Archief | +Gezond RSS feed for this section

MAATWERK BIJ EEN PRIKKELBARE DARM

28 apr

Zelf je behandeling kiezen werkt jpg

Gepubliceerd in +Gezond, april 2020. Illustratie: Mirjam Borsjé.

Prikkelbaredarmsyndroom  — buikpijn en problemen met de ontlasting — kan je leven flink verzieken. Gelukkig zijn er verschillende behandelingen die de klachten kunnen verlichten. 

Prikkelbaredarmsyndroom, afgekort PDS, komt veel voor. Naar schatting lijdt één op de tien mensen eraan, twee keer zoveel vrouwen als mannen. De klachten — onder andere buikpijn en problemen met de ontlasting — ontstaan vaak in de puberteit en kunnen het hele leven aanhouden. PDS is weliswaar niet gevaarlijk, maar de impact ervan op het dagelijkse leven is groot. Sommige patiënten durven nauwelijks meer de deur uit.
Er is niet één duidelijke oorzaak voor PDS. De darm kan bijvoorbeeld te heftig of juist te traag bewegen, of overgevoelig zijn. Dat maakt de diagnose lastig. En daarmee ook de behandeling. De belangrijkste adviezen voor mensen met PDS zijn regelmatig en gezond eten, voldoende bewegen en stress vermijden. Zo nodig kunnen medicijnen helpen. Denk aan middelen tegen obstipatie of diarree of medicatie die krampen tegengaat. Soms vermindert een lage dosis antidepressivum de gevoeligheid van de dunne darm, waardoor de pijn afneemt. Helaas is vooraf niet te zegen welke behandeling bij wie het beste resultaat boekt.
“Tot een paar jaar geleden werd er veel aangerommeld”, stelt Marten Otten, maag-darm-lever-arts in medisch centrum De Veluwe in Apeldoorn. “Er was er geen eenduidige, simpele methode voor de begeleiding van PDS-patiënten. De huisarts en MDL-arts deden verschillende lichamelijke onderzoeken, zonder dat daar een duidelijke diagnose uitkwam. Vervolgens werden patiënten veelal zonder goede hulp naar huis gestuurd. Het gevolg: ze voelden zich onbegrepen. Bovendien bleven ze dikwijls met hun klachten zitten.”
Een nieuwe aanpak
Dat moet beter kunnen, dacht Otten. Samen met de Prikkelbare Darm Syndroom Belangenvereniging ontwikkelde hij daarom REDUCE PDS. Dat is een aanpak waarbij de MDL-arts, een gespecialiseerde MDL-verpleegkundige en de huisarts een PDS-patiënt samen  begeleiden. De patiënt krijgt uitgebreide informatie over elf mogelijke behandelingen, waarna hij of zij er zelf drie kiest om uit te proberen. (Zie kader.) Het meest populair zijn pepermuntoliecapsules, probiotica en het speciale FODMAP-beperkte dieet. Maar ook hypnotherapie en diverse medicijnen worden vaak gekozen.
Sinds de introductie in 2015 is ongeveer een kwart van de Nederlandse ziekenhuizen het REDUCE PDS-programma gaan gebruiken. Met succes. “We hebben wetenschappelijk onderzocht wat het in de praktijk oplevert”, vertelt Otten. “Wat blijkt? 72 procent van de patiënten vindt dat deze aanpak hun kwaliteit van leven verbetert. Ze zijn vooral tevreden over de begeleiding, het begrip, de acceptatie van PDS als lichamelijke zieke en het zelf mogen beslissen over de behandelingen.”
Eigen regie
Dat laatste is een belangrijk uitgangspunt van het programma. De gelijkwaardige relatie tussen patiënt en zorgverlener staat centraal. Zij wisselen informatie uit en komen samen tot een weloverwogen besluit. Op die manier krijgen patiënten meer inzicht in hun eigen situatie en vooral ook meer regie daarover. Dat vergroot de kans op succes.
Mooi meegenomen is dat er door de REDUCE PDS-methode minder inwendige darmonderzoeken nodig zijn. “Dat komt omdat gespecialiseerde professionals beter kunnen inschatten of zo’n scopie echt nodig is”, aldus Otten. “Bij de standaard aanpak van PDS krijgt één op de vier patiënten een darmonderzoek. Bij REDUCE PDS is dat één op de zeven. Het betekent minder heftige ingrepen voor de patiënt en minder mogelijke complicaties.”
Tot slot wil Otten graag nog iets kwijt over de veelgehoorde opmerking dat de PDS vast ‘tussen de oren’ zit. “Onzin”, betoogt hij. “Omdat de hersenen van PDS-patiënten extra alert zijn voor wat er in de darmen gebeurt, kan stress de klachten wel verergeren. Maar dat maakt ze niet minder echt. PDS is een serieuze ziekte, die om een serieuze aanpak vraagt. Met REDUCE PDS bieden we die.” 

HOE WERKT REDUCE PDS?

Stap 1
Als de huisarts PDS vermoedt, kan die een patiënt doorverwijzen naar de MDL-arts. Een in PDS gespecialiseerde MDL-verpleegkundige voert een intakegesprek en laat zonodig aanvullend onderzoek doen. Vervolgens bespreken de MDL-arts en de verpleegkundige hun bevindingen met de patiënt. 

Stap 2
Tijdens een voorlichtingsgesprek geeft de verpleegkundige uitleg over PDS en bespreekt ze de elf behandelopties met de patiënt. Vervolgens kiest die zelf welke drie zij (onder begeleiding van de huisarts) wil gaan volgen. 

Stap 3
De patiënt probeert de drie gekozen behandelingen na elkaar ieder twee maanden uit, om zo te ontdekken welke aanpak voor haar het beste werkt. Tussentijds overlegt ze met de huisarts over de resultaten. 

Stap 4
Na de verschillende behandelingen te hebben geprobeerd, besluit de de patiënt in overleg met de huisarts of ze met een of meerdere daarvan wil doorgaan. Als geen van de behandelingen heeft gewerkt, verwijst de huisarts haar terug naar de specialist en de MDL-verpleegkundige.

Meer informatie: pdsb.nl/reduce.

UIT WELKE MOGELIJKHEDEN KUN JE BIJ REDUCE PDS KIEZEN? 

Voorlichting
Het klinkt als een open deur, maar lang niet alle patiënten krijgen goede uitleg over wat PDS precies is. Volgens MDL-arts Otten kan uitgebreide voorlichting al een wereld van verschil maken. “Als patiënten beter snappen wat er in hun lichaam gebeurt en dat PDS niet gevaarlijk is, geeft dat veel rust. Dat maakt het voor hen makkelijker om met hun klachten te leven.” 

Voeding
Ongeveer 70 procent van PDS-patiënten merkt dat bepaalde voedingsmiddelen hun klachten verergeren. Een speciaal dieet kan dan helpen. 

  • Eliminatiedieet
    Het is vaak lastig om er zelf achter te komen welk voedsel precies problemen geeft. Een diëtist kan dan helpen om stapje voor stapje voedingsmiddelen (vlees, vet, kaas, vruchten, groentes, kool, ui, melk) uit het dieet te schrappen. Dat heet een eliminatiedieet. De patiënt houdt een dagboekje bij om te zien wanneer de klachten wel of niet verminderen. 
  • FODMAP-beperkte dieet
    Een variant op het eliminatiedieet is het zogenaamde FODMAP-dieet. De afkorting FODMAP is een verzamelnaam voor verschillende voedingssuikers en koolhydraten. Ze zitten vooral in vloeibare zuivel, tarwe en bepaalde soorten groenten en fruit. Bij PDS-patiënten is de dunne darm vermoedelijk niet in staat om sommige van die stoffen op te nemen. Als ze vervolgens onverteerd in de dikke darm belanden, breken ze bacteriën alsnog razendsnel af. Daarbij produceren die gas, dat een opgeblazen gevoel en pijn kan veroorzaken. Bij het FODMAP-beperkte dieet vermijdt een patiënt zes weken alle voedingsmiddelen met FODMAP’s erin. Als de klachten in die tijd afnemen, voegt ze daarna elke week weer een groep van de ‘verboden’ producten toe en kijkt ze hoe haar lichaam reageert.

Hypnotherapie
Al decennialang is bekend dat mensen met ernstige PDS veel baat kunnen hebben bij hypnotherapie. De behandeling geeft ze de mogelijkheid om hun darmen op een ontspannen manier te laten werken. Ook de beleving van pijn kan door hypnotherapie veranderen. Stel dat een PDS-patiënte last heeft van ernstige obstipatie. Dan roept een hypnotherapeut bijvoorbeeld het beeld op van een snelstromende rivier en vraagt haar dat in haar darmen over te nemen. Bij een patiënte met buikpijn kan hij een beeld gebruiken van warme of koude doeken om de darmen om de pijnprikkels te dempen. Net wat zij het prettigst vindt. De suggesties die de therapeut op die manier creëert, brengen bij patiënten lichamelijke reacties teweeg die de klachten kunnen verminderen. Uit onderzoek van het UMC Utrecht is gebleken dat dat bij ongeveer de helft van de patiënten gebeurt. 

BACTERIËN
De samenstelling van de darmbacteriën is bij PDS-patiënten anders is dan bij mensen zonder PDS. Sommige van die bacteriën maken zuren aan, die de darmwand kunnen irriteren. Hoe meer van deze zuren in de ontlasting zitten, hoe erger de klachten van een PDS-patiënt. Andere bacteriën lijken juist een beschermend effect te hebben bij PDS. De belangrijkste zijn: Lactobacilli, Bifidobacteria en Enterobacteriaceae. Deze bacteriën worden vaak gebruikt in probiotica. Dat zijn  producten die grote hoeveelheden nuttige melkzuurbacteriën bevatten. Helaas weten artsen nog niet welk probioticum voor welke PDS-patiënt het meest geschikt is. Het is dus een kwestie van uitproberen of en zo ja welk probioticum de klachten vermindert. 

MEDICATIE DIE OP DE DARMEN WERKT

  • Antibiotica
    Net als probiotica kunnen ook antibiotica de samenstelling van de darmbacteriën beïnvloeden. Uit een groot Amerikaans onderzoek uit 2011, waarbij 1200 PDS-patiënten een 14-daagse antibioticumkuur kregen, bleek dat bij vier op de tien de klachten meerdere maanden afnamen. Van de patiënten die een placebo kregen, hadden er drie op de tien minder klachten.  
  • Pepermuntolie
    Het laatste wetenschappelijke inzicht is dat pepermuntoliecapsules de spierspanning van het spierweefsel in de darmen kunnen verminderen. Daardoor werken ze krampwerend en dempen ze pijnprikkels. Kies wel voor gecoate capsules. Die vallen niet in de maag, maar pas verderop in de dunne darm uiteen. Dat is van belang om bijwerkingen als zure oprispingen tegen te gaan.
  • Spasmolitica
    Ook deze geneesmiddelen verslappen de spieren van het maagdarmkanaal. Omdat ze over het algemeen snel werken, hoeven patiënten ze alleen te gebruiken als ze een pijnaanval hebben. 
  • Iberogast
    Dit is een vrij verkrijgbaar geneesmiddel, dat bestaat uit een mengsel van 9 kruidenextracten (bittere scheebloek, kamillebloemen, zoethoutwortel, pepermuntblad, citroenmelisseblad, grote engelwortel, stinkende gouwe, karwijzaad en zaad van de mariadistel). Hoe het precies werkt, is niet bekend. Mogelijk beïnvloedt ook dit middel de spiercellen in het maagdarmkanaal. 

ANTIDEPRESSIVA
In een heel lage dosering kunnen antidepressiva de gevoeligheid van de dunne darm en de pijnprikkels uit de buik verminderen. Een arts schrijft dit soort middelen bij PDS dus nietvoor omdat hij denkt dat een patiënt depressief is of omdat hij gelooft dat het probleem tussen de oren zit, maar omdat de medicijnen ook een andere werking hebben. Nadeel is wel dat het zes tot acht weken kan duren voor ze — mogelijk — gaan werken. 

 

WORD JE EIGEN PIJNTHERAPEUT

5 mrt

Chronische pijn Die verminder je zelf jpg

Gepubliceerd in +Gezond, februari 2020.

Er zijn meer mensen met chronische pijn dan met kanker, diabetes en hart- en vaatziekten samen. Behandelingen halen vaak niets uit en patiënten horen dat ze er maar mee moeten leven. Onterecht, want met de juiste aanpak valt veel leed te voorkomen. De sleutel? Die ben je zelf. 

Naar schatting één op de vijf mensen worstelt dagelijks met — vaak heel ernstige — pijn. Tussen de twee en drie miljoen Nederlanders, kortom. Soms komt hun hele leven door de pijn tot stilstand. Hoe kan het dat zij daar niet vanaf komen?
“Acute pijn is een belangrijke en nuttige waarschuwing”, zegt gezondheidspsycholoog Frits Winter, directeur van Medisch Centrum Winter in Haaksbergen en schrijver van de bestseller De pijn de baas. “Maar als de zenuwen die het pijnsignaal aan de hersenen doorgeven overprikkeld of beschadigd raken, kan de pijn aanhouden. Zelfs als de oorspronkelijke aanleiding al lang is verdwenen. De pijn gaat dan als het ware een eigen leven leiden. In dat geval heb je te maken met een nieuw, opzichzelfstaand probleem.”
Winter maakt zich al meer dan 25 jaar hard voor een betere aanpak van chronische pijn. Hij vond het onverdraaglijk dat de patiënten op de pijnafdeling van het revalidatiecentrum waar hij jarenlang werkte zo leden. Dus besloot hij zijn eigen aanpak te ontwikkelen. Het uitgangspunt: pijn is beïnvloedbaar. Patiënten weten immers donderspoed dat hun pijn verergert als ze moe of gestrest zijn, of juist vermindert als ze zich gelukkig voelen. Dat betekent dus ook dat je er zelf op kunt sturen. Mits je over de juiste kennis en vaardigheden beschikt. Je eigen therapeut worden, noem Winter dat.
“Het is een hardnekkig misverstand dat zorgverleners chronische pijn kunnen verhelpen”, zegt hij. “De enige die daartoe in staat is, ben je zelf. Net zo goed als je alleen zelf kunt afvallen of je conditie kunt verbeteren. Uiteraard kunnen professionals je daar wel bij helpen, bijvoorbeeld door je uit te leggen hoe pijn werkt en je te motiveren en te coachen. Met dat doel heb ik een praktische handleiding gemaakt over hoe je pijn zelf de baas kunt worden.”
Winter snapt best dat veel patiënten in eerste instantie cynisch tegenover dat idee staan. Zeker als ze al jaren aan chronische pijn lijden. “Maar net zoals je spieren kunt trainen, kun je ook je hersenen trainen om minder snel pijnsignalen af te vuren. Dat doe je door je brein stapsgewijs te leren om anders te reageren. Het gaat om het vinden van een evenwicht tussen inspanning, ontspanning en afleiding.”
Concreet betekent dat: werken aan je kracht en conditie, zinvolle activiteiten doen en zoveel mogelijk support organiseren van de mensen om je heen. Als je dat lukt, krijgt de pijn een minder grote rol in je leven, met als gevolg dat het alarm in de hersenen minder snel afgaat. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze aanpak heel goed werkt.
Eén probleem: als pijn je leven jarenlang heeft beheerst, durf je vaak niet meer te gaan sporten, of eropuit te gaan. Maar gevoel is een slechte raadgever als het om pijn gaat, aldus Winter. Want hoe minder je doet, hoe kwetsbaarder je wordt. Lichamelijk én geestelijk. De oplossing? Babystapjes nemen. “Begin drie keer in de week met heel kort bewegen en bouw het langzaam op. Verder is het heel belangrijk om leuke dingen te doen en je sociale leven weer op te pakken. Ook allemaal stapsgewijs. Als je het programma uit De pijn de baas volgt, zul je zien dat je dan binnen zes tot acht weken verschil merkt. En dat jij weer grip op de pijn krijgt, in plaats van dat die jou in zijn greep houdt.”

Hoe positiever, hoe minder pijn
Dat je zelf invloed hebt op hoeveel pijn je ervaart, beaamt ook psycholoog Madelon Peters. Als  hoogleraar experimentele gezondheidspsychologie aan de Universiteit Maastricht doet zij veel onderzoek doet naar de relatie tussen optimisme en pijnbeleving. Zo ontdekte ze dat mensen die positief in het leven staan chronische pijn beter verdragen. “Hoe dat precies werkt, weten we niet”, zegt ze. “Wel is duidelijk dat een optimistisch levenshouding hoop geeft. Het stimuleert patiënten om niet bij de pakken neer te zitten, maar in actie te komen.”
Al in de jaren ’80 van de vorige eeuw bewezen Amerikaanse wetenschappers dat optimisten beter kunnen omgaan met stresssituaties. Ook herstellen ze na een operatie sneller. Ze leven zelfs langer. Peters wilde weten of dat effect er ook bij pijn is. En vooral ook of je de levensinstelling van mensen positief kunt beïnvloeden, om zo hun pijn draaglijker te maken.
“In ons onderzoek lieten we proefpersonen zich gedurende een bepaalde periode heel bewust voorstellen hoe een positieve toekomst eruit zou zien”, vertelt ze. “Dat is een bewezen doeltreffende manier om mensen optimistischer te maken. Daarna deden we een pijnexperiment, waarbij ze hun hand in een bak ijswater moesten houden. Wat bleek? De optimisten voelden minder pijn dan de proefpersonen die géén visualisaties hadden gedaan.”
Het effect ging nog verder. Mensen met pijn presteren over het algemeen slechter op geheugen- en concentratietests. Logisch, want pijn leidt enorm af. Maar in Peters onderzoek vond ze dat de personen die ze vooraf optimistischer had gemaakt, mentale taken even goed mét als zonder pijn volbrachten.
Kortom: het loont als pijnpatiënt dus om eraan te werken om positiever in het leven te staan. Dat doe je bijvoorbeeld door aardig voor jezelf te zijn en aandacht te hebben voor leuke dingen. “Het is niet zo dat de pijn daarmee ineens verdwijnt”, benadrukt Peters. “Maar je gaat die wel anders ervaren. Bijverschijnselen, zoals stress en somberheid, blijven eerder achterwege, waardoor je de pijn kunt beter kunt verdragen.”
Ze geeft een praktische tip om zelf positiever te worden: schrijf dagelijks drie fijne dingen over die dag op. Dat kan van alles zijn, ook kleine dingen, zoals dat de zon scheen of dat je lekker hebt gegeten. “Het klinkt misschien onwaarschijnlijk dat je met zoiets simpels je pijnniveau kunt beïnvloeden. Maar de uitkomsten van ons wetenschappelijke onderzoek hierover waren heel helder: zulke positieve psychologie werkt echt.”

[Kader]
RUGPIJN AFLEREN?
Iedereen die wel eens langere tijd flinke rugpijn heeft (en dat zijn miljoenen Nederlanders) weet wat het recept is: fysiotherapie en blijven bewegen, eventueel aangevuld met pijnstillers. Die standaardbehandeling kan een stuk beter, ontdekte de Belgische Anneleen Malfliet, fysiotherapeut en onderzoeker aan de Vrije Universiteit Brussel. Volgens haar kun je je hersenen leren om minder snel pijnsignalen af te geven. Ze testte dat bij 120 patiënten met chronische nek- en rugpijn. De helft kreeg eerst uitgebreide uitleg over hoe chronische pijn werkt. Hoe het brein daarbij verandert. En dat de hersenen dan zelf pijnprikkels gaan opwekken, vaak zonder dat daar een reden voor is. Daarna volgden vijftien oefensessies met bewegingen, die de patiënten normaliter juist vermeden omdat ze pijn uitlokten. Kregen ze meer klachten, dan moesten ze de oefeningen tóch doen. De andere helft van de proefpersonen — de controlegroep — kreeg óók uitleg, maar dan over hoe de rug en nek in elkaar zitten. Hun traditionele fysiotherapie-oefeningen waren gericht op kracht en stabiliteit. Vonden ze die te pijnlijk, dan werden de oefeningen aangepast.
Aan het eind van het onderzoek bleek de eerste groep het veel beter te doen dan de tweede. 57 procent had minder pijn, 30 procent was minder bang om te bewegen en eveneens 30 procent schonk minder aandacht aan de pijn. In het algemeen voelden ze zich veel beter dan voor de behandeling, lichamelijk én geestelijk. Toegegeven, ook de controlegroep boekte vooruitgang, maar veel minder.
Het opmerkelijke verschil valt volgens Malfliet te verklaren door de kennis over wat chronische pijn is en hoe die werkt. Als patiënten weten dat hun hersenen ‘zomaar’ pijn kunnen produceren, dus ook zonder aanleiding, neemt dat veel angst weg. En durven ze eerder door de pijn heen te bewegen. Belangrijk, want je lijf ‘sparen’ werkt bij chronische pijn juist averechts. Door vervolgens minder aandacht aan de pijn te besteden, verandert mogelijk ook de werking van het pijncentrum in het brein. Je ‘leert’ dat dan om minder snel pijnsignalen af te geven, is het idee. Daar doet Malfliet nog verder onderzoek naar. 

[Kader]
VERDER LEZEN?

  • Frits Winter, De pijn de baas (2000), € 14,95.
  • Madelon Peters, Geluk en optimisme — Een bewezen werkzaam programma op basis van positieve psychologie (2017), € 19,95.
  • Annemarieke Fleming en Joke Vollebregt, Pijn & het brein — De rol van de hersenen bij ‘onverklaarde’ chroniche klachten (2016), € 19,99. 
  • Doeke Keizer en Cornelis Paul van Wilgen, Chronische pijn verklaard — Oorzaken, advies en aanpak (2013), € 30,99.

 

PIJNLIJKE BOTTEN

5 mrt

Au mijn botjes doen zeer jpg

Gepubliceerd in +Gezond, februari 2020.

Er zijn in Nederland meer dan een miljoen artrosepatiënten. En zo’n 850.000 mensen lijden hebben last van ernstige botontkalking, oftewel osteoporose. Ook reumatoïde artritis — ontstekingsreuma — komt veel voor: bij zo’n kwart miljoen Nederlanders. Een groot deel van al die mensen heeft (dagelijks) pijn. Hoe komt dat? En belangrijker nog: kun je er iets tegen doen? 

ARTROSE
Wat is het?
Veranderingen in een of meerdere gewrichten. Een gewricht is een verbinding tussen twee botten. In je knie, heup, schouder en elleboog bijvoorbeeld. Maar je vindt gewrichten op veel meer plekken in je lichaam, zoals in je nek, rug, handen en voeten. De uiteinden van de botten die in het gewricht samenkomen, zijn bedekt met een laagje kraakbeen. Bij veroudering wordt het kraakbeen dunner en stugger. Daardoor bewegen de botten in het gewricht minder soepel langs elkaar. Het gevolg: wat stijfheid bij het opstarten, die door te bewegen verdwijnt. Dit natuurlijke proces kan versnellen of verergeren door schade aan een gewricht. Denk aan gescheurde enkel- of kniebanden, of een kapotte meniscus in de knie. Hoe dunner en stugger het kraakbeen is, hoe groter de kans op letsel waardoor het kraakbeen kapot gaat. In dat geval spreken we van artrose.
Wat veroorzaakt de pijn?
Bij artrose zijn dat de oneffenheden in het gewricht en eventuele chronische ontsteking. De belangrijkste klachten zijn pijn en stijfheid.
Wat kun je aan pijn bij artrose doen?
Met de juiste aanpak zijn de klachten meestal goed te managen. Het allerbelangrijkste is om te blijven bewegen. Patiënten durven dat vaak niet, uit angst voor pijn. Of ze vrezen dat ze het probleem erger maken. Het tegenovergestelde is het geval. Door te trainen krijg je weliswaar geen kraakbeen terug, maar je kunt de spieren eromheen wel versterken. Dat komt de controle over het gewricht en de stabiliteit ten goede. Een fysiotherapeut kan daarbij helpen. Houdt de pijn aan, dan kun je tijdelijk vier keer per dag een paracetamol nemen. Voor veel patiënten biedt dat voldoende verlichting. Een alternatief is om een pijnstillende gel op het gewricht te smeren. In het ergste geval biedt een operatie uitkomst. Het aangedane gewricht wordt dan vastgezet in een goede stand of vervangen door een prothese. Maar dat is een laatste redmiddel.

OSTEOPOROSE

Wat is het?
Veel mensen denken dat bot ‘dood’ materiaal is, maar niets is minder waar. Sterker nog, het proces waarbij oude botcellen worden afgebroken en nieuwe worden aangemaakt, gaat je hele leven door. Wel is het zo dat de balans tussen aanmaak en afbraak verandert. Tussen je 25ste en je 30ste is de botdichtheid het grootst. Daarna blijft die een aantal jaren stabiel. Na je 45ste neemt de aanmaak langzaam af en worden botten geleidelijk minder sterk. Op een gegeven moment slaat de balans naar de negatieve kant door en wordt er meer afgebroken dan erbij komt. Als dat proces van botontkalking ernstige vormen aanneemt en botten gemakkelijk breken, is er sprake van osteoporose. Zo’n 850.000 Nederlanders lijden daaraan, bijna allemaal 60-plussers. Twee derde weet dat trouwens niet. Ze komen er pas achter als ze iets breken – jaarlijks gebeurt dat bij 83.000 patiënten boven de 50.
Wat veroorzaakt de pijn?
Bij een kwart van de osteoporosepatiënten zakken de rugwervels in elkaar. Dat kan ernstige pijnklachten geven.
Wat kun je aan pijn bij osteoporose doen?
Door voldoende te bewegen, stimuleer je de botproductie. Op die manier houd je de aanmaak en afbreuk van botten zo lang mogelijk in balans. Daarvoor moet je dan wel regelmatig bewegen, bij voorkeur meerdere keren gedurende de dag. Alle inspanning telt mee. Dus niet alleen tennissen of naar de sportschool gaan, maar ook traplopen of stofzuigen. Hoe meer variatie, hoe groter het positieve effect op je botten. Wissel activiteiten waarmee je je botten belast, zoals wandelen of tuinieren, dan ook het liefste af met bewegingen waarbij je trekkracht op je botten uitoefent, zoals met gewichtjes trainen of roeien.
Verder is voldoende vitamine D en calcium belangrijk om je botten sterk te houden. De Gezondheidsraad adviseert daarom alle vrouwen vanaf 50 en alle mannen vanaf 70 jaar om een vitamine D-supplement te gebruiken. Kies bij voorkeur een supplement met vitamine D3, de actievere vorm van vitamine D. Als de botdichtheid heel laag is of iemand ingezakte wervels heeft, geven artsen vaak ook bisfosfonaten. Dat zijn medicijnen die de botaanmaak stimuleren. Ze verlagen de kans op een botbreuk en kunnen ook pijnklachten helpen verminderen. 

[Kader]
Vrouwen hebben vijf keer zo vaak last van osteoporose als mannen. Dat komt omdat het proces van botafbraak tijdens de overgang in een stroomversnelling komt. Het vrouwelijke hormoon oestrogeen beschermt namelijk tegen botafbraak. Hoe jonger overgangsklachten starten, hoe groter de kans op latere leeftijd op osteoporose. Daarnaast hebben vrouwen sowieso al wat kleinere en minder sterke botten, wat ze extra kwetsbaar maakt. Ook mannen krijgen last van botontkalking, alleen begint het proces bij hen zo’n tien jaar later en verloopt het veel geleidelijker. Vandaar dat zij er minder snel problemen door krijgen.

REUMATOIDE ARTRITIS
Wat is het?
Reumatoïde artritis — ook wel ontstekingsreuma genoemd — is een auto-immuunziekte. Dat wil zeggen dat het afweersysteem ontregeld is. Het valt dan niet alleen indringers van buitenaf aan, maar ook het weefsel in de eigen gewrichten. Met chronische ontstekingen tot gevolg. Ook de pezen en slijmbeurzen in de buurt van het gewricht kunnen ontstoken raken.
Wat veroorzaakt de pijn?
De ontsteking en de mogelijke schade als gevolg daarvan. Meestal beginnen de klachten in de vingers en tenen. De aangedane gewrichten zijn niet alleen pijnlijk bij bewegen, maar ook in rust. Zonder behandeling kunnen gewrichten op den duur misvormd raken. Er ontstaan dan bijvoorbeeld knobbels door aangroei van bot. Maar door vroege herkenning en behandeling komt dat gelukkig nauwelijks nog voor.
Wat kun je aan pijn bij reumatoïde artritis doen?
In eerste instantie de pijn bestrijden met paracetamol of ontstekingsremmende pijnstillers, zogenaamde NSAID’s, zoals ibuprofen. Let wel: die laatste middelen geven regelmatig vervelende bijwerkingen, zoals ernstige maagklachten of nierproblemen. Bovendien beïnvloeden ze de werking van andere medicatie. Wees dus voorzichtig met het gebruik daarvan. Verder is het, net als bij artrose en osteoporose, belangrijk om te blijven bewegen.
Als vrij verkrijgbare pijnstillers onvoldoende uithalen, kan een reumatoloog krachtiger ontstekingsremmende medicijnen voorschrijven, speciaal ontwikkeld voor reumatoïde artritis. Sinds de introductie van deze Disease Modifying Antirheumatic Drugs (DMARD’s) in jaren ’80 en ’90 is de behandeling van reumatoïde artritis met sprongen vooruitgegaan. Ze zorgen er namelijk voor dat gewrichten minder snel of helemaal niet beschadigen, waardoor patiënten onder andere minder pijn krijgen. Hoe eerder je ermee start, hoe beter het resultaat. De bekendste DMARD is methotrexaat. De nieuwere soorten heten biologicals. Overigens kunnen DMARD’s ook nare bijwerkingen veroorzaken, zoals maag- en darmklachten, leverproblemen en een verminderde afweer. 

[Kader]
Reumatoïde artritis geeft een verhoogde kans op hart- en vaatziekten. Bijvoorbeeld op een hartinfarct of beroerte. Daarom controleert worden patiënten ook regelmatig gecontroleerd op  bloeddruk, bloedsuiker, nierfunctie en cholesterolgehalte om zo een inschatting te maken van het risico. Zo nodig krijgen ze extra leefstijladviezen en/of preventieve medicijnen, zoals bloeddruk- of cholesterolverlagers.

Met medewerking van orthopedisch chirurg Sjoerd Bulstra, hoofd van afdeling orthopedie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG).

25 jun

Het leven is te kort jpg.jpg

Gepubliceerd in +Gezond nr. 3, juni 2019.

Iedereen kent het wel: het innerlijke stemmetje dat je vertelt dat je iets niet goed hebt gedaan. Of erger nog, dat je niet goed genoeg bent. Doodvermoeiend en funest voor je zelfvertrouwen. Gelukkig is er iets aan te doen, aldus psychotherapeut Frans Schalkwijk. “Hoe beter je jezelf begrijpt, hoe meer grip je op je innerlijke criticus krijgt.”

‘Dat grapje via de mail, kwam dat wel goed over?’

‘Weer vergeten haar te feliciteren, wat ben ik toch een trut.’

‘Ze denken vast: daar heb je dat rare mens weer.’

‘Logisch dat ik geen vriend kan krijgen. Al die vetrollen zijn ook afzichtelijk.’

Van tijd tot tijd hebben we allemaal wel eens van dit soort afkeurende gedachten over onszelf. Sta je stevig in je schoenen, dan vervliegen die ideeën meestal vanzelf. Maar als je toch al niet zo’n hoge pet van jezelf op hebt, kan die negatieve stem steeds dominanter worden en je leven flink vergallen. Zonde, vindt psychotherapeut Fans Schalkwijk. Meestal hebben de oordelen van die innerlijke criticus namelijk weinig met de werkelijkheid te maken.

Wie is dat eigenlijk, een innerlijke criticus?
“Het lijkt een mannetje of vrouwtje in je brein, maar je bent het natuurlijk zelf. Het is je lineaal waarmee je jezelf voortdurend de maat neemt. Had ik dat wel moeten zeggen? Heb ik het wel goed gedaan? Zouden ze me niet dom vinden? Het antwoord laat zich raden. De innerlijke criticus is immers nooit tevreden.”

Hoe werkt dat?
“Mensen met een sterk afkeurende stem in hun hoofd denken vaak in termen van alles of niets. ‘Ik kan ook nóóit iets goed doen’, zeggen ze als er een keer iets fout gaat. Ze kijken door een negatieve bril naar de wereld en zijn geneigd om alle slechte uitkomsten aan zichzelf te wijten. Dingen die ze goed hebben gedaan, wuiven ze weg; die zijn onbelangrijk of tellen niet. Aan een negatieve gebeurtenis of karaktertrek hechten ze veel meer waarde. Die zegt alles over hen als persoon, denken ze. ‘Ik heb iets verkeerds gedaan of gedacht, dus ben ik een slecht mens.’ Elke slechte ervaring is weer een bevestiging: ‘Zie je wel, ik ben niet goed genoeg, ik verdien het niet om te bestaan’. Zo voeden ze hun innerlijke criticus, die daardoor alleen maar nóg strenger wordt.”

Hebben veel mensen daar last van?
“Heel veel! Het gevoel nooit goed genoeg te zijn, geen fouten mogen maken, super perfectionistisch zijn: ze horen er allemaal bij. Een groot deel van ons lijdt onder de onmogelijke eisen die we aan onszelf stellen.”

Waarom zijn we vaak zo hard voor onszelf?
“Idealiter werkt je innerlijke stem als een positieve richtingaanwijzer. Hij helpt je om te checken of wat je denkt, voelt of doet door de beugel kan. Zo niet, dan stuurt je geweten je bij. Dat is alleen maar goed. Maar een tekritische controleur is funest voor je zelfwaardering. Het gevolg: weinig zelfvertrouwen, gepieker, verlegenheid, geremdheid, depressie, ontevredenheid over je lijf of relationele problemen.”

Waar gaat het mis?
“Iedere volwassene heeft wel schaamtevolle of schuldbewuste herinneringen uit zijn kindertijd. Zo weet ik nog als de dag van gisteren dat ik door grond wilde zakken toen mijn leraar Nederlands een keer een dictee besprak. ‘En dan schrijft iemand het woord een leidraad met dubbel d’, riep hij tegen de klas. ‘Waar geef ik jullie in vredesnaam les voor?’ Die malloot was ik dus. Als ik er aan terugdenk, staat het schaamrood me al die jaren later weer op de kaken.
Omdat je op dat soort momenten voor je gevoel ernstig tekortschiet, maken zulke herinneringen diepe indruk. Als je pech hebt, worden er gaandeweg je leven steeds meer van dat soort negatieve ervaringen toegevoegd en brokkelt je zelfvertrouwen verder af. Langzamerhand verandert je innerlijke criticus dan van een welwillend baken in een wrede politieagent, die meer kwaad doet dan goed.”

Hoe kan het dat de ene persoon daar meer last van heeft dan de ander?
“Het antwoord op die vraag is meestal terug te vinden in de jeugd. Stel, je ouders veroordeelden je vaak. Ze zeiden dat je niet lastig moest zijn, dat je niet zo’n eigen willetje moest hebben. Alleen als je je gedroeg zoals zij wilden, kreeg je warme aandacht. Voor een kind een heel beangstigende ervaring. Kennelijk was je als jezelf immers niet goed genoeg. Funest voor je zelfwaardering. Grote kans dat je dan later als volwassene je eigen doen en laten voortdurend kritisch tegen het licht houdt. Heb ik het wel goed gedaan? Is mijn moeder/partner/vriend(in) niet teleurgesteld in me? Je bent constant op je hoede, net als vroeger bang voor een negatief oordeel of afwijzing.”

Waarom is het zo lastig om dat nare stemmetje het zwijgen op te leggen?
“Je kunt beredeneren dat het allemaal wel meevalt. Of je kunt anderen om bevestiging vragen dat je wel degelijk oké bent. Helaas werken beide methodes niet. Het is als water naar de zee dragen; zelfs als het je die ene keer geruststelt, is er nog geen garantie dat het de volgende keer weer goed uitpakt. Dus de onzekerheid blijft.
Maar er is nog een reden. Je innerlijke criticus is nauw verbonden met emoties zoals schaamte en schuld. Intense gevoelens die je in je hart raken. Dat komt omdat ze gaan over wat je voelt en doet en vooral ook over wie je bent. Over je identiteit, kortom. Ze tasten als het ware je fundament aan. Je schuift ze dus niet gemakkelijk terzijde. Toch hoef je je er gelukkig niet bij neer te leggen dat die nare stem je leven bepaalt. Je kunt leren om anders naar jezelf te gaan kijken. Met een mildere blik ontwapen je beetje bij beetje de politieman in je hoofd. Maar gemakkelijk is dat niet.”

Hoe pak je het aan?
“Het gaat erom meer mededogen voor jezelf te krijgen. Dat begint met te herkennen van de  gevoelens waarmee je jezelf klemzet. Vervolgens pluis je uit waar die vandaan komen. Kijk als een geïnteresseerde onderzoeker naar je innerlijke leven. Ga met jezelf in gesprek, spreek jezelf troostend toe. ‘Wat apart dat ik zo van slag ben. Hoe zou dat komen dat ik hier zo heftig op reageer? Laat ik even de tijd nemen om bij te komen.’ Zo creëer je ruimte in je hoofd. Dat werkt veel beter dan jezelf bestraffend toespreken. Want daarmee geef je je innerlijke criticus alleen  maar extra munitie.”

Waar moet je de antwoorden zoeken?
“In je jeugd dus, want het fundament voor de innerlijke criticus wordt al in de peutertijd gelegd. Hoe was je als kind? Hoe was de relatie met je ouders? Was hun liefde onvoorwaardelijk? Werd je voor je gevoel vaak gecorrigeerd? Welke schaamtevolle herinneringen schieten je te binnen als je aan die tijd terugdenkt? Dat soort vragen kunnen je helpen om je gevoel in het heden beter te begrijpen.”

Van nature stoppen we pijnlijke emoties liever weg.
“Klopt. Heel begrijpelijk. Maar om die innerlijke stem wat milder te stemmen, is het belangrijk om ze juist weltoe te laten. Alleen dan kun je leren accepteren dat je heus wel eens iets fout doet en zelfs een onaangename kant hebt, maar dat die zaken jou als mens niet minder waard maken.”

Waarom zou je in het verleden gaan graven als je dat toch niet kunt veranderen?
“Als je ingesleten, onbewuste denkpatronen herkent en begrijpt, kun je er een andere betekenis aan geven. Stel, je hebt het idee dat anderen altijd op je neerkijken. Logisch, denk je, want je vindt jezelf ook niets waard. Maar leuk is dat natuurlijk niet. Dus loop je constant op je tenen om kritiek zoveel mogelijk te vermijden. Je probeert het iedereen naar de zin te maken. Je legt de lat ongelofelijk hoog; fouten maken mag je niet, alleen perfectie is goed genoeg. En toch heb je voortdurend het idee dat je tekortschiet. Als je jezelf daarin herkent, doe je er goed aan om die denkpatronen eens te ontrafelen. Dan ontdek je misschien dat de oorzaak bij je strenge ouders kan liggen, die je gevoelens en verlangens als kind nooit serieus namen. Met dat inzicht kun je vervolgens in het hier en nu aan de slag. Bijvoorbeeld door te checken of de mensen om je heen echt zo negatief over je zijn, of dat dat alleen jouw veronderstelling is.”

Heeft u nog meer tips?
“Probeer de woorden ‘altijd’ en ‘nooit’ te vermijden als het over jezelf gaat. Vervang ze door ‘deze keer’. Dus niet: ‘Ik kan het ook nooit goed doen’, maar ‘Deze keer heb ik het misschien niet zo handig aangepakt, volgende keer doe ik dat anders.’ Bedenk verder dat een situatie waar je je schuldig over voelt ook weer voorbijgaat. En wees trots op de dingen waar je goed in bent, zelfs als je daar voor je gevoel weinig moeite voor hoeft te doen. Blijft de bestraffende stem in je hoofd desondanks de boel verstieren, zoek dan professionele hulp. Bijvoorbeeld als je veel piekert, chronisch ontevreden bent, niet meer kunt genieten of een burn-out hebt. Want echt, het leven is te kort om jezelf te alsmaar te straffen.”

[Kader]
Onvolmaakt tevreden
In Onvolmaakt tevreden (Uitgeverij Boom, 2017) geeft psychotherapeut en psychoanalyticus Fans Schalkwijk praktische adviezen over hoe je bewuster met je innerlijke criticus kunt omgaan en daar zo meer grip op kunt krijgen. In het boek vind je verschillende vragenlijsten die je helpen om beter te snappen waar die strenge stem in je hoofd vandaan komt. Met als doel om milder en met compassie naar jezelf te  leren kijken.

 

ALLES OVER DE E-SIGARET

25 jun

9 vragen over e-sigaret jpg.jpg

Gepubliceerd in +Gezond nr. 3, juni 2019.

E-sigaretten zijn minder schadelijk dan tabak. Liever zo’n apparaatje dus dan ‘gewone’ sigaretten. Of is het niet zo simpel? Arts-epidemioloog Esther Croes van het Trimbos-instituut geeft uitleg en advies. 

1. Wat is een e-sigaret eigenlijk?
“Een apparaatje met een verstuiver en een oplaadbare batterij waarmee je bepaalde vloeistoffen verdampt. Je hebt ze in allerlei soorten en maten. Verder kun je er eindeloos veel verschillende vloeistoffen voor kopen. Op basis van propyleenglycol of glycerol, met of zonder nicotine en in tal van smaken. Kortom: de e-sigaret bestaat niet.”

2. Wat is het verschil met een heatstick?
“In tegenstelling tot de e-sigaret zit daar wel tabak in. Bij een heatstick schuif je een staafje bewerkte tabak in een houder met een verwarmingselement. Door dat te verhitten, komt er een schadelijke mix van stoffen vrij.”

3. En een shisha-pen?
“Dat is een wegwerpvariant van een e-sigaret, met hippe kleuren en zoete smaakjes, vooral gericht op de jeugd. Meestal zit er geen nicotine in. Voor de duidelijkheid: dat maakt hem zeker niet geschikt voor kinderen! Het gebruik normaliseert het roken en maakt de overstap naar traditionele sigaretten mogelijk makkelijker.” 

4. Worden e-sigaretten veel gebruikt?
“In 2017 ‘dampte’ 3,1 procent van de volwassenen. Oftewel: een kleine half miljoen Nederlanders.  Zo goed als alle volwassen gebruikers zijn (ex-)rokers. Grofweg doen ze dat om drie redenen: om minder tabak te roken, als hulpmiddel bij het stoppen met roken of omdat de e-sigaret goedkoper is dan reguliere sigaretten.” 

5. Zijn e-sigaretten schadelijk?
“Ja, want er zitten giftige stoffen in die de luchtwegen irriteren. Niet voor niets valt de e-sigaret sinds mei 2016 onder de Tabaks- en Rookwarenwet. Maar de gezondheidsrisico’s zijn vele malen lager dan van tabak. Bijkomend voordeel is dat e-sigaretten aanzienlijk minder schadelijk zijn voor de omgeving. Dat komt omdat een e-sigaret tussen de trekjes door niet smeult, zoals een traditionele sigaret.” 

6. Kun je er kanker van krijgen?
“De e-sigaret is nu zo’n vijftien jaar op de markt. Dat is te kort om daar harde uitspraken over te doen. Wel zitten  in sommige e-sigaretten kankerverwekkende stoffen, zoals formaldehyde. Onderzoeksinstituut RIVM concludeerde dat de schade van die stof echter in geen verhouding staat tot de honderden kwalijke stoffen die bij het roken van tabak vrijkomen.”

7. Hoe zit het met verslaving?
“Als je een vloeistof met nicotine voor je e-sigaret gebruikt, kun je eraan verslaafd raken.” 

8. Is een e-sigaret een goed hulpmiddel om te stoppen met roken?
“We raden dat vooralsnog niet aan. De kwaliteit is niet zo goed als van geneesmiddelen die je kunnen helpen stoppen. Daar komt bij dat veel stoppen-met-rokenprogramma’s erop gericht zijn om klassieke rookmomenten, zoals bij de koffie of na het eten, te weerstaan. Met het gebruik van een e-sigaret houd je dat gewoontegedrag juist in stand. Aan de andere kant: als je zonder succes verschillende stoppogingen hebt gedaan, is het afkicken met behulp van een e-sigaret wellicht het proberen waard.”

9. Heeft het zin om met gewone sigaretten te minderen en daarnaast een e-sigaret te gebruiken?
“Absoluut niet. Als je naast de e-sigaret blijft doorroken, is de gezondheidswinst verwaarloosbaar. Zelfs als je het aantal traditionele sigaretten flink terugschroeft. Tabaksrook kan namelijk ook in lage concentraties al veel schade veroorzaken.”

10. Wat werkt het beste als je helemaal wilt stoppen?
“De grootste kans van slagen heb je met professionele begeleiding, bijvoorbeeld door een praktijkondersteuner van de huisarts. Nicotinevervangers of andere geneesmiddelen kunnen extra ondersteuning bieden. Als de trek in een sigaret en de ontwenningsverschijnselen afnemen, schept dat ruimte om jezelf nieuw gedrag en nieuwe gewoontes aan te leren. Dat is trouwens niet gemakkelijk. Vandaar het nadrukkelijke advies om een stoppoging met hulp van een professional te doen.”

Meer weten? Kijk op: www.ikstopnu.nl/stop-methode/e-sigaret/.

BEWUST BEWEGEN BIJ PARKINSON

25 jun

Bewegen bij parkinson jpg

Gepubliceerd in +Gezond nr. 3, juni 2019.

Mensen met de ziekte van Parkinson hebben last van bijvoorbeeld stijfheid, balansproblemen en trillende ledematen. Dat maakt sporten moeilijk of zelfs gevaarlijk, denken veel patiënten (en hun naasten). Onterecht. Bewegen bij Parkinson is juist goed. Mits je het verstandig aanpakt. Een gespecialiseerde fysiotherapeut kan daarbij helpen.

DE PATIËNT
Cor Sanders (71) kreeg twee jaar geleden te horen dat hij de ziekte van Parkinson heeft. Mede dankzij gespecialiseerde fysiotherapie doet hij nu onder andere aan bokstraining.
“In 2016 liep ik de Nijmeegse vierdaagse. Het was de 26ste keer dat ik meedeed. Maar na deze editie duurde het herstel langer dan anders. Alles deed zeer en ik bleef maar moe. Het was niet de eerste keer dat ik klachten had. Het lopen ging al een tijd stroever en met voetballen kwam ik steeds minder goed mee. Zorgen maakte ik me daar niet over; ik werd tenslotte een dagje ouder. Maar mijn vrouw overtuigde me om toch een keer naar de huisarts te gaan. ‘Hij doet me aan zijn vader denken’, zei ze tegen de dokter. Die had een ernstige vorm van Parkinson. Gek genoeg was het niet eerder in me opgekomen dat ik wel eens hetzelfde zou kunnen hebben.
Toevallig bleek de fysiotherapeut waar ik al voor mijn rugpijn kwam in de ziekte gespecialiseerd. Ze gaf me aangepaste oefeningen om soepel te blijven en mijn balans te verbeteren. Thuis gebruikte ik online filmpjes, bijvoorbeeld om iedere ochtend speciale rek- en strekoefeningen te doen. Ik geef eerlijk toe: de eerste maanden viel het programma me knap tegen. Ik merkte weinig vooruitgang en had vooral veel spierpijn. Maar fysiotherapeut Marlies motiveerde me om toch door te gaan.
Wat hielp was dat ze me met andere parkinsonpatiënten in een groep liet trainen. Dat doe ik trouwens nog steeds. Je stimuleert elkaar om oefeningen toch te proberen, zelfs als je ze eng vindt, en om te blijven gaan. Bovendien kun je ervaringen uitwisselen. Als ik het allemaal alleen had moeten doen, was ik zeker niet zo ver gekomen. Want hoe moeilijk het in het begin ook was, inmiddels merk ik veel verschil. Ik beweeg makkelijker en mijn concentratie en coördinatie zijn aanzienlijk verbeterd.
Minstens zo belangrijk is dat ik meer zelfvertrouwen heb gekregen. Ik weet nu dat het loont om te blijven bewegen en dat mijn lichaam meer aankan dan ik dacht. Dus toen Marlies een paar maanden geleden voorstelde om aan een speciale boksgroep voor parkinsonpatiënten deel te nemen, hoefde ik niet lang na te denken. Met zeven andere mannen werk ik me wekelijks in het zweet. We zijn hartstikke fanatiek. Tot voor kort had ik nooit gedacht dat ik nog eens touwtje zou gaan springen — verschillende bewegingen tegelijk doen is lastig bij Parkinson. Maar dankzij de training denk ik nu: ik probeer het gewoon. En de vierdaagse? Die heb ik in 2017 en 2018 weer uitgelopen.”

DE FYSIOTHERAPEUT
Fysiotherapeut Maarten Nijkrake, sinds 2003 werkzaam in het Radboudumc en verbonden aan ParkinsonNet, is gespecialiseerd in de behandeling van patiënten met de ziekte van Parkinson.
“Bij Parkinson sterven zenuwcellen in de hersenen geleidelijk af. Daardoor lukt het steeds minder goed om signalen vanuit het brein door te sturen naar de rest van het lichaam. Het gevolg: de automatische bewegingspiloot gaat haperen. Gedachteloos opstaan, lopen of iets vastpakken wordt lastiger. Alles gaat trager. Ook kunnen delen van het lichaam verstijven of gaan trillen. De uitdrukking in het gezicht verdwijnt vaak en patiënten kunnen problemen krijgen met praten en slikken. Verder wordt het moeilijker wordt om twee dingen tegelijk te doen. Bijvoorbeeld tijdens het lopen in de gaten houden of er verkeer aankomt. Dan stokken de bewegingen. Vermoeiend en stressvol.
Patiënten en zeker ook naasten denken daarom dat ze maar beter niet kunnen sporten. Want wat als ze vallen of zichzelf op een andere manier bezeren? Natuurlijk moet je voorzichtig zijn. Maar bewegen bij Parkinson is juist wél goed. Het maakt makkelijker om bewegingen te sturen, verbetert de algehele conditie en vergroot de kwaliteit van leven. Er zijn zelfs aanwijzingen dat bewegen de ontwikkeling van de ziekte kan vertragen.
Hoe dat in de praktijk werkt? Feitelijk proberen we het brein om de tuin te leiden door alternatieve hersenpaadjes te kiezen. Als lopen lastig wordt, kun je bijvoorbeeld in huis lijnen op de grond aanbrengen. Door die bewust te volgen, spreek je andere delen van je hersenen aan dan bij het automatisch lopen. Dan blijkt het ineens wel te lukken om vloeiend de ene voet voor de andere te zetten. Op dezelfde manier kan lopen op marsmuziek of een metronoom helpen. Zo zijn er veel meer maatwerkoefeningen en slimme hulpmiddelen om patiënten zo lang mogelijk de regie over hun lichaam te laten houden.
Het lastige is dat parkinsonpatiënten in het dagelijkse leven veel verschillende problemen ondervinden. De één heeft vooral moeite met lopen, bij de ander gaat aankleden, eten of praten lastiger. Weer een ander kan zijn werk minder goed doen. Om daar oplossingen voor te vinden — en zo de mogelijkheid te creëren om meer te bewegen — is maatwerk nodig. Een gespecialiseerde fysiotherapeut kan daarbij helpen.
Een reguliere fysiotherapeut ziet misschien drie mensen met Parkinson per jaar. Dan kun je niet voldoende ervaring met de ziekte opdoen. Gespecialiseerde therapeuten krijgen helpen veel patiënten en krijgen bovendien regelmatig bijscholing. Daardoor kunnen ze sneller meer bereiken, blijkt uit wetenschappelijke onderzoeken die we hebben gedaan. Patiënten hebben minder behandelingen nodig en lopen bovendien minder kans op complicaties, zoals vallen en botbreuken. Mooi meegenomen: dat scheelt nog in de zorgkosten ook.”

[Kader]
ParkinsonNet
De ziekte van Parkinson is een ingewikkelde aandoening, waar vaak veel verschillende zorgverleners bij betrokken zijn. Neurologen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, logopedisten, ergotherapeuten en diëtisten bijvoorbeeld. Het is belangrijk dat zij kennis van zaken hebben én dat ze goed samenwerken. Want alleen dan kunnen ze een patiënt de best mogelijke ondersteuning bieden. Met dat in het achterhoofd richtten neuroloog Bas Bloem en bewegingswetenschapper en fysiotherapeut Marten Munneke van het Radboudumc in 2004 ParkinsonNet op, een netwerk van zo’n 3000 gespecialiseerde professionals. Meer informatie: parkinsonnet.nl. Op parkinsonzorgzoeker.nlvind je een in Parkinson gespecialiseerde fysiotherapeut (of andere zorgverlener) in de buurt.

[Kader]
Parkinson in cijfers

  • In Nederland zijn er zo’n 50.000 mensen met de ziekte van Parkinson.
  • Jaarlijks komen er ongeveer 7.000 nieuwe patiënten bij.
  • De klachten ontstaan meestal op latere leeftijd, boven de 60 jaar.
  • 10 procent van de patiënten is jonger dan 40.
  • De ziekte treft meer mannen dan vrouwen.

Dit artikel is gepubliceerd in +Gezond nr. 3, juni 2019.

%d bloggers liken dit: