Archief | 00 – Nieuws RSS feed for this section

LETTIE RAAKTE ERNSTIG VERBRAND

5 aug

20-33 Lettie Noorlander jpg

Gepubliceerd in Margriet 29/30, juli 2020. Foto: Mariel Kolmschot.

Door een dom ongelukje raakte Lettie Noorlander (62) in 2011 ernstig verbrand in haar gezicht en hals en aan haar linkerarm en -hand. Het herstelproces duurde bijna drie jaar. “Ik bleek veel sterker dan ik had gedacht.”

“In het ziekenhuis wilde ik mijn brandwonden niet zien. Ik wist dat ik dan enorm zou gaan piekeren. Over de behandeling. Over mogelijke blijvende littekens. Over het verlies aan zelfstandigheid als ik mijn hand en arm niet goed meer zou kunnen gebruiken. Dus sloot ik mijn ogen als mijn verbanden werden verwisseld en vermeed ik de spiegel als ik naar de wc ging. Maar na een paar dagen moest ik er van de dokters en verpleegkundigen toch aan geloven. Het was belangrijk voor de verwerking, zeiden ze. Met veel moeite richtte ik mijn blik op mijn hand. Die zag er nog erger uit dan ik had verwacht. Mijn huid leek wel een stuk rauw gehakt. Pas veel later heb ik de foto’s van de rest van mijn oorspronkelijke wonden bekeken. Dat was een rare gewaarwording; ik herkende mezelf nauwelijks terug. Als ik de beelden van toen vergelijk met hoe ik er nu uitzie, ben ik er wonderbaarlijk goed van afgekomen.”
In brand
“Het gebeurde op een mooie avond in april. Met een grote groep vrienden was ik in de tuin van één van hen aan het barbecuen. Voor de gezelligheid had iemand een bio-ethanolbrander op tafel gezet. Toen die dreigde uit te gaan, besloot de 18-jarige dochter van mijn beste vriendin hem bij te vullen. Onbedoeld kneep ze te hard in de fles brandstof en spoot die direct op mij. Automatisch weerde ik de straal af met mijn linkerarm. Maar ik kon niet voorkomen dat de vloeistof behalve op mijn arm en hand ook in mijn hals en gezicht kwam. Omdat ze door de vlam heen had gespoten, vloog ik direct in brand.
Toevallig hadden verschillende aanwezigen een diploma voor bedrijfshulpverlening. Zij wisten dus precies wat ze moesten doen; een geluk bij een ongeluk. Eén van hen gooide zijn jasje over me heen om het vuur te doven. Daarna hebben ze me op de grond gelegd, mijn kleren opengeknipt en natte doeken over me gedrapeerd, die ze steeds met water overgoten. Dat bleven ze doen, tot de brandweer en ambulance er waren en die de hulpverlening overnamen. De pijn was zo overweldigend, dat ik hem op dat moment niet eens voelde. Ik denk dat je brein in zo’n geval uit zelfbescherming een deel uitschakelt. Verder kreeg ik van de ambulancebroeders al snel een infuus met morfine.
In het brandwondencentrum van het Maasstad Ziekenhuis stond een heel team op me te wachten. Ze maten al mijn verwondingen op, brachten ze in kaart en maakten er foto’s van. 16 procent van mijn totale huidoppervlak bleek verbrand, met allemaal tweede en derdegraads brandwonden. Verpleegkundigen smeerden de aangetaste stukken huid in met een speciale zalf en zwachtelden me in. Daarna ging ik naar de intensive care.”
Transplantatie
“24 uur per dag kreeg ik morfine. Daarmee was de pijn draaglijk, zes op een schaal van tien. Totdat de verpleegkundigen mijn verbanden kwamen verwisselen. Dat moest elke dag gebeuren. Ik kan niet in woorden uitdrukken hoe verschrikkelijk het was. Voor elke verbandwissel kreeg ik een extra dosis pijnstilling, maar die haalde weinig uit. De verbanden plakten aan mijn wonden. Iedere dag weer moest ik daarom eerst een uur in bad om ze los te weken. Vervolgens haalden verpleegkundigen met watjes de oude zalf van mijn wonden. Hoe voorzichtig ook, het voelde alsof ze met grof schuurpapier tekeergingen. Daarna werd alles opnieuw ingesmeerd en ingezwachteld.
Na een week waren nog niet alle wonden dichtgegaan. Om infectie te voorkomen, moesten de open plekken worden bedekt met gezond vel van een ander lichaamsdeel. Met een soort kaasschaaf haalde een chirurg een grote lap vel van mijn rechterbovenbeen. Die knipte hij in stukjes en bevestigde ze met 265 nietjes op mijn hals, arm en hand. Na de operatie moest ik nog drie weken in het ziekenhuis blijven om te herstellen. Ook toen gingen de verbandwissels iedere dag door.
Mijn gezicht was het minst erg verbrand, dus daar was een huidtransplantatie gelukkig niet nodig. In plaats daarvan zat er een speciale zalf op, die in de loop van de weken van wit naar zwart verkleurde. Beetje bij beetje haalden de verpleegkundigen het hard geworden zalfmasker eraf. Wonderbaarlijk genoeg kwam daaronder nieuwe huid te voorschijn. Weliswaar vuurrood, maar zonder littekens. De opluchting was overweldigend.”
Revalidatie
“Vier weken na het ongeluk mocht ik naar huis. Maar daarmee was ik er nog lang niet. Een half jaar lang moest ik steeds terug naar het ziekenhuis om de wonden opnieuw te laten zalven en verbinden. Eerst drie keer per week, later twee keer. Al die tijd bleef ik morfine gebruiken, anders was de pijn niet te doen. Pas toen alle wonden goed waren genezen, kon ik aan de eigenlijke revalidatie beginnen. In het ziekenhuis was ik al voorzichtig gestart met fysiotherapie voor mijn hand. De muis daarvan was ernstig beschadigd, waardoor ik mijn duim niet goed kon gebruiken en moeilijk dingen kon vastpakken. Vanaf het begin ben ik daar heel fanatiek mee gaan oefenen. Als ik straks maar weer kan autorijden, dacht ik steeds — mijn auto is mijn zelfstandigheid.
Nadat de wonden waren hersteld, stond de huid heel strak. Dat beperkte me in mijn beweeglijkheid. Ik kreeg daarom endermologie, een intensieve vorm van bindweefselmassage. Met een soort stofzuiger zuigt een huidtherapeut je huid omhoog en rolt die op en af. Zo raakt die beter doorbloed en verzacht het littekenweefsel. Een volgende stap was dat een plastisch chirurg bepaalde littekens operatief losser maakte met een zogenaamde Z-plastiek, zodat de huid minder trok. Daarna kwamen zes behandelingen met een dermaroller: een apparaatje met meer dan honderd microscopisch kleine naaldjes, die gaatjes in de huid prikken en hem daarmee licht beschadigen. Dit stimuleert de aanmaak van collageen en bindweefsel, en daarmee van een soepelere en gezondere huid.
Al die behandelingen waren geen pretje, maar ik greep ze met beide handen aan. Alles wat ik kon doen om het resultaat te verbeteren, was meegenomen. Gelukkig hielpen ze ook daadwerkelijk. Inmiddels kan ik alles weer met mijn arm en hand doen. Alleen als het koud is, voel ik nog dat de huid wat strakker staat.”
Niet zielig
“Tijdens het hele herstelproces was nazorgverpleegkundige Anneke van het brandwondencentrum mijn steun en toeverlaat. Twee jaar lang ging ik regelmatig bij haar langs. Dan beoordeelde ze niet alleen mijn huid, maar praatten we ook over hoe het met me ging. Ze hield in de gaten of ik niet te snel te veel ging werken en of ik geen last kreeg van nachtmerries of herbelevingen. Uiteindelijk wilde ze het begeleidingstraject niet beëindigen, voordat we samen de foto’s van mijn verbrande lichaam hadden bekeken. Hoe moeilijk ook, ik ben toch blij dat ik dat heb gedaan. Het heeft me geholpen om te accepteren wat me is overkomen.
Ik heb me trouwens wel lang verzet tegen het idee dat ik een brandwondenpatiënt ben. Ik weet nog dat ik met mijn zoon naar een dag van de Brandwonden Stichting ging. Daar was ook een plastisch chirurg, die een lezing hield. Ik was van plan hem te vragen wat er nog te doen was aan een lelijke plek in mijn nek. Maar toen ik daar allemaal mensen zag die veel ernstiger verminkt waren dan ik, durfde ik niet meer. In vergelijking met hen zag ik er heel normaal uit. Dan moest ik me ook niet aanstellen, vond ik. ‘Jij bent net zo goed een slachtoffer’, zei mijn zoon. Zelfs na al die jaren vind ik dat een lastig idee. Ik wil niet zielig zijn.”
Mazzel
Ondanks dat ik het in het begin heel moeilijk vond om naar mijn eigen wonden te kijken, heb ik me nooit voor mijn lichaam geschaamd. Het was een ongeluk waar niemand iets aan kon doen. En ik heb enorme mazzel gehad dat ik zo goed ben hersteld. Ik doe dus geen extra moeite om mijn hals en arm te bedekken. En ik loop ook gewoon in badpak.
Vreemd genoeg heb ik nog de meeste moeite met het litteken van de huidtransplantatie op mijn been. Dat is een groot, wit vlak dat — in tegenstelling tot mijn verbande huid — niet meekleurt in de zon. Ik vind het het vooral lastig te verkroppen dat mijn been ‘kapot’ is gemaakt, terwijl daarmee niets aan de hand was. Het was natuurlijk voor een goed doel, maar toch klopt dat gevoelsmatig niet.
Wat ik na die fatale avond nooit had kunnen vermoeden, was dat deze hele ervaring me zoveel sterker zou maken. Vroeger was ik best bedeesd, nu deins ik nergens meer voor terug. Zo heb ik vorig jaar op mijn 61ste nog mijn taxipas gehaald, iets wat ik altijd al wilde. Ik kan zoveel meer dan ik dacht, weet ik nu. Dat geeft zelfvertrouwen.
Met mijn beste vriendin en haar dochter heb ik nog altijd goed contact. We hebben het nooit echt uitgepraat, maar dat hoeft van mij ook niet. Het meisje deed het niet expres, dus ik neem haar niets kwalijk. Het schuldgevoel was voor haar al moeilijk genoeg.”

[Kader]
Gezondheidswetenschapper Inge Spronk van het brandwondencentrum in het Maasstadziekenhuis deed onderzoek naar de langdurige gevolgen van brandwonden, zowel lichamelijk als geestelijk. Ze ontdekte dat vrouwen met brandwonden langzamer herstellen en meer zorg nodig hebben. 

Wat heeft u precies onderzocht?
“Mensen met ernstige brandwonden die in een brandwondencentrum opgenomen zijn geweest, vallen na thuiskomst vaak in een zwart gat. Na een periode van intensieve zorg blijkt het dan knap ingewikkeld om het gewone leven weer op te pakken. Maar waar ze specifiek tegenaanlopen, wisten we in het ziekenhuis niet. En dus ook niet hoe we ze daarmee kunnen helpen. Dat hebben we met deze studie in kaart gebracht.”
En?
“Veel patiënten blijken vijf tot zeven jaar naar hun ontslag uit het ziekenhuis nog steeds klachten hebben. Van de mensen met lichte brandwonden is dat 45 procent, van de mensen met zware brandwonden zelfs 81 procent. Lichamelijk zijn pijn en jeuk de grootste problemen, geestelijk angst en depressieve gevoelens. Vrouwen herstellen bovendien langzamer en hebben meer zorg nodig dan mannen.”
Waarin verschilt het herstel bij vrouwen?
“Dat moeten we nog verder uitzoeken. Uit andere studies weten we dat het afweersysteem van vrouwen wat anders werkt. Dat zou ermee te maken kunnen hebben, net als de aanwezigheid van vrouwelijke hormonen. Een andere mogelijke verklaring is dat vrouwen qua uiterlijk anders worden beoordeeld dan mannen, en dat zij daardoor meer last hebben van bijvoorbeeld schaamtegevoelens over hun littekens.”
Wat gaat u met de uitkomsten doen?
“Veel patiënten gaven aan dat ze in het begin van het traject graag meer informatie hadden gekregen over wat ze te wachten stond, zowel op korte als op lange termijn. Dat had een beter beeld gegeven van het herstelproces, vertelden ze. Met dat in het achterhoofd hebben we een herstelmodel gemaakt, waarin je kunt zien hoe het herstel van patiënten is met vergelijke grootte brandwonden, met hetzelfde geslacht en dezelfde leeftijd. En dat dan na 3, 6, 9, 12, 18 en 24 maanden. De arts vult het model samen met een patiënt in en bespreekt de uitkomsten. Naar verwachting is het vanaf eind 2020 voor iedereen beschikbaar, die in een brandwondencentrum opgenomen is geweest.”
Waar kun je voor meer informatie terecht?
Bij het speciale nazorgportaal van de Brandwonden Stichting. Je vindt daar nu al informatie over hoe je je leven weer opbouwt. Bijvoorbeeld over hoe je moet omgaan met brandwonden en littekens en welke littekenbehandeling voor jou het meest geschikt is. Oók als je minder ernstige brandwonden hebt gehad, waarvoor je niet opgenomen bent geweest.”
nazorg.brandwonden.nl.

 

 

DOE ALS EEN JAPANNER

28 jul

20-32 Gezondheid, hoe doen ze dat Japanners jpg

Gepubliceerd in Margriet, 24 mei 2020.

Japanners hebben de hoogste levensverwachting ter wereld. Vrouwen worden er gemiddeld vier jaar ouder dan in Nederland. Wat is hun geheim voor een lang en gezond leven? We zetten zeven tips op een rij.

1. GEEF JE AFWEER EEN BOOST (ISHOKU-DOUGEN)
Waar bij ons vlees (of vis) veelal het hoofdbestandeel van de maaltijd vormt, staan in de Japanse keuken groenten centraal. Daar eten ze grote hoeveelheden van, al te beginnen bij het ontbijt. Van vlees, vis, rijst of noodles nemen ze kleine hoeveelheden, ter aanvulling op de groenten. Brood kennen Japanners niet, zuivel en suiker gebruiken ze nauwelijks. Ook belangrijk: het Japanse menu bestaat overwegend uit verse, onbewerkte producten. Dit alles vanuit de gedachte dat je bent wat je eet (het Japanse principe ‘ishoku-dougen’). Dan kun je dus maar beter goede producten tot je nemen.
“Het Japanse dieet helpt je darmen gezond te houden”, zegt immunoloog en Japan-kenner Eric Claassen, co-auteur van het boek Gezond naar de honderdvijftien. “Dat is belangrijk omdat je darmen een cruciale rol spelen in het op peil houden van je immuunsysteem. Met het juiste menu kun je je afweer dus een flinke boost geven.”
Allergieën, eczeem, astma, voedselintoleranties, prikkelbare darmsyndroom, de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa, artritis, ernstig overgewicht: ze worden allemaal in verband gebracht met de woekering van verkeerde soorten bacteriën in de darmen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat een ongezonde darmflora ook de kans op kanker, Alzheimer en depressie vergroot. Hoe dat precies werkt, weten artsen nog niet. Maar dát er een relatie is, staat vast.
Claassen raadt daarom iedereen aan dagelijks minimaal één soort groente te eten, die de groei van goede darmbacteriën stimuleert. Bijvoorbeeld witlof, prei, ui, knoflook, asperge of artisjok. Zo help je je darmen niet alleen om voedsel beter te verteren, maar ook om gifstoffen af te breken en slechte darmbacteriën in het gareel te houden. Of je de groenten rauw, gekookt, gebakken, vers of uit blik of glas gebruikt, maakt voor het gezondheidseffect niet uit.
“Suiker heeft juist een negatief effect op je darmflora”, stelt Claassen. “Die kun je dus beter zoveel mogelijk vermijden. Dat betekent ook: niet meer dan twee stuks fruit per dag. Want of suiker nu gefabriceerd is of van nature in een product zit, het effect op je darmen is hetzelfde.”
Wat Japanners ook graag en veel eten, zijn gefermenteerde producten, zoals misosoep en sojasaus. Simpel gezegd is fermentatie het proces waarbij bacteriën, schimmels en gisten de smaak, geur en structuur van voedsel veranderen. Als je bepaalde melkzuurbacteriën aan melk toevoegt, krijg je bijvoorbeeld yoghurt of kaas. Andere voorbeelden van gefermenteerde producten zijn zuurkool, droge worst, olijven, tempeh (gefermenteerde sojabonen) en smaakmakers als sojasaus en azijn.
Een groot voordeel van fermentatie is dat bij het proces nieuwe, goede bacteriën ontstaan, zogenaamde probiotica. Die zijn bestand tegen maagzuur en bereiken dus levend je darmen, waar ze hun nuttige werk kunnen doen. “Om je darmflora een extra steuntje te geven, kun je ter aanvulling probioticadrankjes uit de supermarkt gebruiken”, aldus Claassen. “Wissel dan wel de merken af, zodat je zoveel mogelijk verschillende gezonde bacteriën binnenkrijgt. Want hoe meer variëteit, hoe beter.” 

2. LAAT WAT RUIMTE IN JE MAAG (HARA HACHI BU)
Wanneer was de laatste keer dat je écht trek had? Grote kans dat dat niet zo vaak gebeurt. Terwijl het eigenlijk heel gezond is om één of twee keer per dag een rammelende maag te hebben. Niet voor niets laten Japanners graag nog wat ruimte over. Hara hachi bu, noemen ze dat. Oftewel: eten tot je 80 procent vol zit. Door net iets minder te eten dan je op kunt, dwing je je lijf de aanwezige energie zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Simpel gezegd slijt — en dus veroudert — je lichaam zo minder snel.
“Wat dat betreft hebben de Japanners goed afgekeken van sommige langlevende dieren, zoals de schildpad”, zegt arts en verouderingswetenschapper David van Bodegom van de Leyden Academy. Hij schreef verschillende boeken over gezond ouder worden. “Een schildpad is niet alleen traag in zijn bewegingen, maar óók in zijn stofwisseling. Zo gaan zijn cellen langer mee. Dat principe kun je als mens enigszins nabootsen door lichte honger op te wekken.”
In een studie uit 2018 bleek inderdaad dat proefpersonen die extreem weinig calorieën aten op die manier onder andere hun stofwisseling konden vertragen. Toch zou Van Bodegom zo’n hongerdieet niet aanraden. “Dat is op de lange duur voor bijna niemand vol te houden. Bovendien word je er hartstikke chagrijnig van. Wel is het voor de meeste mensen in Nederland gezond om wat minder te eten. Overgewicht is bijvoorbeeld een van de belangrijkste redenen voor het ontstaan van diabetes type 2, een ziekte waar inmiddels meer dan een miljoen Nederlanders aan lijden. Begin eens met wat kleinere porties en geen tussendoortjes. Een goeie tip is ook om voor het avondeten een ontbijtbordje te gebruiken. Dan schep je vanzelf minder op.”  

3. MAAK HET JEZELF MAKKELIJK
Wie wel eens in Japan is geweest, zal het vast zijn opgevallen dat Japanners nauwelijks zoetigheid eten. Niks geen croissantje of cakeje bij het hotelontbijt, en ook geen koekje of taartje bij de (groene) thee. Voor Japanners is het makkelijk die lekkernijen te laten staan: snoepen hoort niet bij hun cultuur. Toch kunnen we daar volgens arts David van Bodegom wel iets van leren. “Als er geen zoetigheid is, kom je ook niet in de verleiding die te eten”, zegt hij. “Dat principe kun je in je eigen leven toepassen. Bewaar koekjes in een afgesloten blik in de voorraadkast in plaats van dat je ze in een glazen pot op tafel zet. Het is bewezen dat je er dan daadwerkelijk minder van eet. Of beter nog: koop ze helemaal niet.”
In je eigen huis kun je zoete prikkels op die manier redelijk makkelijker vermijden. Maar wat te doen met alle verleidingen buiten de deur? Ook daar heeft Van Bodegom zo zijn trucjes voor. “Haal je onderweg vaak iets lekker bij de bakker of de supermarkt, neem dan eens met opzet een andere route. En zorg dat je op voorhand voldoende hebt gegeten als je naar een feestje gaat. Dan krijg je minder aandrang om je meteen op een schaal met hapjes te storten.”

4. TRAIN JE LICHAAM (EN BRENG JE HOOFD TOT RUST)
Japanners zien lichamelijke activiteit als een belangrijk ingrediënt voor een gezonde en vitale oude dag. Die kan allerlei vormen aannemen: betaald werk, vrijwilligerswerk, tuinieren, dansen, sporten of yoga doen, bijvoorbeeld. Ongeacht je leeftijd. Of beter gezegd: juist óók als je ouder wordt.
Eric Claassen (inmiddels zelf de zestig gepasseerd) vond yogi’s (mensen die yoga beoefenden)  lange tijd aanstellers. Tot hij een paar jaar geleden een wetenschappelijk onderzoek las over het positieve effect van yoga om valincidenten bij ouderen te voorkomen. “Jaarlijks belanden er meer dan 100.000 65-plussers na een val op de eerste hulp”, vertelt hij. “Dagelijks overlijden er zelfs dertien mensen door, het merendeel 80-plussers. Yoga verkleint de kans daarop. De oefeningen maken je niet alleen soepeler, ze vergroten vooral ook je balans.”
Het was voor Claassen reden genoeg om zelf regelmatig op de yogamat plaats te nemen. Zo weet hij inmiddels uit eerste hand wat yoga nog méér voor je kan doen. Je helpen om even uit je hoofd te stappen en diep te ontspannen, bijvoorbeeld. “Bovendien zorgen de oefeningen voor de broodnodige verbinding tussen lichaam en geest. Daardoor word je je er eerder van bewust als er iets mis is en kun je daar op tijd iets aan doen.” 

5. PAS OP ELKAAR (MOAI)
Je hebt vast wel eens gehoord van jaargroepen van studentenverenigingen: clubjes mensen van dezelfde leeftijd die hun hun hele leven contact houden en samen dingen ondernemen. In Japan heb je ook zoiets: Moai. Dat zijn groepjes kinderen die al op de lagere school aan elkaar beloven om elkaar levenslang te steunen. Sociaal, emotioneel en soms zelfs financieel. Door de jaren letten ze op elkaar, schakelen ze bij (gezondheids)problemen hulp in en wisselen ze tips uit.
“Dat contact gaat verder dan we in Nederland gewend zijn”, zegt immunoloog Eric Claassen. “In een Moai is alles bespreekbaar. Dus ook als je aan paniekaanvallen lijdt, of bloed in je ontlasting hebt. Bij ons zijn veel van dat soort onderwerpen nog altijd taboe.”
Leden van een Maoi leven langer, blijkt uit onderzoek. Bovendien zijn ze gelukkiger, omdat ze er nooit alleen voor staan. Ze het gevoel hebben ergens bij te horen en niet gauw zullen vereenzamen. “Het is fijn te weten dat je onvoorwaardelijke groep mensen om je heen hebt, waar je altijd op kunt terugvallen”, aldus Claassen. “Bovendien stimuleren de leden elkaar om gezond te leven, bijvoorbeeld door samen te koken of oefeningen te doen. Zo helpen ze elkaar om zo lang mogelijk gezond en zelfstandig te blijven.” 

6. GEEF ZIN AAN JE LEVEN (IKIGAI)
Japanners zijn ervan overtuigd dat iedereen een passie of talent bezit, die zin geeft aan het bestaan. Ikigai, noemen ze dat. Het woord bestaat uit twee delen: Iki (leven) en Kai (waarde, effect). Als je weet wat je Ikigai is, geeft je dat een reden om ‘s morgens je bed uit te komen.
“Dat doel kan een baan zijn”, zegt Eric Claassen, “maar bijvoorbeeld ook wat creatiefs doen. In ieder geval iets wat je gelukkig en tevreden maakt.”
Juist als je ouder wordt, is het belangrijk om Ikigai in je leven te houden, benadrukt hij. Dat onderschrijven wetenschappers ook. In 2017 verscheen in een groot onderzoek over dit onderwerp. Wat beek? Het hebben van betekenisvol doel in je leven heeft een positief effect op je gezondheid, vooral op hoe gezond je je voelt.

7. NEEM ÉÉN STAP TEGELIJK (KAIZEN)
Een lange weg begint met één enkele stap, luidt een Japanse wijsheid. Japanners hebben er zelfs een woord voor: kaizen, vrij te vertalen als: de leer van de kleine stapjes. Wil je meer groente eten en minder vlees? Begin dan met één schepje groente extra per dag en las wekelijks één vegetarische dag in. Minder snoepen? Laat het een koekje bij de koffie dan liggen. Of neem desnoods een half koekje. Juist door het nemen van kleine stapjes, ervaar je snel een gevoel van succes en houd je het nieuwe gedrag beter vol.
“Realiseer je ook dat er niet één sleutel is voor gezond ouder worden”, besluit Eric Claassen. “Het zit hem echt in de combinatie van gezond eten, voldoende bewegen en mentaal welzijn. Als je veel stress in je leven hebt, kun je het effect daarvan bijvoorbeeld niet ‘opheffen’ door extra te gaan sporten. Tot zover het slechte nieuws. De positieve boodschap is dat je dus wel degelijk je eigen levensverwachting positief kunt beïnvloeden. Met één stapje tegelijk kom je uiteindelijk een heel eind.” 

[Kader]
MEER LEZEN?

  • Eric Claassen, Lisette de Jong en Heidi Klijsen, Gezond naar de honderdvijftien (Uitgeverij Prometheus 2019). 
  • David van Bodegom, Het geheim van de schildpad — Wat dieren ons leren over lang leven (uitgeverij Atlas Contact, 2019).
  • David van Bodegom en Rudi Westendorp, 10 jaar cadeau — Een nieuwe aanpak om langer gezond te leven (uitgeverij Atlas Contact, 2019). 

 

 

KOFFIEDIK KIJKEN

28 jul

897BD3A5-32D0-4040-9F25-F054F24BD732_1_201_a

Gepubliceerd in Trouw, zaterdag 25 juli 2020.

Nederlanders nuttigen gemiddeld zo’n vier koppen koffie per dag. Dat levert een gigantische hoeveelheid koffiedik op. In plaats van die miljoenen kilo’s te verbranden, zoals nu meestal gebeurt, kun je de drab ook als grondstof gebruiken.

Industrieel ontwerper Lisanne Addink-Dölle, mede-oprichter van Coffee Based, heeft als missie om nieuwe producten te maken uit restafval.
 
“We importeren koffiebonen van over de hele wereld om er in Nederland in een paar seconden afval van te maken. Dat is toch van de gekken? In totaal leveren onze bakjes pleur jaarlijks zo’n 300 miljoen kilo koffiedik op, becijferde brancheorganisatie Koffie & Thee Nederland. Het overgrote deel gaat als restafval de vuilverbrander in. Pure verspilling, die ook nog voor veel CO2-uitstoot zorgt. Dus toen studente — inmiddels werknemer — Marjet Breuren – de Jong daar iets mee wilde doen, was ik meteen enthousiast. Uit haar afstudeeropdracht is in 2017 ons bedrijf Coffee Based ontstaan.
Samen met koffieleverancier MAAS en afvalverwerker SUEZ zijn we de Koffie Recycle Service gestart. We halen door heel Nederland koffiedik op bij bedrijven en instellingen, die minimaal 1200 kopjes per week drinken. Het maakt niet uit wat voor bonen zij gebruiken; alle drab is bruikbaar. Vervolgens verwerken we die tot een 100 procent natuurlijke grondstof. Daar maken we bijvoorbeeld notitieboeken van met een kaft van koffiedik. Of wanden voor een espressomachine. Inmiddels kunnen we met onze grondstof ook spuitgieten en zo alle mogelijke vormen realiseren. Bijvoorbeeld The Lucky Cup, onze koffiebeker, gemaakt van koffiedik. De eerste 40.000 zijn al verkocht. Komend jaar willen we ons aanbod verder uitbreiden, bijvoorbeeld met lepels en dienbladen. Allemaal met de kenmerkende koffiegeur.
Voor het ophalen van hun koffiedik betalen onze klanten iets meer dan bij een normale afvalverwerker. Maar de helft van dat bedrag krijgen ze terug in de vorm van ‘winkeltegoed.’ Daarmee kunnen ze producten aanschaffen, gemaakt van hun eigen koffiedik. Zo is de cirkel rond.
Wat ik thuis met mijn eigen koffiedrab doe? Die geef ik aan onze varkentjes. Want ook zij blijken erg van koffie te houden.”
coffeebased.nl

Zeven jaar geleden gooide financieel dienstverlener Siemen Cox het roer om en richtte hij Rotterzwam op: een stadskwekerij voor oesterzwammen, die groeien op koffiedik.
“In de natuur groeien sommige paddenstoelensoorten bij de wortels van bomen. Zij hebben een symbiotische relatie: de zwam krijgt voeding van de boom en beschermt die tegelijkertijd tegen ongewenste indringers. Een mooie metafoor voor wat wij met ons bedrijf willen: iedereen er beter van maken.
In 2013 las ik het boek Blauwe economie van de Vlaming Gunther Pauli. Daarin presenteert hij honderd ideeën voor een circulaire economie. Eén daarvan was zwammen kweken op koffiedik. Dat ga ik doen, dacht ik. Makkelijker gezegd dan gedaan; het duurde vijftien maanden voor ik de juiste mix van grondstoffen en omstandigheden had gevonden.
Voor de corona-epidemie kweekten we 350 kilo oesterzwammen per maand. Daar kwam maandelijks zo’n 5.500 kilo koffiedik aan te pas. Op die manier hebben we in 2019 14.616 kg CO2 bespaard: de uitstoot van 121.800 kilometer met een benzineauto. We doen alles — inzamelen, kweken, verkopen — lokaal, binnen de stadsgrenzen van Rotterdam. Ook onze oesterzwamkroketten en -bitterballen worden vlakbij gemaakt.
De hoeveelheid koffiedik die we verwerken, lijkt misschien een druppel op een gloeiende plaat. Maar we willen met ons bedrijf vooral ook anderen inspireren. Vandaar dat we vanaf het allereerste begin onze kennis delen via mushroom-cultivation.com. We bloggen en geven online cursussen. Zo willen we mensen van over de hele wereld inspireren zelf aan de slag te gaan met het recyclen van koffiedik. Inmiddels hebben we al meer dan veertig lokale ondernemers opgeleid. Uit Nederland, maar ook uit België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Oostenrijk, Canada, Chili en Canada.
Voor mensen die thuis oesterzwammen willen kweken op hun eigen koffiedik, hebben we een speciale growkit. Daar kun je behalve filterkoffie ook koffiepads voor gebruiken, inclusief omhulsel. Zo word je je eigen aanrechtagrariër.”
http://www.rotterzwam.nl 

Robert-Willem Dol is bedenker en medeoprichter van Unwaste, een bedrijf dat vaste en vloeibare zeep maakt van koffiedik en afgedankte sinaasappelschillen.
“Het idee ontstond vier jaar geleden in mijn keuken. Toen ik voor de zoveelste keer koffiedik bij het restafval gooide — in Amsterdam wordt gft-afval niet apart opgehaald — dacht ik: dit moet beter kunnen. Ik ontdekte dat koffie na olie de meest verhandelde grondstof ter wereld is. Dan ga  ik met de reststromen een product maken dat je dagelijks gebruikt en dat een grote omloopsnelheid heeft, besloot ik. Zo kwam ik op het idee van zeep — mijn oma gebruikte vroeger al koffie om haar handen schoon te maken als ze in de tuin had gewerkt.
Met behulp van mijn netwerk, wat boeken en internet heb ik op mijn eigen fornuis talloze prototypes in elkaar geknutseld. Nu produceren we met onze partners jaarlijks tienduizenden vaste handzeepjes. Inmiddels hebben we ook vloeibare zeep in ons assortiment. En we zijn bezig met de ontwikkeling van dispenserzepen voor bijvoorbeeld bedrijven, horeca en hotels.
Om met koffiedik zeep te maken, heb je allerlei hulpingrediënten nodig. Toen ik me in dat productieproces ging verdiepen, schrok ik enorm: die komen van over de hele wereld. We  proberen ze nu zoveel mogelijk te vervangen door ingrediënten uit Nederlandse afvalstromen, of anders door Europese grondstoffen. Sowieso zijn onze vaste zepen vrij van palmolie en microplastics. En we produceren ze met partners in eigen land.
Met onze zeep willen een groter verhaal vertellen. Over dat economie en natuur weer met elkaar verbonden moeten worden. En over dat het niet alleen onverantwoord, maar vooral ook onlogisch is om zoveel prachtige grondstoffen te verspillen. Want hoezo is koffiedik ‘afval’? Dat hebben we zelf verzonnen. Als we met ons product daar meer mensen bewust van kunnen maken, is onze missie geslaagd.
unwaste.nl. 

[Kader]
Adressen
De notitieboeken en koffiebekers van Coffee Based, de zeep van Unwaste en de growkit van Rotterzwam zijn te koop oploopedgoods.com, een webshop met producten die bijdragen aan een circulaire samenleving. De oesterzwambitterballen zijn te bestellen bij http://www.rotterzwam.nl en in Gouda, Rotterdam, Den Haag en Dordrecht bij lokale leverancierssite rechtstreex.nl. 

[Kader]
4 koppen per dag

  • 82 procent van de Nederlanders drinkt wekelijks koffie, 67 procent dagelijks. 
  • Gemiddeld nuttigen we 4,2 koppen per dag. 
  • Ter vergelijk: 40 procent van de Nederlanders drinkt dagelijks thee, gemiddeld 3,2 koppen. 
  • Mannen drinken iets meer koffie dan vrouwen, 4,4 tegen 3,9 koppen per dag.
  • Hoe ouder, hoe meer koffie. Van mensen tussen de 16 en 34 jaar drinkt 63 procent wekelijks koffie, van de 55-plussers is dat 95 procent. 

Bron: Koffie & Thee Nederland (2018).

[Kader]
Top 10 van grootste koffiedrinkers ter wereld (kilo per persoon per jaar)

  1. Finland – 12 kg
  2. Noorwegen – 9.9 kg
  3. IJsland – 9 kg
  4. Denemarken – 8.7 kg
  5. Nederland – 8.4 kg
  6. Zweden – 8.2 kg
  7. Zwitserland – 7.9 kg
  8. België – 6.8 kg
  9. Luxembourg – 6.5 kg
  10. Canada – 6.2 kg

Bron: International Coffee Organisation (2016)

[Kader]
Dit kun je zelf met koffiedik doen

  • Strooi het in je tuin. Koffiedik is een natuurlijke meststof en houdt slakken en katten op afstand.
  • Koffiedik neutraliseert onaangename luchtjes. Handen die naar knoflook (blijven) ruiken? Wrijf ze in met koffiedik. Zet wekelijks een schoteltje vers koffiedik in je koelkast om de geur daarin fris te houden. 
  • Meng koffiedik met wat olijfolie en gebruik hem als huidscrub. 
  • Gebruik de drab als schuurmiddel om bijvoorbeeld je gootsteen of je pannen mee schoon te maken. 

 

 

LILIANS MAN KOOS VOOR EUTHANASIE

24 jun

20-22 De man van Lilian koos voor euthanasie

Gepubliceerd in Margriet 22, mei 2020. Foto: Mariël Kolmschot

LILIANS MAN KOOS VOOR EUTHANASIE

In februari 2019 kreeg Lilians man Jack te horen dat hij hooguit nog een paar maanden te leven had. Hij besloot het heft in eigen handen te houden en zelf het moment van zijn overlijden te bepalen. De serene manier waarop hij stierf, gaf zijn vrouw rust. Maar ze mist hem er niet minder om. “Ik ben mijn allerliefste maatje kwijt.”
“Er is weinig onwerkelijker dan aftellen naar de dood. Want dat is wat je doet als je weet dat je man op een vooraf vastgestelde tijd zal sterven. Vanaf het moment dat de datum was bepaald, leefden we op de klok. Nog vier weken. Nog drie dagen. Dan is hij er niet meer. Je probeert je aan ieder moment vast te klampen, elke ervaring in je geheugen te verankeren. In de hoop dat de tijd dan langzamer gaat. Dat je nog even extra hebt om van elkaar te genieten. Maar het naderende einde is onvermijdelijk. En dan is daar opeens de laatste nacht samen. Die brachten we thuis door, in ons eigen bed. We hielden elkaar uur na uur stevig vast. Ik moest Jack beloven dat ik na zijn dood goed voor mezelf zou zorgen. En voor onze hond, die hij me voor mijn 50ste verjaardag had gegeven. Omdat we van elke seconde samen wilden genieten, probeerden we wakker te blijven. Maar we waren zo uitgeput, dat we uiteindelijk toch in slaap vielen. De volgende ochtend kwam het besef als een klap in mijn gezicht: dit is dag dat ik afscheid moet nemen van mijn allerliefste maatje.”
Nog altijd verliefd
“Ik leerde Jack 24 jaar geleden kennen bij de kaartclub in ons buurthuis. Voor hem was het liefde op het eerste gezicht. Maar omdat ik op dat moment een relatie had, stond ik daar niet voor open. Twee jaar later — mijn ex en ik waren inmiddels uit elkaar — zocht hij alsnog toenadering. We gingen samen koffiedrinken en van het één kwam het ander. Waar hij pats boem voor mij was gevallen, groeide mijn liefde voor hem geleidelijk. Hij gaf me het gevoel dat ik heel speciaal was, de bijzonderste vrouw op aarde. Uiteindelijk werd ik net zo stapelgek op hem als hij op mij; bij zijn overlijden waren we nog altijd even verliefd.
Vlak voor we een relatie kregen, had Jack een zeldzame vorm van keelkanker gehad. De behandeling met meer dan honderd bestralingen beschadigde onder andere zijn speekselklieren. Daardoor was slikken en eten soms lastig. Gelukkig viel daarmee te leven. Sowieso maakte Jack altijd overal het beste van; hij was absoluut geen klager. Jarenlang ging het goed, tot zijn klachten een jaar of vier geleden verergerden. Alles voelde scherper in zijn keel en hij kreeg steeds meer pijn. Meerdere keren ging hij in het ziekenhuis door de molen. Telkens kwam er niets verontrustends uit. Groeiend littekenweefsel zou de boosdoener zijn. Ook toen het eten en drinken eind vorig jaar spontaan uit zijn neus begon te lopen, maakte zijn KNO-arts zich niet direct zorgen.
Dat veranderde nadat we in januari op vakantie naar Portugal waren geweest. Op een nacht sloeg Jacks neus daar ineens dicht, waardoor hij het gevoel had dat hij stikte. Terug in Nederland nam de dokter een biopt, eerst van zijn neusweefsel, vervolgens van zijn verhemelte. ‘Volgens mij is het niet goed’, zei mijn man toen we op 21 februari naar het ziekenhuis gingen om de uitslag te horen. Hij voelde dat aan alles aan zijn lijf. Helaas kreeg hij gelijk: de kanker was terug, in een zeer agressieve vorm. ‘Maar ik heb toch nog wel een paar jaar?’, vroeg hij aan zijn arts. ‘Was het maar waar’, antwoordde die. Volgens hem moesten we eerder in maanden denken, of zelfs weken. Op dat moment werd de bodem onder ons vandaan geslagen.”
Regie houden
“Feitelijk kreeg mijn man die dag zijn doodsvonnis. Iemand anders zou na zo’n mededeling misschien in paniek raken of bij de pakken neer gaan zitten. Maar niet mijn Jack. Een paar uur later zette hij me met mijn schoonzus op de trein naar de Huishoudbeurs. Het leven moest niet stoppen omdat zijn einde nabij was, vond hij. Toen ik ‘s avonds thuiskwam, had hij een verrassing voor me: twee weken later zouden we gaan trouwen. Was hij die dag meteen naar het gemeentehuis gegaan om dat nog snel te regelen. Ik wist niet of ik moest huilen van blijdschap of verdriet.
Jack had altijd gezegd dat als de kanker terugkwam hij euthanasie zou willen. Bij een volgend gesprek met zijn arts werd die vraag ineens actueel. Het bleek haast onvermijdelijk dat hij uiteindelijk zou stikken. Ofwel omdat de tumor zijn luchtpijp zou dichtdrukken, ofwel omdat die los zou laten en hij dan zou verdrinken in zijn eigen bloed. In beide gevallen een gruwelijke dood. Jack twijfelde geen moment: dan was euthanasie de enige optie. In eerste instantie koos hij de datum maandag 1 april, zodat hij de verjaardag van zijn broer en schoonzus op 29 maart nog kon meemaken. Maar hij was bang dat mensen dan zouden denken dat de aankondiging een wrede grap was. Daarom werd het 2 april.
Toen we op 8 maart trouwden, wisten we dus al wanneer Jacks einde zou zijn. Dat was zo dubbel. Enerzijds waren we dolblij toen we elkaar het ja-woord gaven en daarmee onze liefde bezegelden. Anderzijds kon ik natuurlijk aan niets anders denken dan dat ik mijn nu man over een paar weken zou verliezen. Terwijl ik het gedicht voorlas dat ik voor hem had geschreven, konden we onze tranen niet bedwingen. Overmand door emoties viel Jack stil. Maar de stralende blik in zijn ogen was voor mij genoeg.
De weken erna regelde hij samen met mij alles precies zoals hij het wilde, tot en met zijn uitvaart aantoe. Het bracht ons dichter bij elkaar dan ooit. Hij hield een speech voor zijn maten in het veteranencafé en doneerde zijn historische verzameling over Almelo aan het lokale museum, Huis van Katoen en Nu. Het gaf hem rust om op die manier tot het laatste moment de regie te kunnen houden. Ook nam hij uitgebreid de tijd om afscheid te nemen van iedereen die hij liefhad. Daarbij troostte hij anderen vaak meer dan zij hem. Ik heb er zo’n bewondering en respect voor hoe hij dat allemaal heeft gedaan. Ongelofelijk, hoeveel kracht die man in zich had. Ik kan alleen maar hopen dat ik, als mijn einde komt, net zo sterk zal zijn als hij.”
Geen pijn meer
“Intussen ging Jack lichamelijk heel hard achteruit. In een paar maanden tijd verloor hij bijna vijftig kilo verloren. Van de stoere marinier van 122 kilo was niks meer over. Verder had hij heel veel pijn — omdat hij bang was dat hij het niet zou merken als hij zou stikken, wilde hij geen morfine. Wat dat betreft kwam 2 april voor hem geen dag te vroeg.
Die dinsdagochtend zijn we samen naar zijn ouders van 87 en 89 gegaan. Daar waren ook zijn broers en schoonzussen. Het was hartverscheurend om zijn vader en moeder afscheid te zien nemen van hun zoon. Dat zou geen enkele ouder mee moeten hoeven maken, op welke leeftijd ook. ‘Wees blij voor me, want straks heb ik geen pijn meer’, zei hij tegen ze. Voor het eerst in al die jaren dat ik hem kende, sprak hij zijn moeder aan met mamma, in plaats van met haar voornaam. Het brak mijn hart.
Ik wilde niet dat Jack thuis, in ons eigen bed zou overlijden. Dat vond ik te heftig; dan had ik daar vermoedelijk nooit meer kunnen slapen. Dus reden we samen naar het ziekenhuis, waar zijn eigen arts hem bij de euthanasie zou begeleiden. Onderweg waren we stil. ‘Wat was dat heftig hè’, fluisterde hij. Eenmaal aangekomen haastte hij zich naar binnen, zo klaar was hij om te gaan. De dokters gaven ons — zijn zoon en mijn zoon en dochter waren er ook — een uur om de laatste dingen tegen elkaar te zeggen. Ook toen had hij voor ieder van ons nog een troostend woord.
Uiteindelijk brak de afgesproken tijd aan en bracht de anesthesist het infuus in. Op het moment dat die daarin de eerste injectie — een verdovingsmiddel — leegspoot, omhelsde Jack me innig. ‘Dankjewel voor alle mooie jaren samen’, zei hij. ‘Ik zal altijd van je blijven houden.’ Even voelde het alsof we met z’n tweeën op de wereld waren, zo bijzonder en intens was dat moment. Daarna wendde hij zich tot de artsen. ‘Begint u maar, ik kan niet meer.’ Terwijl hij mij nog steviger vasthield, diende de anesthesist de tweede injectie toe, nu met een slaapmiddel. Met mijn hoofd op zijn borst, voelde ik hoe de spanning uit zijn lichaam vloeide. Er kwam een zachte gloed over zijn gezicht. ‘Wat is dit heerlijk’, glimlachte hij. Het waren zijn laatste woorden voor hij in slaap viel en hij de derde en laatste injectie kreeg, waardoor hij overleed.”
Afscheidsbriefje
“Dat hij rustig en mooi is heengegaan, is voor mij een grote troost. Er was niets engs aan zijn overlijden, integendeel. Ik gunde het hem zo dat hij niet langer pijn hoefde te hebben. Tegelijkertijd vond ik het verschrikkelijk om hem los te laten. Jack was niet alleen mijn man, maar ook mijn beste vriend. Ruim twintig jaar deden en deelden we alles samen. Nu ben ik mijn maatje kwijt. Het verdriet is overweldigend. Overdag gaat het nog wel, maar ‘s avonds en ‘s nachts krijg ik het te kwaad. Dan voel ik me zo alleen.
Wat me helpt, zijn alle mooie herinneringen. Bijvoorbeeld aan onze laatste Valentijnsdag, die ik in alle stress was vergeten. Jack niet. Hij had een prachtige houten hart voor me gemaakt. Dat lag ‘s avonds op ons bed, bezaaid met rozenblaadjes. Zo’n stoere man die nog romantisch is ook, daar kun je toch alleen maar van dromen? Verder heb ik veel steun aan een afscheidsbriefje dat hij in het geheim voor me schreef. Ik vond dat pas een paar dagen na zijn overlijden. ‘Ik hield van je vanaf het moment dat ik je zag’, stond erin. En ook: ‘Ik zal altijd over jou en je geliefden blijven waken.’ Op moeilijke momenten lees ik zijn woorden over en over. Dan voelt hij weer even heel dichtbij.” 

GEFERMENTEERD ETEN: OERGEZOND

24 jun

ZIN Fermentatie JPG

Gepubliceerd in ZIN, juni 2020.

Voedsel fermenteren is niet alleen lekker, maar ook gezond. Je hoort steeds vaker over het eeuwenoude bereidingsproces, dat oorspronkelijk was bedoeld om eten langer houdbaar te maken. Maar wat is fermentatie eigenlijk? En waarom wordt je lijf er beter van?

Je staat er vermoedelijk niet vaak bij stil, maar veel producten die je eet of drinkt, zijn gefermenteerd. Yoghurt bijvoorbeeld, maar ook veel kazen en brood. “Fermenteren betekent eigenlijk dat je producten gecontroleerd laat rotten”, zegt kok en food designer Christian Weij. “Dat is helemaal niet moeilijk. Neem zuurkool, een van de bekendste gefermenteerde etenswaren. Voor het maken daarvan heb je niet meer nodig dan kool, zout, water, een pot en tijd. Bacteriën die van nature op de kool zitten, doen de rest. Zij zorgen voor de lekkere smaak. En zijn nog goed voor je gezondheid ook.”
Weij schreef twee boeken over het onderwerp en gaf honderden workshops en lezingen. Maar nog altijd als hij uitlegt hoe fermentatie werkt, ziet hij mensen terugdeinzen. Want bacteriën zijn ziekmakers, toch? “Sommige wel”, erkent hij. “Maar er zijn ook veel goede bacteriën. Die hebben we juist hard nodig om gezond te blijven. We zouden ze dus moeten omarmen, in plaats van ze te vrezen.”
Goede bacteriën
Simpel gezegd is fermentatie het proces waarbij bacteriën, schimmels en gisten de smaak, geur en structuur van voedsel veranderen. Als je bepaalde melkzuurbacteriën aan melk toevoegt, krijg je bijvoorbeeld yoghurt of kaas. En bij de bereiding van veel soorten brood, bier en wijn is gist onmisbaar.
Een groot voordeel van fermentatie is dat in het proces nieuwe, goede bacteriën ontstaan, zogenaamde probiotica. Die zijn bestand tegen maagzuur en bereiken dus levend je darmen. Daar doen ze nuttig werk. “Ze helpen bijvoorbeeld voedsel te verteren” aldus Christian Weij. “Maar ze produceren ook vitamines, breken gifstoffen af en houden slechte darmbacteriën in het gareel. Op die manier dragen ze bij aan het op peil houden van je weerstand.”
Een aantal jaren geleden wilde Weij voor zijn mannenkookclub eens iets nieuws proberen. Hij kwam op het idee om zelf zuurkool te maken. “Dat deed mijn vader vroeger ook altijd, met kool uit eigen tuin. Mijn zuurkool was zo’n succes, dat ik enthousiast werd en andere producten ging fermenteren. Groenten, fruit, vlees, zuivel; ik probeerde van alles uit. Er ging een wereld voor me open. Niet alleen vond ik het hartstikke lekker, gefermenteerd voedsel bleek ook heel gezond. Voordien had ik lang last van een chronische darmontsteking. Broccoli kon ik bijvoorbeeld totaal niet verdragen, daar kreeg ik enorme buikpijn van. Maar na een tijd veel gefermenteerd te hebben gegeten, waren mijn darmklachten helemaal weg.”
Microfilm
Hoe zit het nu precies met die vermeende gezondheidseffecten? Iemand die daar meer over kan vertellen, is huisarts Tamara de Weijer, voorzitter van de Vereniging Arts en Leefstijl en schrijfster van het boek Eet beter voor je maag en darmen. “Om te beginnen is het belangrijk te weten dat we allemaal — schrik niet — één tot twee kilo micro-organismen in onze darmen meedragen”, zegt ze. “Eén druppel vloeistof uit je dikke darm bevat bijvoorbeeld al meer dan een miljard bacteriën. Al die minuscule levende wezentjes vormen samen je darmflora, ook wel microbioom genoemd. Daarin zitten goede, maar ook schadelijke bacteriën. Als je gezond leeft en eet, houden de goede de kwalijke onder de duim. Maar als je bijvoorbeeld veel junkfood of langdurig antibiotica gebruikt, kan de boel uit evenwicht raken. Met als gevolg dat je afweersysteem mogelijk minder goed gaat werken.”
Allergieën, eczeem, astma, voedselintoleranties, Prikkelbare Darm Syndroom, de ziekte van Crohn, Colitis Ulcerosa, artritis, ernstig overgewicht: ze worden allemaal in verband gebracht met de woekering van verkeerde soorten bacteriën in de darmen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat een ongezonde darmflora ook de kans op kanker, Alzheimer en depressie vergroot. Hoe dat precies werkt, weten artsen nog niet. Maar dát er een relatie is, staat vast.
“Het gaat vast nog decennia duren voor de wetenschap alle mogelijke effecten in kaart heeft gebracht”, zegt Christian Weij. “Maar daar hoef je echt niet op te wachten om anders te gaan eten. Vergelijk het maar met de brandstof van een auto. Je hoeft ook niet te weten hoe een benzinemotor werkt om die te kunnen gebruiken. Als je maar snapt dat je er geen diesel in moet gooien, omdat die toevallig zo lekker goedkoop is. Zo werkt het ook met je darmen: geef ze die brandstof, waar ze het beste op draaien.”
Kefir
Voor je gezondheid geldt: hoe meer verschillende gezonde darmbacteriën, hoe beter. Helaas is de diversiteit in onze darmflora de afgelopen decennia flink afgenomen. Dat komt vooral door eenzijdig eten met veel suikers en transvetten. En door veelvuldig gebruik van antibiotica. Die maken namelijk niet alleen schadelijke, maar óók gezonde bacteriën dood.
Daar komt gefermenteerd eten om de hoek kijken. “Veel mensen merken dat hun microbioom opknapt van gefermenteerde producten”, vertelt Tamara de Weijer. “Hun buik voelt minder opgeblazen of hun stoelgang verbetert. Het is dan natuurlijk wel belangrijk dat je na het eten van bijvoorbeeld een bakje — naturel — yoghurt vervolgens niet een zak drop of chips wegwerkt. Want dan doe je het positieve effect meteen weer teniet.”
Het hoeft volgens Christian Weij echt niet ingewikkeld te zijn om meer gefermenteerde producten aan je menu toe te voegen. “Begin bijvoorbeeld met dagelijks een glas kefir. Dat is een soort drinkyoghurt, die wordt gemaakt met een mengsel van verschillende gezonde melkzuurbacteriën en gisten. Daarmee krijg je dus in één keer veel verschillende probiotica binnen.”
Verder raadt hij mensen vooral zelf eens te gaan oefenen met fermenteren. “Zelf zuurkool maken is bijvoorbeeld echt niet moeilijk.” (Red.: zie het recept op pagina x.)
Word je eigen onderzoeker
Arts Tamara de Weijer is ook een fan van experimenteren, maar dan op een andere manier. “Ieder mens heeft zijn eigen, unieke bacteriëncollectie. Die is net zo persoonlijk als je vingerafdruk. Vandaar dat je niet kunt zeggen dat iederéén baat heeft gefermenteerd voedsel. Sommige mensen krijgen juist meer darmklachten als ze bijvoorbeeld yoghurt of brood eten. Het beste advies dat ik kan geven, is dan ook om je eigen voedselonderzoeker te worden. Test eens een tijdje verschillende producten. En houd een dagboekje bij over hoe je je voelt, de dagen dat je die bepaalde dingen eet of drinkt. Op die manier kun je uitvinden wat voor jou wel en niet werkt.”
Tot slot wil ze nog één waarschuwing geven. “Bier en wijn zijn ook gefermenteerd. Maar dat maakt deze dranken nog niet gezond. Integendeel. Er is inmiddels zoveel bewijs voor de schadelijke effecten van alcohol, dat de Gezondheidsraad in ieder geval voor vrouwen adviseert om alcoholische dranken helemaal te laten staan. Daar worden je darmen trouwens ook blijer van.” 

[Kader]
Zonder fermentatie geen….

  • Zuivelproducten zoals kaas, yoghurt, karnemelk, kwark, crème fraîche en kefir
  • Brood
  • Zuurkool en kimchi (Koreaanse zuurkool)
  • Droge worst, zoals salami
  • Eetklare olijven
  • Smaakmakers als sojasaus en azijn
  • Tempeh (gefermenteerde sojabonen)
  • Kombucha (gefermenteerde theedrank)
  • Wijn en bier

[Kader]
Verder lezen?

  • Christian Weij, Verrot lekker — Zelf fermenteren eenvoudig, lekker en gezond (Bertram + De Leeuw Uitgevers, 2015).
  • Christian Weij, Verrot gezond — Het fermentatie kookboek (Bertram + De Leeuw Uitgevers, 2019).
  • Tamara de Weijer, Eet beter voor je maag en darmen — In 8 weken een optimale buikgezondheid (Kosmos uitgevers, 2019). 

[Testimonial]
UIT DE PRAKTIJK
Na een afwijkend uitstrijkje gooide yogadocent Natascha Puper (1970) haar leven om. Als onderdeel van haar nieuwe leefstijl gebruikt ze dagelijks gefermenteerd voedsel.
“In 2008 vonden artsen afwijkende cellen in mijn baarmoederhals. In dezelfde periode kregen verschillende mensen om me heen kanker. Gelukkig werd ik na behandeling weer gezond verklaard. Maar het zette me wel aan het denken. Over de relatie tussen genetica, stress, leefstijl en ziekte. Ik ben me daar steeds verder in gaan verdiepen. Omdat ik andere mensen graag met mijn inzichten wilde helpen, besloot ik yogadocent te worden.
Gaandeweg werd ik me ook steeds bewuster van hoe belangrijk blije darmen zijn voor je gezondheid. Ik ontdekte bijvoorbeeld dat ik veel voedselintoleranties had en doodmoe werd van suiker. In mijn zoektocht naar een oplossing stuitte ik op de term ‘gefermenteerd voedsel’. Daar ben ik zeven jaar geleden mee gaan experimenteren. Te beginnen met het gefermenteerde theedrankje kombucha. Dat maakte ik zelf, met een stukje kombucha-zwam.
Daarna ben ik meer gaan testen, zoals met gefermenteerde wortelen en kool. Dat klinkt ingewikkeld, maar is het helemaal niet. Inmiddels maken gefermenteerde producten standaard onderdeel uit van mijn dieet. Natuurlijk, gefermenteerd eten alleen is niet zaligmakend. Maar ik voel me er absoluut beter door. Ik heb minder last van mijn buik en mijn stoelgang is regelmatiger. Verder heb ik veel meer energie en ben ik emotioneel stabieler. Ik kan iedereen aanraden het te proberen.”
Naar aanleiding van haar ervaringen ontwikkelde Natascha de cursus Het eigenwijze lichaam,waarin je leert luisteren naar de wijsheid van je eigen lijf. Meer informatie: nataschapuper.nl. 

[Kader]
Zout, zouter, zoutst
Om bijvoorbeeld groenten en fruit te fermenteren, heb je flink wat zout nodig, de aanjager van het veranderingsproces. Maar voor onze gezondheid moeten we toch juist minder zout eten? “Voor een kilo gefermenteerde groenten, gebruik je inderdaad 15 gram zout”, bevestigt Christian Weij. “Dat lijkt veel als je bedenkt dat de maximale aanbevolen hoeveelheid zout per dag 6 gram is. Maar niemand eet natuurlijk een kilo zuurkool per dag. Een eenpersoonsportie van 200 gram bevat 3 gram zout. Dat is nog altijd veel minder dan bijvoorbeeld in een kant-en-klare maaltijd zit.” 

[Kader]
Minder piekeren
Er zijn steeds meer aanwijzingen dat wat in onze darmen gebeurt effect heeft op processen in onze hersenen. Kan je dieet dan ook beïnvloeden hoe je je voelt en gedraagt? Daar wordt wereldwijd veel onderzoek naar gedaan.
Zo bekeek neuropsycholoog Laura Steenbergen van de Universiteit Leiden de effecten van probiotica op piekergedrag bij gezonde mensen. Na vier weken piekerden de twintig deelnemers aan de studie duidelijk minder. Bovendien hadden ze ook minder agressieve gedachten. Bij de controlegroep, bestaande uit twintig mensen die een placebo kregen, was er niets veranderd.

[Tekstblok]
Darmbacteriën en depressie
In het Vlaams Darmflora-project vergeleken professor Jeroen Raes (VIB-KULeuven) en zijn team de darmflora van mensen met een depressie met die van mensen zonder een depressie. Wat bleek? De mensen die veel van bepaalde groepen bacteriën hadden, de Coprococcus en de Faecalibacterium, waren gelukkiger en hadden een betere kwaliteit van leven. Mensen met een depressie hadden juist minder van deze bacteriën in hun darmen. Niet duidelijk is of het verschil in bacteriën (mede) de oorzaak is van een depressie, of juist het gevolg. Daar moet nog meer onderzoek naar worden gedaan. 

[Kader]
Christian Weijs zuurkool met bleekselderij, gember en dille
Ingrediënten
1 spitskool (800 gram)
3 stengels bleekselderij
15 gram verse dille
30 gram verse gember
1 theelepel peper
15 gram zout

Bereiding

  1. Snijd of schaaf de kool in lange, dunne slierten.
  2. Was de bleekselderij en snijd de stengels fijn.
  3. Hak de dille fijn. Schil de gember en raspt die fijn.
  4. Die alle ingrediënten in een grote kom en kneed ze goed door elkaar, totdat er op de bodem een laagje vocht staat.
  5. Schep het mengsel in een beugelpot. Vul de pot tot 3 centimeter onder de rand en druk goed aan. Er mag geen lucht meer tussen de groenten zitten. Leg eventueel iets zwaars op de groente, zoals een zakje zout water, zodat die onder zijn eigen vocht blijft staan.
  6. Sluit de pot luchtdicht af.
  7. Laat de groenten fermenteren. Maak de pot pas na vier dagen voor het eerst open en proef. Is de zuurkool fris en lekker zuur? Dan is hij klaar. Gebruik hem direct of zet hem in de koelkast en eet hem binnen acht weken op. Vind je de zuurkool niet zuur genoeg Laat die dan nog een paar dagen verder fermenteren.

 

BEELDBELLEN MET DE DOKTER

17 jun

Gepubliceerd in Plus Magazine, juni 2020.

Door de coronacrisis zijn (huis)artsen en patiënten ineens meer aangewezen op digitale communicatie. Huisarts Bart Timmers heeft al jaren ervaring met bijvoorbeeld beeldbellen.  “Online contact is anders, maar niet minder goed.”

Hij weet nog als de dag van gisteren dat hij zijn eerste beeldbelgesprek met een patiënt had. Elf jaar geleden was dat. Als onderdeel van een proefproject plaatste thuiszorgorganisatie Sensire camera’s bij cliënten thuis, met als doel op afstand contact met cliënten te kunnen onderhouden. Aan huisarts Bart Timmers uit ’s Heerenberg vroegen ze of hij mee wilde doen aan de pilot. Maar wat graag, was zijn reactie. “Ik ben altijd enorm geïnteresseerd geweest in technologische vernieuwingen. Het was fantastisch om een patiënt op mijn beeldscherm te zien verschijnen.”
Méér dan een telefoontje
Vanaf die eerste keer was Timmers enthousiast. “Ik heb toen ervaren hoeveel méér beeldbellen biedt dan alleen telefonisch overleg. Je kunt echt contact maken, kijken hoe iemand reageert, emoties zien. Inmiddels heb ik er flink wat ervaring mee en weet ik: een beeldconsult is bijna net zo goed als een persoonlijk gesprek.”
Toch kwam het systeem niet echt van de grond. Het werkte wel, maar was ook omslachtig. “Smartphones en tablets waren er nog nauwelijks”, vertelt Timmers. “En ook wifi was beperkt. Ik moest via een centralist inbellen. Vervolgens bracht zij het contact met de computer van de patiënt tot stand. Op een ADSL-lijn. Het was te veel gedoe om het systeem gemakkelijk in ons  dagelijkse werk te kunnen inpassen.”
Onderzoek via de camera
Een jaar of zes geleden deed Timmers opnieuw mee aan een proefproject. Deze keer had de thuiszorgorganisatie tablets aan cliënten verstrekt. Daarop konden ze een speciale app installeren om met hun huisarts te beeldbellen. Een 78-jarige patiënte lukte dat niet. “Kom dan maar naar het gewone spreekuur”, zei Timmers tegen haar. “Haalde ze in mijn spreekkamer ineens haar laptop uit haar tas. Ik heb haar toen laten zien hoe het systeem werkte. Ze vond het geweldig. Het gaf haar het gevoel dat ze er nog bij hoorde.”
Volgens Timmers kan hij tijdens een beeldconsult méér doen dan veel patiënten in eerste instantie denken. Behalve vragen beantwoorden bijvoorbeeld ook sommige lichamelijke onderzoeken uitvoeren. Denk aan het beoordelen van huidklachten. Via de camera kijkt hij zelfs in patiënten hun keel. “Natuurlijk blijven er altijd klachten die ik alleen in de spreekkamer kan beoordelen. Maar ik denk dat huisartsen zeker een derde van hun consulten via beeldbellen zouden kunnen afhandelen. Er zijn bijvoorbeeld veel klachten of behandelingen waar ik een patiënt na een tijdje wil terugzien om te controleren hoe het gaat. Die check-up-gesprekken kunnen vaak prima digitaal.”
Online inloopspreekuur
Timmers probeert online contact al jaren bij zijn patiënten te promoten. Een dame van 80 vond het maar een raar idee, via een tablet met de huisarts praten. Ze belde hem eerst op haar vaste telefoon om vervolgens samen met hem de videoverbinding aan te te zetten. “Terwijl zij vrolijk verder praatte, legde ik stiekem de telefoon neer”, lacht hij. “‘U kunt nu ook wel ophangen, hoor’, zei ik via de camera tegen haar. Toen keek ze wel even verbaasd op. ‘Het is net alsof u echt bent, dokter’, reageerde ze. Een mooi voorbeeld van hoe patiënten, als ze eenmaal de mentale drempel over zijn, vaak ineens enthousiast worden.”
Dankzij de coronacrisis is zorg op afstand in een stroomversnelling geraakt. Hoe verdrietig de aanleiding ook, is Timmers blij met deze ontwikkeling. “De zorg is van oudsher een behoudende beroepsgroep. Op zich is daar niets mis mee; dokters moeten gedegen werk leveren. Logisch dus, dat ze eerst de kat uit de boom kijken en zeker niet experimenteren met de gezondheid van hun patiënten. Alleen moet die voorzichtigheid waardevolle ontwikkelingen niet in de weg gaan staan.”
Weerstand
‘We kunnen toch met patiënten bellen’, zeiden veel van zijn collega’s jarenlang tegen Timmers. Want ja, ze waren nu eenmaal gewend zo te werken. Daar was en is hij het pertinent mee oneens. “Bij een gewoon telefoontje is het contact veel minder persoonlijk. En kun je zeker geen onderzoek doen. Bovendien maken dit soort nieuwe communicatievormen het voor veel patiënten makkelijker om contact met ons op te nemen. Ze kunnen dat vanuit huis doen, of op hun werk. Aan de andere kant helpt het ons dokters om nog beter in verbinding met onze patiënten te blijven.”
Als voorbeeld van zo’n gemaksdienst noemt hij het online inloopspreekkamer, dat hij sinds een paar maanden aanbiedt. Hij was daar al langer mee aan het testen. Maar toen de coronacrisis kwam, hebben de makers van ArtsOnline het systeem versneld uitgerold. Op een beveiligde website maak je als patiënt eenmalig een account aan. Vanaf dat moment kun je je zonder afspraak aanmelden voor het online spreekuur.
Virtuele wachtkamer
“Tijdens de coronacrisis zette ik mijn virtuele wachtkamer drie keer per dag een uur open”, licht Timmers toe. “Daarin kunnen maximaal zes patiënten tegelijk ‘plaatsnemen’. Ze krijgen een SMS-bericht als de laatste persoon vóór hen aan de beurt is. En ook als ze dat zelf zijn. Via een chatfunctie kunnen ze me dan schriftelijke vragen stellen. Als ze dat willen, zet ik de camera aan, zodat we elkaar ook — met beeld — kunnen spreken. Dat gebeurt bijna altijd. Zo heb ik gisteren nog via de videoverbinding de rode plekjes onder iemands voeten van afstand kunnen checken. En van een andere patiënt de ademfrequentie geteld, om te beoordelen of hij benauwd was. Ik schrijf ook medicijnen uit naar aanleiding van een beeldconsult.”
Digitale kloof
De coronacrisis heeft de digitale communicatie dus een enorme boost gegeven.”De zorg is er blijvend door veranderd”, gelooft Timmers. “Wat mij betreft ten positieve. Het is echt een verrijking, voor patiënten én artsen.” Zelf heeft hij het online inloopspreekuur inmiddels in ieder geval een vaste plek in zijn praktijk gegeven. Toch is er één ding waar hij zich zorgen over maakt. “De patiënten met wie ik beeldbel, zijn van alle leeftijden. Maar ik merk wel dat ouderen er vaak huiveriger tegenover staan. Er zijn ook nog steeds mensen zonder computer of e-mailadres. Die kunnen bijvoorbeeld niet van het online spreekuur gebruikmaken. We moeten er dus voor waken dat er een digitale kloof in de zorg ontstaat. Zelf heb ik daarom contact gezocht met de bibliotheek en welzijnsorganisaties in de buurt. Die organiseren allerlei activiteiten om ouderen digivaardiger te maken. Ik vertel daar regelmatig hoe handig internet kan zijn, óók voor het regelen van je zorg. Juist voor ouderen, die gemiddeld meer zorg nodig hebben, is daarin nog een wereld te winnen.” 

[Kader]
E-CONSULT
De ontwikkelingen met het beeldbellen gingen tot de coronacrisis niet zo snel als Timmers had gehoopt. Maar ondertussen zat hij niet stil. Meer dan twintig jaar geleden was zijn praktijk één van de eersten met een eigen website. Sindsdien doet hij ook consulten via de e-mail. Patiënten sturen hem vragen, die hij schriftelijk beantwoordt. Vóór de coronacrisis waren dat er zo’n vijf per dag. Inmiddels ligt dat aantal flink hoger, tussen de tien en de twintig. “In de beginjaren mailden patiënten gewoon naar het algemene e-mailadres van de praktijk”, vertelt hij. “Nu is zoiets ondenkbaar. Een open e-mailserver heeft namelijk niet genoeg beveiligingen ingebouwd om de privacy te kunnen garanderen. Vandaar dat e-consulten alweer jaren via een speciaal beveiligd patiëntenportaal lopen.” 

[Kader]
DIT KAN ÓÓK AL DIGITAAL

  • Je medische gegevens verzamelen en beheren
    Een persoonlijke gezondheidsomgeving is een app of een website, waarin je informatie van al je zorgverleners kunt verzamelen. Dus zowel van je huisarts als van je specialist, apotheker of diëtist. Je kunt deze data niet alleen bekijken, maar er ook zelf informatie aan toevoegen. Bijvoorbeeld eigen meetgegevens, zoals je bloeddruk, gewicht of hartslag. Of correspondentie met je arts in de vorm van e-mails of brieven. Zo heb je al je medische informatie altijd bij elkaar en bij de hand. Desgewenst kun je die met door jou gekozen zorgverleners delen. Op digitalezorggids.nl vind je een keuzehulp om de PGO te vinden, die het beste bij jou past. 
  • Webcamconsult van een dermatoloog
    huidconsult.nl is een website met betrouwbare informatie over huidproblemen en een digitale diagnosetool. Aan de hand van een paar slimme keuzelijstjes kun je zelf tot een diagnose van klachten komen. Je krijgt daar dan achtergrondinformatie en adviezen over. Als je wilt, kun je via de website ook een persoonlijk online consult bij dermatoloog Dick van Gerwen aanvragen. Hij is de bedenker van de site en deed afgelopen decennium al meer dan 10.000 online consulten. In driekwart van de gevallen kon hij op afstand een diagnose stellen.”
  • Fysiotherapie op afstand
    Fysiotherapeuten van het digitale behandelprogramma HelloFysio behandelen patiënten via een online platform. Zo nodig kijken ze via de webcam mee bij het doen van oefeningen. Uit onderzoek van de Radboud Universiteit blijkt dat ze zo met minder behandelsessies een even goed resultaat behalen als bij fysiotherapie met lichamelijk contact.
  • Online therapie bij mentale problemen
    Er zijn allerlei vormen van e-mental-health, van zelftests tot volwaardige gesprekstherapie via chat of webcam. Een succesvol voorbeeld is het zelfhulpprogramma Kleur je leven van Trimbos, bedoeld voor mensen met depressieve klachtenIn acht lessen leren deelnemers anders naar hun sombere gedachten te kijken, minder te piekeren en beter te ontspannen. Behalve voor depressie is er online hulp voor veel meer psychische problemen. Denk aan angstklachten, burn-out en alcoholverslaving. Op mentaalvitaal.nl vind je veel informatie en een overzicht van betrouwbare e-mental-healthprogramma’s.

[Kader]
CIJFERS 

  • 82 procent van de huisartsen en 33 procent van de specialisten bieden patiënten de mogelijkheid om online een herhaalrecept aan te vragen.
  • Bij 68 procent van de huisartsen kunnen patiënten via een beveiligde e-mail, portaal of app een medisch inhoudelijke vraag aan hun arts stellen. Bij 44 procent van de specialisten kan dat ook. 
  • Lang niet alle patiënten maken gebruik van deze digitale mogelijkheden. Zo vraagt slechts 19 procent online herhaalrecepten via internet aan en maakt 12 procent een afspraak via internet.
  • Van de zorggebruikers bekijkt 5 procent zijn medische gegevens bij de huisarts online. 
  • 14 procent maakt gebruik van het digitale dossier van het het ziekenhuis. 
  • Van de patiënten die thuis zorg en ondersteuning ontvangen, gebruikt één op de twintig de mogelijkheid om te beeldbellen met een zorgverlener.

Bron: Nictiz e-healthmonitor 2019. 

 

SPREEKBUIS VAN MUSEUMBEZOEKERS

5 jun

Schermafbeelding 2020-06-05 om 11.19.01

Gepubliceerd in Groninger Museum Magazine, nummer 1/2020. Foto: Wim te Brake.

Van schoolbezoeken tot informatiebordjes, van colleges tot een speciaal Alzheimer-project: de afdeling educatie is de spin het web van het Groninger Museum. Bijna veertig jaar werd die geleid door kunsthistoricus Steven Kolsteren (1954). Nu geeft hij het stokje over aan zijn collega Sander Daams (1981). “Wij slaan een brug tussen het museum en de bezoekers.”

  • Steven Kolsteren (1954) studeerde kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. In mei 1981 begon hij bij het Groninger Museum.
  • Sander Daams (1981) studeerde sociologie, psychologie en kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Binnenkort rondt hij zijn master Kunsteducatie aan de Hanze Hogeschool af. Voor hij in mei 2019 bij het Groninger Museum in dienst trad, werkte hij onder andere als museumdocent en educator bij het Stedelijk Museum, het Van Gogh Museum en het Rijksmuseum in Amsterdam. 

Je staat er als bezoeker waarschijnlijk niet bij stil, maar zonder afdeling educatie zou je geen rondleiding kunnen volgen. Zouden scholen het museum nooit bezoeken. Zouden de bordjes bij de kunstwerken vermoedelijk minder begrijpelijk zijn. En zou het magazine dat je nu in handen hebt niet bestaan. “Educatoren en museumdocenten zijn de vertalers van het museum”, vat Steven Kolsteren de  functie van hem en zijn collega’s samen. “Wij slaan een brug tussen onze collectie, onze tentoonstellingen en onze bezoekers. Niet van bovenaf, maar samen met de mensen om wie het gaat.”
Die verbinding maken doen ze op allerlei manieren. Zo denken ze voor aanvang van een tentoonstelling mee over hoe een curator die zo kan inrichten, dat die zo goed mogelijk tot  bezoekers komt. “Vroeger werden kunstwerken veelal chronologisch getoond”, verduidelijk Sander Daams. “Tegenwoordig doen we dat op allerlei verschillende manieren. Themagewijs, bijvoorbeeld. Je zet dan items bij elkaar die samen een verhaal vertellen. Daardoor is de impact vaak veel groter.” 

De bezoeker centraal
Maar er zijn veel meer activiteiten. Denk aan rondleidingen voor speciale doelgroepen en samenwerkingen met andere organisaties en andere disciplines, bijvoorbeeld op het terrein van theater, muziek en dans. Belangrijk is ook het museumatelier, waar jong en oud zelf creatief aan de slag kunnen. Door de week voor scholen, onder begeleiding van museumdocenten. In het weekend voor families onder toezicht van een team van atelierjongeren, die zo ervaring in de kunstwereld kunnen opdoen. Want educatie gaat niet alleen over kijken, maar vooral ook over doen.
“Daar ben ik heel trots op”, zegt Steven. “Maar ook op het feit dat we het museum naar mensen toe brengen. Zo hebben we hebben een minimuseum in een airstream caravan uit 1963. Daarmee gaan we festivals af en trekken we de wijken in trekken. We zoeken bewust mensen op, die om wat voor reden ook zelf niet zo gauw een museum bezoeken. In samenwerking met locale organisaties doen we in wijken ook creatieve projecten. Uiteindelijk monden die activiteiten uit in een speciale wijkdag, waarop alle bewoners gratis naar ons museum kunnen. Op die manier willen we de drempel verlagen en laten zien dat kunst er voor iedereen is.”
Zorgen dat het museum letterlijk en figuurlijk voor alle mensen toegankelijk is en dat zoveel mogelijk doelgroepen zich er thuisvoelen: inclusiviteit, heet dat. Het is een thema dat hoog op de agenda van Sander staat, als hij straks het stokje als afdelingshoofd overneemt. “Laatst gaf ik een rondleiding aan een groep vrouwen met een niet-Nederlandse achtergrond. Doordat ze vragen stelden en onderling in gesprek gingen, maakten ze niet alleen verbinding met de kunst, maar ook met elkaar. Hetzelfde gebeurt tijdens onze theatrale rondleidingen voor kleuters en hun ouders. Het is elke keer weer bijzonder om mee te maken. Zo’n ervaring gun je iedereen.”
Voor de duidelijkheid: het laatste wat Steven en Sander willen is bezoekers ‘wel even uitleggen’ wat kunst eigenlijk is. Of hoe je daarnaar moet kijken. Steven: “Voor ons staat de beleving van de bezoeker centraal. Wat doet het met hem of haar? Dat willen we graag naar boven halen. Onze eigen mening — of die van een curator — is daarbij ondergeschikt.” 

Passie delen
De mannen studeerden allebei kunstgeschiedenis, Steven in Nijmegen in de roerige jaren ’70, Sander in de jaren’90 in Amsterdam. Ze komen uit verschillende werelden, kortom. Toch is er — behalve de liefde voor de kunst — één ding dat hen overduidelijk bindt: de behoefte om hun passie met de rest van de wereld te delen. Al tijdens zijn studie wist Steven dat hij zich op kunsteducatie wilde toeleggen. “Veel kunsthistorici doen onderzoek op de millimeter. Detailgeneuzel, noem ik dat. Met hun publicaties bereiken ze hoogstens een paar mensen. Dat is voor mij niet genoeg. Ik wil erover praten, delen, overdragen.”
Voor Sander was datzelfde verlangen zelfs de aanleiding om aan de studie kunstgeschiedenis te beginnen. “Ik studeerde psychologie toen ik in 2009 met mijn vader de openingstentoonstelling van de Hermitage in Amsterdam bezocht”, vertelt hij. “Toen ik daar een museumdocent zag lopen met een groep kinderen, viel het kwartje. ‘Dat wil ik ook doen’, zei ik tegen mijn vader. Van jongs af aan had ik al een grote interesse in kunst. Als ik als kind met mijn ouders naar een museum ging, zocht ik altijd een ansichtkaart uit en deed die in een plakboek. Daar schreef ik dan ook een verhaaltje bij. Het leek me fantastisch om mijn enthousiasme voor kunst met andere kinderen te kunnen delen. Niet lang daarna ben ik overgestapt naar kunstgeschiedenis.” 

Pionieren
Met zijn 39-jarige dienstverband is Steven een van de oudgedienden van het Groninger Museum. In al die jaren heeft hij nooit ergens anders naartoe gewild. “Ik heb in twee gebouwen gezeten en met verschillende directeuren te maken gehad. Daardoor bleef het altijd spannend. Voor mijn gevoel heb ik eigenlijk bij meerdere musea gewerkt.”
Jarenlang vormde hij in zijn eentje de afdeling educatie. Maar vorig jaar is die gegroeid tot acht medewerkers: educatoren, vaste museumdocenten, een outreachmedewerker en een clubmaster van de juniorclub. Daarnaast zijn er freelance atelierjongeren, zogenaamde praatjesmakers en extra museumdocenten. “Zo’n groot, enthousiast team geeft een enorme dynamiek en zorgt voor veel nieuwe ideeën”, aldus Steven. “Het onderstreept bovendien dat de educatierol van het museum steeds belangrijker wordt.”
Eén van de nieuwe mensen die Steven vorig jaar werd aantrok, was Sander, tot dan toe  werkzaam was als educator bij het Rijksmuseum. “Ik moest hier wel even wennen”, erkent die. “Bij het Rijks zat ik op een afdeling met dertig mensen. Allemaal superspecialisten. Zo hield ik me bijvoorbeeld specifiek bezig met educatie voor het primair onderwijs over de Gouden Eeuw. Het was een hiërarchische, geoliede machine. Bij het Groninger Museum zijn we nog veel meer aan het pionieren. En de tentoonstellingen zijn inhoudelijk zo divers! Ik moet echt veel bijleren. Wat dat betreft was het in het begin wel even aanpoten. Maar het is vooral ook erg leuk. Het motiveert me om mezelf steeds opnieuw uit te vinden.”
Amper een jaar na zijn aanstelling besloot de directie Sander als opvolger van de pensioengerechtigde Steven aan te wijzen. “Fantastisch om nu zelf aan het roer te kunnen gaan staan en zo mijn eigen stempel op kunsteducatie te drukken”, zegt hij. “Die kans had ik in Amsterdam vermoedelijk nooit gehad.” 

Kinderbiënnale
Het verbaasde Steven niet dat de directie Sander als nieuw hoofd uitkoos. Ondanks zijn relatief jonge leeftijd brengt hij namelijk veel ervaring mee. Zo werkte hij behalve in het Rijks ook in het Stedelijk en in het Van Gogh Museum. Verder volgde hij in musea in New York trainingen over het toegankelijk maken van musea voor bijvoorbeeld blinden en slechtzienden. “Van al die kennis gaat ons museum enorm profiteren”, aldus Steven. “Maar het allerbelangrijkste is zijn open manier van denken. Sander is enorm nieuwsgierig en enthousiast, voortdurend op zoek naar nieuwe mogelijkheden. En hij is niet bang om zijn stem te laten horen. Dat moet ook, want als spreekbuis van de bezoekers houden wij onze collega’s scherp.”
Een van de projecten waar Sander zich het meest op verheugt, is de Kinderbiënnale die het Groninger Museum in 2021 organiseert. Het wordt een nieuwe manier van tentoonstellen, waarbij interactiviteit vooropstaat. De afdeling educatie heeft hierin het voortouw: Sander is de projectleider. “We nemen bezoekers in het museum sowieso bloedserieus en betrekken ze zoveel mogelijk bij alles wat we doen”, vertelt hij. “Door ze niet alleen rond te leiden, maar ook hun mening te vragen en ze de mogelijkheid te bieden om zelf creatief aan de slag te gaan in ons atelier. Met de Kinderbiënnale gaan we nog een stap verder. Voor het eerst betrekken we kinderen bij het maakproces van een tentoonstelling: ze mogen de helft van de getoonde kunstwerken selecteren. Ze krijgen nu dus echt een hoofdrol.”
Tegen de tijd dat die tentoonstelling in het museum is te zien, heeft Steven al afgezwaaid. Maar het beruchte zwarte gat? Daar vreest hij niet voor. “Ik heb van mijn hobby mijn werk gemaakt”, besluit hij. “En met die hobby ga ik straks gewoon door. Ik blijf lezen en schrijven, over kunst, muziek en film. En tentoonstellingen bezoeken natuurlijk, want daar krijg ik nu eindelijk meer tijd voor. Een kunstenaar gaat nooit met pensioen, hoor je vaak. Een kunsthistoricus ook niet.” 

 

 

LEVENSLESSEN RITZO TEN CATE

5 jun

Schermafbeelding 2020-06-05 om 11.13.22

Gepubliceerd in Trouw, 30 mei 2020 (foto: Merlijn Doomernik)

De coronacrisis treft dak- en thuislozen hard. Sociaal ondernemer en fotograaf Ritzo ten Cate, initiator van daklozenwandelingen in Groningen, leerde tientallen van hen van dichtbij kennen. Zijn ervaringen verwerkte hij in zijn debuutroman, Donkerder, die onlangs verscheen. 

Les 1: De geschiedenis van je ouders vormt je
“Mijn jeugd in Drenthe was idyllisch. Ik groeide op in een klein huisje aan de rand van het bos. Op ons dorpsschooltje in Ees zaten negentien kinderen. In mijn vrije tijd speelde ik om het huis, hielp ik in de moestuin, slingerde ik honing. Als enig kind kreeg ik alle liefde en aandacht van mijn ouders. En van mijn oudoom en -tante, die bij ons in huis woonden.
Pas veel later realiseerde ik me dat er ook een minder fijne kant aan het verhaal zat. Mijn moeders moeder was bij haar geboorte overleden. Haar vader trok dat niet en ging er vandoor. Zijn zus en haar man namen mijn moeder onder hun vleugels en voedden haar op als hun eigen kind. Zij hoorde dat pas als tiener, toen haar ‘vader’ overleed. Een traumatische ervaring, die haar de rest van haar leven mentaal uit evenwicht bracht. Ze raakte arbeidsongeschikt en was, behalve ongelofelijk liefdevol, extreem angstig. Mijn vader moest iedere dag bellen als hij op zijn werk in Assen was gearriveerd. In de brugklas mocht ik niet met de fiets naar school in Emmen. Op vakantie gingen we nooit; mijn moeder was veel te bang dat ons dan iets zou overkomen. Ook mijn vader had trouwens geen makkelijke start. Zijn moeder was niet bepaald blij met hem en behandelde hem als een soort Assepoester. De donkerte van hun ervaringen heeft zich onbewust in mij vastgezet.”

Les 2: Een gekozen familie is ook familie
“Ik was als kind dan wel alleen, maar nooit eenzaam. Van jongs af aan heb ik veel fijne mensen om me heen verzameld. Eerst kinderen van school en mensen uit ons dorp, later vrienden van studie en werk. Zij zijn mijn nieuwe familie geworden, zeker na het overlijden van mijn ouders. Na de dood van mijn vader afgelopen november zetten mijn liefste vrienden ongevraagd een kruis door hun agenda, zodat ze overal met me mee naartoe konden. Bij de condoleance-avond voor mijn moeder stond daar ineens ook Max, één van mijn dakloze vrienden. Om me te steunen was hij speciaal uit Groningen naar Borger gekomen. Ik voel me door hen — mijn gekregen broers en zussen — gehoord, gezien, gedragen.”

Les 3: Maak verbinding
“Of het nu gaat om liefde, vriendschap of een zakelijk project, ik ben altijd op zoek naar oprecht contact. Helaas zijn we het grotendeels verleerd om echt verbinding te maken. We hebben allemaal een rol aangenomen, een masker opgezet, een muur om ons heen gebouwd. We vinden het moeilijk om elkaar aan te kijken, aan te spreken, aan te raken. Daardoor missen we zo veel. De dak- en thuislozen met wie ik heb samengewerkt, zijn wat dat betreft fantastische leermeesters geweest. Zij waren sterk genoeg om zich kwetsbaar op te durven stellen. Om ongemak en schaamte aan de kant te schuiven. Ze vertelden me eerlijk over hun traumatische jeugd, hun drank- en drugsmisbruik, hun criminele verleden. Daarmee zetten ze de deur open om van mens tot mens te te communiceren. Als dat lukt, vallen de verschillen weg en ontstaat er echte verbinding.”

Les 4: Iedereen kan door het luik vallen
“De eerste dakloze die ik ooit zag, was Tokkel uit Assen. Hij stonk en schreeuwde als je hem geen  geld gaf. Volgens mijn vader was hij ooit een geniale gitarist geweest, die nog met Herman Brood en Harry Muskee had gespeeld. Maar als jongetje vond ik hem maar eng. Ook later bleef ik met een grote boog om daklozen en zwervers heenlopen. Dat veranderde toen ik in 2012 zijdelings betrokken raakte bij Street, een theatervoorstelling over en met Utrechtse dak- en thuislozen. Daar leerde ik onder andere Remco en Birhane kennen. Ze namen mij mee naar hun plekken in de stad. Zo ontdekte ik dat Remco een super slimme vent was, met een gymnasiumdiploma en tot zijn 25ste een goede baan. Toen betrapte hij zijn vriendin met een andere man. Hij flipte en bracht totaal in paniek de nacht buiten door. Een dealer bood hem heroïne aan om tot rust te komen. Binnen vijf dagen was hij van een mens veranderd in een dier, dat op straat probeerde te overleven, vertelde hij me. Uiteindelijk zou hij vijftien jaar dakloos blijven. De illegale Birhane uit Soedan bleek net als ik Bedrijfskundige Informatica te hebben gestudeerd. Toen hij weigerde het leger in te gaan, moest hij zijn land ontvluchten. Deze jongens waren geen losers, maar kwetsbare, beschadigde mensen, slachtoffer van hun omstandigheden. Als mijn leven anders was verlopen, had ik zomaar één van hen kunnen zijn.” 

Les 5: Kijk niet weg
“Door mijn ervaringen met Remco en Birhane zag ik de daklozen in mijn eigen Groningen ineens door een andere bril. Ik kon niet langer wegkijken. Van straatkrantverkoper Jonny bijvoorbeeld, die ik dagelijks op de Grote Markt passeerde. In de zomer van 2013 vroeg ik hoe ik hem kon helpen. Hij antwoordde dat hij graag samen een kop koffie wilde drinken. Dat hebben we gedaan. We kletsten wat en ik werd nieuwsgierig naar zijn verhaal. Een week later nodigde ik hem uit om iets te gaan eten. Hij vertelde dat hij de rechterhand van Klaas Bruinsma was geweest, drugstransporten had gedaan, HIV had opgelopen. Ogenschijnlijk konden onze levens niet verder van elkaar afstaan, maar op dat moment grepen ze even in elkaar. De vragen vlogen over en weer. Uit verbazing en verwondering lieten we onze quiche koud worden. Ik wenste anderen ook zo’n ervaring en schreef er een blog over: ‘Hoe drink je gewoon een kop koffie met een dakloze’. Hoewel de post duizenden keren werd gelezen en honderden keren gedeeld en geliket, durfde bijna niemand het aan daadwerkelijk de stap te zetten. Dan moet ik ze op een andere manier over de streep trekken, dacht ik. Zo ontstond het plan om daklozenwandelingen te gaan organiseren.”

Les 6: Niemand wordt zomaar dakloos
“In Groningen zijn zo’n duizend zwervers. Tussen de zestig en honderdvijftig van hen slaapt op straat. Door de wandelingen leerde ik tientallen van dichtbij kennen. Alcoholisten. Junks. Straatrovers. Overvallers. Ex-TBS-er’s. Mensen die ik vroeger als overlast veroorzakende klaplopers zag. Ze bleken allemaal ernstig beschadigd te zijn, vaak al op heel jonge leeftijd. Ik ontmoette een man, die op zijn negende net zo verslaafd was aan alcohol en wiet als zijn broer van elf. Ik sprak iemand die als peuter door zijn familie was mishandeld en nog iedere nacht badend in het zweet wakker werd. Ik zag wat het met je kan doen als je hyperactief en creatief bent, terwijl je omgeving vindt dat je gewoon stukadoor moet worden. Hun verhalen maakten stuk voor stuk diepe indruk op me. Dat van Max misschien wel het meest. Zijn ouders stonden hem af aan zijn grootouders, zijn vader deed jaren alsof hij zijn broer was. Zijn ervaring kwam wel heel dicht bij die van mijn eigen familie. Pas op zijn dertiende ontdekte Max hoe het echt zat. Hij voelde zich bedrogen, belandde op straat en in verschillende jeugdinrichtingen. Na veel krabbelen en opstaan, inclusief een gevangenisstraf wegens een gewapende overval, werd hij door gedoe met de Belastingdienst rond zijn vijftigste opnieuw dakloos dakloos. Het kopje koffie, een luisterend oor en af en toe gewoon een gesprek van mens tot mens was precies wat hij nodig had om zich aan de ellende te ontworstelen en zijn leven op de rit te krijgen. Nu heeft hij weer een eigen huisje.”

Les 7: Schijn licht op donkere plekken
“Zo verschillend als we waren, ik herkende toch iets van mezelf in mijn zwervende straatgidsen. Hun trauma’s maakten me bewust van mijn donkere kant. Van de angst en pijn die ik onbedoeld van mijn ouders had meegekregen. Zij hadden hun hele leven gewankeld, en ik wankelde met ze mee. Dat dreigende, sombere gevoel werd sterker nadat mijn moeder in 2015 stierf en ik met mijn toenmalige vriendin haar bezittingen moest opruimen. Vijf bouwcontainers vol haalden we uit het huis. Eindeloze hoeveelheden overbodige spullen, die ze gedurende haar leven had verzameld. Uit angst voor ik weet niet wat. Zat die negatieve energie ook in mij? Zou ik net als haar kunnen omvallen? Van die gedachte werd ik heel onrustig. Ik ging minder goed voor mezelf zorgen, kreeg een kort lontje. Het kostte me mijn relatie. Ik moest mezelf óók opruimen, realiseerde ik me. Ik praatte met een psycholoog en deed lichaamswerk. Ging wandelen, mediteren, gezonder eten, vechtsport doen. Als onderdeel van het helingsproces besloot ik in de winter van 2016 de duisternis letterlijk op te zoeken en op retraite te gaan in Lapland. Alleen, zonder computer of telefoon. Daar, in een boerderijtje, omringd door sneeuw, krabbelde ik op losse papiertjes flarden van een verhaal. Het was het begin van het boek dat er nu ligt. Zo heb ik de donkerte van me afgeschreven.” 

Les 8: De coronacrisis treft dak- en thuislozen hard
“Van de straatgidsen hoor ik dat in Groningen nu een flink aantal vaste opvangplekken dicht is, of op zijn minst gesloten is geweest. Onder andere omdat het vaak lastig is om daar voldoende onderlinge afstand te houden. Gelukkig zijn er altijd creatievelingen die een oplossing verzinnen. Zo is de gesloten nachtopvang in de Schoolstraat tijdelijk verhuisd naar het chique hotel Schimmelpenninck Huys. Daar hebben nu veertig daklozen onderdak, ieder met een eigen kamer. Een geluk bij een ongeluk. Voor de meeste zwervers betekent de coronacrisis echter: niet even samen koffie drinken, geen dagbesteding, geen contact met matties of hulpverleners. Ze zijn de rust van hun dagritme kwijt. Zonder structuur en afleiding beginnen de monstertjes in hun hoofden weer te schreeuwen. Dat merken wij dan op straat, in de vorm van overlast. Het merendeel maakt zich bovendien zorgen over zijn gezondheid. In deze tijd hebben dak- en thuislozen onze aandacht en steun dus extra nodig. Misschien een goede reden om toch eens die kop koffie te doen.”

[Kader]
Sociaal ondernemer en fotograaf Ritzo ten Cate (Assen, 1977) studeerde Bedrijfskundige Informatica aan de Hanze Hogeschool en Bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met Ronald Mulder richtte hij in 2005 De Ondernemers BV op, dat bedrijven hielp met strategie, business development en marketing. In 2011 ging hij zelfstandig verder. Na een ontmoeting met straatkrantverkoper Johnny initieerde hij in 2013 stadswandelingen door Groningen onder leiding van dak- en thuislozen. In 2016 kreeg hij (inter)nationale bekendheid met Caught in the App, een project waarvoor hij foto’s maakte van mensen die al lopend opgingen in hun smartphone. Vorige maand verscheen bij uitgeverij Palmslag zijn debuutroman, Donkerder. Ten Cate woont in Groningen en heeft een relatie.
ritzotencate.com

 

SLAAP LEKKER!

28 mei

Gepubliceerd in Margriet 20, mei 2020.

De helft van de Nederlanders slaapt naar eigen zeggen regelmatig slecht. Gelukkig is daar vaak wat aan te doen. We zetten de belangrijkste tips op een rij.

Neuroloog en slaapspecialist Hans Hamburger is oprichter van het Amsterdam Slaap Centrum.
Wat is slaap eigenlijk?
“Een rusttoestand van de hersenen, waarin je je niet bewust bent van je zelf en je omgeving.”
Wat maakt dat je in slaap valt?
“Daarbij spelen twee dingen een rol: slaapdruk en je biologische klok. Slaapdruk is de behoefte van je hersenen aan slaap. Hoe langer je wakker bent, hoe groter de slaapdruk en hoe intenser de neiging om te gaan slapen. De biologische klok, die aan de onderkant van je hersenen zit, zorgt voor het 24-uurs ritme van slapen en wakker zijn. Te veel licht op het verkeerde moment — bijvoorbeeld ’s avonds van een telefoon of tablet — verstoort dit proces.”
Wat als je te weinig slaapt?
“Dan kan je je overdag slechter concentreren, ben je minder productief en maak je eerder fouten, vaak zonder dat je het doorhebt. Verder zorgt slaaptekort ervoor dat je sneller chagrijnig en agressief wordt. Slaap speelt trouwens bij meer lichamelijke processen een rol. De aanmaak van veel hormonen is bijvoorbeeld afhankelijk van je slaap-waakritme. Verder heeft slaap grote invloed op de werking van je afweersysteem.Chronisch slaaptekort kan dus van alles in je lijf ontregelen en zo de kans vergroten op bijvoorbeeld infecties, diabetes type2, hart- en vaatziekten, overgewicht, depressie en de ziekte van Alzheimer. Kortom: voor een goede gezondheid is slaap minstens zo belangrijk is als gezond eten en voldoende bewegen.”
Hebben vrouwen meer slaap nodig dan mannen?
“Een beetje: in de vruchtbare leeftijd slapen vrouwen gemiddeld twintig minuten langer. Verder zijn vrouwen vaker ochtendmensen. Omdat ze eerder naar bed gaan, lijkt het misschien alsof ze meer slaap nodig hebben.”

————————————

Chronisch slaaptekort kan je wanhopig maken. Best begrijpelijk dus, dat veel slechte slapers hun heil zoeken in slaapmiddelen. Toch kun je die beter laten staan, zegt ziekenhuisapotheker en farmacoloog Patricia van den Bemt.
“Slaapmiddelen hebben eigenlijk alleen maar nadelen. Ze werken slechts tijdelijk, zijn ontzettend verslavend en hebben nare bijwerkingen, zoals verminderde reactiesnelheid, geheugen-, coördinatie- en concentratieproblemen, hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, somberheid, gewichtstoename en minder zin in seks. Bovendien pakken ze de oorzaak van het slechte slapen niet aan. Sterker nog, op den duur houden ze het probleem in stand of verergeren het zelfs. Het middel is dus erger dan de kwaal.”
Maar je slaapt er toch wel beter door?
“Nauwelijks. Met medicatie slaap je gemiddeld 15 tot 20 minuten sneller in en slaap je in totaal 30 tot 50 minuten langer. Omdat je lichaam aan de medicijnen went, neemt dat effect bovendien na twee weken alweer af. Je hebt er dan steeds meer van nodig. Ook niet onbelangrijk: de pillen beïnvloeden de kwaliteit van je slaap. Omdat ze je REM-slaap verstoren — de slaap die je nodig hebt om te herstellen — rust je niet goed uit.”
Hoe zit het met het vrij verkrijgbare middel melatonine?
“Ook dat kun je beter links laten liggen. De lage dosering die je bij de drogist koopt, werkt niet tegen slapeloosheid, blijkt uit onderzoek. Melatonine is namelijk geen slaapmiddel, maar een middel dat je biologische klok beïnvloedt. In de juiste hoge dosis — alleen verkrijgbaar op recept — kan het wel helpen om de gevolgen van een jetlag tegen te gaan. Dat is de enige vorm van slaapproblemen waarbij het gebruik bewezen helpt.”

————————————

[Tekstblok 260]
5 TIPS: ZO SLAAP JE BETER

  1. Bouw de dag rustig af
    Je hersenen hebben tijd nodig om terug te schakelen. Dim de lichten. Doe ’s avonds iets waarvan je ontspant, zoals een boek lezen. Of neem een warm bad of douche vlak voor het naar bed gaan. Dat verandert je temperatuur waardoor je makkelijker inslaapt.
  2. Koester routine en regelmaat
    Eet op vaste tijden, ga elke dag op dezelfde tijd naar bed en sta op dezelfde tijd op. Oók in het weekend. Daarmee instrueer je je hersenen als het ware dat ze zich klaar moeten maken voor het slapen. 
  3. Weg met de smartphone, tablet en laptop
    Het blauwe licht dat deze apparaten geven, remt de aanmaak van melatonine en doet je hersenen denken dat het nog dag is en ontregelen zo je interne klok. Leg ze dus minstens twee uur voor het slapen aan de kant. Lig je toch ’s nachts wakker, pak dan zéker niet je telefoon om de tijd te doden. Wat betreft de tv: het licht daarvan kan niet zoveel kwaad.
  4. Laat cafeïne en alcohol staan
    Koffie en cola kunnen je wakker houden. Maar een alcoholisch slaapmutsje? Dat helpt juist goed, hoor je vaak. Toch is zo’n drankje onverstandig. De diepe slaap en de droomslaap worden erdoor verstoord, waardoor je onrustiger slaapt. Het gevolg: je wordt tussendoor wakker en bent de volgende dag minder uitgerust.
  5. Zorg voor een donkere en koele slaapkamer
    De optimale omstandigheden voor een goede nachtrust? Een niet te hoge temperatuur (het liefst rond de 18 graden) en zo weinig mogelijk licht. Kies voor verduisteringsgordijnen of gebruik een slaapmasker om (’s zomers) het licht buiten te houden. 

————————————

SLAPELOOS(HEID)
Je spreekt van slapeloosheid als je gedurende minstens drie maanden minimaal drie keer per week verstoorde slaap hebt én je daarvan overdag last ondervindt. Bovendien mag de slapeloosheid niet het gevolg zijn van omstandigheden in de omgeving, zoals lawaaiige buren.
Er zijn verschillende soorten slaapproblemen:

  • Moeite met in slaap komen.
    Aan het begin van de nacht duurt het langer dan een half uur voor je in slaap valt. Vrouwen komen gemiddeld moeilijker in slaap dan mannen, blijkt uit onderzoek van de Hersenstichting. Met het ouder worden, neemt het verschil tussen de seksen alleen maar toe.
  • Moeite met doorslapen.
    Oftewel: ‘s nachts wakker worden en maar moeilijk weer in slaap kunnen vallen. Ook hier hebben vrouwen vaker last van.
  • Te vroeg wakker worden.
    Dit probleem verergert eveneens met het stijgen van de leeftijd. Ruim 1 op de 5 Nederlanders van 41 t/m 65 jaar wordt te vroeg wakker. Bij 65-plussers ligt dat aantal nog hoger. 

——————————————-

ALS JE OUDER WORDT
Vrouwen in de menopauze slapen vaak minder goed. Bijvoorbeeld doordat ze last krijgen van nachtelijke opvliegers en nachtzweten. Eenmaal boven de 65 slapen we sowieso gemiddeld wat korter (meestal zes tot zeven uur), onder andere omdat we dan minder actief worden. “Veel ouderen ontwaken ook heel vroeg”, vertelt neuroloog Hans Hamburger. “Vaak denken ze dan dat ze een slaapstoornis hebben, maar dat is meestal niet zo. Van nature gaan de meeste mensen ’s avonds tussen elf en twaalf uur slapen en worden ze de volgende ochtend om zeven uur weer wakker. Bij 65-plussers schuift die interne klok vaak wat naar voren. Dat komt onder andere omdat daglicht met het ouder worden minder goed in de ogen kan binnendringen. Het gevolg: ouderen’s vallen avonds vaak eerder in slaap.”
Ze slapen wel de normale zes tot zeven uur, maar worden dan dus ’s ochtends om vier of vijf uur wakker. De oplossing is om (als dat lichamelijk kan) overdag voldoende buiten te komen en actief te zijn en ’s avonds niet te vroeg naar bed te gaan.

———————————————

NACHTMERRIES
Klinisch psycholoog Jaap Lance van de Universiteit van Amsterdam doet veel onderzoek naar nachtmerries.
“2 à 3 procent van de bevolking — zo’n een half miljoen Nederlanders — heeft één of meer nachtmerries per week. Zij zijn vaak bang om te gaan slapen. Overdag hebben ze last van vermoeidheid en concentratieproblemen. Daardoor lopen ze bijvoorbeeld grotere kans op ongelukken, maar ook op angstklachten.
Je kunt een nachtmerrie vergelijken met een enge film die in je hersenen wordt afgespeeld. Hoe vaker de film zich herhaalt, hoe scherper de beelden zich in je geheugen branden. Veel nachtmerries gaan over een specifiek thema. Met stip op één: lichamelijke agressie, gevolgd door ruzie en mislukking of afgang.
Vrouwen rapporteren meer nachtmerries dan mannen. Of dat komt omdat ze daadwerkelijk meer onaangename dromen hebben of omdat ze ze beter onthouden, weten we niet. Wel is aangetoond dat zwangere vrouwen vaker vervelend dromen. Waarschijnlijk heeft dat te maken met hun veranderende hormoonhuishouding en de emoties die daarvan het gevolg zijn.”
Leren hoe je van je nachtmerries af kunt komen? Kijk op nachtmerries.org. 

————————————

BIOLOGISCHE KLOK
3 à 4 procent van de mensen is een extreem ochtendpersoon 5 à 6 procent een extreem avondpersoon De rest — de grootste groep dus — zit daar ergens tussenin. Per levensfase kan je voorkeur voor de ochtend of avond trouwens verschillen. Jonge kinderen zijn echte ochtendtypes. Zij gaan vroeg slapen, slapen wel tien tot twaalf uur en zijn vroeg wakker. Bij jonge volwassenen tussen de 13 en zo’n 28 jaar is de slaaptijd acht tot negen uur. Hun klok staat standaard juist later dan gemiddeld afgesteld, waardoor ze laat naar bed gaan en er ’s ochtends niet uit kunnen komen. Bij ouderen schuift de klok weer wat naar voren. 

————————————

SLAAP JE SLANK
Het wordt steeds meer bekend over het verband tussen slaaptekort en overgewicht. Dat zit zo. Als je te weinig slaapt, produceert je lichaam minder van het stofje leptine, dat je het gevoel geeft dat je genoeg hebt gegeten. Een ander stofje dat voor eetlust zorgt, grehline, wordt juist te veel aangemaakt. De combinatie zorgt dus dat je meer gaat eten, vooral (dikmakende) vette dingen, zoals chips en junkfood. Bovendien produceert je lijf bij een slaaptekort ontstekingseiwitten, die de gevoeligheid voor insuline remmen, met lichte diabetes type-2 tot gevolg. Door dit alles lopen mensen die chronisch te weinig slapen een grotere kans op zwaarlijvigheid. 

————————————-

SLAAPHULP
Of iets aan een slaapprobleem is te doen, hangt uiteraard van de oorzaak af. In veel gevallen valt er gelukkig van alles te verbeteren (al is er meestal geen quick fix). Belangrijk is om goed in kaart te brengen wat het slaapprobleem veroorzaakt. Is er een lichamelijke reden? Of heeft het vooral te maken met ongezond slaapgedrag? Dat kun je laten uitzoeken bij een gespecialiseerd slaapcentrum, waar ze de juiste diagnose kunnen stellen. De meest doeltreffende behandeling tegen slapeloosheid is een speciale vorm van cognitieve gedragstherapie, gegeven door een daarin gespecialiseerde slaaptherapeut. Helaas vergoeden veel zorgverzekeraars deze belangrijke behandeling niet.
Op snelbeterinjevel.nl vind je een online training om slaapproblemen aan te pakken.

————————————-

ONGEVALLEN ONDERWEG
Mensen met een verstoorde slaap of een slaapgebrek hebben 1,2 tot twee keer zo veel kans op een verkeersongeluk, blijkt uit verschillende studies. “Bij patiënten met de slaapziekte apneu is dat zelfs zes of zeven keer meer”, aldus neuroloog. “De getallen worden nog dramatischer als er slaapmiddelen in het spel zijn. Tussen de anderhalf en twee miljoen Nederlanders gebruiken die. De medicatie heeft tot vijftien uur na het innemen effect op het rijgedrag. Dus óók nog als je ’s ochtends vroeg op pad gaat.”
Op het werk heeft slaapgebrek trouwens net zo goed negatieve gevolgen. Met stip op 1: een slechte concentratie en snel afgeleid zijn.

————————————-

DUTJES
Als je een nacht een uur te weinig slaapt, moet je de volgende nacht anderhalf uur eerder naar bed om dat goed te maken. Slaap je de hele werkweek te weinig, dan haal je dat met uitslapen in het weekend nooit in. Bovendien: in de eerste uren van de nacht slaap je het diepst. ’s Ochtends langer doorslapen heeft dus weinig zin. Wil je overdag (of tijdens een nachtdienst) een dutje doen? Slaap dan maximaal een half uur. Daarna kom je namelijk in de fase van diepe slaap terecht. Als je tijdens die fase wakker wordt, voel je je alleen maar nog vermoeider.

————————————-

GADGETS
Sommige smartwatches, slimme armbanden of apps op je telefoon meten hoeveel je slaapt. Lijkt hartstikke handig, maar in de praktijk heb je er niet zoveel aan. Zo’n apparaatje concludeert namelijk dat je slaapt wanneer je heel rustig bent. Maar of je dan ook écht slaapt? Dat weet het niet. Bovendien: als je slaap-app of horloge bijvoorbeeld zegt dat je slaapscore 65 procent was, wat moet je daar dan mee? Bij een stappenteller is de boodschap duidelijk: deed je maar 5.000 stappen in plaats van 10.000, dan ga je een extra wandeling maken. Bij slaap is de oplossing helaas niet zo simpel. Zonde om (veel) geld aan zulke gadgets uit geven dus. 

————————————-

DEEL JE ERVARINGEN

Over slaapproblemen is nog veel onbekend. Daar willen onderzoekers van het Nederlands Slaap Register (een initiatief van het Nederlands Herseninstituut en de Vrije Universiteit Amsterdam) verandering in brengen. Stap 1: meer te weten te komen over wat slechte en goede slapers onderscheidt. Je kunt de wetenschappers bij hun zoektocht helpen door regelmatig online vragenlijsten in te vullen. Zelf krijg je daarvan ook zelf de uitslag. Alle gegevens blijven anoniem en worden veilig  (zonder persoonsgegevens) verwerkt en bewaard. Meer informatie: slaapregister.nl. 

————————————-

SLAPEN VOOR JE BREIN

  • Overdag sla je van alles op in je kortetermijngeheugen. Tijdens je diepe slaap (aan het begin van je slaapperiode) reorganiseren je hersenen al die informatie. Belangrijke kennis en ervaringen krijgen een vaste plek in het langetermijngeheugen. Slaap je te weinig, dan werkt dat proces minder goed. Vandaar dat te laat gaan slapen en slaaptekort funest zijn voor je geheugen.
  • Voor een goed geheugen is trouwens niet alleen de duur, maar ook de kwaliteit van je nachtrust belangrijk. Voor het vastleggen van informatie en herinneringen is vooral je diepe slaap essentieel. Die heb je voornamelijk in de eerste helft van de nacht.
  • Een van de nieuwste wetenschappelijke inzichten: terwijl je slaapt, krijgen je hersenen een goede schoonmaakbeurt. Afvalstoffen worden letterlijk weggespoeld. Dat spoelproces vindt alléén plaats tijdens het slapen. Word je vaak wakker, dan lukt het opschonen minder goed. Je hersenen werken de volgende dag dan niet zo efficiënt en je voelt je lamlendig. Gebeurt dat te veel, dan krijg je de ziekte van Alzheimer.
  • Chronische slapeloosheid is een belangrijke risicofactor voor een depressie. Piekergedachten, hartslag, stresshormonen, prikkelbaarheid: ze zijn bij mensen met slapeloosheid allemaal verhoogd. Op den duur put dat je — geestelijk en lichamelijk — uit, wat tot een depressie kan leiden.

————————————-

  • De gemiddelde inslaaptijd is ongeveer een kwartier.
  • 20 tot 30 procent van de volwassenen heeft een slaapstoornis.
  • Slechts 10 tot 15 procent van hen raadpleegt hiervoor een dokter.
  • Bij zo’n 40 procent van de onbehandelde patiënten met kortdurende slapeloosheid worden de klachten chronisch.
  • Ongeveer 60 procent van de patiënten met slapeloosheid (als nieuwe klacht) krijgt van de huisarts een slaapmiddel voorgeschreven. 36 procent krijgt meer dan één recept. Na een jaar gebruikt ongeveer de helft van deze patiënten nog het slaapmiddel.
  • Er is geen goed geheugen over slaap, wel over wakker zijn. Als je 4 x per uur ½ minuutje wakker bent denk je dat je een uur wakker was terwijl dat maar 2 minuten was. Veel mensen hebben deze klachten en gaan slaappillen slikken wat niet nodig is.
  • Jaarlijks belanden zo’n 7.000 65-plussers na een valpartij in het ziekenhuis. De grootste boosdoener? Slaapmedicatie. Die zorgt namelijk voor sufheid en spierzwakte.

————————————-

HOEVEEL SLAAP IS GENOEG?

LEEFTIJD AANBEVOLEN AANTAL UREN SLAAP
0 – 2 jaar 11 – 14 uur
3 – 5 jaar 10 – 13 uur
6 – 13 jaar 9 – 11 uur
14 – 17 jaar 8 – 10 uur
18 – 25 jaar 7 – 9 uur
26 – 40 jaar 7 – 9 uur
41 – 65 jaar 7 – 9 uur
65-plus 6 – 7 uur

————————————-

HET ENE SLAAPPROBLEMEN IS HET ANDERE NIET
Het ene slaapprobleem is het andere niet. Tot op heden zijn er zo’n tachtig slaapziektes bekend, onder te verdelen in zes groepen:

  1. Slapeloosheid
  2. Slaapademhalingsstoornis: obstructief slaapapneu (waarbij de ademhaling tijdens het slapen veelvuldig stopt)
  3. Ontregeling van je biologische klok (bijvoorbeeld door wisseldiensten of erfelijke aanleg)
  4. Bewegingsstoornissen tijdens de slaap, zoals het rusteloze benen syndroom (RLS)
  5. Vreemd gedrag tijdens het slapen, zoals praten in je slaap, slaapwandelen of nachtelijke angstaanvallen
  6. Overmatige slaperigheid overdag

————————————-

SLAAPMIDDELEN

  • Naar schatting slikken anderhalf tot twee miljoen Nederlanders regelmatig een of meer slaapmiddelen. 
  • Gemiddeld doen ze dat 180 keer per jaar. 
  • In de meeste gevallen draaien gebruikers zelf voor de kosten op, want sinds 2009 vergoeden zorgverzekeraars slaap- en kalmeringsmiddelen niet of nauwelijks meer.
  • Dat weerhoudt ons er trouwens niet van om flink door te slikken: jaarlijks geven we — voor eigen rekening — 54 miljoen euro aan slaapmiddelen uit. Méér dan bijvoorbeeld aan anticonceptie. 
  • 65-plussers zijn grootverbruikers; van hen neemt een op de vier regelmatig een slaappil. 

————————————-

WIST JE DAT….

  • Mensen met lage inkomens vaker te maken krijgen met slapeloosheid dan veelverdieners?
  • Een slechte gezondheid in 43 procent van de gevallen samengaat met slaapproblemen? 
  • Van de mensen met psychische klachten zelfs meer dan de helft (56 procent) problemen met slapen heeft? 
  • Van de mensen met slaapproblemen ruim vier op de tien daardoor belemmerd worden bij hun dagelijkse functioneren, bijvoorbeeld met werken?

————————————-

VOOR OP HET NACHTKASTJE

  • Kim Jones, Welterusten222 manieren om goed te slapen (Luitingh Sijthoff, 2019). € 17,50 
  • Matthew Walker, Slaap — Nieuwe wetenschappelijke inzichten over slapen en dromen (De Geus, 2018). € 23,99
  • Catelijne Elzes en Deborah Freriks, Van dit boek ga je slapen (en je wordt er knapper van) (Kosmos, 2018). € 15,00
  • Ysbrand van der Werf, Iedereen slaapt — Alles wat we willen weten over onze nachtrust (Atheneum – Polak & Van Gennep, 2016). € 19,99
  • Slaap en Slaapstoornissen van Schenk en Hamburger (Kosmos)

Bronnen: CBS, NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen, Stichting Farmaceutische Kerngetallen.

 

TEKEN JE TUIN

4 mei

Schermafbeelding 2020-05-04 om 10.57.07

Gepubliceerd in Trouw, 2 mei 2020.

Met zo’n mooie lente is gedwongen thuisblijven extra moeilijk. Maak van de nood een deugd en teken of schilder de planten en bloemen dichtbij huis. Twee generaties natuurillustratoren geven tips. 

Botanisch schilder en microbioloog Janneke Brinkman-Salentijn (72) is bekend van haar bloemenillustraties. Haar aquarellen sieren tal van producten, van agenda’s en kaarten tot serviezen en dekbedden.
“Omdat ik mijn onderwerpen altijd lijfelijk voor me op tafel wil hebben, werk ik met de seizoenen mee. Zo heb ik twee weken geleden een paarse keizerskroon geschilderd en ben ik nu met groot hoefblad bezig. Ik maak eerst een schets met potlood, hardheid H of HB. Als ik tevreden ben, zet ik de tekening over speciaal aquarelpapier. Voor het schilderen gebruik ik kwalitatief hoogwaardige aquarelpenselen met een scherpe punt. Bezuinig daar niet op! Begin bijvoorbeeld met dikte vier voor het invullen van de kleur, en dikte één voor de details. Ik kan de Maestro-serie van Da Vinci aanbevelen. Om te zorgen dat mijn voorbeeld niet te snel verlept, gaan de bloemen ‘s avonds in de koelkast of op een andere koele plek.
Tijdens mijn studie biologie in Amsterdam vond ik het al heerlijk om alles wat op de snijtafel lag minutieus te tekenen. Maar het kwam niet in me op dat ik daar mijn werk van kon maken. In plaats daarvan werd ik biologielerares op een middelbare school.
Ik was al in de dertig toen ik besloot een aquarelcursus te volgen. Het was liefde op het eerste gezicht — vanwege de heldere, tere kwaliteit van aquarel leent die verf zich perfect voor het schilderen van planten en bloemen. Hier wil ik mee verder, dacht ik. Mijn man Elco verklaarde me voor gek. ‘Je hebt toch een vak geleerd?’, zei hij. Maar in het botanisch schilderen komen biologie, mijn bloemenliefde en mijn gevoel voor kleur en compositie prachtig samen.
Veertig jaar verder teken en schilder ik nog bijna dagelijks. Voor inspiratie hoef ik nooit ver te zoeken. Ik haal bloemen uit mijn eigen tuin of ik stop tijdens mijn wandelingen en fietstochten een plantje in mijn tas. Voor ik er daadwerkelijk mee aan de slag ga, ontleed ik een bloem altijd eerst helemaal. Zo weet ik precies of de stengel glad of harig is, hoe het blad aan de steel zit, hoe de blaadjes gevormd zijn en hoe de kleuren verlopen. Dat kan ik iedereen aanbevelen.
Nog een paar tips. Als rechtshandige moet je ervoor zorgen dat het licht op je voorbeeld — en dus op je tekening — altijd van links komt. Doe je dat niet, dan werk je in de schaduw van je eigen hand en zie je niks. Voor linkshandigen geldt natuurlijk het tegenovergestelde. Maak als je gaat aquarelleren het stukje dat je wilt inkleuren eerst vochtig met alleen water. Als je daarna voorzichtig kleur toevoegt, loopt die er mooi in uit. Begin heel dun, je kunt later altijd laagjes toevoegen. En wacht tot de verf goed droog is voor je een nieuwe laag of details aanbrengt. Tot slot: blijf niet te lang aan je werk prutsen en poetsen. Het eerste wat je doet is vaak het mooist.”
jannekebrinkmansalentijn.nl

Natuurillustrator, wetenschapscommunicator en bioloog Kim Veenman (32) tekent en schildert behalve op papier ook op haar iPad. Ze maakt illustraties voor tijdschriften zoals  Buitenleven en voor verschillende natuurorganisaties en uitgevers.
“Tekenen begint met goed kijken. Welke vormen zie je eigenlijk? Dat is lastiger dan het lijkt, want je brein vult tijdens het tekenen vaak automatisch al in hoe een viooltje, appel of bij eruit hoort te zien. Wat helpt is om je voorbeeld op z’n kop te leggen. Zo kun je makkelijker puur naar de vormen kijken, zonder dat je er gelijk een beestje of bloempje in herkent. Begin je net? Teken dan eerst alleen met een balpen of fineliner. Je kunt dan niet gummen en dat is juist goed. Als je even doortekent, zie je dat iets al best mooi is. Kleur komt later, als je vormen goed in de vingers hebt.
Wil je gaan schilderen, gebruik dan niet alleen de pure kleur uit een tube of potje. Die is vaak nogal nep. Beter is om op een palet of een stuk papier kleuren te mengen. Als je aan felgroene verf uit de hobbywinkel een drupje geel of bruin toevoegt, zul je zien dat je een veel natuurlijker kleur krijgt.
Zelf zat ik van jongs af aan met mijn neus in het gras, op zoek naar beestjes. Ik ben opgegroeid op een boerderijtje in Drenthe, met kippen, schapen, paarden en een heel grote tuin. Als kind liep ik daar al vol verwondering rond. Ik weet nog dat ik een keer kippeneieren onder een lamp had uitgebroed. Dat uit zo’n gesloten schaal een levend wezentje kwam, vond ik ongelofelijk.
Ik tekende al het tuinleven ook graag, maar tijdens mijn studie droogden mijn verfpotjes op. Tot ik in 2014 Instagram ontdekte. Daarop vond ik de prachtigste natuurillustraties. Veel makers legden stap-voor-stap uit hoe ze werkten. Geweldig vond ik dat! Ik ging zelf ook aan de slag. In die tijd schreef ik regelmatig voor tijdschriften over natuur. Soms stuurde ik een illustratie mee om iets te verduidelijken. Eén redactie wilde die een keer gelijk plaatsen. Zo leuk! Toen ben ik van illustreren mijn werk gaan maken.
Hoewel ik nog steeds graag op papier werk, teken en schilder ik nu vooral digitaal, op mijn tablet. Het leuke daarvan is dat je makkelijk van alles kunt uitproberen. Bijvoorbeeld wat er gebeurt als je potlood en verf door elkaar gebruikt. En mee meegenomen: je krijgt nooit vieze vingers.
Er zijn veel gratis tekenapps, waarin je een hele hobbywinkel aan materialen bij de hand hebt. Je kunt met je vingers tekenen, maar een stilus of tekenpen, special voor een tablet, werkt beter. Zelf gebruik ik de betaalde Procreate-app op mijn iPad, en een Apple Pencil. Die is gevoelig: hoe harder je drukt, hoe dikker je lijn. Daardoor voelt hij net als een echt potlood of penseel.
Als je niet weet hoe je moet beginnen, zoek dan online inspiratie of gratis lessen. Wat ik goede voorbeelden vind? De Britse Lizzie Harper laat in haar filmpjes zien hoe je bloemen en planten kunt aquarelleren. De Amerikaanse Wooly Pronto heeft handige filmpjes over het programma Procreate. Met behulp van dat soort mensen heb ik mezelf ook alles geleerd.”
Op 29 mei verschijnt het boek Maak je eigen jungle — Meer dierenleven in je tuin van Katja Staring, waarvoor Veenman de illustraties verzorgde. Meer informatie: kimveenman.nl. 

 

%d bloggers liken dit: