsuitkering en een goed aanvullend pensioen. Terwijl kwetsbare werkenden, vaak lager opgeleid en hoppend van het ene naar het andere tijdelijke contract of opdracht, géén beroep op dat soort beschermende maatregelen kunnen doen. Je ziet nu ook in de coronacrisis dat veel werknemers met een flexcontract tóch worden ontslagen, ondanks de ruime loonsubsidie die werkgevers van de overheid krijgen. Vandaar dat het stelsel mijns inziens fundamenteel op de schop moet.”

Les 5: Gelijkheid en solidariteit op de arbeidsmarkt zijn zoek
“Om te beginnen moeten we de inkomensvoorziening bij ziekte of arbeidsongeschiktheid meer gelijktrekken. Ik ben dus voor een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers. Maar ook voor mensen in vaste dienst moet het anders. Een werkgever is nu verplicht om hen bij ziekte twee jaar — deels — door te betalen. Bovendien draait hij op voor de re-integratie. Dat maakt een vast arbeidscontract onevenredig duur. Best begrijpelijk dus, dat werkgevers die financiële last waar mogelijk proberen te omzeilen en hun heil zoeken in tijdelijk en flexwerk.
De  werkgeversverplichtingen bij ziekte mogen kortom wel wat minder. Net als de ontslagbescherming trouwens. Ik weet het, geen populaire boodschap. Maar in vergelijking met andere Europese landen is die bescherming hier echt heel groot. Ook dat maakt een langdurige arbeidsovereenkomst voor werkgevers minder aantrekkelijk. Als we deze twee dingen anders organiseren, wordt loondienst goedkoper en minder risicovol. Dan zal je zien dat meer mensen een vaste baan krijgen.”  

Les 6: Een crisis vergroot problemen uit
“Stiekem hoop ik dat de coronacrisis de hervorming van de arbeidsmarkt gaat versnellen. Het is nu duidelijker dan ooit dat zowel werknemers als zelfstandigen goede inkomensbescherming nodig hebben. Voor hun eigen belang én dat van de samenleving. Laat deze ervaring leiden tot  meer solidariteit tussen werkenden. Trouwens ook tussen zelfstandigen onderling. De ‘sterken’ onder hen, die graag hun eigen boontjes doppen, moeten bereid zijn een deel van hun vrijheid op te geven, ten gunste van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zo kunnen ze hun ‘zwakkere’ broeders helpen om de broodnodige inkomensbescherming te krijgen.”

Les 7: Word baas van je eigen tijd
“Bijna een miljoen Nederlanders worstelen met stressgerelateerde klachten. Burn-out is beroepsziekte nummer één. Ook dat zegt iets over hoe we arbeid regelen. Onze arbeidsproductiviteit is gigantisch hoog. Tegelijk missen veel mensen de regie over hun werk. Dat is een giftige combinatie. Helemaal als je, zoals flexwerkers en zzp’ers, ook nog onzeker bent over je inkomen.
In geringe mate heb ik dat zelf ondervonden toen ik jaren geleden bij een advocatenkantoor aan de slag ging. Ik had niet zozeer moeite met de hoeveelheid werk — in mijn huidige baan maak ik meer uren — als wel met het gebrek aan vrijheid. Verplicht op kantoor zitten, de dossiers op je bureau die bepalen wat je doet, presteren onder hoge tijdsdruk: ik voelde me aan alle kanten ingeperkt. Mega stressvol. Reden genoeg om voor een carrière in de wetenschap te kiezen. Als ik nu overdag wil hardlopen omdat de zon schijnt, haal ik dat ’s avonds of in het weekend wel weer in. Dankzij die autonomie kan ik veel meer aan.”

Les 8: Geef medewerkers vertrouwen
“Kortom: hard werken is niet erg, zolang dat maar in vrijheid kan. Op dat terrein valt er nog een wereld te winnen. Tegen werknemers zeg ik: maak duidelijke afspraken over wat jou het beste past. Bijvoorbeeld een thuiswerkdag. Dankzij de coronacrisis weten we dat dat vaak best kan. Natuurlijk realiseer ik me dat niet iedereen dit soort eisen aan zijn baas kan stellen. Vandaar dat ik mijn oproep ook aan werkgevers doe: gun je medewerkers wat vrijheid! Thuis werken mensen — zonder afleiding van collega’s en kantoortuin — vaak veel efficiënter. Bovendien is het een vorm van erkenning: je vertrouwt erop dat je personeel het daar óók goed doet. Als we meer van dat soort afspraken kunnen maken, wint iedereen. Want stressgerelateerd verzuim kost de maatschappij handenvol geld.”

Les 9: Een dag niet gesport is een dag niet geleefd
“Eigenlijk is mijn leven heel overzichtelijk: ik werk of ik sport. Beide doe ik dagelijks. Erik en ik zijn niet alleen partners, ook sportmaatjes. Door hem ben ik gaan mountainbiken, door mij is hij gaan windsurfen. Jarenlang reden we iedere zomer met een Volkswagenbusje vol surfplanken door Europa, op zoek naar de beste spots. Tegenwoordig sporten we vooral op en rond ons eigen land. Erik heeft daar een fantastisch mountainbikeparcours aangelegd, inclusief een starttoren van vijf meter hoog, bruggetjes, schansen en pumptrack. Niets fijners dan om fysiek bezig te zijn in de natuur. Zo maak ik mijn hoofd leeg. Door deze crisis kan ik helaas niet naar de sportschool voor mijn krachttraining. Gelukkig heeft Erik daar iets op verzonnen. Van een surfmast heeft hij een halter voor me gemaakt. Plakken van een boomstam vormen de gewichten van tien en vijftien kilo. Zo kan ik mijn spieren ook in quarantaine blijven trainen.” 

Les 10: Laat je niet door angst regeren
“Mijn moeder was vroeger heel bezorgd over ons; ze zag overal gevaren. We mochten bijvoorbeeld niet paardrijden, want stel dat we zouden vallen. Daarom was ik als meisje best voorzichtig. Het sporten heeft me echt veranderd; ik zoek daarin steeds de grenzen op van mijn kunnen. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd. Dat ik best met mijn mountainbike van een schans kan springen, bijvoorbeeld. En dat ik ook met een blessure kan blijven trainen, zij het op een andere manier. Dat vertrouwen werkt door in de rest van mijn leven. Voor een nieuwe baan naar de andere kant van het land verhuizen? We waagden het erop. Want de veilige optie is comfortabel, maar brengt je zelden verder.” 

[Kader]
Hoogleraar arbeidsrecht prof. mr. Saskia Peters (Nes aan de Amstel, 1972) studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit en promoveerde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daar was ze ook enige tijd universitair docent. Ze werkte vijf jaar als wetenschappelijk medewerker en als advocaat bij AKD in Eindhoven en Amsterdam, voor ze terugkeerde naar de UvA, nu als hoofddocent Arbeidsrecht. In 2013 werd ze hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daar zette ze een nieuwe masterspecialisatie arbeidsrecht op. Gemiddeld is ze drie dagen per week met onderwijs bezig. De rest van haar tijd besteedt ze aan commissiewerk voor de faculteit, onderzoek en nevenfuncties. Peters woont samen met haar partner, ingenieur Erik Tober, in Drenthe. 

 

LEVENSLESSEN VAN CORRESPONDENT TIM DE WIT

20 apr

Schermafbeelding 2020-04-18 om 17.05.54

Gepubliceerd in Trouw, 18 april 2020. Foto: Joël van Houdt.

Groot-Brittannië-correspondent Tim de Wit heeft sinds 2005 de ziekte van Crohn. Ondanks de grote impact van de darmziekte op  zijn leven, laat hij zich daar niet door beperken. Integendeel. “Met de coronacrisis moet ik extra voorzichtig zijn. Maar dat ben ik altijd al.”

1 Correspondent ben je dag en nacht
“Mijn leven draait om het nieuws. Na het opstaan zet ik meteen het programma ‘Today’ op BBC Radio 4 aan, een soort Radio-1-journaal. Daarna lees ik zoveel mogelijk kranten op mijn iPad en check ik Twitter. Dan beginnen de telefoontjes. Ik overleg eindeloos veel. Bijvoorbeeld met de redacties van de NOS en Trouw over wat ik met bepaalde onderwerpen wil doen. Dan ga ik op pad voor reportages, doe ik zo nodig live verslag op radio en tv en schrijf ik stukken voor de krant.
Sinds 2009 heb ik op drie buitenlandse posten gezeten: in Zuid-Afrika, Duitsland en nu Groot-Brittannië. Een ware achtbaan. Het correspondentschap is de mooiste baan ter wereld, maar wel één die je hele leven in beslag neemt. Aan de brexit heb ik het afgelopen jaar zo’n beetje dag en nacht gewerkt. Het liet weinig ruimte in mijn hoofd voor andere dingen. Ik begin die verdieping echt te missen.”

2 Niets leuker dan verhalen vertellen
“Als kleine jongen maakte ik krantjes over onze familieweekenden. En tikte ik op een elektrische typemachine stukjes voor het blaadje van mijn voetbalclub. Toen al vond ik niets leuker dan anderen deelgenoot te maken van mijn ervaringen en gedachten. Toch was het niet vanzelfsprekend dat ik naar de School voor Journalistiek ging. ‘Weet je hoeveel journalisten er in mijn kaartenbak zitten, zei mijn vader, die bij de gemeente Amsterdam langdurig werklozen aan een baan hielp. Op zijn aandringen ging ik economie studeren.
Wat doe ik hier, dacht ik tijdens een werkbezoek aan een grote bank. Het geneuzel met statistiek en economische modellen was niets voor mij. Tijdens het kerstdiner vertelde ik mijn ouders dat ik alsnog journalistiek wilde doen. Als ik door het toelatingsexamen zou komen, zouden ze me steunen. Met zo’n vijfhonderd aspirant-studenten maakte ik dat in sportcomplex Vechtsebanen in Utrecht. Ik weet nog dat ik ook een essay moest schrijven over toenmalig burgemeester Bram Peper, die het jaar ervoor zijn bonnetjesaffaire had gehad. Toen de uitslag van het examen kwam, bleek ik als vijfde te zijn geëindigd. Daar kon ik mee thuiskomen.”

3 Kijk eens met de ogen van een ander
“Op de School voor Journalistiek leerde ik het handwerk: schrijven, presenteren, monteren. Heel waardevol, maar ik miste toen al die diepgang, duiding over hoe de wereld in elkaar zit. Daarom besloot ik, toen ik na mijn studie bij radioprogramma ‘Langs de lijn’ kon beginnen, tegelijkertijd een voltijd master Internationale Betrekkingen te doen. Als onderdeel daarvan ging ik zes maanden studeren aan de University of Western Cape in Kaapstad, in 1960 opgericht voor ‘kleurlingen’. Ik was een van de negen witte studenten.
Die ervaring opende mijn ogen. De blik waarmee Afrikanen naar Europeanen – hun voormalige kolonisators – kijken is zó anders dan waarmee we dat zelf doen. Ineens realiseerde ik me hoezeer je eigen perspectief je blik op de wereld bepaalt. En in wat voor beschermde bubbel ik tot dan toe had geleefd. Het versterkte mijn drang om anderen te begrijpen en hun verhalen te delen. Juist ook van mensen die ver van me afstaan. Neem de brexiteers, mensen die weg wilden uit de EU. Je kunt hen afdoen als domme populisten, of proberen ze te snappen.”

4 Tegenslag kan ook kracht geven
“In juni 2006 vertrok ik naar Zuid-Afrika, en in september werd ik doodziek. De steken in mijn buik waren zo heftig, dat ik letterlijk dubbelklapte van de pijn. En ik moest heel vaak naar het toilet. ‘Heimwee’, constateerde de universiteitsdokter. Van de kalmeringspillen die hij me gaf, sliep ik prima, maar de pijn bleef. De weken erna raakte ik volledig uitgeput. In razend tempo viel ik 18 kilo af. Op een vrijdagmiddag kon ik niet meer en liet ik mijn bloed prikken. Mijn ontstekingswaarde, die normaal onder de 10 ligt, was 393.
Met spoed meldde ik me bij een privékliniek — het voorrecht van een blanke buitenlander. ‘We kennen uw Nederlandse zorgverzekering niet’, zeiden ze daar. Ik kon praten als Brugman, maar ze wilden me niet opnemen. Toen ik in paniek mijn ouders belde, was mijn beltegoed binnen een minuut op. Uren later wisten zij te regelen dat mijn zorgverzekeraar een fax naar het Zuid-Afrikaanse ziekenhuis stuurde, met een garantstelling voor de kosten. Pas daarna ging de deur voor me open. Ik denk deze dagen, waarin het coronavirus ook razendsnel door de Zuid-Afrikaanse townships waart, regelmatig aan die ervaring terug. Wat een luxe dat de zorg in Nederland zo goed is geregeld. En dat nooit iemand in nood om financiële redenen wordt weggestuurd.
De ochtend na mijn opname in het ziekenhuis werd ik geopereerd. Ik bleek de ziekte van Crohn te hebben: een chronische darmontsteking met buikpijn, diarree en vermoeidheid als belangrijkste klachten. Toen ik de ziekte vanuit mijn ziekenhuisbed googelde – iets wat ik iedereen met klem afraad – schrok ik me rot. Ik las verhalen van mensen die niet meer konden werken. Op mijn 25ste zag ik mijn toekomst in een keer instorten. Zou ik mijn journalistieke dromen nog kunnen waarmaken? Zouden vrouwen nog met me durven zijn?
Gelukkig vond ik in Kaapstad een specialist met veel kennis van crohn. Hij gaf me heldere uitleg en schreef me azathioprine voor, een relatief licht crohn-medicijn, dat de ontsteking onderdrukt. Het middel werkt bij mij uitstekend. In 2011 heb ik nog een keer een heftige opvlamming gehad. Toen is 25 centimeter van mijn dunne darm operatief verwijderd en ben ik er ruim vier maanden uit geweest. Sindsdien kan ik mijn klachten goed managen.
Mijn ziekte heeft me veel ellende gebracht, maar óók een ongekende kracht en doorzettingsvermogen in me losgemaakt. Zodra ik uit het ziekenhuis kwam, besloot ik: dit gaat mijn leven niet dicteren. Misschien ben ik dankzij mijn ziekte juist wel extra ver gekomen.”

5 Je bent meer dan je ziekte
“Het eerste wat ik deed toen ik na mijn laatste operatie wakker werd, was op mijn buik voelen of ik een stoma had. Dat leek me vreselijk. Er kleeft nog altijd een taboe aan alles wat met ontlasting te maken heeft. Als ik eerlijk ben, vind ik het ook best spannend om zo open over mijn ziekte te vertellen. Normaal praat ik er zelden over. Van mijn opdrachtgevers weet slechts een handjevol mensen ervan. Met daten – ik ben single – is het ook ongemakkelijk. Want wanneer breng ik mijn crohn bij een vriendin ter sprake? Zeker in het begin maakte ik dat in mijn hoofd heel groot. Gelukkig is mijn onzekerheid hierover in de loop van de jaren afgenomen. Vooral omdat in de praktijk nog nooit iemand vervelend heeft gereageerd. Door mijn verhaal nu alsnog breder te delen, hoop ik anderen met een chronische aandoening moed in te spreken. Je bent je ziekte niet.”

6 Onvoorspelbaar werk vereist balans in je leven
“Hoewel ik niets voor mijn ziekte laat, is die wel altijd aanwezig. Ik leef zo gezond en regelmatig mogelijk, met voldoende beweging en slaap en weinig alcohol. Met mijn onvoorspelbare werk is dat trouwens knap lastig; ik ben voortdurend op zoek naar balans in mijn leven.
Het ingewikkeldste vind ik dat mijn darmen onaangekondigd kunnen opspelen. Dan moet ik snel naar het toilet kunnen. Waar ik ook naartoe ga, daar houd ik constant rekening mee. Ik heb een tijd in Oost-Londen gewoond. Van daar uit was het zeven metrohaltes naar mijn kantoor. Al snel wist ik bij elke halte waar de dichtstbijzijnde wc was, in een hotel of café. Die stress draag ik altijd bij me. Het was een belangrijke reden om naar het – belachelijk dure – centrum van Londen te verhuizen.
Nu met corona zorg ik nog beter voor mezelf dan anders. Door mijn afweeronderdrukkende medicijnen behoor ik tot de risicogroep. Al sinds half februari, toen de meeste Britten het virus nog niet erg serieus namen, trof ik voorzorgsmaatregelen. Door onderweg veelvuldig desinfecterende handgel te gebruiken en mijn schoenen bij thuiskomst met een alcoholspray te ontsmetten. Mondkapjes heb ik geprobeerd, maar als ik daardoor praat, beslaat mijn bril. Sowieso zit ik sinds begin maart in zelfopgelegde quarantaine. Bang om ziek te worden ben ik niet echt. Ik voel me al zo’n tijd goed dat ik erop vertrouw dat mijn immuunsysteem het aankan.”

7 Niets verbroedert zo als sport
“Sinds mijn vader me op mijn vijfde voor het eerst meenam naar een voetbalwedstrijd van Ajax, ben ik idolaat van sport: als beoefenaar – ik doe aan cricket, loop hard en ga naar de sportschool – en als toeschouwer. Sport gaat voor mij over kracht en vreugde en verbinding tussen mensen. Een fijne tegenhanger voor het vaak minder leuke nieuws, waar ik dagelijks mee bezig ben.
Mijn mooiste sportherinneringen stammen uit Zuid-Afrika. Daar mocht ik in 2010 voor de radio achtergrondverhalen maken over het WK voetbal. Dat Nederland de finale haalde, was fantastisch. Minstens zo indrukwekkend vond ik het om te ervaren wat het toernooi – het eerste WK voetbal op Afrikaanse bodem – met de Zuid-Afrikanen deed. Het bracht het hele land samen. De eenheid die ik toen voelde, had geen politieke partij ooit kunnen bereiken. Dat lukt alleen met sport.”

8 Mijn mening doet er niet toe
“Na de Britse verkiezingen afgelopen december gingen mensen op Twitter helemaal los tegen mij. Naar aanleiding van de lange rijen bij sommige stembussen had ik bij ‘Nieuwsuur’ gezegd dat een hoge opkomst historisch gezien vaak goed uitpakt voor Labour.
Ik werd overstelpt met aantijgingen. Dat ik het uithangbord was van bevooroordeelde linkse media. Dat mijn uitspraken wensdenken was van de NOS. Niet enkele, maar duizenden keren. Het naarst waren de persoonlijke bedreigingen die mensen me stuurden. Ik was een landverrader met wie ze in de Tweede Wereldoorlog wel raad hadden geweten, schreef iemand. Een ander meldde dat hij hard gas zou geven als ik voor zijn auto kwam.
Tegenwoordig horen dit soort reacties op sociale media – helaas – bij het vak. Over het algemeen kan ik ze redelijk goed van me afzetten. Waar ik wel moeite mee heb, is de vooringenomenheid. Dit soort mensen neemt direct stelling en gaat vol in de aanval, zonder te checken of wat ze zeggen klopt. Dat steekt, omdat het zo onrechtvaardig voelt. Ik neem mijn verantwoordelijkheid om objectief te berichten heel serieus. Sterker nog, het is de kern van mijn vak. Mijn mening doet er helemaal niet toe. Die zal ik vanuit mijn functie dus ook nooit verkondigen.”

[Kader]
Na de School voor Journalistiek en een master Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht begon journalist Tim de Wit (Naarden, 1981) in 2007 op de buitenlandredactie van de NOS. In 2009 verruilde hij Hilversum voor Zuid-Afrika, waar hij twee jaar als freelance correspondent werkte. In die tijd begon hij ook met schrijven voor Trouw. Van 2011 tot 2015 was hij werkzaam in Berlijn. Daarna verhuisde hij naar Londen, waar hij sindsdien verslag doet voor onder andere Trouw, de NOS en Nieuwsuur. Daarnaast maakt hij voor de NPO samen met historicus Arend Jan Boekestijn de podcast ‘Europa draait door’, voor wie Europa beter wil begrijpen (nporadio1/podcasts/brexit-de-podcast).

 

 

GEPEST OP HET WERK

18 apr

20-17 Ingrid werd gepest op het werk jpg

Gepubliceerd in Margriet 17, april 2020 (Fotografie: Mariel Kolmschot)

Jaarlijks krijgen meer dan een half miljoen mensen te maken met getreiter op het werk. Dat overkwam ook Ingrid (52). “Ik had nooit gedacht dat ik een pestslachtoffer zou worden.”

“Als een geslagen hond. Zo voelde ik me toen ik in maart 2018 bij het bedrijf vertrok. In amper zeven maanden was ik een totaal ander mens geworden. Onzeker. Somber. In mezelf gekeerd. Ik twijfelde constant aan mijn capaciteiten, aan mijn uiterlijk. Slapen ging steeds slechter. Ik was extreem moe en barstte om de haverklap in huilen uit. Voor leuke dingen of sporten kon ik geen energie opbrengen. In mijn donkerste momenten, ’s nachts alleen in bed, wilde ik niet meer verder. En dat allemaal omdat een paar harteloze mensen op het werk me maandenlang structureel onderuit hadden gehaald. Ik heb best veel heftige dingen ervaren in mijn leven. Maar niets heeft zoveel impact op mijn zelfbeeld gehad als weggepest te worden door collega’s.”
Afstandelijk en kil
“Waarschijnlijk zeggen alle mensen die zoiets overkomt dit, maar ik had echt nooit gedacht dat ik op mijn 50ste nog eens een pestslachtoffer zou worden. Ik werk al jaren met veel plezier én succes als interimmanager. Ik heb aan tal van medewerkers leidinggeven en bij veel verschillende bedrijven ervaring op gedaan. Natuurlijk kwam ik onderweg wel eens hobbels tegen. Maar onzeker over mijn vaardigheden was ik nooit. Ik wist wat ik kon en waar ik goed in was. Dus toen ik in de zomer van 2017 via via werd benaderd voor een baan als manager van een klantenservice, ging ik vol goede moed op gesprek.
De directeur van het productiebedrijf kende ik nog van een opdracht jaren eerder. Uiteraard was ik gevleid dat hij me had onthouden. ‘Er zit wel een gecompliceerde dame in je team’, waarschuwde hij me. Dat komt wel goed, dacht ik. Ik had net een klus bij een multinational afgerond, dus dit ging vast ook lukken.
De eerste dag op kantoor was vreemd. ‘Nou, succes’, zeiden collega’s van buiten mijn team aan wie ik werd voorgesteld. En dan op zo’n toon van ‘blij dat ik niet in jouw schoenen sta’. Mijn eigen medewerkers reageerden kil en afstandelijk. Meer dan een ‘hallo’ kon er niet af. Toen ik een paar uur met een van hen wilde meekijken, weigerde ze dat. Ik snapte niet waarom, maar liet het maar op z’n beloop. Op je eerste dag wil je tenslotte niet meteen vijanden maken.”
Flauwe grappen
“Al snel werd echter duidelijk dat mijn medewerkers me niet moesten. Vooral één dame, laat ik haar Ellen noemen, maakte me het leven zuur. Zij was het ‘moeilijke type’ waar ik vooraf voor was gewaarschuwd. Ellen begon me openlijk te treiteren. Tijdens vergaderingen wees ze me er voortdurend op wat ik allemaal fout deed. Samen met collega’s haalde ze flauwe grappen met me uit. Als ik ’s ochtends bij mijn bureau kwam, waren al mijn spullen naar een andere kant van het kantoor verplaatst. Of er lag ineens een grote stapel rotzooi op. Telkens als ik weg liep, zette ze het raam achter mijn bureau helemaal open, zodat ik op de tocht zat. Zo kinderachtig! Ik wist niet wat me overkwam.
De anderen corrigeerden Ellen niet. Sterker nog, ze deden net zo hard mee. Dan haalden ze voor iedereen koffie, behalve voor mij. Natuurlijk gingen ze altijd zonder mij lunchen. En ze praatten alleen met me als het echt niet anders kon. Ze zullen wel slechte ervaringen met een vorige manager hebben gehad, dacht ik. Ik geloofde toen echt nog dat ik hun vertrouwen kon winnen.”
Verschillende planeten
“Nadat ze een keer ziek was geweest, meldde Ellen zich huilend bij personeelszaken. De reden: toen ik had gebeld om te vragen hoe het met haar was, zou ik haar naar hebben toegesproken. Niets van waar, maar de andere medewerkers reageerden woest op me. Ik had te weinig respect voor Ellen en waardeerde haar ervaring niet. Ze schreeuwden door het kantoor dat ze nog nooit zo’n slechte manager hadden gehad. Ik kon mijn oren niet geloven. Van nature ben ik juist heel positief en opbouwend. Ik probeer mensen altijd te helpen en ze te stimuleren om het beste uit zichzelf te halen. Hoe kon het dat deze medewerkers dat zo anders zagen? Waarom wilden ze mij de grond in stampen? Het was alsof we van verschillende planeten kwamen.
Vervolgens werd ik ook nog eens ontboden bij de directeur. Ik verwachtte dat hij me in ieder geval wel zou steunen — hij had me niet voor niets aangenomen. Maar ook hij schoof alle schuld in mijn schoenen. Volgens hem had ik het helemaal verkeerd aangepakt met Ellen en reageerde ik veel te emotioneel naar haar. Ik moest maar op cursus, vond hij, zodat ik mijn leidinggevende vaardigheden kon bijspijkeren. Tot dat moment had ik geloofd dat ik het allemaal kon fixen. Maar door zijn gebrek aan vertrouwen werd ik serieus uit het lood gebracht. Zou het dan toch aan mij liggen?”
Valse beschuldigingen
“Ondertussen werd het pesten alsmaar erger. Ik kreeg constant nare opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd. Over dat ik zo dom was, en veel te dik. Medewerkers veranderden stiekem dingen in gezamenlijke documenten, zodat ze mij konden verwijten dat ik fouten maakte. Het ging zelfs zo ver, dat ik er — ten onrechte — van werd beschuldigd bestanden te hebben gewist om mijn eigen hachje te redden. De e-mail daarover werd niet alleen naar alle medewerkers, maar zelfs naar een aantal klanten gestuurd.
Je begrijpt wel dat ik tegen die tijd zo gespannen stond als een veer. Ik was constant aan het opletten: doe ik niets verkeerd? Zeg ik niets raars? Wat het extra frustrerend maakte, was dat ik niet begreep wat ik verkeerd deed, hoe het zo ver had kunnen komen. Daardoor ging ik steeds meer aan mezelf twijfelen. Was ik echt zo dom? En een slecht mens?
De situatie begon steeds meer zijn tol te eisen, geestelijk én lichamelijk. Ik was moe en sliep slecht. Toen ik me met die klachten bij de huisarts meldde, stuurde hij me door naar een psycholoog. Die constateerde dat de balans in mijn leven helemaal weg was. En ook dat ik tegen de bierkaai vocht. Want hoe hard ik ook mijn best deed, ik kon de bedrijfscultuur niet in mijn eentje veranderen.”
Geheimhouding
“Ondanks alles was het tot dan toe niet in me opgekomen om me ziek te melden. Dat was mijn eer te na. Ik moest en ik zou een oplossing vinden. Tegen beter weten in bleef ik ook hopen dat de directeur alsnog mijn kant zou kiezen. Dat gebeurde dus niet. In plaats daarvan kreeg ik een nieuwe manager boven me. Al na een paar weken begon die óók met een beschuldigende vinger naar me te wijzen. ‘Je lijkt wel een kenau, zo bot als je je gedraagt”, zei hij in een één-op-één gesprek. ‘Moet je ook kijken hoe je erbij loopt, met je rare lange haar. Je bent net een heks.’
Op dat moment knapte er iets. Normaal ben ik niet op mijn mondje gevallen, maar nu wist ik echt niet wat ik moest zeggen. Er klonk zoveel haat in zijn woorden door. Hij wist ook precies hoe hij me kon raken — ik kan best onzeker over mijn uiterlijk zijn. Inmiddels zat ik zo in de put, dat ik hem nog geloofde ook. Ik ben toch dik, dacht ik. Dan verdien ik dit kennelijk. In shock ben ik de deur uitgelopen. De dag erna heb ik me alsnog ziek gemeld.
In eerste instantie hoorde ik niets van het bedrijf. Mijn stress was er niet minder om. Als ik alleen al aan mijn werk dacht, raakte ik in paniek en ging ik hyperventileren. Pas na een week belde er iemand van personeelszaken. De boodschap: we konden beter afscheid van elkaar nemen. Hoewel het als een persoonlijk falen voelde, zag ik ook geen andere mogelijkheid. Als ik langer was gebleven, was ik er helemaal aan onderdoor gegaan. Wel moest ik een geheimhoudingsverklaring tekenen, waarin stond dat ik me niet negatief over het bedrijf zou uitlaten. Dat heb ik met tegenzin gedaan. Het was de laatste keer dat ik terugging naar kantoor. Ik wilde en wil niets meer met de mensen daar te maken hebben.”
Grenzen bewaken
“Uiteindelijk heb ik dus maar zeven maanden bij het bedrijf gewerkt. Ongelofelijk, hoeveel schade je in zo’n korte tijd kunt oplopen. Het effect op mijn zelfvertrouwen was verwoestend. Ik heb echt lang last gehad van alle kritiek. Vooral van de opmerkingen over mijn intelligentie en mijn uiterlijk. Over mij als persoon, kortom. Ik was zo van streek dat ik zelfs heb overwogen mijn haar te laten afknippen. Achteraf ben ik heel blij dat ik dat niet heb gedaan. Dan hadden zij echt gewonnen.
In het hele proces heb ik veel steun gehad van mijn moeder en mijn vriendinnen. Ook mijn psycholoog heeft me goed geholpen. Van haar heb ik vooral geleerd om duidelijke grenzen te stellen. Het is gewoon niet oké is als iemand een kwetsende opmerking over je uiterlijk maakt. En ja, daar mag je zeker iets van zeggen. Rationeel wist ik dat natuurlijk wel. Maar als mensen je stelselmatig kleineren, wordt het steeds moeilijker om voor jezelf op te komen. Vandaar dat het zo belangrijk is om je eigen grenzen te bewaken en snel in te grijpen als je in zo’n rotsituatie zit.
Dat is dan ook mijn advies aan anderen die iets vergelijkbaars meemaken. Wacht niet af tot je tot er helemaal niets meer van je eigenwaarde over is. Houd de eer aan jezelf en vertrek. Hoe onrechtvaardig dat ook voelt. Ik snap als geen ander hoe lastig dat kan zijn — het is voor vrouwen van onze leeftijd echt niet makkelijk om snel een nieuwe baan te vinden. En dan ben ik nog single ook, dus ik moet voor mijn eigen kostje zorgen. Maar door te blijven hangen in een ongezonde situatie, raak je uiteindelijk nog veel verder van huis.”
Warm bad
“Zelf had ik de mazzel dat ik snel ergens anders aan de slag kon. De mensen daar waren zo hartelijk en enthousiast. Het voelde echt als een warm bad. In het begin kon ik trouwens nauwelijks geloven dat hun waardering oprecht was. Bij de minste of geringste opmerking, sloeg de twijfel weer toe. Zie je wel, ze vinden me waardeloos, dacht ik dan. Maar door de positieve ervaringen vond ik snel mijn oude zelfvertrouwen terug. Een betere therapie had ik me niet kunnen wensen. Dankzij mijn nieuwe werk heb ik mijn geloof in de mensheid hervonden. “ 

[Kader]
Cijfers

  • 26 procent van de werknemers en 27 procent van de leidinggevenden is wel eens gepest. 
  • Jaarlijks zijn zo’n 500.000 Nederlanders slachtoffer van pesterijen op de werkvloer. 80.000 tot 100.000 werknemers worden structureel gepest.
  • Iemand bespotten komt het meest voor (74 procent), gevolgd door kleinerende opmerkingen maken (73 procent) en buitensluiten (71 procent). 
  • 18 procent van de werknemers heeft zelf wel eens gepest. Van de leidinggevenden is dat 10 procent.
  • 44 procent van de werknemers heeft meegemaakt dat een of meerdere collega’s werden gepest.

Bron: TNO Arbeid

 

HOUD ELKAAR OVEREIND

9 apr

RA02_74TM77_MANTELZORG jpg1

Gepubliceerd in Radar+, nr 2/2020. (Foto: Wout Jan Balhuizen)

Journaliste Marte van Santen (44), haar moeder en haar stiefvader mantelzorgen al meer dan drie decennia voor elkaar. Hoe houden ze dat vol? Ze gingen samen om tafel en kwamen met deze tips uit de praktijk. 

Toen ik acht was, trouwde mijn moeder met een lieve, slimme en zorgzame man. De perfecte match voor haar, aangezien ze in haar leven al heel wat (met mannen) te verduren had gehad. 36 jaar later zijn zij en mijn stiefvader nog altijd gelukkig samen. Maar de weg die ze hebben bewandeld (en ik met hen), ging niet over rozen.
Niet lang na hun huwelijk, bleek mijn stiefvader serieuze psychiatrische klachten te hebben. Als gevolg daarvan werd hij volledig afgekeurd. Vanaf dat moment was mijn moeder de kostwinner. Omdat zij van huis uit werkte, waren we altijd met z’n drieën thuis. Heel gezellig, maar ook zwaar. De ziekte van mijn stiefvader maakte hem namelijk vaak erg somber. Verder waren zijn stemming en gedrag onvoorspelbaar. Mijn moeder en ik hadden er een flinke kluif aan om niet alleen hem zo goed mogelijk te steunen, maar ook onszelf staande te houden. Bovendien bleken zijn klachten chronisch — verschillende behandelingen haalden weinig uit. Zo werden we van het ene op het andere moment mantelzorgers. Na al die jaren zijn we dat nog steeds.
Maar mijn stiefvader werd het in de loop van de tijd óók. Zo worstelde mijn moeder lang met extreem pijnlijke rugklachten, waardoor ze bijna niets meer kon. Twee jaar geleden kreeg ze bovendien een chronische aderontsteking (vasculitis). De noodzakelijke behandelingen zijn ingrijpend en invaliderend. Zelf werd ik zeven jaar geleden getroffen door borstkanker. De aanpak: een operatie, dertig bestralingen, zestien keer chemotherapie, drie maanden immunotherapie en zeven jaar hormoontherapie.
Gelukkig ben ik zelf goed hersteld. Maar je kunt gerust stellen dat mijn moeder, mijn stiefvader en ik inmiddels door de wol geverfde mantelzorgers zijn. Met vallen en opstaan vonden we uit wat dat betekent en hoe we onszelf niet in die zorgrol konden verliezen. We zetten onze belangrijkste tips voor je op een rij. 

  1. Lees, lees, lees
    Zorg dat je zoveel mogelijk informatie over de aandoening van je naaste verzamelt. Wat is het precies? Hoe gaat het zich ontwikkelen? Wat betekent dat voor het dagelijkse leven? Wat is de best mogelijke zorg? Als je snapt wat er aan de hand is en wat je kunt verwachten, geeft dat (een klein beetje) grip. Bovendien weet je dan beter wat je wel en niet kunt doen om te helpen.
  2. Maak tijd voor jezelf
    Tijd om dingen te doen waar je van houdt. Wandelen bijvoorbeeld, of tekenen, of in de tuin werken. Liefst op vaste tijden, zodat je me time er niet snel bij inschiet. Maak daarover afspraken met degene voor wie je zorgt. Leg uit dat je dat dagelijkse uurtje Netflixen echt nodig hebt om je verstand op nul te zetten en op te laden. Des te meer heeft de zieke de rest van de tijd aan je. Neem ook regelmatig even fysiek afstand van elkaar. Al is het maar door iets in een andere kamer te gaan doen of alleen een wandelingetje te maken.
  3. Realiseer je dat iemand die ziek is verandert
    Sommige mensen worden heel angstig, anderen sluiten zich af. Weer anderen gaan zich veeleisend gedragen. De kunst is om de persoon waarvan je hield vóór hij ziek werd los te zien van de patiënt. Haal bijvoorbeeld regelmatig samen goede herinneringen op. En houd een dagboekje bij, waarin je niet alleen de moeilijke, maar ook de fijne momenten vastlegt.
  4. Een dagboekje is om nog een reden handig
    Schrijf daarin ook dagelijks even op hoe je je zelf voelt. Heb je iets voor jezelf kunnen doen en zo ja, wat? Of zo nee, waarom niet? Had dat anders gekund? Daar leer je van. Het is ook makkelijk om dingen terug te zoeken. Hoe ging dat toen ook alweer? Wanneer zijn de klachten erger geworden? Dat schrijven hoeft overigens niet veel tijd te kosten, een paar zinnen paar dag is al genoeg.
  5. Laat degene voor wie je zorgt in zijn waarde
    Neem niet alles over. Maak hem of haar niet afhankelijker of zwakker dan nodig, hoe bezorgd je ook bent. Kijk vooral naar wat de ander nog wél kan en probeer dat te stimuleren. Kortom: spreek het gezonde deel in de ander aan. Dat is goed voor de zieke (die zich vaak toch al hulpeloos en lastig voelt) en goed voor jezelf (omdat je wat dingen kunt overlaten).
  6. Waak ervoor dat je daar niet teveel in meegaat in de zorgen en angsten van de ander
    Merk je dat dat soort gevoelens je toch overmannen, schroom dan niet om professionele hulp voor jezelf te zoeken, bijvoorbeeld bij een psycholoog. Het kan ook fijn zijn om in een lotgenotengroep ervaringen te delen. Voel je daar vooral niet schuldig over. Als het jou allemaal teveel wordt, heeft degene voor wie je zorgt daar ook niets aan.
  7. Besef je: zorgrelaties zijn ingewikkeld
    Eén van de gevaren is dat je de ander te veel wilt beschermen. Die heeft het immers al zo moeilijk. Dus houd je je eigen sores maar voor je. Heel menselijk, maar het komt de gelijkwaardigheid in de relatie (die bij ziekte toch al onder druk staat) meestal niet ten goede. Blijf je eigen problemen dus delen. Zieke mensen vinden het meestal juist fijn als je ze op die manier bij je leven betrekt. Het geeft hen het gevoel dat ze nog meetellen. Bovendien relativeert het om te weten dat anderen óók worstelen. 

[Kader]
Hulp en ondersteuning
Er zijn veel verschillende organisaties die mantelzorgers ondersteunen, van patiëntenorganisaties tot verzekeraars en gemeenten. Een paar tips van twee professionals, Ginette Klein van de mantelzorglijn van MantelzorgNL en Gerjoke Wilmink, directeur van Alzheimer Nederland:

  • Samen de zorg voor iemand delen is vaak knap ingewikkeld. Dan kan een digitaal hulpmiddel uitkomst bieden. Je plant daarin afspraken en bezoekschema’s en wisselt informatie uit. Ook kun je aangeven wie welke zorgtaken op zich neemt. Dat bespaart tijd, voorkomt misverstanden en geeft rust. Voorbeelden van zulke digitale hulpjes zijn: carenzorgt.nl, miessagenda.nl, sharecare.nl en mantelplan.nl. Voor mantelzorgers van Alzheimerpatiënten is er Myinlife van Alzheimer Nederland. 
  • Wil je liever niet iemand uit je eigen omgeving om hulp vragen? Dan kun je ook denken aan een vrijwilliger. Er zijn in Nederland wel zo’n 450.000 vrijwilligers actief in de zorg. Denk aan maatjes en buddy’s, vrijwillige thuiszorg of georganiseerde burenhulp. 
  • Kijk ook naar de mogelijkheden om zorgtaken over te dragen. Incidenteel, zoals tijdens een vakantie, of structureel, bijvoorbeeld elke week een dagdeel. Zie voor tips mantelzorg.nl. Check ook bij het Wmo-loket van je gemeente en bij je zorgverzekeraar wat zij aan mantelzorgondersteuning of vervangende zorg bieden.
  • Op mantelzorgpower.nl van de Stichting Werk & Mantelzorg vind je een overzicht van (wettelijke) regelingen die je kunnen helpen om mantelzorg en werk te combineren. Denk aan kort- of langdurig zorgverlof of calamiteitenverlof. Daarnaast biedt de site tips over hoe je hierover met je leidinggevende in gesprek kunt gaan.

[Kader]
Cursus en lotgenotencontact
Veel gemeenten, zorginstellingen, patiëntenverenigingen en organisaties voor mantelzorgondersteuning bieden speciale cursussen voor mantelzorgers. Onder leiding van een professional krijg je inzicht in je eigen zorgsituatie, leer je knelpunten herkennen en krijg je tips over hulp vragen en ondersteuningsmogelijkheden. Een belangrijk onderdeel is ook het delen van ervaringen met lotgenoten.
Geen tijd of mogelijkheid om naar een cursus te gaan? Dan kun je online terecht. Op internet vind je verschillende programma’s die je kunnen helpen om als mantelzorger in balans te blijven. 

  • Coachfriend Mantelzorg is een online programma van tien weken met digitale begeleiding van een coach. Hierin werk je aan de hand van opdrachten aan je persoonlijke ontwikkeling en veerkracht. Gratis voor leden van MantelzorgNL (kosten lidmaatschap: € 23,00 per jaar). Voor niet leden € 298,00. mantelzorg.nl
  • De zorg de baas van Centrum voor Mantelzorg Markant (gratis). In acht online lessen leer je onder andere over omgaan met gevoelens, hulp durven vragen en communicatie en assertiviteit. markant.org
  • Voor mantelzorgers van mensen met psychische problemen zijn er de gratis online cursussen Hoe gaat het met u? en Als de zorg te zwaar is van GGZ-instelling Arkin. mijnihelp.nl.
  • Als mantelzorger van iemand met dementie kun je via dementelcoach.nl een persoonlijk coachingstraject aanvragen: een aantal gesprekken met een zorgprofessional die veel ervaring heeft met dementie. Check vooraf of je zorgverzekeraar of gemeente de kosten vergoedt. Meer informatie en tips over mantelzorg bij dementie: alzheimer-nederland.nl en dementie.nl.

[Kader]
Mantelzorgmakelaar
Word je gek van al het regelwerk en de administratieve rompslomp die bij de zorg voor een ander komt kijken? Dan kan een mantelzorgmakelaar uitkomst bieden. Die helpt je bijvoorbeeld met:

  • het invullen van formulieren;
  • het aanvragen van een indicatie of een persoonsgebonden budget;
  • het op orde krijgen van de administratie;
  • afspraken maken met je werkgever.

Zoek een organisatie voor mantelzorgondersteuning in de buurt en vraag of die een mantelzorgmakelaar in dienst heeft. Je kunt ook kijken op de website van zelfstandig werkende mantelzorgmakelaars: bmzm.nl. Let op: voor de hulp van deze zelfstandigen moet je zelf betalen. Informeer bij je zorgverzekeraar of die daar een vergoeding voor heeft.

 

 

LEVENSLESSEN VAN PSYCHIATER RENÉ KEET

6 apr

Schermafbeelding 2020-04-06 om 08.59.14

Gepubliceerd in Trouw, zaterdag 4 april 2020 (Foto: Merlijn Doomernik)

De collega’s en patiënten van psychiater Réne Keet (60) wisten jarenlang niet dat hij zelf depressieve klachten had. Sinds hij daar open over is, voelt hij zich bevrijd. 

Les 1: Doe afstand van je troon
“Ik was een diepgelovig kind. Mijn ouders waren vrome katholieken, mijn oom werkte als deken in Amsterdam. Iedere zondag zaten we in de kerk en ging ik naar de Rooms-Katholieke jongensschool in Den Haag. De aanwezigheid van God in mijn leven was vanzelfsprekend. Tot ik de eerste communie deed. Nu heb ik een direct lijntje met Hem, dacht ik, en kan ik Hem vragen om de vreselijke oorlog in Vietnam te stoppen. Maar de oorlog ging door en mijn twijfel begon.
Op die manier geloven doe ik niet meer. Toch is er iets wat me nog altijd met het geloof verbindt: het begrip compassie. Dat is mijns inziens de kern van religie én van mijn vak. Zoals de Britse schrijfster en religie-expert Karen Armstrong zo mooi zegt: ‘Compassie is onze drijfveer om ons onvermoeibaar in te zetten om het leed van onze medemensen te verlichten. En om afstand te doen van onze troon in het middelpunt van de wereld en daar een ander te laten plaatsnemen’. Het gaat als psychiater niet om mij, maar om mijn patiënten. Alleen als ik oprechte compassie voor hen voel, kan ik ze helpen om te veranderen.” 

Les 2: Beter worden doe je thuis
“Ik was zeventien toen een goede vriend van mijn broer met een depressie werd opgenomen in een psychiatrische instelling. Samen zochten we hem daar op. De vitale jongen die we kenden was veranderd in een verslagen patiënt, met wie we nauwelijks contact kregen. Omringd door allemaal andere zieke mensen, die net als hij enorm leden. Ik keek om me heen en dacht: hoe kan hij hier beter worden? Ik wilde niets liever dan hem er weghalen, ervan overtuigd dat zo’n deprimerende ziekenhuisomgeving averechts werkt. Dat geloof ik nog steeds. Gelukkig is er de afgelopen veertig jaar in de psychiatrie veel veranderd. ‘Beter worden doe je thuis’, is het motto van mijn organisatie, GGZ Noord-Holland-Noord. Opnameplekken blijven nodig, maar alleen voor acute crisisgevallen. Verder behandelen we zoveel mogelijk ambulant, ook bij patiënten thuis. Het leven van mensen met ernstige psychiatrische klachten kan flink ontwricht raken. Door verlies van relaties en werk bijvoorbeeld. Wanneer je alleen iemands symptomen behandelt, los je die andere problemen niet op en is de kans op terugval groot. Je moet dus naar het totale plaatje kijken en samen met alle betrokkenen een herstelplan maken.” 

Les 3: Je ziet het pas als je het doorhebt
“Als tiener kon ik al periodes heel somber zijn. Maar op mijn 24ste, toen ik geneeskunde studeerde, ging het echt mis. Een van mijn zussen overleed totaal onverwacht aan een acute hartstilstand. Ze was 28. In dezelfde periode kreeg een dierbare een ernstige psychose. Ik wist niet hoe ik met het overweldigende gevoel van verdriet en machteloosheid moest omgaan en raakte in een depressie. Die duurde ruim een jaar. Aan iemand die het nooit heeft meegemaakt, blijft het moeilijk om uit te leggen hoe dat voelt. Voor mij begint het met slechter slapen en een diepe, diepe vermoeidheid. Alles kost meer energie dan normaal. Ook logisch nadenken. Als je in zo’n zwart gat zit, ben je ervan overtuigd dat je daar nooit meer uitkomt. Dat het nooit meer beter wordt. Overigens zag ik zelf als twintiger niet in dat ik aan een depressie leed. Dat kwam pas later, toen de klachten terugkwamen en mijn vrouw me ertoe aanzette om hulp te zoeken.” 

Les 4: Maak een plan
“Mijn depressie is recidiverend. Dat wil zeggen dat de klachten elke twee, drie jaar terugkeren. Vanaf begin jaren ’90 heb ik verschillende behandelingen geprobeerd. Waar ik veel aan heb gehad, is cognitieve gedragstherapie. Daarbij leer je niet-helpende gedachten en gevoelens te herkennen en te relativeren. Zo worden ze minder overheersend. Dat helpt weer om op een andere manier op situaties te reageren. Positief en daadkrachtig, in plaats van negatief en wantrouwend. Wat me verder erg heeft geholpen, is om samen met een ervaringsdeskundige een Wellness Recovery Action Plan te maken. Dat format is in 1997 ontwikkeld door de Amerikaanse Mary Ellen Copeland. Zij had zelf ernstige psychiatrische problemen en miste een positief en praktisch hulpmiddel om grip te houden op haar leven. Daarvoor bedacht ze het WRAP. Ik kan het gebruik ervan iedereen aanraden. In een WRAP beschrijf je wat je nodig hebt om je eigen herstel vorm te geven. Vervolgens werk je in zes stappen uit wat je kunt doen om dat te bereiken. En om te voorkomen dat je toch weer uit balans raakt. Het vormt je gereedschapskoffer, waar je altijd uit kunt putten. Ik pak mijn eigen WRAP er regelmatig bij, zeker als ik weer klachten krijg. Dan herinner ik mezelf eraan dat ik op tijd gas moet terugnemen. En dat bewegen en muziek maken voor mij helend werken. Verder zijn mijn klachten seizoensgebonden. Uit voorzorg gebruik ik daarom iedere winter een daglichtlamp.” 

Les 5: Het is nooit te laat om je hart te volgen
“Juist in de tijd dat ik het als twintiger zelf mentaal moeilijk had, liep ik mijn co-schap op de afdeling psychiatrie. Ineens kwamen de problemen van mijn patiënten wel heel dichtbij. Ik voelde aan alles: het is voor niemand goed als ik nu het vak in ga. Ik had anderen op dat moment onvoldoende kunnen helpen. In plaats daarvan ben ik na mijn studie epidemioloog geworden, gespecialiseerd in infectieziekten. Op het hoogtepunt van de AIDS-epidemie deed ik in Amsterdam onderzoek naar dat virus. Fantastisch werk, maar de psychiatrie bleef trekken. ‘Als dat is wat je echt wil, ga er dan voor’, zei mijn vrouw. En dus begon ik op mijn 38ste aan een nieuwe specialisatie. Vanaf dag één voelde ik me als een vis in het water. Ik ben wetenschapper, maar ook filosoof, wereldverbeteraar en bovenal mensenmens. In de psychiatrie kan ik al deze kanten van mezelf inzetten.”

Les 6: Je verhaal delen werkt bevrijdend
“Ik heb vijftien jaar in de psychiatrie gewerkt, zonder op het werk ooit over mijn eigen depressies te vertellen. Ik zag mijn aandoening als een zwakte en vreesde dat die tegen me zou worden gebruikt. Toen ik eind jaren ’90 solliciteerde op de opleidingsplek voor psychiater, raadden vrienden uit het vak me bijvoorbeeld af erover te vertellen. Zeven jaar geleden kwam het keerpunt. Als directeur van een grote GGZ-divisie moest ik voor ruim tweehonderd medewerkers een praatje houden over het thema stigma. Daar heb ik zelf óók last van, realiseerde ik me in de voorbereiding. Ik was bang dat mensen me anders zouden gaan bekijken als ze van mijn depressies wisten, dat ik er niet meer bij zou horen. Mijn schaamte bleek een enorme rem. Dan moet ik alles nu opengooien, dacht ik. Natuurlijk vond ik het hartstikke spannend toen ik daar op het podium stond. Tot mijn opluchting waren de reacties zonder uitzondering positief. Niet alleen dat, mijn verhaal creëerde ook ruimte voor collega’s om hún ervaringen met psychische klachten te delen. Sindsdien voel ik me vrijer, meer mezelf. Bovendien kan ik nog beter verbinding maken met mijn patiënten. Als ik denk dat het iets aan het gesprek toevoegt, vertel ik ze over mijn eigen worstelingen. Dan voelen ze zich extra goed gezien, merk ik.”

Les 7: Je bent nooit uitbehandeld
“Decennialang was de geestelijke gezondheidszorg eenzijdig gericht op de aanpak van klachten. Als het niet lukte om die te verminderen, was iemand ‘uitbehandeld’. Aan die term heb ik me altijd enorm geërgerd. Feitelijk zeg je daarmee: we geven je op. Maar zonder hoop geen verandering. Bovendien, een psychiatrische aandoening is nooit statisch. Relaties, werk, leefstijl, stress: ze hebben allemaal invloed op het verloop. Dat merk ik ook in mijn eigen leven. Er zijn dus veel knoppen waaraan je kunt draaien om iemand te helpen veranderen. Gelukkig is dat inzicht de laatste jaren steeds meer gemeengoed geworden. Het begint al bij de intake. Die doen we tegenwoordig samen met een ervaringsdeskundige. In plaats van te vragen wat er mis is, informeren we wat er met iemand is gebeurd. Wat zijn zijn krachten en kwetsbaarheden? Waar wil hij naartoe? En wie of wat heeft hij nodig om daar te komen? We richten ons dus niet alleen op de problemen, maar óók op wat goed gaat. Op wat iemand wél kan. Daar borduren we op voort. Van klacht naar kracht, noemen we dat. Want ook als je klachten houdt, kan je kwaliteit van leven als psychiatrisch patiënt verbeteren.”

Les 8: Zet jezelf op een nieuwsdieet
“Ik weet nog dat ik in 1996 het boek Emerging Viruses van Stephen Morse las. Als epidemiologen waren we er toen al van overtuigd dat er een keer een wereldwijde virusuitbraak zou komen met verstrekkende gevolgen. Ik kijk dus niet op van de coronacrisis. De zorgen van lezers daarover kan ik niet wegnemen. Wel wil ik een paar tips geven over het omgaan met de onvermijdelijke onzekerheid en misschien ook angst waar we nu allemaal mee te maken hebben. Zet jezelf in ieder geval op een nieuwsdieet. Eén of twee keer per dag het nieuws checken is echt voldoende. Vaker geeft alleen maar meer onrust. Probeer ook niet vooruit te lopen op wat er allemaal nog kan gebeuren. Spreek met jezelf af dat je het van dag tot dag bekijkt. Tot slot: zorg goed voor jezelf. Bel vrienden, zoek afleiding, ga mediteren, blijf bewegen. Zelf maak ik, nu ik thuis werk, dagelijks een lange wandeling in de duinen. Dat helpt echt, voor lichaam en geest.”

[Kader]
Psychiater dr. René Keet (Den Haag, 1959) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was jarenlang infectieziektenepidemioloog, gespecialiseerd in AIDS, voor hij in 1998 begon met zijn specialisatie psychiatrie. Sindsdien werkt hij als psychiater. Hij is directeur van de FIT-Academy bij GGZ Noord-Holland-Noord, voorzitter van het European Community Mental Health Service Providers Network (EUCOMS) en lid van de Council Clinical Leaders van de International Initiative Mental Health Leadership (IIMHL). Keet is getrouwd en heeft drie volwassen kinderen.

 

%d bloggers liken dit: