Archief | 00 – Nieuws RSS feed for this section

DOSSIER KUNST KIJKEN

20 Sep

Verschenen in Margriet 36, september 2018. Illustratie: Mireille Schaap.

Je gaat het pas zien als je het doorhebt, zei Johan Cruijff. En gelijk had hij. Een dossier vol tips over hoe je méér uit een museumbezoek kunt halen. (En en passant nog gelukkiger en relaxter wordt ook.)

GOED KIJKEN BEGINT MET NEGEREN
Kunsthistorica en journaliste Wieteke van Zeil schrijft wekelijks in De Volkskrant over veelzeggende details in schilderijen. Onlangs verscheen haar boek Goed kijken begint met negeren — De kunst van opmerkzaamheid.
Waarom begint goed kijken met negeren?
“Het gaat om verder kijken dan wat je in eerste instantie ziet — of denkt te zien. Op ieder moment registreert je oog honderden dingen. Maar je brein slaat alleen die zaken op, waar je op dat moment wat aan hebt. Heel efficiënt in het dagelijkse leven, maar onhandig als je naar kunst kijkt. Dan mis je namelijk een boel.”
Veel musea hangen vol. Waar moet je beginnen?
“Veel mensen hebben het gevoel dat ze iets missen als ze niet alles bekijken. Maar aan zo door een museum rennen, heb je niet veel. Selecteer liever een beperkt aantal zalen en focus per zaal  op één schilderij. Neem daar echt de tijd voor. Wat voel je erbij? Welke associaties roept het op? Zo zie je meer, en onthoud je het beter. Belangrijk: éérst op je gemak kijken, en daarna pas het bordje lezen of de audiotour luisteren. Anders wordt je beeld vooraf al gekleurd.”
Nog meer tips?
“Neem je eigen interesse als uitgangspunt. Houd je van dieren? Of van mode? Ga daar dan naar op zoek. En weg met die smartphone. Het gaat om wat een kunstwerk met je doet. Hoe begrijpelijk ook dat je iets moois wilt vastleggen of op sociale media wilt delen, een camera of telefoon staat die ervaring in de weg. Je bent dan meer bezig met het juiste beeld, of wat anderen ervan zullen vinden. Dan kun je net zo goed een plaatje van internet halen. Uit, af, in de garderobe dus, die apparaten.”

——————————————————————————————————————————

10 VRAGEN OM JEZELF IN EEN MUSEUM TE STELLEN

  1. Waar doet dit schilderij me aan denken? 
  2. Wat valt op in de linkerhoek beneden? En in de achtergrond rechts? 
  3. Wat voor vormen kan ik erin ontdekken? Cirkels? Rechthoeken? Driehoeken? 
  4. Waarom zouden bepaalde spullen bij elkaar staan? 
  5. Hoe zou ik er in die kleren uitzien? 
  6. Hoe zou het voelen als ik in dit schilderij zou stappen? 
  7. Hoe zag de wereld eruit toen de schilder dit maakte?
  8. Welke titel zou ik zelf aan het schilderij geven? 
  9. Past de lijst eigenlijk wel bij het schilderij? 
  10. Welk schilderij uit deze zaal zou ik mee naar huis willen nemen? 

——————————————————————————————————————————

WHIZZKIDS VAN DE KUNST
Beeldende kunst alleen iets voor grijze 60-plussers? Integendeel! Neem Christian Luiten (24) en Curtis Penning (22). In korte tijd is het online kunstplatform van deze jongens (die elkaar kennen van hun voetbalclub in Almere) uitgegroeid tot een van de invloedrijkste ter wereld. Hun doel: jongeren enthousiasmeren voor de kunst. Dat lukt aardig, want inmiddels heeft hun platform Avant Arte al meer dan een miljoen volgers op de sociale mediasite Instagram.
Luiten en Penning organiseren wereldwijd exposities en verkopen via hun site voor een paar honderd euro exclusieve reproducties van hedendaagse kunstwerken (waarvan de originelen soms wel honderdduizenden euro’s kosten). Nieuwsgierig geworden? Neem een kijkje op avantarte.com. 

——————————————————————————————————————————

DIT DOET KUNST MET JE BREIN
Laat mensen naar schilderijen kijken die ze mooi vinden, en hun hersenen gedragen zich hetzelfde als wanneer ze verliefd zijn. Dat ontdekte neuroloog Semir Zeki, professor aan University College Londen. In een uniek experiment liet hij mensen naar 28 beroemde werken van onder andere Monet en Botticelli kijken, terwijl hij intussen scans van hun hersenen maakte.
Wat bleek? Het gebied in de hersenen dat je een goed gevoel geeft — onder andere in verband gebracht met liefde en verlangen — werd bij het zien van mooie schilderijen extra actief. Het effect was direct meetbaar. (De deelnemers aan het onderzoek kregen de schilderijen per stuk slechts tien seconden onder ogen).Of het om een portret, een landschap of een stilleven ging, maakte niet uit; het resultaat was hetzelfde. Zeki vond geen verschil tussen mannen en vrouwen, of mensen met een verschillende cultuur en achtergrond. Oftewel: de impact van kunst lijkt universeel.
Ook interessant: muziek en beeldende kunst lokten een vergelijkbare reactie uit. Beide deden ze het beloningscentrum in het brein oplichten. Hoe mooier iemand het schilderij (of de muziek) vond, hoe groter de hersenactiviteit en hoe blijer het gevoel. Was het oordeel van de proefpersoon echter ‘lelijk’, dan werd juist een ander deel van het brein actief, hetzelfde gebied dat oplicht als je bijvoorbeeld bang of boos bent.
Overigens zijn de positieve effecten van kunst nóg groter als je zelf creatief bezig bent, vermoedelijk omdat je dan (extra veel) nieuwe verbindingen in je brein aanmaakt. Op de lange duur zorgen die mogelijk voor onder andere een beter geheugen, meer zelfinzicht en een grotere veerkracht.  

——————————————————————————————————————————

KIND EN KUNST
“Het is nooit te vroeg om je (klein)kind mee te nemen naar het museum.” Birte ten Hoopen, senior educator van het Rijksmuseum, laat er geen misverstand over bestaan. “Neem de kleuren en vormen van moderne kunst”, vervolgt ze. “Die vinden baby’s vaak aantrekkelijk. Zodra je kinderen een verhaal over een schilderij kunt vertellen, loont het om ze ook andere musea te laten zien.”
Verhalen vertellen: daar draait het om bij veel van de activiteiten die het Rijksmuseum voor families en kinderen van 4 tot 14 organiseert. Want een kunstwerk komt vaak pas echt tot leven als je de geheime geschiedenis erachter kent. “We organiseren bijvoorbeeld familierondleidingen”, vertelt ze. “Daarbij geven we niet alleen uitleg, maar laten we kinderen vooral ook veel zelf doen. Een kanon laden bijvoorbeeld, een beeld met klei namaken of snoepjes van vroeger proeven. Zo kunnen ze de kunst met al hun zintuigen ervaren.”
Kinderen enthousiast maken over kunst begint volgens haar bij het plezier van (groot)ouders zelf. Haar advies: kies een museum waar jij blij van wordt. “Het moet vooral geen verplichting zijn. Laat je eenmaal binnen leiden door het kind: wat vindt dat aantrekkelijk? Niet te veel sturen; ze komen van zelf met vragen.” Nog een tip: blijf niet te lang. Driekwartier tot een uur is volgens Ten Hoopen  al heel wat. “Je kunt altijd later nog eens terugkomen — de toegang van het Rijksmuseum is voor kinderen gratis.”
En geen zorgen als je denkt: ik weet niets over de schilderijen te vertellen. Bijna alle musea hebben tegenwoordig fantastisch educatiemateriaal, van speurtochten tot digitale spellen. “Vraag daar vooral om”, besluit ze. “Dat maakt een bezoek zo veel leuker!” 

—————————————————————————————————————————

BETERE DOKTERS?
Dokters in spé die samen naar een schilderij staren? Het klinkt niet voor de hand liggend, maar dat is precies wat geneeskundestudenten van de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de Nijmeegse Radboud Universiteit sinds een paar jaar doen. Zonder dat het ze studiepunten oplevert gaan ze, onder leiding van een kunstenaar, vrijwillige zeven zaterdagen op pad naar een museum. De reden: uit verschillende onderzoeken blijkt dat naar kunst leren kijken artsen kan helpen om betere diagnoses te stellen. Ze kunnen bijvoorbeeld sneller patronen herkennen, en ontdekken hoe belangrijk het is om verder te kijken dan wat je op het eerste oog ziet. Niet voor niets doen Amerikaanse topuniversiteiten dit al jaren. De kunstenaars die de geneeskundestudenten begeleiden, leggen ook de link met gesprekken met patiënten. Die duren vaak maar tien minuten. Dan missen artsen nog wel eens een detail. Door met aandacht naar kunst te kijken, leren ze hun geest open te zetten en andere observaties de ruimte te geven. Zodat ze uiteindelijk betere dokters worden.  

——————————————————————————————————————————

DUUR, DUURDER, DUURST
Liefhebbers (en investeerders) betalen astronomische bedragen voor het schilderij van hun dromen. Een paar hele dure jongens (want ja, het zijn allemaal mannelijke schilders): 

  1. Salvator Mundi van Leonardo Da Vinci 
    Het schilderij ‘Salvator Mundi’ (letterlijke betekenis: verlosser van de wereld) van Leonardo Da Vinci (1452 – 1519) is in 2017 bij veilinghuis Christie’s geveild voor 450 miljoen dollar. Voor zover zover bekend was het het laatste schilderij van de Italiaanse meester dat nog in particuliere handen was.
  2. Interchange van Willem de Kooning (1904 – 1997)
    De van oorsprong Nederlandse expressionistische schilder Willem de Kooning maakte het schilderij ‘Interchange’ (afmeting: 2 bij 1,75 meter) in 1955. In 2015 werd het verkocht voor 303 miljoen dollar. 
  3. Nafea Faa Ipoipo van Paul Gauguin
    Gaugain (1848 – 1903) schilderde ‘Nafea Faa Ipoipo’ (‘Wanneer ga je trouwen’) in 1892. Hij had toen vast nooit kunnen denken dat de staat Qatar het 123 jaar later voor 303 miljoen dollar zou aanschaffen. 

——————————————————————————————————————————

KUNST ALS THERAPIE
‘Ik herinner me meer als ik schilder’, luidt de titel van een recente Amerikaanse documentaire. In de film is te zien hoe tekenen en schilderen het geheugen van Alzheimer-patiënten kan stimuleren. Niet alleen mensen met dementie hebben trouwens baat bij creatieve bezigheden. Uit verschillende studies blijkt dat naar kunst kijken en het zelf maken ook de kans op depressie en angststoornissen verkleint. Verder toonde onderzoek van de Britse University of Westminster aan dat werknemers die in hun lunchpauze een museum of galerie bezochten naderhand minder gestrest waren. Dat vonden ze niet alleen zelf, ze hadden daadwerkelijk minder stresshormonen in hun bloed. Kortom: kunst maakt gezond.
De documentaire ‘I remember better when I paint’ (Engelstalig, niet ondertiteld) is terug te zien op youtube. 

——————————————————————————————————————————

10 BEST BEZOCHTE MUSEA VOOR BEELDENDE KUNST IN 2017

  1. Van Gogh (2.255.010 bezoekers)
  2. Rijksmuseum (2.160.000 bezoekers)
  3. Stedelijk Museum (680.000 bezoekers)
  4. Gemeentemuseum (545.000 bezoekers)
  5. Hermitage (503.000 bezoekers)
  6. Mauritshuis (417.227 bezoekers)
  7. Kroller Muller (352.581 bezoekers)
  8. Museum Boijmans van Beuningen (315.000 bezoekers)
  9. Museum de Fundatie (285.000 bezoekers)
  10. Rembrandthuis (265.000 bezoekers)
  • 34.357.000: zoveel bezoeken zijn er in 2016 in totaal aan Nederlandse musea gebracht. 
  • In 2016 waren er 694 musea in Nederland, waarvan 87 voor beeldende kunst.
  • 1 op de 10 Nederlandse musea had in 2016 meer dan 100.000 bezoekers. 17 procent had minder dan 2.500 bezoekers.
  • De museumdichtheid — het aantal musea per 100.00 inwoners — is het grootst in Zeeland (4,2), gevolgd door Friesland (4,0).
  • De gemiddelde prijs van een museumkaartje voor volwassenen was in 2016 € 11,89.
  • Museumbezoekers kijken gemiddeld 9  seconden naar een schilderij.
  • 1,3 miljoen mensen hebben een Museumjaarkaart. Dat is 26 keer een volle Johan Cruijff Arena.
  • 1 op de 3 bezoekers van Nederlandse musea komt uit het buitenland.
  • Tussen 2011 en 2016 steeg het aantal buitenlandse bezoekers aan Nederlandse musea met 71 procent.
  • Met onder andere 81 musea en 54 kunstgalerieën is Amsterdam de meest culturele stad ter wereld, aldus de makers van de ranking The World’s Most Cultural Cities. Ook Dublin, Praag, Miami en Parijs scoren hoog. 

Bronnen: CBS, Museumvereniging, Parool——————————————————————————————————————————

[Bijschriften bij de schilderijen]

Stilleven met bloemen (Hans Bollongier, 1639)
Wieteke van Zeil: “Op het eerste gezicht denk je misschien: tja, een saai bloemstuk. Maar waar bloemen zijn, zijn meestal beestjes. Ook hier. Ik zie in ieder geval een salamander, een rups en een slak. Wat zou de schilder daarmee willen zeggen? Waarom ligt er eigenlijk een houten pennetje op tafel? En wat voor reflecties zie je in de vaas? Laat je fantasie de vrije loop! Als je op zo’n manier naar een schilderij kijkt, vergeet je het nooit meer.”

Meisje in witte kimono (George Hendrik Breitner, 1894)
Wieteke van Zeil: “Wat een prachtig schilderij van een jong meisje. De combinatie van patronen op haar kleding, de muur en de vloer maakt het haast abstract. Maar vond ze het wel zo leuk om urenlang model te zitten voor de schilder? Als ik de uitdrukking op haar gezicht bekijk, weet ik dat zo net nog niet. Ik kan me heel goed in haar verplaatsen. Als ik dat meisje was, had ik liever rechtop gezeten, krachtig en sterk, in plaats van in zo’n kwetsbare houding.”

Het melkmeisje (Johannes Vermeer, circa 1660)
Wieteke van Zeil: “Het is een van de bekendste — en duurste — schilderijen ter wereld, terwijl het zo’n gewoon tafereeltje is. Toch is alles aan dit schilderij bijzonder. Kijk maar eens naar hoe de melk uit de kan stroomt, naar de stiksels op haar kleding, naar het gebroken raampje waardoor er extra licht op haar gezicht valt. Mijn favoriete onderdeel? De muur. Je hebt geen idee hoe moeilijk het is om een witte muur realistisch te schilderen. Vermeer kon dat, met alle beschadigingen en spijkergaatjes, als geen ander. Zulke details maken een schilderij overtuigend.”

Advertenties

VERDER NA KANKER

18 Sep

JPG

Gepubliceerd in Radar+, augustus 2018.

Het aantal patiënten dat van kanker geneest stijgt ieder jaar. Goed nieuws, maar het betekent óók dat steeds meer mensen te maken krijgen met late gevolgen van de ziekte en de behandelingen. Denk aan vermoeidheid, concentratieproblemen en psychische klachten. Vijf deskundigen geven advies.

Internist-oncoloog Jourik Gietema, hoogleraar medische oncologie in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), is gespecialiseerd in de late effecten van kanker(behandelingen).
“Een operatie, radiotherapie, chemotherapie, immunotherapie of hormoontherapie: bij al die behandelingen tegen kanker worden niet alleen ziekmakende, maar óók gezonde cellen beschadigd. Daardoor kunnen (ex-)kankerpatiënten te maken krijgen met nieuwe problemen of klachten. Niet alleen tijdens de behandelingen, ook daarna. We spreken dan van late gevolgen, of late effecten. Naar schatting heeft tweederde van de voormalige of chronische kankerpatiënten daar last van. Vermoeidheid is een bekende en veelvoorkomende klacht, maar er zijn er veel meer. Overgewicht bijvoorbeeld, geheugen- en concentratiestoornissen, zenuwprikkelingen, hart- en vaatziekten, seksuele en vruchtbaarheidsproblemen, angst en depressie of zelfs een nieuwe tumor.
Des te belangrijker is het dus dat ex-kankerpatiënten goede nazorg krijgen. Daar hebben we duidelijke afspraken over gemaakt. Zo is het gebruikelijk dat de hoofdbehandelaar en de patiënt na afloop van de behandelingen samen een survivorcancerplan opstellen. Wat was de precieze diagnose? Welke behandelingen heeft iemand gehad? Hoe ziet het controletraject eruit? Daarnaast staat erin op welke mogelijke klachten de patiënt zelf alert moet zijn, en bij wie hij of zij zonodig aan de bel kan trekken. Oók nadat de controles zijn afgelopen. Want sommige problemen ontstaan pas jaren later. Verder is het belangrijk dat het oncologische behandelteam duidelijke afspraken maakt met de huisarts over de nazorg. Zo weten alle betrokken precies wat er wanneer van ze wordt verwacht.
Overigens vinden veel ex-kankerpatiënten het lastig om om hulp te vragen. Ze willen weer verder met hun leven, en niet steeds worden geconfronteerd met die nare tijd. Of ze zijn bang dat de kanker terug is. Heel begrijpelijk, maar ook jammer. Aan veel lichamelijke en psychische klachten is namelijk goed wat te doen . Een handig hulpmiddel is lastmeter.nl. In deze online tool vul je in welke problemen je ervaart. Niet alleen lichamelijk en geestelijk, maar ook praktisch en sociaal. Door dat regelmatig te herhalen, zie je hoe eventuele  klachten zich ontwikkelen. Zo’n overzicht kan helpen om met een zorgverlener over het onderwerp in gesprek te gaan.”

Edwin Geleijn, fysiotherapeut in het Amsterdam UMC, is bestuurslid van Onconet, dat zich inzet voor goede fysiotherapeutische begeleiding tijdens en na kanker.
“‘Chemotherapie is al zo zwaar. Dan kun je ondertussen maar beter rustig aan doen.’ Dat was wat kankerpatiënten jarenlang te horen kregen. Inmiddels weten we beter. Patiënten die tijdens een behandeling met genezende chemotherapie twee keer in de week intensief trainen, zijn minder misselijk en vermoeid. Bovendien verdragen ze de chemo beter, waardoor de dosering van de medicatie minder vaak naar beneden hoeft te worden bijgesteld. Dat vergroot de overlevingskans. En na afloop van de behandelingen zijn ze eerder weer fit, en sneller meer uren aan het werk. Driedubbele winst dus. Omdat de kennis over training tijdens chemotherapie relatief nieuw is, kunnen we nog net zeggen of die ook late gevolgen van de behandeling, zoals chronische vermoeidheid, kan voorkomen.
De positieve effecten van sporten zijn het grootst bij een speciaal ontwikkeld programma, bestaande uit een combinatie van kracht- en conditietraining, dat je volgt onder begeleiding van een oncologisch geschoolde fysiotherapeut. Natuurlijk is het ook goed als je tijdens of na kanker zelf blijft bewegen. Maar (ex-)patiënten vinden het vaak eng om hun verzwakte lichaam te belasten. Of ze willen juist te veel doen, omdat ze zich niet willen laten kennen. In beide gevallen kun je extra vermoeid raken. Dan ben je nog verder van huis.
Een gespecialiseerde fysiotherapeut weet precies wat kanker(behandelingen) met het lichaam doen, en tegen welke beperkingen patiënten aanlopen. Zo kunnen ze beter inschatten wanneer iemand er goed aan doet om in de training een tandje bij te zetten, of juist een stapje terug te doen. Bij specifieke klachten, zoals pijn, vermoeidheid, oedeem of bewegingsbeperkingen, passen ze de training aan. In Nederland zijn er inmiddels meer dan vijfhonderd fysiotherapeuten die zo’n aanvullende opleiding hebben gedaan. Via onconet.nu vind je er een bij jou in de buurt. Helaas vallen de behandelingen niet onder het basispakket. Ze worden dus alleen (deels) vergoed vanuit de aanvullende verzekering. Vraag bij je eigen zorgverzekeraar naar de mogelijkheden.”

Psycholoog en logopedist Irma Verdonck is hoogleraar psychosociale oncologie in het Amsterdam UMC en leider van de onderzoeksgroep Samen leven na kanker.
“Psychische klachten, zoals angst en depressie, komen veel voor, zowel tijdens als na kanker. Een derde van de (ex-)borstkankerpatiënten heeft daar bijvoorbeeld last van. Dat is heel normaal; de ziekte zet je wereld — en die van je omgeving — op z’n kop. Toch vinden veel mensen het moeilijk om dat te erkennen. Alsof ze zwak zouden zijn als ze angsten hebben. Bovendien reageert de omgeving niet altijd even begripvol. ‘Je moet blij zijn dat je het hebt overleefd’, klinkt het dan, of ‘je moet nu vooruitkijken’.
Vaak nemen angst- en depressieklachten na verloop van tijd vanzelf af. Maar soms lukt het ex-patiënten niet om die ingrijpende levenservaring zelf goed te verwerken. In plaats van minder krijgen zij juist méér problemen, zoals overmatig piekeren, slecht slapen, vermoeidheid en heel geëmotioneerd zijn. Dan is het goed om hulp te zoeken.
Als u dat wilt, kan je (huis)arts of verpleegkundige je doorverwijzen naar een psycholoog of maatschappelijk werker. Of kijk op kanker.nl, nvpo.nl of ipso.nl voor een gespecialiseerde hulpverlener in de buurt. Overigens kunnen ook partners van kankerpatiënten daar terecht, want zij hebben soms net zo goed met verwerkingsproblemen te kampen.
Is de stap naar (persoonlijke) hulpverlening (nog) te groot, dan is er ook online steun. Samen met mijn onderzoeksgroep heb ik oncokompas.nl ontwikkeld, een online welzijnsdossier met gerichte adviezen over hoe je je kwaliteit van leven kunt verbeteren, en waar je zo nodig terechtkunt voor hulp. Inmiddels bieden veel ziekenhuizen Oncokompas aan hun patiënten aan.
Het Helen Dowling Instituut, gespecialiseerd in psychologische zorg bij kanker, heeft het zelfhulpprogramma Minder angst na kanker. De online training bestaat uit een zelftest en een aantal keuzemodules, waarin steeds een ander thema centraal staat. Angst (her)kennen bijvoorbeeld, of ontspannen. Voor vrouwen die borstkanker hebben gehad, is er opademnaborstkanker.nl, ontwikkeld door het Radboud UMC in Nijmegen. Dit programma focust op de eigen kracht en mogelijkheden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ex-borstkankerpatiënten die Op adem na borstkanker hebben doorlopen, sneller emotioneel herstellen.”

Arts-seksuoloog Mintsje Tanis-Nauta zit al meer dan dertig jaar in het vak. Sinds 2001 werkt ze op de poli medische seksuologie van het het Medisch Centrum Leeuwarden, waar ze onder andere (ex-)kankerpatiënten behandelt.
“Het is vaak niet eenvoudig om na kanker de seksuele draad weer op te pakken. Je leven — en je lijf — zijn immers blijvend veranderd. Dat kan tot allerlei problemen leiden, zoals minder zin in seks, moeilijker opgewonden raken en pijn bij het vrijen. Maar ook onzekerheid of moeite met intimiteit. Dat soort klachten komen veel voor, afhankelijk van de soort kanker bij 30 tot 80 procent van de (ex-)patiënten. Meestal vinden zij het moeilijk om er uit zichzelf over te beginnen. En zorgverleners kaarten het onderwerp — helaas — lang niet altijd proactief aan. Het gevolg is dat mensen onnodig lang doormodderen en in het ergste geval helemaal uit elkaar groeien. Zonde, want in veel gevallen is een paar gesprekken voldoende om partners weer op weg te helpen.
Als een stel bij mij komt, breng ik altijd eerst het probleem in kaart: welk deel is lichamelijk? Welk deel psychisch? Welk relationeel? Aan alle drie kun je iets doen. Vaak blijkt dat partners van alles voor elkaar invullen. Hij vindt me vast niet meer aantrekkelijk, denkt een vrouw dan. Misschien doe ik haar wel pijn, vreest een man. De gedachten daarover uitspreken, en open en eerlijk over seks communiceren, is meestal al de helft van de oplossing. Vervolgens help ik ze om stapsgewijs de intimiteit terug te vinden. Bijvoorbeeld door elkaar de eerste weken alleen aan te raken. Gaandeweg ontwikkelen partners zo een nieuwe vorm van seksualiteit, die ze allebei past. Overigens hoeft dat niet altijd met penetratie te zijn; knuffelen, strelen of elkaar op andere manieren bevredigen is óók prima. Wat je in ieder geval niet moet doen, is tegen je zin vrijen, of met pijn. Dan leer je je brein dat seks iets naars is en raak je alleen maar verder van huis. Op de website van de Nederlandse Wetenschappelijke Vereniging voor Seksuologie, nvvs.info, vind je een seksuoloog in de buurt die je kan helpen.” 

Nadat  Ragna van Hummel haar baan verloor, startte ze in 2009 haar eigen re-integratiebureau Re-turn, gespecialiseerd in werkkracht bij kanker.
“Ik was zeven maanden zwanger toen ik in hoorde dat ik borstkanker had. Na de vervroegde bevalling kon ik drie dagen van mijn dochter genieten, voordat ik in de achtbaan stapte van chemo’s, operaties en anti-hormoontherapie. Pas anderhalf jaar later kon ik mijn werk weer oppakken. Helaas verliep mijn terugkeer niet zo soepel als ik had gehoopt. Ik was snel moe en had geheugen- en concentratieproblemen. Uiteindelijk  gingen mijn werkgever en ik uit elkaar.
Ik ben zeker niet de enige met dit soort ervaringen, ontdekte ik. Jaarlijks krijgen zo’n 40.000 mensen in de beroepsbevolking kanker. Driekwart daarvan gaat binnen anderhalf jaar weer (deels) aan het werk. De rest verliest zijn baan, omdat ze niet meer — op het oude niveau — kunnen werken, of omdat hun contract niet wordt verlengd. Overigens gaat het bij de 75 procent die wél terugkeert ook niet altijd van een leien dakje. Om zich te bewijzen, werken sommigen tegen de klippen op, waarna ze later opnieuw uitvallen.
(Ex-)kankerpatiënten zijn vaak heel gemotiveerd om aan de slag te gaan. Sterker nog, werk speelt een belangrijke rol bij hun herstel, blijkt uit onderzoek. Maar ze hebben soms wel een steuntje in de rug nodig. De grootste uitdaging is om een nieuwe balans te vinden. Herstellen van kanker kost tijd en energie. De ene dag gaat het goed, de andere dag minder. Hoe kun je je werk dan toch op een goede manier opbouwen? Een bedrijfsarts geeft vaak een algemeen advies, bijvoorbeeld om met twee keer vier uur per week te starten. Maar op welke dagen dan? En hoe vul je die uren in? Dat is een lastige puzzel, voor (ex-)patiënten én voor leidinggevenden en collega’s. Ondanks alle goede bedoelingen, gaat het dan soms mis. Vandaar dat ik een speciale maatwerkmethode hebt ontwikkeld, Werkkracht bij kanker, om werknemers en werkgevers te ondersteunen bij de terugkeer. Zodat mensen na kanker niet alleen aan het werk kunnen gaan, maar dat ook kunnen blijven.”
re-turn.nl. 

Jacques van Lankveld, hoogleraar klinische psychologie aan de Open Universiteit, was betrokken bij de ontwikkeling van een nieuwe vorm van relatietherapie voor borstkankerpatiënten en hun partners.
“Door kanker verandert een relatie. Beide partners krijgen te maken met zorgen, onzekerheid en angst. Er ontstaat vaak een nieuwe rolverdeling, die misschien minder gelijkwaardig is. Soms doen zich ook seksuele problemen voor. Of een van beiden krijgt een andere kijk op het leven, en wil een nieuwe weg wil inslaan. Die ervaringen kunnen geliefden nader tot elkaar brengen, maar het kan ook gebeuren dat een relatie daardoor juist (extra) onder druk komt te staan. Iedereen verwerkt zo’n heftige gebeurtenis immers op zijn eigen manier. De een trekt zich terug of doet alsof er niets aan de hand is. De andere wil juist veel over de ziekte praten, of wordt boos, angstig of somber. Praat je daar samen niet goed over, dan kunnen beide partners zich onbegrepen voelen, en het idee hebben dat ze elkaar kwijtraken.
Dat bespreekbaar maken blijkt in de praktijk dat knap ingewikkeld. Geliefden die met kanker zijn geconfronteerd, vinden het bijvoorbeeld moeilijk om hun gevoelens te uiten. Ze willen de ander niet met hun problemen belasten, of vinden het pijnlijk om de emoties van hun wederhelft te zien. De communicatieproblemen die dan ontstaan, werken door in alle aspecten van een relatie — de kanker hangt als het ware als een deken over alles heen.
Ik kan dus niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is om toch te blijven praten. Tip: plan dit soort gesprekken op vaste tijdstippen in, zodat je beiden weet: nu gaan we het over de gevolgen van de kanker hebben. Zo voorkom je dat een van beide wordt overvallen door het onderwerp. Blijft het lastig om op een positieve manier met elkaar in gesprek te komen? Roep dan professionele hulp in. Wacht daar niet te lang mee, anders drijf je alleen maar verder uit elkaar. Voor het begrip en het vertrouwen kan het fijn zijn als je een in kanker gespecialiseerde relatietherapeut hebt, maar dat is niet per se nodig. Dit soort communicatieproblemen tussen partners zijn namelijk universeel.”

 

ALLES OVER ANTIBIOTICA

18 Sep

Gepubliceerd in LUMC Magazine #16, juni 2018.

Antibiotica behoren tot de meest succesvolle medicijnen ter wereld. Eén probleem: hoe meer antibiotica we met z’n allen gebruiken, des te groter de kans dat ze straks niet meer werken. In het LUMC doen we er alles aan om dat koste wat het kost te voorkomen.

Bijna iedereen heeft er wel eens één gehad: een antibioticumkuurtje. Tegen een hardnekkige keel- of longontsteking bijvoorbeeld. Sinds de ontdekking ervan in 1928 hebben antibiotica letterlijk miljoenen levens gered. Niet voor niets noemen dokters ze wel belangrijkste medicijnen van de 20ste eeuw. Des te zorgelijker is het dat steeds meer ziekteverwekkende bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica. Hoe kan dat? En valt het tij nog te keren? 

Een steuntje in de rug
De meeste infecties (zoals een verkoudheid en de griep) worden veroorzaakt door virussen. Daar helpen antibiotica niet tegen. Wel tegen bacteriële infecties. Ieder mens draagt miljoenen bacteriën bij zich. De meeste daarvan doen goed werk. In je darmen helpen ze bijvoorbeeld voedsel te verteren, en op je huid houden ze schadelijke indringers tegen. Maar bacteriën kunnen soms ook infecties veroorzaken, zoals een blaasontsteking of een maagzweer.
“Je eigen afweersysteem ruimt veel van die beginnende bacteriële infecties direct op”, vertelt internist-infectioloog Mark de Boer, voorzitter van de antibioticacommissie van het LUMC, en secretaris van de landelijke Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB). “Die gaan dus vanzelf over. Soms lukt dat echter niet, en verergert de infectie. Dan kunnen antibiotica uitkomst bieden. Dat zijn medicijnen die bacteriën doden of de groei ervan afremmen, zodat het lichaam de boosdoeners weer zelf aankan. Ze geven je natuurlijke afweer kortom een steuntje in de rug. Bij ernstige infecties zoals een zware longontsteking, een hersenvliesontsteking of bloedvergiftiging zijn antibiotica onmisbaar.”

Ongevoelig
Bacteriën zijn er van nature op uit om zo lang mogelijk te overleven. Als een antibioticum ze te lijf gaat, beginnen ze een tegenaanval. Ze wapenen zich bijvoorbeeld door het medicijn uit de cel te pompen, of door het uit te schakelen of af te breken. Ook kunnen bacteriën zichzelf zo veranderen, dat ze het antibioticum helemaal buiten de deur weten te houden. In het slechtste geval reageren ze totaal niet meer op de medicatie. De bacterie is dan resistent.
In Nederland schrijven artsen antibiotica alleen voor als het echt nodig is (zie kader). Maar in andere delen van de wereld, zoals Zuid- en Oost-Europa en Azië, geven dokters veel makkelijker antibiotica dan hier. De middelen zijn daar vaak zelfs zonder recept te koop. Hoe vaker een bepaald antibioticum wordt gebruikt, hoe meer kans een bacterie krijgt om een barricade tegen het middel op te werpen. Het gevolg is dat steeds meer bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica.
Binnen Europa geeft Nederland het goede voorbeeld. Artsen schrijven hier namelijk de minste antibiotica voor: 10,8 dagelijkse doseringen per 1000 inwoners. Griekenland is het slechtste jongetje van de Europese klas, maar bijvoorbeeld ook in Frankrijk, België en Italië valt nog een wereld te winnen als het gaat om terugdringen van antibioticagebruik.

Maatwerk
Het resistent worden van bacteriën is een gevaarlijke ontwikkeling. In het ergste geval kan het betekenen dat er over een aantal jaren helemaal niets meer is te doen aan bacteriële infecties. “Zo ver is het gelukkig nog lang niet”, stelt Mark de Boer ons gerust. “Zeker in Nederland zijn de risico’s nog klein. Maar het is wel belangrijk dat we er met z’n allen de schouders onder zetten om te voorkomen dat het probleem groter wordt. Vanuit het LUMC doen we dat op verschillende manieren, bijvoorbeeld door zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met de antibiotica die nog wél werken.”
Decennialang hadden artsen geen idee hoe risicovol het is om (te) veel antibiotica te gebruiken. Omdat ze hun patiënten zo goed mogelijk wilden helpen, namen ze vaak het zekere voor het onzekere. Ze behandelden ze dan met grof geschut: breed werkende antibiotica, die niet alleen de ziekteverwekker, maar ook andere (goede) bacteriën aanpakten. Het gevolg: bacteriën kregen vaker de kans om hun aanvaller te leren bestrijden. “We werken er nu hard aan om meer antibiotica-op-maat te gaan gebruiken”, legt De Boer uit. “Dat wil zeggen dat dokters gerichter kiezen voor het middel dat alléén de kwaadaardige bacterie aanpakt, en dat ze dat bovendien zo kort mogelijk geven.”
Het klinkt zo vanzelfsprekend, het juiste antibioticum op het juiste moment. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, aldus De Boer. Er is namelijk nog veel kennis nodig om te bepalen welk antibioticum je het beste wanneer aan een patiënt kunt voorschrijven. “Die vraag is vooral relevant bij de start van een behandeling, als je nog niet precies weet welke bacterie de veroorzaker is van een infectie, en of die misschien resistent is. Binnen het LUCM doen we er veel onderzoek naar hoe we juist in die fase slimmere keuzes kunnen maken. Met als doel: ervoor zorgen dat de middelen die we nu hebben ook in de toekomst hun werk kunnen blijven doen.”

Kuur afmaken!
Als je een antibioticum krijgt voorgeschreven, drukt de apotheker je op het hart om de kuur vooral af te maken. Dat heeft niets met resistentie te maken; je wordt niet eerder ongevoelig voor antibiotica omdat je vroegtijdig met de medicatie stopt. Maar als je de kuur niet afmaakt, kunnen er wél restjes van ziekmakende bacteriën in je lichaam achterblijven. Het gevolg: de infectie kan opnieuw oplaaien. Vandaar dus het advies om de kuur altijd te voltooien. Twijfel je over de lengte van de behandeling? Overleg dan met je arts en vraag hem waarom hij voor hiervoor heeft gekozen.

Koploper
Het LUCM loopt landelijk voorop met het ontwikkelen en toepassen van manieren om zo verantwoord mogelijk met antibiotica om te gaan. In het beleid, maar zeker ook in het onderwijs. Mark de Boer: “Iedere arts krijgt in zijn werk met infecties te maken, van kaakchirurgen tot gynaecologen. Vandaar dat we geneeskundestudenten vanaf het begin bewust maken van hoe ze antibiotica verstandig kunnen gebruiken. Daar investeren we hier tijd en energie in. Trouwens niet alleen bij studenten en specialisten in opleiding, maar ook in de nascholing van artsen. Want alleen als we het probleem gezamenlijk te lijf gaan, kunnen we er echt wat aan doen.”
Dat de aanpak van het LUMC best bijzonder is, blijkt wel uit het feit dat afgelopen jaren medewerkers van onder andere de Wereld Gezondheid Organisatie (WHO) en de Europese Unie zijn komen kijken hoe we hier met antibiotica omgaan. Verder leveren onze specialisten van de afdeling Infectieziekten landelijk een belangrijke bijdrage aan richtlijnen en nieuwe initiatieven met als doel het antibioticabeleid in heel Nederland te verbeteren.

Wat kun je zelf doen?
De enige manier om ervoor te zorgen dat bacteriën gevoelig blijven voor antibiotica is door heel zorgvuldig te zijn met het gebruik. Daar kun je zelf aan meewerken door:

  • nooit zonder recept (bijvoorbeeld via internet) antibiotica te kopen. Gebruik ze alleen op voorschrift van je dokter.
  • de medicatie in te nemen op de voorgeschreven tijden. Op die manier is er altijd  een juiste dosis antibioticum in je lichaam aanwezig.
  • nooit zelf de dosering aan te passen, bijvoorbeeld omdat je last hebt van bijwerkingen. Overleg daarover altijd met je dokter.
  • geen restjes antibiotica te bewaren voor ‘een volgende keer’.
  • eventueel overgebleven medicijnen niet bij het vuil te gooien of door het toilet te spoelen. Lever ze in plaats daarvan in bij de apotheek.
  • in het buitenland geen antibiotica te gebruiken die je zonder recept kunt kopen.

 

LEVENSLESSEN VAN MARIAN JOËLS

2 Sep

jpg Marian Joels

Gepubliceerd in Trouw, 1 september 2018. (Foto: Merlijn Doomernik)

Stressonderzoeker Marian Joëls (61), decaan van het Universitair Medisch Centrum Groningen: “De tijd dat mensen wetenschappers op hun woord geloofden, is voorbij”

Les 1: De vervaging tussen feiten en meningen is gevaarlijk
“Een paar jaar geleden bestond de term fake news simpelweg niet. Nu kijkt niemand vreemd op als een gast van een talkshow wetenschappelijk onderzoek afdoet als ‘ook maar een mening’. Shockerend. Niet zozeer omdat mijn eigen werk minder serieus wordt genomen, maar omdat dat standpunt allerlei maatschappelijke risico’s met zich meebrengt. Als je belangrijke besluiten moet nemen, kun je aan onderbuikgevoelens niet hetzelfde gewicht toekennen als aan resultaten van jarenlange wetenschappelijke studies. Voor je het weet durven mensen dan hun kinderen niet meer te laten vaccineren, of staat de donorwet door foute overwegingen op de tocht.
Wat mij betreft geven media te veel ruimte aan opinies, simpelweg omdat die beter scoren. Het is hun dure plicht om meer tegengas te geven. Dat geldt trouwens net zo goed voor wetenschappers. De tijd dat mensen ons per definitie op ons woord geloofden, is voorbij. We moeten de boer op, het belang van wetenschap in de praktijk laten zien. Ik hoor te vaak van onderzoekers dat hun verhaal te ingewikkeld is om in een paar zinnen uit te leggen. Met zo’n houding schiet het niet op. Wat mij betreft moet je dat net zo goed in twee minuten als in twee uur kunnen.”

Les 2: Het verleden spreekt altijd mee
“In mijn nieuwsgierigheid en onderzoekslust herken ik mijn vader. Hij was een wetenschapper in hart en nieren. In zijn ouderlijk gezin was er echter geen geld om te studeren. Dat weerhield hem er niet van om zichzelf, onder andere via een avondstudie, te scholen. Ook in de oorlog leerde hij stug door. Uiteindelijk zou hij accountant en zelfs deeltijdhoogleraar worden. Tijdens de oorlog zaten mijn ouders — op dat moment verloofd — op verschillende adressen ondergedoken. Ze kwamen er lichamelijk ongeschonden uit en keken met verbijstering hoe de wereld om hen heen was weggeslagen. Veel tijd om te rouwen was er niet; Nederland moest verder, en mijn ouders ook. Maar bij al hun doen en laten sprak het verleden mee. Nadat mijn oudere zus was geboren, besloten mijn vader en moeder om het bij één kind te laten. Daarmee was het makkelijker vluchten dan met twee, wisten ze. Pas jaren later durfden ze hun diepgewortelde angst opzij te zetten en kwam ik erbij, zeven jaar na mijn zus.” 

Les 3: Goed voorbeeld doet goed volgen
“School vond ik saai, ik verveelde me enorm. Dus toog ik wekelijks naar de bibliotheek. Mijn interesse was breed; ik verslond net zo lief boeken over geschiedenis en muziek als over wiskunde en genetica. Op mijn dertiende kreeg ik een exemplaar in handen over de beroemde wetenschapper Marie Curie, die eind negentiende eeuw naam maakte als pionier op het gebied van radioactiviteit. Vanuit Polen toog ze naar Parijs om aan de Sorbonne te gaan studeren. Veel te eten had ze niet, maar haar honger naar kennis werd wel gestild. Tussen haar baanbrekende werk door, waarvoor ze twee keer de Nobelprijs ontving, kreeg ze twee kinderen. Het was een eye opener. Als zij een onderzoekscarrière met kinderen kon combineren, kan ik dat ook, dacht ik. Aan het eind van het boek wist ik zeker: ik ga de wetenschap in.”

Les 4: Je hoeft geen carrièrepad uit te stippelen om ver te kunnen komen
“Wie begin jaren ’70 goed was in exacte vakken, koos haast vanzelfsprekend voor een studie in die richting. Dat gold dus ook voor mij. Eén probleem: ik had geen idee welke studie dan. Door af te strepen wat ik niet wilde, bleef uiteindelijk biologie over. Wat heb ik mezelf aangedaan, dacht ik na twee weken in de collegebanken. Plantjes onder een microscoop bekijken vond ik helemaal niets. Gelukkig werd het in het tweede jaar leuker; in het hersenonderzoek vond ik mijn plek. Maar dat ik in dit vakgebied ben beland, is dus wel min of meer toeval. Net als al mijn andere carrièrestappen trouwens. Ik had van tevoren nooit bedacht dat ik in buitenland wilde werken, of hoogleraar wilde worden. Als ik een kans zie die me leuk lijkt, ga ik er gewoon op af. Zo kun je ongepland toch een aardig eind komen, blijkt.”

Les 5: Om als vrouw in de wetenschap succes te hebben, moet je de juiste man kiezen
“Wetenschap is topsport; je moet keihard werken om het hoogste niveau te bereiken. Dat lukt alleen met de juiste steun. Professioneel én privé. Mijn grote voorbeeld, Marie Curie, werkte samen met haar echtgenoot in het laboratorium. Toen ik haar verhaal las, had ik nooit kunnen vermoeden dat ik twee decennia later met mijn eigen man onderzoek zou doen naar het effect van stress op de hersenen. We ontmoetten elkaar in de kantine van het onderzoeksinstituut waar ik begin jaren ’80 promotie-onderzoek deed en hij als staflid werkte. ‘Ga je mee schaatsen?’, vroeg hij ’s winters een keer. We zijn nog altijd samen. Hij heeft me niet alleen altijd onvoorwaardelijk gesteund, maar me ook gestimuleerd om kansen te grijpen. Dat hij oprecht trots is op wat ik doe, heeft me het zelfvertrouwen gegeven dat ik nodig had.”

Les 6: Kortdurende stress is gezond
“Stress heeft een slechte naam. Onterecht; een beetje stress is essentieel voor je gezondheid. Bij acuut gevaar kunnen stresshormonen zelfs van levensbelang zijn. Wanneer je net je voet op het zebrapad hebt gezet en er komt een auto de hoek om scheuren, is het wel zo handig om je been in een flits terug te trekken. Daar heb je adrenaline voor, het hormoon dat direct energie geeft om te handelen. Cortisol vult die broodnodige energievoorraad vervolgens weer aan. Deze stresshormonen verhogen kortom je prestaties. Bovendien helpen ze je belangrijke gebeurtenissen beter te onthouden. Zo kun je ervan leren en je aanpassen aan veranderingen in de omgeving. Koesteren dus, dat soort stress! Chronische stress is een heel ander verhaal, die kan zich lelijk tegen je keren. Met bijvoorbeeld een grotere kans op hart- en vaatziekte, diabetes en depressie tot gevolg. Het goede nieuws is dan weer dat dat effect wel omkeerbaar is.” 

Les 7: Bescheidenheid mag in het museum
“Mijn ouders hadden bescheidenheid hoog in het vaandel, vooral voor meisjes. De gouden regel in ons ouderlijk huis was dat je je nooit op iets mocht laten voorstaan. We moesten vooral gewoon blijven. ‘Ze doen het heel aardig, maar dat is niet iets om trots op te zijn’, haastte mijn moeder zich te zeggen als mijn zus of ik een goed rapport hadden. Ongemerkt nam ik die gewoonte over; mijn latere wapenfeiten zwakte ik steeds flink af. Als anderen zichzelf wel op de borst sloegen, vond ik dat ongepast. Het heeft lang geduurd voor ik doorkreeg dat ik met die aanpak niet verder kwam. Want als ik het niet bijzonder vind wat ik doe, waarom zou de omgeving die mening dan wel zijn toegedaan? De aangeleerde deugd van bescheidenheid mag wat mij betreft dus in het museum. Maar helemaal uitbannen kan ik hem niet. Complimenten accepteren blijft ongemakkelijk.”

Les 8: Carrière en kind gaan prima samen
“Ik vond het heel gewoon om een voltijdbaan in de wetenschap te combineren met het moederschap. Tot mijn verbazing zag de omgeving dat vaak anders. Toen ik in 2002 werd benoemd als lid van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen, werd in mijn welkomstspeech nadrukkelijk vermeld dat ik daar, na vele vaders en grootvaders, de eerste moeder was. Wat had dat met de kwaliteit van mijn werk te maken, zou je denken. Maar kennelijk vond men dat bijzonder.
Na de geboorte van mijn zoon heb ik een paar jaar vier dagen per week gewerkt. Daarna weer —meer dan — voltijds. Schuldig heb ik me daar niet over gevoeld. Ja, als ik weer eens verstek moest laten gaan bij een schoolreisje misschien. Maar eerlijk gezegd denk ik dat mijn zoon er ook baat bij heeft gehad dat ik hem niet zo dicht op de huid zat. Van nature ben ik een overbezorgde moeder. Door mijn drukke baan ontbrak het me aan tijd om hem voortdurend voor mogelijk onheil te behoeden. Het kind is er wel bij gevaren, vermoed ik.” 

Les 9: Drink het leven zolang het kan
“Als je in beschouwing neemt hoeveel ziektes je kunt krijgen, mag het een wonder heten als je ongeschonden de eindstreep haalt. Mijn ouders lukte dat grotendeels wel; ze zijn allebei 99 geworden. Tot aan het eind deden ze dagelijks ochtendgymnastiek, en volgde mijn vader het nieuws op de voet. Mijn schoonmoeder, die op haar 97ste overleed, had er graag nog een paar jaar aan vastgeknoopt. Tot achter in de zeventig liep ze naar het dorp om boodschappen te doen. Toen die afstand wat te groot werd, schreef ze een brief naar de gemeente om halverwege een bankje te laten plaatsen. Dat kwam er. Ver in de tachtig kreeg ze een nieuwe knie kreeg. De operatie gebeurde op haar verzoek onder plaatselijke verdoving. Ze had namelijk gelezen dat oude mensen minder goed op een algehele narcose reageren. Tijdens de ingreep droeg had ze een koptelefoon met klassieke muziek om het geluid van de zaag te overstemmen. Zowel zij als mijn ouders hadden een allesoverheersende wil om het leven tot de laatste druppel op te drinken. Die instelling inspireert me nog iedere dag.” 

[Kader]
Marian Joëls
Bioloog Marian Joëls (Amsterdam, 1956), gespecialiseerd in het effect van stress op de hersenen,  studeerde en promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Daar werd ze in 1997 hoogleraar Zoölogie. In 2009 stapte ze over naar het UMC Utrecht, als hoogleraar Neurowetenschappen en directeur van het Hersencentrum Rudolf Magnus. Sinds september 2016 is ze als decaan en lid van de Raad van Bestuur verantwoordelijk voor het onderzoek en onderwijs van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Joëls schreef twee publieksboeken over de werking van de hersenen, Een zeepaardje in je hoofd (2009) en Meisjes zijn niet bètadom (2010). Ze is getrouwd met emeritus-hoogleraar Ron de Kloet. Samen hebben ze een zoon van 28.

GEZOND OUD WORDEN (DOE JE ZO)

6 Aug

Gezond oud worden jpg.jpg

Gepubliceerd in Radar+, zomer 2018.

Dat je niet moet roken als je oud wilt worden, weet iedereen. Maar wist je ook dat vrienden en goede seks je ook extra (gezonde) levensjaren kunnen opleveren? Vijf deskundigen geven tips.  

Arts en historicus dr. David van Bodegom van kennisinstituut Leyden Academy is (co-)auteur van de boeken Oud worden in de praktijk en Ontpillen.
“Met het stijgen van de leeftijd is achteruitgang onvermijdelijk, hoor ik vaak. Dat is slechts ten dele waar; mensen onderschatten hoeveel slijtage ze zelf kunnen voorkomen. Genen bepalen voor hooguit 30 procent hoe je oud wordt. Voor de overige 70 procent kun je met je leefstijl veel winst boeken. Het zit hem in de bekende dingen: niet roken, voldoende bewegen, gezond eten. Daarmee kun je een groot deel van ouderdomsklachten voorkomen, of in ieder geval uitstellen. Dat we dat niet (voldoende) doen, komt onder andere omdat we van nature zijn geprogrammeerd om zoetigheid te nuttigen en energie te sparen. Tienduizenden jaren was dat de beste strategie om te overleven. Dat verander je dus niet zomaar. Sta je toch weer in de lift, terwijl je je nog zo had voorgenomen om de trap te nemen.
Van mij hoef je echt niet op dieet, of naar de sportschool. Liever niet zelfs, want op de lange termijn houdt niemand dat vol. In plaats daarvan kun je beter een paar dingen in je dagelijkse omgeving veranderen, zodat gezond leven gemakkelijker en daarmee sneller een routine wordt.
Hoe ik dat zelf doe? Ik heb een stabureau en ik vergader bij voorkeur wandelend. Thuis heb ik de grote borden vervangen door kleine — het is wetenschappelijk bewezen dat je daardoor minder eet. Nog een paar tips: zorg dat je geen ‘slechte’ dingen in huis haalt. Stap standaard een bushalte eerder uit, zodat je meer loopt. En vermijd verleidingen buiten de deur, zoals de bakker waar je vaak wat lekkers koopt, door vanaf nu een andere route te nemen. Met dat soort kleine aanpassingen kun je heel wat gezonde jaren winnen. Laagopgeleide mensen, die over het geheel genomen ongezonder leven, voelen zich gemiddeld tot hun 54ste goed gezond. Voor hoogopgeleiden is tot hun 72ste. Ga dus maar na hoeveel winst er te halen is als iedereen gezonder zou gaan leven.” 

Prof. dr. Beate Volker, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, doet veel onderzoek naar de relatie tussen sociale contacten en gezondheid.
“Mensen die zich gesteund voelen door hun sociale netwerk, zijn gezonder dan eenzame mensen. Daar zijn twee verklaringen voor. De eerste is dat je in contacten met vrienden en kennissen ontspant, en dus minder stress hebt. Dat is goed voor je afweersysteem. De andere uitleg is dat ze je helpen om sneller te beter te worden als je — lichamelijk of geestelijk — wat mankeert. Dat doen ze zowel praktisch, bijvoorbeeld door boodschappen te halen of te koken, maar ook mentaal: ze luisteren naar je en geven je het gevoel dat je er niet alleen voor staat.
Het effect van sociale contacten op gezondheid is sinds de jaren ’70 keer op keer wetenschappelijk bewezen. Hoe ouder je bent, hoe groter de invloed. Je hoeft trouwens geen enorme vriendenkring te bezitten om die positieve gevolgen te ervaren. De meeste van ons hebben ‘maar’ één tot drie echte vrienden, en dat is prima. Wel belangrijk is dat je daarnaast een netwerk van tien à twaalf kennissen hebt. Die zorgen ervoor dat je niet vereenzaamt, en dat je wereld niet te klein wordt.
Op latere leeftijd vrienden maken is misschien lastiger, maar zeker niet onmogelijk. Loop je adresboek eens door en zoek contact met leuke mensen die je uit het oog bent verloren. Vraag een kennis om een paar keer per week samen te gaan wandelen. Of organiseer iets, een etentje of een leesclub. Vraag je eigen vrienden een onbekende mee te nemen om zo je netwerk uit te breiden. Je kunt ook op een koor gaan, of lid worden van een sportvereniging. Als je een interesse deelt, heeft een vriendschap namelijk de grootste kans van slagen.
Tegenwoordig hebben mensen ook veel online ‘vrienden’, die ze soms nog nooit in het echt hebben gezien. Natuurlijk is het fijn om daarmee ervaringen te delen. Maar communicatie bestaat uit zoveel méér dan woorden. Online contact is eendimensionaal. Bellen geeft al meer gevoel, omdat je dan ook iemands stem hoort. Maar bij elkaar zijn heeft qua gezondheid nog altijd de meeste impact.”

Biochemicus dr. Henne Holstege van het VU Alzheimer Centrum doet sinds 2013 onderzoek naar 100-plussers die geestelijk topfit zijn.
“Wat bepaalt dat de ene persoon op hoge leeftijd wel dementie krijgt en de andere niet? We weten inmiddels dat erfelijkheid en het afweersysteem een rol spelen. Hoe dat precies zit, proberen we in kaart te brengen met ons onderzoek 100-plussers met een fit brein. Wat verloopt er in hun verouderingsproces anders dan bij de ‘normale’ populatie? Het doel: achterhalen hoe je heel oud wordt met goed werkende hersenen.
Op het eerste oog zijn de levens van ‘onze’ 100-plussers als die van ieder ander; ze zijn net zo vaak getrouwd en gescheiden, en hebben gemiddeld net zoveel kinderen gekregen. Wat wel opvalt is dat bijna alle 315 deelnemers aan ons onderzoek heel positief in het leven staan, en laag scoren op een depressieschaal. Ze zeggen: blijf niet hangen in het verleden, maar kijk vooruit. Natuurlijk krijgen ze ook met tegenslagen te maken; op deze leeftijd zijn ze vaak al veel dierbaren verloren, dikwijls zelfs hun kinderen. Dat is echter geen reden voor ze om bij de pakken neer te gaan zitten. Wat ze ook overkomt, ze maken er het beste van.
Wat betreft tips om je eigen hersenen gezond te houden kan ik dit zeggen: wat goed is voor je hart en vaten — niet roken, gezond eten, voldoende bewegen — is ook goed voor je brein. Dichtgeslibde of beschadigde vaten kunnen in de hersenen namelijk net zo goed problemen veroorzaken als elders in het lichaam. Niet voor niets hebben mensen met een van de meest voorkomende vormen van dementie, vasculaire dementie, dikwijls een geschiedenis van hart- en vaatziekten, zoals beroertes, tia’s of een chronische hoge bloeddruk.
Of geheugenspelletjes helpen tegen mentale achteruitgang en vergeetachtigheid? Helaas niet zoveel als je zou hopen. ‘Brain training’ heeft alleen zin als je één specifieke vaardigheid wilt verbeteren, bijvoorbeeld het leren van Italiaanse woordjes of het maken van sudokupuzzels. Er is geen sluitend wetenschappelijk bewijs dat je dingen die je zijn overkomen er beter door onthoudt, of dat het de kans op dementie verkleint.”

Jeroen Bijman is sportfysiotherapeut bij Bijman+Helsloot Fysiotherapie in Purmerend.
“Onderzoekers van de Amerikaanse Standford University School of Medicine volgden gedurende twintig jaar duizend 50-plussers. De helft van hen liep regelmatig hard, de andere helft niet. Wat bleek? De eerste groep kreeg gemiddeld zestien jaar later last van ouderdomsklachten, en overleed gemiddeld ook later. Verrassend genoeg hadden de hardlopers op hun oude dag niet meer last van gewrichtsklachten, en ook niet meer heup- of knieoperaties ondergaan.
Dat komt omdat de mens gemaakt is om te bewegen. Dagelijks lang zitten verhoogt de kans op hart- en vaatziekten en diabetes type 2, en mogelijk ook op sommige vormen van kanker en depressie. De reden: je stofwisseling verandert als je lange periodes inactief bent. Verder geldt use it or lose it: als je je spieren en botten niet (veel) gebruikt, breken ze af. Bij inactiviteit verlies je per dag tot wel 150 gram spierweefsel. Een fit persoon die normaliter 50 kilo kan tillen, krijgt na twee weken (absolute) rust nog maar 40 kilo van de grond. Zo snel gaat de achteruitgang dus.
Gelukkig ben je — echt! — nooit te oud om (meer) te gaan bewegen. Mits je het rustig opbouwt. De meest gemaakte fout is te snel te veel willen. Dan is het risico op blessures groot. Vraag zo nodig advies over hoe je het verstandig aanpakt. Overigens hoef je echt niet fanatiek te gaan hardlopen om baat bij inspanning te hebben; dagelijks een uurtje licht intensief bewegen is voldoende.
‘Met mijn kwalen en gebreken kan ik niets doen’, hoor ik mensen soms zeggen. Ze zijn bang dat ze bestaande problemen met bewegen verergeren. Maar ook als je klachten hebt, is stilzitten het slechtste medicijn. Een speciale sportfysiotherapeut kan je helpen om het vertrouwen in je lichaam terug te krijgen, en je tips geven hoe je je conditie toch op peil houdt. Bij klachten aan schouder of arm is wandelen bijvoorbeeld een goede manier om fit te blijven. Bij knie-, enkel- en voetklachten is (licht) fietsen een prima alternatief. En aqua-aerobics kun je met bijna alle gewrichtsklachten doen. Aan de slag dus!”

Seksuoloog prof. dr. Ellen Laan, verbonden aan het AMC Amsterdam, is co-auteur van het boek Seks! Een leven lang leren.
“Het is vermoedelijk niet het eerste waar je aan denkt, maar om gezond oud te worden is lekkere seks wel degelijk belangrijk. Uit onderzoek blijkt namelijk dat seksueel plezier niet alleen de kwaliteit van leven vergroot, maar ook goed is voor je geestelijke én lichamelijke gezondheid. Het verlengt zelfs de gemiddelde levensduur, vermoedelijk omdat dat intimiteit en seksueel genot goede anti-stressmiddellen zijn.
Veel vrouwen zijn bang dat het na de overgang gedaan is met seksueel plezier. Dat hoeft helemaal niet. En het is ook niet waar dat postmenopauzale vrouwen per definitie meer pijn hebben bij het vrijen. Het mechanisme om door seksuele prikkels nat te kunnen worden, werkt voor en na de overgang namelijk even goed. Het probleem zit hem erin dat vrouwen vóór de menopauze vaak pijnloos gemeenschap kunnen hebben, zonder heel opgewonden te zijn. Als de vagina na de overgang wat droger en minder veerkrachtig wordt, is penetratie dan ineens wél pijnlijk.
Kort gezegd: seksuele overgangsklachten zijn niet het gevolg van een verlies aan oestrogenen, maar van een gebrek aan opwinding. Nog altijd voelen veel vrouwen gêne om voor hun eigen seksuele plezier te gaan. Ze stellen het genot van hun partner boven dat van zichzelf, met alle problemen van dien. Seksueel plezier is namelijk een noodzakelijke voorwaarde voor pijnloze en prettige seks, geen ‘bonus’ waar je ook vanaf kunt zien.
Natuurlijk verandert de aard van seks als je ouder wordt. Misschien moet je als vrouw rekening houden met lichamelijke ongemakken, of kun je als man niet (altijd) meer een erectie krijgen. Maar dan kun je nog wel van het vrijen genieten. Tenminste, als je het — onterechte — idee loslaat dat goede seks gelijkstaat aan penetratie. De oplossing? Samen nieuwe prikkels ontdekken. Zoenen, likken, strelen, masseren, fantasieën met elkaar bespreken of elkaar met de vingers stimuleren bijvoorbeeld. Kijk ter inspiratie maar eens omgyes.com. Forceer hoe dan ook niets. Want hoe oud je ook bent, vrijen hoort — en hoeft — echt niet pijnlijk te zijn.”

EX-ALCOHOLISTE LIESBETH DRONK 9 LITER BIER PER DAG

6 Aug

JPG Liesbeth 1

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 4 augustus 2018. (Foto’s: Corné Sparidaens)

Liesbeth Steinfelder (38) was meer dan twee decennia verslaafd aan alcohol en wiet. Samen met haar drie dochters zat ze tien maanden in een verslavingskliniek. 

“23 augustus 2015. Een zondagavond was het, toen ik besloot een einde aan mijn leven te maken. Die dag had ik voor de zoveelste keer slaande ruzie met mijn ex gehad, de vader van mijn kinderen. De wanhoop raasde in beukende golven over me heen. Ik was zó moe van het vechten. Van het schuldgevoel naar mijn drie dochters, die een betere moeder dan ik verdienden. Van de stress en de schulden en de slapeloze nachten. Van me eenzaam en mislukt voelen. De wereld is beter af zonder mij, dacht ik. Het hoopje witte pillen voor me op de keukentafel leek de enige uitweg uit het moeras, waarin ik twintig jaar lang steeds dieper was weggezakt.
En juist toen, op het moment dat ik mijn hand naar de pillen uitstrekte, hoorde ik een stem. ‘Ga naar boven’, zei die. Ik schrok me rot; zoiets had ik nog nooit meegemaakt. ‘Ga naar boven’, klonk het weer. De stem was zo helder, zo overtuigend, die moest wel van God zijn. Stilletjes beklom ik de trap naar de eerste verdieping van mijn huis, waar mijn dochters lagen te slapen. Verdrietig en bang na de zoveelste ruzie tussen hun ouders hadden de twee jongsten hun armen om elkaar heen geslagen. Toen ik dat zag, brak ik. In één klap was ik compleet nuchter. Ik kon mijn meisjes niet in de steek laten, zoals mijn ouders bij mij hadden gedaan. De volgende dag heb ik me bij een verslavingskliniek gemeld.”
Trauma
“Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik niet geboren had mogen worden. Dat ik er niet mocht zijn. Als kind kreeg ik kleren en eten, meer niet. Voor aandacht — laat staan liefde — hoefde ik niet bij mijn ouders aan te kloppen. Mijn moeder kwam nooit naar een uitvoering van school, of naar een van mijn turnwedstrijden. ‘Je houdt het toch niet vol’, was steevast haar antwoord. Met hetzelfde argument stuurde ze me na de basisschool naar de mavo, terwijl ik de beste van de klas was en uit de cito-toets bleek dat ik vwo kon doen. De boodschap die ik daaraan overhield: je bent niets waard.
Mijn vader — naar later bleek mijn stiefvader — was een alcoholist met een agressieve dronk. Hij en mijn moeder maakten altijd ruzie; er ging geen dag voorbij zonder geschreeuw. Hij sloeg me regelmatig en deed andere dingen met me waar ik verder niet op wil ingaan. Het volstaat te zeggen dat ik op mijn twaalfde al flink getraumatiseerd was. Mijn moeder vluchtte bijna elke avond het huis uit, naar de bingo. Voor mij opkomen durfde ze niet. Dat moest ik dus vanaf jonge leeftijd zelf doen.
Door al die nare ervaringen, vertrouwde ik niemand. Ik voelde me zo waardeloos en alleen. Als reactie schopte ik problemen. Letterlijk; ik ben vaak genoeg wegens vechtpartijen van school gestuurd. Ik was boos, boos, boos, op alles en iedereen. Vanaf mijn elfde zwierf ik hele dagen — en nachten — over straat. Op de camping waar ik regelmatig buiten sliep, rookte ik mijn eerste joint. Dat werden er al snel meer. Ik geloof dat mijn moeder me twee keer is komen zoeken, maar alleen omdat de buren er toen iets van hadden gezegd.
De spijbelschool waar ik intussen was beland, schakelde de Kinderbescherming in. Dat mijn moeder niet met ze wilden praten, was voor de hulpverleners reden genoeg om me op mijn 14e in een Gronings internaat te plaatsen. ‘Als je zo nodig weg wilt, moet je dat maar doen’, zei mijn moeder. Alsof het mijn eigen keus was! Het was de laatste keer dat ik haar zag of sprak, totdat ik jaren later zelf het initiatief nam om het contact te herstellen.”
Zwanger
“Ik weet nog precies hoe het voelde toen ik op mijn 14e mijn eerste biertje dronk. Zalig was dat. Niet dat ik het zo lekker vond. Helemaal niet zelfs; ik heb de smaak echt moeten leren waarderen. Maar dat ik na een paar biertjes in combinatie me wat joints geen zielspijn meer voelde, was zó fijn. Vanaf dat moment was ik verkocht. Al snel gebruikte ik iedere dag. Natuurlijk mocht dat niet op het internaat, maar daardoor liet ik me niet weerhouden. Er zijn genoeg handige tructjes om te voorkomen dat je wordt betrapt. Door zout in je urine te doen bijvoorbeeld. Dan kun je er geen wiet meer in opsporen. Het personeel deed heus wel zijn best om me te helpen, maar ik liet niemand toe. Daar had ik alleen maar slechte ervaringen mee.
Op mijn 18e stopte de hulp en stond ik er alleen voor. Vanaf dat moment ging het van kwaad tot erger. Ik werkte in een coffeeshop en was van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat stoned. Alles om de werkelijkheid maar niet onder ogen te hoeven komen. Toen ik op mijn 20ste uit huis werd gezet omdat ik de huur te lang niet had betaald, trok ik in bij mijn vriend. Samen blowen, drinken, ruzie maken en vechten, daar bestond ons leven uit. Dat hij nooit verliefd op me was geweest, vond ik de normaalste zaak van de wereld. Ik was het toch niet waard om van te houden. Mijn leven was uitzichtloos. En toen werden op mijn 22ste de streepjes op de zwangerschapstest blauw.
Ik had nooit kinderen gewild, maar toch was ik blij met mijn zwangerschap. Eindelijk komt er iemand in mijn leven die onvoorwaardelijk van me zal houden, dacht ik, wat voor stommiteiten ik ook bega. Nadat ik op de eerste echo het hartje zag kloppen, stopte ik resoluut met drinken en blowen. De oerkracht om mijn kind te beschermen was sterker dan de trek. Om de pijn die toen naar boven kwam te ontlopen, sliep ik negen maanden zoveel mogelijk, ook overdag. Overigens was mijn verslaving daarmee niet weg. Ik telde de dagen tot mijn volgende biertje. Voordat ik naar het ziekenhuis vertrok om te bevallen, stopte ik snel twee blikken in mijn tas. Zodra Delilah was geboren, dronk ik die in het toilet van het ziekenhuis op.”
Politie
“De jaren kregen erna kregen we nog twee dochters, Elvira en Jennah. Mijn kinderen waren mijn houvast, ze hielden me letterlijk op de been. Hoe slecht ik er ook aantoe was, ik zorgde er altijd voor dat ze voor school ontbeten, dat ze er netjes uitzagen, dat het ze praktisch gezien aan niets ontbrak. Maar de warmte en liefde die ze verdienden, kon ik ze niet geven.
Zelf dacht ik dat ik de schijn naar buiten aardig ophield, maar de omgeving wist natuurlijk wel beter. Mijn ex was heel gewelddadig, en daar reageerde ik dan ook weer agressief op. Dat bleef niet onopgemerkt; in de loop der jaren zijn er 23 meldingen van huiselijk geweld over ons gedaan. Telkens kwam de politie. Maar omdat ik geen aangifte wilde doen, vertrokken ze onverrichter zake naar het bureau. Ook al stonden de kinderen erbij te huilen. Onbegrijpelijk eigenlijk, dat niemand toen heeft ingegrepen. Als ik voor het blok was gezet — afkicken of je bent je kinderen kwijt — had ik me misschien eerder bij een kliniek gemeld.
Tijdens de zoveelste heftige ruzie gooide ik een blik bier naar mijn ex. Het veroorzaakte een flinke wond in zijn gezicht. Terwijl het bloed over zijn wang stroomde, maakte ik me geen zorgen over hem, maar over de alcohol die ik had verspild. Dat was — eindelijk — het moment waarop ik een punt achter de relatie durfde te zetten. Natuurlijk had ik veel eerder bij hem weg moeten gaan. Maar ik dacht dat ik het alleen nooit zou redden.
Uit woede en onmacht ging ik steeds meer drinken, op het dieptepunt negen liter bier per dag. Het eerste was ik ’s ochtends deed, was een halve literblik opentrekken. Zonder alcohol kreeg ik het zweten en trillen waar ik mee wakker werd niet onder controle. Je zou denken dat ik de hele dag stomdronken was, maar niet dus. Je lichaam went aan drank. Daarom heb je er op den duur steeds meer van nodig om hetzelfde effect te bereiken. Pas ’s avonds was ik echt ver heen. Als de meisjes in bed lagen, blowde en dronk ik net zo lang tot ik tot alles zwart werd en ik niet meer op mijn benen kon staan. Iedere dag weer.”
Warm bad
“Mijn dochters smeekten me regelmatig om te stoppen. Zonder hulp kon ik dat niet, wist ik. Maar me laten opnemen was geen optie, want dan zouden zij in de pleegzorg terechtkomen. Dat wilde ik koste wat het kost vermijden. En dus stuurde ik ze boos naar hun kamer als ze het onderwerp aankaartten. Dat ik mezelf uiteindelijk niet dood heb gedronken, heb ik te danken aan een paar bijzondere mensen, waaronder mijn buurvrouw, mama Aja. Zij vertelde me over haar relatie met God, en hoeveel steun ze van Hem kreeg. Verschillende keren nodigde ze me uit om mee te gaan naar haar kerk, het Evangelisch Centrum Hoogezand. Dat zag ik totaal niet zitten; ik had niets met het geloof. Maar om van het gezeur af te zijn, nam ik een keer deel aan haar vrouwengroep. Iedereen daar was even hartelijk en liefdevol. Ondanks dat ze van mijn problemen wisten, werd ik direct in de groep opgenomen. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Het enige wat ik mijn hele leven had gewild, was onvoorwaardelijke liefde. Die kreeg ik daar.
De dag erna ben ik met mijn kinderen naar een dienst gegaan. Het voelde als een warm bad. Hoe konden deze mensen zo open en barmhartig zijn? Dat wilde ik ook kunnen. Ik besloot me in de bijbel te verdiepen en ging steeds vaker naar de kerk. Minder drinken en blowen lukte — nog — niet, maar ik had wel een vangnet gevonden. Want hoe hard ik ook mijn best deed om ruzie te zoeken en de mensen van de kerk van me te vervreemden, ze bleven naast me staan. Ze veroordeelden me nooit, zelfs niet als ik dronken uit de kerkbank viel. Dan tilden ze me op, sloegen een arm om me heen en baden samen voor me. Ik kan moeilijk onder woorden brengen hoeveel hun steun voor me heeft betekend. Ze zijn mijn nieuwe familie.”
Afkicken
“Met zes weken ben ik weer thuis, dacht ik toen ik me bij Verslavingszorg Noord Nederland meldde. Dat viel dus knap tegen. Uiteindelijk ben ik tien maanden opgenomen geweest. Mét mijn dochters, want bij gezinskliniek De Borch in Eelderwolde mogen kinderen tot twaalf jaar bij hun ouders blijven. Dat trok me uiteindelijk over de streep. ‘Nog een half jaar en je was er niet meer geweest’, zei de verslavingsarts bij mijn opname. Zo slecht waren mijn leverwaarden. Na een ontwenningsperiode van tien dagen, was ik lichamelijk afgekickt. Toen begon het echte werk pas. De eerste drie maanden kon ik alleen maar huilen en schreeuwen, zoveel verdriet en woede had ik in me. Helemaal op de bodem voelde ik een enorme rust over me komen. Het was de eerste keer dat ik de liefde van God nuchter ervoer. Vanaf dat moment ben ik keihard aan mezelf gaan werken, onder andere met traumatherapie. Nooit geweten dat je zoveel pijn kon ervaren. “Je hoeft het niet alleen te doen”, zei mijn geweldige psychiater. En: “Je bent het waard”. Magische woorden.
Door de verslaving had mijn leven twee decennia stilgestaan. Op mijn 35ste was ik nog nooit buiten de provincie Groningen geweest. Normale relaties kende ik niet. De jaren voor mijn opname had ik amper gegeten. Ik moest opnieuw leren denken, leren voelen, leren communiceren. En ook hoe ik een sobere moeder moest zijn. Door het trauma uit mijn jeugd kon ik aanrakingen nauwelijks verdragen. Zelfs niet van mijn dochters als die wilden knuffelen. Ook dat moest ik dus oefenen.
Terugkijkend vind ik het vreselijk dat mijn kinderen zo lang zo bezorgd over me zijn geweest. Voor hun gevoel moesten zij voor mij zorgen, in plaats van andersom. Ze durfden bijvoorbeeld niet mee op schoolreis, omdat ze bang waren dat ik bij terugkomst dood zou zijn. Op die manier heeft de drank — heb ik — ze een groot deel van hun jeugd ontnomen. Daar voel ik me nog altijd schuldig over. Maar ik kan het verleden niet ongedaan maken. Wat ik wél kan doen, is vanaf nu de best mogelijke moeder voor ze zijn.”
Vertrouwen
“Aan een nieuwe liefdesrelatie durf ik nog niet te beginnen. Eerst wil ik mijn eigen leven helemaal op orde hebben. Dat gaat goed; ik ben niet één keer terugvallen. Vorig jaar heb ik mijn rijbewijs gehaald en een autootje gekocht. De vrijheid die dat geeft is fantastisch. En een paar weken geleden heb ik het eerste jaar van mijn HBO-opleiding Ervaringsdeskundige in de zorg afgerond. Ik, die de mavo niet eens heeft afgemaakt! Tegen alle mensen die nooit in me hebben geloofd, zeg ik: wacht maar af. Ik zal jullie een poepje laten ruiken.
Natuurlijk heb ik nog wel eens moeilijke momenten, als ik boos of verdrietig ben en de stress oploopt. Maar in plaats van zulke gevoelens weg te stoppen, weet ik nu hoe hoe ik ermee moet omgaan. Bijvoorbeeld door te gaan hardlopen, of door gedichten te schrijven. Zo nodig bel ik mijn psychiater. Het allerbelangrijkste is dat ik, door dag in, dag uit de juiste keuzes te maken, het vertrouwen van mijn dochters heb herwonnen. Ze laten me nu zelfs weer zonder zorgen alleen boodschappen doen. Want zij weten het net als ik zeker: ik gebruik nooit meer.”

[Paspoort]

  • Naam: Liesbeth Steinfelder
  • Geboren: 5 april 1980 in Veendam
  • Woonplaats: Hoogezand
  • Opleiding: volgt de tweejarige HBO-opleiding Ervaringsdeskundige in de zorg aan de Hanzehogeschool in Groningen
  • Privé: alleenstaand; drie dochters van 15, 12 en 9
  • Bijzonderheden: werkte mee aan het EO-programma De Verandering

[Kader]
De Borch
De Borch is een kliniek voor gezinnen met kinderen tot twaalf jaar, waarvan een of beide ouders een verslaving heet. Ook is er plaats voor zwangere vrouwen, met of zonder partner. In totaal is er plaats voor zestien gezinnen en vier zwangeren. Elk gezin verblijft in een eigen zit- en slaapkamer. Schoolgaande kinderen kunnen terecht bij een basisschool in de buurt. In de kliniek is ook een crèche voor de kinderen die nog niet naar school gaan. Het behandelprogramma duurt maximaal twaalf maanden. Zo nodig is er ook hulp voor de kinderen. Meer informatie: vnn.nl 

[Kader]
Verslaving in Noord-Nederland

  • In Noord-Nederland hebben 80.000 mensen problemen met verslavende middelen. Dat zijn vier voetbalstadions vol. 
  • Jaarlijks behandelen de professionals van Verslavingszorg Noord Nederland 10.000 cliënten. 77 procent van hen is man. 
  • 40 procent van de hulpvragen gaat over alcohol, 28 procent over hard drugs, 16 procent over cannabis en 4 procent over gokken. 
  • De gemiddelde leeftijd van cliënten met een alcoholverslaving is 47 jaar, met cannabisverslaving 28 jaar. 

PAST DIT MEDICIJN (NOG) BIJ MIJ?

26 Jun

Gepubliceerd in Plus Magazine, juni 2018. (Illustratie: Ilse Weisfelt)

Als je ouder wordt, verandert de manier waarop je lichaam op medicijnen reageert. En hoe meer verschillende middelen je gebruikt, hoe groter de kans dat die elkaar beïnvloeden.

Stel, je slikt al jaren dezelfde medicijnen, en ineens krijg je last van bijwerkingen. Dat klinkt vreemd, maar toch is het niet zo raar. Met het ouder worden, gaat het lichaam namelijk vaak anders op medicijnen reageren. De hoeveelheid lichaamsvocht neemt in de in de loop van de jaren af, waardoor geneesmiddelen die in water oplossen sterker werken. De hersenen worden gevoeliger voor de werking van bepaalde medicatie, waardoor je er bijvoorbeeld eerder licht in je hoofd van wordt. En door een verminderde werking van de nieren kan het  langer duren voor medicijnen uit je lichaam zijn verdwenen. Als je verschillende middelen slikt, kunnen die elkaar bovendien versterken of verzwakken, of op een andere manier beïnvloeden. Dat geldt trouwens óók voor medicijnen die je bij de drogist koopt, zoals pijnstillers of St Janskruid. Het gevolg: met het stijgen van de leeftijd heb je eerder, vaker en meer last van bijwerkingen, zoals vallen, sufheid, duizeligheid en verwardheid. 

Onderzoek
Eigenlijk zou de werking van nieuwe medicijnen bij (kwetsbare) ouderen apart moeten worden onderzocht. Maar zulk onderzoek is ingewikkeld en duur. Ouderen hebben namelijk vaker te maken met allerlei aandoeningen, die het effect kunnen beïnvloeden. Of ze gebruiken andere medicijnen die werking van het te onderzoeken middel verstoren. Bovendien is het, zeker voor heel oude patiënten, vaak praktisch lastig om aan zo’n onderzoek mee te doen, bijvoorbeeld omdat ze daar regelmatig voor naar het ziekenhuis moeten. Dus sluiten fabrikanten ze uit. In plaats daarvan testen ze voornamelijk op jongere, gezondere proefpersonen. Anders gezegd: de groep die de meeste medicijnen gebruikt, zit onvoldoende in de studies waarin de veiligheid en de werkzaamheid ervan is bepaald.
Wetenschappelijke onderzoeken worden vertaald in richtlijnen, die artsen onder andere gebruiken om te bepalen hoeveel ze van welk middel moeten voorschrijven. Ook voor die richtlijnen geldt dus: ze zijn niet per se toepasbaar op (kwetsbare) ouderen. Een standaarddosering kan, door lichamelijke veranderingen, bij een iemand van 85 immers heel anders uitpakken dan bij een patiënt van 50.
Daar komt bij dat ook streefwaarden voor bijvoorbeeld een ‘gezonde’ bloeddruk of cholesterolgehalte in de loop van de tijd veranderen. Hoe lager, hoe beter, denken de meeste mensen over dit soort waarden. “Maar dat klopt niet”, zegt Rob van Marum, klinisch geriater in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch en bijzonder hoogleraar farmacotherapie (de behandeling van ziektes en aandoeningen met geneesmiddelen) bij ouderen in het VUmc in Amsterdam. “Een ‘normale’ bloeddruk van 120/80 kan er bij een kwetsbare 80-plusser gemakkelijk voor zorgen dat die sneller duizelig wordt en valt. Vandaar dat voor deze groep een bloeddruk van 160/100 wel zo veilig is.” 

Eerste hulp
‘Ja maar een hoge bloeddruk is toch ook ongezond’, hoort Van Marum vaak op zijn spreekuur. “Dat hangt er helemaal vanaf”, nuanceert hij. “Een bloedruk van bijvoorbeeld 220/120 is natuurlijk gevaarlijk, maar die zie je niet vaak. Medicijnen als bloeddruk- en cholesterolverlagers schrijven we meestal voor bij lichtere vormen van hoge bloeddruk, om op de lange termijn — over tien of twintig jaar — het risico op bijvoorbeeld hart- en vaatziekten te verkleinen. Maar als je maximaal nog een paar jaar in het verschiet hebt, doen ze door de bijwerkingen vaak meer kwaad dan goed.”
Niet voor niets belanden jaarlijks zo’n 48.000 65-plussers met een medicijngerelateerd probleem op de eerste hulp. Dat aantal neemt al jaren toe. De grootste groep komt daar terecht, omdat ze zijn gevallen. Maar ook problemen met de nieren of bloedingen komen veel voor. Hoe ouder de patiënt, hoe vaker het fout gaat; het aantal 65-plussers dat in verband met geneesmiddelengebruik in het ziekenhuis wordt opgenomen, is drie keer zo groot als in de leeftijdsgroep onder de 65. Dat is des te schrijnender, omdat de helft van die opnames met het juiste gebruik en tijdig ingrijpen te vermijden was geweest, blijkt uit het rapport Vervolgonderzoek Medicatieveiligheid van zorgonderzoeksinstituut NIVEL.
“Ouderen moeten zeker niet ‘zomaar’ met allerlei geneesmiddelen stoppen”, haast Van Marum zich te zeggen. “Maar het zou goed zijn als we me z’n allen wel wat kritischer worden over het medicijngebruik, en de voor- en nadelen beter tegen elkaar afwegen. Artsen én patiënten. Ik zie mensen met uitgezaaide kanker en een levensverwachting van maximaal een jaar, die nog cholesterolverlagers slikken. Ze hebben daar in die fase helemaal geen baat meer bij.”
De oplossing ligt volgens hem in meer maatwerk. “Richtlijnen gaan over groepen, niet over individuen. Laten we in plaats van naar gemiddelden te kijken focussen op de kwaliteit van leven van kwetsbare ouderen. Oók als dat betekent dat we behandelingen beter kunnen laten. Hoe moeilijk dat soms ook is.”

Goede informatie
Een belangrijke eerste stap daarvoor is betere voorlichting. Want alleen als je goed bent geïnformeerd, kun je de juiste afweging maken. “Stel, na een TIA — een tijdelijke beroerte — krijg je van de neuroloog een dagelijks aspirientje voorgeschreven. Dat verlaagt de kans op een nieuwe beroerte met een paar procent. Maar het vergroot juist de kans op onder andere een maagbloeding. Patiënt en arts moeten in goed overleg bepalen wat zwaarder weegt.”
Slechts 15 procent van de ouderen die meer dan vijf medicijnen slikken, weten waar die middelen voor zijn en waarom ze ze slikken, ontdekten onderzoekers van de Maastricht University. Het gevolg is dat patiënten minder trouw zijn in het gebruik ervan, maar ook dat ze minder goed kunnen aangeven als ze last hebben van bijwerkingen.
“Gebruik je vijf of meer verschillende medicijnen? Neem nut en noodzaak daarvan dan regelmatig met je huisarts door”, besluit Van Marum. “Of vraag de apotheek jaarlijks op een vast moment om een medicatie-adviesgesprek. In zo’n gesprek kun je samen in alle rust doornemen welke middelen je gebruikt, of die nog allemaal nodig zijn en of de dosering en toediening ervan eventueel handiger kunnen. Zo nodig overlegt de apotheker met de (huis)arts.”

[Kader]
VEELGEBRUIKTE MIDDELEN: WEES HIEROP ALERT
Middelen tegen een hoge bloeddruk

  • Let op: Dat de bloeddruk niet te laag wordt. Het belangrijkste gevaar daarvan is duizeligheid, waardoor gebruikers sneller vallen. Realiseer je dat de algemene streefwaarden voor een gezonde bloeddruk voor 80-plussers te streng zijn. 
  • Advies: Laat je bloeddruk periodiek controleren. Overleg met je huisarts hoe vaak dat verstandig is. Heb je last van duizeligheid of andere bijwerkingen, kaart het meteen aan. Denk niet: het hoort erbij. 

Cholesterolverlagers

  • Let op: Een sterke verlaging van het cholesterol is bij kwetsbare ouderen niet altijd beter. Dat hangt sterk af van de reden waarvoor de cholesterolverlager is voorgeschreven. Daarnaast veroorzaken de middelen soms duizeligheid, spierpijn en/of een moe gevoel in de benen, met valgevaar tot gevolg. 
  • Advies: Meld eventuele bijwerkingen direct en bespreek ze met je huisarts. Overigens kunnen die, door lichamelijke veranderingen, ook pas ontstaan als je de middelen al jaren gebruikt. 

Middelen tegen diabetes

  • Let op: Een te strenge instelling op de medicatie (tussen de 4 en 5 mmol/l) geeft bij ouderen veel problemen, bijvoorbeeld in de vorm van meer ‘hypo’s’ — dipjes in het bloedsuiker. Als gevolg van zo’n hypo kun je gaan trillen en moe en duizelig worden. Je voelt je dan akelig. Bovendien herstellen ouderen langzamer van een hypo dan jongeren. De invloed op de kwaliteit van leven is dus groot. 
  • Advies: Bespreek met je arts welke bloedsuikerwaarde in jouw situatie acceptabel is. Voor sommige 80-plusers ligt die eerder in de richting van 9 of 10 dan ‘normale’ 4 of 5. Het gaat erom de waarde te vinden waar je je zo goed mogelijk bij voelt.  Ter geruststelling: een wat hogere waarde maakt voor de levensverwachting niets uit. 

Pijnstillers

  • Let op: Eigenlijk is alleen paracetamol echt ‘veilig’ voor ouderen. Alle andere pijnstillende middelen — ontstekingsremmende pijnstillers (NSAID’s, zoals ibuprofen) en opiaten (zoals tramadol en morfine) — geven bij ouderen vaak vervelende bijwerkingen. NSAID’s vergroten bijvoorbeeld de kans op maagbloedingen en nierproblemen. Ook kunnen ze de klachten van patiënten met hartfalen verergeren. Het gebruik van opiaten kan een delier — een nare, tijdelijke verwardheid — veroorzaken. Ook geven deze middelen vaak obstipatie. 
  • Advies: Slik bij het gebruik van NSAID’s altijd een maagbeschermer. Krijg je een pijnstiller uit de familie van opiaten voorgeschreven, vraag daar dan een laxeermiddel bij. 

Middelen tegen botontkalking (bisfosfonaten)

  • Let op: Het lichaam slaat dit soort geneesmiddelen op in de botten. Daar werken ze nog jaren door. 
  • Advies: Patiënten hoeven zelden langer dan vijf jaar te slikken.

Antidepressiva

  • Let op: Alle middelen die je geestestoestand beïnvloeden — officiële naam ‘psychofarmaca’ — kunnen voor (kwetsbare) ouderen gevaarlijke bijwerkingen hebben. Denk aan sufheid, een verhoogde kans op vallen, hartritmestoornissen of zelfs een beroerte. 
  • Advies: Bespreek ieder half jaar of het nodig is om door te gaan met het gebruik van de medicijnen. Stop nooit abrupt met dit soort middelen, maar bouw die — in overleg met de arts — geleidelijk af. 

 

[Kader]
Nieuw medicijn?

  • Besprek met je dokter of het echt nodig en zinvol is om een middel te gaan gebruiken. Laat je goed voorlichten over de mogelijke gezondheidswinst, afgezet tegen de eventuele bijwerkingen. 
  • Vraag specifiek waar je bij het gebruik op moet letten, en wanneer je aan de bel moet trekken. 
  • Check of het nodig is om voorafgaand aan het gebruik je nierfunctie te laten testen. 
  • Spreek met de arts af dat je een middel bijvoorbeeld een paar weken probeert, en dat je daarna overlegt hoe het is bevallen, en welke eventuele bijwerkingen je hebt. Vraag dus niet ‘zomaar’ een herhaalrecept. 
  • Meld bij het afhalen van de medicatie in de apotheek altijd welke receptloze middelen (van de drogist) je daarnaast gebruikt, bijvoorbeeld ontstekingsremmende pijnstillers (zoals ibuprofen) of St. Janskruid. 
  • Als je je afvraagt of bepaalde klachten het gevolg kunnen zijn van een geneesmiddel, check dat dan bij de apotheker. Deze kan dan zo nodig in overleg de huisarts voor een alternatief zorgen.
  • Krijg je een medicijn dat net op de markt is? Vraag aan je arts of er al ervaring is met mensen van je leeftijd.
%d bloggers liken dit: