Archief | Dagblad van het Noorden RSS feed for this section

PSYCHIATER WIM VELING: “PSYCHOSEPATIËNTEN ZIJN NET ALS JIJ OF IK”

2 Okt

veling jpg

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant, 29 september 2018 (Foto: Siese Veenstra)

Mensen met waanideeën of stemmen in hun hoofd: we vinden ze knap eng. Begrijpelijk, maar niet nodig, aldus psychiater Wim Veling, hoofd behandelzaken van de afdeling Psychosen van het UMCG. Ze zijn namelijk zelden gevaarlijk. “Het grootste deel van de psychosepatiënten is net als jij of ik.”

  • Naam: Wim Veling
  • Geboren: 10 augustus 1974 in Zwolle
  • Woonplaats: Zwolle
  • Werk: psychiater en hoogleraar, hoofd behandelzaken de afdeling Psychosen van het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG. Hij was negen jaar voorzitter van het landelijke Netwerk Vroege Psychosen en leidde de werkgroep die de landelijke richtlijn voor  behandeling van psychosen opstelde.
  • Privé: getrouwd
  • Bijzonder: introduceerde virtual reality als behandelvorm voor psychose in Nederland.

De werkplek van psychiater Wim Veling lijkt op het eerste gezicht op die van ieder ander. De computer, de stapels papieren, de vakliteratuur en de planten zouden van willekeurig welke arts kunnen zijn. Maar als je beter kijkt, ontdek je iets bijzonders op zijn bureau: een plastic plaatje, met daarop een zwart met rode knop. Het is een zogenaamde panic button, oftewel een alarmknop. Als Veling die indrukt, schieten verschillende collega’s uit het Groningse Universitair Centrum Psychiatrie hem direct te hulp. “Ik twijfelde of ik hem zou laten zien”, bekent Veling, terwijl hij het plaatje op zijn hand weegt. “Voor je het weet denken lezers dat mensen met een psychose per definitie gevaarlijk zijn. In de praktijk is dat echter zelden het geval. In de vier jaar dat ik in het UMCG werk, heb ik de knop nog nooit hoeven gebruiken.”
Een paar feiten op een rij. Elk jaar krijgen circa 3.000 Nederlanders tussen de 15 en de 45 jaar voor het eerst een psychose. Oftewel: zo’n 27 per dag. Bijna één op de honderd Nederlanders lijdt aan schizofrenie, een aandoening waarbij je langere tijd last hebt van psychosen en andere (rest)klachten, zoals concentratie- en motivatieproblemen. Zo zeldzaam is de ziekte dus niet. Toch is het stigma dat erop rust enorm. Mensen met een psychose zouden verwarde gekken zijn, waarbij je vooral uit de buurt moet blijven. Een misplaatst beeld, dat volgens Veling wordt versterkt door de media. “Alleen de uitwassen halen het nieuws”, betuigt hij. “Daar wil ik zeker niet lichtvoetig over doen. Het is vreselijk als een iemand met waanideeën overlast veroorzaakt of zichzelf of een ander kwaad aandoet. Maar de psychosepatiënten die je niet ziet en hoort — de overgrote meerderheid — lijden óók onder dat beeld. Dat zijn gewone mensen met gewone levens, zoals jij en ik.” 

Even een stapje terug: wat is een psychose precies?
“Een mix van verschillende symptomen. De één is bijvoorbeeld extreem achterdochtig, de ander hoort — vijandige — stemmen in zijn hoofd of ziet dingen die er niet zijn. Maar er komt meer bij kijken. Mensen met psychotische klachten kunnen zich slecht concentreren. Ze hebben vaak moeite met organiseren en leren, en kunnen het nauwelijks opbrengen om de gewone dagelijkse dingen te doen.” 

Het gaat altijd over wanen en hallucinaties. Wat is het verschil?
“Tijdens een hallucinatie hoor, zie, voel, proef of ruik je dingen die er in werkelijkheid niet zijn. Denk aan de bekende stemmen in iemands hoofd. Bij wanen komen je gedachten niet overeen met de werkelijkheid. Mensen met wanen geloven bijvoorbeeld dat ze een belangrijke historische figuur zijn. Of dat de geheime dienst ze achtervolgt. Zowel bij hallucinaties als bij wanen is de ervaring voor de patiënt levensecht. Overigens hebben de meeste mensen wel eens een psychotische ervaring.” 

Pardon?
“Je hebt vast wel eens het idee gehad dat iedereen je raar aankeek, of achter je rug om grapjes over je maakte, terwijl dat vermoedelijk helemaal niet zo was. Of misschien heb je een overleden familielid in huis gezien of gevoeld. Om nog maar niet te spreken over de ‘trips’ die drugs veroorzaken. Allemaal psychotische verschijnselen. Het verschil is alleen dat jij wéét dat de ervaring niet echt is. Psychosepatiënten kunnen dat onderscheid niet meer maken.” 

Hoe kan het dat het brein van een psychosepatiënt hem zo voor de gek houdt?
“Het heeft te maken met hoe de miljarden zenuwcellen in de hersenen met elkaar communiceren. Dat gebeurt met behulp van neurotransmitters: stofjes die zorgen voor de elektrische overdracht tussen cellen. Eén daarvan is dopamine. Dat stofje speelt een belangrijke rol bij het selecteren en beoordelen van alle informatie die gedurende de dag binnenkomt. Zowel van buitenaf — via je zintuigen — als van binnenuit — via je gedachten. Mensen met een psychose hebben in een bepaald deel van hun brein te veel dopamine-activiteit. Daardoor komen alle signalen keihard binnen. De hersenen zijn dan niet meer in staat ze adequaat te verwerken. Met als mogelijk gevolg dat je brein een loopje met je neemt.” 

Gaat dat ook weer over?
“Bij 20 procent van de patiënten blijft het bij één psychose. De rest krijgt gedurende hun leven met meerdere episodes te maken. De hallucinaties en de wanen zijn met medicijnen meestal goed te bestrijden. Om het risico op terugkeer zo klein mogelijk te maken, is het belangrijk dat patiënten leren wat een psychose in hun specifieke geval kan uitlokken. Stress, depressie of een slaaptekort bijvoorbeeld.”
In de tien jaar dat hij als psychiater werkt, heeft Wim Veling meer dan duizend psychosepatiënten gezien. Maar hij wordt nog elke dag verrast. “Iedere psychose is anders en uniek”, zegt hij. “Dat maakt dit werk zo boeiend. Soms is het ook spannend. Onlangs ben ik nog samen met twee agenten via een ladder een huis ingeklommen om een patiënte te kunnen helpen die zichzelf had ingesloten.” 

En ja, hij heeft ook wel eens een klap gehad van een patiënte die ervan overtuigd was dat Veling haar moeder had mishandeld. Maar bang is hij zelden. “Natuurlijk heb ik soms gezonde angst. Die heb je ook nodig om te voorkomen dat een gespannen situatie uit de hand loopt. Maar dat is maar een klein onderdeel van mijn werk. Veel belangrijker vind ik het feit dat de — vaak jonge — patiënten die ik zie enorm onder hun klachten lijden. Het is al moeilijk genoeg als je tijdelijk zo in de war bent. Maar daar bovenop verliezen mensen vaak alles wat ze dierbaar is: relaties, studie, werk. Bovendien vinden buitenstaanders vinden mensen met een psychose al snel eng. Dat maakt het extra lastig om als (ex-)patiënt je weg terug te vinden en weer volwaardig mee te doen in de maatschappij. Ik zie het als mijn missie om ze daar zo goed mogelijk bij te helpen.”

Mensenvak
Lang leek het erop dat Veling een ander carrièrepad zou inslaan. Als kind wilde hij namelijk het liefst journalist worden. Met dat vak kon hij zijn onuitputtelijke nieuwsgierigheid naar mensen en hun verhalen het best bevredigen, dacht hij. Bovendien schreef hij graag. Niet alleen verhalen en ‘artikelen’, maar ook toneelstukken voor school. Dat hij uiteindelijk toch voor geneeskunde koos, was het gevolg van zijn sociale verlegenheid. “Ik vond het ongemakkelijk om zomaar op iemand af te stappen. Niet handig voor een journalist.” Een kennis van zijn ouders, een huisarts, overtuigde hem ervan om voor de psychiatrie te gaan. Immers ook een mensenvak.
Vanuit zijn ouderlijk huis in Hattem toog Veling naar de universiteit in Leiden. Dat was nogal een overgang. “Ik kom uit een traditioneel gereformeerd gezin. Elke zondag gingen we naar de kerk, en ik zat op een Christelijke school en Christelijke clubs. Mijn hele jeugd had ik in een veilige, verzuilde bubbel doorgebracht. In Leiden werd ik daar hardhandig uitgemikt. Geneeskunde studeren en geloven? Dat vonden veel medestudenten ‘achterlijk’.”

Wetenschap en geloof staan toch ook op gespannen voet met elkaar?
“Niet per se. Het geloof was de onwrikbare basis onder ons gezin. Tegelijkertijd hebben onze ouders mijn drie zussen en mij met een brede, tolerante blik opgevoed. Mijn vader had wiskunde en filosofie gestudeerd, maar hij was óók de eerste fractievoorzitter van de Christenunie in de Tweede Kamer. Compassie, mededogen en dankbaarheid; dat zijn de kernwaarden die ik heb meegekregen.” 

Is uw geloof nooit aan het wankelen gebracht?
“Tijdens mijn studie heb ik echt wel eens gedacht hoe onwaarschijnlijk de Bijbel was. Maar uiteindelijk keerde ik er toch altijd naar terug. Het geloof is voor mij een houvast, iets wat vertrouwen en richting geeft. Nog altijd ga ik wekelijks naar de kerk. Wel sta ik tegenwoordig meer dan vroeger open voor andere overtuigingen. Uiteindelijk proberen we er allemaal het beste van te maken. Dan kun je maar beter van elkaar leren, in plaats van elkaar de maat te nemen.” 

In Leiden leerde Veling zijn latere vrouw Martine kennen. De biologiestudente had er altijd van gedroomd om een tijd in Afrika te werken. Dat leek Veling wel wat. “Ik wilde graag de wereld verbeteren. Dat kon ook prima als tropenarts, dacht ik.” Dus toog het stel samen naar Kalabo, een piepklein plaatsje in Zambia. Om er te komen moesten ze vanuit de hoofdstad Lusaka eerst zes uur met de bus, en daarna nog twaalf uur varen in een kano. “Middenin de nacht kwamen we op onze bestemming aan. In het pikkedonker, want elektriciteit was er nauwelijks. Met handen en voeten vonden we onze weg naar het ziekenhuisje — Engels spraken de mensen niet. Daar bleek niemand van onze komst te weten. De Nederlandse tropenarts bij wie ik zou gaan werken was onverwachts weggeroepen.”
Het was het een passende introductie in een totaal andere wereld. Zes maanden lang runde Veling mede de mannen- en vrouwenzaal en de polikliniek van het ziekenhuis. Zinvol en leerzaam werk, maar door de gebrekkige voorzieningen en de bureaucratie ook frustrerend. “Ik heb er mijn idealisme niet verloren, maar ik heb het wel moeten bijstellen. Hoeveel respect ik ook voor tropenartsen heb, het verschil dat je lokaal kunt maken is beperkt. Uiteindelijk was het voor mij reden om alsnog voor de psychiatrie te kiezen. Ik had het gevoel dat ik daarin meer kon betekenen Het vak paste toch beter bij me. Maar Afrika draag ik voor altijd in mijn hart. De vrolijkheid en levenskunst die ik daar heb gezien, inspireren me nog iedere dag.” 

Wat uit Afrika neemt u in uw dagelijkse werk mee?
“Ik deed en doe er onderzoek naar hoe de mensen daar met psychosen omgaan. Om de patiëntenzorg verbeteren, maar ook om er zelf van te leren. Mensen met psychosen komen in Afrika meestal bij traditionele genezers terecht. Voor een onderzoek in de regio KwaZulu-Natal, in Zuid-Afrika, hebben we een groot aantal genezers geïnterviewd en ook met ze samengewerkt. Zo kwamen we erachter dat zij vaak zelf psychotisch waren. Tenminste, zo zouden we het hier noemen. Hun ervaringen maakten ze bij uitstek ‘geschikt’ om bijvoorbeeld met voorouders te communiceren. Dat was voor mij een eye opener. In het westen labelen we psychosen als vanzelfsprekend als iets negatiefs. Maar het hangt er dus maar net vanaf wat voor etiket je erop plakt. Misschien maken wij westerlingen de klachten juist erger door te stellen dat psychosepatiënten ziek zijn. Door dingen soms anders te benoemen, kunnen we mensen wellicht beter helpen.”  

Is het niet lastig om een traditionele healer die kippenbloed over een patiënt sprenkelt serieus te nemen?
“Niet als je in staat bent om je oordeel uit te stellen. Voor mij is dat geen opgave, want als psychiater doe ik dat iedere dag. Alleen zo kan ik mijn patiënten open en gelijkwaardig tegemoet treden.” 

Virtual reality
Opvoeding, familie, vrienden, studie, werk, collega’s, maar ook waar iemand woont, uit wat voor milieu en cultuur hij komt en eventuele trauma’s: al die aspecten spelen een rol bij het ontstaan, het verloop en herstel van psychosen. De sociale context, noemt Veling dat. De studie daarnaar is de rode draad in zijn werk van het afgelopen decennium. Zo deed hij in Den Haag promotieonderzoek naar de vraag waarom mensen met een migratieachtergrond een grotere kans lopen om een psychose te krijgen. “Simpel gezegd bleek het samen te hangen met sociale stress. Hoe meer migranten zich buitengesloten voelden en hoe minder sociale steun ze ervoeren, hoe groter het risico op psychosen.”
Al zijn ervaringen hebben hem gesterkt in de overtuiging dat er bij psychosen niet alleen aandacht moet zijn voor de klachten, maar ook voor de dagelijkse leefomgeving van een patiënt. “Op de lange duur heeft een behandeling alleen kans van slagen als je alle aspecten daaruit meeneemt.”
Eén manier waarop Veling dat doet, is met het gebruik van virtual reality. Dat is volgens hem een fantastische manier om de ingewikkelde sociale omstandigheden waar patiënten mee te maken krijgen in de behandelkamer te halen. “Ik ben ervan overtuigd dat VR de komende jaren een enorme vlucht gaat nemen in de psychiatrie.”

Hoe werkt dat?
“Mensen met psychosen ondervinden vaak problemen in het dagelijkse leven. Bijvoorbeeld als ze boodschappen doen of in de trein zitten. Het lastige is dat je daar als behandelaar niet bij bent. Met behulp van virtual reality kan dat wel. Met een VR-bril op begeeft een patiënt zich in een virtuele, maar tegelijkertijd levensechte wereld. De behandelaar kan die omgeving aanpassen en zo bepaalde reacties uitlokken. Dat geeft patiënten dan weer de mogelijkheid om — met deskundige hulp — te leren hoe ze anders met zo’n situatie kunnen omgaan. Met als ultiem doel: minder klachten en beter sociaal functioneren.” 

Heeft dat in de praktijk al wat opgeleverd?
“Jazeker! We hebben onder andere een VR-therapie tegen paranoïde wanen ontwikkeld, die bewezen werkt. Nu onderzoeken we of we deze aanpak ook voor andere klachten en doelgroepen kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van een VR-agressietraining voor TBS-ers.”
Ongemerkt heeft Veling drie uur over zijn werk verteld. En hij is nog lang niet uitgepraat. “Ik heb het mooiste vak ter wereld. Alles draait om goed luisteren en oprecht contact. Mensen met psychosen zijn vaak heel argwanend. Die moet je echt verleiden om hulp te accepteren. Dat vraagt om creativiteit, inventiviteit en maatwerk. Patiënten dagen me uit om het beste uit mezelf te halen en ze daarmee zo goed mogelijk te helpen. Uiteindelijk gaat het immers niet om wat ik wil bereiken, maar om wat zij nodig hebben.” Gevraagd naar wat hij over vijf jaar als hoogleraar hoopt te hebben bereikt, hoeft hij niet lang na te denken. “Dat we met z’n allen wat meer begrip hebben voor mensen met psychosen. Dat we ze serieus nemen en steunen, in plaats van ze te veroordelen en te ontwijken. De maatschappij is er de laatste jaren niet toleranter op geworden. Je moet presteren, succesvol zijn, anders tel je niet mee. Iemand die afwijkt, valt al gauw buiten de boot. Maar het leven is niet altijd maakbaar. Als we daar wat beter van doordrongen raken, worden we er uiteindelijk allemaal beter van.” 

[Kader]
Meer weten?

  • De website psychosenet.nl biedt duidelijke achtergrondinformatie en blogs. Ook kunnen bezoekers via een eSpreekuur anoniem vragen stellen aan experts.
  • Het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG heeft een aparte site over de toepassing van virtual reality bij de behandeling van psychische klachten: vrmentalhealth.nl. 
Advertenties

EX-ALCOHOLISTE LIESBETH DRONK 9 LITER BIER PER DAG

6 Aug

JPG Liesbeth 1

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 4 augustus 2018. (Foto’s: Corné Sparidaens)

Liesbeth Steinfelder (38) was meer dan twee decennia verslaafd aan alcohol en wiet. Samen met haar drie dochters zat ze tien maanden in een verslavingskliniek. 

“23 augustus 2015. Een zondagavond was het, toen ik besloot een einde aan mijn leven te maken. Die dag had ik voor de zoveelste keer slaande ruzie met mijn ex gehad, de vader van mijn kinderen. De wanhoop raasde in beukende golven over me heen. Ik was zó moe van het vechten. Van het schuldgevoel naar mijn drie dochters, die een betere moeder dan ik verdienden. Van de stress en de schulden en de slapeloze nachten. Van me eenzaam en mislukt voelen. De wereld is beter af zonder mij, dacht ik. Het hoopje witte pillen voor me op de keukentafel leek de enige uitweg uit het moeras, waarin ik twintig jaar lang steeds dieper was weggezakt.
En juist toen, op het moment dat ik mijn hand naar de pillen uitstrekte, hoorde ik een stem. ‘Ga naar boven’, zei die. Ik schrok me rot; zoiets had ik nog nooit meegemaakt. ‘Ga naar boven’, klonk het weer. De stem was zo helder, zo overtuigend, die moest wel van God zijn. Stilletjes beklom ik de trap naar de eerste verdieping van mijn huis, waar mijn dochters lagen te slapen. Verdrietig en bang na de zoveelste ruzie tussen hun ouders hadden de twee jongsten hun armen om elkaar heen geslagen. Toen ik dat zag, brak ik. In één klap was ik compleet nuchter. Ik kon mijn meisjes niet in de steek laten, zoals mijn ouders bij mij hadden gedaan. De volgende dag heb ik me bij een verslavingskliniek gemeld.”
Trauma
“Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik niet geboren had mogen worden. Dat ik er niet mocht zijn. Als kind kreeg ik kleren en eten, meer niet. Voor aandacht — laat staan liefde — hoefde ik niet bij mijn ouders aan te kloppen. Mijn moeder kwam nooit naar een uitvoering van school, of naar een van mijn turnwedstrijden. ‘Je houdt het toch niet vol’, was steevast haar antwoord. Met hetzelfde argument stuurde ze me na de basisschool naar de mavo, terwijl ik de beste van de klas was en uit de cito-toets bleek dat ik vwo kon doen. De boodschap die ik daaraan overhield: je bent niets waard.
Mijn vader — naar later bleek mijn stiefvader — was een alcoholist met een agressieve dronk. Hij en mijn moeder maakten altijd ruzie; er ging geen dag voorbij zonder geschreeuw. Hij sloeg me regelmatig en deed andere dingen met me waar ik verder niet op wil ingaan. Het volstaat te zeggen dat ik op mijn twaalfde al flink getraumatiseerd was. Mijn moeder vluchtte bijna elke avond het huis uit, naar de bingo. Voor mij opkomen durfde ze niet. Dat moest ik dus vanaf jonge leeftijd zelf doen.
Door al die nare ervaringen, vertrouwde ik niemand. Ik voelde me zo waardeloos en alleen. Als reactie schopte ik problemen. Letterlijk; ik ben vaak genoeg wegens vechtpartijen van school gestuurd. Ik was boos, boos, boos, op alles en iedereen. Vanaf mijn elfde zwierf ik hele dagen — en nachten — over straat. Op de camping waar ik regelmatig buiten sliep, rookte ik mijn eerste joint. Dat werden er al snel meer. Ik geloof dat mijn moeder me twee keer is komen zoeken, maar alleen omdat de buren er toen iets van hadden gezegd.
De spijbelschool waar ik intussen was beland, schakelde de Kinderbescherming in. Dat mijn moeder niet met ze wilden praten, was voor de hulpverleners reden genoeg om me op mijn 14e in een Gronings internaat te plaatsen. ‘Als je zo nodig weg wilt, moet je dat maar doen’, zei mijn moeder. Alsof het mijn eigen keus was! Het was de laatste keer dat ik haar zag of sprak, totdat ik jaren later zelf het initiatief nam om het contact te herstellen.”
Zwanger
“Ik weet nog precies hoe het voelde toen ik op mijn 14e mijn eerste biertje dronk. Zalig was dat. Niet dat ik het zo lekker vond. Helemaal niet zelfs; ik heb de smaak echt moeten leren waarderen. Maar dat ik na een paar biertjes in combinatie me wat joints geen zielspijn meer voelde, was zó fijn. Vanaf dat moment was ik verkocht. Al snel gebruikte ik iedere dag. Natuurlijk mocht dat niet op het internaat, maar daardoor liet ik me niet weerhouden. Er zijn genoeg handige tructjes om te voorkomen dat je wordt betrapt. Door zout in je urine te doen bijvoorbeeld. Dan kun je er geen wiet meer in opsporen. Het personeel deed heus wel zijn best om me te helpen, maar ik liet niemand toe. Daar had ik alleen maar slechte ervaringen mee.
Op mijn 18e stopte de hulp en stond ik er alleen voor. Vanaf dat moment ging het van kwaad tot erger. Ik werkte in een coffeeshop en was van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat stoned. Alles om de werkelijkheid maar niet onder ogen te hoeven komen. Toen ik op mijn 20ste uit huis werd gezet omdat ik de huur te lang niet had betaald, trok ik in bij mijn vriend. Samen blowen, drinken, ruzie maken en vechten, daar bestond ons leven uit. Dat hij nooit verliefd op me was geweest, vond ik de normaalste zaak van de wereld. Ik was het toch niet waard om van te houden. Mijn leven was uitzichtloos. En toen werden op mijn 22ste de streepjes op de zwangerschapstest blauw.
Ik had nooit kinderen gewild, maar toch was ik blij met mijn zwangerschap. Eindelijk komt er iemand in mijn leven die onvoorwaardelijk van me zal houden, dacht ik, wat voor stommiteiten ik ook bega. Nadat ik op de eerste echo het hartje zag kloppen, stopte ik resoluut met drinken en blowen. De oerkracht om mijn kind te beschermen was sterker dan de trek. Om de pijn die toen naar boven kwam te ontlopen, sliep ik negen maanden zoveel mogelijk, ook overdag. Overigens was mijn verslaving daarmee niet weg. Ik telde de dagen tot mijn volgende biertje. Voordat ik naar het ziekenhuis vertrok om te bevallen, stopte ik snel twee blikken in mijn tas. Zodra Delilah was geboren, dronk ik die in het toilet van het ziekenhuis op.”
Politie
“De jaren kregen erna kregen we nog twee dochters, Elvira en Jennah. Mijn kinderen waren mijn houvast, ze hielden me letterlijk op de been. Hoe slecht ik er ook aantoe was, ik zorgde er altijd voor dat ze voor school ontbeten, dat ze er netjes uitzagen, dat het ze praktisch gezien aan niets ontbrak. Maar de warmte en liefde die ze verdienden, kon ik ze niet geven.
Zelf dacht ik dat ik de schijn naar buiten aardig ophield, maar de omgeving wist natuurlijk wel beter. Mijn ex was heel gewelddadig, en daar reageerde ik dan ook weer agressief op. Dat bleef niet onopgemerkt; in de loop der jaren zijn er 23 meldingen van huiselijk geweld over ons gedaan. Telkens kwam de politie. Maar omdat ik geen aangifte wilde doen, vertrokken ze onverrichter zake naar het bureau. Ook al stonden de kinderen erbij te huilen. Onbegrijpelijk eigenlijk, dat niemand toen heeft ingegrepen. Als ik voor het blok was gezet — afkicken of je bent je kinderen kwijt — had ik me misschien eerder bij een kliniek gemeld.
Tijdens de zoveelste heftige ruzie gooide ik een blik bier naar mijn ex. Het veroorzaakte een flinke wond in zijn gezicht. Terwijl het bloed over zijn wang stroomde, maakte ik me geen zorgen over hem, maar over de alcohol die ik had verspild. Dat was — eindelijk — het moment waarop ik een punt achter de relatie durfde te zetten. Natuurlijk had ik veel eerder bij hem weg moeten gaan. Maar ik dacht dat ik het alleen nooit zou redden.
Uit woede en onmacht ging ik steeds meer drinken, op het dieptepunt negen liter bier per dag. Het eerste was ik ’s ochtends deed, was een halve literblik opentrekken. Zonder alcohol kreeg ik het zweten en trillen waar ik mee wakker werd niet onder controle. Je zou denken dat ik de hele dag stomdronken was, maar niet dus. Je lichaam went aan drank. Daarom heb je er op den duur steeds meer van nodig om hetzelfde effect te bereiken. Pas ’s avonds was ik echt ver heen. Als de meisjes in bed lagen, blowde en dronk ik net zo lang tot ik tot alles zwart werd en ik niet meer op mijn benen kon staan. Iedere dag weer.”
Warm bad
“Mijn dochters smeekten me regelmatig om te stoppen. Zonder hulp kon ik dat niet, wist ik. Maar me laten opnemen was geen optie, want dan zouden zij in de pleegzorg terechtkomen. Dat wilde ik koste wat het kost vermijden. En dus stuurde ik ze boos naar hun kamer als ze het onderwerp aankaartten. Dat ik mezelf uiteindelijk niet dood heb gedronken, heb ik te danken aan een paar bijzondere mensen, waaronder mijn buurvrouw, mama Aja. Zij vertelde me over haar relatie met God, en hoeveel steun ze van Hem kreeg. Verschillende keren nodigde ze me uit om mee te gaan naar haar kerk, het Evangelisch Centrum Hoogezand. Dat zag ik totaal niet zitten; ik had niets met het geloof. Maar om van het gezeur af te zijn, nam ik een keer deel aan haar vrouwengroep. Iedereen daar was even hartelijk en liefdevol. Ondanks dat ze van mijn problemen wisten, werd ik direct in de groep opgenomen. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Het enige wat ik mijn hele leven had gewild, was onvoorwaardelijke liefde. Die kreeg ik daar.
De dag erna ben ik met mijn kinderen naar een dienst gegaan. Het voelde als een warm bad. Hoe konden deze mensen zo open en barmhartig zijn? Dat wilde ik ook kunnen. Ik besloot me in de bijbel te verdiepen en ging steeds vaker naar de kerk. Minder drinken en blowen lukte — nog — niet, maar ik had wel een vangnet gevonden. Want hoe hard ik ook mijn best deed om ruzie te zoeken en de mensen van de kerk van me te vervreemden, ze bleven naast me staan. Ze veroordeelden me nooit, zelfs niet als ik dronken uit de kerkbank viel. Dan tilden ze me op, sloegen een arm om me heen en baden samen voor me. Ik kan moeilijk onder woorden brengen hoeveel hun steun voor me heeft betekend. Ze zijn mijn nieuwe familie.”
Afkicken
“Met zes weken ben ik weer thuis, dacht ik toen ik me bij Verslavingszorg Noord Nederland meldde. Dat viel dus knap tegen. Uiteindelijk ben ik tien maanden opgenomen geweest. Mét mijn dochters, want bij gezinskliniek De Borch in Eelderwolde mogen kinderen tot twaalf jaar bij hun ouders blijven. Dat trok me uiteindelijk over de streep. ‘Nog een half jaar en je was er niet meer geweest’, zei de verslavingsarts bij mijn opname. Zo slecht waren mijn leverwaarden. Na een ontwenningsperiode van tien dagen, was ik lichamelijk afgekickt. Toen begon het echte werk pas. De eerste drie maanden kon ik alleen maar huilen en schreeuwen, zoveel verdriet en woede had ik in me. Helemaal op de bodem voelde ik een enorme rust over me komen. Het was de eerste keer dat ik de liefde van God nuchter ervoer. Vanaf dat moment ben ik keihard aan mezelf gaan werken, onder andere met traumatherapie. Nooit geweten dat je zoveel pijn kon ervaren. “Je hoeft het niet alleen te doen”, zei mijn geweldige psychiater. En: “Je bent het waard”. Magische woorden.
Door de verslaving had mijn leven twee decennia stilgestaan. Op mijn 35ste was ik nog nooit buiten de provincie Groningen geweest. Normale relaties kende ik niet. De jaren voor mijn opname had ik amper gegeten. Ik moest opnieuw leren denken, leren voelen, leren communiceren. En ook hoe ik een sobere moeder moest zijn. Door het trauma uit mijn jeugd kon ik aanrakingen nauwelijks verdragen. Zelfs niet van mijn dochters als die wilden knuffelen. Ook dat moest ik dus oefenen.
Terugkijkend vind ik het vreselijk dat mijn kinderen zo lang zo bezorgd over me zijn geweest. Voor hun gevoel moesten zij voor mij zorgen, in plaats van andersom. Ze durfden bijvoorbeeld niet mee op schoolreis, omdat ze bang waren dat ik bij terugkomst dood zou zijn. Op die manier heeft de drank — heb ik — ze een groot deel van hun jeugd ontnomen. Daar voel ik me nog altijd schuldig over. Maar ik kan het verleden niet ongedaan maken. Wat ik wél kan doen, is vanaf nu de best mogelijke moeder voor ze zijn.”
Vertrouwen
“Aan een nieuwe liefdesrelatie durf ik nog niet te beginnen. Eerst wil ik mijn eigen leven helemaal op orde hebben. Dat gaat goed; ik ben niet één keer terugvallen. Vorig jaar heb ik mijn rijbewijs gehaald en een autootje gekocht. De vrijheid die dat geeft is fantastisch. En een paar weken geleden heb ik het eerste jaar van mijn HBO-opleiding Ervaringsdeskundige in de zorg afgerond. Ik, die de mavo niet eens heeft afgemaakt! Tegen alle mensen die nooit in me hebben geloofd, zeg ik: wacht maar af. Ik zal jullie een poepje laten ruiken.
Natuurlijk heb ik nog wel eens moeilijke momenten, als ik boos of verdrietig ben en de stress oploopt. Maar in plaats van zulke gevoelens weg te stoppen, weet ik nu hoe hoe ik ermee moet omgaan. Bijvoorbeeld door te gaan hardlopen, of door gedichten te schrijven. Zo nodig bel ik mijn psychiater. Het allerbelangrijkste is dat ik, door dag in, dag uit de juiste keuzes te maken, het vertrouwen van mijn dochters heb herwonnen. Ze laten me nu zelfs weer zonder zorgen alleen boodschappen doen. Want zij weten het net als ik zeker: ik gebruik nooit meer.”

[Paspoort]

  • Naam: Liesbeth Steinfelder
  • Geboren: 5 april 1980 in Veendam
  • Woonplaats: Hoogezand
  • Opleiding: volgt de tweejarige HBO-opleiding Ervaringsdeskundige in de zorg aan de Hanzehogeschool in Groningen
  • Privé: alleenstaand; drie dochters van 15, 12 en 9
  • Bijzonderheden: werkte mee aan het EO-programma De Verandering

[Kader]
De Borch
De Borch is een kliniek voor gezinnen met kinderen tot twaalf jaar, waarvan een of beide ouders een verslaving heet. Ook is er plaats voor zwangere vrouwen, met of zonder partner. In totaal is er plaats voor zestien gezinnen en vier zwangeren. Elk gezin verblijft in een eigen zit- en slaapkamer. Schoolgaande kinderen kunnen terecht bij een basisschool in de buurt. In de kliniek is ook een crèche voor de kinderen die nog niet naar school gaan. Het behandelprogramma duurt maximaal twaalf maanden. Zo nodig is er ook hulp voor de kinderen. Meer informatie: vnn.nl 

[Kader]
Verslaving in Noord-Nederland

  • In Noord-Nederland hebben 80.000 mensen problemen met verslavende middelen. Dat zijn vier voetbalstadions vol. 
  • Jaarlijks behandelen de professionals van Verslavingszorg Noord Nederland 10.000 cliënten. 77 procent van hen is man. 
  • 40 procent van de hulpvragen gaat over alcohol, 28 procent over hard drugs, 16 procent over cannabis en 4 procent over gokken. 
  • De gemiddelde leeftijd van cliënten met een alcoholverslaving is 47 jaar, met cannabisverslaving 28 jaar. 

HOOP DOET LEVEN

15 Mei

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 12 mei 2018 (Foto’s: Jaspar Moulijn)

Tien jaar geleden was Peter Smit (33) ernstig depressief en beschadigde hij zijn lichaam. Vandaag de dag heeft hij de allesoverheersende wanhoop achter zich gelaten, en helpt hij als ervaringsdeskundige psychiatrisch patiënten de regie over hun leven terug te krijgen. 

  • Naam: Peter Smit
  • Geboren: 9 september 1984 in Hoogezand-Sappemeer
  • Woonplaats: Emmen
  • Opleiding: MBO ICT, HBO Ervaringsdeskundige
  • Werk: werkt voltijd als ervaringsdeskundige in de psychiatrie
  • Privé: woont samen met zijn vriendin, hun hond Balin en hun twee katten Biruh en Misty.
  • Bijzonderheden: werd aangenomen bij het Korps Mariniers, maar besloot na twee maanden met de opleiding te stoppen

De littekens op zijn onderarmen zijn nog duidelijk zichtbaar. Witte lijnen en vlekken, die een dagelijkse herinnering vormen aan het verleden. De huid van de linkerarm is een wirwar van ontelbaar veel krassen, ingekerfd met messen, glasscherven of welk ander scherp voorwerp er ook maar voorhanden was. Op de rechterarm een haast sierlijk patroon van lichte vlekken, iets groter dan twee euromunten. Dat zijn de overblijfselen van de brandwonden die Peter Smit (33) zichzelf jarenlang toebracht. Tenminste, een deel ervan. De heftigste beschadigingen zijn operatief verwijderd, en met een huidtransplantatie van zijn been afgedekt. Hij schaamt zich er niet voor om zijn gehavende lijf aan de wereld te tonen. “Mijn littekens zijn onderdeel van mij en mijn verhaal”, zegt hij simpel.
Anders
Dat verhaal begint in het Friese Noordbergum, waar Smits vader dominee was. Het gezin — vader, moeder, Peter en zijn oudere zus — woonde in de pastorie, naast de kerk. Eind jaren ’80 telde het dorp een kleine 2000 inwoners. Dus toen bleek dat Smit ‘anders’ was dan de andere kinderen, waren de ogen al snel op hem gericht. “Ik snapte de wereld om me heen niet”, vertelt hij. “Op de basisschool liep ik daardoor vast. Het was net alsof ik door een andere bril keek. De rekentafels kreeg ik niet in mijn hoofd, terwijl ik alles wist van het heelal. Daar konden de juffen en meesters weinig mee. Ik voelde ook niet aan wat klasgenootjes van me verwachten. Wat voor hen vanzelfsprekend was, vond ik onbegrijpelijk. Ik had geen antenne voor hoe het hoorde, voor wat normaal was of niet. Gingen we belletje trekken, dan bleef ik staan terwijl de rest wegrende. Zo werd ik het sukkeltje van het dorp.”
Zijn leeftijdgenoten hadden al gauw door dat Smit van hen verschilde, en dus kwetsbaar was. Ze scholden hem uit, pakten zijn knikkers af, lieten hem niet meespelen. Dat werd nog erger toen hij op zijn zevende naar een lomschool in Leeuwarden moest. “‘Daar gaat de mongool’, riepen ze als ik ’s ochtends met een speciaal busje werd opgehaald.”
Gevaarlijk
Zijn liefhebbende ouders probeerden Smit zo goed mogelijk te helpen en te beschermen. Ze legden hem uit dat hij thuis in zijn eigen wereld kon leven, maar dat het aan de andere kant van de voordeur heel anders werkte. De boodschap die hij daar uithaalde was: buiten is het gevaarlijk. “Terwijl mijn klasgenoten in de pauze speelden, verzamelde ik stenen en scherven die ik zo nodig als wapen kon gebruiken als de chauffeur van het busje me zou ontvoeren, of iemand anders me kwaad zou doen.”
Ondertussen probeerde hij wanhopig om ‘normaal’ te zijn. Toen hij van zijn ouders vurig gewenste witte sportschoenen kreeg, wist hij het zeker: nu hoor ik erbij. Vol verwachting vertrok hij naar school, in de overtuiging dat hij overladen zou worden met complimenten. In plaats daarvan gingen de andere kinderen één voor één met hun vieze zolen op zijn nieuwe schoenen staan. “Hoe hard ik ook mijn best deed, het was niet genoeg. Ik snapte niet waarom; mijn verwachtingen klopten nooit met de werkelijkheid.”
Ook op de lomschool bleken ze Smit niet de hulp te kunnen bieden die hij nodig had. Op z’n elfde restte er niets anders dan dagbehandeling in een kliniek voor jeugdpsychiatrie. Daar kreeg hij in een huiselijke omgeving een jaar lang bijgebracht hoe het dagelijkse leven werkt. Dat je je jas ophangt en iemand een hand geeft als je binnenkomt, dat je stil bent als een ander voor het eten wil bidden, en dat je niet lacht als een klasgenoot pijn heeft of verdrietig is. Ook leerde hij op een andere manier te denken: oorzaak en gevolg scheiden, reflecteren, zich concentreren. “In praktische zin heb ik daar ongelofelijk veel aan gehad”, zegt hij. “Tegelijkertijd was dat jaar funest voor mijn zelfvertrouwen. Dat ik naar zo’n kliniek moest, was de ultieme bevestiging van mijn anders zijn. Toen ik er op mijn twaalfde vertrok, voelde ik me niets meer waard.”
Huisje, boompje, beestje
Het gezin verhuisde naar Emmen, waar Smit eerst naar het voorbereidend en later naar het middelbaar beroepsonderwijs ging. Met zijn nieuw verworven vaardigheden kon hij zich aardig staande houden. “Ik kom uit een familie van hoogopgeleide, succesvolle mensen met goede banen”, vertelt hij. “Daar wilde ik niet voor onderdoen. Ik meldde me bij het Korps Mariniers, in de hoop dat mensen me dan stoer zouden vinden. Maar na een paar weken wist ik al dat dat niets voor mij was. Later probeerde ik me te bewijzen door een vierjarige ICT- opleiding te doen volgen. Ook dat paste eigenlijk helemaal niet bij me.”
Al zijn keuzes draaiden om één ding: geaccepteerd worden. Het was ook de reden dat Smit op z’n 21ste samen met zijn eerste vriendin een huis kocht. Want huisje, boompje, beestje, zo hoorde het toch? “Achteraf was dat het slechtste wat ik kon doen”, zegt hij nu. “Ik raakte de stabiele, veilige omgeving van mijn ouderlijk huis kwijt. Bovendien dwong het samenwonen me om constant een rol te spelen. Op bezoek bij schoonfamilie, samen boodschappen halen: ik deed het omdat het van mezelf moest. Maar ik was steeds bang dat ik in de fout zou gaan, dat mensen me raar zouden vinden. Toch ploeterde ik voort. Want als ik dit ook niet tot een succes kon maken, wat bleef er dan nog voor me over?”
Dat voortdurend de schijn ophouden, eiste echter wel zijn tol. Smit werd kortaf en depressief. Zijn relatie begon scheuren te vertonen. Hij kwam veel aan, kreeg allerlei onverklaarbare lichamelijke klachten en moest zich steeds vaker ziek melden bij de computerwinkel waar hij werkte. Toen hij op z’n 23ste helemaal thuis kwam te zitten, ging het razendsnel bergafwaarts.
Pijn
Smit herinnert zich het moment als de dag van gisteren. Juni 2010 was het, toen hij een glas liet vallen. Bij het opruimen van de scherven sneed hij zich per ongeluk in zijn hand. “De pijn drong door al mijn verdoofde emoties heen. De wereld was voor mij één groot raadsel. Maar die pijn snapte ik wél. Hij paste bij de somberheid en boosheid in me. Wat een opluchting gaf dat. Het was het enige gevoel dat ik zelf onder controle had. Bovendien verdiende ik het als mislukkeling om te lijden, vond ik. Pijn was dus een passende straf.”
De dag na het incident wist Smit: die ontlading wil ik weer voelen. Hij begon zichzelf steeds vaker te beschadigen, vooral als de wanhoop de overhand kreeg. Het bleef overigens niet bij snijden; hij bracht zichzelf ook brandwonden toe, bijvoorbeeld door een paperclip in het vuur te houden tot die gloeiend heet was, en hem vervolgens op zijn huid te drukken. Zijn wonden verzorgde hij — zo goed en zo kwaad als het ging — zelf. “Op internet kun je alles bestellen, ook hechtdraad en
-naalden. Daarmee naaide ik de snijwonden dicht. Zonder verdoving uiteraard.”
Smit was in die periode in behandeling bij een psycholoog. Hij kwam daar regelmatig met z’n armen in het verband. De therapeut bood hem hulp, maar maakte hem ook verwijten. “Hij vond mijn zelfbeschadiging een vorm van aandachttrekkerij. Volgens hem probeerde ik de boel te manipuleren. Pas toen ik mezelf letterlijk aan stukken had gesneden en mijn vriendin mijn behandelaar in paniek opbelde, nam hij me serieus. Had hij dat eerder gedaan, dan had het vermoedelijk nooit zo ver hoeven komen.”
Vijfhonderd hechtingen
Smit werd opgenomen. Ondanks dat hij inmiddels twee zelfmoordpogingen had gedaan, kwam hij — tegen zijn zin — op een open afdeling terecht. “Voor mijn opname had ik scheermesjes onder de steunzool van mijn schoenen verstopt. Daarmee heb ik mijn polsen doorgesneden.”
Toen het bloed eruit gutste, raakte hij in paniek. ‘Hier zit ik niet op te wachten, ik zit net te eten’, verzuchtte de verpleegkundige bij wie hij zich totaal overstuur meldde. Ze bracht hem terug naar zijn kamer. “Pas na drie kwartier kwam er iemand om me naar de eerste hulp te brengen. Daar kreeg ik meer dan vijfhonderd hechtingen in mijn armen.”
Eén ding had hij met zijn wanhoopsdaad wel voor elkaar gekregen: hij mocht naar een gesloten afdeling. Maar ook daar lukte het hem om zichzelf te blijven beschadigen. “Dan vroeg ik bijvoorbeeld aan mijn ouders om een ringbandblok voor me mee te nemen, zodat ik wat kon schrijven. De spiraal gebruikte ik vervolgens om in mijn arm te kerven.”
De ommekeer kwam toen een nieuwe verpleegkundige haar intrede op de afdeling deed. Zij besloot het heel anders aan te pakken. “Ze vroeg me alle spullen waarmee ik mezelf pijn deed bij haar in te leveren, maar wel met de belofte dat ik ze altijd terug mocht vragen. Op het moment dat het me allemaal te veel werd, zocht ik haar op. ‘Kun je het nog even uitstellen?’, vroeg ze dan. Vaak lukte dat, soms niet. Dan sprak ik met haar af hoe lang ik mezelf zou  beschadigen. Daarna maakte ze me geen verwijten, maar vroeg ze me wat er was gebeurd dat ik het niet meer kon volhouden.”
Smit had in zijn leven al heel wat hulpverleners versleten. Maar door deze verpleegkundige voelde hij zich voor het eerst oprecht gezien en gehoord. “Zij is mijn redding geweest. Dankzij haar vond ik de moed om met mijn destructieve gedrag te stoppen.” Hij kreeg andere antidepressiva, waardoor hij snel opknapte. Voor de zekerheid werd hij — in overleg en op eigen verzoek — een maand lang 24 uur per dag in de gaten gehouden. Daarna mocht hij naar huis.
Gedaanteverandering
De acute crisis was weliswaar voorbij, maar daarmee waren de achterliggende problemen nog niet opgelost. Inmiddels was Smit alles kwijtgeraakt: zijn gezondheid, zijn baan, zijn vriendin, zijn huis en zijn geliefde katten. Onverzorgd en 170 kilo zwaar trok hij op z’n 28ste weer bij zijn ouders in. “Ik kon en durfde niets meer. Zelfs een brief posten was al te veel.”
Zijn alles overheersende minderwaardigheidsgevoel verlamde hem volledig. Uiteindelijk zou hij zichzelf dankzij de hulp van een begripvolle behandelaar langzaam terugvinden. “In heel kleine stapjes hielp hij me mijn leven weer op te bouwen. Vond ik dat ik naar Amsterdam moest kunnen, dan zei hij ‘loop eerst maar eens een rondje om het huis’.”
Na twee jaar hard werken was Smit er klaar voor om weer op zichzelf te gaan wonen. 75 kilo lichter, in een strak pak en medicijnvrij herkenden zijn oude hulpverleners hem nauwelijks terug. Ze vonden zijn gedaanteverandering zo inspirerend, dat ze hem vroegen of hij als ervaringsdeskundige — een zorgprofessional die spreekwoordelijke bruggen bouwt tussen hulpverleners en cliënten — bij hen wilde komen werken. Daarvoor moest hij dan wel eerst solliciteren en een tweejarige HBO-opleiding volgen.
“Ik stond op het punt om mijn psychiatrische verleden — inclusief het bijbehorende stigma — achter me te laten. Bovendien heb ik in de loop der jaren behoorlijk wat negatieve ervaringen met de GGZ gehad. Reden genoeg om de deur achter me dicht te trekken en nooit meer om te kijken, zou je denken. Maar na lang wikken en wegen ben ik toch op het aanbod ingegaan.”
De mogelijkheid om daadwerkelijk een verschil te kunnen maken gaf de doorslag. “Ik wil hulpverleners laten inzien dat cliënten vooral behoefte hebben aan erkenning, normalisering en menselijk contact. Dat weegt voor hen veelal zwaarder dan de therapieën, pillen en protocollen waar professionals vaak druk mee zijn. Herstellen lukt alleen als je de perspectieven van behandelaars en patiënten verenigt, en zo hun werelden samenbrengt. Ik vind het fantastisch dat ik daar nu een rol in kan spelen.”
Hoop
In 2014 begon Smit op kosten van zijn nieuwe werkgever aan zijn opleiding Ervaringsdeskundige in de zorg aan de Hanzehogeschool. Twee jaar later had hij zijn diploma en een baan op zak. Nu helpt hij hulpverleners om de belevingswereld van psychiatrische patiënten beter te begrijpen. “Het zit hem vaak in kleine dingen: nieuwsgierig zijn, een open houding hebben, de tijd voor iemand nemen, doorvragen. Daardoor voelen cliënten zich serieus genomen, en laten ze zich eerder helpen.” Behalve dat hij professionals adviseert, werkt hij ook met patiënten ze om de regie over hun leven terug te helpen terugkrijgen. “We hebben gedeelde ervaringen. Dat geeft een band en opent deuren.”
Voor Smit horen zijn suïcidale neigingen inmiddels tot het verleden. En na zijn opname heeft hij zichzelf ook nooit meer beschadigd. “Eind 2012 zat ik bij mijn ouders in een hoekje van de bank, 100 procent afgekeurd, mijn leven uitzichtloos. Nu werk ik voltijds. Ik kan andere mensen helpen, wat ik diep van binnen altijd al het wilde. Samen met mijn lieve vriendin heb ik net een huis gekocht. En als ik ’s avonds thuis kom, wachten er een hond en twee katten op me. Het allerbelangrijkste is dat ik op mijn 33ste eindelijk mezelf kan zijn, en daar nog trots op ben ook. Waarmee ik maar wil zeggen: er is altijd hoop.”

 

WERKGELUK LOONT

17 Apr

Anique Wijnhoud jpg.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 17 april 2018

Een geluksrevolutie teweegbrengen: dat is wat psycholoog Anique Wijnhoud wil. Op de werkvloer, wel te verstaan. Want qua welzijn op het werk valt er volgens haar nog een wereld te winnen. 

Paspoort
Naam: Anique Wijnhoud
Leeftijd: 27
Opleiding: Toegepaste Psychologie aan de Hanzehogeschool Groningen
Beroep : Oprichter en eigenaar van Rebelpoint in Groningen, een organisatieadviesbureau gespecialiseerd in het creëren van meer werkgeluk
Sinds: 2014

Iedereen kent wel zo iemand. Een familielid of vriend die elke dag met tegenzin naar zijn werk gaat. Die geen lol (meer) heeft in wat hij doet, en ’s avonds uitgeput thuiskomt. Hoe hij daar verandering in moet brengen, weet hij niet. Een andere baan zoeken misschien? Grote kans dat hij zich daar na een tijdje dan weer net zo ellendig voelt. Zonde, vindt Anique Wijnhoud dat. Als organisatieadviseur, gespecialiseerd in werkgeluk, hoort zij dagelijks dit soort verhalen. “Vaak voelen mensen zich overgeleverd aan allerlei — negatieve — omgevingsfactoren. De bedrijfscultuur die moordend is, collega’s die elkaar afvallen of de inhoud van het werk die saai is bijvoorbeeld. Ze hebben het idee dat daar zelf weinig invloed op kunnen uitoefenen. En dus nemen ze er maar genoegen mee dat er niet meer in zit. Bij werkzoekenden zie ik dat trouwens ook. Ze accepteren de eerste beste baan, zodat ze in ieder geval ‘maar iets’ hebben. Wat een verspilling van energie en talent, denk ik dan. Op die manier doe je jezelf én je werkgever tekort.” 

Waarom? Eén baan is beter dan géén baan, zullen veel mensen denken.
“Natuurlijk snap ik dat er brood op de plank moet komen. Maar als je werk doet dat eigenlijk niet bij je past, waarvoor je je emotioneel in allerlei bochten moet wringen en dat je niet gelukkig maakt, houd je het op de lange duur niet vol. Bovendien kun je op die manier je talenten en vaardigheden niet optimaal benutten, en dus ook niet het beste van jezelf geven.” 

Wat maakt dat iemand wel of niet gelukkig is in zijn werk?
“Essentieel is dat je iets doet wat aansluit bij wie bent, en hoe je in het leven staat. Daar bedoel ik mee dat je er energie van krijgt en dat je je nuttig voelt. Verder willen mensen zich graag kunnen ontwikkelen in hun werk. En een positieve werksfeer en steun van collega’s en leidinggevenden zijn ook belangrijk.” 

Je hebt dat soort dingen toch niet altijd voor het uitkiezen?
“Meer dan je denkt! Maar dan moet je wel eerst van jezelf weten waar je goed in bent, waar je energie van krijgt, wat je belangrijk vindt en wat je van anderen nodig hebt om dat waar te maken. Als je dat snapt, kun je vervolgens dingen gaan veranderen. Daar help ik organisaties en teams bij. Met als doel zoveel mogelijk happy rebels te creëren. Zo noemen we medewerkers die weten wat ze kunnen en willen, en de durf hebben om daarnaar te handelen. Dat dat loont, blijkt wel uit het feit dat zij hun werkgeluk gemiddeld een negen geven.” 

Hoe pak je dat aan?
“Ik heb een speciale methode ontwikkeld, waarmee mensen aan de hand van praktische opdrachten veertig dagen aan de slag gaan met het thema werkgeluk, zowel individueel als in groepsverband. Onlangs heeft het personeel van een Groningse winkel dat bijvoorbeeld gedaan, maar ook een operatieteam van een ziekenhuis. Na afloop bleken de deelnemers hun passie en energie te hebben teruggevonden, en werkten ze beter samen.”  

Waarom veertig dagen?
“Omdat het gemiddeld zoveel tijd kost om gedrag te veranderen. Vandaar ook dat bijvoorbeeld trainingen op de lange duur meestal weinig effect hebben; ze beklijven niet.” 

Organisatieadviseurs zijn er te over. Wat maakt jouw aanpak anders?
“In plaats van te focussen op wat er allemaal mis is, laat ik mensen inzien wat er wél kan. Daarvoor maak ik gebruik van mijn kennis over positieve psychologie. Ik geloof heilig dat medewerkers prima in staat zijn om hun eigen werkgeluk te vergroten. Het enige wat ze nodig hebben, is een kaart en een kompas om van A naar B te komen. Die lever ik ze.”

Je bent 27 en zelf pas een paar jaar aan het werk. Waar haal je de wijsheid vandaan?
“Al tijdens mijn studie vond ik het frusterend om te zien dat zoveel mensen qua werk niet op de goede plek zitten. Of wel op de goede plek zitten, maar daar niet tot hun recht komen. Dat moet beter kunnen, dacht ik. Zo ontstond het idee voor mijn bedrijf. Uiteindelijk is daar mijn Rebel-methode uit voortgekomen.” 

Wat is je advies voor mensen die op dit moment naar een baan op zoek zijn?
“Veel werkzoekenden staren zich blind op vacatures en proberen hun CV daarop aan te passen. Mijn tip is om dat om te draaien. Breng eerst goed voor jezelf in kaart wat je belangrijk vindt in een functie, wat je te bieden hebt, waar je blij van wordt en voor wie je graag werkt. Zoek vervolgens een baan die daar zo goed mogelijk op aansluit. Beperk je niet tot vacatures in jouw studie- of werkgebied, durf breder te kijken. En wees trots op jezelf. Werkzoekenden hebben vaak de neiging om zich onderdanig op te stellen. Ze vinden dat ze dankbaar moeten zijn als iemand ze een baan wil geven. Volgens mij is het precies andersom. Een organisatie mag blij zijn als je voor ze wilt werken! Als je door zo’n andere bril naar de arbeidsmarkt gaat kijken, zul je zien dat er nieuwe kansen op je pad komen.” 

 

DE LAATJES VAN JÖRG

29 Mrt

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 24 maart 2017. (Foto’s: Reyer Boxem)

Kunsthistoricus Christiaan Jörg (73) werkte 26 jaar als conservator in het Groninger Museum. Hoewel hij officieel al lang met pensioen is, komt hij er nog minstens twee keer per week. Genoeg te doen. “Ik zou het heel jammer vinden als ik binnenkort dood zou gaan.”

[Kader]
PASPOORT
Naam: Christiaan Jörg
Geboren: 14 november 1944 in Heino (Overijssel)
Opleiding: Studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden. Promoveerde daar op een onderzoek naar de handel van de VOC in Chinees porselein in de 18e eeuw.
Werk: Was van 1977 tot zijn pensioen in 2003 conservator en hoofd onderzoek bij het Groninger Museum. Maakte daar meer dan 25 tentoonstellingen. Werkte daarnaast als hoogleraar Oost-Westrelaties in de decoratieve kunst in Leiden.
Privé: Was 45 jaar getrouwd met Els Winkler. Sinds 2015 weduwnaar. Twee dochters, Eline (46) en Justine (44) en twee kleinkinderen, Merel (15) en Daan (11).
Bijzonderheden: Kreeg in 1995 de Vuurslagprijs, de grootste kunsthistorische prijs van Nederland. Werd in 2012 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Wie de ruim honderd jaar oude villa van kunsthistoricus en conservator Christiaan Jörg in het Groningse Haren binnenstapt, waant zich in een als woonhuis verhuld museum. Overal waar je kijkt, staan, liggen of hangen kunstvoorwerpen. Beelden en schilderijen, maar ook potten, vazen en houtsnijwerk. Wie de laatjes van een van de vele kasten in de hoge kamers opentrekt — dat mag van Jörg, graag zelfs — ontdekt nog veel meer schatten. De fossielen en kristallen bijvoorbeeld, die hij van kinds af aan verzamelde. Begrijpelijk dat niet alleen zijn eigen kleinkinderen, maar ook die van vrienden en buren graag in dit schathuis komen. “Als ze iets heel mooi vinden, geef ik het ze cadeau”, zegt Jörg, terwijl hij gemberthee schenkt uit een theepot in de vorm van een kat. “Enthousiasme over schoonheid moet je belonen.” Ook de spullen waar hij erg aan gehecht is? “Juist die”, benadrukt hij. “Iets weggeven waar je zelf geen band mee hebt, is te makkelijk.”
Tijdmachine
Toen we een afspraak voor dit interview planden, moest Jörg even goed in zijn agenda kijken. Die is op zijn 73-ste namelijk behoorlijk vol. Zo is hij zeker twee keer per week in het Groninger Museum te vinden. Om nieuwe tentoonstellingen te maken (dat doe hij ondanks zijn pensioen nog altijd), aankopen te doen of te helpen met onderzoek. Verder reist hij de wereld over om lezingen over zijn vak en zijn passie — Aziatisch exportkeramiek uit de 17e en 18e eeuw — te geven. Binnenkort gaat hij daarvoor bijvoorbeeld naar Taiwan.
Thuis werkt hij intussen in één van zijn twee ruime werkkamers aan zijn magnus opus: het catalogiseren van de grootste en oudste collectie van Chinees en Japans exportporselein ter wereld, bewaard in Dresden. Dat doet hij samen met 28 collega’s uit negen landen, aan wie hij vanachter zijn computer online leiding geeft. “Overleggen doen we via Skype, hartstikke handig.” Vermoedelijk zijn ze nog wel een jaar of twee met het project zoet.
En dan zijn er nog de ‘tussendoortjes’. Zo is Jörg één van de keurmeesters op de internationale kunstbeurs TEFAF, die momenteel in Maastricht plaatsvindt. “Met een team van conservatoren en handelaren checken we of de aangeboden stukken wel echt zijn”, vertelt hij. “Zo hebben we er vorig jaar een Chinese vaas uitgevist, waarvan het deksel uit een 3D-printer kwam. Niemand anders had dat opgemerkt.”
Terwijl hij erover verhaalt, beginnen zijn ogen te glimmen. Wat dat betreft is er weinig veranderd sinds hij op zijn negende in de tuin van zijn oom een witte scherf vond met daarop een blauwe Chinese dame. Een ander kind had die waarschijnlijk ongeïnteresseerd aan de kant gegooid, maar Jörg kon zijn geluk niet op. Het antieke porselein had voor hem iets magisch. Het was een tijdmachine, een toegangspoort naar een andere wereld. Meer dan zestig jaar later bezit hij de scherf nog.
Verhalen
Kleermaker of dominee: dat waren de carrièremogelijkheden waar Jörg in de jaren ’50 mee opgroeide. Het waren de beroepen van zijn vaders familie. Een idiote keus, vond hij het. “Met kleren maken had ik niets. En in een kerkelijke God heb ik nooit zo geloofd.”
Dat laatste is best opmerkelijk voor de zoon van een hervormde dominee, die tot zijn 20e iedere zondag in de kerk zat om naar de preek van zijn vader te luisteren. “Van jongs af zag ik hoe het er in de kerk achter de schermen aan toeging. Er was gekonkel, gedoe over posities. Een boterham met niets was in ons gezin heel normaal, zo krap hadden mijn ouders het. Maar ondertussen moesten ze naar buiten de schijn ophouden. Dat vond ik hypocriet.”
In plaats daarvan verloor Jörg zich liever in kunst. Als tiener verzamelde hij kunstafbeeldingen uit oude kalenders en tijdschriften, die hij samenbond in zelfgemaakte boeken. Op zijn zestiende kocht hij van een handelaar in Den Haag zijn eerste kunstwerk, een granieten eskimobeeldje, dat nog altijd een prominente plek in zijn woonkamer heeft. “Het is krachtig en kwetsbaar tegelijkertijd”, zegt hij, terwijl hij zijn handen er liefdevol over laat glijden. “In die onafhankelijkheid herken ik mezelf.”
De verbeelding van hun eigen geest: dat is de rode draad door de enorm gevarieerde privécollectie, die Jörg afgelopen decennia met zijn (inmiddels overleden) vrouw Els opbouwde. “Het gaat mij er niet om wat iets waard is, of dat het bij de rest past, maar om wat voor gevoel een voorwerp me geeft. Neem mijn laatste aankoop, een moderne pot die ik vorig jaar in Canada op de kop heb getikt. Door de vorm en de kleuren lijkt het alsof daar een herfststorm in woedt. Zodra ik die zag, voelde ik: deze pot hoort bij mij.”
Inmiddels mag Jörg dan een internationaal bekende porseleinexpert zijn, zijn ouders keken er vreemd van op als hij als tiener weer met iets nieuws thuiskwam. Ze hadden weinig met kunst. Maar wat ze wel begrepen, was zijn passie voor verhalen. “Mijn vader vond die in de bijbel, ik in oude voorwerpen. Allemaal hielden we van lezen. Ik weet nog goed dat mijn vader eind jaren ‘50 In de ban van de ring van Tolkien kocht. Hij en mijn moeder waren zo onder de indruk van de trilogie, dat ik twee dagen van school thuis mocht blijven om die zelf te lezen.”
Gouden kans
Kunst als hobby was goed en wel, maar Jörg moest van zijn ouders wel gewoon een nuttig vak leren. Dus ging hij rechten studeren, in Leiden. Vreselijk vond hij dat. “Ik voelde me verscheurd. Aan de ene kant wilde ik mijn familie niet teleurstellen, aan de andere kant verloochende ik mezelf.”
Inmiddels had hij zijn latere vrouw Els leren kennen, een vijf jaar oudere onderwijzeres. “Els bleek net als ik fossielen te verzamelen. ‘Zal ik je collectie komen bekijken?’, vroeg ik. Vanaf dat moment waren we onafscheidelijk.” Uiteindelijk was het Els die Jörg overhaalde om na drie jaar met rechten te stoppen. “Op deze manier worden we allebei niet gelukkig”, zei ze. Meer aanmoedig had hij niet nodig om naar kunstgeschiedenis over te stappen. Ondertussen trouwden ze. “We huurden een piekplein pandje in Leiden, dat was afgekeurd als fietsenstalling. Toen onze dochter Eline werd geboren, hingen we haar in een Perzische hangmat aan de balken. Justine, die twee jaar later kwam, sliep in een zeepkistje op tafel.”
In 1977 kwam het aanbod dat het verdere leven van Jörg zou bepalen. “Ik kreeg de mogelijkheid om conservator te worden in het Groninger Museum. Een gouden kans, want zoveel werk was er niet voor kunsthistorici. We hebben onze kinderen opgepakt en zijn direct vertrokken. In Groningen ben ik mezelf geworden, als specialist en als mens.”
Gebruiksvoorwerpen
Tijdens zijn studie was Jörg gefascineerd geraakt door kunstnijverheid. “Iedereen heeft wel een oud kastje of antiek bordje in huis”, verklaart hij de bekoring. “Die spullen vertellen elk hun eigen verhaal. Over wie we als Nederlanders zijn, en waar we vandaan komen. Je hebt er letterlijk een stukje geschiedenis mee in handen.”
Des te verdrietiger vindt hij het dat kunstnijverheid tot op de dag van vandaag minder aanzien geniet dan beeldende kunst. Vermoedelijk omdat het om voorwerpen uit het dagelijkse leven gaat. “Dat maakt ze voor sommige mensen minder speciaal. Voor mij werkt het precies andersom. Juist het feit dat mensen ze vroeger hebben gebruikt, creëert de magie.”
In het Groninger Museum had Jörg allerlei nijverheidscollecties onder zijn hoede, van meubels tot textiel. Maar Aziatische porselein was en is zijn grote liefde. Zijn tentoonstellingen en publicaties daarover zetten hem internationaal op de kaart.
“Aan het einde van de achttiende eeuw raakte Aziatisch porselein in het westen van het land uit de mode en verdween het naar kelders en zolders”, vertelt hij. “In Groningen en Friesland wisten ze echter dondersgoed wat opa en oma ervoor hadden betaald. Daardoor koesterden ze het meer, en is er veel bewaard gebleven. Dat verklaart waarom het Groninger Museum, maar ook de Princessehof in Leeuwarden, er zo’n rijke collectie van hebben.”
Zelf voegde Jörg daar trouwens nog flink wat aan toe; de afgelopen veertig jaar verwierf hij in totaal meer dan 1200 stukken voor het Groninger Museum.
Schatgraverij
In 1986 klopte veilinghuis Christie’s bij Jörg aan. Dat wilde een lading van 200.000 Chinese porseleinen voorwerpen verkopen, afkomstig uit een VOC-schip dat drie jaar eerder door een Britse duiker in de buurt van Singapore was opgedoken. Medewerkers vroegen of hij kon achterhalen om welk schip het ging. Prima, dacht hij, maar dan wel in ruil voor een exemplaar van alle verschillende soorten porselein aan boord voor het Groninger Museum. Aan de hand van de inventarislijsten kon hij reconstrueren dat het schip de Geldermalsen was, uit 1752. Mede dankzij zijn uitzoekwerk en het boek dat hij erover publiceerde, bracht de lading uiteindelijk 43 miljoen gulden op.
Overigens werd die actie hem in de kunstwereld niet in dank afgenomen. De duiker had alles zelf naar boven gehaald, zonder hulp van een archeoloog. Collega’s vonden daarom dat Jörg had meegewerkt aan schatgraverij, en plundering van de scheepvaartgeschiedenis. “Misschien hadden ze een punt”, zegt hij daar achteraf over. “Maar gedane zaken nemen geen keer. Ik had twee opties: óf mijn handen er vanaf trekken, óf zorgen dat de unieke verzameling werd veiliggesteld en gedocumenteerd. Uit praktische overwegen heb ik voor het laatste gekozen. Zo is een compleet overzicht voor ons museum behouden gebleven.”
Met dit soort grootse avonturen zou Jörg een boek kunnen vullen. Maar aan de kleine verhalen, van de mensen die bij hem aanklopten omdat ze wilden weten wat het bordje van hun moeder of opa waard was, beleefde hij net zoveel plezier. “Ik kreeg een keer bijna een hartstilstand toen een dame een zeldzame, gemerkte Delftse tulpenvaas uit haar tas trok. Die is later in New York geveild voor 12.000 dollar.”
Onverwoestbare basis
Kunstnijverheid is de ene constante in Jörgs leven. De andere was zijn vrouw Els. De twee waren vijftig jaar onlosmakelijk met elkaar verbonden. “We deelden de liefde voor schoonheid”, zegt hij. “Els was zelf een begenadigd kunstenares. Tijdens de oorlog had ze met haar moeder in een jappenkamp gezeten. Als gevolg van die traumatische ervaring kon ze haar emoties moeilijk uiten. Door haar gevoel in beelden uit te drukken, lukte dat wel.”
Dat ze al die jaren samen zijn gebleven, komt volgens hem omdat ze over alles konden praten. En omdat ze elkaar de ruimte gunden. “We hadden ieder ons eigen werk, ons eigen leven. We hadden oog voor wat de ander nodig had, hoe die het beste kon gedijen. Zulke oprechte aandacht en zorgzaamheid zorgen voor een onverwoestbare basis.”
Vier jaar geleden kreeg Els darmkanker. Twee jaar later overleed ze, thuis, met haar man en haar dochters aan haar bed. Jörg is intens dankbaar dat ze de tijd hebben gehad om geleidelijk afscheid van elkaar te kunnen nemen. “De rouw begon op de dag dat we hoorden dat ze niet meer beter zou worden. Met z’n tweeën hebben we een graf uitgezocht. ‘Een steen is zo zwaar’, zei ze. Dus spraken we af dat ik plantjes op het graf zou zetten. Het was helend om dat te kunnen delen.”
Wat hem helpt, is dat Els nog overal in huis aanwezig is, in de vorm van haar eigen kunstwerken. “Neem deze hemeltroon”, wijst Jörg op een met witte pluisstof bedekte hoge stoel. ‘Ben fietsen’ staat er op het bordje dat er in hangt. “Ze heeft dit werk kort voor haar dood gemaakt. Het is de zetel van een engel die genoeg van zijn baan had en zijn vleugels heeft opgehangen. Die daadkracht en droge humor, dat was Els.”
Feestje
“Nu ga je zeker snel verhuizen”, zeiden mensen na het overlijden van zijn vrouw tegen Jörg. Maar hij piekert er niet over om het enorme pand met tuin van 80 meter diep te verlaten. “Dit is mijn schil, hier voel ik me veilig. Ieder ding in dit huis heeft een verhaal. Beter gezelschap is er niet.”
Tot zijn eigen verbazing kan hij er inmiddels ook van genieten om in z’n eentje te zijn. “Zoiets gaat natuurlijk niet vanzelf. Een paar maanden na Els’ dood heb ik heel bewust besloten: ik ga er het beste van maken. Ik kook elke dag, dek de tafel. Ik houd het huis — en mezelf — netjes en schoon. En ik besteed veel tijd aan het onderhouden van mijn netwerk, zowel privé als zakelijk. Doe ik dat niet, dan denken ze binnen de kortste keren dat ik Alzheimer heb, of dood ben. Dat kan ik me niet veroorloven, want ik heb nog zoveel te doen!”
De wereld een beetje mooier maken; dat is zijn drijfveer bij alles wat hij onderneemt. In zijn werk, in zijn relaties, in zijn dagelijkse leven. Natuurlijk heeft hij de mazzel dat hij op zijn 73ste nog fit en onafhankelijk is. Maar dat zit volgens hem ook voor een belangrijk deel tussen de oren. “In mijn hoofd voel ik me nog altijd 45. Dat is de mooiste leeftijd: je hebt de nodige ervaring, waardoor je niet snel uit het lood raakt, met nog voldoende energie om de wereld te kunnen veroveren.”
Ouder worden vindt hij dan ook een beetje een feestje. “Niks hoeft, alles mag. Heerlijk is dat. Ik zou het echt heel jammer vinden als ik binnenkort dood zou gaan. Het is dat de wetenschap mijn hersenen nog niet kan transplanteren, anders zou ik vooraan in de rij staan.”

[Kader]
De wereld in huis
In de 17e en 18e eeuw importeerden de VOC en particulieren grote hoeveelheden Chinees en Japans porselein en lakwerk uit ‘de Oost’. Vooral het porselein drong door tot in alle lagen van de bevolking; zelfs de armsten hadden vaak een Chinees bord of een theekop en schotel in huis. Zo veroverden Aziatische gebruiksvoorwerpen een plek in het dagelijks leven in Nederland. De tentoonstelling ‘De wereld in huis’ die Christiaan Jörg hierover maakte, is nog maart 2019 te zien in het Groninger Museum.
groningermuseum.nl

MINDER SOMBER DOOR YOGA

23 Feb

yoga en depressie jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 22 februari 2018

Veel mensen die aan yoga doen, voelen zich daardoor beter. Lichamelijk én geestelijk. Maar kan yoga ook zinvol zijn bij de behandeling van depressieve klachten? Dat testen onderzoekers van GGZ-instelling Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen momenteel.

Het begon allemaal met de behoefte aan meer ontspanning, en rust in haar hoofd. Dat was voor Nina Vollbehr (33), psycholoog en onderzoeker bij Lentis, de aanleiding om ruim tien jaar geleden zelf met yoga te starten. “Ik was een serieuze student die veel met haar neus in de boeken zat”, zegt ze. “Yoga leek me een daar een mooie tegenhanger voor.”
Het beviel zo goed, dat ze een fervente yogi werd, zoals de beoefenaars van yoga officieel heten. Maar geen haar op haar hoofd die er op dat moment aan dacht om daar professioneel iets mee te gaan doen. Dat kwam pas in 2012, nadat ze tijdens een sabbatical van vijf maanden als vrijwilliger bij het Kripalu Center for Yoga & Health in de Amerikaanse staat Massachusetts had gewerkt. Bij terugkomst ging ze aan de slag in het Centrum Integrale Psychiatrie (CIP) van Lentis, een gespecialiseerde GGZ-afdeling in Groningen. Daar kunnen patiënten behalve voor reguliere behandelingen bijvoorbeeld ook terecht voor leefstijltraining en op mindfulness gebaseerde inzichtstherapie. Yoga zou perfect bij in dat aanbod passen, dacht Vollbehr. Maar je kunt in de GGZ niet ‘zomaar’ een nieuwe behandeling aanbieden, zonder dat de werking daarvan is aangetoond. Wereldwijd is er weliswaar op meerdere plekken onderzoek naar gedaan, maar hard bewijs dat yoga als behandeling echt werkt, is er nauwelijks. Dus besloot Vollbehr daar zelf naar op zoek te gaan.
Jonge vrouwen
Ze volgde een opleiding tot yogadocent en ontwikkelde vervolgens samen met collega’s een 9-weeks yogaprogramma voor mensen met een depressie. Geen standaard yoga, maar groepslessen met yoga-, mindfulness- en ontspanningsoefeningen, aangevuld met online uitleg en oefeningen voor thuis. Het doel: minder gepieker en zelfkritiek, en anders leren omgaan met negatieve emoties.
“Al die zaken spelen een belangrijke rol bij het ontstaan, voortduren of terugkeren van een depressie”, legt Volbehr uit. “Het idee is dat je die denkmechanismen met behulp van yoga verandert, waardoor depressieve klachten afnemen.”
Om erachter te komen of dat daadwerkelijk zo is, onderzoeken Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen nu 170 vrouwen tussen de 18 en 34 jaar met dit soort klachten. De helft neemt deel aan de yogatraining, de andere helft niet. (Zie kader.) “We hebben met opzet gekozen voor jonge vrouwen, omdat zij het grootste risico op een depressie lopen. Als de uitkomsten van het onderzoek positief zijn, willen we uiteraard ook graag kijken of de training bij mannen met vergelijkbare klachten dezelfde resultaten geeft.”
Minder stress
Maar hoe werkt dat dan in de praktijk? Daarvoor moet je eerst iets over yoga in het algemeen weten. Dat is een manier om lichaam én geest te trainen. Door het doen van verschillende oefeningen leer je je lijf als het ware om minder intens op prikkels te reageren, en dus minder snel in de stress te schieten. Prikkels van buiten, maar ook van binnen, bijvoorbeeld in de vorm van gepieker. Door meer te focussen op het hier en nu, krijgen zorgelijke gedachten over het verleden of de toekomst minder kracht.
“Ook negatieve emoties hebben veel invloed bij depressie”, zegt Volbehr. “Als je dat soort gevoelens probeert te vermijden of weg te stoppen, worden ze alleen maar intenser en houden ze langer aan. Yoga helpt je ze in plaats daarvan te accepteren voor wat ze zijn, en er minder waarde aan te hechten. Verder kan yoga ervoor zorgen dat je aardiger en milder voor jezelf wordt. Depressie gaat vaak samen met zelfkritiek, en gevoelens van schuld of falen. Door onbevooroordeeld en vriendelijk naar jezelf te kijken, ontstaat meer zelfcompassie. Ook dat kan helpen”
Ze benadrukt dat het niet de bedoeling is om yoga in plaats van bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of medicatie in te zetten. “Die behandelingen zijn bewezen effectief. Maar ze werken niet bij iedereen even goed. Bovendien krijgen patiënten soms een terugval. Dus als we — in aanvulling op bestaande behandelingen — in de toekomst yoga kunnen aanbieden, vergroot dat hopelijk de kans op een langdurig succesvol resultaat.”

[Kader]
Onderzoek
Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) doen gezamenlijk onderzoek naar yoga als aanvullende behandeling bij depressie. Jonge vrouwen (18-34 jaar) met een depressie die in behandeling zijn bij Centrum Integrale Psychiatrie, PsyQ Depressie Groningen, PsyQ Emmen, Lentis Stadskanaal, Lentis Winschoten, Lentis Delfzijl, Forte GGZ en INTER-PSY kunnen zich voor het onderzoek aanmelden. Patiënten die de afgelopen zes maanden al minstens 30 minuten per week yoga hebben gedaan, zijn uitgesloten.
Deelnemers worden willekeurig ingedeeld in een behandelgroep (die de 9-weekse yogatraining volgt) of een controlegroep (die de training niet krijgt). De reguliere behandelingen die zij ondergaan, lopen tijdens de training gewoon door.
Vlak voor en na de training, en ook zes en twaalf maanden na afloop ervan, vullen de deelnemers een vragenlijst in en maken ze verschillende computertaken. Daarmee brengen de onderzoekers klachten als negatieve stemming, lusteloosheid en concentratieproblemen in kaart, maar ook het gevoel van welzijn en de kwaliteit van leven.
Na afronding van het onderzoek (eind 2019) krijgen deelnemers uit de controlegroep alsnog de mogelijkheid om aan de yogatraining mee te doen. Naar verwachting worden de uitkomsten in 2020 gepubliceerd.
Meer informatie: yogabijdepressie.nl.

[Testimonial]
Docent Anne (33) raakte vier jaar geleden als gevolg van ernstige depressieve en angstklachten arbeidsongeschikt. In aanvulling op ‘praten en pillen’ heeft ze veel baat gehad bij de 9-weekse yogatraining van Lentis.
“Achteraf ging het al heel lang slecht met me. Maar ik wilde of kon dat niet zien. Ik functioneerde op de automatische piloot, deed dingen omdat ze hoorden. En toen stortte alles plotsklaps ineen. Ik was zo somber en bang, dat ik het huis nauwelijks nog uit durfde. Ik wilde niets liever dan me verstoppen, mijn gevoel verdoven, er niet meer zijn. Mijn huisarts verwees me door naar het Centrum Integrale Psychiatrie. Daar begon ik met gesprekstherapie en medicijnen. Na twee jaar vroeg Nina me of ik aan een yogaonderzoek wilde meedoen. Dat leek me wel wat, vooral omdat ik nog steeds moeite had om in contact met mijn gevoel te komen. Bovendien vond ik het heel fijn om eens niet te praten, maar te doen.
Een depressie komt je concentratie niet ten goede, dus van de uitleg tijdens de lessen heb ik niet veel meegekregen. Maar de oefeningen waren een openbaring. Ze hielpen me om op te merken wat er eigenlijk allemaal in mijn lichaam gebeurde, of ik gespannen was of niet. Na de 9-weekse training ben ik zelf verdergegaan met yoga. Het heeft me geleerd om verbinding met mezelf te maken, en aardiger voor mezelf te zijn. Ik focus op wat er nu gebeurt, wat nu goed voelt, in plaats van op wat ik later allemaal moet, of wat ik over vijf jaar wil hebben bereikt.
Een yogapose kun je niet in één keer, daar word je stapje voor stapje beter in. Die ervaring heeft me ook op andere terreinen geholpen. Ik durfde bijvoorbeeld niet meer auto te rijden, zag mezelf in gedachten de vreselijkste ongelukken veroorzaken. Door het als een yogaoefening te benaderen, rijd ik inmiddels weer overal naartoe. Nog een voordeel: ik heb meer grip mijn emoties gekregen. Als ik nu somber ben, kan ik er met een afstandje naar kijken, in plaats van dat het gevoel me overspoelt. Voorheen had de paniek meteen toegeslagen. ‘Ik heb een terugval!’ Inmiddels weet ik dat mijn gemoedstoestand op en neer gaat, en dat ik erop kan vertrouwen dat het goed komt. Depressie en angst slokken alle ruimte op, nu durf ik zelf meer ruimte in te nemen.”

[Testimonial]
Sociaal werker Barbara (31) was drie jaar geleden zo depressief, dat ze alleen nog maar kon huilen en slapen. Nu reist ze — met yogamat — vijftien maanden door Nieuw Zeeland.
“Toen ik op mijn 28ste hulp zocht, had ik al dertien jaar last van depressieve klachten. Naar de huisarts durfde ik niet, uit angst dat die me ‘gek’ zou verklaren. Dus ploeterde ik verder, en zakte ik steeds verder weg in de somberheid. Mijn relatie liep stuk, werken ging niet meer. Uiteindelijk heb ik negen maanden thuis gezeten. Bij het Centrum Integrale Psychiatrie kreeg ik de diagnose post-traumatische stressstoornis, als gevolg van een onstabiele gezinssituatie als kind. Meer wil ik daarover niet kwijt.
Ik heb verschillende behandelingen gehad, waaronder lichaamsgerichte en traumatherapie. Daarnaast heb ik meegedaan aan het yogaonderzoek. De eerste lessen voelde ik me lichamelijk heel ongemakkelijk. Als je zolang afgesloten bent geweest van je gevoel, is yoga best confronterend. Mijn lijf ging letterlijk protesteren, bijvoorbeeld door te trillen. Wat ook niet hielp, was dat ik — perfectionist die ik ben — alle houdingen meteen foutloos wilde doen. Ik heb dus echt moeten leren om dat los te laten. Toen dat eenmaal lukte, was de beloning groot. Na een les voelde ik me comfortabeler in mijn lijf, rustiger in mijn hoofd. Bijna alsof ik stoned was!
Dat ik nu alleen door Nieuw Zeeland reis, is de volgende stap in mijn persoonlijke ontdekkingsreis. Een soort verlenging van de therapie, maar dan mijn zonder hulp. Twee weken nadat ik hier was aangekomen, heb ik een mooie yogamat aangeschaft. Ik kan nu op elk moment mijn oefeningen doen, in de tuin, op het strand, waar ik maar ben. Dat voelt veel beter dan in paniek mijn psycholoog bellen, zoals ik vroeger regelmatig deed. Mede dankzij de yogatraining weet ik nu dat ik altijd en overal een rustpunt in mezelf kan vinden, en mezelf kan helen.”

Om privacyredenen zijn de namen van Anne en Barbara verzonnen. Hun echte namen zijn bij de redactie bekend.

WERELDREIZIGER EN VREDESTICHTER PETER MOLLEMA

3 Feb

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 3 februari 2018. 

De in het Groningse Bedum getogen Peter Mollema is 2014 de Nederlandse Vertegenwoordiger in de Palestijnse Gebieden. De carrière van deze rasdiplomaat leest als een spannend jongensboek. “Ik heb best wat historische gebeurtenissen van nabij meegemaakt.” 

Peter Mollema (56) komt — zoals je van een diplomaat mag verwachten — keurig op tijd binnen bij De Koffieleut aan de Grotestraat in Bedum. Rechtstreeks uit Leiden, waar hij en zijn vrouw een pied-à-terre hebben. “Eigenlijk zouden we gisteravond al naar Groningen rijden”, zegt hij. “Maar ons vliegtuig vanuit Tel Aviv had vertraging. Daardoor zijn onze koffers na een overstap in Frankfurt achtergebleven.” Hij checkt zijn telefoon; nog steeds geen bericht over de vermiste bagage. Hij haalt zijn schouders op. “Ach, ik heb wel heftiger dingen meegemaakt.”
Dat kun je rustig een understatement noemen. De carrière van rasdiplomaat Mollema leest als een spannend jongensboek. In 1990 werkte hij in Zuid-Afrika toen Nelson Mandela werd vrijgelaten. Op 11 september 2001 zat hij in het Nederlandse team bij de Veiligheidsraad in New York, op het moment dat een paar straten verderop twee vliegentuigen het World Trade Center binnenvlogen. Tijdens zijn post in Indonesië kwamen in 2004 bij een bomaanslag voor de Australische ambassade negen mensen om, en vielen er 182 gewonden. In 2008 bracht hij als civiele vertegenwoordiger bij Taskforce Uruzgan zeven maanden door in Afghanistan. En dan hebben we het nog niet eens over het feit dat hij sinds 2014 de Nederlandse Vertegenwoordiger — ambassadeur van een niet officieel erkend land — is in één van de onrustigste delen van de wereld, de Palestijnse Gebieden. Hij somt het lijstje zelf met enige verwondering op. “Ik had het natuurlijk nooit zo kunnen plannen, maar terugkijkend heb ik best wat historische gebeurtenissen van nabij meegemaakt.”
App
Mollema bestelt een cappuccino met een extra shot espresso en een stuk huisgemaakte appeltaart. Hij is altijd blij om terug te zijn in het dorp waar tot zijn 25ste woonde. “Ik ben op de prachtigste plekken van de wereld geweest”, zegt hij. “Maar als ik de weidse leegtes van Groningen zie opdoemen, ben ik thuis. Hoe fantastisch ik het reizen ook vind, mijn wortels liggen hier.” Dat hij pas op zijn 8ste — vanuit Amsterdam via Dordrecht — in Bedum terechtkwam, doet daar volgens hem niets aan af. “Aan die periode daarvoor heb ik helemaal geen herinneringen. Bovendien zijn mijn ouders echte Groningers. Ik voel me dat ook.”
Het contrast tussen het gemoedelijke Bedum en zijn huidige woon- en werkplaats kan haast niet groter zijn. Iedere ochtend brengt een chauffeur hem van zijn huis in Oost-Jeruzalem naar zijn kantoor in Ramallah, op de Westelijke Jordaanoever. Een ritje van zo’n 25 kilometer. Onderweg passeren ze verschillende Israëlische checkpoints. “Meestal kunnen we daar gewoon doorrijden. Af en toe moeten we uitstappen, omdat Israëlische soldaten onze identiteit willen checken. Soms zijn er ook demonstraties van Palestijnen. Dan kan de sfeer heel dreigend zijn.” Hij pakt zijn telefoon erbij. “We hebben een speciale app waarop ik eventuele problemen in de buurt real time kan zien. Zo weten we welke plekken we moeten vermijden.” Echt bang is hij naar eigen zeggen in de ruim drie jaar dat hij deze post nu bekleedt nooit geweest. “Het is niet zoals in Afghanistan, waar je ieder moment op een bermbom kunt rijden. Maar ik ben wel altijd op mijn hoede, vooral ook voor mijn vrouw en medewerkers.”
De ondertekening van de Oslo Akkoorden in 1993, waarbij de Palestijnen officieel zelfbestuur kregen, was voor Nederland aanleiding om een Diplomatieke Vertegenwoordiging in Palestijns Gebied te vestigen. Het doel: de beoogde tweestatenoplossing helpen voorbereiden. Dat gebeurt vooral op een praktische manier, met Nederlandse kennis en kunde, en ontwikkelingshulp. Mollema geeft een voorbeeld. “We hebben er mede voor gezorgd dat er drie nieuwe scanners voor vrachtverkeer bij de grens met Gaza en de Westelijke Jordaanoever zijn geplaatst. Daardoor kunnen goederen sneller van de ene naar de andere kant. Dat is goed voor de bevolking, en voor de economie. Alles wat eraan bijdraagt dat Israëliërs en Palestijnen met elkaar in gesprek blijven en samenwerken, is winst.”
Dominee
Intussen zijn de klokken van de Walfriduskerk een paar meter verderop begonnen te luiden. “Kerken genoeg hier”, lacht Mollema, die zelf uit een Protestant nest komt. “In de jaren ’70 was Bedum het toonbeeld van verzuiling; alles gebeurde in eigen kring. Best benauwend. Ik was gek op voetballen en wilde graag bij VVBedum. Maar die club was onkerkelijk, en speelde bovendien op zondag. Het was dus onbespreekbaar dat ik lid zou worden. In plaats daarvan belandde ik, net als alle andere nette Protestante jongens, bij de korfbalvereniging. Vreselijk vond ik dat.”
Mollema woonde met zijn ouders en zijn jongere zus en broer een stukje verderop, in de Ludgerstraat, vlakbij het Boterdiep. “Daar ben ik meer dan eens in gevallen.” Zijn vader was beveiliger bij het elektriciteitsbedrijf, zijn moeder zat achter de kassa en werkte in de zorg. Lieve mensen met een relatief simpel leven, zo omschrijft hij ze. “Ze hadden graag doorgeleerd, vooral mijn moeder. Vandaar dat ze ons altijd hebben gestimuleerd om onze eigen weg te gaan.”
Na de lagere School met de Bijbel had het voor Mollema voor hand gelegen om naar de lokale mavo te gaan, ‘want dat deed iedereen’. Maar hij kon en wilde meer. De keus viel op het Wessel Gansfort College in Groningen, in de volksmond ‘Het Wessel’. Het betekende iedere dag twintig kilometer fietsen, door weer en wind. “In Groningen kwam ik met een heel ander soort mensen in contact; vrijer, zelfbewuster. Vanaf dat moment wist ik: Bedum is te klein voor mij.”
Het liefst hadden zijn ouders dat hij dominee was geworden, maar het was iedereen al snel duidelijk dat dat er niet in zat. Officier leek zijn vader een goede tweede keus, dus schreef Mollema zich in voor de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waar hij prompt werd aangenomen. “De schrik sloeg me om het hart, want een strak keurslijf is eigenlijk niets voor mij. Tot mijn vaders verdriet heb ik me dus teruggetrokken.” In plaats daarvan koos hij, op advies van zijn geschiedenisleraar, meneer Van Hees, voor een studie geschiedenis in Groningen. Het zou de eerste stap zijn op weg naar een diplomatieke carrière.
Provinciaaltje
Toen Mollema in 1986 afstudeerde, was er grote werkloosheid onder historici. Zijn vrouw Marja, die hij drie jaar eerder bij de basketbalvereniging in Bedum had ontmoet, duwde hem een vacaturekrant in zijn handen. “Niet te kieskeurig zijn”, zei ze erbij. Zo kwam het dat hij —enigszins toevallig — solliciteerde op een plek in het beroemde ‘diplomatenklasje’ van Buitenlandse Zaken. “Gelukkig is het allang niet meer zo, maar toentertijd bestond de diplomatie voornamelijk uit Leidenaren en Amsterdammers met een aardappel in hun keel. Het was een bewust beleid om meer provinciaaltjes aan te nemen. Ik weet nog steeds niet of ik de plek heb gekregen omdat ik geschikt was, of omdat ik uit Groningen kwam. Vermoedelijk allebei. Hoe het ook zij, inmiddels werk ik al meer dan dertig jaar bij BuZa, dus kennelijk doe ik iets goed.”
Tijdens zijn opleiding hing het er overigens om of hij zou blijven; als buitenstaander had Mollema veel moeite om zijn draai te vinden. “Mijn klasgenoten kwamen uit zo’n andere wereld, dat voelde heel ongemakkelijk. Daar stond tegenover dat ik het werk inhoudelijk mateloos interessant vond. Bovendien ben ik van nature competitief. ‘Wat jij kan, kan ik ook’, dacht ik, als ik naar mijn klasgenoten keek. En dus ging ik door.”
Zijn eerste functie was bij Bureau Indonesië van het ministerie. Samen met een gynaecoloog en een socioloog stuurde zijn baas hem naar Atjeh om een ontwikkelingsproject over het gebruik van voorbehoedsmiddelen op te zetten. “In Indonesië ontdekte ik dat diplomaten niet alleen praten en borrelen, maar ook echt dingen doen, en een praktisch verschil kunnen maken. Vanaf dat moment heb ik nooit meer teruggekeken.”
Verbindelaar
Eenmaal aan het werk bleek de diplomatie hem als een maatwerkjas te passen. “Ik ben een probleemoplosser, een vredestichter. Dat stamt uit mijn jeugd. Mijn zusje was als kind langdurig ziek. Daarover praten deed je in die tijd niet, maar het leidde wel regelmatig tot spanningen in het gezin. Als oudste voelde ik me verantwoordelijk om ruzies te beslechten, en de boel bij elkaar te houden. Eigenlijk doe ik dat nog steeds. Ik ben in hart en nieren een verbindelaar.” Een wat? “Dat is een militaire benaming”, verduidelijkt Mollema. De term blijkt afkomstig uit de mars van de Verbindingstroepen. De tekst daarvan luidt als volgt:
Toen met seinlamp en vlag, de staf de strijd overzag
en de hoornblazer stond klaar
Toen de vonkzender zond en de duif vloog in ’t rond
speelden zij het voor elkaar
Als de lijnwerker sjouwt en het leger op je bouwt
en de radio staat klaar
De vercijferaar pent en de telexist zendt
spelen wij het voor elkaar
Het is uw taak, verbindelaar,
Het is uw taak, verbindelaar,
Die de staven verbindt en de oorlog dus wint
en het vaderland redt uit-’t gevaar
“Natuurlijk heb ik niet de pretentie dat ik het vredesproces in het Midden-Oosten in mijn eentje kan vlot trekken”, haast Mollema zich te zeggen. “Maar ik geloof wel dat ik er mijn steentje aan kan bijdragen om de lijnen open te houden.”
Andere eigenschappen die hem in dit werk goed van pas komen, zijn zijn inlevingsvermogen en rechtvaardigheidsgevoel. “Ik weet nog dat ik als kind eens een stunt met mijn fiets uithaalde. Dat ging faliekant mis, en ik belandde met mijn neus op het fietsenrek. Nog voor ik thuis was, had iemand uit de straat al mijn moeder gebeld over mijn ongepaste gedrag. Wat was ik daar kwaad over. Ik heb me altijd verzet tegen mensen die op voorhand hun oordeel klaarhebben, zonder te weten hoe het echt zit. Het voelt als mijn missie om daartegen in het geweer te komen.”
Het lijkt een grote stap van de sociale controle in een Gronings dorp naar het politieke conflict in het Midden-Oosten, maar Mollema benadert ze in de basis op dezelfde manier. “Ik ben niet voor de ene of de andere partij, maar voor respect en begrip. Alles draait om oprechte interesse in mensen, en willen luisteren naar beide kanten van het verhaal. Alleen dan ontstaat er ruimte voor oplossingen. Stabiliteit in het Midden-Oosten is in het belang van de mensen daar, maar óók van Nederland. Die zorgt immers voor minder grote vluchtelingenstromen naar Europa, en creëert kansen voor handel. Uiteindelijk wordt iedereen er dus beter van. Daarom moeten we de hoop op vrede nooit opgeven.”
11 september
Gevraagd naar het indrukwekkendste wat hij in al die jaren heeft meegemaakt, hoeft hij niet lang na te denken: dat waren zonder twijfel de aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001. “Ik was op dat moment aan het werk op Manhattan, in ons kantoor bij de Veiligheidsraad. Een collega zette de tv aan. Kort daarna zagen we het tweede vliegtuig zich live in het World Trade Center boren. We gingen direct in crisismodus: in kaart brengen waar al onze medewerkers zich bevonden, collega’s in Nederland informeren. Daarna kwamen de praktische vragen. Moeten we evacueren? Kunnen we nog wel naar huis? Eenmaal buiten was het of de wereld tot stilstand was gekomen. Witte as daalde als een deken over de stad neer. De stilte was oorverdovend.”
Voor het eerst in het gesprek valt hij zelf ook even stil. “Ik kan mijn gevoel over die dag moeilijk onder woorden brengen. Het was niet alleen een aanslag op Amerika, maar ook op ons werk, op de redelijkheid en de vrijheid. Die ervaring heeft me wezenlijk veranderd. Vóór 11 september was ik ervan overtuigd dat er met iedereen te praten viel. Na de aanslagen was dat geloof weg. Mijn vertrouwen in de mensheid heeft die dag een heel flinke knauw gekregen.” Jarenlang kon hij het niet opbrengen om naar de rampplek terug te gaan — te emotioneel. Toen hij die uiteindelijk toch een keer bezocht, samen met mijn oudste zoon, bleef hij niet meer dan een paar minuten. “De herinneringen grepen me naar de keel. En dat doen ze nog steeds.”
Zaadje
Het is duidelijk: om dit werk te kunnen doen, moet je stevig in je schoenen staan, en een zekere emotionele hardheid hebben. Diplomatie kan bovendien frustrerend zijn; de vrede in het Midden-Oosten is de afgelopen jaren niks dichterbij gekomen, eerder verder uit zicht geraakt. Toch stapt Mollema nog elke dag met plezier uit bed. “Ik heb een zwerversbestaan met een vast inkomen; voor mij is het de mooiste baan ter wereld. In de loop der jaren heb ik zoveel krachtige en inspirerende mensen ontmoet. Zij zorgen ervoor dat ik de moed erin houd. Dat, en het feit dat we met ons werk daadwerkelijk een verschil maken. Toen ik jaren geleden in Zuid-Afrika werkte, hebben we een lokaal project voor dak- en thuislozen met 5000 gulden gesteund. Inmiddels is dat uitgegroeid tot een gigantische beweging, met miljoenen mensen. Als wij dat zaadje niet hadden helpen planten, was dat misschien nooit gebeurd. Daar ben ik ongelofelijk trots op. Voor zo’n resultaat neem ik de moeilijke momenten graag op de koop toe.”

[Kader]
PASPOORT
Naam: Peter Mollema
Geboren: 26 juli 1961 in Amsterdam
Opleiding: Doctorandus sociaal-economische en moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen (1986). Master of science in management (2015).
Werk: Startte in 1986 zijn diplomatieke carrière na afronding van ‘het klasje’ van Buitenlandse Zaken. Vervulde tussen 1987 en 2006 verschillende diplomatieke functies in Indonesië, de Verenigde Staten, Pakistan en Zuid-Afrika. Was van 2006 tot 2008 plaatsvervangend directeur Communicatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Werd in 2008 als civiele vertegenwoordiger bij de Task Force Uruzgan uitgezonden naar Afghanistan. Was vervolgens plaatsvervangend ambassadeur in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten. Sinds eind 2014 is hij Vertegenwoordiger van Nederland in de Palestijnse Gebieden.
Privé: Peter Mollema is getrouwd met Marja (53). Samen hebben ze twee zoons, Ivor (27) en Nils (24).

 

%d bloggers liken dit: