Archief | 00 – Nieuws RSS feed for this section

LEVENSLESSEN VAN GEHEUGENTRAINER BORIS KONRAD

19 Nov

IMG-6928

Gepubliceerd in Trouw, 17 november 2018. (Foto: Merlijn Doomernik.)

Neurowetenschapper en geheugentrainer Boris Konrad (34) leert in een halve minuut de volgorde van een geschud pak spelkaarten uit zijn hoofd. Maar waarom zou je dat willen? “Geheugentraining houdt je hersenen gezond.”

Les 1: Een topgeheugen krijg je niet, dat creëer je
“‘Wanneer merkte u dat u zo’n goed geheugen had?’, vragen mensen me vaak. Daar klinkt de verwachting in door dat ik een indrukwekkend talent heb. Of — minder positief — dat ik een soort freak ben. ‘Sinds ik door een radioactieve spin ben gebeten’, zeg ik dan gekscherend. De werkelijkheid is minder spannend. Mijn topgeheugen heb ik te danken aan geheugentraining. Heel veel geheugentraining.”

Les 2: Geheugentraining kan je veel tijd besparen
“Op mijn 17e zag ik in Duitsland op tv een populair-wetenschappelijk showprogramma. Daarin kreeg een presentatrice een uur geheugentraining. Aan het begin van de uitzending kon ze zeven van twintig willekeurige woorden reproduceren, aan het eind negentien van de twintig. Ik was diep onder de indruk. Dat wil ik ook, dacht ik. Tot dan behoorde ik op school qua prestaties tot de middenmoot. Ik was er niet helemaal gerust op dat ik mijn eindexamen zou halen, dus een supergeheugen leek me handig. Via internet bestelde ik voor drie euro een tweedehands boek over geheugentraining. ’s Avonds oefende ik op mijn kamer. Ik weet natuurlijk niet hoe ik het er anders vanaf had gebracht, maar mijn eindexamencijfers waren in ieder geval flink hoger dan mijn gemiddelden van daarvoor. De echte winst kwam trouwens pas de jaren erop. Dankzij mijn training lukte me om twee studies naast elkaar te doen. Ik hield zelfs nog tijd over voor mijn nieuwe hobby: geheugensport.”

Les 3: Neem je herinneringen met een korreltje zout
“Je verwacht misschien dat wetenschappers de plek van het geheugen in de hersenen precies kunnen aanwijzen. Als bij een computer die je openschroeft: dáár zit de harde schijf. Niet dus. Er is niet één geheugengebied in het brein. Zelfs afzonderlijke herinneringen hebben geen vaste plek. Als je een specifieke gebeurtenis terughaalt, construeren je hersenen die uit allemaal losse puzzelstukjes. Realiseer je wel: elke keer als dat gebeurt, vormt zich een nieuw tafereel. Eventueel ontstane hiaten vult je brein met de nodige creativiteit in. Als ik bijvoorbeeld een oude vriend tegenkom uit mijn studiejaar in Engeland, worden eerst algemene herinneringen uit die tijd geactiveerd. Dan denk ik aan de kroeg in ons studentencomplex en de leuke feesten die we daar hadden. Vervolgens komt daar specifiekere informatie bij, over dat ik samen met hem de studentensport Ultimate Frisbee speelde en het daarna de kroeg in ging. Grote kans dat mijn brein die losse onderdelen samenveegt en er één levensechte herinnering van maakt. Terwijl die dus nooit exact zo heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat onze ervaringen en standpunten van nu onze herinneringen van vroeger kleuren. Als ik mijn dochter van 1,5 een avocado zie eten, herinner ik me dat ik die vrucht zelf op de kinderopvang ook at. Maar avocado bij een kinderdagverblijf in 1990? Niet erg waarschijnlijk. Mijn hersenen projecteren het heden dus op het verleden. Kortom, je doet er goed aan je geheugen met een korreltje zout te nemen.”

Les 4: Leg nieuwe breinwegen aan
“Een jaar na dat ik de geheugenshow op tv had gezien, was er weer zo’n programma. Deze keer deed er een jongen van mijn leeftijd mee. Met open mond zag ik hoe hij moeiteloos de eerste duizend cijfers van het getal pi kon opnoemen. Ondanks mijn training leek zoiets me onmogelijk. Hoe lukte hem dat? Via het instantmessagingprogramma ICQ — Facebook bestond nog niet — stuurde ik hem een bericht. Hij vertelde me over de geheugensportwedstrijden waar hij aan meedeed. Daarbij troeven deelnemers elkaar af door bijvoorbeeld lange getallen, woordenlijsten, historische data of tien geschudde kaartspellen in hun hoofd te prenten. Het competitieve deel in mij werd wakker. Na flink online te hebben geoefend, stapte ik in Hattingen, waar ik woonde, op de trein naar het Duitse kampioenschap in Weinheim. Tot mijn verrassing won ik meteen een onderdeel waarbij ik woordjes uit mijn hoofd moest leren. Dat smaakte naar meer. Tot op heden heb ik veertien keer aan het wereldkampioenschap meegedaan. En ik sta vier keer in het Guinness Book of Records, onder andere voor het in twee minuten onthouden van de namen en geboortedata van 21 mensen. Toch heb ik zoals gezegd een brein als ieder ander. Wat maakt dan dat ik dit kan? Naar die vraag ben ik later promotie-onderzoek gaan doen. Zo ontdekte ik dat geheugensporters met hun training niet zozeer hun geheugencapaciteit vergroten als wel meer en betere wegen tussen hersengebieden aanleggen. Op die manier kunnen ze als het ware hun kortetermijngeheugen omzeilen en informatie meteen in het langetermijngeheugen vastleggen.”

Les 5: Creëer je eigen geheugenpaleis
“Van nature is je brein eigenlijk helemaal niet goed in het onthouden van abstracte zaken, zoals taal en getallen. Dat heeft met de evolutie te maken. Om te overleven moet je een beeld hebben van waar het veilig is, van wat je kunt eten, van wie je kunt vertrouwen. Van plaatjes kortom. Het geheugen dáárvoor is goed ontwikkeld. Maar voor het onthouden van namen, buitenlandse woordjes, cijfers of formules veel minder. Vandaar dat we bij geheugentraining de twee combineren. De bekendste oefenmethode is die van het ‘geheugenpaleis’. Daarbij leg je in gedachten een vaste route aan, bijvoorbeeld door je huis. Het eerste punt is de voordeur, het tweede de kapstok en ga zo maar door. Vervolgens koppel je de zaken die je wilt onthouden aan die plekken. Dat werkt het beste als je er een verhaaltje bij bedenkt. Stel, je wilt je een boodschappenlijstje inprenten. Dan plaats je de items daarop in gedachten langs je denkbeeldige route. Bij de voordeur zet je rijst en yoghurt. Daar verzin je een scène bij. Hoe gekker het beeld, hoe beter je het onthoudt. Dus: als je bij de voordeur staat, zie je een bruidspaar langskomen. Hun gasten gooien met rijst, maar in de lucht verandert die in yoghurt, waardoor de bruid en bruidegom helemaal nat worden. Zo ga je de verschillende plekken op je route langs. Als je dat in de supermarkt vervolgens in gedachten wéér doet, kun je alles geheid terughalen. En nog in de juiste volgorde ook. Zo heb je ook technieken om bijvoorbeeld cijfers of namen te onthouden.”

Les 6: Een smartphone is funest voor je geheugen
“We kennen vrijwel geen telefoonnummers meer uit ons hoofd. In de auto volgen we blindelings het navigatiesysteem. En verjaardagen weten we alleen omdat onze elektronische agenda ons eraan herinnert. Zelfs hun eigen rekeningnummer, telefoonnummer of postcode moeten veel mensen op hun mobieltje opzoeken. Het mag duidelijk zijn dat dat je geheugen niet ten goede komt. Nou en?, hoor ik vaak. Waarom zou je zoveel moeite doen om dingen te onthouden? Je kunt toch gewoon een lijstje maken? Of feiten op internet opzoeken? Natuurlijk, maar daarmee doe je je brein geen plezier. Net als voor de rest van je lichaam geldt voor je geheugen: use it or lose it. Hoe minder je het gebruikt, hoe meer verbindingen er verloren gaan en hoe groter de kans op problemen. Andersom heeft een goed getraind brein een grotere reservecapaciteit. Als er door veroudering of ziekte bepaalde verbindingen beschadigd raken, heb je alternatieve routes voorhanden. Zo helpt geheugentraining om je brein gezond te houden. Mogelijk kan het zelfs een ziekteproces als Alzheimer vertragen. Mits je eraan begint vóór je klachten krijgt. Alle reden dus om je smartphone wat vaker aan de kant te leggen en iets uit je hoofd te leren.”

Les 7: Geef alle kinderen geheugentraining
“Ik zou willen dat iedereen de kans krijgt om te ervaren wat een wonder zijn of haar geheugen is. Het liefst al als kind, want op school kun je zoveel profijt van een goed geheugen hebben. Niet alleen om makkelijker woordjes of jaartallen te stampen. Ook om dingen te begrijpen en verbanden te leggen. Dat lukt immers alleen als je éérst feitenkennis verzamelt. Later in je leven kan een goed geheugen je bijvoorbeeld in je werk goed van pas komen. Zo waarderen mensen het enorm als je hun naam onthoudt. En dan bevordert geheugentraining ook nog de creativiteit. Ik kan niet wachten om met mijn eigen kinderen te gaan oefenen. Met hun 0 en 1,5 jaar zijn ze nu nog te klein. Maar vanaf een jaar of vijf kun je al geheugenspelletjes met kleuters doen. Begin met het koppelen van begrippen en beelden, bijvoorbeeld met behulp van een dierenalfabet. Echte geheugentraining lukt vanaf acht of negen, als kinderen meer taalvermogen hebben. Overigens heeft geheugentraining — met een gezond brein — op elke leeftijd zin. De oudste cursist die ik heb gehad was 92. Door flink te oefenen kon zij zelfs twintigers verslaan.”

Les 8: Veranker je dierbaarste herinneringen
“Om te zorgen dat ik mijn waardevolle herinneringen voor altijd bij me houd, sla ik ze goed op. Dat doe ik door ze regelmatig bewust terug te halen. Om te beginnen op de dag dat ze hebben plaatsgevonden. En daarna bijvoorbeeld na een week, een maand en een half jaar nog een keer. Ik doe dat trouwens ook met mijn vrouw. Als we samen in de auto zitten of een ontspannen avondje hebben, stellen wij elkaar vragen. Welke hoogtepunten herinner je je van onze reis naar de Verenigde Staten? Dan hebben we het even over dat we in de Grand Canyon helemaal naar beneden zijn gewandeld. Door zulke  herinneringen weer voor de geest te halen en hardop te benoemen, fixeer je ze zo stevig mogelijk.”

[Kader]
Neurowetenschapper en geheugentrainer Boris Konrad (Bochum (Duitsland), 1984) studeerde natuurkunde en informatica in Dortmund en promoveerde in de psychologie bij het Max Planck Instituut in München. Nu is hij als post-doc-onderzoeker verbonden aan het Donders Instituut van de Radboud University en RadboudUMC in Nijmegen. Konrad werd zowel individueel als met het Duitse landenteam meerdere keren wereldkampioen geheugensport. Hij staat met vier geheugenrecords in het Guinness Book of Records. Afgelopen september verscheen zijn boek De geheimen van ons geheugen (Ambo|Anthos). Konrad is getrouwd. Samen met zijn Nederlandse vrouw Mariette en hun dochter Eva-Maja (1) en zoon Mats (0) woont hij in Nijmegen.  

Advertenties

ROMANA VREDE PAST IN GEEN ENKEL HOKJE

17 Okt

18-42 Romana Vrede jpg

Gepubliceerd in Margriet 42, oktober 2018. Foto’s: Marloes Bosch. 

Actrice Romana Vrede (45) is op een missie. Ze wil de wereld laten zien hoe waardevol het is om ‘anders’ te zijn. “Mijn zoon verdient het om erbij te horen.”

Veel mensen kennen je van de televisieserie Moordvrouw, waarin je vorig seizoen een hulpofficier van justitie speelde. Maar de meeste tijd breng je door op het toneel. Wat doe je liever?
“Theater is mijn grote liefde. Tijdens een voorstelling gebeurt er iets magisch. Acteurs en toeschouwers maken contact en nemen elkaar samen op sleeptouw. Bij tv of film is dat heel anders; daar speel je losse scènes, zonder publiek. Acteren op de millimeter, noem ik dat, want de camera registreert elk detail. Ik leer daar enorm veel van, vooral over de techniek van het vak.”
Droomde je er als kind al van om op de planken te staan?
“Totaal niet! Ik wilde dokter worden. Maar omdat ik ‘maar’ havo deed, zat dat er niet in. Daarna heb ik van alles geprobeerd: een jaar sociale academie, een jaar geschiedenis, maar het paste me allemaal niet. Mijn toenmalige vriendje was kunstenaar. Door hem kwam ik in de artistieke scene terecht. Ik verdiende mijn brood als danseres in extravagante disco’s en als model op de kunstacademie.”
Wat vonden je ouders daarvan?
“Mijn moeder had het liefst gezien dat ik een ‘gewone’ baan had gezocht. Lerares of zo. Maar ze heeft me altijd gesteund. In 1979 verhuisde ze met haar vier kinderen — ik ben de jongste — van Suriname naar Rotterdam. Om ons gezin te onderhouden, had ze lang drie banen. Later ging ze rechten studeren. Nadat ik de toneelschool had afgerond, is ze teruggegaan naar Suriname waar ze officier van justitie werd. Haar belangrijkste les, die ze ons iedere dag voorleefde, was dat je je eigen pad moet volgen en jezelf moet kunnen onderhouden.”
En je vader?
“Die heeft nooit deel van mijn leven uitgemaakt; mijn ouders scheidden toen ik twee was. Inmiddels is hij overleden. Gemist heb ik hem niet, want je kunt niet missen wat je nooit hebt gehad.”
Wat voor een kind was je?
“Ik leek op een jongetje en deed ook veel jongensdingen: vlotten bouwen, in de sloot springen,  muizen vangen. Verder was ik al heel jong bezig met de zin van het leven. Dan huilde ik mezelf in slaap omdat ik niet begreep waarom de mens op aarde is, of wat er na de dood gebeurt. Op mijn zestiende leerde ik een jongen van de Jehova’s Getuigen kennen. Zij hebben de antwoorden, dacht ik. Ik ben toen drie jaar lid van hun gemeente geweest.”
Ging je dan ook langs de deuren?
“Jazeker. Ik pakte het heel serieus aan, inclusief doop en missiewerk. Andere pubers blowden of dronken hun tienertwijfels weg, ik vond rust in het geloof. Daar kreeg ik antwoord op al mijn vragen. Dat ik zo met mezelf worstelde, was omdat we in de tijd van de duivel leefden. Uiteindelijk zou de wereld vergaan, en kwamen de goede mensen in het paradijs. Alles viel voor mijn gevoel op z’n plek.”
Toch stapte je er er drie jaar later weer uit.
“Dat was niet mijn keus; omdat ik seks met een jongen had gehad, werd ik uit de gemeenschap gezet. Mijn relatie met God — of het universum of mijn voorouders — is er nadien trouwens alleen maar beter op geworden. ‘Alleen God kan je uitsluiten’, zei mijn moeder tegen me. Daar had ze helemaal gelijk in. Ineens zag ik dat de kerk een menselijke constructie is, die niets te maken heeft met mijn band met een hogere macht.”
Van Jehova’s getuige naar discodanseres is nogal een overgang.
“Voor mij niet. Het twijfelende, filosofische is één kant van mij. Maar het enthousiaste, overweldigende deel net zo goed. Bovendien komen religie en kunst voor mij eigenlijk op hetzelfde neer: je stelt jezelf de vraag wat we met deze wereld aan moeten en doet daar iets mee.”
Hoe wordt een danseres en model een gevierd actrice?
“Op mijn 22ste zag ik in de krant een advertentie voor een workshop van het Onafhankelijk Toneel. Ineens dacht ik: misschien is acteren wel iets voor mij. Ik besloot het gewoon te proberen. Hartstikke naïef natuurlijk; het enige theater dat ik tot dan toe van binnen had gezien, was tijdens een schoolreisje. Rechtstreeks uit de disco, met lange vlechten en te veel make-up, meldde ik me bij de workshop. ‘Ga jij eerst maar eens naar de toneelschool’, zei de regisseur. Toevallig werden er die week net audities gehouden voor de toneelschool in Arnhem. Wonder boven wonder werd ik aangenomen.”
Wat is jouw unieke acteertalent?
“Mijn expressiviteit. Ik ben heel krachtig, heel aanwezig. En ik ben niet bang om alles te geven. Een regisseur moet mij eerder afremmen dan opzwepen.”
Je was op de toneelschool de eerste zwarte vrouw. Later werd je de eerste zwarte vrouw met een vaste aanstelling bij een groot toneelgezelschap en de eerste die de prestigieuze Theo d’Or won, de prijs voor beste actrice. Zie je jezelf als rolmodel?
“Ik ben trots op wat ik heb bereikt en op de rollen die ik heb gespeeld. Maar dat staat voor mij los van mijn huidskleur. Tot ik die prijs won, was ik niet zo bezig met het ‘zwart zijn’. Ik heb bijvoorbeeld nooit gemerkt dat ik daarom eerder voor een rol werd gevraagd. Nu gaat het er ineens de hele tijd over. Ik snap het wel, maar ik vind het ook frusterend. Ik zou willen dat de focus op mijn werk lag, niet op mijzelf. Bovendien ben ik zoveel méér dan mijn kleur. Moeder van een autistisch kind bijvoorbeeld, en lesbisch.”
Heeft het winnen van die prijs je leven veranderd?
“De dag dat de winnaar bekend werd gemaakt, was ik — samen met De rijdende rechter en Heel Holland bakt   trending topic op Twitter. Bizar. Ineens kreeg ik drie interviewverzoeken per week. Daar moest ik erg aan wennen; bekendheid en glamour zeggen me niets. Dus toen De wereld draait door me vroeg of ik tafeldame van Matthijs van Nieuwkerk wilde worden, was mijn eerste reactie: echt niet. Totdat ik bedacht dat ik mijn nieuwe status zou kunnen gebruiken om onderwerpen bespreekbaar te maken, en zo de wereld te verbeteren.”
Wat bijvoorbeeld?
“Dat alles wat ‘afwijkt’ raar of eng is. Ik heb een autistische zoon, Charlie, met een verstandelijke beperking. Hij is vijftien en heeft nog nooit gepraat. Dat vinden mensen ongemakkelijk, of zelfs griezelig. Ik wil de wereld laten zien dat hij net zo goed een waardevol iemand is, die het verdient om erbij te horen.”
Wanneer merkte je dat Charlie anders was?
“Op zijn 2e kreeg hij de officiële diagnose. Maar intuïtief voelde ik het al veel eerder. Hij had als baby een soort pokerface. En zijn gedrag klopte soms niet. Dan lachte hij in plaats van te huilen als hij schrok.”
Als je een gehandicapt kind krijgt, staat je wereld op z’n kop. Hoe heb je je weg daarin gevonden?
“Het is een blijvende zoektocht. De eerste jaren hadden we geen idee wat er aan de hand was. Niemand die ons hielp. Charlie werd bij alle kinderdagverblijven weggestuurd. Hij was te moeilijk, te onhandelbaar. Ik voelde me zo onmachtig, zo wanhopig, zo eenzaam. In de steek gelaten ook. We hebben alles zelf moeten uitzoeken, alle zorg zelf moeten regelen. Het is eerder ondanks dan dankzij alle instanties dat dat is gelukt. Daar ben ik nog altijd boos over.”
Hoe reageert de omgeving op hem?
“Charlie maakt ‘rare’ geluiden. Hij beweegt ongecontroleerd en raakt mensen ongevraagd aan. Zelfs toen hij klein was, vonden mensen dat bedreigend. Ik kwam regelmatig met hem in een speeltuin. Op een gegeven moment sprak een andere moeder me aan. Ze vroeg op welke tijden ik kwam, zodat zij ons kon vermijden. Toen brak mijn hart.”
Wennen de vreemde blikken ooit?
“Niet echt. Ik heb jarenlang het gevoel gehad dat ik me moest verontschuldigen voor het feit dat mijn zoon verschilt van andere kinderen. Dat deed ik trouwens ook; ik zei constant sorry. Inmiddels ben ik daarmee gestopt. Als we op pad zijn, focus ik me nu volledig op Charlie in plaats van op de wereld om ons heen. Als hij blij is, ben ik dat ook.”
Hoe communiceer je met hem als hij niet kan praten?
“Gaandeweg heb ik zijn lichaamstaal goed leren ‘lezen’. En hij kent inmiddels zo’n driehonderd gebaren. Daarmee kan hij zich prima verstaanbaar maken. Samen hebben we veel lol. Wat dat betreft is er de afgelopen jaren veel veranderd. Vroeger viel hij me nog wel eens aan als hij in paniek raakte. Hij heeft me regelmatig blauwe plekken geslagen.”
Wat heftig!
“Dat was het ook. Gelukkig is dat gedrag zo goed als verleden tijd. Sowieso was dat maar één kant van het verhaal. Charlie is namelijk ook het beste wat me is overkomen. Hij is de wijste persoon die ik ken. Ik leer zoveel van hem.”
Wat bijvoorbeeld?
Omdat hij in zijn eigen wereld leeft, raakt hij zichzelf nooit kwijt. Hij is puur in alles wat hij doet. Als het ongemakkelijk wordt, past hij zich niet aan, maar stapt hij uit een situatie. Verder heeft hij me geleerd om te relativeren. Hij kan als geen ander van het moment genieten.”
Maak je je zorgen over zijn toekomst?
“Iedere dag. We zoeken nu naar een plek waar hij full time zorg kan krijgen. En waar hij kan meedoen, iets kan bijdragen. Bijvoorbeeld door in een keuken te werken, dat vindt hij leuk. Mijn grootste wens is dat hij een plek in de samenleving krijgt, in plaats van ernaast”
Hoe wil je dat voor elkaar krijgen?
“Door mijn ervaringen met de wereld te delen. ‘Ik wou dat hij normaal deed’, zei ik eens tegen een hulpverlener toen Charlie als kleuter naakt in de vensterbank danste. ‘Misschien is dit voor hem wel normaal’, antwoordde zij. Die opmerking heeft mijn ogen geopend. Er is niet één norm voor ‘gewoon’ of ‘anders’; het hangt er maar net vanaf hoe je naar de wereld kijkt. Mijn missie is om zoveel mogelijk mensen daarvan bewust te maken. Onder andere met mijn zelf geschreven toneelvoorstelling Who’s afraid of Charlie Stevens?. Die gaat over de eerste jaren met hem, toen ik echt niet meer wist hoe het verder moest.”
Die periode luidde het einde van je huwelijk met zijn vader in.
“De zorg voor Charlie heeft absoluut zijn weerslag op onze relatie gehad. Maar het was zeker niet de enige reden waarom we zijn gescheiden. Zoals dat vaker gaat, hebben we ons in verschillende richtingen ontwikkeld en zijn we uit elkaar gegroeid. Gelukkig hebben we de zorgtaken in goed overleg kunnen verdelen. De ene helft van de week is Charlie bij André, de andere helft bij mij. Dat werkt prima.”
Speelde het feit dat je nu lesbisch bent ook een rol?
“Niet direct. Toen ik op mijn 24ste een relatie met André kreeg, heb ik hem direct verteld dat ik biseksueel was. In de loop van de tijd zijn mijn gevoelens veranderd. Nu val ik alleen nog op vrouwen.”
Heb je op dit moment een relatie?
“Helaas niet. Ik ben nogal een wervelwind. Kennelijk kan ik mensen snel overweldigen. Dat maakt het er niet makkelijker op. Bovendien pas ik zelf ook in geen enkel hokje. Soms is dat best eenzaam. Ik mis iemand met wie ik mijn dagelijkse sores kan delen. Die af en toe een troostende arm om me heen slaat, of me aan het lachen maakt. Dus universum, als je dit hoort, kom maar op met die nieuwe liefde!”

[Kader]
CV
Na de toneelschool speelde Romana Vrede (Paramaribo 1972) bij verschillende gezelschappen. Sinds 2016 is ze in vaste dienst bij Het Nationale Theater. In 2017 won ze voor haar rol in de voorstelling Race de Theo d’Dor, de prijs voor beste actrice. Verder speelde ze in films en series als TBS, Moordvrouw en De eetclub. 10 november gaat haar nieuwe toneelvoorstelling Wij zijn hier voor Robbie in première. In 2019 komt haar zelf geschreven en geregisseerde stuk Who’s afraid of Charlie Stevens? opnieuw op de planken. 

[Kader]
Romana’s favorieten

  • Stad: “Rotterdam. Ik heb ook in Arnhem en Utrecht gewoond, maar uiteindelijk keer ik altijd terug naar de havenstad.” 
  • Vakantiebestemming: “Overal waar de zee is.”
  • Gerecht: “Spaghetti vongele, een pastagerecht met Italiaanse schelpdiertjes.”
  • Zomerherinnering: “Afgelopen zomer was ik met een vriendin in Frankrijk. Aan het zwembad schreven we allebei aan ons eigen boek. Heerlijk om dat samen in stilte te kunnen doen.” 
  • Herfstmoment: “Een nazomerdag in oktober, waarop je ineens weer zonder jas op een terras kunt zitten.”
  • Muziek: “Quiver a Little van de Britse zanger Benjamin Clementine.”
  • Boek: “De stad der blinden en De stad der zienden van de Portugese schrijver Jose Saramago.”
  • Zondagmiddagbesteding: “Naar het strand met mijn zoon Charlie.” 

 

 

 

INEENS ZELF PATIËNT

17 Okt

Petra jpg1.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 13 oktober 2018. (Foto: Alex de Haan)

Petra Westra (45) adviseert mensen die hun haar verliezen over de aanschaf van een haarwerk. Toen ze 4,5 jaar geleden de diagnose borstkanker kreeg en aan de chemo moest, werd ze zelf kaal. “Ineens zat ik als klant in de stoel.” 

  • Naam: Petra Westra
  • Geboren: 5 januari 1973 in Marknesse
  • Woonplaats: Heerenveen
  • Opleiding: kappersschool
  • Werk: eigenaar van Petra’s Kapsalon en salon Haarwerk Plus in Heerenveen 
  • Privé: getrouwd met Ronald (56); dochter Thjalda (19) en zoon Tristan (16)

“Ik zat in het zwembad op de tribune te kijken naar een waterpolowedstrijd van mijn kinderen. Gedachteloos haalde ik mijn hand door mijn nekhaar. Ineens had ik een hele pluk in mijn hand. Toen moest ik wel even slikken; het was nog geen week na mijn eerste chemo. Ik ga niet wachten tot ik allemaal kale plekken heb, dacht ik. Een paar dagen later is mijn haar afgeschoren. Gewoon thuis, in het bijzijn van mijn gezin. Eenmaal kaal voelde ik me vooral opgelucht. ‘Je lijkt Sinead O’Connor wel’, zei mijn man Ronald. Eerlijk gezegd viel het mij ook niet tegen. Ik heb best een mooi kaal hoofd.”
Kappersschool
“Het was niet zo dat ik als kind droomde van een baan als kapster. Sterker nog, geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. Als jongste van drie dochters was ik het stoere jongensmeisje. Vergat iemand in de familie de huissleutel, dan klom ik op het dak om via het raam in te breken. Ik had een broertje dood aan school. Buiten was alles mooier. Als ik nu kind was geweest, had ik waarschijnlijk de diagnose ADHD gekregen. Maar toen had niemand het daarover. Ik was gewoon ‘levendig’.
Het liefst was ik bij de marine gegaan — ik heb altijd een fascinatie voor water en de zee gehad. Maar dat zagen mijn ouders niet zitten. Om me op andere gedachten te brengen, nam mijn moeder me mee naar de open dagen van verschillende scholen. Tot mijn eigen verbazing, sprak de kappersopleiding me direct aan. Mensen denken dat je daar alleen leert knippen en kleuren. Maar we kregen er bijvoorbeeld ook les over de geschiedenis van haarverzorging door de eeuwen heen, en over hoe je mallen voor haarwerken — zo heet een pruik officieel — moet creëren. Hartstikke interessant.
Om een lang verhaal kort te maken: ik doorliep de kappersschool en startte niet lang daarna mijn eigen ambulante kapperszaak. Al snel had ik verschillende meiden op de weg. Intussen was ik getrouwd met Siep en had ik een dochter gekregen, Thjalda. Die nam ik zo nodig mee. Dan gaf een klant haar de fles terwijl ik knipte. Ik had een topleven, vond ik. En toen sloeg op mijn 26ste het noodlot toe.”
Zelfbeeld
“Tijdens een vakantie in Bulgarije kreeg mijn eerste man een hersenbloeding. Hij kon nog net naar Nederland worden vervoerd, voor hij in het ziekenhuis in Heerenveen overleed. Ineens was ik weduwe, met een nieuw, zelfgebouwd huis in Tjalleberd en een kind van elf maanden. Behalve mijn familie heeft mijn dochter me door die periode gesleept. Voor haar moest ik wel door.
Het moeilijkste vond ik dat de aandacht van de omgeving vooral naar Thjalda uitging. Mensen vonden het zo zielig dat zij geen vader meer had. Maar hoe het met mij ging, vroegen ze niet. ‘Jij bent nog jong, je vindt wel een ander’, hoorde ik dan. Dan begrijp je dus niets van liefde. Of van verdriet.
De jaren erna bouwde ik mijn leven voor de tweede keer op. Ik opende een kapperszaak in Heerenveen, hertrouwde en kreeg een zoon. Het liep allemaal op rolletjes, maar toch miste ik iets. Ik werkte al meer dan tien jaar als kapper en was toe aan iets nieuws. Dus toen een klant met een haarwerk me vroeg of ik een nieuw exemplaar voor haar wilde maken, greep ik mijn kans.
Na een gespecialiseerde opleiding tot haarwerker wist ik: naast de kapsalon ligt hier mijn toekomst. Het is altijd fantastisch om een klant blij te maken. Maar als dat lukt bij iemand die een haarwerk nodig heeft, is die voldoening extra groot. Meestal is de aanleiding daarvoor immers verdrietig; zo’n beetje de helft van mijn klanten heeft kanker en een derde alopecia, een ziekte waarbij je deels of helemaal kaal wordt. Haar is zo bepalend voor je zelfbeeld. En voor het beeld dat anderen van je hebben. Je zelfvertrouwen krijgt dan ook een flinke knauw als je je dat verliest. Geen groter compliment dan dat klanten hun oude zelf terugzien als ze een haarwerk op krijgen. Dan is mijn dag geslaagd.”
Oneerlijk
“De meeste dertigers zijn — gelukkig — niet zo met kanker bezig. Maar door mijn vele zieke klanten werd ik me zelf ook bewuster van mijn lichaam. Dus toen ik in februari 2013 tijdens het afdrogen een hard strengetje in mijn borst voelde, besloot ik toch maar naar de huisarts te gaan. Die gaf me meteen vier afspraken mee: voor een mammografie, een echo, een punctie en overleg met een chirurg. Op 5 maart, de verjaardag van mijn eerste man, kreeg ik de uitslag. ‘Het is niet goed’, viel de chirurg met de deur in huis. In de spreekkamer was ik vooral verdoofd. ’s Avonds klapte ik alsnog in elkaar. Wat heb ik toen gehuild. Het voelde zó oneerlijk. Alsof mijn rugzak nog niet vol genoeg drama en ellende zat. Wat had ik verkeerd gedaan om dit te verdienen? Ik wist me geen raad met de overweldigende machteloosheid. Bij Siep was ik toeschouwer, kon ik tenminste in actie komen en van alles regelen. Nu was ik zelf het lijdend voorwerp en was ik de controle helemaal kwijt.
Kanker is voor iedereen vreselijk. Maar het is extra wreed als je je daarnaast óók nog zorgen moet maken over je inkomen. Ik had geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ik dacht oprecht niet dat ik die zo jong nodig zou hebben. Gelukkig konden mijn zeven medewerksters de zaak draaiende houden. Daar ben ik ze nog altijd dankbaar voor, want mijn bedrijf was mijn houvast. Ik weet niet wat er was gebeurd als ik dat ook nog had verloren.”
Lang en bruin
“Ik werd borstsparend geopereerd en 25 keer bestraald. Daarna moest ik dus aan de chemo. Zes keer, eens in de drie weken. Als kapper en haarwerker met een mutsje — laat staan kaal — door het leven gaan, zag ik niet zitten. Dus zocht ik nog voor de eerste kuur zelf een haarwerk uit. Zat ik ineens als klant in de stoel in plaats van als adviseur. Heel onwerkelijk. Maar praktisch als ik ben, zag ik er ook de voordelen van in. Ik wist tenslotte precies waar ik op moest letten.
Het haarwerk dat het meest op mijn eigen kapsel leek — kort, blond, pittig — vond ik eigenlijk niets. Ik voelde me een soort slechte kopie van mezelf. Tegen beter in heb ik hem toch aangeschaft. Een paar weken later kreeg ik een haarwerk voor een klant binnen. Bruin, op schouderlengte. Stiekem zette ik hem op. ‘Prachtig!’, reageerde mijn man. Negen maanden lang heb ik hem dagelijks gedragen. Mijn ‘eigen’ kapsel bleef ongebruikt in de kast.
De grootste uitdaging ondervond ik bij waterpolo. Me met een kaal hoofd in de kleedkamer van het zwembad vertonen durfde ik niet, mede omdat ik mijn teamgenoten niet in verlegenheid wilde brengen. Ik douchte dus als enige met een cap op en verruilde die later, als ik even alleen was, snel voor mijn haarwerk. Een vriendin en teamlid zag ik hoe daarmee worstelde. ‘Wie stemt er vóór dat Petra haar cap gewoon afdoet?’, vroeg ze aan de groep. Iedereen dus. Het voelde als een overwinning om mijn kale hoofd voor het eerst aan hen te laten zien. Niemand keek raar op. Daarmee was het klaar.”
Relativeren
“De eerste chemo vond ik vreselijk. Toen ik hoorde dat de rode vloeistof zo snel mogelijk moest inlopen omdat die anders mijn aderen te erg zou beschadigden, wilde ik het liefst hard wegrennen. Toch is het me uiteindelijk best meegevallen. Ja, ik voelde me na elke kuur een paar dagen raar en lamlendig, maar dat trok ook redelijk snel weer bij. Om het risico dat de kanker terugkomt te verkleinen, krijg ik nog altijd anti-hormonale therapie. Als gevolg daarvan ben ik vergeetachtiger en vind ik het lastiger om me te concentreren. Maar dat kan natuurlijk ook met de leeftijd te maken hebben.
De boosheid — ‘waarom ik’ — is langzaam weggeëbd. Ik heb gewoon ontzettende pech gehad. Als je je daartegen verzet, heb je er vooral jezelf mee. Wel heb ik een tijdje met een maatschappelijk werker gepraat. Het idee dat Thjalda misschien beide ouders kwijt zou raken, kon me zo aanvliegen. Dat met een buitenstaander delen hielp; ik kan mijn angsten nu beter relativeren. Als ik dertig jaar eerder was geboren, was er misschien niet eens een behandeling voor me geweest.”
Dankbaar
“Tijdens alle behandelingen had ik geen puf om in de kapsalon te blijven werken. Maar het haarwerkadvies ben ik wel blijven doen. Voor mijn klanten én voor mezelf. Als je kanker hebt, word je geleefd. Je stapt in een achtbaan, zonder te weten waar of wanneer de volgende bocht komt. Dan is het zo belangrijk om iets van jezelf te hebben. Iets waar je wél controle over kunt houden. Voor mij was dat mijn werk. Bovendien kon — en kan — ik mijn ervaringen daarin tenminste nuttig gebruiken. Ik weet immers als geen ander hoe mijn klanten zich voelden. Mijn eigen ziekte heeft me beter in mijn werk gemaakt. Ik ben begripvoller, neem nog meer de tijd voor mensen en hun verhalen.
Natuurlijk is het soms confronterend, bijvoorbeeld als ik een klant met kanker heb die weet dat ze niet meer beter wordt. Maar dat heeft me er nooit van te houden om mensen te willen helpen. De voldoening weegt zwaarder dan de angst. Bovendien: als ik dit werk niet had gedaan, was ik me niet zo bewust geweest van de kankerrisico’s en had ik mijn eigen tumor misschien pas veel later ontdekt. Wat dat betreft ben ik alleen maar dankbaar.”
Toekomst
“Toch ligt de onzekerheid altijd op de loer. Die dook dit voorjaar in alle hevigheid op toen mijn oudere zus óók borstkanker bleek te hebben. We zouden toch niet erfelijk belast zijn, dacht ik. Weer moesten we wachten op een uitslag die niet alleen onze levens, maar ook die van onze kinderen, kon bepalen. Gelukkig bleken we geen drager van de erfelijke afwijking die de kans op borstkanker aanzienlijk vergroot. De opluchting was immens.
Ik denk heus nog wel eens: wat als het terugkomt? Dan stel ik mezelf gerust met de wetenschap dat ik ieder jaar wordt gecontroleerd. Ben ik er in ieder geval vroeg bij. Bang voor bestraling en chemo ben ik niet meer; ik weet nu dat ik die prima kan doorstaan. Het heeft een tijd geduurd, maar inmiddels geloof ik ook weer dat ik oud kan worden. En intussen geniet ik elke dag. Dus kom maar op met die toekomst.” 

[Kader]
Cijfers

  • In 2017 werd er bij 17.559 Nederlanders borstkanker vastgesteld (incl. in situ tumoren), 17.423 vrouwen en 136 mannen
  • Naar verwachting stijgt het aantal diagnoses de komende jaren stijgen tot ruim 20.000 in 2020
  • In Nederland zijn er meer dan 150.000 mensen die borstkanker hebben (gehad)
  • 1 op de 7 vrouwen krijgt borstkanker
  • 20 procent van de borstkankerpatiënten is jonger dan 50 jaar, 30 procent is ouder dan 70
  • Na vijf jaar is 88 procent van de vrouwelijke patiënten nog in leven, na tien jaar 79 procent
  • Jaarlijks overlijden ruim 3.000 mensen aan de gevolgen van borstkanker, oftewel zo’n negen per dag

Bron: Pink Ribbon

[Kader]

Borstkankermaand
Jaarlijks staat oktober in het teken van borstkanker. In deze maand roept onder andere Pink Ribbon Nederlanders op om geld te doneren voor borstkankeronderzoek. Daarnaast zijn er allerlei (inzamelings)activiteiten. Meer informatie: pinkribbon.nl. 

 

PSYCHIATER WIM VELING: “PSYCHOSEPATIËNTEN ZIJN NET ALS JIJ OF IK”

2 Okt

veling jpg

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant, 29 september 2018 (Foto: Siese Veenstra)

Mensen met waanideeën of stemmen in hun hoofd: we vinden ze knap eng. Begrijpelijk, maar niet nodig, aldus psychiater Wim Veling, hoofd behandelzaken van de afdeling Psychosen van het UMCG. Ze zijn namelijk zelden gevaarlijk. “Het grootste deel van de psychosepatiënten is net als jij of ik.”

  • Naam: Wim Veling
  • Geboren: 10 augustus 1974 in Zwolle
  • Woonplaats: Zwolle
  • Werk: psychiater en hoogleraar, hoofd behandelzaken de afdeling Psychosen van het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG. Hij was negen jaar voorzitter van het landelijke Netwerk Vroege Psychosen en leidde de werkgroep die de landelijke richtlijn voor  behandeling van psychosen opstelde.
  • Privé: getrouwd
  • Bijzonder: introduceerde virtual reality als behandelvorm voor psychose in Nederland.

De werkplek van psychiater Wim Veling lijkt op het eerste gezicht op die van ieder ander. De computer, de stapels papieren, de vakliteratuur en de planten zouden van willekeurig welke arts kunnen zijn. Maar als je beter kijkt, ontdek je iets bijzonders op zijn bureau: een plastic plaatje, met daarop een zwart met rode knop. Het is een zogenaamde panic button, oftewel een alarmknop. Als Veling die indrukt, schieten verschillende collega’s uit het Groningse Universitair Centrum Psychiatrie hem direct te hulp. “Ik twijfelde of ik hem zou laten zien”, bekent Veling, terwijl hij het plaatje op zijn hand weegt. “Voor je het weet denken lezers dat mensen met een psychose per definitie gevaarlijk zijn. In de praktijk is dat echter zelden het geval. In de vier jaar dat ik in het UMCG werk, heb ik de knop nog nooit hoeven gebruiken.”
Een paar feiten op een rij. Elk jaar krijgen circa 3.000 Nederlanders tussen de 15 en de 45 jaar voor het eerst een psychose. Oftewel: zo’n 27 per dag. Bijna één op de honderd Nederlanders lijdt aan schizofrenie, een aandoening waarbij je langere tijd last hebt van psychosen en andere (rest)klachten, zoals concentratie- en motivatieproblemen. Zo zeldzaam is de ziekte dus niet. Toch is het stigma dat erop rust enorm. Mensen met een psychose zouden verwarde gekken zijn, waarbij je vooral uit de buurt moet blijven. Een misplaatst beeld, dat volgens Veling wordt versterkt door de media. “Alleen de uitwassen halen het nieuws”, betuigt hij. “Daar wil ik zeker niet lichtvoetig over doen. Het is vreselijk als een iemand met waanideeën overlast veroorzaakt of zichzelf of een ander kwaad aandoet. Maar de psychosepatiënten die je niet ziet en hoort — de overgrote meerderheid — lijden óók onder dat beeld. Dat zijn gewone mensen met gewone levens, zoals jij en ik.” 

Even een stapje terug: wat is een psychose precies?
“Een mix van verschillende symptomen. De één is bijvoorbeeld extreem achterdochtig, de ander hoort — vijandige — stemmen in zijn hoofd of ziet dingen die er niet zijn. Maar er komt meer bij kijken. Mensen met psychotische klachten kunnen zich slecht concentreren. Ze hebben vaak moeite met organiseren en leren, en kunnen het nauwelijks opbrengen om de gewone dagelijkse dingen te doen.” 

Het gaat altijd over wanen en hallucinaties. Wat is het verschil?
“Tijdens een hallucinatie hoor, zie, voel, proef of ruik je dingen die er in werkelijkheid niet zijn. Denk aan de bekende stemmen in iemands hoofd. Bij wanen komen je gedachten niet overeen met de werkelijkheid. Mensen met wanen geloven bijvoorbeeld dat ze een belangrijke historische figuur zijn. Of dat de geheime dienst ze achtervolgt. Zowel bij hallucinaties als bij wanen is de ervaring voor de patiënt levensecht. Overigens hebben de meeste mensen wel eens een psychotische ervaring.” 

Pardon?
“Je hebt vast wel eens het idee gehad dat iedereen je raar aankeek, of achter je rug om grapjes over je maakte, terwijl dat vermoedelijk helemaal niet zo was. Of misschien heb je een overleden familielid in huis gezien of gevoeld. Om nog maar niet te spreken over de ‘trips’ die drugs veroorzaken. Allemaal psychotische verschijnselen. Het verschil is alleen dat jij wéét dat de ervaring niet echt is. Psychosepatiënten kunnen dat onderscheid niet meer maken.” 

Hoe kan het dat het brein van een psychosepatiënt hem zo voor de gek houdt?
“Het heeft te maken met hoe de miljarden zenuwcellen in de hersenen met elkaar communiceren. Dat gebeurt met behulp van neurotransmitters: stofjes die zorgen voor de elektrische overdracht tussen cellen. Eén daarvan is dopamine. Dat stofje speelt een belangrijke rol bij het selecteren en beoordelen van alle informatie die gedurende de dag binnenkomt. Zowel van buitenaf — via je zintuigen — als van binnenuit — via je gedachten. Mensen met een psychose hebben in een bepaald deel van hun brein te veel dopamine-activiteit. Daardoor komen alle signalen keihard binnen. De hersenen zijn dan niet meer in staat ze adequaat te verwerken. Met als mogelijk gevolg dat je brein een loopje met je neemt.” 

Gaat dat ook weer over?
“Bij 20 procent van de patiënten blijft het bij één psychose. De rest krijgt gedurende hun leven met meerdere episodes te maken. De hallucinaties en de wanen zijn met medicijnen meestal goed te bestrijden. Om het risico op terugkeer zo klein mogelijk te maken, is het belangrijk dat patiënten leren wat een psychose in hun specifieke geval kan uitlokken. Stress, depressie of een slaaptekort bijvoorbeeld.”
In de tien jaar dat hij als psychiater werkt, heeft Wim Veling meer dan duizend psychosepatiënten gezien. Maar hij wordt nog elke dag verrast. “Iedere psychose is anders en uniek”, zegt hij. “Dat maakt dit werk zo boeiend. Soms is het ook spannend. Onlangs ben ik nog samen met twee agenten via een ladder een huis ingeklommen om een patiënte te kunnen helpen die zichzelf had ingesloten.” 

En ja, hij heeft ook wel eens een klap gehad van een patiënte die ervan overtuigd was dat Veling haar moeder had mishandeld. Maar bang is hij zelden. “Natuurlijk heb ik soms gezonde angst. Die heb je ook nodig om te voorkomen dat een gespannen situatie uit de hand loopt. Maar dat is maar een klein onderdeel van mijn werk. Veel belangrijker vind ik het feit dat de — vaak jonge — patiënten die ik zie enorm onder hun klachten lijden. Het is al moeilijk genoeg als je tijdelijk zo in de war bent. Maar daar bovenop verliezen mensen vaak alles wat ze dierbaar is: relaties, studie, werk. Bovendien vinden buitenstaanders vinden mensen met een psychose al snel eng. Dat maakt het extra lastig om als (ex-)patiënt je weg terug te vinden en weer volwaardig mee te doen in de maatschappij. Ik zie het als mijn missie om ze daar zo goed mogelijk bij te helpen.”

Mensenvak
Lang leek het erop dat Veling een ander carrièrepad zou inslaan. Als kind wilde hij namelijk het liefst journalist worden. Met dat vak kon hij zijn onuitputtelijke nieuwsgierigheid naar mensen en hun verhalen het best bevredigen, dacht hij. Bovendien schreef hij graag. Niet alleen verhalen en ‘artikelen’, maar ook toneelstukken voor school. Dat hij uiteindelijk toch voor geneeskunde koos, was het gevolg van zijn sociale verlegenheid. “Ik vond het ongemakkelijk om zomaar op iemand af te stappen. Niet handig voor een journalist.” Een kennis van zijn ouders, een huisarts, overtuigde hem ervan om voor de psychiatrie te gaan. Immers ook een mensenvak.
Vanuit zijn ouderlijk huis in Hattem toog Veling naar de universiteit in Leiden. Dat was nogal een overgang. “Ik kom uit een traditioneel gereformeerd gezin. Elke zondag gingen we naar de kerk, en ik zat op een Christelijke school en Christelijke clubs. Mijn hele jeugd had ik in een veilige, verzuilde bubbel doorgebracht. In Leiden werd ik daar hardhandig uitgemikt. Geneeskunde studeren en geloven? Dat vonden veel medestudenten ‘achterlijk’.”

Wetenschap en geloof staan toch ook op gespannen voet met elkaar?
“Niet per se. Het geloof was de onwrikbare basis onder ons gezin. Tegelijkertijd hebben onze ouders mijn drie zussen en mij met een brede, tolerante blik opgevoed. Mijn vader had wiskunde en filosofie gestudeerd, maar hij was óók de eerste fractievoorzitter van de Christenunie in de Tweede Kamer. Compassie, mededogen en dankbaarheid; dat zijn de kernwaarden die ik heb meegekregen.” 

Is uw geloof nooit aan het wankelen gebracht?
“Tijdens mijn studie heb ik echt wel eens gedacht hoe onwaarschijnlijk de Bijbel was. Maar uiteindelijk keerde ik er toch altijd naar terug. Het geloof is voor mij een houvast, iets wat vertrouwen en richting geeft. Nog altijd ga ik wekelijks naar de kerk. Wel sta ik tegenwoordig meer dan vroeger open voor andere overtuigingen. Uiteindelijk proberen we er allemaal het beste van te maken. Dan kun je maar beter van elkaar leren, in plaats van elkaar de maat te nemen.” 

In Leiden leerde Veling zijn latere vrouw Martine kennen. De biologiestudente had er altijd van gedroomd om een tijd in Afrika te werken. Dat leek Veling wel wat. “Ik wilde graag de wereld verbeteren. Dat kon ook prima als tropenarts, dacht ik.” Dus toog het stel samen naar Kalabo, een piepklein plaatsje in Zambia. Om er te komen moesten ze vanuit de hoofdstad Lusaka eerst zes uur met de bus, en daarna nog twaalf uur varen in een kano. “Middenin de nacht kwamen we op onze bestemming aan. In het pikkedonker, want elektriciteit was er nauwelijks. Met handen en voeten vonden we onze weg naar het ziekenhuisje — Engels spraken de mensen niet. Daar bleek niemand van onze komst te weten. De Nederlandse tropenarts bij wie ik zou gaan werken was onverwachts weggeroepen.”
Het was het een passende introductie in een totaal andere wereld. Zes maanden lang runde Veling mede de mannen- en vrouwenzaal en de polikliniek van het ziekenhuis. Zinvol en leerzaam werk, maar door de gebrekkige voorzieningen en de bureaucratie ook frustrerend. “Ik heb er mijn idealisme niet verloren, maar ik heb het wel moeten bijstellen. Hoeveel respect ik ook voor tropenartsen heb, het verschil dat je lokaal kunt maken is beperkt. Uiteindelijk was het voor mij reden om alsnog voor de psychiatrie te kiezen. Ik had het gevoel dat ik daarin meer kon betekenen Het vak paste toch beter bij me. Maar Afrika draag ik voor altijd in mijn hart. De vrolijkheid en levenskunst die ik daar heb gezien, inspireren me nog iedere dag.” 

Wat uit Afrika neemt u in uw dagelijkse werk mee?
“Ik deed en doe er onderzoek naar hoe de mensen daar met psychosen omgaan. Om de patiëntenzorg verbeteren, maar ook om er zelf van te leren. Mensen met psychosen komen in Afrika meestal bij traditionele genezers terecht. Voor een onderzoek in de regio KwaZulu-Natal, in Zuid-Afrika, hebben we een groot aantal genezers geïnterviewd en ook met ze samengewerkt. Zo kwamen we erachter dat zij vaak zelf psychotisch waren. Tenminste, zo zouden we het hier noemen. Hun ervaringen maakten ze bij uitstek ‘geschikt’ om bijvoorbeeld met voorouders te communiceren. Dat was voor mij een eye opener. In het westen labelen we psychosen als vanzelfsprekend als iets negatiefs. Maar het hangt er dus maar net vanaf wat voor etiket je erop plakt. Misschien maken wij westerlingen de klachten juist erger door te stellen dat psychosepatiënten ziek zijn. Door dingen soms anders te benoemen, kunnen we mensen wellicht beter helpen.”  

Is het niet lastig om een traditionele healer die kippenbloed over een patiënt sprenkelt serieus te nemen?
“Niet als je in staat bent om je oordeel uit te stellen. Voor mij is dat geen opgave, want als psychiater doe ik dat iedere dag. Alleen zo kan ik mijn patiënten open en gelijkwaardig tegemoet treden.” 

Virtual reality
Opvoeding, familie, vrienden, studie, werk, collega’s, maar ook waar iemand woont, uit wat voor milieu en cultuur hij komt en eventuele trauma’s: al die aspecten spelen een rol bij het ontstaan, het verloop en herstel van psychosen. De sociale context, noemt Veling dat. De studie daarnaar is de rode draad in zijn werk van het afgelopen decennium. Zo deed hij in Den Haag promotieonderzoek naar de vraag waarom mensen met een migratieachtergrond een grotere kans lopen om een psychose te krijgen. “Simpel gezegd bleek het samen te hangen met sociale stress. Hoe meer migranten zich buitengesloten voelden en hoe minder sociale steun ze ervoeren, hoe groter het risico op psychosen.”
Al zijn ervaringen hebben hem gesterkt in de overtuiging dat er bij psychosen niet alleen aandacht moet zijn voor de klachten, maar ook voor de dagelijkse leefomgeving van een patiënt. “Op de lange duur heeft een behandeling alleen kans van slagen als je alle aspecten daaruit meeneemt.”
Eén manier waarop Veling dat doet, is met het gebruik van virtual reality. Dat is volgens hem een fantastische manier om de ingewikkelde sociale omstandigheden waar patiënten mee te maken krijgen in de behandelkamer te halen. “Ik ben ervan overtuigd dat VR de komende jaren een enorme vlucht gaat nemen in de psychiatrie.”

Hoe werkt dat?
“Mensen met psychosen ondervinden vaak problemen in het dagelijkse leven. Bijvoorbeeld als ze boodschappen doen of in de trein zitten. Het lastige is dat je daar als behandelaar niet bij bent. Met behulp van virtual reality kan dat wel. Met een VR-bril op begeeft een patiënt zich in een virtuele, maar tegelijkertijd levensechte wereld. De behandelaar kan die omgeving aanpassen en zo bepaalde reacties uitlokken. Dat geeft patiënten dan weer de mogelijkheid om — met deskundige hulp — te leren hoe ze anders met zo’n situatie kunnen omgaan. Met als ultiem doel: minder klachten en beter sociaal functioneren.” 

Heeft dat in de praktijk al wat opgeleverd?
“Jazeker! We hebben onder andere een VR-therapie tegen paranoïde wanen ontwikkeld, die bewezen werkt. Nu onderzoeken we of we deze aanpak ook voor andere klachten en doelgroepen kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van een VR-agressietraining voor TBS-ers.”
Ongemerkt heeft Veling drie uur over zijn werk verteld. En hij is nog lang niet uitgepraat. “Ik heb het mooiste vak ter wereld. Alles draait om goed luisteren en oprecht contact. Mensen met psychosen zijn vaak heel argwanend. Die moet je echt verleiden om hulp te accepteren. Dat vraagt om creativiteit, inventiviteit en maatwerk. Patiënten dagen me uit om het beste uit mezelf te halen en ze daarmee zo goed mogelijk te helpen. Uiteindelijk gaat het immers niet om wat ik wil bereiken, maar om wat zij nodig hebben.” Gevraagd naar wat hij over vijf jaar als hoogleraar hoopt te hebben bereikt, hoeft hij niet lang na te denken. “Dat we met z’n allen wat meer begrip hebben voor mensen met psychosen. Dat we ze serieus nemen en steunen, in plaats van ze te veroordelen en te ontwijken. De maatschappij is er de laatste jaren niet toleranter op geworden. Je moet presteren, succesvol zijn, anders tel je niet mee. Iemand die afwijkt, valt al gauw buiten de boot. Maar het leven is niet altijd maakbaar. Als we daar wat beter van doordrongen raken, worden we er uiteindelijk allemaal beter van.” 

[Kader]
Meer weten?

  • De website psychosenet.nl biedt duidelijke achtergrondinformatie en blogs. Ook kunnen bezoekers via een eSpreekuur anoniem vragen stellen aan experts.
  • Het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG heeft een aparte site over de toepassing van virtual reality bij de behandeling van psychische klachten: vrmentalhealth.nl. 

DOSSIER KUNST KIJKEN

20 Sep

Verschenen in Margriet 36, september 2018. Illustratie: Mireille Schaap.

Je gaat het pas zien als je het doorhebt, zei Johan Cruijff. En gelijk had hij. Een dossier vol tips over hoe je méér uit een museumbezoek kunt halen. (En en passant nog gelukkiger en relaxter wordt ook.)

GOED KIJKEN BEGINT MET NEGEREN
Kunsthistorica en journaliste Wieteke van Zeil schrijft wekelijks in De Volkskrant over veelzeggende details in schilderijen. Onlangs verscheen haar boek Goed kijken begint met negeren — De kunst van opmerkzaamheid.
Waarom begint goed kijken met negeren?
“Het gaat om verder kijken dan wat je in eerste instantie ziet — of denkt te zien. Op ieder moment registreert je oog honderden dingen. Maar je brein slaat alleen die zaken op, waar je op dat moment wat aan hebt. Heel efficiënt in het dagelijkse leven, maar onhandig als je naar kunst kijkt. Dan mis je namelijk een boel.”
Veel musea hangen vol. Waar moet je beginnen?
“Veel mensen hebben het gevoel dat ze iets missen als ze niet alles bekijken. Maar aan zo door een museum rennen, heb je niet veel. Selecteer liever een beperkt aantal zalen en focus per zaal  op één schilderij. Neem daar echt de tijd voor. Wat voel je erbij? Welke associaties roept het op? Zo zie je meer, en onthoud je het beter. Belangrijk: éérst op je gemak kijken, en daarna pas het bordje lezen of de audiotour luisteren. Anders wordt je beeld vooraf al gekleurd.”
Nog meer tips?
“Neem je eigen interesse als uitgangspunt. Houd je van dieren? Of van mode? Ga daar dan naar op zoek. En weg met die smartphone. Het gaat om wat een kunstwerk met je doet. Hoe begrijpelijk ook dat je iets moois wilt vastleggen of op sociale media wilt delen, een camera of telefoon staat die ervaring in de weg. Je bent dan meer bezig met het juiste beeld, of wat anderen ervan zullen vinden. Dan kun je net zo goed een plaatje van internet halen. Uit, af, in de garderobe dus, die apparaten.”

——————————————————————————————————————————

10 VRAGEN OM JEZELF IN EEN MUSEUM TE STELLEN

  1. Waar doet dit schilderij me aan denken? 
  2. Wat valt op in de linkerhoek beneden? En in de achtergrond rechts? 
  3. Wat voor vormen kan ik erin ontdekken? Cirkels? Rechthoeken? Driehoeken? 
  4. Waarom zouden bepaalde spullen bij elkaar staan? 
  5. Hoe zou ik er in die kleren uitzien? 
  6. Hoe zou het voelen als ik in dit schilderij zou stappen? 
  7. Hoe zag de wereld eruit toen de schilder dit maakte?
  8. Welke titel zou ik zelf aan het schilderij geven? 
  9. Past de lijst eigenlijk wel bij het schilderij? 
  10. Welk schilderij uit deze zaal zou ik mee naar huis willen nemen? 

——————————————————————————————————————————

WHIZZKIDS VAN DE KUNST
Beeldende kunst alleen iets voor grijze 60-plussers? Integendeel! Neem Christian Luiten (24) en Curtis Penning (22). In korte tijd is het online kunstplatform van deze jongens (die elkaar kennen van hun voetbalclub in Almere) uitgegroeid tot een van de invloedrijkste ter wereld. Hun doel: jongeren enthousiasmeren voor de kunst. Dat lukt aardig, want inmiddels heeft hun platform Avant Arte al meer dan een miljoen volgers op de sociale mediasite Instagram.
Luiten en Penning organiseren wereldwijd exposities en verkopen via hun site voor een paar honderd euro exclusieve reproducties van hedendaagse kunstwerken (waarvan de originelen soms wel honderdduizenden euro’s kosten). Nieuwsgierig geworden? Neem een kijkje op avantarte.com. 

——————————————————————————————————————————

DIT DOET KUNST MET JE BREIN
Laat mensen naar schilderijen kijken die ze mooi vinden, en hun hersenen gedragen zich hetzelfde als wanneer ze verliefd zijn. Dat ontdekte neuroloog Semir Zeki, professor aan University College Londen. In een uniek experiment liet hij mensen naar 28 beroemde werken van onder andere Monet en Botticelli kijken, terwijl hij intussen scans van hun hersenen maakte.
Wat bleek? Het gebied in de hersenen dat je een goed gevoel geeft — onder andere in verband gebracht met liefde en verlangen — werd bij het zien van mooie schilderijen extra actief. Het effect was direct meetbaar. (De deelnemers aan het onderzoek kregen de schilderijen per stuk slechts tien seconden onder ogen).Of het om een portret, een landschap of een stilleven ging, maakte niet uit; het resultaat was hetzelfde. Zeki vond geen verschil tussen mannen en vrouwen, of mensen met een verschillende cultuur en achtergrond. Oftewel: de impact van kunst lijkt universeel.
Ook interessant: muziek en beeldende kunst lokten een vergelijkbare reactie uit. Beide deden ze het beloningscentrum in het brein oplichten. Hoe mooier iemand het schilderij (of de muziek) vond, hoe groter de hersenactiviteit en hoe blijer het gevoel. Was het oordeel van de proefpersoon echter ‘lelijk’, dan werd juist een ander deel van het brein actief, hetzelfde gebied dat oplicht als je bijvoorbeeld bang of boos bent.
Overigens zijn de positieve effecten van kunst nóg groter als je zelf creatief bezig bent, vermoedelijk omdat je dan (extra veel) nieuwe verbindingen in je brein aanmaakt. Op de lange duur zorgen die mogelijk voor onder andere een beter geheugen, meer zelfinzicht en een grotere veerkracht.  

——————————————————————————————————————————

KIND EN KUNST
“Het is nooit te vroeg om je (klein)kind mee te nemen naar het museum.” Birte ten Hoopen, senior educator van het Rijksmuseum, laat er geen misverstand over bestaan. “Neem de kleuren en vormen van moderne kunst”, vervolgt ze. “Die vinden baby’s vaak aantrekkelijk. Zodra je kinderen een verhaal over een schilderij kunt vertellen, loont het om ze ook andere musea te laten zien.”
Verhalen vertellen: daar draait het om bij veel van de activiteiten die het Rijksmuseum voor families en kinderen van 4 tot 14 organiseert. Want een kunstwerk komt vaak pas echt tot leven als je de geheime geschiedenis erachter kent. “We organiseren bijvoorbeeld familierondleidingen”, vertelt ze. “Daarbij geven we niet alleen uitleg, maar laten we kinderen vooral ook veel zelf doen. Een kanon laden bijvoorbeeld, een beeld met klei namaken of snoepjes van vroeger proeven. Zo kunnen ze de kunst met al hun zintuigen ervaren.”
Kinderen enthousiast maken over kunst begint volgens haar bij het plezier van (groot)ouders zelf. Haar advies: kies een museum waar jij blij van wordt. “Het moet vooral geen verplichting zijn. Laat je eenmaal binnen leiden door het kind: wat vindt dat aantrekkelijk? Niet te veel sturen; ze komen van zelf met vragen.” Nog een tip: blijf niet te lang. Driekwartier tot een uur is volgens Ten Hoopen  al heel wat. “Je kunt altijd later nog eens terugkomen — de toegang van het Rijksmuseum is voor kinderen gratis.”
En geen zorgen als je denkt: ik weet niets over de schilderijen te vertellen. Bijna alle musea hebben tegenwoordig fantastisch educatiemateriaal, van speurtochten tot digitale spellen. “Vraag daar vooral om”, besluit ze. “Dat maakt een bezoek zo veel leuker!” 

—————————————————————————————————————————

BETERE DOKTERS?
Dokters in spé die samen naar een schilderij staren? Het klinkt niet voor de hand liggend, maar dat is precies wat geneeskundestudenten van de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de Nijmeegse Radboud Universiteit sinds een paar jaar doen. Zonder dat het ze studiepunten oplevert gaan ze, onder leiding van een kunstenaar, vrijwillige zeven zaterdagen op pad naar een museum. De reden: uit verschillende onderzoeken blijkt dat naar kunst leren kijken artsen kan helpen om betere diagnoses te stellen. Ze kunnen bijvoorbeeld sneller patronen herkennen, en ontdekken hoe belangrijk het is om verder te kijken dan wat je op het eerste oog ziet. Niet voor niets doen Amerikaanse topuniversiteiten dit al jaren. De kunstenaars die de geneeskundestudenten begeleiden, leggen ook de link met gesprekken met patiënten. Die duren vaak maar tien minuten. Dan missen artsen nog wel eens een detail. Door met aandacht naar kunst te kijken, leren ze hun geest open te zetten en andere observaties de ruimte te geven. Zodat ze uiteindelijk betere dokters worden.  

——————————————————————————————————————————

DUUR, DUURDER, DUURST
Liefhebbers (en investeerders) betalen astronomische bedragen voor het schilderij van hun dromen. Een paar hele dure jongens (want ja, het zijn allemaal mannelijke schilders): 

  1. Salvator Mundi van Leonardo Da Vinci 
    Het schilderij ‘Salvator Mundi’ (letterlijke betekenis: verlosser van de wereld) van Leonardo Da Vinci (1452 – 1519) is in 2017 bij veilinghuis Christie’s geveild voor 450 miljoen dollar. Voor zover zover bekend was het het laatste schilderij van de Italiaanse meester dat nog in particuliere handen was.
  2. Interchange van Willem de Kooning (1904 – 1997)
    De van oorsprong Nederlandse expressionistische schilder Willem de Kooning maakte het schilderij ‘Interchange’ (afmeting: 2 bij 1,75 meter) in 1955. In 2015 werd het verkocht voor 303 miljoen dollar. 
  3. Nafea Faa Ipoipo van Paul Gauguin
    Gaugain (1848 – 1903) schilderde ‘Nafea Faa Ipoipo’ (‘Wanneer ga je trouwen’) in 1892. Hij had toen vast nooit kunnen denken dat de staat Qatar het 123 jaar later voor 303 miljoen dollar zou aanschaffen. 

——————————————————————————————————————————

KUNST ALS THERAPIE
‘Ik herinner me meer als ik schilder’, luidt de titel van een recente Amerikaanse documentaire. In de film is te zien hoe tekenen en schilderen het geheugen van Alzheimer-patiënten kan stimuleren. Niet alleen mensen met dementie hebben trouwens baat bij creatieve bezigheden. Uit verschillende studies blijkt dat naar kunst kijken en het zelf maken ook de kans op depressie en angststoornissen verkleint. Verder toonde onderzoek van de Britse University of Westminster aan dat werknemers die in hun lunchpauze een museum of galerie bezochten naderhand minder gestrest waren. Dat vonden ze niet alleen zelf, ze hadden daadwerkelijk minder stresshormonen in hun bloed. Kortom: kunst maakt gezond.
De documentaire ‘I remember better when I paint’ (Engelstalig, niet ondertiteld) is terug te zien op youtube. 

——————————————————————————————————————————

10 BEST BEZOCHTE MUSEA VOOR BEELDENDE KUNST IN 2017

  1. Van Gogh (2.255.010 bezoekers)
  2. Rijksmuseum (2.160.000 bezoekers)
  3. Stedelijk Museum (680.000 bezoekers)
  4. Gemeentemuseum (545.000 bezoekers)
  5. Hermitage (503.000 bezoekers)
  6. Mauritshuis (417.227 bezoekers)
  7. Kroller Muller (352.581 bezoekers)
  8. Museum Boijmans van Beuningen (315.000 bezoekers)
  9. Museum de Fundatie (285.000 bezoekers)
  10. Rembrandthuis (265.000 bezoekers)
  • 34.357.000: zoveel bezoeken zijn er in 2016 in totaal aan Nederlandse musea gebracht. 
  • In 2016 waren er 694 musea in Nederland, waarvan 87 voor beeldende kunst.
  • 1 op de 10 Nederlandse musea had in 2016 meer dan 100.000 bezoekers. 17 procent had minder dan 2.500 bezoekers.
  • De museumdichtheid — het aantal musea per 100.00 inwoners — is het grootst in Zeeland (4,2), gevolgd door Friesland (4,0).
  • De gemiddelde prijs van een museumkaartje voor volwassenen was in 2016 € 11,89.
  • Museumbezoekers kijken gemiddeld 9  seconden naar een schilderij.
  • 1,3 miljoen mensen hebben een Museumjaarkaart. Dat is 26 keer een volle Johan Cruijff Arena.
  • 1 op de 3 bezoekers van Nederlandse musea komt uit het buitenland.
  • Tussen 2011 en 2016 steeg het aantal buitenlandse bezoekers aan Nederlandse musea met 71 procent.
  • Met onder andere 81 musea en 54 kunstgalerieën is Amsterdam de meest culturele stad ter wereld, aldus de makers van de ranking The World’s Most Cultural Cities. Ook Dublin, Praag, Miami en Parijs scoren hoog. 

Bronnen: CBS, Museumvereniging, Parool——————————————————————————————————————————

[Bijschriften bij de schilderijen]

Stilleven met bloemen (Hans Bollongier, 1639)
Wieteke van Zeil: “Op het eerste gezicht denk je misschien: tja, een saai bloemstuk. Maar waar bloemen zijn, zijn meestal beestjes. Ook hier. Ik zie in ieder geval een salamander, een rups en een slak. Wat zou de schilder daarmee willen zeggen? Waarom ligt er eigenlijk een houten pennetje op tafel? En wat voor reflecties zie je in de vaas? Laat je fantasie de vrije loop! Als je op zo’n manier naar een schilderij kijkt, vergeet je het nooit meer.”

Meisje in witte kimono (George Hendrik Breitner, 1894)
Wieteke van Zeil: “Wat een prachtig schilderij van een jong meisje. De combinatie van patronen op haar kleding, de muur en de vloer maakt het haast abstract. Maar vond ze het wel zo leuk om urenlang model te zitten voor de schilder? Als ik de uitdrukking op haar gezicht bekijk, weet ik dat zo net nog niet. Ik kan me heel goed in haar verplaatsen. Als ik dat meisje was, had ik liever rechtop gezeten, krachtig en sterk, in plaats van in zo’n kwetsbare houding.”

Het melkmeisje (Johannes Vermeer, circa 1660)
Wieteke van Zeil: “Het is een van de bekendste — en duurste — schilderijen ter wereld, terwijl het zo’n gewoon tafereeltje is. Toch is alles aan dit schilderij bijzonder. Kijk maar eens naar hoe de melk uit de kan stroomt, naar de stiksels op haar kleding, naar het gebroken raampje waardoor er extra licht op haar gezicht valt. Mijn favoriete onderdeel? De muur. Je hebt geen idee hoe moeilijk het is om een witte muur realistisch te schilderen. Vermeer kon dat, met alle beschadigingen en spijkergaatjes, als geen ander. Zulke details maken een schilderij overtuigend.”

VERDER NA KANKER

18 Sep

JPG

Gepubliceerd in Radar+, augustus 2018.

Het aantal patiënten dat van kanker geneest stijgt ieder jaar. Goed nieuws, maar het betekent óók dat steeds meer mensen te maken krijgen met late gevolgen van de ziekte en de behandelingen. Denk aan vermoeidheid, concentratieproblemen en psychische klachten. Vijf deskundigen geven advies.

Internist-oncoloog Jourik Gietema, hoogleraar medische oncologie in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), is gespecialiseerd in de late effecten van kanker(behandelingen).
“Een operatie, radiotherapie, chemotherapie, immunotherapie of hormoontherapie: bij al die behandelingen tegen kanker worden niet alleen ziekmakende, maar óók gezonde cellen beschadigd. Daardoor kunnen (ex-)kankerpatiënten te maken krijgen met nieuwe problemen of klachten. Niet alleen tijdens de behandelingen, ook daarna. We spreken dan van late gevolgen, of late effecten. Naar schatting heeft tweederde van de voormalige of chronische kankerpatiënten daar last van. Vermoeidheid is een bekende en veelvoorkomende klacht, maar er zijn er veel meer. Overgewicht bijvoorbeeld, geheugen- en concentratiestoornissen, zenuwprikkelingen, hart- en vaatziekten, seksuele en vruchtbaarheidsproblemen, angst en depressie of zelfs een nieuwe tumor.
Des te belangrijker is het dus dat ex-kankerpatiënten goede nazorg krijgen. Daar hebben we duidelijke afspraken over gemaakt. Zo is het gebruikelijk dat de hoofdbehandelaar en de patiënt na afloop van de behandelingen samen een survivorcancerplan opstellen. Wat was de precieze diagnose? Welke behandelingen heeft iemand gehad? Hoe ziet het controletraject eruit? Daarnaast staat erin op welke mogelijke klachten de patiënt zelf alert moet zijn, en bij wie hij of zij zonodig aan de bel kan trekken. Oók nadat de controles zijn afgelopen. Want sommige problemen ontstaan pas jaren later. Verder is het belangrijk dat het oncologische behandelteam duidelijke afspraken maakt met de huisarts over de nazorg. Zo weten alle betrokken precies wat er wanneer van ze wordt verwacht.
Overigens vinden veel ex-kankerpatiënten het lastig om om hulp te vragen. Ze willen weer verder met hun leven, en niet steeds worden geconfronteerd met die nare tijd. Of ze zijn bang dat de kanker terug is. Heel begrijpelijk, maar ook jammer. Aan veel lichamelijke en psychische klachten is namelijk goed wat te doen . Een handig hulpmiddel is lastmeter.nl. In deze online tool vul je in welke problemen je ervaart. Niet alleen lichamelijk en geestelijk, maar ook praktisch en sociaal. Door dat regelmatig te herhalen, zie je hoe eventuele  klachten zich ontwikkelen. Zo’n overzicht kan helpen om met een zorgverlener over het onderwerp in gesprek te gaan.”

Edwin Geleijn, fysiotherapeut in het Amsterdam UMC, is bestuurslid van Onconet, dat zich inzet voor goede fysiotherapeutische begeleiding tijdens en na kanker.
“‘Chemotherapie is al zo zwaar. Dan kun je ondertussen maar beter rustig aan doen.’ Dat was wat kankerpatiënten jarenlang te horen kregen. Inmiddels weten we beter. Patiënten die tijdens een behandeling met genezende chemotherapie twee keer in de week intensief trainen, zijn minder misselijk en vermoeid. Bovendien verdragen ze de chemo beter, waardoor de dosering van de medicatie minder vaak naar beneden hoeft te worden bijgesteld. Dat vergroot de overlevingskans. En na afloop van de behandelingen zijn ze eerder weer fit, en sneller meer uren aan het werk. Driedubbele winst dus. Omdat de kennis over training tijdens chemotherapie relatief nieuw is, kunnen we nog net zeggen of die ook late gevolgen van de behandeling, zoals chronische vermoeidheid, kan voorkomen.
De positieve effecten van sporten zijn het grootst bij een speciaal ontwikkeld programma, bestaande uit een combinatie van kracht- en conditietraining, dat je volgt onder begeleiding van een oncologisch geschoolde fysiotherapeut. Natuurlijk is het ook goed als je tijdens of na kanker zelf blijft bewegen. Maar (ex-)patiënten vinden het vaak eng om hun verzwakte lichaam te belasten. Of ze willen juist te veel doen, omdat ze zich niet willen laten kennen. In beide gevallen kun je extra vermoeid raken. Dan ben je nog verder van huis.
Een gespecialiseerde fysiotherapeut weet precies wat kanker(behandelingen) met het lichaam doen, en tegen welke beperkingen patiënten aanlopen. Zo kunnen ze beter inschatten wanneer iemand er goed aan doet om in de training een tandje bij te zetten, of juist een stapje terug te doen. Bij specifieke klachten, zoals pijn, vermoeidheid, oedeem of bewegingsbeperkingen, passen ze de training aan. In Nederland zijn er inmiddels meer dan vijfhonderd fysiotherapeuten die zo’n aanvullende opleiding hebben gedaan. Via onconet.nu vind je er een bij jou in de buurt. Helaas vallen de behandelingen niet onder het basispakket. Ze worden dus alleen (deels) vergoed vanuit de aanvullende verzekering. Vraag bij je eigen zorgverzekeraar naar de mogelijkheden.”

Psycholoog en logopedist Irma Verdonck is hoogleraar psychosociale oncologie in het Amsterdam UMC en leider van de onderzoeksgroep Samen leven na kanker.
“Psychische klachten, zoals angst en depressie, komen veel voor, zowel tijdens als na kanker. Een derde van de (ex-)borstkankerpatiënten heeft daar bijvoorbeeld last van. Dat is heel normaal; de ziekte zet je wereld — en die van je omgeving — op z’n kop. Toch vinden veel mensen het moeilijk om dat te erkennen. Alsof ze zwak zouden zijn als ze angsten hebben. Bovendien reageert de omgeving niet altijd even begripvol. ‘Je moet blij zijn dat je het hebt overleefd’, klinkt het dan, of ‘je moet nu vooruitkijken’.
Vaak nemen angst- en depressieklachten na verloop van tijd vanzelf af. Maar soms lukt het ex-patiënten niet om die ingrijpende levenservaring zelf goed te verwerken. In plaats van minder krijgen zij juist méér problemen, zoals overmatig piekeren, slecht slapen, vermoeidheid en heel geëmotioneerd zijn. Dan is het goed om hulp te zoeken.
Als u dat wilt, kan je (huis)arts of verpleegkundige je doorverwijzen naar een psycholoog of maatschappelijk werker. Of kijk op kanker.nl, nvpo.nl of ipso.nl voor een gespecialiseerde hulpverlener in de buurt. Overigens kunnen ook partners van kankerpatiënten daar terecht, want zij hebben soms net zo goed met verwerkingsproblemen te kampen.
Is de stap naar (persoonlijke) hulpverlening (nog) te groot, dan is er ook online steun. Samen met mijn onderzoeksgroep heb ik oncokompas.nl ontwikkeld, een online welzijnsdossier met gerichte adviezen over hoe je je kwaliteit van leven kunt verbeteren, en waar je zo nodig terechtkunt voor hulp. Inmiddels bieden veel ziekenhuizen Oncokompas aan hun patiënten aan.
Het Helen Dowling Instituut, gespecialiseerd in psychologische zorg bij kanker, heeft het zelfhulpprogramma Minder angst na kanker. De online training bestaat uit een zelftest en een aantal keuzemodules, waarin steeds een ander thema centraal staat. Angst (her)kennen bijvoorbeeld, of ontspannen. Voor vrouwen die borstkanker hebben gehad, is er opademnaborstkanker.nl, ontwikkeld door het Radboud UMC in Nijmegen. Dit programma focust op de eigen kracht en mogelijkheden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ex-borstkankerpatiënten die Op adem na borstkanker hebben doorlopen, sneller emotioneel herstellen.”

Arts-seksuoloog Mintsje Tanis-Nauta zit al meer dan dertig jaar in het vak. Sinds 2001 werkt ze op de poli medische seksuologie van het het Medisch Centrum Leeuwarden, waar ze onder andere (ex-)kankerpatiënten behandelt.
“Het is vaak niet eenvoudig om na kanker de seksuele draad weer op te pakken. Je leven — en je lijf — zijn immers blijvend veranderd. Dat kan tot allerlei problemen leiden, zoals minder zin in seks, moeilijker opgewonden raken en pijn bij het vrijen. Maar ook onzekerheid of moeite met intimiteit. Dat soort klachten komen veel voor, afhankelijk van de soort kanker bij 30 tot 80 procent van de (ex-)patiënten. Meestal vinden zij het moeilijk om er uit zichzelf over te beginnen. En zorgverleners kaarten het onderwerp — helaas — lang niet altijd proactief aan. Het gevolg is dat mensen onnodig lang doormodderen en in het ergste geval helemaal uit elkaar groeien. Zonde, want in veel gevallen is een paar gesprekken voldoende om partners weer op weg te helpen.
Als een stel bij mij komt, breng ik altijd eerst het probleem in kaart: welk deel is lichamelijk? Welk deel psychisch? Welk relationeel? Aan alle drie kun je iets doen. Vaak blijkt dat partners van alles voor elkaar invullen. Hij vindt me vast niet meer aantrekkelijk, denkt een vrouw dan. Misschien doe ik haar wel pijn, vreest een man. De gedachten daarover uitspreken, en open en eerlijk over seks communiceren, is meestal al de helft van de oplossing. Vervolgens help ik ze om stapsgewijs de intimiteit terug te vinden. Bijvoorbeeld door elkaar de eerste weken alleen aan te raken. Gaandeweg ontwikkelen partners zo een nieuwe vorm van seksualiteit, die ze allebei past. Overigens hoeft dat niet altijd met penetratie te zijn; knuffelen, strelen of elkaar op andere manieren bevredigen is óók prima. Wat je in ieder geval niet moet doen, is tegen je zin vrijen, of met pijn. Dan leer je je brein dat seks iets naars is en raak je alleen maar verder van huis. Op de website van de Nederlandse Wetenschappelijke Vereniging voor Seksuologie, nvvs.info, vind je een seksuoloog in de buurt die je kan helpen.” 

Nadat  Ragna van Hummel haar baan verloor, startte ze in 2009 haar eigen re-integratiebureau Re-turn, gespecialiseerd in werkkracht bij kanker.
“Ik was zeven maanden zwanger toen ik in hoorde dat ik borstkanker had. Na de vervroegde bevalling kon ik drie dagen van mijn dochter genieten, voordat ik in de achtbaan stapte van chemo’s, operaties en anti-hormoontherapie. Pas anderhalf jaar later kon ik mijn werk weer oppakken. Helaas verliep mijn terugkeer niet zo soepel als ik had gehoopt. Ik was snel moe en had geheugen- en concentratieproblemen. Uiteindelijk  gingen mijn werkgever en ik uit elkaar.
Ik ben zeker niet de enige met dit soort ervaringen, ontdekte ik. Jaarlijks krijgen zo’n 40.000 mensen in de beroepsbevolking kanker. Driekwart daarvan gaat binnen anderhalf jaar weer (deels) aan het werk. De rest verliest zijn baan, omdat ze niet meer — op het oude niveau — kunnen werken, of omdat hun contract niet wordt verlengd. Overigens gaat het bij de 75 procent die wél terugkeert ook niet altijd van een leien dakje. Om zich te bewijzen, werken sommigen tegen de klippen op, waarna ze later opnieuw uitvallen.
(Ex-)kankerpatiënten zijn vaak heel gemotiveerd om aan de slag te gaan. Sterker nog, werk speelt een belangrijke rol bij hun herstel, blijkt uit onderzoek. Maar ze hebben soms wel een steuntje in de rug nodig. De grootste uitdaging is om een nieuwe balans te vinden. Herstellen van kanker kost tijd en energie. De ene dag gaat het goed, de andere dag minder. Hoe kun je je werk dan toch op een goede manier opbouwen? Een bedrijfsarts geeft vaak een algemeen advies, bijvoorbeeld om met twee keer vier uur per week te starten. Maar op welke dagen dan? En hoe vul je die uren in? Dat is een lastige puzzel, voor (ex-)patiënten én voor leidinggevenden en collega’s. Ondanks alle goede bedoelingen, gaat het dan soms mis. Vandaar dat ik een speciale maatwerkmethode hebt ontwikkeld, Werkkracht bij kanker, om werknemers en werkgevers te ondersteunen bij de terugkeer. Zodat mensen na kanker niet alleen aan het werk kunnen gaan, maar dat ook kunnen blijven.”
re-turn.nl. 

Jacques van Lankveld, hoogleraar klinische psychologie aan de Open Universiteit, was betrokken bij de ontwikkeling van een nieuwe vorm van relatietherapie voor borstkankerpatiënten en hun partners.
“Door kanker verandert een relatie. Beide partners krijgen te maken met zorgen, onzekerheid en angst. Er ontstaat vaak een nieuwe rolverdeling, die misschien minder gelijkwaardig is. Soms doen zich ook seksuele problemen voor. Of een van beiden krijgt een andere kijk op het leven, en wil een nieuwe weg wil inslaan. Die ervaringen kunnen geliefden nader tot elkaar brengen, maar het kan ook gebeuren dat een relatie daardoor juist (extra) onder druk komt te staan. Iedereen verwerkt zo’n heftige gebeurtenis immers op zijn eigen manier. De een trekt zich terug of doet alsof er niets aan de hand is. De andere wil juist veel over de ziekte praten, of wordt boos, angstig of somber. Praat je daar samen niet goed over, dan kunnen beide partners zich onbegrepen voelen, en het idee hebben dat ze elkaar kwijtraken.
Dat bespreekbaar maken blijkt in de praktijk dat knap ingewikkeld. Geliefden die met kanker zijn geconfronteerd, vinden het bijvoorbeeld moeilijk om hun gevoelens te uiten. Ze willen de ander niet met hun problemen belasten, of vinden het pijnlijk om de emoties van hun wederhelft te zien. De communicatieproblemen die dan ontstaan, werken door in alle aspecten van een relatie — de kanker hangt als het ware als een deken over alles heen.
Ik kan dus niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is om toch te blijven praten. Tip: plan dit soort gesprekken op vaste tijdstippen in, zodat je beiden weet: nu gaan we het over de gevolgen van de kanker hebben. Zo voorkom je dat een van beide wordt overvallen door het onderwerp. Blijft het lastig om op een positieve manier met elkaar in gesprek te komen? Roep dan professionele hulp in. Wacht daar niet te lang mee, anders drijf je alleen maar verder uit elkaar. Voor het begrip en het vertrouwen kan het fijn zijn als je een in kanker gespecialiseerde relatietherapeut hebt, maar dat is niet per se nodig. Dit soort communicatieproblemen tussen partners zijn namelijk universeel.”

 

ALLES OVER ANTIBIOTICA

18 Sep

Gepubliceerd in LUMC Magazine #16, juni 2018.

Antibiotica behoren tot de meest succesvolle medicijnen ter wereld. Eén probleem: hoe meer antibiotica we met z’n allen gebruiken, des te groter de kans dat ze straks niet meer werken. In het LUMC doen we er alles aan om dat koste wat het kost te voorkomen.

Bijna iedereen heeft er wel eens één gehad: een antibioticumkuurtje. Tegen een hardnekkige keel- of longontsteking bijvoorbeeld. Sinds de ontdekking ervan in 1928 hebben antibiotica letterlijk miljoenen levens gered. Niet voor niets noemen dokters ze wel belangrijkste medicijnen van de 20ste eeuw. Des te zorgelijker is het dat steeds meer ziekteverwekkende bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica. Hoe kan dat? En valt het tij nog te keren? 

Een steuntje in de rug
De meeste infecties (zoals een verkoudheid en de griep) worden veroorzaakt door virussen. Daar helpen antibiotica niet tegen. Wel tegen bacteriële infecties. Ieder mens draagt miljoenen bacteriën bij zich. De meeste daarvan doen goed werk. In je darmen helpen ze bijvoorbeeld voedsel te verteren, en op je huid houden ze schadelijke indringers tegen. Maar bacteriën kunnen soms ook infecties veroorzaken, zoals een blaasontsteking of een maagzweer.
“Je eigen afweersysteem ruimt veel van die beginnende bacteriële infecties direct op”, vertelt internist-infectioloog Mark de Boer, voorzitter van de antibioticacommissie van het LUMC, en secretaris van de landelijke Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB). “Die gaan dus vanzelf over. Soms lukt dat echter niet, en verergert de infectie. Dan kunnen antibiotica uitkomst bieden. Dat zijn medicijnen die bacteriën doden of de groei ervan afremmen, zodat het lichaam de boosdoeners weer zelf aankan. Ze geven je natuurlijke afweer kortom een steuntje in de rug. Bij ernstige infecties zoals een zware longontsteking, een hersenvliesontsteking of bloedvergiftiging zijn antibiotica onmisbaar.”

Ongevoelig
Bacteriën zijn er van nature op uit om zo lang mogelijk te overleven. Als een antibioticum ze te lijf gaat, beginnen ze een tegenaanval. Ze wapenen zich bijvoorbeeld door het medicijn uit de cel te pompen, of door het uit te schakelen of af te breken. Ook kunnen bacteriën zichzelf zo veranderen, dat ze het antibioticum helemaal buiten de deur weten te houden. In het slechtste geval reageren ze totaal niet meer op de medicatie. De bacterie is dan resistent.
In Nederland schrijven artsen antibiotica alleen voor als het echt nodig is (zie kader). Maar in andere delen van de wereld, zoals Zuid- en Oost-Europa en Azië, geven dokters veel makkelijker antibiotica dan hier. De middelen zijn daar vaak zelfs zonder recept te koop. Hoe vaker een bepaald antibioticum wordt gebruikt, hoe meer kans een bacterie krijgt om een barricade tegen het middel op te werpen. Het gevolg is dat steeds meer bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica.
Binnen Europa geeft Nederland het goede voorbeeld. Artsen schrijven hier namelijk de minste antibiotica voor: 10,8 dagelijkse doseringen per 1000 inwoners. Griekenland is het slechtste jongetje van de Europese klas, maar bijvoorbeeld ook in Frankrijk, België en Italië valt nog een wereld te winnen als het gaat om terugdringen van antibioticagebruik.

Maatwerk
Het resistent worden van bacteriën is een gevaarlijke ontwikkeling. In het ergste geval kan het betekenen dat er over een aantal jaren helemaal niets meer is te doen aan bacteriële infecties. “Zo ver is het gelukkig nog lang niet”, stelt Mark de Boer ons gerust. “Zeker in Nederland zijn de risico’s nog klein. Maar het is wel belangrijk dat we er met z’n allen de schouders onder zetten om te voorkomen dat het probleem groter wordt. Vanuit het LUMC doen we dat op verschillende manieren, bijvoorbeeld door zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met de antibiotica die nog wél werken.”
Decennialang hadden artsen geen idee hoe risicovol het is om (te) veel antibiotica te gebruiken. Omdat ze hun patiënten zo goed mogelijk wilden helpen, namen ze vaak het zekere voor het onzekere. Ze behandelden ze dan met grof geschut: breed werkende antibiotica, die niet alleen de ziekteverwekker, maar ook andere (goede) bacteriën aanpakten. Het gevolg: bacteriën kregen vaker de kans om hun aanvaller te leren bestrijden. “We werken er nu hard aan om meer antibiotica-op-maat te gaan gebruiken”, legt De Boer uit. “Dat wil zeggen dat dokters gerichter kiezen voor het middel dat alléén de kwaadaardige bacterie aanpakt, en dat ze dat bovendien zo kort mogelijk geven.”
Het klinkt zo vanzelfsprekend, het juiste antibioticum op het juiste moment. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, aldus De Boer. Er is namelijk nog veel kennis nodig om te bepalen welk antibioticum je het beste wanneer aan een patiënt kunt voorschrijven. “Die vraag is vooral relevant bij de start van een behandeling, als je nog niet precies weet welke bacterie de veroorzaker is van een infectie, en of die misschien resistent is. Binnen het LUCM doen we er veel onderzoek naar hoe we juist in die fase slimmere keuzes kunnen maken. Met als doel: ervoor zorgen dat de middelen die we nu hebben ook in de toekomst hun werk kunnen blijven doen.”

Kuur afmaken!
Als je een antibioticum krijgt voorgeschreven, drukt de apotheker je op het hart om de kuur vooral af te maken. Dat heeft niets met resistentie te maken; je wordt niet eerder ongevoelig voor antibiotica omdat je vroegtijdig met de medicatie stopt. Maar als je de kuur niet afmaakt, kunnen er wél restjes van ziekmakende bacteriën in je lichaam achterblijven. Het gevolg: de infectie kan opnieuw oplaaien. Vandaar dus het advies om de kuur altijd te voltooien. Twijfel je over de lengte van de behandeling? Overleg dan met je arts en vraag hem waarom hij voor hiervoor heeft gekozen.

Koploper
Het LUCM loopt landelijk voorop met het ontwikkelen en toepassen van manieren om zo verantwoord mogelijk met antibiotica om te gaan. In het beleid, maar zeker ook in het onderwijs. Mark de Boer: “Iedere arts krijgt in zijn werk met infecties te maken, van kaakchirurgen tot gynaecologen. Vandaar dat we geneeskundestudenten vanaf het begin bewust maken van hoe ze antibiotica verstandig kunnen gebruiken. Daar investeren we hier tijd en energie in. Trouwens niet alleen bij studenten en specialisten in opleiding, maar ook in de nascholing van artsen. Want alleen als we het probleem gezamenlijk te lijf gaan, kunnen we er echt wat aan doen.”
Dat de aanpak van het LUMC best bijzonder is, blijkt wel uit het feit dat afgelopen jaren medewerkers van onder andere de Wereld Gezondheid Organisatie (WHO) en de Europese Unie zijn komen kijken hoe we hier met antibiotica omgaan. Verder leveren onze specialisten van de afdeling Infectieziekten landelijk een belangrijke bijdrage aan richtlijnen en nieuwe initiatieven met als doel het antibioticabeleid in heel Nederland te verbeteren.

Wat kun je zelf doen?
De enige manier om ervoor te zorgen dat bacteriën gevoelig blijven voor antibiotica is door heel zorgvuldig te zijn met het gebruik. Daar kun je zelf aan meewerken door:

  • nooit zonder recept (bijvoorbeeld via internet) antibiotica te kopen. Gebruik ze alleen op voorschrift van je dokter.
  • de medicatie in te nemen op de voorgeschreven tijden. Op die manier is er altijd  een juiste dosis antibioticum in je lichaam aanwezig.
  • nooit zelf de dosering aan te passen, bijvoorbeeld omdat je last hebt van bijwerkingen. Overleg daarover altijd met je dokter.
  • geen restjes antibiotica te bewaren voor ‘een volgende keer’.
  • eventueel overgebleven medicijnen niet bij het vuil te gooien of door het toilet te spoelen. Lever ze in plaats daarvan in bij de apotheek.
  • in het buitenland geen antibiotica te gebruiken die je zonder recept kunt kopen.

 

%d bloggers liken dit: