Archief | 00 – Nieuws RSS feed for this section

LEVENSLESSEN VAN BLENDLE-BAAS RICK PASTOOR

4 Feb

levenslessen Rick jpgGepubliceerd in Trouw, zaterdag 2 februari 2019. Foto: Merlijn Doomernik

Rick Pastoor (30), hoofd productontwikkeling en ‘binnenbaas’ bij online kiosk Blendle, schreef een boek over hoe je meer grip op je werk krijgt. En daarmee op je leven. “Ik wil mensen helpen om slimmere keuzes te maken.”

Les 1: Programmeren heeft iets magisch
“Als kind wilde ik altijd weten hoe dingen werkten. Klokhuis was mijn favoriete programma en ik had een abonnement op het tijdschrift Zo zit dat. Ik zal een een jaar of negen zijn geweest toen ik in dat blad een artikel las met de titel ‘Zo bouw je je eigen website’. Achter de computer volgde ik de instructies uit het verhaal en jawel: er verscheen iets op mijn scherm. Een beeld dat ik zelf uit het niets had gecreëerd. Zo magisch! Daar wilde ik meer over weten. Aan de hand van boeken die ik uit de bibliotheek haalde, leerde ik mezelf HTML en later ook andere programmeertalen. Om te snappen hoe bestaande websites in elkaar zaten, printte ik de broncodes uit en typte die over. Later, toen ik op de havo zat, bouwde ik mijn eerste online game, over het Romeinse leger. Dat mijn klasgenoten die met enthousiasme speelden, gaf een enorme kick. Toen wist ik: maken is leuker dan gebruiken.” 

Les 2: Geloof is ingewikkeld
“Ik kom uit een gereformeerd vrijgemaakt nest. Anders dan mensen vaak denken, was dat helemaal niet beklemmend. Mijn jeugd in Assen draaide als vanzelfsprekend om de kerk. Ik speelde er in een bandje, regelde concerten en leidde kinderkampen. Met Athletes in action, een beweging van christelijke sporters, gingen we de buurt in om met jongeren te praten. Daar heb ik ook mijn latere vrouw Joan ontmoet. Het was een fijne, veilige omgeving, waarin ik veel heb geleerd. Praktisch — ik heb in de kerk meer over organiseren en samenwerken opgestoken dan ooit op school — en spiritueel. Saamhorigheid, barmhartigheid, de wereld mooier maken: het zijn allemaal christelijke waarden die ik hoog in het vaandel heb. Het geloof heeft me dus veel moois gebracht. En toch twijfel ik er de laatste tijd steeds vaker over. Ik heb zo lang in een beschermde, naar binnen gekeerde bubbel geleefd. Nu wil ik open staan voor alle opties, niet vooraf al een mening klaar hebben. Dat wringt soms. Neem het thema seksualiteit. Een bekende die wist van mijn christelijke achtergrond, durfde me lang niet te vertellen dat hij op meisjes én jongens valt. Bang dat ik dat zou afkeuren. Toen ik dat hoorde, was ik oprecht verdrietig. Wie ben ik om hem te veroordelen? Het is een zoektocht hoe ik die verschillende kanten in mezelf kan verenigen.” 

Les 3: Het loont om je hart te volgen
“Na de havo ging ik in Zwolle informatica studeren. De stof die ze me daar wilden leren, kende ik echter grotendeels al. Ik hield dus genoeg tijd over om met mijn vriend Mathijs een eigen bedrijfje te beginnen. Dat liep hartstikke goed; na ons afstuderen konden we prima leven van het bouwen van websites en apps. Maar ik miste iets. Te vaak moesten we in opdracht van klanten dingen maken waarvan ik op voorhand al wist dat ze niet zouden werken. Veel liever wilde ik vooraan in het proces zitten, zelf iets bedenken. Tegelijkertijd besloten mijn vrouw en ik naar Amsterdam te verhuizen. In Zwolle wisten precies hoe laat het stoplicht bij ons huis op rood of groen sprong. Het was in alle opzichten tijd voor iets nieuws. ‘Ga eens met de jongens van Blendle praten’, zei oud-klasgenoot Arnoud. Daar trof ik een groep bevlogen jongens, die de wereld wilden verbeteren door journalistiek toegankelijker te maken. Hun doel: een online kiosk creëren, waarin je tegen betaling losse artikelen uit tijdschriften en kranten kunt lezen. Ik was meteen enthousiast; als programmeur kon ik helpen om de benodigde software te bouwen en zo iets heel nieuws neer te zetten. Het besluit om met mijn eigen bedrijf te stoppen, was daarna niet moeilijk. Dat ik er financieel op achteruit ging, nam ik op de koop toe.” 

Les 4: Niemand leert je hoe je moet werken
“Op de basisschool maakte ik met vijf jongens een stripblad, Super Djenzie. Dat wil zeggen: de anderen schreven en tekenden en ik regelde dat het daadwerkelijk verscheen. Als ze hun spullen niet op tijd aanleverden, zat ik ze achter hun broek. En ik zorgde ervoor dat al onze abonnees op tijd een exemplaar in de bus kregen. Je kunt dus rustig zeggen dat organiseren van nature in me zit. Toch liep ik toen ik ging werken tegen problemen op. Want hoe zorg je ervoor dat je niet iedere avond en elk weekend achterstallige mail moet wegwerken? Of dat je niet overweldigd raakt door een eindeloze takenlijst die nooit af komt? Ik verdiepte ik me in verschillende werkmethodes, pikte er de dingen uit die voor mij werkten en combineerde ze tot een eigen systeem. Dat kwam goed van pas toen ik bij Blendle al snel opklom tot manager en de verantwoordelijkheid kreeg voor zo’n dertig programmeurs. Een start-up kent natuurlijk geen vastomlijnde organisatie, dus moest ik die zelf creëren. Gaandeweg kreeg ik steeds vaker vragen over hoe ik het voor elkaar kreeg om zo’n grote club efficiënt te runnen én om vijf uur thuis te zijn. Hier kan ik anderen mee helpen, dacht ik. Twee jaar later lag mijn boek GRIP er.”

Les 5: Orde creëert ruimte
“Veel beter-werken-methodes reiken je instrumenten aan, maar zeggen niet hoe en wanneer je ze moet gebruiken. In mijn boek neem ik lezers aan de hand en loods ze stap voor stap naar een gestructureerder leven. Wat mij betreft begint alles met een digitale agenda. Dat is je fundament, je navigatiesysteem. In je agenda noteer je niet alleen je afspraken, maar ook je voorbereidings- en reistijd. Daarnaast blok je tijd voor je verschillende activiteiten. Het verwerken van je e-mail bijvoorbeeld. Mijn advies: doe dat vanaf vandaag nooit meer tussendoor. Plan in je agenda drie e-mail-blokken van een half uur, één aan het begin van de dag, één voor of na de lunch en één aan het einde van de werkdag. Dat is efficiënter en voorkomt dat je steeds wordt afgeleid. Zo geef ik meer praktische tips. Op het eerste oog lijken die misschien weinig omvattend, maar tezamen creëren ze rust en ruimte. Om te reflecteren en slimmere keuzes te maken over hoe je je tijd wilt besteden. Wat gaat goed? Wat kan beter? Waar wil ik meer van doen en wat wil ik laten? Aan dat soort vragen — over je werk én de rest van je leven — kom je pas toe als de basis op orde is.”

Les 6: Een kind maakt je mindful
“Voor onze dochter Nore afgelopen maart werd geboren, heb ik verschillende vaders in mijn omgeving om advies gevraagd. ‘Maak bewust tijd voor haar’, zeiden ze. ‘Het eerste jaar is zo om.’ Dat doe ik nu iedere avond een uur. Nooit gedacht dat ik daar zo van zou genieten. Laatst betrapte ik mezelf erop dat ik toch op mijn telefoon zat terwijl zij haar fles dronk. Die heb ik toen resoluut aan de kant gelegd. Als ik bij haar ben, wil ik er helemaal voor haar zijn. Overigens kun je nog zo goed zijn in plannen, met een baby loopt het natuurlijk vaak allemaal anders dan je had bedacht. De afgelopen weken was Nore bijvoorbeeld regelmatig ziek, zodat ik thuis moest blijven. Maar ook toen kwam mijn structuur me goed van pas. Met één blik in mijn agenda zag ik wat ik moest verzetten, wie ik moest bellen. Behalve ruimte creëert orde dus ook flexibiliteit.” 

Les 7: Door regelmatig even stil te staan, kom je verder
“Mijn schoonvader ging ieder jaar een dag of vijf naar een klooster om God te zoeken. Onze gesprekken daarover maakten me enthousiast; het leek me fijn om af en toe even op de pauzeknop te kunnen drukken. Na zijn overlijden in 2012 besloot ik zijn traditie voor te zetten. Sindsdien trek ik me een of twee keer per jaar een paar dagen terug in de Benedictijnse St. Willibrordsabdij in Doetinchem. Een katholiek klooster ja; de rituelen daar vind ik rustgevend. Mijn computer en telefoon gaan dan uit. Ik breng mijn dagen er in stilte door. Het geeft me zoveel om in alle rust over dingen na te denken. Over waar ik sta, waar ik heen wil, wat ik van dingen vind. Toevallig viel mijn laatste retraite samen met mijn zesjarige trouwdag. Ik heb toen een lange brief aan mijn vrouw geschreven, waarin ik terugblikte op wat we allemaal samen hebben meegemaakt. Sowieso geloof ik heilig in de kracht van reflectie. Het is een onmisbaar instrument voor wie met intentie wil leven. Een retraite is voor veel mensen misschien een stap te ver, maar ik raad iedereen aan om periodiek de balans op te maken.”  

Les 8: Het helpt als iemand je bij de les houdt
“De meesten van ons hebben doelen genoeg. Maar jezelf langdurig motiveren om daar ook echt iets mee te doen, blijkt vaak lastig. Dan kan je wel wat aanmoediging — en een stok achter de deur — gebruiken. Daar heb ik iets op bedacht. Sinds 2014 bel ik wekelijks een half uur met Derk, een voormalige zakenrelatie en leeftijdsgenoot. Aan de hand van een vaste vragenlijst praten we elkaar bij. Wat ging er afgelopen week goed en waarom? Wat hadden we beter kunnen doen? Hoe zorgen we voor balans? En wat zijn onze concrete acties voor de komende week? Die gesprekken gaan over werk, maar bijvoorbeeld ook over meer tijd doorbrengen met familie of gezonder leven. Door mijn gedachtewisselingen met Derk ben ik bijvoorbeeld scherper gaan sturen op de kwartaalplanning van Blendle. Verder hebben ze me doen realiseren hoe belangrijk een goede nachtrust is. Sindsdien bewaak ik die veel beter. Kortom: zo’n maatje herinnert je aan je voornemens, moedigt je aan en geeft je nieuwe inzichten. Op die manier wordt wegduiken een stuk lastiger.”

[Kader]
Na de havo studeerde Rick Pastoor (Assen, 1988) informatica aan de christelijke Hogeschool Windesheim in Zwolle. Tijdens zijn studie begon hij met een vriend een eigen IT-bedrijf, dat websites en apps bouwde. In 2014 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij bij als programmeur aan de slag ging bij Blendle. In korte tijd klom hij op tot hoofd productontwikkeling van de start-up. Inmiddels geeft hij leiding aan zo’n dertig mensen. Op 15 januari verscheen zijn boek GRIP — Het geheim van slimmer werken. Pastoor is getrouwd met opleidingskundige Joan. Samen hebben ze een dochter van tien maanden, Nore. 

Advertenties

GEHEIMEN VAN HET GEHEUGEN

29 Jan

jpg.jpg

Gepubliceerd in Radar+, december 2018

Slaapgebrek is funest voor je geheugen. Geuren zijn kampioen herinneren. En iedereen kan leren om dingen beter te onthouden. Vijf deskundigen over het mysterie van de menselijke opslagcapaciteit.

Mark Mieras is wetenschapsjournalist en schrijver van onder andere Ben ik dat? – Wat hersenonderzoek vertelt over onszelf en Heftige hersens! – Waarom je voelt wat je voelt, waarom je doet wat je doet.
“Een herinnering bestaat uit tientallen kleine stukjes, die als losse kralen door het brein verstrooid liggen. Iedere kraal — een geur, een geluid, een smaak, een beeld of een gevoel — vormt een klein groepje hersencellen. Met het ophalen van een herinnering geef je al die groepjes de opdracht om in actie te komen en verbinding met elkaar te maken. Zo rijgen de kralen van de herinnering zichzelf aaneen. Hoe vaker je een herinnering oproept, hoe sterker de draad wordt en hoe makkelijker je hem weer terughaalt.
Hersencellen en -verbindingen vernieuwen zich continue. Het klopt dus niet dat je op latere leeftijd vergeetachtiger zou worden omdat je hersenen afsterven. Maar kennis terugvindengaat met het verstrijken van de jaren wel minder makkelijk. Er ontstaan als het ware breukjes in de draden van de herinneringen, waardoor het steeds moeilijker wordt om er een ketting van de losse kralen te maken.
Mensen denken vaak dat het geheugen één geheel vormt. Niet dus; het bestaat uit tientallen deelgeheugens met verschillende taken. Zo heb je het autobiografische geheugen, waarmee je je herinnert hoe het rook op dat ene terrasje in Parijs. In het episodisch geheugen staat geprent waar je op 11 september 2011 was. Het semantische geheugen slaat de harde feiten op, zoals hoofdsteden en jaartallen. En in het impliciete geheugen zitten praktische vaardigheden, zoals autorijden en fietsen.
Nog zo’n misverstand: herinneringen zijn niet statisch. Sterker nog, iedere keer dat je ze oproept, pas je ze aan. Onze standpunten van nu bepalen namelijk onze herinneringen van vroeger. Krijg je bijvoorbeeld kinderen, dan veranderen de herinneringen aan je eigen jeugd. Stel, je vond je ouders vroeger heel autoritair. Maar als je zelf duidelijke regels voor je kinderen gaat stellen, lijkt je eigen opvoeding opeens een stuk minder streng. Terugkijkend herinner je je vader en moeder dan opeens als ‘tamelijk makkelijk’. Zo kunnen herinneringen in de loop van de tijd daadwerkelijk een andere invulling krijgen.”

Neuroloog en specialist slaapgeneeskunde Hans Hamburger is oprichter van het Amsterdam Slaap Centrum in Boerhaave Medisch Centrum.
“Gebrek aan slaap is funest voor je geheugen. Dat zit zo. Overdag sla je van alles op in je kortetermijngeheugen, ook wel het werkgeheugen genoemd. Tijdens je slaap reorganiseert je brein die informatie. Belangrijke en onbelangrijke zaken worden van elkaar gescheiden. Relevante kennis en ervaringen krijgen een vaste plek in het langetermijngeheugen. Gemiddeld hebben volwassenen zeven à acht uur slaap nodig om dat probleemloos te regelen. Bij minder dan zes uur kom je echt tekort en gaat het proces haperen.
Overigens is het voor een goed geheugen niet alleen de duur, maar ook de kwaliteit van je nachtrust belangrijk. Om dingen langer te kunnen onthouden, moet je namelijk alle fasen van de slaapcyclus doorlopen. Voor het geheugen is vooral de diepe slaap belangrijk. Die heb je voornamelijk in de eerste helft van de nacht. Daar komen ouderen in de problemen; zij slapen over het algemeen lichter. Het zou één van de redenen kunnen zijn dat hun kortetermijngeheugen en concentratie minder goed werken. Hetzelfde geldt trouwens voor adolescenten die minder dan negen à tien uur slapen. Zoveel slaap heb je in de puberteit namelijk nodig.
Recent hebben wetenschappers nog iets belangrijks ontdekt. Tijdens je slaap voeren de hersenen giftige stoffen af. Op die manier spoelen ze zichzelf als het ware schoon. Eén stofje dat ‘s nachts wordt opgeruimd, is beta-amyloïd. Dat schadelijke eiwit speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van Alzheimer. Slaap je onvoldoende of slecht, dan is het brein niet goed in staat om zich daarvan te ontdoen. Het gevaar: schade aan zenuwcellen, met mogelijk geheugenproblemen of dementie tot gevolg.
Tot slot nog een grappig weetje: hoe belangrijk slaap ook voor ons geheugen is, we hebben geen geheugen voor de slaap zelf. Je onthoudt het wel als je ‘s nachts meerdere keren wakker bent geweest, maar niet hoe lang dat was. ‘s Ochtends heb je dan vaak het idee dat je heel lang wakker hebt gelegen, terwijl dat feitelijk meestal maar een paar seconden per keer was.”

GZ-psycholoog Ad de Jongh, hoogleraar Angst- en Gedragsstoornissen aan de Universiteit van Amsterdam, introduceerde in 1993 EMDR in Nederland.
“Een nare herinnering kun je niet zomaar uit je geheugen wissen. Maar de — vaak heftige — emotionele lading die daarbij hoort wel. Denk aan intense angst of overweldigend schuldgevoel of verdriet. Met een speciale behandeling, Eye Movement Desensitization and Reprocessing — kortweg EMDR —, neutraliseer je die gevoelens. Je kunt de herinnering daarna nog wel terughalen, maar het beeld is minder helder en je voelt er nauwelijks nog iets bij. Soms lijkt het zelfs alsof de herinnering toch is gewist.
Hoe dat werkt? Een speciaal hiervoor opgeleide psycholoog vraagt je om aan een traumatische gebeurtenis terug te denken. Bijvoorbeeld een beangstigende ervaring die je als kind bij de tandarts had, waardoor je een tandartsfobie hebt ontwikkeld. Terwijl je dat beeld voor de geest haalt, leidt de therapeut je af. Dat kan door zijn vingers snel voor je gezicht heen en weer te bewegen en je te vragen die met je ogen te volgen. Maar een koptelefoon waarin je afwisselend links en rechts een geluid hoort, werkt ook.
Op het moment dat je een nare herinnering oproept, verplaats je hem van het langetermijngeheugen naar je werkgeheugen. De capaciteit daarvan is beperkt: je kunt niet tegelijk een traumatisch beeld in gedachten houden én bang zijn én je op de snel bewegende hand van de therapeut concentreren. Dat gegeven creëert de mogelijkheid om de herinnering op een andere manier op te bergen. Vergelijk het maar met een Word-document dat je opent, aanpast en opnieuw op de harde schijf opslaat. De herinnering is niet weg, maar herzien. Je er minder of geen last meer van.
Bij mensen die eenmalig iets ingrijpends hebben meegemaakt, is één sessie EMDR vaak al genoeg. Na langdurig trauma, waarbij je veel verschillende herinneringen moet neutraliseren, duurt de behandeling meestal langer. Gaandeweg merk je dat de beelden aan kracht verliezen en het steeds gemakkelijker wordt om er zonder nare emoties aan terug te denken. Deze aanpak is bewezen effectief. Niet voor niets is EMDR de eerste-keus-behandeling bij posttraumatische stress.”
Meer informatie: emdr.nl.  

Psycholoog en kunsthistoricus Cretien van Campen is schrijver van het boek Gekleurd verleden — Verhalen over het geheugen van de zintuigen.
“Het parfum van je oma. De zweetlucht in de gymzaal op school. De appeltaart die je moeder vroeger altijd voor je verjaardag bakte. Iedereen heeft zijn eigen geuren die intense herinneringen oproepen. Soms zelfs van gebeurtenissen die je ogenschijnlijk al lang was vergeten. Smaken en geluiden — muziek — doen dat trouwens ook. Maar geuren zijn kampioen herinneren. Van alle zintuigen zijn zij het best in staat om ervaringen terug te halen. Vermoedelijk omdat het geurcentrum in het brein dichtbij het emotiecentrum ligt. De lijntjes zijn dus kort, waardoor er gemakkelijk een sterke verbinding wordt gemaakt tussen een voorval, een geur en een gevoel. Tezamen een krachtige mix, die een herinnering stevig vastlegt. Hoe sterker de bijbehorende emotie, hoe beter dat gebeurt. Veel later kan een geur dan een deurtje openen waar woorden geen toegang tot hebben. Vandaar ook, dat bij mensen met dementie zintuiglijke herinneringen het langst in tact blijven.
Er is trouwens nog een reden waarom zintuigen vaak de snelste weg naar een herinnering zijn. Eerste indrukken laten de diepste sporen in het geheugen na. Dat gebeurt bij volwassenen anders dan bij kinderen. In de eerste tien jaar van je leven, waarin je veel dingen voor het eerst meemaakt, hebben de zintuigen bij dat proces de overhand. Dat komt omdat je brein pas na je tiende voldoende taalvaardigheden heeft om ervaringen in woorden en verhalen op te slaan. Anders gezegd: kinderen linken emotionele gebeurtenissen veel sterker aan luchtjes en andere zintuiglijke indrukken. Het verklaart waarom die je zo vaak terugbrengen naar je jeugd. Ze vormen als het ware een tijdreismachine.
Zo bezien is het vreemd dat psychologen en psychiaters niet vaker ‘geurtherapie’ gebruiken. Je lost daarmee weliswaar geen problemen op, maar het kan wel helpen om gevoelsluikjes te openen. Mits je daar de tijd voor neemt en het met volle aandacht doet. Even boven een bord Brinta gaan hangen terwijl ondertussen over je werk piekert, werkt niet.” 

 Neurowetenschapper en geheugentrainer Boris Konrad is wereldrecordhouder namen onthouden en schrijver van het in september verschenen boek De geheimen van ons geheugen.
“Iedereen kan zijn geheugen verbeteren. Kijk maar naar Antoinette Hertsenberg, die ik eerder dit jaar zes weken heb getraind. Aan het eind van die periode kon ze binnen vijf minuten de volgorde van een geschud pak van 52 kaarten uit haar hoofd leren en won ze de titel van beste nieuwkomer op een internationale geheugenwedstrijd in Londen.
De sleutel om dingen beter te gaan onthouden? Dat is leren denken in beelden. Op die manier verbind je taal met taferelen die al in je brein verankerd zitten. Zo maak je als het ware een directe link naar je lange termijngeheugen. Dat werkt het beste als je er een verhaaltje bij bedenkt en de bijbehorende plaatjes koppelt aan een vaste route die je in gedachten langsloopt. Bijvoorbeeld door een kamer in je huis. Je zult zien dat dat je helpt om dingen langer te onthouden. Mooi meegenomen: het is zo ook nog eens makkelijker om feiten in de juiste volgorde terug te halen.
Mijn fascinatie met het geheugen begon op de middelbare school. In aanloop naar mijn eindexamen leek het me handig om kennis sneller te leren onthouden. Ik vond het zo leuk dat ik geheugensport ben gaan doen. Wereldwijd zijn daar duizenden mensen in actief. Uiteindelijk ben ik met het Duitse team zeven keer wereldkampioen geworden. Individueel heb ik ook verschillende titels behaald. Ik sta zelfs vier keer in het World Guinness Book or Records.
‘Maar je kunt al die feiten toch ook op internet opzoeken?’, hoor ik vaak. Natuurlijk, maar daarmee doe je je hersenen geen plezier. Net als voor de rest van je lichaam geldt voor je brein: use it or lose it. Hoe minder je het gebruikt, hoe meer verbindingen er verloren gaan en hoe groter de kans op geheugenproblemen. Bovendien stimuleert het gebruik van geheugentechnieken de creativiteit. Redenen genoeg om lekker te gaan oefenen!”
Op boriskonrad.nl vind je verschillende filmpjes waarin Konrad concreet uitlegt hoe de geheugentechniek van de denkbeeldige reis zelf kunt gebruiken.  

 

ALLES OVER ALZHEIMER

28 Jan

jpg

Gepubliceerd in Radar+, december 2018

Ruim een kwart miljoen Nederlanders lijdt aan een vorm van dementie. 70 procent van hen heeft de ziekte van Alzheimer. Onderzoekers werken keihard aan een oplossing, maar helaas kun je nog niet van genezen. Toch gloort er volgens neuroloog Philip Scheltens hoop. “Die doorbraak gaat er komen.” 

Prof. dr. Philip Scheltens, neuroloog en directeur van het Alzheimer Centrum van het Amsterdam UMC: “Naar bijvoorbeeld kanker wordt al decennialang onderzoek gedaan. Maar de speurtocht naar de oorzaak en behandeling van dementie is eigenlijk pas in de jaren ’80 serieus van de grond gekomen. Sindsdien hebben we veel stappen gezet. Zo kunnen we steeds eerder en nauwkeuriger een juiste diagnose stellen. We begrijpen beter hoe het ziekteproces werkt. En we kennen een groot aantal genetische factoren dat Alzheimer veroorzaakt dan wel het risico erop verhoogt. Dat alles maakt dat een werkzame therapie steeds dichterbij komt.”
Een kijkje in de hersenen
“Zekerheid over de diagnose is een groot goed. Het geeft patiënten – en hun omgeving – de gelegenheid om hun aandoening te accepteren en ermee te leren omgaan. Als er meer tijd is om de benodigde zorg goed te regelen, kunnen patiënten bovendien langer thuis blijven wonen.
In de meeste gevallen zien we in het hersenvocht of iemand Alzheimer heeft of niet. De uitkomst is echter niet altijd duidelijk. Dan biedt een zogenaamde PET-scan uitkomst. Een patiënt krijgt daarbij een kleine hoeveelheid radioactieve stof ingespoten, die zich vasthecht aan de Alzheimer-eiwitten in de hersenen. Op de scanner licht die stof op, zodat we precies weten waar de grootste problemen zitten en hoe die zich ontwikkelen. Iets wat met een hersenvochttest niet kan.
Een PET-scan geeft dus een duidelijker diagnose. Bovendien kun je erop zien of medicijnen effect hebben of niet. Dat is vooral voor het onderzoek naar nieuwe medicatie belangrijk. Tot voor kort werd de PET-scan bij Alzheimer alleen in onderzoeksverband ingezet. Maar nu hij officieel voor diagnostisch gebruik is goedgekeurd, gaan steeds meer ziekenhuizen hem in de dagelijkse praktijk toepassen.”
Speuren in het bloed
“Afgelopen september was er een hoop te doen om een nieuwe bloedtest die we in het Amsterdam UMC hebben ontwikkeld. Naar verwachting kunnen we die binnen twee jaar gebruiken om de ziekte van Alzheimer in een vroege fase vast te stellen en het verloop ervan beter te volgen. Een belangrijk voordeel is dat bloedprikken voor de patiënt veel minder belastend is dan een hersenvochtonderzoek of een PET-scan. Let wel: dat betekent niet dat we op grote schaal bij mensen gaan testen of ze in de toekomst misschien Alzheimer krijgen. Zolang er geen doeltreffende behandeling is, heeft dat namelijk helemaal geen zin. De meerwaarde van de test zit hem vooral in de voorselectie: bij welke mensen met geheugenklachten moeten wel een belastend hersenvochtonderzoek doen en bij welke is dat niet nodig? Daarnaast helpt de bloedtest ons om patiënten te selecteren die baat kunnen hebben bij deelname aan wetenschappelijk onderzoek.”
Niet één oplossing
“Sinds eind jaren ’90 zijn er enkele medicijnen op de markt, die Alzheimer-klachten enigszins verlichten. Sommige patiënten ervaren een verbetering in bijvoorbeeld denken en herinneren. Helaas geldt dat voor minder dan de helft van alle mensen met Alzheimer. Vooraf valt niet te voorspellen wie baat de middelen heeft en wie niet.
Beschadigd of verdwenen hersenweefsel met medicatie herstellen kunnen we nog niet. Dat proces is vooralsnog onomkeerbaar. Vandaar dat we met man en macht zoeken naar middelen die de ontwikkeling van Alzheimer – en daarmee van de verwoestende effecten van de ziekte – al in een vroeg stadium stoppen om zo permanente schade te voorkomen.
Wie de krant leest, denkt misschien dat we daarbij weinig vooruitgang boeken. Niets is minder waar. Voor alle mislukte onderzoeken was achteraf een goede verklaring. Daar leren we van. Momenteel lopen er wereldwijd verschillende veelbelovende studies die ons binnen een paar jaar laten zien of we nu wél op de goede weg zijn. Hopelijk brengen ze ons weer een stap dichterbij een oplossing.
Overigens is Alzheimer zo complex dat er nooit één pil tegen zal komen. De toekomst ligt in personalized medicine: maatwerk voor iedere patiënt, waarbij je de ziekte op verschillende manieren tegelijk aanpakt. Of het nu over vijf of over vijftien jaar is, we gaan het antwoord vinden.”
Gezond leven
“Met het ouder worden krijgen we in principe allemaal Alzheimer-eiwitten in ons brein. Maar niet iedereen krijgt daar ook last van. Of dat wel of niet gebeurt, hangt mede af van de conditie van je bloedvaten. Hoe slechter die eraan toe zijn, hoe groter de kans op problemen. Vandaar dat het zo belangrijk is om hart- en vaten gezond te houden. Óók om Alzheimer te voorkomen. Het bewijs? Dankzij de grootschalige aanpak van hoge bloeddruk, suikerziekte en hoog cholesterol is het aantal Alzheimer-patiënten de afgelopen jaren iets minder hard gestegen dan verwacht. 

Door gezond te leven, kun je zelf je risico op Alzheimer verlagen. Dat betekent: niet roken, een gezond dieet en gewicht en voldoende bewegen. Dat heeft altijd zin, ook als je bijvoorbeeld al in de vijftig of zestig bent. Verder doe je er verstandig aan om regelmatig je bloeddruk te laten checken. Begin daarmee vanaf je 30ste. Want hoe eerder je een eventuele hoge bloeddruk behandelt, hoe meer schade je voorkomt.” 

[Kader]
Online hulp voor mantelzorgers
Dementie heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor de patiënt, maar ook voor de mensen om hem heen. Ongeveer 70 procent van de mensen met dementie wordt thuis verzorgd door partners, kinderen of anderen in de naaste omgeving. In totaal zijn er meer dan een miljoen mantelzorgers in Nederland die direct met de ziekte te maken hebben. 54 procent is zwaar belast, blijkt uit onderzoek. Voor hen is er dementie.nl van Alzheimer Nederland. Op deze site vind je informatie, hulp, advies en ervaringsverhalen. Er is ook een online cursus ‘Omgaan met veranderend gedrag’. Die laatste biedt ook DementieOnline.nl, een initiatief van GGZ Noord-Holland Noord en alle verpleeghuizen in de regio Noord-Holland Noord. Vanachter hun computer leren mantelzorgers beter omgaan met het veranderende gedrag van hun naaste en met hun eigen emoties. Cursisten krijgen begeleiding van een persoonlijke coach.

[Kader]
Feiten en cijfers

  • Ruim 270.000 Nederlanders hebben dementie. Sinds 1950 is dat aantal meer dan vervijfvoudigd. De komende decennia zal het verder stijgen tot naar verwachting meer dan een half miljoen in 2045.
  • Naar schatting is bij meer dan 100.000 Nederlanders de diagnose nog niet gesteld. Zij lijden aan dementie, maar weten het (nog) niet.
  • De kans op dementie neemt sterk toe met de leeftijd. Eén op de tien 65-plussers heeft dementie. Van de 80-plussers zijn dat er twee op de tien en van de 90-plussers zelfs vier op de tien. Zo’n 5 procent van de patiënten is jonger dan 65.
  • Mannen krijgen vaker dementie dan vrouwen. 1 op de 7 mannen krijgt ermee te maken, 1 op de 3 vrouwen.
  • Mensen met dementie leven gemiddeld acht jaar met de ziekte. 
  • In 2015 (de laatst bekende cijfers) bedroegen de zorgkosten voor mensen met dementie 4,8 miljard euro. Dat is 5 procent van de totale kosten voor de gezondheidszorg.

Bron: Alzheimer Nederland.

12 VRAGEN OVER ARTROSE

28 Jan

Gepubliceerd in Plus, januari 2019 (Illustratie: Coen Braber)

Meer dan een miljoen Nederlanders hebben gewrichtspijn door artrose. Vaak worden ze bang om te bewegen. Terwijl het juist zo belangrijk is om dat wél te blijven doen, aldus orthopedisch chirurg Sjoerd Bulstra. 

1. Wat is artrose?
Orthopedisch chirurg Sjoerd Bulstra, hoofd van afdeling orthopedie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG): “Een gewricht is een scharnierverbinding tussen twee botten. Je knie, heup, schouder en elleboog bijvoorbeeld. Maar je vindt gewrichten op veel meer plekken in je lichaam, zoals in je nek, rug, handen en voeten. De uiteinden van de botten die in het gewricht samenkomen, zijn bedekt met een laagje kraakbeen. Bij veroudering wordt het kraakbeen dunner en stugger. Daardoor bewegen de botten in het gewricht minder soepel langs elkaar, met mogelijk pijn en stijfheid tot gevolg. Dit natuurlijke proces kan versnellen of verergeren door schade aan een gewricht. Denk aan gescheurde enkel- of kniebanden, of een kapotte meniscus in de knie. Hoe dunner en stugger het kraakbeen is, hoe groter de kans op letsel.”

2. Is het een vorm van reuma?
“Als het in de volksmond over reuma gaat, bedoelt men meestal reumatoïde artritis. Dat is iets anders dan artrose. Bij reumatische aandoeningen is er sprake van een chronische ontsteking van gewrichten. Bij artrose is dat niet het geval. Wel kan het aangedane gewricht bij artrose kortdurend acuut ontsteken, bijvoorbeeld na een verzwikking. Maar met ontstekingsremmende pijnstillers ben je daar meestal binnen twee weken vanaf.” 

3. Komt artrose veel voor?
“Heel veel! Bij naar schatting 1,2 miljoen Nederlanders heeft de huisarts artrose vastgesteld, twee keer zoveel vrouwen als mannen. Vermoedelijk hebben nog veel meer mensen de aandoening, zonder dat zij een officiële diagnose hebben gekregen. Meestal blijven de klachten beperkt tot een of enkele gewrichten. In ongeveer de helft van de gevallen zit de artrose in de knie. De pijn en stijfheid zijn het ergst als iemand na een periode van rust weer in beweging komt. In de ochtend hebben patiënten bijvoorbeeld vaak ‘startpijn’. Na het opstaan vermindert die over het algemeen binnen een half uur.”

4. Hoe ouder, hoe groter de kans?
“Artrose is inderdaad een ouderdomsklacht; verreweg de meeste patiënten zijn boven de 55 jaar. Maar je kunt ook op jongere leeftijd klachten als gevolg van artrose krijgen. Bijvoorbeeld als je er aanleg voor hebt, lichamelijk zwaar werk doet, je door een blessure schade aan een gewricht oploopt of je je gewrichten door intensief sporten buitensporig belast.”

5. Waarom hebben vrouwen er vaker last van dan mannen?
“Dat weten we niet precies. Het zou kunnen dat hormoonschommelingen invloed hebben op het slijtageproces. Daar moet nog meer onderzoek naar worden gedaan.”

6. Wanneer is het verstandig om met gewrichtspijn naar de huisarts te gaan?
“Als het gewricht waar je last van hebt gezwollen, warm en/of rood is. Of als de pijnklachten langer dan twee weken aanhouden.”

7. Kun je ervan genezen?
“Nee. Maar met de juiste aanpak zijn de klachten meestal wel goed te managen. Het allerbelangrijkste om te blijven bewegen. Patiënten durven dat vaak niet, uit angst voor pijn. Of ze vrezen dat ze het probleem erger maken. Het tegenovergestelde is echter het geval. Door te trainen, krijg je weliswaar geen kraakbeen terug, maar je kunt de spieren eromheen wel versterken. Dat komt de controle over het gewricht en de stabiliteit ten goede. Een fysiotherapeut kan je daarbij helpen. Houdt de pijn aan, dan kun je die bestrijden met paracetamol of een pijnstillende gel. In het ergste geval biedt een operatie uitkomst. Het aangedane gewricht wordt dan vastgezet in een goede stand, of vervangen door een prothese. Maar dat is een laatste redmiddel.”

8. Werken pijnstillende tabletten en smeersels even goed?
“(Huis)artsen schrijven bij artrose vaak langdurig ontstekingsremmende pijnstillers voor, zoals ibuprofen, diclofenac of naproxen — verzamelnaam: NSAID’s. Dat is echter zelden nodig, want artrose is zogezegd geen ontstekingsziekte. Die behandeling is bovendien niet zonder risico’s. NSAID’s kunnen bij langdurig gebruik namelijk allerlei nare bijwerkingen geven, zoals maagbloedingen en en nierproblemen. Beter is om bij aanhoudende pijn vier keer per dag een paracetamol te nemen. Voor veel patiënten biedt dat voldoende verlichting. Een alternatief is een NSAID-gel op het aangedane gewricht te smeren. Die werkt over het algemeen even goed als een NSAID in de vorm van een tablet of zetpil. De belangrijkste bijwerking van zo’n gel is irritatie of een allergische reactie van de huid. Je kunt paracetamol en een NSAID-gel ook in combinatie gebruiken.”

9. Heeft het zin om een brace te dragen?
“Bij artrose in de knie wordt het gewricht vaak minder stabiel. Het kan dan helpen om ter ondersteuning een kniebrace te gebruiken, maar alleen als je óók de spieren rond je knie traint om sterker te worden. Doe je dat niet, dan maakt een brace het gewricht alleen maar lui, met extra slijtage tot gevolg. Uiteindelijk ben je dan nog verder van huis.” 

10. Helpt een speciaal dieet tegen artrose?
“Helaas niet. Alleen bij jicht — een bepaalde vorm van reuma — kunnen sommige voedingsmiddelen zoals alcohol, vlees, vis of suikers, mogelijk een aanval (mede) uitlokken. Maar bij andere gewrichtsproblemen is er geen enkel bewijs dat een dieet klachten kan verergeren of juist verminderen.”

11. En een glucosaminesupplement?
“Glucosamine is een lichaamseigen stofje, dat in bijna al je weefsels voorkomt. Bij artrose lijkt een supplement met glucosaminesulfraat een mild pijnstillend effect te kunnen hebben. Ongeveer de helft van de patiënten heeft daar baat bij. Als je glucosamine wilt proberen, kies dan voor een supplement van 1500 mg — de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Gebruik dat gedurende drie maanden. Merk je geen verschil? Dan kun je ervan uitgaan dat het middel bij jou niet tegen de pijnklachten helpt.”

12. Kun je verder zelf iets doen om artrose te voorkomen?
“Met het ouder worden treedt er nu eenmaal slijtage op. Dat helemaal voorkomen lukt niet. Maar je kunt wel een aantal dingen doen om je gewrichten zo goed mogelijk te beschermen.

  • Blijf bewegen. Dat zorgt ervoor dat je minder stijf wordt. Het oude adagium ‘rust roest’ geldt bij  artrose zeker. Hoe minder je je gewrichten gebruikt, hoe erger de klachten worden.
  • Ga voor een gezond gewicht. Als je te zwaar bent, moeten je gewrichten meer kilo’s dragen met meer slijtage tot gevolg. Voor afvallen geldt: alle beetjes helpen. De belasting van heupen, knieën en rug neemt met een paar kilo al af.
  • Pas op met belastende sporten zoals volleybal en voetbal, waarbij je gemakkelijk letsel aan gewrichten kunt oplopen. Zulke schade kan artrose veroorzaken of verergeren. Wandelen, fietsen en zwemmen zijn juist goed voor je gewrichten.”
20 Jan

19-03 martoeska raakte in locked in jpg

Gepubliceerd in Margriet nr. 3, januari 2019. Foto’s: Mariel Kolmschot.

Opeens kon ze helemaal niets meer, behalve met haar ogen knipperen. Martoeska Molenveld over de extreem angstige locked-inperiode, die haar leven totaal op z’n kop zette.

 “Het was geen nachtmerrie, dit gebeurde het echt. Op zondag 25 februari vorig jaar werd ik wakker en kon ik niet meer bewegen of praten. Aanvankelijk was ik vooral verbaasd. Wat overkomt me nu? Hoe hard ik ook probeerde, niets werkte meer. Mijn armen, mijn benen, mijn hoofd; ze lagen roerloos op het matras. Ik zat opgesloten in mijn eigen lichaam. Er is iets serieus mis, realiseerde ik me. Uit angst begon ik te schreeuwen. In mijn hoofd, want er kwam geen enkel geluid uit mijn mond. Toen sloeg de paniek in alle hevigheid toe. Ik was er zeker van dat mijn laatste uur had geslagen. Het witte licht zal zo wel komen, dacht ik. Ik kon niemand waarschuwen, geen afscheid nemen.
Hoe lang ik daar in mijn eentje heb gelegen, weet ik niet precies. Maar uiteindelijk kwam mijn man, die onwetend beneden zat, bij me kijken. Net op tijd, want door een verlamde tong had ik gemakkelijk kunnen stikken. Hij belde meteen 112. Met mijn ogen probeerde ik hem duidelijk te maken dat ik alles meekreeg. ‘Ze puilden bijna uit hun kassen van angst,’ vertelde hij achteraf.
Bij de eerste hulp stond een hele batterij zorgverleners op me te wachten om allerlei onderzoeken te doen. Toen een verpleegkundige me pijn deed, kon ik niets zeggen. Ook niet toen ik even later – met mijn claustrofobie – in een scanner werd geschoven. Niemand die me uitlegde wat er met me aan de hand was. Dat ik het locked-in-syndroom had, zoals het officieel heet. Als ik eraan terugdenk, krijg ik het weer benauwd. Maar ik moest me wel aan de situatie overgeven. Wat kon ik anders? Op dat moment telde maar één ding: overleven. ‘We moeten bespreken hoe nu verder’, hoorde ik een arts tegen mijn man en dochter zeggen. Ze gaan mijn uitvaart al regelen, dacht ik. Terwijl ik hier wakker naast ze lig. Ik voelde me levend begraven.”
Bloedprop
“Het begon allemaal een maand eerder. Omdat ik al jaren last had van hartritmestoornissen, werd ik behandeld met een ablatie. Dat is een techniek waarbij een gespecialiseerde cardioloog via de lies een dun buisje in het hart brengt. Eenmaal daar schakelt hij de stukjes weefsel die de ritmeproblemen veroorzaken uit door er littekens in te branden. Het is een relatief kleine ingreep; normaal gesproken mag je dezelfde dag weer naar huis. Maar kort na de operatie daalde mijn bloeddruk plotseling drastisch en raakte ik in shock. Met een rotvaart werd ik teruggebracht naar de operatiekamer. Daar bleek dat de cardioloog per ongeluk een gaatje te veel had gebrand, waardoor er bloed in het hartzakje was gekomen. Vanaf dat moment ging alles fout. Zo kreeg ik een infectie en had ik helse pijnen op mijn borst. In totaal ben ik in twee maanden zes keer opgenomen geweest. De klachten bleven. Uiteindelijk kwam daar dus ook nog een herseninfarct bij; de reden dat ik die zondagochtend in februari ineens niet meer kon bewegen en praten. Er bleek een bloedprop in mijn hersenstam te zitten, waardoor mijn brein niet meer met de rest van mijn lichaam kon communiceren.
Opnieuw werd ik met razende spoed naar de operatiekamer gereden, deze keer om de prop weg te zuigen. Net toen de specialist met de ingreep wilde beginnen, kreeg ik een warm gevoel in mijn hoofd. Ineens kon ik weer een beetje bewegen! Bizar genoeg beval de arts me om me niet te verroeren, anders zou er iets mis kunnen gaan. Gelukkig kon ik bijna tegelijkertijd ook weer praten, zij het slepend en traag, waarna werd besloten dat de ingreep niet meer nodig was – de bloedprop was vanzelf losgeschoten. Wonder boven wonder was ik spontaan uit het locked-insyndroom gekomen, iets wat zelden gebeurt.”
Geen lotgenoten
“Na het infarct heb ik nog vier weken in het ziekenhuis gelegen. Want hoewel ik ‘maar’ zes uur locked-in had gezeten, was de impact groot. Zeker in combinatie met alle complicaties van mijn hartingreep. Lichamelijk was ik flink verzwakt. En hoewel ik geestelijk in principe niets mankeerde, had ik door alle dramatische gebeurtenissen wel een trauma opgelopen. De eerste weken thuis durfde ik niet meer in mijn eigen bed te slapen. Zonder kalmerend middel lukte dat trouwens sowieso niet. Voor hij ’s ochtends vroeg naar zijn werk ging, moest mijn man checken of ik oké was. Want wat als ik weer locked-in wakker zou worden?
Met behulp van een fysiotherapeut en een ergotherapeut bouwde ik langzaam mijn kracht op. Als onderdeel van de revalidatie heb ik ook een aantal keren met een psycholoog gepraat. Verder heb ik het vooral zelf moeten verwerken. Lotgenoten zijn er amper; Nederlanders die volledig van het locked-insyndroom zijn hersteld, kun je geloof ik op één hand tellen.
Mijn arts adviseerde me om de film The diving bell and the butterfly te kijken, over een locked-in man die met het knipperen van één oog een boek wist te schrijven. Het was voor mij haast ondoenlijk om de beelden te zien. Want die man in zijn bed, dat was ik geweest als ik er niet uit was gekomen. De film was zo realistisch en intens, dat ik hem een paar keer moest stoppen om mijn paniek te laten zakken. Toch heb ik hem afgekeken. Hij deed me namelijk nog maar eens beseffen hoeveel mazzel ik eigenlijk heb gehad. Elke dag ben ik dankbaar voor deze tweede kans. De tijd die me nog rest, wil ik zo positief mogelijk invullen.”
Eigen weg
“Bijna een jaar later ben ik nog steeds verbijsterd over wat me allemaal is overkomen. Inmiddels heb ik wel het gevoel dat ik sterker uit de strijd ben gekomen. Lichamelijk ben ik bijna helemaal de oude. Ik rijd weer auto en kan alles doen wat ik wil. Meer dan voorheen kies ik nu voor mezelf, voor wat ík nodig heb, wat ík wil. Deze ervaring heeft me echt wakker geschud; ik laat me niet langer schofferen of voor iemands karretje spannen. Zelf voel ik me daar veel beter bij. Maar helaas kan niet iedereen de nieuwe Martoeska waarderen. Mijn man en twee dochters zeggen dat het herseninfarct me heeft veranderd. In plaats van dat de gebeurtenis ons als gezin dichter bij elkaar heeft gebracht, is er juist meer afstand tussen ons ontstaan. Het heeft er zelfs toe geleid dat ik op het moment in scheiding lig. Daar ben ik ongelooflijk verdrietig over. En ook boos. Het voelt zo oneerlijk.
Tot zover de somberheid. Na alles wat ik heb meegemaakt, is het gemakkelijk om in de ellende te blijven hangen. Maar dat laat ik niet gebeuren. Natuurlijk ben ik geregeld bang. Meerdere keren per dag zelfs. Dan controleer ik even of ik alles nog kan bewegen. En bij hoofdpijn denk ik meteen het ergste. Desondanks kies ik ervoor om de angst mijn leven niet te laten beheersen. Hoe ik dat doe? Door me op de positieve dingen te richten. Op de vriendinnen die er voor me waren en zijn. En door op mijn 54ste eindelijk mijn eigen weg te gaan. Nu is het mijn tijd. Ik ga daar het beste van maken.”

[Kader]
Wat is het locked-insyndroom?
In Nederland zijn er naar schatting zo’n 120 mensen met het locked-insyndroom, kortweg LIS. Zij zijn (vrijwel) volledig verlamd; ze kunnen niet praten en niet of nauwelijks bewegen. Maar geestelijk mankeren ze niets. LIS-patienten zien, horen, voelen, ruiken en proeven namelijk als ieder ander. LIS kan op verschillende manieren ontstaan. Doordat een bloedprop of een tumor de communicatie tussen de hersenen en de rest van het lichaam verhindert. Of als gevolg van een andere aandoening (zoals een hoge dwarslaesie of de spierziekte ALS). Dat mensen uit LIS komen en volledig herstellen, zoals Martoeska, is uiterst zeldzaam. 

[Kader]
The diving bell and the butterfly
Het is haast onmogelijk om je voorstellen hoe het voelt om opgesloten te zitten in je eigen lichaam. Maar na het kijken van de beklemmende film The diving bell and the butterfly heb je een beetje een idee. Nadat de hoofdredacteur van het Franse modeblad Elle, Jean-Dominique Bauby, eind 1995 werd getroffen door een beroerte, kon hij alleen zijn linkerooglid nog bewegen. Een therapeute met engelengeduld ontwikkelde een methode om met hem te communiceren. Zij dicteerde een speciaal alfabet dat begon met de letters die het meest voorkomen in het Frans. Als ze de letter oplas die Bauby bedoelde, knipperde hij met zijn ene oog. Zo schreef Bauby, letter voor letter, een boek. Een paar dagen na het verschijnen daarvan overleed hij. Bauby’s boek werd in 2007 verfilmd als The diving bell and the butterfly. De film is te zien op Pathé Thuis.

LEVENSLESSEN VAN BURGEMEESTER ERICA VAN LENTE

20 Jan

erica van lente jpg

Gepubliceerd in Trouw, 19 januari 2019. (Foto: Merlijn Doomernik.)

Met haar 39 jaar is Erica van Lente een van de jongste burgemeesters van Nederland. ‘Hoe gaat het nu écht met je, vraag ik mensen vaak.’

Les 1: Burgemeesters zijn (niet langer) blanke 55-plus-mannen
“In het kader van het Nationaal Schoolontbijt had ik begin november groep 5 van de Bedumse Regenboogschool op bezoek. Nadat ik had verteld hoe mijn dag als burgemeester er uitziet, stak een jongetje zijn vinger op. ‘Kunnen jongens dit werk ook doen?’, vroeg hij. Mijn hart maakte een sprongetje. Op dit moment is slechts één op de vijf burgemeesters vrouw. De gemiddelde leeftijd van onze burgervaders en -moeders is 55-plus. Gelukkig wordt het bestand ieder jaar diverser. Mooi dat ik daar mijn steentje aan kan bijdragen. Overigens dromen maar weinig kinderen ervan om burgemeester te worden. Ik in ieder geval niet. Mijn wieg stond op de zevende verdieping van een flat aan de Kraaiesteinlaan in Arnhem. Nog voor mijn tweede verjaardag verhuisden we naar Lelystad, toen een verlaten vlakte met een paar nieuwbouwhuizen waarvan wij er één betrokken. We gingen daar wonen omdat mijn vader aan de slag ging als boordwerktuigkundige bij KLM. Dat is, naast de piloot en de co-piloot, de derde man in de cockpit, verantwoordelijk voor alle technische zaken. Omdat hij vloog, was mijn vader veel weg. Eerlijk gezegd vond ik dat prima; door zijn christelijke achtergrond was hij als ouder serieus en streng. Bij mijn moeder, afkomstig uit een socialistisch nest, was het juist vrijheid, blijheid. Die combinatie heeft me gemaakt tot een nieuwsgierige en ondernemende socialist met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ik had het als meisje niet kunnen verzinnen, maar die eigenschappen die perfect passen bij een burgemeester.”

Les 2: Het leven loopt altijd anders dan je denkt
“Als kind piekerde ik wel eens over het werk van mijn vader, bang dat hij met zijn vliegtuig zou neerstorten. Dat mijn moeder ook dood kon gaan, daar stond ik nooit bij stil. Maar op zondag 19 juli 1992 gebeurde het onvoorstelbare. ‘Het voelt alsof er iets in mijn hoofd is geknapt’, zei mijn moeder toen ze uit onze moestuin kwam. Mijn vader en ik zaten voor de tv om de finish van de Alpe d’Huez te zien, de touretappe die de Amerikaan Andy Hampsten dat jaar zou winnen. We keken er niet van op dat mijn moeder met hoofdpijn op bed ging liggen; ze had al jaren last van migraine. Even later hoorden we een harde bonk. Ze was op weg naar de badkamer gevallen en stond niet meer op. Mijn vader ging met haar mee in de ambulance, terwijl mijn zusje en ik bij de buurvrouw patatjes kregen. Toen hij een paar uur later terugkwam, zag ik aan zijn gezicht dat het mis was. Mijn moeder — net veertig — had een hersenbloeding gehad en was hersendood. De avond ervoor hadden we nog met z’n vieren Triviant gespeeld. Amper een dag later waren we een gezin van drie.”

Les 3: Sommig verdriet is te groot om er iets mee te kunnen
“Ik was twaalf toen mijn moeder overleed. Oud genoeg voor herinneringen, maar toch weet ik van die week niet veel meer. Mijn geheugen is gevuld met flarden, losse beelden. Van een konijn dat op het grasveld bij de ingang van het ziekenhuis hipte. Van de mooie broche die een buurmeisje bij de uitvaart droeg. Als ik eraan terugdenk, overheerst een gevoel van vervreemding. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat het allemaal echt gebeurde. Als vanzelf ging ik in de doe-modus; ik zette koffie voor iedereen, regelde slaapplekken voor de familie die kwam logeren. Bezig blijven was — en is — mijn manier om met dingen om te gaan.
Na de uitvaart pakten mijn vader, mijn zusje en ik de draad van ons leven weer op. Wat moesten we anders? Het was zomervakantie, dus ging ik met mijn vriendinnetje Marie Josee op de geplande tienertour. Hier kan ik mijn moeder dus nooit meer over vertellen, dacht ik toen we Ponypark Slagharen bezochten. Over dat gemis praten deed ik niet. Wij achterblijvers wisten ons geen houding te geven. We zaten allemaal in onze eigen rouwbubbel, onbereikbaar voor elkaar. Veel later vertelde mijn zusje hoe eenzaam ze zich toen voelde. Ik was me daar op dat moment echter helemaal niet bewust van. Het heeft me geleerd om altijd oog te hebben voor het verhaal achter een tragische gebeurtenis. ‘Hoe gaat het nu echt met je?’, vraag ik als mensen iets naars is overkomen. Niet alleen privé, maar ook als burgemeester. Ik ben niet langer bang voor ongemak en verdriet.”

Les 4: Als je iets niet leuk vindt, stop er dan mee
“Ik heb altijd makkelijk kunnen leren. ‘Ze kan wel een klas overslaan’, zeiden de meesters en juffen op de basisschool tot twee keer toe. Maar dat vonden mijn ouders niet nodig. Op het vwo deed ik in negen vakken examen, in plaats van in de verplichte zeven. Niet omdat het moest, maar omdat ik het wilde. Talen, wiskunde, biologie: ik vond alles even leuk. Op aandringen van mijn wiskundeleraar ging ik in Enschede civiele techniek studeren. Al na een paar weken wist ik: dit is niets voor mij. De tekeningen die we van een sluis in Delden moesten maken, voelden als kleuterwerk. ‘Dan stop je er toch mee’, zei mijn vader toen ik een weekend huilend thuiskwam. Op een koude winterdag in 1997, met wegen vol ijzel, verhuisde hij me van Enschede naar Groningen. Daar ging ik met groot plezier Frans studeren. Aan mijn vaders wijze advies heb ik later nog vaak teruggedacht. Bijvoorbeeld toen ik er na een paar weken werken bij de NAM achterkwam dat ik de verkeerde baan had gekozen. Ik twijfelde niet en nam ontslag. Het leven is te kort om dingen tegen je zin te doen.”

Les 5: Onbenullige politiek bestaat niet
“Mijn introductie in de politiek ging via de liefde. Mijn eerste Groningse vriendje zat in de faculteitsraad van de universiteit. Dat leek mij ook wel wat. Ik vond het spannend en eervol om te mogen meebeslissen. Bovendien kon ik er al mijn nieuwsgierigheid en betrokkenheid in kwijt. Dat smaakte naar meer. Zo belandde ik bij de PvdA. Waarom die partij? Omdat mijn vriendje daar ook actief was, ha, ha. Zonder gekkigheid: met mijn sociale hart voelde ik me er direct thuis. In 2010 kwam ik in de gemeenteraad van Groningen, ruim twee jaar later werd ik fractievoorzitter. Wat mij een goede leider maakt? Ik ben een mensenmens, investeer in relaties. Met collega’s én met burgers. Het liefst ga ik de buurt in, mee met de wijkagent of de SRV-man. Kijken wat er gebeurt, horen wat er speelt. Niets leuker dan een oplossing voor een probleem verzinnen waarmee zoveel mogelijk belangen zijn gediend. Ik ben bijvoorbeeld hartstikke trots dat ik eraan heb bijgedragen dat er in Groningen een nieuw tenniscomplex is gekomen. En dat ik in het gelovige Bedum een ‘pink drink’ voor de LHBT-gemeenschap heb georganiseerd. Zulke dingen klinken misschien onbenullig, maar voor bewoners maken ze een wereld van verschil.”

Les 6:Je moet zelf bij de wereld aanbellen
“In 2015 kwam vanuit het provinciehuis de vraag of ik wilde meedoen aan een oriëntatietraject voor nieuwe burgemeesters. Ze waren actief op zoek naar variatie: vrouwen, jongeren, zij-instromers, mensen met een niet-Nederlandse achtergrond. Een jaar lang deed ik workshops en liep ik stage bij verschillende gemeentes. Hoe meer ik me in het vak verdiepte, hoe enthousiaster ik werd. Als burgemeester ben je een spin in het web. In verbinding met anderen, maar tegelijkertijd heel vrij. Die rol is mij op het lijf geschreven. Maar de vacatures voor burgemeester liggen niet voor het oprapen. Dus stapte ik na afloop van het traject zelf naar de Groningse Commissaris van de Koning, René Paas. Ondanks mijn gebrek aan bestuurlijke ervaring maakte ik kennelijk indruk op hem, want een paar weken later droeg hij me voor als waarnemend burgemeester in Bedum. Ik wist dat die functie tijdelijk zou zijn; als gevolg van een gemeentelijke herindeling is Bedum per 1 januari opgegaan in Het Hogeland, een fusiegemeente met zo’n vijftig dorpen. Natuurlijk heb ik erover gedacht om daar opnieuw te solliciteren. Maar in Dalfsen, een compacte gemeente met een overzichtelijk aantal kernen, kan ik vaker mijn gezicht laten zien. Dat past mij beter. Extra leuk: mijn vaders familie komt oorspronkelijk uit het Dalfsense buurtschap Lenthe. Ik ga dus terug naar mijn roots.”

Les 7: Aardbevingen beschadigen meer dan alleen gebouwen
“Eén van mijn prioriteiten als waarnemend burgemeester van Bedum was: mensen met aardbevingsschade bijstaan. Wist je dat van de ruim 68.000 Groningers met meervoudige schade er zo’n 10.000 stressgerelateerde klachten hebben? Denk aan slaapproblemen, hoofdpijn en burn-out. Die stress komt door een gevoel van onveiligheid, maar vooral ook door de slopende schadeprocedures, blijkt uit onderzoek. Daar weet ik uit ervaring wel wat van. Ons huis in de stad Groningen heeft ook aardbevingsschade. De bureaucratische afwikkeling daarvan was gekmakend. Eerst werd mijn melding afgedaan als onzin. Nadat ik heel boos was geworden, kwam de erkenning er ineens wél. Zulke willekeur maakt me woest. Kortom: ik snap de onmacht, woede en frustratie van getroffen gezinnen heel goed. De hulp aan aan deze mensen kan en moet echt beter. Ik hoop dat ik daar op mijn manier een steentje aan heb bijgedragen. Door naar bewoners te luisteren en ze serieus te nemen. En door ze waar nodig praktische hulp te bieden. Bijvoorbeeld in de vorm van de juiste contactpersonen. Ook al ga ik nu uit het gebied weg, ik blijf het dossier volgen. Want de zorg voor de Groningse gedupeerden is de verantwoordelijkheid van ons allemaal.”

[Kader]

Na haar studie Frans werkteErica van Lente(Arnhem, 1979) in diverse functies bij Gasunie, het Agentschap Telecom en de stichting VerbindDrenthe (een platform voor breedbandinternet). Van 2010 tot 2014 was ze namens de PvdA gemeenteraadslid en fractievoorzitter in de stad Groningen. In februari 2017 werd ze benoemd tot waarnemend burgemeester van de gemeente Bedum. Sinds 14 januari 2019 is ze burgemeester van Dalfsen. Voor die laatste functie werd ze gekozen uit 46 kandidaten, dertig mannen en zestien vrouwen. In de loop van 2019 verhuist ze met haar partner Steven, jurist bij Gasunie, van Groningen naar Overijssel.

3 BOMMELTEKENAARS

7 Jan

Gepubliceerd in StripGlossy 10, september 2018 (Foto: Peter Beemsterboer)

Ze tekenen — los van elkaar — Ollie B. Bommel. Nu maken ze bij studio Dromenjager samen Woezel en Pip. Dit is wat art director Wil Raymakers en striptekenaars Henrieke Goorhuis en Tim Artz over elkaar zeggen.

  • Over Henrieke
    Henrieke Goorhuis (1990) is de eerste vrouwelijke tekenaar van Ollie B. Bommel. In illustreerde ze het Bommel-verhaal Het Lastpak. In 2017 volgde het Gouden Boekje Tom Poes en het cadeautje voor heer Ollie. Ze werkt drie dagen bij Dromenjager, de studio van Woezel en Pip. Daarnaast tekent ze onder andere voor Donald Duck
  • Over Wil
    Wil Raymakers (1963) is vooral bekend als bedenker van zijn strip Boes, die vanaf 1980 in verschillende kranten verscheen. Hij werkte bijna dertig jaar voor de Geesink Studio, waar hij onder andere Loeki de Leeuw tekende. Sinds 2014 is hij art director bij Studio Dromenjager, de studio waar alles van Woezel en Pip wordt gemaakt. Hij zit in het bestuurder van de Toonder Compagnie en tekende zelf ook enkele boekjes van Tom Poes en Heer Bommel.
  • Over Tim
    Tim Artz (1988) studeerde Information and Computer Technology aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Na 2,5 jaar als grafisch ontwerper bij een financieel bureau te hebben gewerkt, begon hij in 2014 voor zichzelf als freelance striptekenaar, illustrator en animator. Hij tekende onder andere voor het weekblad Donald Duck en maakte de cover voor het stripboek Tom Poes en de Krakers. Sinds mei 2018 is hij twee dagen per week in dienst bij Dromenjager. Daarnaast werkt hij voor Studio Noodweer.

Henrieke over Wil:
“Als Wil een scène tekent, heb je het gevoel dat je daar zo in kunt stappen. Dat is echt een kunst. Met bewondering kijk ik hoe snel en zelfverzekerd hij zijn lijnen zet. Maar ja, hij heeft dan ook heel wat meer ervaring dan ik. Na jaren alleen te hebben gewerkt, is het voor mij een luxe om advies te kunnen vragen aan zo’n ervaren tekenaar. Als ik er even niet uitkom met de anatomie van een figuur, zet hij me met een paar opmerkingen weer op het goede spoor. Helemaal leuk is als hij een spontaan minicollege geeft, bijvoorbeeld over hoe je bomen tekent. Daar kan hij het dan rustig twintig minuten over hebben.
Ook bijzonder vind ik dat Wil allerlei inspiratiebronnen voor ons meeneemt. Uit strips, maar ook uit klassieke of moderne kunst. Vaak beginnen we de dag met daar samen naar te kijken. Dankzij hem wil ik binnenkort een keer naar het Van Gogh Museum, want zijn schilderijen heb ik nog nooit in het echt gezien. Eens zien op wat voor ideeën die me brengen.
Wat ons bindt is ons perfectionisme. Ik weet nog hoe geschokt ik was toen ik Wil voor het eerst aan het eind van de dag een stapel van zijn tekeningen in de prullenbak gooide. Niet goed genoeg, volgens hem. Maar zijn afdankertjes zijn beter dan ik ze vermoedelijk ooit kan maken. Het komt dus regelmatig voor dat ik die ’s avonds weer uit het afval vis. Zonde als ze bij het oud papier belanden.”

Wil over Henrieke:
“Henriekes werk heeft een sprankel die ik bij anderen vaak mis. Haar tekeningen zijn accuraat en aantrekkelijk tegelijkertijd; al haar figuren hebben een hoog knuffelgehalte. Net als zijzelf trouwens. Al doet ze nog zo hard haar best, het lukt haar niet om een slechterik te tekenen. Ze is ook heel sociaal bewogen en heeft het beste met alles en iedereen voor. Dat blijkt wel uit het vele vrijwilligerswerk dat ze ondanks haar volle agenda doet. Verder ziet ze altijd het goede in de mensen, en geeft ze iedereen het voordeel van de twijfel. Precies zoals Doddeltje in Bommel. Daar kan ik nog wat van leren. Die zachtheid vind je ook in haar tekeningen terug. Het geeft haar werk iets heel speciaals.
Na het kennismakingsgesprek met Henrieke heb ik me wel even achter mijn oren gekrabd. Ze zei toen namelijk bijna niets! Dat belooft wat, dacht ik. Maar haar werk was zo goed dat we haar toch aannamen. Grappig genoeg bleek ze een totaal ander iemand te zijn dan het introverte meisje dat ik die eerste keer voor me had gehad. Als ze eenmaal begint te praten, houdt ze nooit meer op. Haar enthousiasme werkt aanstekelijk. Ze draagt telkens nieuwe ideeën aan. Haar creativiteit gaat trouwens verder dan alleen tekenen. Voor de theatershows van Woezel en Pip gebruiken we speciale poppen. Die maakt ze nu ook, samen met haar vriend. Daarin is ze al net zo perfectionistisch als in haar andere werk. Fantastisch om te zien dat ze bij ons zo op haar plek zit.”

——————————————————————————————————————————

Wil over Tim:
“Kalm, beheerst, bescheiden, zo zou ik Tim omschrijven. Zelfs als hij de hele nacht heeft doorgewerkt om een deadline te halen, merk je niets aan hem. Tenminste, niet aan de buitenkant. Want als je hem beter leert kennen, ontdek je dat er van binnen van alles gebeurt. Stille wateren hebben diepe gronden. Het maakt niet uit wat ik hem vraag, hij doet het gewoon. Zonder gezeur of geklaag. Heerlijk! Wat dat betreft doet hij me aan Bommel-butler Joost denken.
Door zijn originele gebruik van kleur en perspectief kan Tim een heel bijzondere sfeer creëren. Inspirerend vind ik dat. En net als Henrieke beheerst hij veel verschillende tekenstijlen; Bommel en Pip zijn tenslotte twee uitersten van het stripspectrum. Ik raad jonge tekenaars altijd aan om zich zoveel mogelijk stijlen eigen te maken. Dan ben je breder inzetbaar.
Tim en Henrieke zijn beide ongelofelijk fanatiek als het om Donald Duck gaat. Hun liefde en kennis voor hem zijn onvoorstelbaar groot. Soms hebben ze samen gesprekken waar ik geen touw aan vast kan knopen. Je ziet die passie ook in hun stijl terug; met hun flexibele, ronde lijnen zijn ze echt van de Disney-school, terwijl ik van nature meer rechte lijnen gebruik en hoekiger teken. Een ander verschil tussen hen en mij is dat mijn interesse in kunst verder gaat dan alleen de stripwereld. Ik probeer ze nu ook hongerig te maken naar voor hen onbekende kunstvormen, zoals abstracte kunst. Als je je daarin verdiept, kan je dat — óók als striptekenaar — stimuleren om eens een onverwachte weg in te slaan. Dan ontstaan vaak de mooiste pareltjes.”

Tim over Wil:
“Wil is een geweldige onderwijzer. Ik werk pas sinds mei met hem samen, maar in die paar maanden heb ik al veel van hem geleerd. Hij neemt uitgebreid de tijd om mijn schetsen met me door te nemen en me te laten zien wat er er anders en beter kan. Daardoor ben ik me bewuster van hoe ik dingen aanpak en word mijn werk steeds consistenter. Hoewel Wil mijn baas is, voelt de samenwerking heel gelijkwaardig. Als ik eigen ideeën aandraag, bijvoorbeeld over hoe ik iets zou inkleuren, neemt hij die vaak over.
Als ik hem met een Bommel-figuur zou moeten vergelijken, dan denk ik aan Querulijn Xaverius, oftewel: Markies de Canteclaer. Niet omdat de Markies zich nog wel eens negatief over anderen uitlaat, want dat doet Wil niet. Maar ik herken in hem wel het verfijnde. Hij weet ontzettend veel van kunst en cultuur, veel meer dan ik. Verder bewonder ik het dat hij veel lol en gein in zijn tekeningen weet te stoppen. Ook leuk: hij stimuleert initiatief en geeft me de ruimte om meer te doen dan alleen striptekenen. Daardoor durf ik nieuwe dingen te proberen. Zo heb ik de kans gekregen om animaties van Woezel en Pip te maken. Op die manier helpt hij me om me te ontwikkelen en te verbreden.” 

——————————————————————————————————————————

Tim over Henrieke:
“Als tieners plaatsen Henrieke en ik allebei eigen tekeningen op een Nederlands Disney-forum. Zo kwamen we met elkaar in contact. Tien jaar geleden ontmoetten we elkaar op een stripbeurs in Haarlem voor het eerst in het echt. Sindsdien zijn we collegiale vrienden. We tekenen vaak dezelfde soort dingen: dieren, Donald Duck, Bommel. Daardoor hebben we een natuurlijke band. En nu werken we ook officieel samen bij Dromenjagers.
De woorden die in me opkomen als ik aan Henrieke denk, zijn perfectionistisch, grappig en eerlijk. Wat dat laatste betreft heeft ze wel wat van Tom Poes. Ze is nooit bang om haar professionele mening te geven en te zeggen waar het op staat, ook niet tegen een meerdere. Verder heeft ze een ongelofelijke hoeveelheid vakkennis. Ik denk dat ik best veel over tekenen weet, maar zij weet altijd nog net iets meer. Dankzij haar doe ik tegenwoordig meer research voor mijn werk, zodat ik beter beslagen ten ijs kom. Waar ik ook nog wat van kan leren, zijn haar discipline en doorzettingsvermogen. Ze stopt niet voordat een tekening helemaal perfect is. Als zij een tekenstijl imiteert, is die haast niet van het origineel te onderscheiden. Zelf ben ik eerder tevreden. Het voordeel daarvan is dan wel weer dat ik wat sneller werk.” 

Henrieke over Tim:
“Toen ik als vijftienjarige voor het eerst met Tim chatte, had ik nooit kunnen vermoeden dat we jaren later als striptekenaars zouden samenwerken. Het is bijzonder te zien dat onze carrières min of meer gelijk oplopen. Eerst tekenden we allebei Donald Duck. In de tijd dat ik voor Bommel werd gevraagd, begon hij Bommel-covers te maken. Zaten we bij een stripbeurs op de Bommel-stand ineens naast elkaar te werken. En nu tekenen we bij Dromenjager allebei Woezel en Pip.
Omdat we elkaar maar één dag per week persoonlijk zien, Whatsappen we veel. Dan sturen we tekeningen door waar we op dat moment aan werken. ‘Misschien kun je dit eens proberen’, tippen we elkaar. Dat werkt heel motiverend. Verder wisselen we technische kennis uit. Bijvoorbeeld over het tekenen op de iPad Pro. In tegenstelling tot Het Lastpak heb ik mijn Gouden Boekje over Bommel op de iPad gemaakt. Het gaf me de mogelijkheid om zo dicht mogelijk bij de geschilderde stijl van de oorspronkelijke Gouden Boekjes te blijven. Ook schets ik er veel op.
Tim tekent heel dynamisch, op gevoel. Hij verrast me keer op keer met zijn originele ideeën en composities. Hij maakt nu zelf ook een Gouden Boekje over Bommel. Met verbazing kijk ik hoe hij invulling geeft aan dat verhaal. Misschien dat ik van hem kan leren hoe ik ook wat meer out of the box kan werken.”

 

 

 

%d bloggers liken dit: