Archief | Leeuwarder Courant RSS feed for this section

MULTITALENT SYLVANA IJSSELMUIDEN VEROVERT NEDERLAND

20 aug

Sylvana jpg1.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 17 augustus 2019.

Presentatrice en actrice Sylvana IJsselmuiden (24) maakt sinds drie jaar furore op de razend populaire website dumpert.nl. Maar haar ambities reiken verder dan het presenteren van online programma’s. “Ik sta op het punt om landelijk door te breken.” 

  • Naam: Sylvana IJsselmuiden
  • Geboren: Leeuwarden, 24 november 1994
  • Opleiding: havo, D’drive — School voor Creatieve Industrie (onderdeel van het Friesland College)
  • Werk: presentatrice en actrice. Presenteert onder andere de online programma’s DumpertReeten, Dumpert filmt je werkplek en Autobahn F1 Show. Speelde in verschillende films, waaronder Fissa en Hartenstrijd. 
  • Privé: relatie met autocoureur Steijn Schothorst

“Hoe gaat het met u?”, vraagt Dumpert-presentatrice Sylvana IJsselmuiden, terwijl ze een appelgroene microfoon onder de neus van de 82-jarige Gerda de Jong uit Onderdendam houdt. “Hartstikke goed”, antwoord die opgewekt. “Ik kan alles nog en heb net een nieuwe elektrische fiets gekocht!” Maar zo vrolijk als Gerda klinkt, zo boos is ze. Als gevolg van de werkzaamheden aan de N361 bij het Groningse Winsum, wordt het verkeer van die drukke provinciale weg omgeleid door het centrum van het pittoreske Onderdendam. Helemaal gek wordt oma Gerda — “Waag het niet om mevrouw De Vries te zeggen!” — van de vrachtwagens en auto’s die de godganse dag aan haar huis voorbij denderen.
Het newsitem dat RTV Noord daarover maakte, werd op internet een grote hit. Honderdduizenden mensen zagen hoe oma Gerda (die zelf overigens geen computer heeft) in stevige bewoordingen — “Dikke zooi! Sodemieter op!” — haar mening over de situatie gaf. Reden voor Sylvana — zwart T-shirt, mintgroene nagels, grote ringen in haar oren, haar lange blonde haren in een losse vlecht over haar schouder — om met haar cameraman vanuit Amsterdam naar Groningen te togen en Gerda zelf aan de tand te voelen. Het is één van de dingen die ze regelmatig voor de website Dumpert doet: mensen achter virale video’s opzoeken en daar zelf een filmpje over maken. Aan het eind van het korte gesprekje geeft ze Gerda een groene mok met de naam van de website. “Wat lief!”, zegt die. “De koffie staat klaar, dus die kan er meteen in.”

Half miljoen kijkers
Voor wie het niet weet: dumpert.nl is een van de grootste websites van Nederland. Op deze mediasite uploaden gebruikers filmpjes, die bezoekers (‘reaguurders’) vervolgens waarderen. Aan de hand van het aantal ‘kudos’ dat zij geven, publiceert Dumpert dagelijks een top vijf van populairste video’s. Behalve dat mensen filmpjes uploaden (begin dit jaar stonden er zo’n 165.000 op de site), maakt de redactie ook zelf content. Wekelijks is er bijvoorbeeld de show DumpertReeten, waarin Sylvana samen met co-hosts René van Leeuwen en Nick Toet, vergezeld door een gast, nieuwe filmpjes becommentarieert. Het programma, dat ongeveer een kwartier duurt, trekt wekelijks ruim een half miljoen kijkers. Een hoeveelheid waar heel wat televisiemakers jaloers op zouden zijn. Dat hoge aantal is mede te danken aan de mateloos populaire Sylvana. Haar ster rijst bovendien snel. Zo is ze in de running voor verschillende prestigieuze tv-klussen en filmrollen. Helaas wil ze daar nog niets concreets over kwijt. “Ik ben door schade en schande wijs geworden. Eerst de contracten tekenen.” 

Familie
Een paar dagen later treffen we Sylvana opnieuw. Nu in Leeuwarden, de stad die ze, ondanks haar recente verhuizing naar Utrecht, nog altijd haar thuis noemt. Vandaar ook dat ze ons graag hier op sleeptouw neemt. “Het liefst was ik in Leeuwarden blijven wonen”, bekent ze. “Maar voor mijn werk dagelijks naar Amsterdam reizen, brak me op. Vandaar dat ik onlangs ben gezwicht en een appartement in Utrecht heb gehuurd.”
De domstad was een compromis; in Amsterdam wonen trekt ze echt niet. In het centrum daar wordt ze naar eigen zeggen in minder dan geen tijd onder de voet gelopen door toeristen. Of aangereden door een tram. “Die bizarre drukte is niets voor mij. Van mezelf ben ik al vrij chaotisch. De overdaad aan prikkels in Amsterdam maken het er niet beter op. Utrecht is kleiner en gemoedelijker, dat kan ik beter behappen.”
Dat gezegd hebbende is ze nog bijna wekelijks in Leeuwarden te vinden. Al neemt de frequentie van de bezoekjes wel wat af sinds ze eerder dit jaar een relatie kreeg met een van haar co-hosts, de in Amsterdam wonende autocoureur Steijn Schothorst. “Omdat we allebei drukke banen hebben, proberen we in de weekenden zoveel mogelijk samen te zijn. Maar als Steijn op reis is — en dat gebeurt voor zijn werk nogal vaak — ga ik zaterdags naar Friesland. Ik voel me nergens zo thuis als hier. De mentaliteit is totaal anders dan in het westen. Niks geen arrogantie. Iedereen zegt elkaar nog gedag. Daar voel ik me goed bij. Verder woont mijn hele familie hier. Zij betekenen alles voor me. Mijn moeder in Sneek, mijn zus in Leeuwarden, mijn pake en beppe in Dronryp: ik zoek ze zo vaak mogelijk op. “
Over de vraag wat voorgaat, werk of familie, twijfelt ze geen seconde. “Familie natuurlijk. Mijn familieleden zijn mijn houvast, mijn steun en toeverlaat. Mijn enige zus is voor de tweede keer zwanger en staat op het punt van bevallen. Dat wil ik voor geen goud missen. De eerste periode erna wil ik ook bij haar zijn en haar kunnen helpen. Met die reden heb ik verschillende aantrekkelijke klussen voor de komende tijd, waaronder een aantal fotoshoots voor grote bladen, afgehouden. Misschien niet slim voor mijn carrière. Jammer dan.” 

M.K.V. 29
Over die carrière gesproken: als het daar even anders mee was gelopen, hadden we Sylvana vorige maand zomaar op het WK vrouwenvoetbal in Frankrijk kunnen zien. “Als tiener speelde ik op hoog niveau”, vertelt ze op het veld van M.K.V. 29, de Leeuwardse club waar ze zes jaar lang fanatiek voetbalde en de eerste stop op onze toer door de stad. “Ik was zelfs al gescout door SC Cambuur, SC Heerenveen en de KNVB. Maar op topniveau voetballen én acteren ging niet samen. Ik moest dus kiezen. Met pijn in mijn hart heb ik op mijn 16e het voetbal resoluut vaarwel gezegd. Ik had nog wel op een lager niveau door kunnen spelen, maar dat past niet bij mij. Als ik iets goed kan, wil ik er per se de beste in worden.”
Het tekent de ambitie en gedrevenheid van de 24-jarige, die uit een echte horecafamilie komt. Haar ouders hadden jarenlang een restaurant aan de Vrouwenpoort, Liuwherne. Ook haar zus en twee broers werken in de horeca. Zij kijken soms met verbazing naar de weg die Sylvana is ingeslagen. “Geen idee waar mijn passie voor acteren en presenteren vandaan komt. Uit mezelf, kennelijk.”
Als peuter wist ze al dat ze op het toneel wilde staan. Bij de weekopening en -sluiting van de St. Paulusschool veranderde het verlegen blonde meisje in een diva vol zelfvertrouwen. “Er gebeurt iets magisch als ik optreed”, verklaart ze. “Of dat nu op een podium of een set is. Verder ben ik een echte dromer. Van kinds af aan kan ik helemaal opgaan in mijn fantasiewereld — toen mijn moeder me vertelde dat Sinterklaas niet echt bestond, ben ik daar weken kapot van geweest. En ik  vind niets mooier dan om mensen te kunnen entertainen. Ik heb altijd geweten dat dat mijn roeping is. Een plan B heb ik nooit gehad.” 

Onverschrokken
Haar doel was duidelijk: ze wilde naar de Kleinkunstacademie in Amsterdam om van daaruit de wereld te veroveren. Daarvoor moest ze dan wel eerst haar havo-diploma halen. Geen gemakkelijke opgave met een vmbo-schooladvies. Maar door keihard werken lukte het toch. Vol vertrouwen toog ze naar de auditie in Amsterdam. “En toen werd ik afgewezen.” Hetzelfde gebeurde bij de toneelschool in Antwerpen. Alle reden om ontmoedigd te raken, zou je denken. Maar niet voor Sylvana. Zij werd door de afwijzingen alleen maar vastberadener. “Ik heb altijd geloofd dat ik er wel kom. Als niet linksom, dan rechtsom.”
Dat rechtsom werd de MBO-theateropleiding D’Drive in Leeuwarden. Hoewel ze daar niet helemaal op haar plek zat — dat ze liever voor de camera dan op het toneel stond, vonden haar docenten maar niks — maakte ze er het beste van. “Over het vak acteren heb ik er niet veel geleerd. Maar ik kreeg er wel de vrijheid om mezelf te ontwikkelen. Ik liep alle castings in Amsterdam af en keek dagelijks op internet of er nog acteurs werden gezocht. Ik reageerde overal op, ook als een castingbureau een Chinese jongen van 25 vroeg. ‘Wie weet kunnen jullie me ergens anders voor gebruiken’, schreef ik dan. Dat werkte; gaandeweg kreeg ik steeds meer klussen. Bijvoorbeeld in commercials, of kleine rolletjes in films.”
Met dezelfde onverschrokkenheid solliciteerde ze op haar negentiende als presentatrice bij SBS6. ‘Gezocht: een vrouw tussen de 26 en de 30’, stond er in de vacature. Maar daar had Sylvana geen boodschap aan. Haar bravoure werd beloond: ze kreeg de klus en presenteerde meerdere infotainmentprogramma’s, later ook bij RTL4. Zo ontdekte ze dat ze presenteren eigenlijk nóg leuker vond dan acteren. “Als actrice moet je je volledig inleven in je rol. Dan kan heel heftig zijn. Nadat ik een keer een pester had gespeeld, ben ik er nog een week naar van geweest. Als presentatrice kan ik mezelf zijn en met mijn interviews anderen laten shinen.” 

Mensenkennis
Aangekomen in het centrum van Leeuwarden lopen we via het voormalige restaurant van haar ouders (tegenwoordig Aziatisch restaurant Minato) over de Nieuwstad naar de Bagels & Beans aan de Kelders. Daar werkte Sylvana tot haar doorbraak bij Dumpert een tijd in de bediening. Onderweg komt ze om de haverklap bekenden tegen, die een praatje willen maken. “Hé, dat is Sjonny!”, zegt ze, terwijl ze op een gebruinde man in een vrolijk gebloemd shirt afloopt. “Meid, ik heb je gemist!”, zegt de eigenaar van café De Pastorie. Hij blijkt haar peetoom te zijn. “Hoe is het met je nieuwe liefde?”, vraagt hij?. “Is Steijn lekker?” De rest van het gezelschap op het terras giert het uit. “Je moet echt snel weer eens langskomen hoor”, zegt Sjonny. “We hebben je veel te lang niet gezien.”
Na een afscheidsknuffel vervolgen we onze weg naar de Prinsentuin, vanwaaruit in de zomervakantie dagelijks een gratis elektrisch pontje naar de Noordersingel op en neer vaart. In haar middelbare schooltijd werkte Sylvana zomers als schipper op het bootje. Het ideale vakantiebaantje voor iemand met een onuitputtelijke nieuwsgierigheid naar andere mensen. “Daar, en tijdens mijn werk in de horeca, heb ik zoveel mensenkennis opgedaan. Zeker op het pontje was er altijd tijd voor een praatje. Ik leerde ook de booteigenaren in de buurt kennen. Zo hoorde ik de mooiste verhalen. Bijvoorbeeld van een man wiens zoon drugsverslaafd was en veel in de Prinsentuin rondhing. Vanaf zijn bootje kon de vader een oogje in het zeil houden. Hartverwarmend vond ik dat.” 

Zoete wraak
Toen haar carrière rond haar 20ste echt van de grond kwam, liep ze keihard tegen de keerzijde van het vak aan. “Veel mensen in de mediawereld zijn arrogant en schijnheilig. Ze vinden zichzelf oh zo belangrijk. Ik voel me daar heel ongemakkelijk bij. Het laatste wat ik wil, is me anders voordoen dan ik ben. Maar de druk om daarin mee te gaan, is soms groot. Voor ik bij Dumpert terechtkwam, had ik bij een bekend online platform gesolliciteerd. Ik was al aangenomen, alleen moest ik nog wat minder lief worden, vonden ze. Mooi niet dus. Ik ga mezelf niet afharden om in de smaak te vallen.”
Dat gezegd hebbende ging haar kille werkomgeving Sylvana niet in de koude kleren zitten. Voor het het eerst begon ze te twijfelen: had ze wel de juiste keus gemaakt? Ze gaf zichzelf een half jaar om een mediabaan te vinden waarin ze zichzelf kon zijn. Lukte dat niet, dan zou ze zich helemaal op de horeca storten.
Niet lang daarna kreeg ze via via de vraag of ze een pitspoes wilde vervangen in een online programma over de Formule 1. Haar optreden was zo’n succes, dat de makers haar terugvroegen. “Niet als pitspoes”, zei ze. “Maar ik wil de show wel presenteren.” Zo geschiedde. Nadat het programma op Dumpert was uitgezonden, werd ze daar ook te gast gevraagd. Lang verhaal kort: Dumpert bood haar een voltijdbaan als presentatrice aan.
“Zodra ik binnenstapte, voelde ik me er thuis. Alle jongens — ik werk met bijna alleen maar mannen — zijn nuchter en oprecht. En ze gunnen me mijn succes. Tegelijkertijd hebben ze er geen moeite mee om te zeggen waar het op staat. Het is dezelfde no nonsense-mentaliteit als van de Friezen.”
Natuurlijk komt ze ook in haar huidige baan omhooggevallen types tegen. Gelukkig heeft genoeg mensen om zich hen die haar met haar voeten op de grond houden. “Mijn familie natuurlijk, maar ook mijn Friese vrienden. Behalve met mijn collega’s van Dumpert trek ik eigenlijk nauwelijks met mensen uit de media op.” 

Uiterlijk
Wie Sylvana’s Instagram-foto’s en de reacties (van overwegend jonge mannen) daarop bekijkt, kan er niet omheen: behalve presentatrice en actrice is ze ook een lustobject. Niet voor niets kwam ze vorig jaar met stip binnen op nummer tien van de FHM 500, de lijst met de mooiste vrouwen van Nederland (volgens online mannenmagazine FHM, welteverstaan). Voor datzelfde medium deed ze een nogal uitdagende fotoshoot, in weinig verhullende lingerie. Is ze niet bang dat ze daarmee haar onvermijdelijke imago van dom blondje versterkt?
“Mensen hebben hoe dan ook vooroordelen”, zegt ze stellig. “Of ik nu in mijn ondergoed poseer of niet. Van dat soort commentaren trek ik me dus niets aan. Weet je, er zijn genoeg mooie poppetjes op de wereld. Maar die zitten niet op mijn plek. Met alleen een leuk gezichtje red je het namelijk niet. Daarvoor moet je echt meer in huis hebben.”
Zoals met al haar werk, doet ze alleen fotoshoots waar ze zich senang bij voelt. “Op de foto’s van FHM ben ik hartstikke trots. Wie krijgt nou zo’n kans? Voor publicatie heb ik ze zelfs aan mijn pake en beppe laten zien.”
Nu we het toch over haar uiterlijk hebben: Sylvana heeft dus géén botox laten inspuiten. “Veel van de meiden waarmee ik samenwerk, doen dat aan de lopende band. Persoonlijk vind ik botox verschrikkelijk. Ik heb een nichtje van 14 jaar. Als zij opgroeit met het idee dat zo’n gladgestreken gezicht met opgevulde lippen het ideaalbeeld is, wordt ze doodongelukkig. Vandaar dat ik haar steeds vertel dat er niets mooiers is dan puur natuur.”

Sylvana Magazine
Omdat ze op haar 24ste al zoveel heeft bereikt, denken buitenstaanders vaak dat het succes Sylvana is komen aanwaaien. Niets is minder waar. “Je moet eens weten hoe vaak ik nee heb gehoord, denk ik dan. Hon-der-den keren. Om in de mediawereld iets te bereiken, moet je keihard werken en nooit opgeven.” Haar gouden tip: trek de stoute schoenen aan. Neem zelf het initiatief en stap op de juiste personen af. “Als ik had gewacht tot iemand me zou vragen of ik de Formule 1-show van Autobahn wilde presenteren, was er nooit iets gebeurd. Ga er niet vanuit dat mensen je ambities wel kennen. Spreek ze uit! Je moet bukken om het geluk te plukken.”
Vooralsnog is Sylvana vooral onder jonge mensen bekend. Maar daar komt mogelijk gauw verandering in. Voor haar eigen gevoel staat ze op het punt om landelijk door te breken. Met dat televisieprogramma waar ze dus nog niets over kan zeggen. Wat haar betreft is dat nog maar het begin. “Mijn grote voorbeelden zijn Linda de Mol en Chantal Janzen, allebei powervrouwen én multitalenten. Ze presenteren, acteren, schrijven en maken een eigen magazine. Het is mijn droom om ooit ook zo’n imperium te runnen. Ik zie mezelf bijvoorbeeld nog wel eens het scenario voor een speelfilm schrijven en er zelf in spelen. Waarom niet?”
Met haar succes bij Dumpert — inmiddels presenteert ze er meerdere programma’s — is ze in ieder geval op de goede weg. De mensen bij van het bekende online platform die Sylvana drie jaar geleden lieten gaan, trekken inmiddels vast hun haren uit hun hoofd. Onlangs boden ze haar zelfs een verdubbeling van haar huidige salaris als ze alsnog naar hen wilde overstappen. Haar antwoord laat zich raden.

[Kader]
DUMPERT FILMT JE WERKPLEK
Eén van de online shows die Sylvana presenteert, is Dumpert filmpt je werkplek, een programma waarbij zij en co-host René van Leeuwen een dagje meelopen met mensen met bijzondere beroepen. Zo namen ze afgelopen maanden onder andere een kijkje achter de schermen bij een dierenambulance, een slachthuis en een set voor lesbische pornofilms. Maar de aflevering die Sylvana het meest is bijgebleven, is die met het bezoek aan de Forensische Opsporing (FO) in Rotterdam. “Een aantal weekenden lang werden we opgetrommeld zodra de FO een melding binnenkreeg”, vertelt ze. “Zo kwamen we op de meest gruwelijke plekken terecht. Bijvoorbeeld in de garagebox waar een nog redelijk jonge man zichzelf eerst in zijn auto had proberen te vergassen en toen dat niet lukte zichzelf in de borst had geschoten. Hoe wanhopig moet hij wel niet geweest, dacht ik.”
Een andere heftige ervaring bij de FO was het bezoek aan een mortuarium, waar een forensisch tandarts (officiële naam: odontoloog) aan de hand van het gebit de identiteit probeerde vast te stellen van een vrouw die wekenlang dood in haar appartement had gelegen. “Toen de tandarts de lijkenzak openritste, ging ik bijna over mijn nek. Niet alleen van de aanblik — het was nauwelijks een mens meer — maar vooral van de geur. Die was onbeschrijfelijk indringend. Maar kennelijk went alles, want de odontoloog zei hem nauwelijks nog te ruiken.”
Toen een van haar broers Sylvana laatst vroeg waarom ze zich vrijwillig blootstelde aan zoveel narigheid, hoefde ze daar niet lang over na te denken. “Ik word een paar uur of hoogstens een paar dagen met die ellende geconfronteerd. Maar er zijn duizenden werknemers die daar dagelijks mee te maken hebben. Ik heb zoveel respect voor hen. Hun verhalen vertellen is belangrijker dan mijn tijdelijke ongemak.”
De aflevering waarin Sylvana en René meelopen met de FO is terug te zien op YouTube. Zoek op ‘DFJW bij de Forensische Opsporing’. 

[Kader]
WILLEN WE OOK WETEN
Wat is je favoriete vakantieland en waarom?
“Italië. Als kind kwamen we daar vaak en ik heb er niets dan goede herinneringen aan. De mensen, het eten, het landschap, alles is er top. Geef me er een pizza, een bakje olijven en een rood wijntje en ik ben volmaakt gelukkig.”
Met wie zou je wel een avondje op stap willen en waarom?
“Met mijn pake en beppe. Ik zou ze graag nog eens meenemen voor een avondje uit in Amsterdam. Het zijn zulke mooie en vitale mensen. Al in de tachtig, maar nog heel erg bij de tijd. Beppe bekijkt iedere week mijn online show DumpertReeting. Dan belt ze me op en zegt ze dat ik me zo goed staande houd tussen de mannen.”
Laatst gelezen boek of laatst geziene film?
“Het laatste boek dat ik las was Lewis Hamilton — F1-kampioen van Frank Worrall. Voor autobahn.eu presenteer ik een online programma en een podcast over de Formule 1, dus ik probeer daarover zo goed mogelijk op de hoogte te blijven. Overigens vond ik de biografie van Hamilton een geweldig boek!”
Guilty pleasure?
“Pindakaas! Die eet ik zo uit de pot. Iedere ochtend een paar lepels, dat is mijn ontbijt.”
Waar heb je spijt van?
“Eigenlijk nergens van. Ik probeer altijd de best mogelijke keus te maken op dat moment. Natuurlijk kan die verkeerd uitpakken. Maar daar leer ik dan weer van. Spijt is volgens mij verspilde energie.” 

INEENS ZELF PATIËNT

17 okt

Petra jpg1.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 13 oktober 2018. (Foto: Alex de Haan)

Petra Westra (45) adviseert mensen die hun haar verliezen over de aanschaf van een haarwerk. Toen ze 4,5 jaar geleden de diagnose borstkanker kreeg en aan de chemo moest, werd ze zelf kaal. “Ineens zat ik als klant in de stoel.” 

  • Naam: Petra Westra
  • Geboren: 5 januari 1973 in Marknesse
  • Woonplaats: Heerenveen
  • Opleiding: kappersschool
  • Werk: eigenaar van Petra’s Kapsalon en salon Haarwerk Plus in Heerenveen 
  • Privé: getrouwd met Ronald (56); dochter Thjalda (19) en zoon Tristan (16)

“Ik zat in het zwembad op de tribune te kijken naar een waterpolowedstrijd van mijn kinderen. Gedachteloos haalde ik mijn hand door mijn nekhaar. Ineens had ik een hele pluk in mijn hand. Toen moest ik wel even slikken; het was nog geen week na mijn eerste chemo. Ik ga niet wachten tot ik allemaal kale plekken heb, dacht ik. Een paar dagen later is mijn haar afgeschoren. Gewoon thuis, in het bijzijn van mijn gezin. Eenmaal kaal voelde ik me vooral opgelucht. ‘Je lijkt Sinead O’Connor wel’, zei mijn man Ronald. Eerlijk gezegd viel het mij ook niet tegen. Ik heb best een mooi kaal hoofd.”
Kappersschool
“Het was niet zo dat ik als kind droomde van een baan als kapster. Sterker nog, geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. Als jongste van drie dochters was ik het stoere jongensmeisje. Vergat iemand in de familie de huissleutel, dan klom ik op het dak om via het raam in te breken. Ik had een broertje dood aan school. Buiten was alles mooier. Als ik nu kind was geweest, had ik waarschijnlijk de diagnose ADHD gekregen. Maar toen had niemand het daarover. Ik was gewoon ‘levendig’.
Het liefst was ik bij de marine gegaan — ik heb altijd een fascinatie voor water en de zee gehad. Maar dat zagen mijn ouders niet zitten. Om me op andere gedachten te brengen, nam mijn moeder me mee naar de open dagen van verschillende scholen. Tot mijn eigen verbazing, sprak de kappersopleiding me direct aan. Mensen denken dat je daar alleen leert knippen en kleuren. Maar we kregen er bijvoorbeeld ook les over de geschiedenis van haarverzorging door de eeuwen heen, en over hoe je mallen voor haarwerken — zo heet een pruik officieel — moet creëren. Hartstikke interessant.
Om een lang verhaal kort te maken: ik doorliep de kappersschool en startte niet lang daarna mijn eigen ambulante kapperszaak. Al snel had ik verschillende meiden op de weg. Intussen was ik getrouwd met Siep en had ik een dochter gekregen, Thjalda. Die nam ik zo nodig mee. Dan gaf een klant haar de fles terwijl ik knipte. Ik had een topleven, vond ik. En toen sloeg op mijn 26ste het noodlot toe.”
Zelfbeeld
“Tijdens een vakantie in Bulgarije kreeg mijn eerste man een hersenbloeding. Hij kon nog net naar Nederland worden vervoerd, voor hij in het ziekenhuis in Heerenveen overleed. Ineens was ik weduwe, met een nieuw, zelfgebouwd huis in Tjalleberd en een kind van elf maanden. Behalve mijn familie heeft mijn dochter me door die periode gesleept. Voor haar moest ik wel door.
Het moeilijkste vond ik dat de aandacht van de omgeving vooral naar Thjalda uitging. Mensen vonden het zo zielig dat zij geen vader meer had. Maar hoe het met mij ging, vroegen ze niet. ‘Jij bent nog jong, je vindt wel een ander’, hoorde ik dan. Dan begrijp je dus niets van liefde. Of van verdriet.
De jaren erna bouwde ik mijn leven voor de tweede keer op. Ik opende een kapperszaak in Heerenveen, hertrouwde en kreeg een zoon. Het liep allemaal op rolletjes, maar toch miste ik iets. Ik werkte al meer dan tien jaar als kapper en was toe aan iets nieuws. Dus toen een klant met een haarwerk me vroeg of ik een nieuw exemplaar voor haar wilde maken, greep ik mijn kans.
Na een gespecialiseerde opleiding tot haarwerker wist ik: naast de kapsalon ligt hier mijn toekomst. Het is altijd fantastisch om een klant blij te maken. Maar als dat lukt bij iemand die een haarwerk nodig heeft, is die voldoening extra groot. Meestal is de aanleiding daarvoor immers verdrietig; zo’n beetje de helft van mijn klanten heeft kanker en een derde alopecia, een ziekte waarbij je deels of helemaal kaal wordt. Haar is zo bepalend voor je zelfbeeld. En voor het beeld dat anderen van je hebben. Je zelfvertrouwen krijgt dan ook een flinke knauw als je je dat verliest. Geen groter compliment dan dat klanten hun oude zelf terugzien als ze een haarwerk op krijgen. Dan is mijn dag geslaagd.”
Oneerlijk
“De meeste dertigers zijn — gelukkig — niet zo met kanker bezig. Maar door mijn vele zieke klanten werd ik me zelf ook bewuster van mijn lichaam. Dus toen ik in februari 2013 tijdens het afdrogen een hard strengetje in mijn borst voelde, besloot ik toch maar naar de huisarts te gaan. Die gaf me meteen vier afspraken mee: voor een mammografie, een echo, een punctie en overleg met een chirurg. Op 5 maart, de verjaardag van mijn eerste man, kreeg ik de uitslag. ‘Het is niet goed’, viel de chirurg met de deur in huis. In de spreekkamer was ik vooral verdoofd. ’s Avonds klapte ik alsnog in elkaar. Wat heb ik toen gehuild. Het voelde zó oneerlijk. Alsof mijn rugzak nog niet vol genoeg drama en ellende zat. Wat had ik verkeerd gedaan om dit te verdienen? Ik wist me geen raad met de overweldigende machteloosheid. Bij Siep was ik toeschouwer, kon ik tenminste in actie komen en van alles regelen. Nu was ik zelf het lijdend voorwerp en was ik de controle helemaal kwijt.
Kanker is voor iedereen vreselijk. Maar het is extra wreed als je je daarnaast óók nog zorgen moet maken over je inkomen. Ik had geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ik dacht oprecht niet dat ik die zo jong nodig zou hebben. Gelukkig konden mijn zeven medewerksters de zaak draaiende houden. Daar ben ik ze nog altijd dankbaar voor, want mijn bedrijf was mijn houvast. Ik weet niet wat er was gebeurd als ik dat ook nog had verloren.”
Lang en bruin
“Ik werd borstsparend geopereerd en 25 keer bestraald. Daarna moest ik dus aan de chemo. Zes keer, eens in de drie weken. Als kapper en haarwerker met een mutsje — laat staan kaal — door het leven gaan, zag ik niet zitten. Dus zocht ik nog voor de eerste kuur zelf een haarwerk uit. Zat ik ineens als klant in de stoel in plaats van als adviseur. Heel onwerkelijk. Maar praktisch als ik ben, zag ik er ook de voordelen van in. Ik wist tenslotte precies waar ik op moest letten.
Het haarwerk dat het meest op mijn eigen kapsel leek — kort, blond, pittig — vond ik eigenlijk niets. Ik voelde me een soort slechte kopie van mezelf. Tegen beter in heb ik hem toch aangeschaft. Een paar weken later kreeg ik een haarwerk voor een klant binnen. Bruin, op schouderlengte. Stiekem zette ik hem op. ‘Prachtig!’, reageerde mijn man. Negen maanden lang heb ik hem dagelijks gedragen. Mijn ‘eigen’ kapsel bleef ongebruikt in de kast.
De grootste uitdaging ondervond ik bij waterpolo. Me met een kaal hoofd in de kleedkamer van het zwembad vertonen durfde ik niet, mede omdat ik mijn teamgenoten niet in verlegenheid wilde brengen. Ik douchte dus als enige met een cap op en verruilde die later, als ik even alleen was, snel voor mijn haarwerk. Een vriendin en teamlid zag ik hoe daarmee worstelde. ‘Wie stemt er vóór dat Petra haar cap gewoon afdoet?’, vroeg ze aan de groep. Iedereen dus. Het voelde als een overwinning om mijn kale hoofd voor het eerst aan hen te laten zien. Niemand keek raar op. Daarmee was het klaar.”
Relativeren
“De eerste chemo vond ik vreselijk. Toen ik hoorde dat de rode vloeistof zo snel mogelijk moest inlopen omdat die anders mijn aderen te erg zou beschadigden, wilde ik het liefst hard wegrennen. Toch is het me uiteindelijk best meegevallen. Ja, ik voelde me na elke kuur een paar dagen raar en lamlendig, maar dat trok ook redelijk snel weer bij. Om het risico dat de kanker terugkomt te verkleinen, krijg ik nog altijd anti-hormonale therapie. Als gevolg daarvan ben ik vergeetachtiger en vind ik het lastiger om me te concentreren. Maar dat kan natuurlijk ook met de leeftijd te maken hebben.
De boosheid — ‘waarom ik’ — is langzaam weggeëbd. Ik heb gewoon ontzettende pech gehad. Als je je daartegen verzet, heb je er vooral jezelf mee. Wel heb ik een tijdje met een maatschappelijk werker gepraat. Het idee dat Thjalda misschien beide ouders kwijt zou raken, kon me zo aanvliegen. Dat met een buitenstaander delen hielp; ik kan mijn angsten nu beter relativeren. Als ik dertig jaar eerder was geboren, was er misschien niet eens een behandeling voor me geweest.”
Dankbaar
“Tijdens alle behandelingen had ik geen puf om in de kapsalon te blijven werken. Maar het haarwerkadvies ben ik wel blijven doen. Voor mijn klanten én voor mezelf. Als je kanker hebt, word je geleefd. Je stapt in een achtbaan, zonder te weten waar of wanneer de volgende bocht komt. Dan is het zo belangrijk om iets van jezelf te hebben. Iets waar je wél controle over kunt houden. Voor mij was dat mijn werk. Bovendien kon — en kan — ik mijn ervaringen daarin tenminste nuttig gebruiken. Ik weet immers als geen ander hoe mijn klanten zich voelden. Mijn eigen ziekte heeft me beter in mijn werk gemaakt. Ik ben begripvoller, neem nog meer de tijd voor mensen en hun verhalen.
Natuurlijk is het soms confronterend, bijvoorbeeld als ik een klant met kanker heb die weet dat ze niet meer beter wordt. Maar dat heeft me er nooit van te houden om mensen te willen helpen. De voldoening weegt zwaarder dan de angst. Bovendien: als ik dit werk niet had gedaan, was ik me niet zo bewust geweest van de kankerrisico’s en had ik mijn eigen tumor misschien pas veel later ontdekt. Wat dat betreft ben ik alleen maar dankbaar.”
Toekomst
“Toch ligt de onzekerheid altijd op de loer. Die dook dit voorjaar in alle hevigheid op toen mijn oudere zus óók borstkanker bleek te hebben. We zouden toch niet erfelijk belast zijn, dacht ik. Weer moesten we wachten op een uitslag die niet alleen onze levens, maar ook die van onze kinderen, kon bepalen. Gelukkig bleken we geen drager van de erfelijke afwijking die de kans op borstkanker aanzienlijk vergroot. De opluchting was immens.
Ik denk heus nog wel eens: wat als het terugkomt? Dan stel ik mezelf gerust met de wetenschap dat ik ieder jaar wordt gecontroleerd. Ben ik er in ieder geval vroeg bij. Bang voor bestraling en chemo ben ik niet meer; ik weet nu dat ik die prima kan doorstaan. Het heeft een tijd geduurd, maar inmiddels geloof ik ook weer dat ik oud kan worden. En intussen geniet ik elke dag. Dus kom maar op met die toekomst.” 

[Kader]
Cijfers

  • In 2017 werd er bij 17.559 Nederlanders borstkanker vastgesteld (incl. in situ tumoren), 17.423 vrouwen en 136 mannen
  • Naar verwachting stijgt het aantal diagnoses de komende jaren stijgen tot ruim 20.000 in 2020
  • In Nederland zijn er meer dan 150.000 mensen die borstkanker hebben (gehad)
  • 1 op de 7 vrouwen krijgt borstkanker
  • 20 procent van de borstkankerpatiënten is jonger dan 50 jaar, 30 procent is ouder dan 70
  • Na vijf jaar is 88 procent van de vrouwelijke patiënten nog in leven, na tien jaar 79 procent
  • Jaarlijks overlijden ruim 3.000 mensen aan de gevolgen van borstkanker, oftewel zo’n negen per dag

Bron: Pink Ribbon

[Kader]

Borstkankermaand
Jaarlijks staat oktober in het teken van borstkanker. In deze maand roept onder andere Pink Ribbon Nederlanders op om geld te doneren voor borstkankeronderzoek. Daarnaast zijn er allerlei (inzamelings)activiteiten. Meer informatie: pinkribbon.nl. 

 

PSYCHIATER WIM VELING: “PSYCHOSEPATIËNTEN ZIJN NET ALS JIJ OF IK”

2 okt

veling jpg

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant, 29 september 2018 (Foto: Siese Veenstra)

Mensen met waanideeën of stemmen in hun hoofd: we vinden ze knap eng. Begrijpelijk, maar niet nodig, aldus psychiater Wim Veling, hoofd behandelzaken van de afdeling Psychosen van het UMCG. Ze zijn namelijk zelden gevaarlijk. “Het grootste deel van de psychosepatiënten is net als jij of ik.”

  • Naam: Wim Veling
  • Geboren: 10 augustus 1974 in Zwolle
  • Woonplaats: Zwolle
  • Werk: psychiater en hoogleraar, hoofd behandelzaken de afdeling Psychosen van het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG. Hij was negen jaar voorzitter van het landelijke Netwerk Vroege Psychosen en leidde de werkgroep die de landelijke richtlijn voor  behandeling van psychosen opstelde.
  • Privé: getrouwd
  • Bijzonder: introduceerde virtual reality als behandelvorm voor psychose in Nederland.

De werkplek van psychiater Wim Veling lijkt op het eerste gezicht op die van ieder ander. De computer, de stapels papieren, de vakliteratuur en de planten zouden van willekeurig welke arts kunnen zijn. Maar als je beter kijkt, ontdek je iets bijzonders op zijn bureau: een plastic plaatje, met daarop een zwart met rode knop. Het is een zogenaamde panic button, oftewel een alarmknop. Als Veling die indrukt, schieten verschillende collega’s uit het Groningse Universitair Centrum Psychiatrie hem direct te hulp. “Ik twijfelde of ik hem zou laten zien”, bekent Veling, terwijl hij het plaatje op zijn hand weegt. “Voor je het weet denken lezers dat mensen met een psychose per definitie gevaarlijk zijn. In de praktijk is dat echter zelden het geval. In de vier jaar dat ik in het UMCG werk, heb ik de knop nog nooit hoeven gebruiken.”
Een paar feiten op een rij. Elk jaar krijgen circa 3.000 Nederlanders tussen de 15 en de 45 jaar voor het eerst een psychose. Oftewel: zo’n 27 per dag. Bijna één op de honderd Nederlanders lijdt aan schizofrenie, een aandoening waarbij je langere tijd last hebt van psychosen en andere (rest)klachten, zoals concentratie- en motivatieproblemen. Zo zeldzaam is de ziekte dus niet. Toch is het stigma dat erop rust enorm. Mensen met een psychose zouden verwarde gekken zijn, waarbij je vooral uit de buurt moet blijven. Een misplaatst beeld, dat volgens Veling wordt versterkt door de media. “Alleen de uitwassen halen het nieuws”, betuigt hij. “Daar wil ik zeker niet lichtvoetig over doen. Het is vreselijk als een iemand met waanideeën overlast veroorzaakt of zichzelf of een ander kwaad aandoet. Maar de psychosepatiënten die je niet ziet en hoort — de overgrote meerderheid — lijden óók onder dat beeld. Dat zijn gewone mensen met gewone levens, zoals jij en ik.” 

Even een stapje terug: wat is een psychose precies?
“Een mix van verschillende symptomen. De één is bijvoorbeeld extreem achterdochtig, de ander hoort — vijandige — stemmen in zijn hoofd of ziet dingen die er niet zijn. Maar er komt meer bij kijken. Mensen met psychotische klachten kunnen zich slecht concentreren. Ze hebben vaak moeite met organiseren en leren, en kunnen het nauwelijks opbrengen om de gewone dagelijkse dingen te doen.” 

Het gaat altijd over wanen en hallucinaties. Wat is het verschil?
“Tijdens een hallucinatie hoor, zie, voel, proef of ruik je dingen die er in werkelijkheid niet zijn. Denk aan de bekende stemmen in iemands hoofd. Bij wanen komen je gedachten niet overeen met de werkelijkheid. Mensen met wanen geloven bijvoorbeeld dat ze een belangrijke historische figuur zijn. Of dat de geheime dienst ze achtervolgt. Zowel bij hallucinaties als bij wanen is de ervaring voor de patiënt levensecht. Overigens hebben de meeste mensen wel eens een psychotische ervaring.” 

Pardon?
“Je hebt vast wel eens het idee gehad dat iedereen je raar aankeek, of achter je rug om grapjes over je maakte, terwijl dat vermoedelijk helemaal niet zo was. Of misschien heb je een overleden familielid in huis gezien of gevoeld. Om nog maar niet te spreken over de ‘trips’ die drugs veroorzaken. Allemaal psychotische verschijnselen. Het verschil is alleen dat jij wéét dat de ervaring niet echt is. Psychosepatiënten kunnen dat onderscheid niet meer maken.” 

Hoe kan het dat het brein van een psychosepatiënt hem zo voor de gek houdt?
“Het heeft te maken met hoe de miljarden zenuwcellen in de hersenen met elkaar communiceren. Dat gebeurt met behulp van neurotransmitters: stofjes die zorgen voor de elektrische overdracht tussen cellen. Eén daarvan is dopamine. Dat stofje speelt een belangrijke rol bij het selecteren en beoordelen van alle informatie die gedurende de dag binnenkomt. Zowel van buitenaf — via je zintuigen — als van binnenuit — via je gedachten. Mensen met een psychose hebben in een bepaald deel van hun brein te veel dopamine-activiteit. Daardoor komen alle signalen keihard binnen. De hersenen zijn dan niet meer in staat ze adequaat te verwerken. Met als mogelijk gevolg dat je brein een loopje met je neemt.” 

Gaat dat ook weer over?
“Bij 20 procent van de patiënten blijft het bij één psychose. De rest krijgt gedurende hun leven met meerdere episodes te maken. De hallucinaties en de wanen zijn met medicijnen meestal goed te bestrijden. Om het risico op terugkeer zo klein mogelijk te maken, is het belangrijk dat patiënten leren wat een psychose in hun specifieke geval kan uitlokken. Stress, depressie of een slaaptekort bijvoorbeeld.”
In de tien jaar dat hij als psychiater werkt, heeft Wim Veling meer dan duizend psychosepatiënten gezien. Maar hij wordt nog elke dag verrast. “Iedere psychose is anders en uniek”, zegt hij. “Dat maakt dit werk zo boeiend. Soms is het ook spannend. Onlangs ben ik nog samen met twee agenten via een ladder een huis ingeklommen om een patiënte te kunnen helpen die zichzelf had ingesloten.” 

En ja, hij heeft ook wel eens een klap gehad van een patiënte die ervan overtuigd was dat Veling haar moeder had mishandeld. Maar bang is hij zelden. “Natuurlijk heb ik soms gezonde angst. Die heb je ook nodig om te voorkomen dat een gespannen situatie uit de hand loopt. Maar dat is maar een klein onderdeel van mijn werk. Veel belangrijker vind ik het feit dat de — vaak jonge — patiënten die ik zie enorm onder hun klachten lijden. Het is al moeilijk genoeg als je tijdelijk zo in de war bent. Maar daar bovenop verliezen mensen vaak alles wat ze dierbaar is: relaties, studie, werk. Bovendien vinden buitenstaanders vinden mensen met een psychose al snel eng. Dat maakt het extra lastig om als (ex-)patiënt je weg terug te vinden en weer volwaardig mee te doen in de maatschappij. Ik zie het als mijn missie om ze daar zo goed mogelijk bij te helpen.”

Mensenvak
Lang leek het erop dat Veling een ander carrièrepad zou inslaan. Als kind wilde hij namelijk het liefst journalist worden. Met dat vak kon hij zijn onuitputtelijke nieuwsgierigheid naar mensen en hun verhalen het best bevredigen, dacht hij. Bovendien schreef hij graag. Niet alleen verhalen en ‘artikelen’, maar ook toneelstukken voor school. Dat hij uiteindelijk toch voor geneeskunde koos, was het gevolg van zijn sociale verlegenheid. “Ik vond het ongemakkelijk om zomaar op iemand af te stappen. Niet handig voor een journalist.” Een kennis van zijn ouders, een huisarts, overtuigde hem ervan om voor de psychiatrie te gaan. Immers ook een mensenvak.
Vanuit zijn ouderlijk huis in Hattem toog Veling naar de universiteit in Leiden. Dat was nogal een overgang. “Ik kom uit een traditioneel gereformeerd gezin. Elke zondag gingen we naar de kerk, en ik zat op een Christelijke school en Christelijke clubs. Mijn hele jeugd had ik in een veilige, verzuilde bubbel doorgebracht. In Leiden werd ik daar hardhandig uitgemikt. Geneeskunde studeren en geloven? Dat vonden veel medestudenten ‘achterlijk’.”

Wetenschap en geloof staan toch ook op gespannen voet met elkaar?
“Niet per se. Het geloof was de onwrikbare basis onder ons gezin. Tegelijkertijd hebben onze ouders mijn drie zussen en mij met een brede, tolerante blik opgevoed. Mijn vader had wiskunde en filosofie gestudeerd, maar hij was óók de eerste fractievoorzitter van de Christenunie in de Tweede Kamer. Compassie, mededogen en dankbaarheid; dat zijn de kernwaarden die ik heb meegekregen.” 

Is uw geloof nooit aan het wankelen gebracht?
“Tijdens mijn studie heb ik echt wel eens gedacht hoe onwaarschijnlijk de Bijbel was. Maar uiteindelijk keerde ik er toch altijd naar terug. Het geloof is voor mij een houvast, iets wat vertrouwen en richting geeft. Nog altijd ga ik wekelijks naar de kerk. Wel sta ik tegenwoordig meer dan vroeger open voor andere overtuigingen. Uiteindelijk proberen we er allemaal het beste van te maken. Dan kun je maar beter van elkaar leren, in plaats van elkaar de maat te nemen.” 

In Leiden leerde Veling zijn latere vrouw Martine kennen. De biologiestudente had er altijd van gedroomd om een tijd in Afrika te werken. Dat leek Veling wel wat. “Ik wilde graag de wereld verbeteren. Dat kon ook prima als tropenarts, dacht ik.” Dus toog het stel samen naar Kalabo, een piepklein plaatsje in Zambia. Om er te komen moesten ze vanuit de hoofdstad Lusaka eerst zes uur met de bus, en daarna nog twaalf uur varen in een kano. “Middenin de nacht kwamen we op onze bestemming aan. In het pikkedonker, want elektriciteit was er nauwelijks. Met handen en voeten vonden we onze weg naar het ziekenhuisje — Engels spraken de mensen niet. Daar bleek niemand van onze komst te weten. De Nederlandse tropenarts bij wie ik zou gaan werken was onverwachts weggeroepen.”
Het was het een passende introductie in een totaal andere wereld. Zes maanden lang runde Veling mede de mannen- en vrouwenzaal en de polikliniek van het ziekenhuis. Zinvol en leerzaam werk, maar door de gebrekkige voorzieningen en de bureaucratie ook frustrerend. “Ik heb er mijn idealisme niet verloren, maar ik heb het wel moeten bijstellen. Hoeveel respect ik ook voor tropenartsen heb, het verschil dat je lokaal kunt maken is beperkt. Uiteindelijk was het voor mij reden om alsnog voor de psychiatrie te kiezen. Ik had het gevoel dat ik daarin meer kon betekenen Het vak paste toch beter bij me. Maar Afrika draag ik voor altijd in mijn hart. De vrolijkheid en levenskunst die ik daar heb gezien, inspireren me nog iedere dag.” 

Wat uit Afrika neemt u in uw dagelijkse werk mee?
“Ik deed en doe er onderzoek naar hoe de mensen daar met psychosen omgaan. Om de patiëntenzorg verbeteren, maar ook om er zelf van te leren. Mensen met psychosen komen in Afrika meestal bij traditionele genezers terecht. Voor een onderzoek in de regio KwaZulu-Natal, in Zuid-Afrika, hebben we een groot aantal genezers geïnterviewd en ook met ze samengewerkt. Zo kwamen we erachter dat zij vaak zelf psychotisch waren. Tenminste, zo zouden we het hier noemen. Hun ervaringen maakten ze bij uitstek ‘geschikt’ om bijvoorbeeld met voorouders te communiceren. Dat was voor mij een eye opener. In het westen labelen we psychosen als vanzelfsprekend als iets negatiefs. Maar het hangt er dus maar net vanaf wat voor etiket je erop plakt. Misschien maken wij westerlingen de klachten juist erger door te stellen dat psychosepatiënten ziek zijn. Door dingen soms anders te benoemen, kunnen we mensen wellicht beter helpen.”  

Is het niet lastig om een traditionele healer die kippenbloed over een patiënt sprenkelt serieus te nemen?
“Niet als je in staat bent om je oordeel uit te stellen. Voor mij is dat geen opgave, want als psychiater doe ik dat iedere dag. Alleen zo kan ik mijn patiënten open en gelijkwaardig tegemoet treden.” 

Virtual reality
Opvoeding, familie, vrienden, studie, werk, collega’s, maar ook waar iemand woont, uit wat voor milieu en cultuur hij komt en eventuele trauma’s: al die aspecten spelen een rol bij het ontstaan, het verloop en herstel van psychosen. De sociale context, noemt Veling dat. De studie daarnaar is de rode draad in zijn werk van het afgelopen decennium. Zo deed hij in Den Haag promotieonderzoek naar de vraag waarom mensen met een migratieachtergrond een grotere kans lopen om een psychose te krijgen. “Simpel gezegd bleek het samen te hangen met sociale stress. Hoe meer migranten zich buitengesloten voelden en hoe minder sociale steun ze ervoeren, hoe groter het risico op psychosen.”
Al zijn ervaringen hebben hem gesterkt in de overtuiging dat er bij psychosen niet alleen aandacht moet zijn voor de klachten, maar ook voor de dagelijkse leefomgeving van een patiënt. “Op de lange duur heeft een behandeling alleen kans van slagen als je alle aspecten daaruit meeneemt.”
Eén manier waarop Veling dat doet, is met het gebruik van virtual reality. Dat is volgens hem een fantastische manier om de ingewikkelde sociale omstandigheden waar patiënten mee te maken krijgen in de behandelkamer te halen. “Ik ben ervan overtuigd dat VR de komende jaren een enorme vlucht gaat nemen in de psychiatrie.”

Hoe werkt dat?
“Mensen met psychosen ondervinden vaak problemen in het dagelijkse leven. Bijvoorbeeld als ze boodschappen doen of in de trein zitten. Het lastige is dat je daar als behandelaar niet bij bent. Met behulp van virtual reality kan dat wel. Met een VR-bril op begeeft een patiënt zich in een virtuele, maar tegelijkertijd levensechte wereld. De behandelaar kan die omgeving aanpassen en zo bepaalde reacties uitlokken. Dat geeft patiënten dan weer de mogelijkheid om — met deskundige hulp — te leren hoe ze anders met zo’n situatie kunnen omgaan. Met als ultiem doel: minder klachten en beter sociaal functioneren.” 

Heeft dat in de praktijk al wat opgeleverd?
“Jazeker! We hebben onder andere een VR-therapie tegen paranoïde wanen ontwikkeld, die bewezen werkt. Nu onderzoeken we of we deze aanpak ook voor andere klachten en doelgroepen kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van een VR-agressietraining voor TBS-ers.”
Ongemerkt heeft Veling drie uur over zijn werk verteld. En hij is nog lang niet uitgepraat. “Ik heb het mooiste vak ter wereld. Alles draait om goed luisteren en oprecht contact. Mensen met psychosen zijn vaak heel argwanend. Die moet je echt verleiden om hulp te accepteren. Dat vraagt om creativiteit, inventiviteit en maatwerk. Patiënten dagen me uit om het beste uit mezelf te halen en ze daarmee zo goed mogelijk te helpen. Uiteindelijk gaat het immers niet om wat ik wil bereiken, maar om wat zij nodig hebben.” Gevraagd naar wat hij over vijf jaar als hoogleraar hoopt te hebben bereikt, hoeft hij niet lang na te denken. “Dat we met z’n allen wat meer begrip hebben voor mensen met psychosen. Dat we ze serieus nemen en steunen, in plaats van ze te veroordelen en te ontwijken. De maatschappij is er de laatste jaren niet toleranter op geworden. Je moet presteren, succesvol zijn, anders tel je niet mee. Iemand die afwijkt, valt al gauw buiten de boot. Maar het leven is niet altijd maakbaar. Als we daar wat beter van doordrongen raken, worden we er uiteindelijk allemaal beter van.” 

[Kader]
Meer weten?

  • De website psychosenet.nl biedt duidelijke achtergrondinformatie en blogs. Ook kunnen bezoekers via een eSpreekuur anoniem vragen stellen aan experts.
  • Het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG heeft een aparte site over de toepassing van virtual reality bij de behandeling van psychische klachten: vrmentalhealth.nl. 

WERKGELUK LOONT

17 apr

Anique Wijnhoud jpg.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 17 april 2018

Een geluksrevolutie teweegbrengen: dat is wat psycholoog Anique Wijnhoud wil. Op de werkvloer, wel te verstaan. Want qua welzijn op het werk valt er volgens haar nog een wereld te winnen. 

Paspoort
Naam: Anique Wijnhoud
Leeftijd: 27
Opleiding: Toegepaste Psychologie aan de Hanzehogeschool Groningen
Beroep : Oprichter en eigenaar van Rebelpoint in Groningen, een organisatieadviesbureau gespecialiseerd in het creëren van meer werkgeluk
Sinds: 2014

Iedereen kent wel zo iemand. Een familielid of vriend die elke dag met tegenzin naar zijn werk gaat. Die geen lol (meer) heeft in wat hij doet, en ’s avonds uitgeput thuiskomt. Hoe hij daar verandering in moet brengen, weet hij niet. Een andere baan zoeken misschien? Grote kans dat hij zich daar na een tijdje dan weer net zo ellendig voelt. Zonde, vindt Anique Wijnhoud dat. Als organisatieadviseur, gespecialiseerd in werkgeluk, hoort zij dagelijks dit soort verhalen. “Vaak voelen mensen zich overgeleverd aan allerlei — negatieve — omgevingsfactoren. De bedrijfscultuur die moordend is, collega’s die elkaar afvallen of de inhoud van het werk die saai is bijvoorbeeld. Ze hebben het idee dat daar zelf weinig invloed op kunnen uitoefenen. En dus nemen ze er maar genoegen mee dat er niet meer in zit. Bij werkzoekenden zie ik dat trouwens ook. Ze accepteren de eerste beste baan, zodat ze in ieder geval ‘maar iets’ hebben. Wat een verspilling van energie en talent, denk ik dan. Op die manier doe je jezelf én je werkgever tekort.” 

Waarom? Eén baan is beter dan géén baan, zullen veel mensen denken.
“Natuurlijk snap ik dat er brood op de plank moet komen. Maar als je werk doet dat eigenlijk niet bij je past, waarvoor je je emotioneel in allerlei bochten moet wringen en dat je niet gelukkig maakt, houd je het op de lange duur niet vol. Bovendien kun je op die manier je talenten en vaardigheden niet optimaal benutten, en dus ook niet het beste van jezelf geven.” 

Wat maakt dat iemand wel of niet gelukkig is in zijn werk?
“Essentieel is dat je iets doet wat aansluit bij wie bent, en hoe je in het leven staat. Daar bedoel ik mee dat je er energie van krijgt en dat je je nuttig voelt. Verder willen mensen zich graag kunnen ontwikkelen in hun werk. En een positieve werksfeer en steun van collega’s en leidinggevenden zijn ook belangrijk.” 

Je hebt dat soort dingen toch niet altijd voor het uitkiezen?
“Meer dan je denkt! Maar dan moet je wel eerst van jezelf weten waar je goed in bent, waar je energie van krijgt, wat je belangrijk vindt en wat je van anderen nodig hebt om dat waar te maken. Als je dat snapt, kun je vervolgens dingen gaan veranderen. Daar help ik organisaties en teams bij. Met als doel zoveel mogelijk happy rebels te creëren. Zo noemen we medewerkers die weten wat ze kunnen en willen, en de durf hebben om daarnaar te handelen. Dat dat loont, blijkt wel uit het feit dat zij hun werkgeluk gemiddeld een negen geven.” 

Hoe pak je dat aan?
“Ik heb een speciale methode ontwikkeld, waarmee mensen aan de hand van praktische opdrachten veertig dagen aan de slag gaan met het thema werkgeluk, zowel individueel als in groepsverband. Onlangs heeft het personeel van een Groningse winkel dat bijvoorbeeld gedaan, maar ook een operatieteam van een ziekenhuis. Na afloop bleken de deelnemers hun passie en energie te hebben teruggevonden, en werkten ze beter samen.”  

Waarom veertig dagen?
“Omdat het gemiddeld zoveel tijd kost om gedrag te veranderen. Vandaar ook dat bijvoorbeeld trainingen op de lange duur meestal weinig effect hebben; ze beklijven niet.” 

Organisatieadviseurs zijn er te over. Wat maakt jouw aanpak anders?
“In plaats van te focussen op wat er allemaal mis is, laat ik mensen inzien wat er wél kan. Daarvoor maak ik gebruik van mijn kennis over positieve psychologie. Ik geloof heilig dat medewerkers prima in staat zijn om hun eigen werkgeluk te vergroten. Het enige wat ze nodig hebben, is een kaart en een kompas om van A naar B te komen. Die lever ik ze.”

Je bent 27 en zelf pas een paar jaar aan het werk. Waar haal je de wijsheid vandaan?
“Al tijdens mijn studie vond ik het frusterend om te zien dat zoveel mensen qua werk niet op de goede plek zitten. Of wel op de goede plek zitten, maar daar niet tot hun recht komen. Dat moet beter kunnen, dacht ik. Zo ontstond het idee voor mijn bedrijf. Uiteindelijk is daar mijn Rebel-methode uit voortgekomen.” 

Wat is je advies voor mensen die op dit moment naar een baan op zoek zijn?
“Veel werkzoekenden staren zich blind op vacatures en proberen hun CV daarop aan te passen. Mijn tip is om dat om te draaien. Breng eerst goed voor jezelf in kaart wat je belangrijk vindt in een functie, wat je te bieden hebt, waar je blij van wordt en voor wie je graag werkt. Zoek vervolgens een baan die daar zo goed mogelijk op aansluit. Beperk je niet tot vacatures in jouw studie- of werkgebied, durf breder te kijken. En wees trots op jezelf. Werkzoekenden hebben vaak de neiging om zich onderdanig op te stellen. Ze vinden dat ze dankbaar moeten zijn als iemand ze een baan wil geven. Volgens mij is het precies andersom. Een organisatie mag blij zijn als je voor ze wilt werken! Als je door zo’n andere bril naar de arbeidsmarkt gaat kijken, zul je zien dat er nieuwe kansen op je pad komen.” 

 

MINDER SOMBER DOOR YOGA

23 feb

yoga en depressie jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 22 februari 2018

Veel mensen die aan yoga doen, voelen zich daardoor beter. Lichamelijk én geestelijk. Maar kan yoga ook zinvol zijn bij de behandeling van depressieve klachten? Dat testen onderzoekers van GGZ-instelling Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen momenteel.

Het begon allemaal met de behoefte aan meer ontspanning, en rust in haar hoofd. Dat was voor Nina Vollbehr (33), psycholoog en onderzoeker bij Lentis, de aanleiding om ruim tien jaar geleden zelf met yoga te starten. “Ik was een serieuze student die veel met haar neus in de boeken zat”, zegt ze. “Yoga leek me een daar een mooie tegenhanger voor.”
Het beviel zo goed, dat ze een fervente yogi werd, zoals de beoefenaars van yoga officieel heten. Maar geen haar op haar hoofd die er op dat moment aan dacht om daar professioneel iets mee te gaan doen. Dat kwam pas in 2012, nadat ze tijdens een sabbatical van vijf maanden als vrijwilliger bij het Kripalu Center for Yoga & Health in de Amerikaanse staat Massachusetts had gewerkt. Bij terugkomst ging ze aan de slag in het Centrum Integrale Psychiatrie (CIP) van Lentis, een gespecialiseerde GGZ-afdeling in Groningen. Daar kunnen patiënten behalve voor reguliere behandelingen bijvoorbeeld ook terecht voor leefstijltraining en op mindfulness gebaseerde inzichtstherapie. Yoga zou perfect bij in dat aanbod passen, dacht Vollbehr. Maar je kunt in de GGZ niet ‘zomaar’ een nieuwe behandeling aanbieden, zonder dat de werking daarvan is aangetoond. Wereldwijd is er weliswaar op meerdere plekken onderzoek naar gedaan, maar hard bewijs dat yoga als behandeling echt werkt, is er nauwelijks. Dus besloot Vollbehr daar zelf naar op zoek te gaan.
Jonge vrouwen
Ze volgde een opleiding tot yogadocent en ontwikkelde vervolgens samen met collega’s een 9-weeks yogaprogramma voor mensen met een depressie. Geen standaard yoga, maar groepslessen met yoga-, mindfulness- en ontspanningsoefeningen, aangevuld met online uitleg en oefeningen voor thuis. Het doel: minder gepieker en zelfkritiek, en anders leren omgaan met negatieve emoties.
“Al die zaken spelen een belangrijke rol bij het ontstaan, voortduren of terugkeren van een depressie”, legt Volbehr uit. “Het idee is dat je die denkmechanismen met behulp van yoga verandert, waardoor depressieve klachten afnemen.”
Om erachter te komen of dat daadwerkelijk zo is, onderzoeken Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen nu 170 vrouwen tussen de 18 en 34 jaar met dit soort klachten. De helft neemt deel aan de yogatraining, de andere helft niet. (Zie kader.) “We hebben met opzet gekozen voor jonge vrouwen, omdat zij het grootste risico op een depressie lopen. Als de uitkomsten van het onderzoek positief zijn, willen we uiteraard ook graag kijken of de training bij mannen met vergelijkbare klachten dezelfde resultaten geeft.”
Minder stress
Maar hoe werkt dat dan in de praktijk? Daarvoor moet je eerst iets over yoga in het algemeen weten. Dat is een manier om lichaam én geest te trainen. Door het doen van verschillende oefeningen leer je je lijf als het ware om minder intens op prikkels te reageren, en dus minder snel in de stress te schieten. Prikkels van buiten, maar ook van binnen, bijvoorbeeld in de vorm van gepieker. Door meer te focussen op het hier en nu, krijgen zorgelijke gedachten over het verleden of de toekomst minder kracht.
“Ook negatieve emoties hebben veel invloed bij depressie”, zegt Volbehr. “Als je dat soort gevoelens probeert te vermijden of weg te stoppen, worden ze alleen maar intenser en houden ze langer aan. Yoga helpt je ze in plaats daarvan te accepteren voor wat ze zijn, en er minder waarde aan te hechten. Verder kan yoga ervoor zorgen dat je aardiger en milder voor jezelf wordt. Depressie gaat vaak samen met zelfkritiek, en gevoelens van schuld of falen. Door onbevooroordeeld en vriendelijk naar jezelf te kijken, ontstaat meer zelfcompassie. Ook dat kan helpen”
Ze benadrukt dat het niet de bedoeling is om yoga in plaats van bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of medicatie in te zetten. “Die behandelingen zijn bewezen effectief. Maar ze werken niet bij iedereen even goed. Bovendien krijgen patiënten soms een terugval. Dus als we — in aanvulling op bestaande behandelingen — in de toekomst yoga kunnen aanbieden, vergroot dat hopelijk de kans op een langdurig succesvol resultaat.”

[Kader]
Onderzoek
Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) doen gezamenlijk onderzoek naar yoga als aanvullende behandeling bij depressie. Jonge vrouwen (18-34 jaar) met een depressie die in behandeling zijn bij Centrum Integrale Psychiatrie, PsyQ Depressie Groningen, PsyQ Emmen, Lentis Stadskanaal, Lentis Winschoten, Lentis Delfzijl, Forte GGZ en INTER-PSY kunnen zich voor het onderzoek aanmelden. Patiënten die de afgelopen zes maanden al minstens 30 minuten per week yoga hebben gedaan, zijn uitgesloten.
Deelnemers worden willekeurig ingedeeld in een behandelgroep (die de 9-weekse yogatraining volgt) of een controlegroep (die de training niet krijgt). De reguliere behandelingen die zij ondergaan, lopen tijdens de training gewoon door.
Vlak voor en na de training, en ook zes en twaalf maanden na afloop ervan, vullen de deelnemers een vragenlijst in en maken ze verschillende computertaken. Daarmee brengen de onderzoekers klachten als negatieve stemming, lusteloosheid en concentratieproblemen in kaart, maar ook het gevoel van welzijn en de kwaliteit van leven.
Na afronding van het onderzoek (eind 2019) krijgen deelnemers uit de controlegroep alsnog de mogelijkheid om aan de yogatraining mee te doen. Naar verwachting worden de uitkomsten in 2020 gepubliceerd.
Meer informatie: yogabijdepressie.nl.

[Testimonial]
Docent Anne (33) raakte vier jaar geleden als gevolg van ernstige depressieve en angstklachten arbeidsongeschikt. In aanvulling op ‘praten en pillen’ heeft ze veel baat gehad bij de 9-weekse yogatraining van Lentis.
“Achteraf ging het al heel lang slecht met me. Maar ik wilde of kon dat niet zien. Ik functioneerde op de automatische piloot, deed dingen omdat ze hoorden. En toen stortte alles plotsklaps ineen. Ik was zo somber en bang, dat ik het huis nauwelijks nog uit durfde. Ik wilde niets liever dan me verstoppen, mijn gevoel verdoven, er niet meer zijn. Mijn huisarts verwees me door naar het Centrum Integrale Psychiatrie. Daar begon ik met gesprekstherapie en medicijnen. Na twee jaar vroeg Nina me of ik aan een yogaonderzoek wilde meedoen. Dat leek me wel wat, vooral omdat ik nog steeds moeite had om in contact met mijn gevoel te komen. Bovendien vond ik het heel fijn om eens niet te praten, maar te doen.
Een depressie komt je concentratie niet ten goede, dus van de uitleg tijdens de lessen heb ik niet veel meegekregen. Maar de oefeningen waren een openbaring. Ze hielpen me om op te merken wat er eigenlijk allemaal in mijn lichaam gebeurde, of ik gespannen was of niet. Na de 9-weekse training ben ik zelf verdergegaan met yoga. Het heeft me geleerd om verbinding met mezelf te maken, en aardiger voor mezelf te zijn. Ik focus op wat er nu gebeurt, wat nu goed voelt, in plaats van op wat ik later allemaal moet, of wat ik over vijf jaar wil hebben bereikt.
Een yogapose kun je niet in één keer, daar word je stapje voor stapje beter in. Die ervaring heeft me ook op andere terreinen geholpen. Ik durfde bijvoorbeeld niet meer auto te rijden, zag mezelf in gedachten de vreselijkste ongelukken veroorzaken. Door het als een yogaoefening te benaderen, rijd ik inmiddels weer overal naartoe. Nog een voordeel: ik heb meer grip mijn emoties gekregen. Als ik nu somber ben, kan ik er met een afstandje naar kijken, in plaats van dat het gevoel me overspoelt. Voorheen had de paniek meteen toegeslagen. ‘Ik heb een terugval!’ Inmiddels weet ik dat mijn gemoedstoestand op en neer gaat, en dat ik erop kan vertrouwen dat het goed komt. Depressie en angst slokken alle ruimte op, nu durf ik zelf meer ruimte in te nemen.”

[Testimonial]
Sociaal werker Barbara (31) was drie jaar geleden zo depressief, dat ze alleen nog maar kon huilen en slapen. Nu reist ze — met yogamat — vijftien maanden door Nieuw Zeeland.
“Toen ik op mijn 28ste hulp zocht, had ik al dertien jaar last van depressieve klachten. Naar de huisarts durfde ik niet, uit angst dat die me ‘gek’ zou verklaren. Dus ploeterde ik verder, en zakte ik steeds verder weg in de somberheid. Mijn relatie liep stuk, werken ging niet meer. Uiteindelijk heb ik negen maanden thuis gezeten. Bij het Centrum Integrale Psychiatrie kreeg ik de diagnose post-traumatische stressstoornis, als gevolg van een onstabiele gezinssituatie als kind. Meer wil ik daarover niet kwijt.
Ik heb verschillende behandelingen gehad, waaronder lichaamsgerichte en traumatherapie. Daarnaast heb ik meegedaan aan het yogaonderzoek. De eerste lessen voelde ik me lichamelijk heel ongemakkelijk. Als je zolang afgesloten bent geweest van je gevoel, is yoga best confronterend. Mijn lijf ging letterlijk protesteren, bijvoorbeeld door te trillen. Wat ook niet hielp, was dat ik — perfectionist die ik ben — alle houdingen meteen foutloos wilde doen. Ik heb dus echt moeten leren om dat los te laten. Toen dat eenmaal lukte, was de beloning groot. Na een les voelde ik me comfortabeler in mijn lijf, rustiger in mijn hoofd. Bijna alsof ik stoned was!
Dat ik nu alleen door Nieuw Zeeland reis, is de volgende stap in mijn persoonlijke ontdekkingsreis. Een soort verlenging van de therapie, maar dan mijn zonder hulp. Twee weken nadat ik hier was aangekomen, heb ik een mooie yogamat aangeschaft. Ik kan nu op elk moment mijn oefeningen doen, in de tuin, op het strand, waar ik maar ben. Dat voelt veel beter dan in paniek mijn psycholoog bellen, zoals ik vroeger regelmatig deed. Mede dankzij de yogatraining weet ik nu dat ik altijd en overal een rustpunt in mezelf kan vinden, en mezelf kan helen.”

Om privacyredenen zijn de namen van Anne en Barbara verzonnen. Hun echte namen zijn bij de redactie bekend.

STRIPMAKER ERIC HEUVEL

31 aug

heuvel jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 26 aug 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Eric Heuvel
Geboortedatum: 25 mei 1960
Geboorteplaats: Amsterdam
Opleiding: mavo, havo, HBO leraar geschiedenis (niet afgemaakt)
Werk: Brak in 1987 door met het eerste album van de serie January Jones. Tekende in de jaren ’90 dagelijks de feuilletonstrip Bud Broadway voor het Algemeen Dagblad. Verder bekend van zijn educatieve strips, onder andere over de Tweede Wereldoorlog. Ontving in 2012 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Maakt maast strips ook kinderboekenillustraties en reclametekeningen.
Privé: getrouwd, een zoon van 22
Woonplaats: Zaandam

——————————————————————————————————————————

“Mijn liefde voor strips heb ik van mijn vader. Niet voor niets vernoemden mijn ouders me naar een stripfiguur, Eric de Noorman. Als klein jongetje stonden de stripboeken letterlijk op me te wachten. Tien ingebonden jaargangen van Robbedoes had mijn vader na de oorlog bij elkaar gespaard. De geschiedenisverhalen daarin las ik het liefst. Vooral de twee wereldoorlogen en de tijd daartussen, het Interbellum, fascineerden me mateloos. Misschien omdat mijn ouders daar altijd zo boeiend over vertelden. De kleding, de gebouwen, de auto’s, de vliegtuigen; alles uit die periode vond ik prachtig. Ik weet nog goed hoe geshockeerd ik was toen ik decennia later ontdekte hoe weinig kennis jongeren over deze periode hebben. Sommigen weten niet eens of Hitler voor of na Napoleon kwam!
Het was voor mij reden om begin deze eeuw naar de Anne Frank Stichting te stappen en voor te stellen om een educatieve strip over de Tweede Wereldoorlog te maken. In eerste instantie keken ze daar vreemd op van het idee. Zo’n serieus verhaal in een stripvorm gieten? Sommigen vonden dat respectloos. Terwijl eens strip volgens mij bij uitstek geschikt is om informatie over te brengen, zeker naar jongeren.
De ontdekking gaat over de bezettingstijd in Nederland. Als Jeroen op de zolder van zijn oma spullen voor een rommelmarkt zoekt, ontdekt hij van alles over haar leven. Zij vertelt hem vervolgens over haar jeugd in de oorlog. Dankzij het grote succes van de strip — de overheid gaf het in 2003 als Nationaal Geschenk aan alle middelbare scholieren — kon ik vervolgens nog twee delen maken, één over de jodenvervolging en één over Nederlands-Indië tijdens de oorlog. De trilogie wordt nog steeds als lesmateriaal op scholen gebruikt. Van alles wat ik heb bereikt, ben ik daar wel het meest trots op.
Door mijn educatieve strips ben ik gaan nadenken over mijn verantwoordelijkheid als tekenaar. Mensen zijn geneigd te geloven wat ze zien, dus moet het allemaal wel kloppen. Jarenlang ging al mijn geld op aan het verzamelen van goede documentatie. Mijn huis staat van onder tot boven vol met boeken over geschiedenis, architectuur, auto’s en kunst. Ik dreig te bezwijken onder alle stapels, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze weg te gooien. En dat terwijl ik mijn boeken sinds de komst van het internet zelden nog inkijk.
Strips maken is het enige wat ik ooit heb willen doen. Als kind ging ik met mijn schetsboek de stad in. Zat ik als jongetje van acht uren grachtenpanden na te tekenen, of dieren in Artis. Later tekende ik in mijn eentje de schoolkrant vol, en bedacht ik mijn eigen strips. Ik wilde niets liever dan er mijn werk van maken, maar ja, hoe pak je dat aan? De Robbedoes-redacteur die ik als tiener met die vraag schreef, stuurde tot mijn opwinding een brief terug. ‘Imiteer de tekenaars die je bewondert’, antwoordde hij. ‘Als je talent hebt, ontwikkel je vandaar uit je eigen stijl.’ Het bleek gouden raad.
Om brood op te plank te krijgen, ging ik na mijn diensttijd bij de douane werken. Ondertussen stuurde ik zoveel mogelijk materiaal naar gevestigde striptekenaars en uitgevers. Op mijn 27ste was het raak; Martin Lodewijk, nestor van de Nederlandse stripwereld, zag wel wat in me. Hij besloot me te helpen om mijn eigen strip te creëren. Het werd een avonturenreeks met een vrouwelijke heldin, January Jones, waarvoor Martin het verhaal schreef. Iedere week ging ik bij hem langs om het volgende deel van het scenario op te halen en mijn pagina’s te bespreken. Op zijn advies tekende ik die in ‘de klare lijn’, de stijl van bijvoorbeeld Kuifje. De kunst daarvan is om alles terug te brengen tot de essentie; met zo min mogelijk lijnen beeld je zoveel mogelijk uit. Dat klinkt makkelijker dan het is. Probeer maar eens met een paar lijnen een vorm, een beweging én een gevoel over te brengen. Maar Martin had gelijk; January Jones sloeg onmiddellijk aan, en werd in bijna heel Europa uitgebracht. Dat betekende overigens niet dat ik mijn baan meteen kon opzeggen. Uiteindelijk duurde het nog tien jaar voor ik uitsluitend van het tekenen kon leven.
Via Martin leerde ik schrijver en uitgever Jacques Post kennen. We kwamen er al snel achter dat we de liefde voor geschiedenis deelden. Zo ontstond het idee een stripversie te maken van zijn roman De Meimoorden, die zich afspeelt in mei 1940 in Rotterdam. Het verhaal wordt in meerdere afleveringen in het blad StripGlossy gepubliceerd. Ik ben nu druk bezig met deel twee, dat voor mijn vakantie klaar moet zijn. Het is een luxe om weer eens een fictief verhaal te kunnen tekenen. Daarin kan ik me net iets meer vrijheid veroorloven dan in mijn educatieve strips. Al wil de leraar in mij natuurlijk toch dat alles klopt.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER MARTIN LODEWIJK

23 aug

JPG Martin.jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 19 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Martin Lodewijk
Geboortedatum: 30 april 1939
Geboorteplaats: Rotterdam
Opleiding: een paar weken kunstacademie
Werk: best bekend om zijn creatie ‘Agent 327’, waarvoor hij de verhalen schreef én tekende. Bedacht de science fictionstrip Storm en maakte scenario’s voor tal van andere strips. Stond aan de wieg van het stripblad Eppo. Kreeg in 1978 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Werd in 2011 benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau vanwege zijn inzet voor het beeldverhaal. Heeft het strips maken zijn hele leven afgewisseld met reclametekenen.
Woonplaats: Rotterdam
Privé: getrouwd
——————————————————————————————————————————

“Vroeger had je rondreizende verhalenvertellers, die van markt naar markt trokken. Ze gingen zitten, staken een kaars aan en betoverden hun toehoorders met spannende sprookjes en avonturen. Als het laatste stukje kaars opbrandde, was het verhaal klaar. Ik zie mezelf als een moderne variant van zo’n troubadour. Alleen heb ik geen kaars, maar 44 pagina’s om mijn verhaal in te vertellen.
In mijn jeugd in het naoorlogse Rotterdam verkochten zeelieden Amerikaanse strips. Zo kwam ik in aanraking met Popeye, Superman en Tarzan. Nog voordat ik kon lezen, bekeek ik de plaatjes. Eerst tekende ik ze met krijt na op straat, daarna op papier. Op mijn tiende stuurde ik al werk naar Tom Poes Weekblad. Mijn verhalen met de rest van de wereld te kunnen delen, leek me het mooiste wat er was.
Op mijn 18e kon ik bij aan de slag bij een Rotterdamse uitgeverij van beeldromans, onder andere als tekenaar van ondeugende cartoons. Maar de directeur zag meer in me. De dag na de lancering van de Spoetnik stond hij bij mijn ouders voor de deur en nam hij me mee naar een duur restaurant op Zuid. Of ik iets van ruimtevaart wist, vroeg hij. Natuurlijk, ik las al jaren science fiction. Daarna schreef en tekende ik een tijd iedere maand een boekje van 32 pagina’s vol over het onderwerp. Dat was aanpoten; tegen de deadline moest ik meestal een paar nachten doorwerken. Ik heb zelfs een keer in mijn slaap doorgetekend. Geen idee hoe, maar toen ik wakker werd, zag ik een nieuw figuurtje staan. Zestig jaar later werk ik weliswaar iets minder hard, maar geeft het maken van strips me nog evenveel plezier.
Ik schrijf scenario’s voor andere tekenaars, maar teken zelf nooit plaatjes bij scenario’s van andere schrijvers. Daarvoor wil ik te graag mijn eigen verhalen vertellen. Grappig genoeg weet ik als ik bezig ben nooit wat er een paar pagina’s verderop gaat gebeuren. Op die manier houd ik het voor mezelf spannend. Tijdens het schrijven en tekenen heb ik wel een schema bij de hand met 44 vakjes, het standaardaantal pagina’s in een stripalbum. Als ik een bladzijde klaar heb, streep ik het betreffende vakje door, zodat ik weet hoeveel ruimte ik nog overheb voor bijvoorbeeld een gevecht of een climax.
Mijn hele werkzame leven heb ik een warme vriendschap gehad met Jan Kruis, geestelijk vader van Jan, Jans en de Kinderen. Op mijn 22ste hoorde ik van een collega dat er ‘nog een striptekenaar’ in de buurt woonde. Nieuwsgierig als ik was, ging ik bij hem langs. Het klikte meteen met Jan en zijn vrouw. En met de later beroemd geworden rode kater, die hun appartement als een fort bewaakte. Dat ik van de kater naar binnen mocht, was een hele eer. Over die eerste ontmoeting heb ik in 2013 voor de eenmalige Jan Kruis Glossy een speciaal stripje gemaakt. Tot zijn dood heb ik contact met Jan gehouden. Zelfs toen hij vanuit Rotterdam richting de noordpool — Drenthe — verhuisde.
Het is trouwens mede dankzij hem dat mijn bekendste creatie, Agent 327, ter wereld is gekomen. In 1966 stimuleerde Jan me om het reclamebureau waar ik toen werkte vaarwel te zeggen en voor mezelf te beginnen. Juist in die tijd vroeg het stripblad Pep aan Jan of hij, in navolging van het succes van James Bond, een humoristische strip over een geheim agent wilde bedenken. Hij vond dat onderwerp maar niets, dus opperde hij bij de redactie om mij die te laten maken. Dat werd Hendrik IJzerbroot, alias 327, de wat hulpeloze maar sympathieke agent van de Nederlandse geheime dienst.
Eerst schreef en tekende ik alleen korte verhalen over Agent 327, later ook hele albums. Daar zijn er inmiddels twintig van. Over het meest recente deel, uit 2015, heb ik tien jaar gedaan. Doordat mijn broer overleed en mijn vrouw ziek werd, was ik met andere dingen bezig. Bovendien kreeg ik van het ene op het andere moment vreselijke pijn aan mijn handen en armen, een soort artrose. Daar heb ik een flinke klap van gehad; ik was bang dat ik nooit meer zou kunnen tekenen. Wonderbaarlijk genoeg zijn de klachten echter bijna helemaal verdwenen. En dus werk ik inmiddels aan deel 21.
Waarom Agent 327 al die jaren populair is gebleven, vind ik moeilijk te zeggen. Maar ik weet wel dat het een opzichzelfstaand persoon is geworden, net zoals Kuifje of Suske & Wiske. Haast iemand van vlees en bloed. Voor veel lezers is Hendrik IJzerbroot ‘echter’ dan bijvoorbeeld Winston Churchill. Ze hebben het gevoel dat ze hem persoonlijk kennen, en dat ze in al die jaren een band met hem hebben opgebouwd. Daarmee is Agent 327 groter geworden dan mijn werk; als maker ben ik slechts dienend aan hem en zijn verhalen. En zo hoort het ook.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

%d bloggers liken dit: