Archief | Leeuwarder Courant RSS feed for this section

PSYCHIATER WIM VELING: “PSYCHOSEPATIËNTEN ZIJN NET ALS JIJ OF IK”

2 Okt

veling jpg

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant, 29 september 2018 (Foto: Siese Veenstra)

Mensen met waanideeën of stemmen in hun hoofd: we vinden ze knap eng. Begrijpelijk, maar niet nodig, aldus psychiater Wim Veling, hoofd behandelzaken van de afdeling Psychosen van het UMCG. Ze zijn namelijk zelden gevaarlijk. “Het grootste deel van de psychosepatiënten is net als jij of ik.”

  • Naam: Wim Veling
  • Geboren: 10 augustus 1974 in Zwolle
  • Woonplaats: Zwolle
  • Werk: psychiater en hoogleraar, hoofd behandelzaken de afdeling Psychosen van het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG. Hij was negen jaar voorzitter van het landelijke Netwerk Vroege Psychosen en leidde de werkgroep die de landelijke richtlijn voor  behandeling van psychosen opstelde.
  • Privé: getrouwd
  • Bijzonder: introduceerde virtual reality als behandelvorm voor psychose in Nederland.

De werkplek van psychiater Wim Veling lijkt op het eerste gezicht op die van ieder ander. De computer, de stapels papieren, de vakliteratuur en de planten zouden van willekeurig welke arts kunnen zijn. Maar als je beter kijkt, ontdek je iets bijzonders op zijn bureau: een plastic plaatje, met daarop een zwart met rode knop. Het is een zogenaamde panic button, oftewel een alarmknop. Als Veling die indrukt, schieten verschillende collega’s uit het Groningse Universitair Centrum Psychiatrie hem direct te hulp. “Ik twijfelde of ik hem zou laten zien”, bekent Veling, terwijl hij het plaatje op zijn hand weegt. “Voor je het weet denken lezers dat mensen met een psychose per definitie gevaarlijk zijn. In de praktijk is dat echter zelden het geval. In de vier jaar dat ik in het UMCG werk, heb ik de knop nog nooit hoeven gebruiken.”
Een paar feiten op een rij. Elk jaar krijgen circa 3.000 Nederlanders tussen de 15 en de 45 jaar voor het eerst een psychose. Oftewel: zo’n 27 per dag. Bijna één op de honderd Nederlanders lijdt aan schizofrenie, een aandoening waarbij je langere tijd last hebt van psychosen en andere (rest)klachten, zoals concentratie- en motivatieproblemen. Zo zeldzaam is de ziekte dus niet. Toch is het stigma dat erop rust enorm. Mensen met een psychose zouden verwarde gekken zijn, waarbij je vooral uit de buurt moet blijven. Een misplaatst beeld, dat volgens Veling wordt versterkt door de media. “Alleen de uitwassen halen het nieuws”, betuigt hij. “Daar wil ik zeker niet lichtvoetig over doen. Het is vreselijk als een iemand met waanideeën overlast veroorzaakt of zichzelf of een ander kwaad aandoet. Maar de psychosepatiënten die je niet ziet en hoort — de overgrote meerderheid — lijden óók onder dat beeld. Dat zijn gewone mensen met gewone levens, zoals jij en ik.” 

Even een stapje terug: wat is een psychose precies?
“Een mix van verschillende symptomen. De één is bijvoorbeeld extreem achterdochtig, de ander hoort — vijandige — stemmen in zijn hoofd of ziet dingen die er niet zijn. Maar er komt meer bij kijken. Mensen met psychotische klachten kunnen zich slecht concentreren. Ze hebben vaak moeite met organiseren en leren, en kunnen het nauwelijks opbrengen om de gewone dagelijkse dingen te doen.” 

Het gaat altijd over wanen en hallucinaties. Wat is het verschil?
“Tijdens een hallucinatie hoor, zie, voel, proef of ruik je dingen die er in werkelijkheid niet zijn. Denk aan de bekende stemmen in iemands hoofd. Bij wanen komen je gedachten niet overeen met de werkelijkheid. Mensen met wanen geloven bijvoorbeeld dat ze een belangrijke historische figuur zijn. Of dat de geheime dienst ze achtervolgt. Zowel bij hallucinaties als bij wanen is de ervaring voor de patiënt levensecht. Overigens hebben de meeste mensen wel eens een psychotische ervaring.” 

Pardon?
“Je hebt vast wel eens het idee gehad dat iedereen je raar aankeek, of achter je rug om grapjes over je maakte, terwijl dat vermoedelijk helemaal niet zo was. Of misschien heb je een overleden familielid in huis gezien of gevoeld. Om nog maar niet te spreken over de ‘trips’ die drugs veroorzaken. Allemaal psychotische verschijnselen. Het verschil is alleen dat jij wéét dat de ervaring niet echt is. Psychosepatiënten kunnen dat onderscheid niet meer maken.” 

Hoe kan het dat het brein van een psychosepatiënt hem zo voor de gek houdt?
“Het heeft te maken met hoe de miljarden zenuwcellen in de hersenen met elkaar communiceren. Dat gebeurt met behulp van neurotransmitters: stofjes die zorgen voor de elektrische overdracht tussen cellen. Eén daarvan is dopamine. Dat stofje speelt een belangrijke rol bij het selecteren en beoordelen van alle informatie die gedurende de dag binnenkomt. Zowel van buitenaf — via je zintuigen — als van binnenuit — via je gedachten. Mensen met een psychose hebben in een bepaald deel van hun brein te veel dopamine-activiteit. Daardoor komen alle signalen keihard binnen. De hersenen zijn dan niet meer in staat ze adequaat te verwerken. Met als mogelijk gevolg dat je brein een loopje met je neemt.” 

Gaat dat ook weer over?
“Bij 20 procent van de patiënten blijft het bij één psychose. De rest krijgt gedurende hun leven met meerdere episodes te maken. De hallucinaties en de wanen zijn met medicijnen meestal goed te bestrijden. Om het risico op terugkeer zo klein mogelijk te maken, is het belangrijk dat patiënten leren wat een psychose in hun specifieke geval kan uitlokken. Stress, depressie of een slaaptekort bijvoorbeeld.”
In de tien jaar dat hij als psychiater werkt, heeft Wim Veling meer dan duizend psychosepatiënten gezien. Maar hij wordt nog elke dag verrast. “Iedere psychose is anders en uniek”, zegt hij. “Dat maakt dit werk zo boeiend. Soms is het ook spannend. Onlangs ben ik nog samen met twee agenten via een ladder een huis ingeklommen om een patiënte te kunnen helpen die zichzelf had ingesloten.” 

En ja, hij heeft ook wel eens een klap gehad van een patiënte die ervan overtuigd was dat Veling haar moeder had mishandeld. Maar bang is hij zelden. “Natuurlijk heb ik soms gezonde angst. Die heb je ook nodig om te voorkomen dat een gespannen situatie uit de hand loopt. Maar dat is maar een klein onderdeel van mijn werk. Veel belangrijker vind ik het feit dat de — vaak jonge — patiënten die ik zie enorm onder hun klachten lijden. Het is al moeilijk genoeg als je tijdelijk zo in de war bent. Maar daar bovenop verliezen mensen vaak alles wat ze dierbaar is: relaties, studie, werk. Bovendien vinden buitenstaanders vinden mensen met een psychose al snel eng. Dat maakt het extra lastig om als (ex-)patiënt je weg terug te vinden en weer volwaardig mee te doen in de maatschappij. Ik zie het als mijn missie om ze daar zo goed mogelijk bij te helpen.”

Mensenvak
Lang leek het erop dat Veling een ander carrièrepad zou inslaan. Als kind wilde hij namelijk het liefst journalist worden. Met dat vak kon hij zijn onuitputtelijke nieuwsgierigheid naar mensen en hun verhalen het best bevredigen, dacht hij. Bovendien schreef hij graag. Niet alleen verhalen en ‘artikelen’, maar ook toneelstukken voor school. Dat hij uiteindelijk toch voor geneeskunde koos, was het gevolg van zijn sociale verlegenheid. “Ik vond het ongemakkelijk om zomaar op iemand af te stappen. Niet handig voor een journalist.” Een kennis van zijn ouders, een huisarts, overtuigde hem ervan om voor de psychiatrie te gaan. Immers ook een mensenvak.
Vanuit zijn ouderlijk huis in Hattem toog Veling naar de universiteit in Leiden. Dat was nogal een overgang. “Ik kom uit een traditioneel gereformeerd gezin. Elke zondag gingen we naar de kerk, en ik zat op een Christelijke school en Christelijke clubs. Mijn hele jeugd had ik in een veilige, verzuilde bubbel doorgebracht. In Leiden werd ik daar hardhandig uitgemikt. Geneeskunde studeren en geloven? Dat vonden veel medestudenten ‘achterlijk’.”

Wetenschap en geloof staan toch ook op gespannen voet met elkaar?
“Niet per se. Het geloof was de onwrikbare basis onder ons gezin. Tegelijkertijd hebben onze ouders mijn drie zussen en mij met een brede, tolerante blik opgevoed. Mijn vader had wiskunde en filosofie gestudeerd, maar hij was óók de eerste fractievoorzitter van de Christenunie in de Tweede Kamer. Compassie, mededogen en dankbaarheid; dat zijn de kernwaarden die ik heb meegekregen.” 

Is uw geloof nooit aan het wankelen gebracht?
“Tijdens mijn studie heb ik echt wel eens gedacht hoe onwaarschijnlijk de Bijbel was. Maar uiteindelijk keerde ik er toch altijd naar terug. Het geloof is voor mij een houvast, iets wat vertrouwen en richting geeft. Nog altijd ga ik wekelijks naar de kerk. Wel sta ik tegenwoordig meer dan vroeger open voor andere overtuigingen. Uiteindelijk proberen we er allemaal het beste van te maken. Dan kun je maar beter van elkaar leren, in plaats van elkaar de maat te nemen.” 

In Leiden leerde Veling zijn latere vrouw Martine kennen. De biologiestudente had er altijd van gedroomd om een tijd in Afrika te werken. Dat leek Veling wel wat. “Ik wilde graag de wereld verbeteren. Dat kon ook prima als tropenarts, dacht ik.” Dus toog het stel samen naar Kalabo, een piepklein plaatsje in Zambia. Om er te komen moesten ze vanuit de hoofdstad Lusaka eerst zes uur met de bus, en daarna nog twaalf uur varen in een kano. “Middenin de nacht kwamen we op onze bestemming aan. In het pikkedonker, want elektriciteit was er nauwelijks. Met handen en voeten vonden we onze weg naar het ziekenhuisje — Engels spraken de mensen niet. Daar bleek niemand van onze komst te weten. De Nederlandse tropenarts bij wie ik zou gaan werken was onverwachts weggeroepen.”
Het was het een passende introductie in een totaal andere wereld. Zes maanden lang runde Veling mede de mannen- en vrouwenzaal en de polikliniek van het ziekenhuis. Zinvol en leerzaam werk, maar door de gebrekkige voorzieningen en de bureaucratie ook frustrerend. “Ik heb er mijn idealisme niet verloren, maar ik heb het wel moeten bijstellen. Hoeveel respect ik ook voor tropenartsen heb, het verschil dat je lokaal kunt maken is beperkt. Uiteindelijk was het voor mij reden om alsnog voor de psychiatrie te kiezen. Ik had het gevoel dat ik daarin meer kon betekenen Het vak paste toch beter bij me. Maar Afrika draag ik voor altijd in mijn hart. De vrolijkheid en levenskunst die ik daar heb gezien, inspireren me nog iedere dag.” 

Wat uit Afrika neemt u in uw dagelijkse werk mee?
“Ik deed en doe er onderzoek naar hoe de mensen daar met psychosen omgaan. Om de patiëntenzorg verbeteren, maar ook om er zelf van te leren. Mensen met psychosen komen in Afrika meestal bij traditionele genezers terecht. Voor een onderzoek in de regio KwaZulu-Natal, in Zuid-Afrika, hebben we een groot aantal genezers geïnterviewd en ook met ze samengewerkt. Zo kwamen we erachter dat zij vaak zelf psychotisch waren. Tenminste, zo zouden we het hier noemen. Hun ervaringen maakten ze bij uitstek ‘geschikt’ om bijvoorbeeld met voorouders te communiceren. Dat was voor mij een eye opener. In het westen labelen we psychosen als vanzelfsprekend als iets negatiefs. Maar het hangt er dus maar net vanaf wat voor etiket je erop plakt. Misschien maken wij westerlingen de klachten juist erger door te stellen dat psychosepatiënten ziek zijn. Door dingen soms anders te benoemen, kunnen we mensen wellicht beter helpen.”  

Is het niet lastig om een traditionele healer die kippenbloed over een patiënt sprenkelt serieus te nemen?
“Niet als je in staat bent om je oordeel uit te stellen. Voor mij is dat geen opgave, want als psychiater doe ik dat iedere dag. Alleen zo kan ik mijn patiënten open en gelijkwaardig tegemoet treden.” 

Virtual reality
Opvoeding, familie, vrienden, studie, werk, collega’s, maar ook waar iemand woont, uit wat voor milieu en cultuur hij komt en eventuele trauma’s: al die aspecten spelen een rol bij het ontstaan, het verloop en herstel van psychosen. De sociale context, noemt Veling dat. De studie daarnaar is de rode draad in zijn werk van het afgelopen decennium. Zo deed hij in Den Haag promotieonderzoek naar de vraag waarom mensen met een migratieachtergrond een grotere kans lopen om een psychose te krijgen. “Simpel gezegd bleek het samen te hangen met sociale stress. Hoe meer migranten zich buitengesloten voelden en hoe minder sociale steun ze ervoeren, hoe groter het risico op psychosen.”
Al zijn ervaringen hebben hem gesterkt in de overtuiging dat er bij psychosen niet alleen aandacht moet zijn voor de klachten, maar ook voor de dagelijkse leefomgeving van een patiënt. “Op de lange duur heeft een behandeling alleen kans van slagen als je alle aspecten daaruit meeneemt.”
Eén manier waarop Veling dat doet, is met het gebruik van virtual reality. Dat is volgens hem een fantastische manier om de ingewikkelde sociale omstandigheden waar patiënten mee te maken krijgen in de behandelkamer te halen. “Ik ben ervan overtuigd dat VR de komende jaren een enorme vlucht gaat nemen in de psychiatrie.”

Hoe werkt dat?
“Mensen met psychosen ondervinden vaak problemen in het dagelijkse leven. Bijvoorbeeld als ze boodschappen doen of in de trein zitten. Het lastige is dat je daar als behandelaar niet bij bent. Met behulp van virtual reality kan dat wel. Met een VR-bril op begeeft een patiënt zich in een virtuele, maar tegelijkertijd levensechte wereld. De behandelaar kan die omgeving aanpassen en zo bepaalde reacties uitlokken. Dat geeft patiënten dan weer de mogelijkheid om — met deskundige hulp — te leren hoe ze anders met zo’n situatie kunnen omgaan. Met als ultiem doel: minder klachten en beter sociaal functioneren.” 

Heeft dat in de praktijk al wat opgeleverd?
“Jazeker! We hebben onder andere een VR-therapie tegen paranoïde wanen ontwikkeld, die bewezen werkt. Nu onderzoeken we of we deze aanpak ook voor andere klachten en doelgroepen kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van een VR-agressietraining voor TBS-ers.”
Ongemerkt heeft Veling drie uur over zijn werk verteld. En hij is nog lang niet uitgepraat. “Ik heb het mooiste vak ter wereld. Alles draait om goed luisteren en oprecht contact. Mensen met psychosen zijn vaak heel argwanend. Die moet je echt verleiden om hulp te accepteren. Dat vraagt om creativiteit, inventiviteit en maatwerk. Patiënten dagen me uit om het beste uit mezelf te halen en ze daarmee zo goed mogelijk te helpen. Uiteindelijk gaat het immers niet om wat ik wil bereiken, maar om wat zij nodig hebben.” Gevraagd naar wat hij over vijf jaar als hoogleraar hoopt te hebben bereikt, hoeft hij niet lang na te denken. “Dat we met z’n allen wat meer begrip hebben voor mensen met psychosen. Dat we ze serieus nemen en steunen, in plaats van ze te veroordelen en te ontwijken. De maatschappij is er de laatste jaren niet toleranter op geworden. Je moet presteren, succesvol zijn, anders tel je niet mee. Iemand die afwijkt, valt al gauw buiten de boot. Maar het leven is niet altijd maakbaar. Als we daar wat beter van doordrongen raken, worden we er uiteindelijk allemaal beter van.” 

[Kader]
Meer weten?

  • De website psychosenet.nl biedt duidelijke achtergrondinformatie en blogs. Ook kunnen bezoekers via een eSpreekuur anoniem vragen stellen aan experts.
  • Het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG heeft een aparte site over de toepassing van virtual reality bij de behandeling van psychische klachten: vrmentalhealth.nl. 
Advertenties

WERKGELUK LOONT

17 Apr

Anique Wijnhoud jpg.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 17 april 2018

Een geluksrevolutie teweegbrengen: dat is wat psycholoog Anique Wijnhoud wil. Op de werkvloer, wel te verstaan. Want qua welzijn op het werk valt er volgens haar nog een wereld te winnen. 

Paspoort
Naam: Anique Wijnhoud
Leeftijd: 27
Opleiding: Toegepaste Psychologie aan de Hanzehogeschool Groningen
Beroep : Oprichter en eigenaar van Rebelpoint in Groningen, een organisatieadviesbureau gespecialiseerd in het creëren van meer werkgeluk
Sinds: 2014

Iedereen kent wel zo iemand. Een familielid of vriend die elke dag met tegenzin naar zijn werk gaat. Die geen lol (meer) heeft in wat hij doet, en ’s avonds uitgeput thuiskomt. Hoe hij daar verandering in moet brengen, weet hij niet. Een andere baan zoeken misschien? Grote kans dat hij zich daar na een tijdje dan weer net zo ellendig voelt. Zonde, vindt Anique Wijnhoud dat. Als organisatieadviseur, gespecialiseerd in werkgeluk, hoort zij dagelijks dit soort verhalen. “Vaak voelen mensen zich overgeleverd aan allerlei — negatieve — omgevingsfactoren. De bedrijfscultuur die moordend is, collega’s die elkaar afvallen of de inhoud van het werk die saai is bijvoorbeeld. Ze hebben het idee dat daar zelf weinig invloed op kunnen uitoefenen. En dus nemen ze er maar genoegen mee dat er niet meer in zit. Bij werkzoekenden zie ik dat trouwens ook. Ze accepteren de eerste beste baan, zodat ze in ieder geval ‘maar iets’ hebben. Wat een verspilling van energie en talent, denk ik dan. Op die manier doe je jezelf én je werkgever tekort.” 

Waarom? Eén baan is beter dan géén baan, zullen veel mensen denken.
“Natuurlijk snap ik dat er brood op de plank moet komen. Maar als je werk doet dat eigenlijk niet bij je past, waarvoor je je emotioneel in allerlei bochten moet wringen en dat je niet gelukkig maakt, houd je het op de lange duur niet vol. Bovendien kun je op die manier je talenten en vaardigheden niet optimaal benutten, en dus ook niet het beste van jezelf geven.” 

Wat maakt dat iemand wel of niet gelukkig is in zijn werk?
“Essentieel is dat je iets doet wat aansluit bij wie bent, en hoe je in het leven staat. Daar bedoel ik mee dat je er energie van krijgt en dat je je nuttig voelt. Verder willen mensen zich graag kunnen ontwikkelen in hun werk. En een positieve werksfeer en steun van collega’s en leidinggevenden zijn ook belangrijk.” 

Je hebt dat soort dingen toch niet altijd voor het uitkiezen?
“Meer dan je denkt! Maar dan moet je wel eerst van jezelf weten waar je goed in bent, waar je energie van krijgt, wat je belangrijk vindt en wat je van anderen nodig hebt om dat waar te maken. Als je dat snapt, kun je vervolgens dingen gaan veranderen. Daar help ik organisaties en teams bij. Met als doel zoveel mogelijk happy rebels te creëren. Zo noemen we medewerkers die weten wat ze kunnen en willen, en de durf hebben om daarnaar te handelen. Dat dat loont, blijkt wel uit het feit dat zij hun werkgeluk gemiddeld een negen geven.” 

Hoe pak je dat aan?
“Ik heb een speciale methode ontwikkeld, waarmee mensen aan de hand van praktische opdrachten veertig dagen aan de slag gaan met het thema werkgeluk, zowel individueel als in groepsverband. Onlangs heeft het personeel van een Groningse winkel dat bijvoorbeeld gedaan, maar ook een operatieteam van een ziekenhuis. Na afloop bleken de deelnemers hun passie en energie te hebben teruggevonden, en werkten ze beter samen.”  

Waarom veertig dagen?
“Omdat het gemiddeld zoveel tijd kost om gedrag te veranderen. Vandaar ook dat bijvoorbeeld trainingen op de lange duur meestal weinig effect hebben; ze beklijven niet.” 

Organisatieadviseurs zijn er te over. Wat maakt jouw aanpak anders?
“In plaats van te focussen op wat er allemaal mis is, laat ik mensen inzien wat er wél kan. Daarvoor maak ik gebruik van mijn kennis over positieve psychologie. Ik geloof heilig dat medewerkers prima in staat zijn om hun eigen werkgeluk te vergroten. Het enige wat ze nodig hebben, is een kaart en een kompas om van A naar B te komen. Die lever ik ze.”

Je bent 27 en zelf pas een paar jaar aan het werk. Waar haal je de wijsheid vandaan?
“Al tijdens mijn studie vond ik het frusterend om te zien dat zoveel mensen qua werk niet op de goede plek zitten. Of wel op de goede plek zitten, maar daar niet tot hun recht komen. Dat moet beter kunnen, dacht ik. Zo ontstond het idee voor mijn bedrijf. Uiteindelijk is daar mijn Rebel-methode uit voortgekomen.” 

Wat is je advies voor mensen die op dit moment naar een baan op zoek zijn?
“Veel werkzoekenden staren zich blind op vacatures en proberen hun CV daarop aan te passen. Mijn tip is om dat om te draaien. Breng eerst goed voor jezelf in kaart wat je belangrijk vindt in een functie, wat je te bieden hebt, waar je blij van wordt en voor wie je graag werkt. Zoek vervolgens een baan die daar zo goed mogelijk op aansluit. Beperk je niet tot vacatures in jouw studie- of werkgebied, durf breder te kijken. En wees trots op jezelf. Werkzoekenden hebben vaak de neiging om zich onderdanig op te stellen. Ze vinden dat ze dankbaar moeten zijn als iemand ze een baan wil geven. Volgens mij is het precies andersom. Een organisatie mag blij zijn als je voor ze wilt werken! Als je door zo’n andere bril naar de arbeidsmarkt gaat kijken, zul je zien dat er nieuwe kansen op je pad komen.” 

 

MINDER SOMBER DOOR YOGA

23 Feb

yoga en depressie jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 22 februari 2018

Veel mensen die aan yoga doen, voelen zich daardoor beter. Lichamelijk én geestelijk. Maar kan yoga ook zinvol zijn bij de behandeling van depressieve klachten? Dat testen onderzoekers van GGZ-instelling Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen momenteel.

Het begon allemaal met de behoefte aan meer ontspanning, en rust in haar hoofd. Dat was voor Nina Vollbehr (33), psycholoog en onderzoeker bij Lentis, de aanleiding om ruim tien jaar geleden zelf met yoga te starten. “Ik was een serieuze student die veel met haar neus in de boeken zat”, zegt ze. “Yoga leek me een daar een mooie tegenhanger voor.”
Het beviel zo goed, dat ze een fervente yogi werd, zoals de beoefenaars van yoga officieel heten. Maar geen haar op haar hoofd die er op dat moment aan dacht om daar professioneel iets mee te gaan doen. Dat kwam pas in 2012, nadat ze tijdens een sabbatical van vijf maanden als vrijwilliger bij het Kripalu Center for Yoga & Health in de Amerikaanse staat Massachusetts had gewerkt. Bij terugkomst ging ze aan de slag in het Centrum Integrale Psychiatrie (CIP) van Lentis, een gespecialiseerde GGZ-afdeling in Groningen. Daar kunnen patiënten behalve voor reguliere behandelingen bijvoorbeeld ook terecht voor leefstijltraining en op mindfulness gebaseerde inzichtstherapie. Yoga zou perfect bij in dat aanbod passen, dacht Vollbehr. Maar je kunt in de GGZ niet ‘zomaar’ een nieuwe behandeling aanbieden, zonder dat de werking daarvan is aangetoond. Wereldwijd is er weliswaar op meerdere plekken onderzoek naar gedaan, maar hard bewijs dat yoga als behandeling echt werkt, is er nauwelijks. Dus besloot Vollbehr daar zelf naar op zoek te gaan.
Jonge vrouwen
Ze volgde een opleiding tot yogadocent en ontwikkelde vervolgens samen met collega’s een 9-weeks yogaprogramma voor mensen met een depressie. Geen standaard yoga, maar groepslessen met yoga-, mindfulness- en ontspanningsoefeningen, aangevuld met online uitleg en oefeningen voor thuis. Het doel: minder gepieker en zelfkritiek, en anders leren omgaan met negatieve emoties.
“Al die zaken spelen een belangrijke rol bij het ontstaan, voortduren of terugkeren van een depressie”, legt Volbehr uit. “Het idee is dat je die denkmechanismen met behulp van yoga verandert, waardoor depressieve klachten afnemen.”
Om erachter te komen of dat daadwerkelijk zo is, onderzoeken Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen nu 170 vrouwen tussen de 18 en 34 jaar met dit soort klachten. De helft neemt deel aan de yogatraining, de andere helft niet. (Zie kader.) “We hebben met opzet gekozen voor jonge vrouwen, omdat zij het grootste risico op een depressie lopen. Als de uitkomsten van het onderzoek positief zijn, willen we uiteraard ook graag kijken of de training bij mannen met vergelijkbare klachten dezelfde resultaten geeft.”
Minder stress
Maar hoe werkt dat dan in de praktijk? Daarvoor moet je eerst iets over yoga in het algemeen weten. Dat is een manier om lichaam én geest te trainen. Door het doen van verschillende oefeningen leer je je lijf als het ware om minder intens op prikkels te reageren, en dus minder snel in de stress te schieten. Prikkels van buiten, maar ook van binnen, bijvoorbeeld in de vorm van gepieker. Door meer te focussen op het hier en nu, krijgen zorgelijke gedachten over het verleden of de toekomst minder kracht.
“Ook negatieve emoties hebben veel invloed bij depressie”, zegt Volbehr. “Als je dat soort gevoelens probeert te vermijden of weg te stoppen, worden ze alleen maar intenser en houden ze langer aan. Yoga helpt je ze in plaats daarvan te accepteren voor wat ze zijn, en er minder waarde aan te hechten. Verder kan yoga ervoor zorgen dat je aardiger en milder voor jezelf wordt. Depressie gaat vaak samen met zelfkritiek, en gevoelens van schuld of falen. Door onbevooroordeeld en vriendelijk naar jezelf te kijken, ontstaat meer zelfcompassie. Ook dat kan helpen”
Ze benadrukt dat het niet de bedoeling is om yoga in plaats van bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of medicatie in te zetten. “Die behandelingen zijn bewezen effectief. Maar ze werken niet bij iedereen even goed. Bovendien krijgen patiënten soms een terugval. Dus als we — in aanvulling op bestaande behandelingen — in de toekomst yoga kunnen aanbieden, vergroot dat hopelijk de kans op een langdurig succesvol resultaat.”

[Kader]
Onderzoek
Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) doen gezamenlijk onderzoek naar yoga als aanvullende behandeling bij depressie. Jonge vrouwen (18-34 jaar) met een depressie die in behandeling zijn bij Centrum Integrale Psychiatrie, PsyQ Depressie Groningen, PsyQ Emmen, Lentis Stadskanaal, Lentis Winschoten, Lentis Delfzijl, Forte GGZ en INTER-PSY kunnen zich voor het onderzoek aanmelden. Patiënten die de afgelopen zes maanden al minstens 30 minuten per week yoga hebben gedaan, zijn uitgesloten.
Deelnemers worden willekeurig ingedeeld in een behandelgroep (die de 9-weekse yogatraining volgt) of een controlegroep (die de training niet krijgt). De reguliere behandelingen die zij ondergaan, lopen tijdens de training gewoon door.
Vlak voor en na de training, en ook zes en twaalf maanden na afloop ervan, vullen de deelnemers een vragenlijst in en maken ze verschillende computertaken. Daarmee brengen de onderzoekers klachten als negatieve stemming, lusteloosheid en concentratieproblemen in kaart, maar ook het gevoel van welzijn en de kwaliteit van leven.
Na afronding van het onderzoek (eind 2019) krijgen deelnemers uit de controlegroep alsnog de mogelijkheid om aan de yogatraining mee te doen. Naar verwachting worden de uitkomsten in 2020 gepubliceerd.
Meer informatie: yogabijdepressie.nl.

[Testimonial]
Docent Anne (33) raakte vier jaar geleden als gevolg van ernstige depressieve en angstklachten arbeidsongeschikt. In aanvulling op ‘praten en pillen’ heeft ze veel baat gehad bij de 9-weekse yogatraining van Lentis.
“Achteraf ging het al heel lang slecht met me. Maar ik wilde of kon dat niet zien. Ik functioneerde op de automatische piloot, deed dingen omdat ze hoorden. En toen stortte alles plotsklaps ineen. Ik was zo somber en bang, dat ik het huis nauwelijks nog uit durfde. Ik wilde niets liever dan me verstoppen, mijn gevoel verdoven, er niet meer zijn. Mijn huisarts verwees me door naar het Centrum Integrale Psychiatrie. Daar begon ik met gesprekstherapie en medicijnen. Na twee jaar vroeg Nina me of ik aan een yogaonderzoek wilde meedoen. Dat leek me wel wat, vooral omdat ik nog steeds moeite had om in contact met mijn gevoel te komen. Bovendien vond ik het heel fijn om eens niet te praten, maar te doen.
Een depressie komt je concentratie niet ten goede, dus van de uitleg tijdens de lessen heb ik niet veel meegekregen. Maar de oefeningen waren een openbaring. Ze hielpen me om op te merken wat er eigenlijk allemaal in mijn lichaam gebeurde, of ik gespannen was of niet. Na de 9-weekse training ben ik zelf verdergegaan met yoga. Het heeft me geleerd om verbinding met mezelf te maken, en aardiger voor mezelf te zijn. Ik focus op wat er nu gebeurt, wat nu goed voelt, in plaats van op wat ik later allemaal moet, of wat ik over vijf jaar wil hebben bereikt.
Een yogapose kun je niet in één keer, daar word je stapje voor stapje beter in. Die ervaring heeft me ook op andere terreinen geholpen. Ik durfde bijvoorbeeld niet meer auto te rijden, zag mezelf in gedachten de vreselijkste ongelukken veroorzaken. Door het als een yogaoefening te benaderen, rijd ik inmiddels weer overal naartoe. Nog een voordeel: ik heb meer grip mijn emoties gekregen. Als ik nu somber ben, kan ik er met een afstandje naar kijken, in plaats van dat het gevoel me overspoelt. Voorheen had de paniek meteen toegeslagen. ‘Ik heb een terugval!’ Inmiddels weet ik dat mijn gemoedstoestand op en neer gaat, en dat ik erop kan vertrouwen dat het goed komt. Depressie en angst slokken alle ruimte op, nu durf ik zelf meer ruimte in te nemen.”

[Testimonial]
Sociaal werker Barbara (31) was drie jaar geleden zo depressief, dat ze alleen nog maar kon huilen en slapen. Nu reist ze — met yogamat — vijftien maanden door Nieuw Zeeland.
“Toen ik op mijn 28ste hulp zocht, had ik al dertien jaar last van depressieve klachten. Naar de huisarts durfde ik niet, uit angst dat die me ‘gek’ zou verklaren. Dus ploeterde ik verder, en zakte ik steeds verder weg in de somberheid. Mijn relatie liep stuk, werken ging niet meer. Uiteindelijk heb ik negen maanden thuis gezeten. Bij het Centrum Integrale Psychiatrie kreeg ik de diagnose post-traumatische stressstoornis, als gevolg van een onstabiele gezinssituatie als kind. Meer wil ik daarover niet kwijt.
Ik heb verschillende behandelingen gehad, waaronder lichaamsgerichte en traumatherapie. Daarnaast heb ik meegedaan aan het yogaonderzoek. De eerste lessen voelde ik me lichamelijk heel ongemakkelijk. Als je zolang afgesloten bent geweest van je gevoel, is yoga best confronterend. Mijn lijf ging letterlijk protesteren, bijvoorbeeld door te trillen. Wat ook niet hielp, was dat ik — perfectionist die ik ben — alle houdingen meteen foutloos wilde doen. Ik heb dus echt moeten leren om dat los te laten. Toen dat eenmaal lukte, was de beloning groot. Na een les voelde ik me comfortabeler in mijn lijf, rustiger in mijn hoofd. Bijna alsof ik stoned was!
Dat ik nu alleen door Nieuw Zeeland reis, is de volgende stap in mijn persoonlijke ontdekkingsreis. Een soort verlenging van de therapie, maar dan mijn zonder hulp. Twee weken nadat ik hier was aangekomen, heb ik een mooie yogamat aangeschaft. Ik kan nu op elk moment mijn oefeningen doen, in de tuin, op het strand, waar ik maar ben. Dat voelt veel beter dan in paniek mijn psycholoog bellen, zoals ik vroeger regelmatig deed. Mede dankzij de yogatraining weet ik nu dat ik altijd en overal een rustpunt in mezelf kan vinden, en mezelf kan helen.”

Om privacyredenen zijn de namen van Anne en Barbara verzonnen. Hun echte namen zijn bij de redactie bekend.

STRIPMAKER ERIC HEUVEL

31 Aug

heuvel jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 26 aug 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Eric Heuvel
Geboortedatum: 25 mei 1960
Geboorteplaats: Amsterdam
Opleiding: mavo, havo, HBO leraar geschiedenis (niet afgemaakt)
Werk: Brak in 1987 door met het eerste album van de serie January Jones. Tekende in de jaren ’90 dagelijks de feuilletonstrip Bud Broadway voor het Algemeen Dagblad. Verder bekend van zijn educatieve strips, onder andere over de Tweede Wereldoorlog. Ontving in 2012 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Maakt maast strips ook kinderboekenillustraties en reclametekeningen.
Privé: getrouwd, een zoon van 22
Woonplaats: Zaandam

——————————————————————————————————————————

“Mijn liefde voor strips heb ik van mijn vader. Niet voor niets vernoemden mijn ouders me naar een stripfiguur, Eric de Noorman. Als klein jongetje stonden de stripboeken letterlijk op me te wachten. Tien ingebonden jaargangen van Robbedoes had mijn vader na de oorlog bij elkaar gespaard. De geschiedenisverhalen daarin las ik het liefst. Vooral de twee wereldoorlogen en de tijd daartussen, het Interbellum, fascineerden me mateloos. Misschien omdat mijn ouders daar altijd zo boeiend over vertelden. De kleding, de gebouwen, de auto’s, de vliegtuigen; alles uit die periode vond ik prachtig. Ik weet nog goed hoe geshockeerd ik was toen ik decennia later ontdekte hoe weinig kennis jongeren over deze periode hebben. Sommigen weten niet eens of Hitler voor of na Napoleon kwam!
Het was voor mij reden om begin deze eeuw naar de Anne Frank Stichting te stappen en voor te stellen om een educatieve strip over de Tweede Wereldoorlog te maken. In eerste instantie keken ze daar vreemd op van het idee. Zo’n serieus verhaal in een stripvorm gieten? Sommigen vonden dat respectloos. Terwijl eens strip volgens mij bij uitstek geschikt is om informatie over te brengen, zeker naar jongeren.
De ontdekking gaat over de bezettingstijd in Nederland. Als Jeroen op de zolder van zijn oma spullen voor een rommelmarkt zoekt, ontdekt hij van alles over haar leven. Zij vertelt hem vervolgens over haar jeugd in de oorlog. Dankzij het grote succes van de strip — de overheid gaf het in 2003 als Nationaal Geschenk aan alle middelbare scholieren — kon ik vervolgens nog twee delen maken, één over de jodenvervolging en één over Nederlands-Indië tijdens de oorlog. De trilogie wordt nog steeds als lesmateriaal op scholen gebruikt. Van alles wat ik heb bereikt, ben ik daar wel het meest trots op.
Door mijn educatieve strips ben ik gaan nadenken over mijn verantwoordelijkheid als tekenaar. Mensen zijn geneigd te geloven wat ze zien, dus moet het allemaal wel kloppen. Jarenlang ging al mijn geld op aan het verzamelen van goede documentatie. Mijn huis staat van onder tot boven vol met boeken over geschiedenis, architectuur, auto’s en kunst. Ik dreig te bezwijken onder alle stapels, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze weg te gooien. En dat terwijl ik mijn boeken sinds de komst van het internet zelden nog inkijk.
Strips maken is het enige wat ik ooit heb willen doen. Als kind ging ik met mijn schetsboek de stad in. Zat ik als jongetje van acht uren grachtenpanden na te tekenen, of dieren in Artis. Later tekende ik in mijn eentje de schoolkrant vol, en bedacht ik mijn eigen strips. Ik wilde niets liever dan er mijn werk van maken, maar ja, hoe pak je dat aan? De Robbedoes-redacteur die ik als tiener met die vraag schreef, stuurde tot mijn opwinding een brief terug. ‘Imiteer de tekenaars die je bewondert’, antwoordde hij. ‘Als je talent hebt, ontwikkel je vandaar uit je eigen stijl.’ Het bleek gouden raad.
Om brood op te plank te krijgen, ging ik na mijn diensttijd bij de douane werken. Ondertussen stuurde ik zoveel mogelijk materiaal naar gevestigde striptekenaars en uitgevers. Op mijn 27ste was het raak; Martin Lodewijk, nestor van de Nederlandse stripwereld, zag wel wat in me. Hij besloot me te helpen om mijn eigen strip te creëren. Het werd een avonturenreeks met een vrouwelijke heldin, January Jones, waarvoor Martin het verhaal schreef. Iedere week ging ik bij hem langs om het volgende deel van het scenario op te halen en mijn pagina’s te bespreken. Op zijn advies tekende ik die in ‘de klare lijn’, de stijl van bijvoorbeeld Kuifje. De kunst daarvan is om alles terug te brengen tot de essentie; met zo min mogelijk lijnen beeld je zoveel mogelijk uit. Dat klinkt makkelijker dan het is. Probeer maar eens met een paar lijnen een vorm, een beweging én een gevoel over te brengen. Maar Martin had gelijk; January Jones sloeg onmiddellijk aan, en werd in bijna heel Europa uitgebracht. Dat betekende overigens niet dat ik mijn baan meteen kon opzeggen. Uiteindelijk duurde het nog tien jaar voor ik uitsluitend van het tekenen kon leven.
Via Martin leerde ik schrijver en uitgever Jacques Post kennen. We kwamen er al snel achter dat we de liefde voor geschiedenis deelden. Zo ontstond het idee een stripversie te maken van zijn roman De Meimoorden, die zich afspeelt in mei 1940 in Rotterdam. Het verhaal wordt in meerdere afleveringen in het blad StripGlossy gepubliceerd. Ik ben nu druk bezig met deel twee, dat voor mijn vakantie klaar moet zijn. Het is een luxe om weer eens een fictief verhaal te kunnen tekenen. Daarin kan ik me net iets meer vrijheid veroorloven dan in mijn educatieve strips. Al wil de leraar in mij natuurlijk toch dat alles klopt.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER MARTIN LODEWIJK

23 Aug

JPG Martin.jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 19 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Martin Lodewijk
Geboortedatum: 30 april 1939
Geboorteplaats: Rotterdam
Opleiding: een paar weken kunstacademie
Werk: best bekend om zijn creatie ‘Agent 327’, waarvoor hij de verhalen schreef én tekende. Bedacht de science fictionstrip Storm en maakte scenario’s voor tal van andere strips. Stond aan de wieg van het stripblad Eppo. Kreeg in 1978 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Werd in 2011 benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau vanwege zijn inzet voor het beeldverhaal. Heeft het strips maken zijn hele leven afgewisseld met reclametekenen.
Woonplaats: Rotterdam
Privé: getrouwd
——————————————————————————————————————————

“Vroeger had je rondreizende verhalenvertellers, die van markt naar markt trokken. Ze gingen zitten, staken een kaars aan en betoverden hun toehoorders met spannende sprookjes en avonturen. Als het laatste stukje kaars opbrandde, was het verhaal klaar. Ik zie mezelf als een moderne variant van zo’n troubadour. Alleen heb ik geen kaars, maar 44 pagina’s om mijn verhaal in te vertellen.
In mijn jeugd in het naoorlogse Rotterdam verkochten zeelieden Amerikaanse strips. Zo kwam ik in aanraking met Popeye, Superman en Tarzan. Nog voordat ik kon lezen, bekeek ik de plaatjes. Eerst tekende ik ze met krijt na op straat, daarna op papier. Op mijn tiende stuurde ik al werk naar Tom Poes Weekblad. Mijn verhalen met de rest van de wereld te kunnen delen, leek me het mooiste wat er was.
Op mijn 18e kon ik bij aan de slag bij een Rotterdamse uitgeverij van beeldromans, onder andere als tekenaar van ondeugende cartoons. Maar de directeur zag meer in me. De dag na de lancering van de Spoetnik stond hij bij mijn ouders voor de deur en nam hij me mee naar een duur restaurant op Zuid. Of ik iets van ruimtevaart wist, vroeg hij. Natuurlijk, ik las al jaren science fiction. Daarna schreef en tekende ik een tijd iedere maand een boekje van 32 pagina’s vol over het onderwerp. Dat was aanpoten; tegen de deadline moest ik meestal een paar nachten doorwerken. Ik heb zelfs een keer in mijn slaap doorgetekend. Geen idee hoe, maar toen ik wakker werd, zag ik een nieuw figuurtje staan. Zestig jaar later werk ik weliswaar iets minder hard, maar geeft het maken van strips me nog evenveel plezier.
Ik schrijf scenario’s voor andere tekenaars, maar teken zelf nooit plaatjes bij scenario’s van andere schrijvers. Daarvoor wil ik te graag mijn eigen verhalen vertellen. Grappig genoeg weet ik als ik bezig ben nooit wat er een paar pagina’s verderop gaat gebeuren. Op die manier houd ik het voor mezelf spannend. Tijdens het schrijven en tekenen heb ik wel een schema bij de hand met 44 vakjes, het standaardaantal pagina’s in een stripalbum. Als ik een bladzijde klaar heb, streep ik het betreffende vakje door, zodat ik weet hoeveel ruimte ik nog overheb voor bijvoorbeeld een gevecht of een climax.
Mijn hele werkzame leven heb ik een warme vriendschap gehad met Jan Kruis, geestelijk vader van Jan, Jans en de Kinderen. Op mijn 22ste hoorde ik van een collega dat er ‘nog een striptekenaar’ in de buurt woonde. Nieuwsgierig als ik was, ging ik bij hem langs. Het klikte meteen met Jan en zijn vrouw. En met de later beroemd geworden rode kater, die hun appartement als een fort bewaakte. Dat ik van de kater naar binnen mocht, was een hele eer. Over die eerste ontmoeting heb ik in 2013 voor de eenmalige Jan Kruis Glossy een speciaal stripje gemaakt. Tot zijn dood heb ik contact met Jan gehouden. Zelfs toen hij vanuit Rotterdam richting de noordpool — Drenthe — verhuisde.
Het is trouwens mede dankzij hem dat mijn bekendste creatie, Agent 327, ter wereld is gekomen. In 1966 stimuleerde Jan me om het reclamebureau waar ik toen werkte vaarwel te zeggen en voor mezelf te beginnen. Juist in die tijd vroeg het stripblad Pep aan Jan of hij, in navolging van het succes van James Bond, een humoristische strip over een geheim agent wilde bedenken. Hij vond dat onderwerp maar niets, dus opperde hij bij de redactie om mij die te laten maken. Dat werd Hendrik IJzerbroot, alias 327, de wat hulpeloze maar sympathieke agent van de Nederlandse geheime dienst.
Eerst schreef en tekende ik alleen korte verhalen over Agent 327, later ook hele albums. Daar zijn er inmiddels twintig van. Over het meest recente deel, uit 2015, heb ik tien jaar gedaan. Doordat mijn broer overleed en mijn vrouw ziek werd, was ik met andere dingen bezig. Bovendien kreeg ik van het ene op het andere moment vreselijke pijn aan mijn handen en armen, een soort artrose. Daar heb ik een flinke klap van gehad; ik was bang dat ik nooit meer zou kunnen tekenen. Wonderbaarlijk genoeg zijn de klachten echter bijna helemaal verdwenen. En dus werk ik inmiddels aan deel 21.
Waarom Agent 327 al die jaren populair is gebleven, vind ik moeilijk te zeggen. Maar ik weet wel dat het een opzichzelfstaand persoon is geworden, net zoals Kuifje of Suske & Wiske. Haast iemand van vlees en bloed. Voor veel lezers is Hendrik IJzerbroot ‘echter’ dan bijvoorbeeld Winston Churchill. Ze hebben het gevoel dat ze hem persoonlijk kennen, en dat ze in al die jaren een band met hem hebben opgebouwd. Daarmee is Agent 327 groter geworden dan mijn werk; als maker ben ik slechts dienend aan hem en zijn verhalen. En zo hoort het ook.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER GERBEN VALKEMA

23 Aug

JPG GerbenGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 12 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Gerben Valkema
Geboortedatum: 14 april 1980
Geboorteplaats: Ulrum (provincie Groningen)
Opleiding: 1,5 jaar kunstacademie
Werk: bekendst van zijn strip Elsje, die in zestien regionale kranten en in stripblad Eppo verschijnt. Samen met schrijver Eric Hercules kreeg hij hiervoor twee keer de Stripschappenning (in 2012 en 2016). In 2016 ontving het duo bovendien de Willy Vandersteenprijs, een internationale prijs voor beste strip van het jaar. Van 1999 tot 2007 was hij een van de tekenaars van Jan, Jans en de kinderen in Libelle. In 2012 maakte hij Bommel-album Heer Bommel en de i-Padden.
Privé: getrouwd, twee kinderen van 6 en 3
Woonplaats: Haarlem

—————————————————————————————————————————

“Ik teken als een dinosauriër. Oftewel: in een klassieke stijl, met potlood en penseel. Urenlang op een plaatje ploeteren is natuurlijk helemaal niet meer van deze tijd, maar ik word daar blij van. Ik heb wel een tijdje geprobeerd om een soort hippe cartoon netwerk-tekeningen te maken. Dat werd niks; die stijl past helemaal niet bij mij. Laat mij maar lekker ouderwets schetsen.
Mijn opa werkte bij een drukkerij. Van de rollen papier nam hij grote lappen mee naar huis, die hij voor me aan de muur hing. Meters heb ik als kind volgetekend; ik deed niets liever.
Een stripschool was — en is — er niet, dus ging ik op mijn 17e naar de kunstacademie in Groningen. Ik hoopte er goed te leren modeltekenen. Helaas was daar nauwelijks aandacht voor. Het draaide er meer om ‘kunst’ dan om ‘academie’. Na een jaar bleek ik gezakt voor mijn propedeuse. Een hele prestatie voor een artistieke opleiding.
In die tijd had ik een bijbaantje in stripwinkel Modern papier in Groningen. Op een dag kwam Jan Kruis er signeren. Zonder dat ik het wist, liet mijn baas hem mijn tekeningen zien. Jan was enthousiast en bood me een baan aan als leerlingtekenaar bij de gloednieuwe Kruis-studio in Hoofddorp. Wie overkomt zoiets op zijn 18e? Het was een droom die uitkwam.
Kort daarna woonde ik op kamers in Haarlem en werkte ik 40 uur per week in een team van stripschrijvers en -tekenaars. De proefpagina’s die ik voor Jan had gemaakt, vond ik zelf best goed. Ik dacht dus ik dat ik binnen een maand of twee wel in de productie van Jan, Jans en de kinderen kon meedraaien. Mooi niet. Plaatjes inkleuren, daar mocht ik mee beginnen. Ondertussen probeerde ik zoveel mogelijk te oefenen. Tijdens het werk, maar ook daarbuiten; ik deed niets anders dan tekenen. Na een jaar mocht ik eindelijk meedoen met de grote jongens.
In totaal heb ik acht jaar bij de Kruis-studio gewerkt. Daar leerde ik scenarioschrijver Eric Hercules kennen. Toen hij een tekening van een schattig meisje in mijn schetsboek zag, zei hij: ‘Laten we samen een strip over haar maken. Maar dan wil ik wel dat ze zich minder braaf gedraagt dan ze er uitziet’. Dat werd Elsje, het humoristische stripje dat alweer tien jaar dagelijks in zestien regionale kranten staat, waaronder de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden. Er zijn zestien albums over haar verschenen, en ze heeft zelfs een eigen wand in het Stripmuseum in Groningen. Haar opstandige karakter spreekt na al die tijd kennelijk nog steeds tot de verbeelding. Dat de grappen universeel zijn, blijkt wel uit het feit dat Elsje is vertaald in onder andere het Frans, Duits, Engels, Zweeds, Noors en Deens.
Het verbaast me altijd weer hoe zeer sommige lezers zich kunnen opwinden over een onschuldig stripje. Laatst hadden we bijvoorbeeld een grap over de puppy van Elsje, die met lammetjes wilde spelen. Kregen we meteen een boze mail dat daar niets grappigs aan is, omdat honden elk jaar schapen doodbijten. Er was zelfs een keer een lezer die een klacht bij de Reclame Code Commissie had ingediend, omdat ik een psychiater in de strip een pijp had gegeven. Reclame voor roken, vond hij. Gelukkig ging de commissie daar niet in mee.
Mensen vragen me vaak of het niet saai is om jaar in, jaar uit hetzelfde figuurtje te tekenen. Integendeel, ik vind het alleen maar leuker worden. In het begin waren de simpelste dingen moeilijk om te maken. Maar met zoveel ervaring gaat het tekenen me nu veel gemakkelijker af. Het geeft de ruimte om steeds nieuwe dingen proberen. Eric en ik houden het bovendien voor onszelf interessant door Elsje regelmatig uitstapjes naar een andere tijd te laten maken. Als ik haar ineens in de Gouden Eeuw moet tekenen, of in het wilde westen, is dat weer een heel nieuwe uitdaging. Zo ontstond bij Eric ook het idee om voor de StripGlossy de eenmalige strip van Elsje als volwassene te maken, die je hiernaast ziet. Als we onszelf op deze manier kunnen blijven verrassen, werkt dat vermoedelijk ook zo voor de lezers.
Het grootste deel van mijn carrière heb ik vooral korte strips gemaakt. Hartstikke leuk, maar in een langer verhaal kun je als tekenaar meer variëren. Bijvoorbeeld door met verschillende sferen te werken, of steeds een ander standpunt te kiezen. Ik vind het daarom fantastisch dat ik gevraagd ben om samen met de Franse scenarioschrijver Yann, bekend van Robbedoes, een nieuw album van Suske en Wiske te maken. Wat mij betreft smaakt dat naar meer; ik hoop in de toekomst nog veel meer grote avonturenverhalen te kunnen tekenen.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER WILLEM RITSTIER

23 Aug

JPG WillemGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 5 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Willem Ritstier
Geboortedatum: 12 juni 1959
Geboorteplaats: Rotterdam
Opleiding: mavo, havo
Werk: schreef scenario’s voor meer dan honderd stripalbums, waaronder Roel Dijkstra, Nicky Saxx, Ward, Zodiak en Flip. Publiceerde daarnaast als cartoonist, striptekenaar en scenarist in tal van kranten en tijdschriften, zoals De Telegraaf, Robbedoes, Eppo en StripGlossy. Werkt verder als illustrator van onder andere wenskaarten In 2017 ontving hij de Stripschapprijs voor onder andere zijn scenario-oeuvre.
Privé: weduwnaar, twee kinderen van 31 en 27
Woonplaats: Oud-Beijerland

——————————————————————————————————————————

“Na meer dan honderd stripverhalen zou je denken dat het schrijven van een scenario makkelijker wordt, maar het tegendeel is waar. Dat komt omdat ik de lat voor mezelf steeds hoger leg. Het moet nóg beter, nóg realistischer, nóg spannender. Hoe meer ik kan, hoe kritischer ik word.
Een idee voor een verhaal werk ik uit op een A4-tje. Dat stuur ik naar een redactie van een blad of naar een striptekenaar. Als zij er enthousiast over zijn, ga ik aan de slag. Ik schrijf de dialogen per pagina uit, met aanwijzingen over wat voor tekeningen erbij moeten komen. Mijn verhalen hebben een vliegende start; het is gordel om en gaan. Aan het eind van elke bladzijde maak ik een cliffhanger. Mijn missie is geslaagd is als je als lezer niet meer kunt stoppen en de strip in één ruk ademloos uitleest.
Tekeningen spreken tot de verbeelding, die blijven mensen bij. Met woorden is dat veel minder het geval. Daardoor lijken ze al gauw ondergeschikt aan de illustraties. Lezers denken dat ik tekst bij de plaatjes schrijf. In werkelijkheid is het precies andersom: de tekenaar verbeeldt het verhaal dat ik heb verzonnen. Helaas is daar weinig aandacht voor; niet voor niets ben ik de eerste schrijver sinds 1975 die de Stripschapprijs heeft gewonnen. Na meer dan veertig jaar! Het werd dus hoog tijd om scenario’s meer in het zonnetje te zetten. Want hoe mooi de tekeningen ook zijn, als het verhaal niet boeit, lees je het niet uit.
Terwijl ik een scenario schrijf, draai ik het als een film in mijn hoofd af. Ik weet precies hoe ieder plaatje eruit moet komen te zien. Mijn instructies voor de tekenaar zijn heel gedetailleerd. Dan noteer ik bijvoorbeeld ‘close-up van een hand die een krant vasthoudt met daarop een foto van zus en zo’. Ik bepaal niet wat de personages dragen, maar wel naar elke kant ze kijken, wat er op de achtergrond staat en vanuit welk perspectief je iets ziet. Soms overleg ik tussentijds met de tekenaar, in andere gevallen nauwelijks of niet. Dat maakt niet uit; je hoeft elkaar niet te zien om samen een mooie strip te kunnen maken. Bijna altijd is het eindresultaat precies zoals ik hoopte. Of beter. In dertig jaar is het slechts één keer gebeurd dat een tekenaar de plank helemaal missloeg.
Ik maak scenario’s voor alle mogelijke genres. Van komisch tot realistisch; ik vind ze allemaal even leuk. Mijn nieuwste strip, Saul, getekend door de Indonesische stripmaker Apri Kusbiantoro, is bijvoorbeeld een fantasyverhaal over een levende mantel. Maar ik heb dit jaar ook een strip geschreven over een voetballer, Roel Dijkstra. En dat terwijl ik niet echt van voetbal houd. Zolang je maar nieuwsgierig bent naar de mensen erachter, kun je over elk onderwerp een spannend verhaal maken.
Grappig genoeg teken ik zelf meer dan ik schrijf. Voor stripbladen, maar ook veel wenskaarten. Dat laatste vind ik het allerleukste; ik heb er al meer dan 4000 geïllustreerd. Heerlijk om op zo’n klein oppervlak met beeld en taal te stoeien. Mijn stijl is komisch; het talent om realistisch te tekenen, heb ik niet. Dat laat ik dus graag over aan de specialisten die mijn scenario’s verbeelden. De uitzondering op die regel is de graphic novel waar ik afgelopen zeven jaar aan heb gewerkt. Wills kracht, dat in oktober verschijnt, gaat over de dood van mijn vrouw Will. Zij overleed in 2009 aan kanker. Zo’n persoonlijk verhaal kon ik alleen zelf tekenen. Het is het dierbaarste dat ik ooit heb gemaakt.
Eerst wilde ik een ‘gewoon’ boek over Will schrijven. Dat werkte niet, dus ben ik het gaan tekenen. Daarmee kan ik mijn gevoel directer en ongefilterd overbrengen. Bovendien kun je in een getekend verhaal stiltes laten vallen. Om voldoende afstand te bewaren, hebben mijn vrouw, mijn kinderen en ik geen ogen, neuzen en monden, maar lege gezichten. Alle emotie zit in de houdingen. Bijvoorbeeld als Will me vertelt dat ze bang is om dood te gaan. Dan schuift mijn hand naar haar toe. En als ze de trap bijna niet meer opkomt, teken ik hoe ze gekromd tree voor tree omhoog klimt. Het laatste deel, over haar overlijden, was het moeilijkste, maar heb ik ook het snelste gemaakt. Pagina voor pagina heb ik haar losgelaten. Het was mijn eigen vorm van therapie.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

%d bloggers liken dit: