Archief | Radar+ RSS feed for this section

HOUD ELKAAR OVEREIND

9 apr

RA02_74TM77_MANTELZORG jpg1

Gepubliceerd in Radar+, nr 2/2020. (Foto: Wout Jan Balhuizen)

Journaliste Marte van Santen (44), haar moeder en haar stiefvader mantelzorgen al meer dan drie decennia voor elkaar. Hoe houden ze dat vol? Ze gingen samen om tafel en kwamen met deze tips uit de praktijk. 

Toen ik acht was, trouwde mijn moeder met een lieve, slimme en zorgzame man. De perfecte match voor haar, aangezien ze in haar leven al heel wat (met mannen) te verduren had gehad. 36 jaar later zijn zij en mijn stiefvader nog altijd gelukkig samen. Maar de weg die ze hebben bewandeld (en ik met hen), ging niet over rozen.
Niet lang na hun huwelijk, bleek mijn stiefvader serieuze psychiatrische klachten te hebben. Als gevolg daarvan werd hij volledig afgekeurd. Vanaf dat moment was mijn moeder de kostwinner. Omdat zij van huis uit werkte, waren we altijd met z’n drieën thuis. Heel gezellig, maar ook zwaar. De ziekte van mijn stiefvader maakte hem namelijk vaak erg somber. Verder waren zijn stemming en gedrag onvoorspelbaar. Mijn moeder en ik hadden er een flinke kluif aan om niet alleen hem zo goed mogelijk te steunen, maar ook onszelf staande te houden. Bovendien bleken zijn klachten chronisch — verschillende behandelingen haalden weinig uit. Zo werden we van het ene op het andere moment mantelzorgers. Na al die jaren zijn we dat nog steeds.
Maar mijn stiefvader werd het in de loop van de tijd óók. Zo worstelde mijn moeder lang met extreem pijnlijke rugklachten, waardoor ze bijna niets meer kon. Twee jaar geleden kreeg ze bovendien een chronische aderontsteking (vasculitis). De noodzakelijke behandelingen zijn ingrijpend en invaliderend. Zelf werd ik zeven jaar geleden getroffen door borstkanker. De aanpak: een operatie, dertig bestralingen, zestien keer chemotherapie, drie maanden immunotherapie en zeven jaar hormoontherapie.
Gelukkig ben ik zelf goed hersteld. Maar je kunt gerust stellen dat mijn moeder, mijn stiefvader en ik inmiddels door de wol geverfde mantelzorgers zijn. Met vallen en opstaan vonden we uit wat dat betekent en hoe we onszelf niet in die zorgrol konden verliezen. We zetten onze belangrijkste tips voor je op een rij. 

  1. Lees, lees, lees
    Zorg dat je zoveel mogelijk informatie over de aandoening van je naaste verzamelt. Wat is het precies? Hoe gaat het zich ontwikkelen? Wat betekent dat voor het dagelijkse leven? Wat is de best mogelijke zorg? Als je snapt wat er aan de hand is en wat je kunt verwachten, geeft dat (een klein beetje) grip. Bovendien weet je dan beter wat je wel en niet kunt doen om te helpen.
  2. Maak tijd voor jezelf
    Tijd om dingen te doen waar je van houdt. Wandelen bijvoorbeeld, of tekenen, of in de tuin werken. Liefst op vaste tijden, zodat je me time er niet snel bij inschiet. Maak daarover afspraken met degene voor wie je zorgt. Leg uit dat je dat dagelijkse uurtje Netflixen echt nodig hebt om je verstand op nul te zetten en op te laden. Des te meer heeft de zieke de rest van de tijd aan je. Neem ook regelmatig even fysiek afstand van elkaar. Al is het maar door iets in een andere kamer te gaan doen of alleen een wandelingetje te maken.
  3. Realiseer je dat iemand die ziek is verandert
    Sommige mensen worden heel angstig, anderen sluiten zich af. Weer anderen gaan zich veeleisend gedragen. De kunst is om de persoon waarvan je hield vóór hij ziek werd los te zien van de patiënt. Haal bijvoorbeeld regelmatig samen goede herinneringen op. En houd een dagboekje bij, waarin je niet alleen de moeilijke, maar ook de fijne momenten vastlegt.
  4. Een dagboekje is om nog een reden handig
    Schrijf daarin ook dagelijks even op hoe je je zelf voelt. Heb je iets voor jezelf kunnen doen en zo ja, wat? Of zo nee, waarom niet? Had dat anders gekund? Daar leer je van. Het is ook makkelijk om dingen terug te zoeken. Hoe ging dat toen ook alweer? Wanneer zijn de klachten erger geworden? Dat schrijven hoeft overigens niet veel tijd te kosten, een paar zinnen paar dag is al genoeg.
  5. Laat degene voor wie je zorgt in zijn waarde
    Neem niet alles over. Maak hem of haar niet afhankelijker of zwakker dan nodig, hoe bezorgd je ook bent. Kijk vooral naar wat de ander nog wél kan en probeer dat te stimuleren. Kortom: spreek het gezonde deel in de ander aan. Dat is goed voor de zieke (die zich vaak toch al hulpeloos en lastig voelt) en goed voor jezelf (omdat je wat dingen kunt overlaten).
  6. Waak ervoor dat je daar niet teveel in meegaat in de zorgen en angsten van de ander
    Merk je dat dat soort gevoelens je toch overmannen, schroom dan niet om professionele hulp voor jezelf te zoeken, bijvoorbeeld bij een psycholoog. Het kan ook fijn zijn om in een lotgenotengroep ervaringen te delen. Voel je daar vooral niet schuldig over. Als het jou allemaal teveel wordt, heeft degene voor wie je zorgt daar ook niets aan.
  7. Besef je: zorgrelaties zijn ingewikkeld
    Eén van de gevaren is dat je de ander te veel wilt beschermen. Die heeft het immers al zo moeilijk. Dus houd je je eigen sores maar voor je. Heel menselijk, maar het komt de gelijkwaardigheid in de relatie (die bij ziekte toch al onder druk staat) meestal niet ten goede. Blijf je eigen problemen dus delen. Zieke mensen vinden het meestal juist fijn als je ze op die manier bij je leven betrekt. Het geeft hen het gevoel dat ze nog meetellen. Bovendien relativeert het om te weten dat anderen óók worstelen. 

[Kader]
Hulp en ondersteuning
Er zijn veel verschillende organisaties die mantelzorgers ondersteunen, van patiëntenorganisaties tot verzekeraars en gemeenten. Een paar tips van twee professionals, Ginette Klein van de mantelzorglijn van MantelzorgNL en Gerjoke Wilmink, directeur van Alzheimer Nederland:

  • Samen de zorg voor iemand delen is vaak knap ingewikkeld. Dan kan een digitaal hulpmiddel uitkomst bieden. Je plant daarin afspraken en bezoekschema’s en wisselt informatie uit. Ook kun je aangeven wie welke zorgtaken op zich neemt. Dat bespaart tijd, voorkomt misverstanden en geeft rust. Voorbeelden van zulke digitale hulpjes zijn: carenzorgt.nl, miessagenda.nl, sharecare.nl en mantelplan.nl. Voor mantelzorgers van Alzheimerpatiënten is er Myinlife van Alzheimer Nederland. 
  • Wil je liever niet iemand uit je eigen omgeving om hulp vragen? Dan kun je ook denken aan een vrijwilliger. Er zijn in Nederland wel zo’n 450.000 vrijwilligers actief in de zorg. Denk aan maatjes en buddy’s, vrijwillige thuiszorg of georganiseerde burenhulp. 
  • Kijk ook naar de mogelijkheden om zorgtaken over te dragen. Incidenteel, zoals tijdens een vakantie, of structureel, bijvoorbeeld elke week een dagdeel. Zie voor tips mantelzorg.nl. Check ook bij het Wmo-loket van je gemeente en bij je zorgverzekeraar wat zij aan mantelzorgondersteuning of vervangende zorg bieden.
  • Op mantelzorgpower.nl van de Stichting Werk & Mantelzorg vind je een overzicht van (wettelijke) regelingen die je kunnen helpen om mantelzorg en werk te combineren. Denk aan kort- of langdurig zorgverlof of calamiteitenverlof. Daarnaast biedt de site tips over hoe je hierover met je leidinggevende in gesprek kunt gaan.

[Kader]
Cursus en lotgenotencontact
Veel gemeenten, zorginstellingen, patiëntenverenigingen en organisaties voor mantelzorgondersteuning bieden speciale cursussen voor mantelzorgers. Onder leiding van een professional krijg je inzicht in je eigen zorgsituatie, leer je knelpunten herkennen en krijg je tips over hulp vragen en ondersteuningsmogelijkheden. Een belangrijk onderdeel is ook het delen van ervaringen met lotgenoten.
Geen tijd of mogelijkheid om naar een cursus te gaan? Dan kun je online terecht. Op internet vind je verschillende programma’s die je kunnen helpen om als mantelzorger in balans te blijven. 

  • Coachfriend Mantelzorg is een online programma van tien weken met digitale begeleiding van een coach. Hierin werk je aan de hand van opdrachten aan je persoonlijke ontwikkeling en veerkracht. Gratis voor leden van MantelzorgNL (kosten lidmaatschap: € 23,00 per jaar). Voor niet leden € 298,00. mantelzorg.nl
  • De zorg de baas van Centrum voor Mantelzorg Markant (gratis). In acht online lessen leer je onder andere over omgaan met gevoelens, hulp durven vragen en communicatie en assertiviteit. markant.org
  • Voor mantelzorgers van mensen met psychische problemen zijn er de gratis online cursussen Hoe gaat het met u? en Als de zorg te zwaar is van GGZ-instelling Arkin. mijnihelp.nl.
  • Als mantelzorger van iemand met dementie kun je via dementelcoach.nl een persoonlijk coachingstraject aanvragen: een aantal gesprekken met een zorgprofessional die veel ervaring heeft met dementie. Check vooraf of je zorgverzekeraar of gemeente de kosten vergoedt. Meer informatie en tips over mantelzorg bij dementie: alzheimer-nederland.nl en dementie.nl.

[Kader]
Mantelzorgmakelaar
Word je gek van al het regelwerk en de administratieve rompslomp die bij de zorg voor een ander komt kijken? Dan kan een mantelzorgmakelaar uitkomst bieden. Die helpt je bijvoorbeeld met:

  • het invullen van formulieren;
  • het aanvragen van een indicatie of een persoonsgebonden budget;
  • het op orde krijgen van de administratie;
  • afspraken maken met je werkgever.

Zoek een organisatie voor mantelzorgondersteuning in de buurt en vraag of die een mantelzorgmakelaar in dienst heeft. Je kunt ook kijken op de website van zelfstandig werkende mantelzorgmakelaars: bmzm.nl. Let op: voor de hulp van deze zelfstandigen moet je zelf betalen. Informeer bij je zorgverzekeraar of die daar een vergoeding voor heeft.

 

 

DOSSIER: ERFELIJKHEID

5 mrt

ERFELIJKE ZIEKTEN jpg

Gepubliceerd in Radar+, februari 2020.

Het is een vraag die veel van ons bezighoudt: als een ziekte als kanker of dementie vaak in je familie voorkomt, loop je er dan zelf ook een grotere kans op? Helaas is het antwoord meestal niet zo simpel. Een dossier over genen, beschadigingen en ingewikkelde puzzels. 

Iedereen kent — of heeft — wel zo’n verhaal. Van een vader en een opa die beide vroeg aan een hartaanval overleden. Van twee zussen die kort na elkaar borstkanker kregen. Of van ouders die allebei met dementie in een verpleeghuis belandden. Op een gegeven moment begint het te knagen: in de familie komt deze aandoening wel heel veel voor. Wat zegt dat eigenlijk over het risico voor de rest van de familieleden? Moeten ze zich zorgen maken? En zo ja, kunnen ze dan iets doen om hun kans op zo’n ziekte te verkleinen?
“Begrijpelijke en terechte vragen”, zegt erfelijkheidsspecialist Wendy van Zelst-Stams. Als hoofd van de polikliniek klinische genetica van het Nijmeegse Radboudumc heeft zij dagelijks bezorgde mensen in haar spreekkamer. Een klip-en-klaar antwoord kan ze die niet altijd geven. Het is namelijk knap ingewikkelde materie. Maar met goede voorlichting, het nodige uitzoekwerk en de praktische adviezen van een klinisch geneticus zijn families vaak toch geholpen. 

Erfelijk of familiair?
Om te beginnen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen een erfelijke aanleg en een familiaire aanleg voor een ziekte. Het verschil zit hem in het harde bewijs. Als artsen kunnen aantonen dat een genfoutje de kans op een aandoening vergroot, bijvoorbeeld op  een bepaalde vorm van kanker, spreek je van een erfelijke aanleg. “In eerste instantie schrikken mensen vaak enorm als ze horen dat drager zijn van zo’n genafwijking”, legt Van Zelst-Stams uit. “Maar het geeft ook duidelijkheid en daarmee rust. Zeker omdat je vervolgens samen een plan kunt maken over wat met die kennis te doen. Afhankelijk van het soort en de ernst van de aandoening, adviseren we iemand bijvoorbeeld om zich regelmatig te laten controleren. Verder gaan we in gesprek over het informeren van familieleden. Een erfelijke aanleg kan voor hen immers ook gevolgen hebben.”
Overigens denken mensen vaak dat wanneer beide ouders bijvoorbeeld kanker of dementie hebben, zij automatisch een verhoogd risico lopen. Dat is meestal niet zo. Erfelijke aanleg gaat namelijk over een genetische afwijking in één bloedlijn. Dus in de familie van óf je moeder óf je vader.
Het kan echter ook zo zijn dat een ziekte relatief vaak en op relatief jonge leeftijd in een familie voorkomt, zónder dat daar een aanwijsbare genetische reden voor is. Mogelijk is er dan sprake van familiaire aanleg. “Stel, je moeder en je zus hebben allebei relatief jong borstkanker gehad”, zegt Van Zelst-Stams. “Maar we vinden geen aantoonbare genfout in de familie. Dan kunnen we aan de hand van het familieverhaal toch berekenen of jij als vrouw extra risico loopt om ook borstkanker te krijgen. En je dus adviseren of het wel of niet zinvol is om je extra te laten controleren.” Op die manier kunnen klinisch genetici ook voor andere ziekten een risicoanalyse maken. Bijvoorbeeld voor sommige hart- en vaatziekten, zoals een verdikte hartspier, een gesprongen aneurysma of een plotse hartdood op jonge leeftijd.

Ingewikkelde puzzel
Inmiddels weten artsen dat erfelijke aanleg bij zo’n 5000 (zeldzame) aandoeningen een rol speelt. Maar bij slechts een klein deel daarvan krijg je als drager 100 procent zeker de ziekte. Bijvoorbeeld bij de ziekte van Huntington, de ziekte van Duchenne of andere spierziektes. In verreweg de meeste gevallen is het echter niet zo simpel. Dan vergroot een genetische beschadiging weliswaar de kans om ziek te worden, maar spelen veel meer factoren een rol. Denk aan voeding, roken, alcohol, stress en je woonomgeving. Pas als alle stukjes van de puzzel in elkaar passen en zo één geheel vormen, word je daadwerkelijk ziek.
Wanneer is er nu terecht reden tot zorg in de familie en doe je er nu goed aan om voor advies naar een klinisch geneticus te gaan? “Om te beginnen: één is géén”, aldus Van Zelst-Stams. “Als je moeder als enige in haar familie kanker heeft gehad, is er geen reden om te denken dat jij dan als kind meer risico op die vorm van kanker loopt. Dat ligt anders als minimaal twee familieleden — waarvan in ieder geval één ouder of broer of zus — de ziekte op jonge leeftijd hebben gekregen. Met jong bedoel ik in dit geval: onder de vijftig. Dan doe je er verstandig aan om met je vragen naar de huisarts gaan. Zo nodig verwijst hij je door naar een klinisch geneticus. Die brengt de ziektegeschiedenis van de familie gedetailleerd in kaart en doet eventueel DNA-onderzoek. Alleen als je dat zelf wilt, uiteraard.”  

Risico verlagen
Als je weet dat je aanleg voor een bepaalde ziekte hebt, wil je waarschijnlijk alles in het werk stellen om de kans daarop zelf (voor zover mogelijk) te verkleinen. Bijvoorbeeld door zo gezond mogelijk te leven. “Dat is natuurlijk altijd zinvol “, besluit Van Zelst-Stams. “Alleen is — tot nu toe — van geen enkele erfelijke ziekte bewezen dat je het risico erop kunt verlagen met een specifieke leefstijl. Wel weten we dat bijvoorbeeld roken de kans op kanker enorm vergroot. Maar dat geldt net zo goed voor mensen zonder als met een erfelijke of familiaire aanleg voor kanker.”
Dat betekent volgens haar trouwens niet dat je dan maar passief moet afwachten. “Zoals gezegd kun je je regelmatig op de ziekte laten controleren. En er zijn meer manieren om ziektes te voorkomen, of in ieder geval vroeg op te opsporen of te vertragen. Bij een erfelijke aanleg voor eierstokkanker kun je bijvoorbeeld preventief je eierstokken laten verwijderen. Iemand met een erfelijke aanleg voor een hartritmestoornis kan een ICD krijgen, een apparaatje dat bij een levensbedreigende ritmestoornis een elektrische schok geeft. Verder kun je kennis over erfelijkheid laten meewegen in je keuzes over zwangerschap. Zodat je een erfelijke aanleg in ieder geval niet doorgeeft aan de volgende generatie.” 

[Kader]
Erfelijk of niet? 

  • Kanker
    Bij ongeveer 1 op de 20 kankerpatiënten is een aantoonbare erfelijke afwijking de belangrijkste oorzaak van de ziekte. Zo zijn er genafwijkingen bekend die een fiks grotere kans geven op bijvoorbeeld borstkanker, darmkanker of nierkanker. 
  • Dementie
    De meest voorkomende vorm van dementie is de Ziekte van Alzheimer. Ook hiervoor geldt dat ongeveer 1 op de 20 patiënten een erfelijke variant heeft. Bij zo’n kwart komt Alzheimer vaker in de familie voor, maar is er geen aantoonbare genetische afwijking te vinden. Zij hebben dus een familiaire aanleg.
  • Psychiatrische aandoeningen
    Psychische aandoeningen worden niet veroorzaakt door een afwijking in één gen. Erfelijkheid kun je in zo’n geval daarom niet aantonen. Wel hebben wetenschappers inmiddels ontdekt dat duizenden veranderingen in genen samen iemand gevoeliger kunnen maken voor bijvoorbeeld depressie, angststoornissen, schizofrenie of autisme. 

[Kader]
Genen repareren
In het laboratorium is het wetenschappers al gelukt om genafwijkingen te repareren. Ze gebruiken daarvoor een speciale techniek, CRISPR-Cas genaamd. Nadat ze de fout in het gen hebben opgespoord, knippen ze de streng op die plek door en plakken ze er het juiste DNA in. Daarmee is de fout hersteld.
In theorie kun je met CRISPR-Cas beschadigde genen in het DNA van een embryo vervangen, om zo te voorkomen dat die een erfelijke ziekte krijgt. Op dit moment is dat echter nog verboden. De mogelijkheid roept immers veel morele vragen op. Stel dat je genreparatie toestaat, mag dat dan voor alle erfelijke aandoeningen? Of alleen voor ernstige of onbehandelbare ziektes? Hoe bepalen we welke we ernstig genoeg vinden? En willen we de reparatietechniek ook gaan gebruiken voor het veranderen van eigenschappen van een kind? Bijvoorbeeld om hem slimmer of langer te maken? Allemaal ethische dilemma’s, waar we nog lang niet uit zijn.

[Kader]
Wanneer naar de poli klinische genetica?

  • Als jij klachten hebt (of je kind die heeft) en het niet duidelijk is of die door een erfelijke ziekte komen. 
  • Als er een erfelijke ziekte in jouw familie zit en je wilt weten of je de aanleg voor de ziekte kunt krijgen of doorgeven.
  • Als je je afvraagt of jij en je partner misschien drager zijn van dezelfde ziekte en of jullie die kunnen doorgeven.
  • Als je wilt voorkomen dat een toekomstig kind een erfelijke ziekte krijgt van jou en/of je partner.

[Kader]
Zelftests
Erfelijkheidsonderzoek kost veel geld en soms ook veel tijd. Vandaar dat een arts zo’n onderzoek alleen laat doen als er een duidelijke aanleiding voor is. Steeds meer commerciële bedrijven spelen hierop in door allerlei erfelijkheidstesten aan te bieden. Bijvoorbeeld om je kans op botontkalking of diabetes type 2 te berekenen. Meestal moet je daarvoor wat speeksel of wangslijm opsturen. In een laboratorium wordt daar DNA uitgehaald en onderzocht. De uitslag krijg je per mail of kun je op een beveiligde pagina op internet bekijken.
Aan dit soort tests zitten allerlei haken en ogen. Ten eerste hebben veel ziektes zoals gezegd meerdere oorzaken. Alleen erfelijkheidsonderzoek zegt dan niet zoveel. Ten tweede kun je de uitslag zelf vaak lastig interpreteren. Van de mededeling dat je 30 procent méér kans hebt op een bepaalde aandoening, schrik je je misschien rot. Maar als je oorspronkelijke risico op die ziekte 0,1 procent was, valt die 30 procent extra ineens weer reuze mee. En dan is de vraag ook nog hoe betrouwbaar dit soort testen zijn. Klinisch genetici adviseren vooralsnog dan ook om ze niet te doen. 

[Kader]
Erfelijke ziektes en verzekeringen
Voor sommige mensen zijn mogelijke problemen met verzekeringen of hypotheken reden om (nog) geen erfelijkheidsonderzoek te laten doen. Maar in tegenstelling tot wat veel mensen denken, mag een verzekeraar niet zomaar vragen naar erfelijke ziektes of DNA-onderzoek. Of dat gebeurt, hangt af van het bedrag dat je wilt verzekeren. Bij levensverzekeringen ligt de grens op € 278.004,-. Voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is de grens € 40.309,- voor het eerste jaar en € 26.985,- voor de volgende jaren. Daaronder vraagt een verzekeraar dus niets.
Wil je jezelf voor een hoger bedrag verzekeren? Dan mag een verzekeraar wel naar zowel onbehandelbare als behandelbare erfelijke ziektes in je familie informeren. En ook naar uitkomsten van eventueel DNA-onderzoek. Verder is het belangrijk om te weten dat je voor het afsluiten van een hypotheek niet altijd een levensverzekering nodig hebt. En dus ook niet per se informatie over eventuele erfelijke ziektes hoeft prijs te geven.

[Kader]
Meer weten? 

  • Op de website erfelijkheid.nl vind je een schat aan informatie over onder andere erfelijke ziektes, je kinderen en familie informeren over een erfelijke aandoening en de mogelijke gevolgen voor verzekeringen. 
  • Voor informatie over specifieke erfelijke aandoeningen kun je terecht op thuisarts.nlvan het Nederlands Huisartsen Genootschap. 
  • Meer informatie over erfelijke aanleg van kanker vind je op kanker.nl. 
  • Op de website van de Vereniging Klinische Genetica staat een overzicht met alle poliklinieken klinische genetica in Nederland:
    vkgn.org/voorlichting/poliklinieken-klinische-genetica/

Met medewerking van klinisch geneticus Wendy van Zelst-Stams, hoofd sectie Klinische Genetica van het Radboudumc in Nijmegen en voorzitter van de Vereniging Klinische Genetica Nederland. 

UIT DE PRAKTIJK
Stephan Hagens (53) leeft al sinds 2002 met terugkerende nierkanker. Pas tien jaar later ontdekten artsen dat hij aan een erfelijke variant van de ziekte lijdt.
“Na een niersteenaanval liet de uroloog voor de zekerheid foto’s maken. Mijn linkernier was enorm vergroot en er zat overduidelijk een tumor in. Kanker? Op mijn 36ste? Daar had ik nooit aan gedacht. Ik hockeyde op hoog niveau en was topfit.
Het komt wel goed, dacht ik, nadat mijn nier was verwijderd. Dat leek ook zo, totdat de kanker in 2007 opnieuw opdook. Een pittige operatie volgde, waarbij de chirurg onder andere een stuk van mijn darmen, mijn milt en mijn alvleesklier weghaalde. Weer ging het vijf jaar goed. Maar bij een controle in 2012 trof de oncoloog onder andere uitzaaiingen in mijn lever aan.
Inmiddels was bekend dat een bepaald genfoutje de kans op mijn vorm van nierkanker aanzienlijk vergroot. ‘Wilt u weten of u dat heeft?’, vroeg de klinisch geneticus waar ik naar was doorgestuurd. Daar hoefde ik niet lang over na te denken; ik had me vaak afgevraagd waarom ik zo jong ziek was geworden. Na een paar weken kwam de uitslag: ik bleek inderdaad drager van het afwijkende gen.
Na de opluchting kwam de schok. Had ik onze twee kinderen nu ook met het verhoogde kankerrisico opgezadeld? Dat weten we nog steeds niet. Onze zoon is 18, onze dochter 15. We hebben ervoor gekozen om ze nog niet te laten testen, zodat ze daar straks zelf een keus over kunnen maken. Wel krijgen ze sinds 2013 jaarlijks preventief een MRI. Binnenkort heeft onze zoon een afspraak met een genetisch consulent om de voors en tegens van DNA-onderzoek te bespreken. Onze dochter denkt dat ze het later sowieso wil weten.
Met mij gaat het intussen wonderwel goed. Met verschillende medicijnen heb ik jaren tijd kunnen rekken. Sinds begin 2018 krijg ik een vorm van immunotherapie. De uitzaaiingen die in mijn longen zaten, zijn verdwenen. Die in mijn lever en het oorspronkelijke niergebied gehalveerd. Ik sta versteld van de wetenschap én van het herstelvermogen van mijn lichaam. Reden genoeg om elke dag extra te vieren.” 

Chantal Cooper (51) lijdt aan sikkelcelziekte, een erfelijke aandoening van de rode bloedcellen.
“In 1974 ging ik voor het eerst met mijn ouders op vakantie naar Suriname. Na een dag in een beekje te hebben gezwommen, zwollen mijn ledematen op en kreeg ik koorts. Mijn hele lichaam deed pijn, ik gilde het letterlijk uit. De arts op de eerste hulp dacht gelijk aan sikkelcel. Na genonderzoek bleken mijn ouders beide drager van de ziekte. Zij hebben nooit klachten gehad, mijn opa wel. Al is hij niet officieel gediagnosticeerd.
Sikkelcellen zijn rode bloedcellen met een afwijkende vorm. Ze  kunnen gaan klonteren en bloedvaten verstoppen. Je spreekt dan van een sikkelcelcrisis. Die gaat gepaard met koorts en hevige pijn. Bovendien kunnen weefsels of organen door het zuurstoftekort beschadigd raken.
Chronische pijn en vermoeidheid, vervormde rugwervels, doofheid aan één kant: de impact van mijn aandoening is behoorlijk groot. Toen ik elf jaar geleden borstkanker kreeg, moest ik voortijdig met de chemotherapie stoppen. Mijn lichaam trok het niet. Werken als docent Engels, wat ik met liefde deed, gaat al lang niet meer. Daarom heb ik me laten omscholen tot vertaler, zodat ik mijn tijd en energie beter kan managen.
Toch bepaalt de ziekte mijn leven niet. Ik heb weliswaar sikkelcel, maar ik bén het niet. Dat hebben mijn moeder en kinderarts me van jongs af aan ingeprent. Mijn ouders behandelden me nooit anders dan mijn jongere zusje, die de ziekte niet heeft. Ik moest net zo goed meehelpen in huis. Ze lieten me ook gewoon studeren, al was dat soms heel zwaar. Daardoor heb ik me nooit zielig of patiënt gevoeld. Of me laten tegenhouden om alles uit het leven te halen.
Inmiddels ben ik al vijftien jaar zelf moeder. Mijn zoon is geadopteerd. Niet vanwege mijn erfelijke aandoening, maar omdat ik door endometriose moeilijk zwanger kon worden. Had dat wel gekund, dan had ik het zeker geprobeerd. Ondanks het risico om de genafwijking door te geven. Want sikkelcelziekte of niet, ik vind het leven ontzettend de moeite waard.”

 

DOSSIER DIABETES

9 jan

RA06_16TM19_DIABETES_jpg.jpg

Gepubliceerd in Radar+ 6, december 2019.

1 op de 14 Nederlanders heeft diabetes. Dat is niet zo onschuldig als het misschien lijkt. Complicaties als chronische vermoeidheid en oogproblemen, vervelende bijwerkingen van medicijnen: de impact van de ziekte op het dagelijkse leven is groot. Gelukkig is er goed nieuws. Met gezond leven kun je de meest voorkomende vorm, diabetes type 2, vaak voorkomen. (En als je die al hebt soms zelfs terugdraaien.) 

Glucose en insuline: hoe zat het ook alweer?
Om goed te kunnen werken, heeft je lichaam energie nodig. Een belangrijke bron daarvoor is glucose, ook wel bloedsuiker genoemd. Na opname van suikers uit je voeding gaat de glucose via je bloed naar alle lichaamscellen. Om daarin binnen te kunnen dringen, is een soort sleutel nodig: insuline. Die stof opent als het ware de celdeur, zodat de glucose zijn werk kan doen.
Normaal zorgt je lichaam er zelf voor dat het precies genoeg insuline aanmaakt om de glucose op peil te houden. Maar bij mensen met diabetes lukt dat niet goed. Hun bloedsuiker is daardoor  verhoogd.
Als je te veel glucose in je bloed hebt, kan dat overal in je lichaam ernstige schade veroorzaken aan bloedvaten en vezels. Met bijvoorbeeld oogproblemen, hart- en vaatziekten, nierfalen en/of zenuwschade tot gevolg. Minstens de helft van alle diabetespatiënten krijgt vroeg of laat te maken met dat soort chronische complicaties.

Type 1 of type 2?
Er bestaan verschillende soorten diabetes. De bekendste zijn type 1 en 2. Die ontwikkelen zich heel anders. Type 2 diabetes komt verreweg het meeste voor. Daarbij zijn cellen in het lichaam minder gevoelig voor de effecten van insuline en maken cellen steeds minder insuline aan. Onder andere overgewicht, weinig beweging, oudere leeftijd en erfelijke aanleg vergroten de kans hierop. Zeker in de beginfase kunnen patiënten de problemen met een gezondere leefstijl vaak  (grotendeels) verhelpen. Zo nodig krijgen ze medicijnen om hun lichaam meer insuline te laten aanmaken of daar beter op te laten reageren. Uiteindelijk moet 30 procent ook insuline gaan spuiten.
Bij diabetes type 1 maakt het lichaam zelf vrijwel helemaal geen insuline meer aan. Dat komt omdat het afweersysteem de insuline producerende cellen onterecht als vijand ziet en ze daarom afbreekt. Waarom dat gebeurt, weten artsen niet precies. De aandoening ontstaat vaak op jonge leeftijd; de helft van de patiënten is onder de 18 jaar. Mensen met diabetes type 1 moeten levenslang meerdere keren per dag insuline spuiten of een insulinepomp dragen. De ziekte is namelijk ongeneeslijk. Helaas is zelfs mét insuline de bloedsuiker nooit zo precies te regelen als het lichaam dat zelf zou doen. 

Cijfers

  • Ruim 1,2 miljoen Nederlanders hebben diabetes. Meer dan 90 procent van hen heeft diabetes type 2.
  • Elke dag komen er zo’n 175 nieuwe diabetespatiënten bij. 
  • Nog eens 750.000 Nederlanders lopen een groot risico om diabetes te krijgen: ze hebben een verstoorde suikerhuishouding. 
  • Bij mensen van Hindoestaans-Surinaamse afkomst komt diabetes type 2 het vaakst voor. Van de 60-plussers uit deze groep heeft 37 procent de aandoening.
  • Bijna alle kinderen en jongeren met diabetes hebben type 1. Tussen de 0 en 25 jaar zijn dat er vermoedelijk tussen de 10.000 en 12.000. 
  • Grofweg de helft van de mensen met diabetes heeft last van een of meerdere chronische complicaties, zoals vermoeidheid, problemen met hun ogen, zenuwschade, nierfalen en/of hart- en vaatziekten.
  • In 2015 (de laatst bekende cijfers) stierven ruim 2.800 mensen rechtstreeks aan diabetes. Vermoedelijk ligt het werkelijke sterftecijfer veel hoger, omdat veel patiënten overlijden aan complicaties van de ziekte.

Bron: Diabetesfonds

Dit ontdekten wetenschappers
Wereldwijd speuren onderzoekers naar de oorzaken én oplossingen voor diabetes type 2. Zo ontdekten ze afgelopen jaren onder andere: 

  • dat je lichaam bij overgewicht allerlei ontstekingsstoffen aanmaakt. Het vetweefsel raakt daardoor langdurig ontstoken. Die ontsteking kan uiteindelijk leiden tot diabetes type 2.
  • je afweersysteem ook een rol speelt bij diabetes type 2. De ‘natural killer (NK) T-cellen’ houden het lichaam gezond. Als je veel vet eet, verminderen die cellen. Je lichaam wordt dan steeds ongevoeliger voor insuline, met mogelijk diabetes type 2 tot gevolg.
  • beweging de bloedsuikerspiegel en de vethuishouding verbetert. In het bloed, maar ook in de lever en de spieren. Daardoor blijven hart en bloedvaten gezonder. Ook werkt de lever beter en slaat die minder vet op.

Van je ouders?
Komt diabetes type 2 in je familie voor? Dan heb je een groter risico om het zelf ook te krijgen.

  • Als je broer of zus het heeft: 15 – 20 procent meer kans.
  • Als je vader of moeder het heeft: 10 – 20 procent.
  • Als je beide ouders het hebben: 20 – 40 procent.
  • Als twee of meer van je ouders of broers of zussen het hebben: 25 – 70 procent.

Of je in zo’n geval daadwerkelijk diabetes ontwikkelt, hangt onder andere af van je leefstijl. Overgewicht en weinig bewegen vergroten het risico. (Dat geldt  trouwens ook voor mensen zonder erfelijke aanleg voor diabetes.) Het goede nieuws is dan weer dat je met een gezonde leefstijl het risico op diabetes type 2 kunt halveren.
Overigens speelt erfelijke aanleg bij diabetes type 1 een veel kleinere rol. 

Diabetes type 2 terugdraaien?
In tegenstelling tot de ongeneeslijke type-1-diabetes valt aan diabetes type 2 vaak wél wat te doen. Er is namelijk een toenemende stroom aan wetenschappelijke bewijs dat je diabetes type 2 met een gezonde leefstijl kunt verbeteren en zelfs kunt terugdraaien. Denk aan anders eten, meer bewegen en beter ontspannen en slapen.
Vanuit die gedachte startte de organisatie Voeding Leeft (die samen met wetenschappers, artsen en andere professionals leefstijlprogramma’s ontwikkelt) in 2014 met Keer Diabetes2 Om. Dat is een aanpak waarin diabetes type 2-patiënten die medicatie slikken onder begeleiding van een deskundig team in zes maanden een nieuwe leefstijl krijgen aangeleerd. Na het eerste half jaar krijgen de deelnemers nog achttien maanden nazorg om ze te helpen hun nieuwe gewoontes vol te houden. Dat loont, blijkt uit onderzoek van het Louis Bolk Instituut. Zo had 92 procent van de meer dan 400 deelnemers een jaar na de start hun diabetes type 2 (gedeeltelijk of geheel) omgekeerd. Hun insulineproductie was genormaliseerd en hun bloedwaarden waren gezonder. Bijna een derde gebruikte na een jaar geen medicatie meer.
Fantastisch natuurlijk. Toch wil internist Eelco de Koning, hoogleraar diabetologie in het LUMC, het enthousiasme over de aanpak enigszins temperen. “Een gezondere leefstijl geeft vooral goede resultaten als patiënten zelf nog voldoende insuline aanmaken”, zegt hij. “Oftewel: in de beginfase van de ziekte  Maar bij mensen die al lang diabetes type 2 hebben, ontstaat schade aan de insuline producerende cellen. Dan is het veel moeilijker om het proces nog te keren en zijn de resultaten minder spectaculair.” Voor deze groep — het merendeel van de type-2-patiënten — kan het volgens hem heel frustrerend zijn als het ze, ondanks hun gezondere leefstijl, niet lukt om hun diabetes teug te draaien. “Het lijkt dan net alsof ze niet genoeg hun best doen. Maar dat is dus meestal niet waar.”

Na twaalf jaar met diabetes type 2 te hebben geworsteld, lukte het Ina Bot (59) om met een gezondere leefstijl van haar ziekte af te komen.
“Het begon ermee dat ik steeds zo moe was. Ik kreeg ook hartkloppingen en ging spontaan trillen en zweten. Ondanks dat ik best gezond at, bleek mijn bloedsuiker te hoog. Na anderhalf jaar aanmodderen schreef mijn huisarts me diabetesmedicatie voor. Van het ene pilletje kwam het andere, tegen te hoog cholesterol, hartritmestoornis en maagklachten. Uiteindelijk moest ik ook insuline gaan spuiten.
De gevolgen voor mijn dagelijkse leven waren dramatisch. Ik kon amper twee stappen zetten, zo moe was ik. Werken lukte nauwelijks nog. Alle plezier was weg, ik had nergens meer zin in. En door mijn overgewicht zakte mijn zelfbeeld onder het nulpunt.
Tot er drie jaar geleden een nieuwe huisarts in de praktijk kwam. ‘We gaan het heel anders aanpakken’, zei ze. Voor het eerst sinds ik ziek werd, gaf ze me goede uitleg over wat er bij diabetes in je lichaam gebeurt. En waarom het zo moeilijk is om met die ziekte af te vallen. Met een koolhydraatarm dieet en voldoende beweging zou dat volgens haar wél lukken. ‘Over drie maanden ben je een andere vrouw’, waren haar woorden. In de auto zat ik te janken van blijdschap. Of haar aanpak echt zou werken, wist ik niet. Maar voor het eerst in twaalf jaar had ik weer hoop.
Om een lang verhaal kort te maken: in elf maanden ben ik 26 kilo afgevallen. Ik sport nu zeven dagen in de week en werk weer voltijds. Het allermooiste is dat ik helemaal geen medicijnen meer slik. Mijn bloedsuiker, mijn cholesterol, mijn bloeddruk: ze zijn perfect op orde. Ik ben er een ander mens door geworden. Positiever, opener, blijer. Op mijn 59ste voel ik me fitter dan ooit.” 

Fabels over diabetes (type 1 én 2)

  • Van veel snoepen krijg je diabetes.
  • Je hebt lichte en zware diabetes.
  • Diabetes is ongevaarlijk. 
  • Alleen dikke mensen krijgen diabetes.
  • Mensen met diabetes mogen nooit suiker gebruiken.
  • Alleen oude mensen krijgen diabetes.
  • Diabetes is besmettelijk.

(Allemaal NIET waar dus!)

Tot nu toe is diabetes type 1 niet te genezen. Internist en onderzoeker Eelco de Koning, hoogleraar diabetologie in het LUMC, werkt er keihard aan om daar verandering in te brengen.

Wat kunt u nu voor type 1-patiënten doen?
“De behandeling richt zich op het verbeteren van de kwaliteit van leven en beperken van de complicaties van de ziekte. Verder kunnen we sinds een aantal jaar insuline producerende cellen van een donor naar een diabetespatiënt transplanteren. Het LUMC is het enige ziekenhuis in Nederland dat dat doet. Er is echter een groot tekort aan celdonoren. Bovendien moeten diabetespatiënten levenslang zware medicijnen slikken om afstoting van die nieuwe cellen te voorkomen. Deze aanpak is dus echt alleen een laatste optie voor een klein groepje mensen met moeilijk te behandelen diabetes.”

Gloort er hoop?
“We werken hard aan een oplossing voor diabetes type 1. Zo kunnen we in het laboratorium inmiddels uit stamcellen nieuwe insuline producerende cellen kweken en die tot grote aantallen vermenigvuldigen. Bij onderzoek met muizen blijken die goed te werken. Nu moeten we deze techniek verder ontwikkelen en veilig maken voor mensen. Met als uiteindelijk doel: een therapie die ervoor zorgt dat patiënten met diabetes type 1 in de toekomst veel minder of zelfs helemaal geen insuline meer hoeven spuiten.”

Wanneer hebben patiënten hier concreet iets aan?
“Dat gaat nog wel even duren. Ons streven is om de nieuwe behandeling binnen enkele jaren bij mensen te gaan testen. En dat is pas het begin — daarna gaan er vermoedelijk nog heel wat jaren overheen voor de therapie beschikbaar is voor alle patiënten. Maar we rusten niet voor dat is gelukt.”

 

FIT LIJF, FIT BREIN

21 nov

RA05_70TM73_5 EXPERTS jpg

Gepubliceerd in Radar+, oktober 2019.

Lichaam en geest zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hoe kun je je lijf gebruiken om mentaal fit te blijven (en vice versa)? Vijf sportieve deskundigen vertellen.

Oud-wereldbekerwinnares veldrijden Sanne van Paassen helpt als mental coach om mensen het beste uit zichzelf te laten halen.
“In de periode dat ik het wereldbekerklassement veldrijden won, haalde ik ook mijn masterdiploma aan de universiteit. Ik had het gevoel dat ik alles aankon, wilde nog beter worden, nog meer winnen. Het was nooit genoeg. Tot ik uitviel met ernstige, onverklaarbare pijnklachten in mijn bovenbenen. Mijn wereld stortte in. Niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk was ik een wrak. Ik kon letterlijk niet meer verder.
De lessen die ik toen en in de rest van mijn tijd als topsporter heb geleerd, komen me als coach goed van pas. Ik herken het meteen als mensen de lat altijd — te — hoog leggen en steeds hun grenzen overgaan. Of als ze alleen maar op resultaten focussen, in plaats van te genieten van de weg daarnaartoe. Omdat ik zelf uit zo’n diep dal ben geklommen, kan ik ze ook praktische tips geven over hoe ze anders in het leven kunnen leren te staan. Op een manier waarbij je je gelukkiger, fitter en meer in balans voelt.
Een van mijn favoriete oefeningen is de vogeltjeskijktraining. Oftewel: bewegen — lopen, fietsen, roeien, wat dan ook — met al je zintuigen. Geen stappentellers of afstandsmeters mee, alleen letten op wat je onderweg ziet, hoort, ruikt en voelt. Die oefening heeft mij zelf enorm geholpen om uit mijn burn-out — want dat was het — omhoog te klimmen.
Nog een belangrijke les uit mijn topsporttijd: positieve routines zijn goud waard. Daarmee train je je brein en je lijf als het ware om in de juiste stand te gaan staan. Zelf begin ik mijn dag bijvoorbeeld altijd met de vijf-keer-één-minuut-routine: een minuut koud douchen, een minuut ademhalingsoefeningen, een minuut opschrijven waar ik dankbaar voor ben, een minuut nadenken over mijn intentie voor die dag en een minuut knuffelen met dierbaren.
Tot slot: geen topprestatie zonder voldoende rust. Neem dus regelmatig even gas terug en geef je lichaam én je hoofd de kans om te herstellen. Dan presteer je op de momenten dat het echt moet veel beter.”
Meer informatie: sannevanpaassen.nl.

Nina Vollbehr is GZ-psycholoog, onderzoeker en yogadocent bij het Centrum Integrale Psychiatrie van GGZ-instelling Lentis in Groningen.
“Zeven jaar geleden werkte ik tijdens een sabbatical een paar maanden bij het Kripalu Center for Yoga & Health in de Amerikaanse staat Massachusetts. Daar kwam ik op het idee om yoga te gaan geven aan mensen met depressieve klachten. Eenmaal terug heb ik met collega’s een speciaal programma voor deze doelgroep ontwikkeld, met bewegings-, mindfulness- en ontspanningsoefeningen. Hoe die bij depressie kunnen helpen? Met yoga train je je lichaam én je geest. Je leert je lijf om minder intens op prikkels te reageren en dus minder snel in de stress te schieten. Prikkels van buiten, maar ook van binnen, bijvoorbeeld in de vorm van gepieker. Door meer te focussen op het hier en nu, krijgen zorgelijke gedachten over het verleden of de toekomst minder kracht. Dat kan helpen om depressie te verminderen, te verkorten of zelfs te voorkomen, vermoeden we.
Ook negatieve emoties hebben veel invloed bij depressie. Als je dat soort gevoelens vermijdt of wegstopt, worden ze alleen maar intenser en houden ze langer aan. Yoga helpt je ze in plaats daarvan te accepteren voor wat ze zijn en er minder waarde aan te hechten. Verder kan yoga ervoor zorgen dat je aardiger en milder voor jezelf wordt. Depressie gaat vaak samen met zelfkritiek en gevoelens van schuld of falen. Door onbevooroordeeld en vriendelijk naar jezelf te kijken, ontstaat meer zelfcompassie. Ook dat helpt, denken we. Om dat zeker te weten, doen we wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van yoga bij depressie. Eind volgend jaar verwachten we de resultaten bekend te kunnen maken.
Let wel: het is niet onze bedoeling is om yoga in plaats van bijvoorbeeld medicatie of reguliere psychologische behandelingen te gebruiken. Die zijn immers bewezen effectief. Maar ze werken niet bij iedereen even goed. Bovendien krijgen patiënten in de loop van de tijd soms een terugval en worden ze opnieuw depressief. Dus als we — in aanvulling op bestaande behandelingen — in de toekomst yoga kunnen aanbieden, vergroot dat hopelijk de kans op een langdurig succesvol behandelresultaat.”
Meer informatie: yogabijdepressie.nl.

Bewegingswetenschapper en sportpsycholoog Mark Schuls geeft individuele en groepstrainingen om mentaal sterker te worden. Voor jonge sporttalenten ontwikkelde hij de online training Top in je kop.
“Toen ik zelf nog op hoog niveau tafeltenniste, kon ik tijdens wedstrijden heel boos worden, vooral als het niet ging zoals ik wil. Het gevolg was dat ik dan alleen maar slechter ging spelen. Dat zie ik ook vaak gebeuren bij de sporters die ik begeleid: tijdens de training gaat het goed, maar bij een wedstrijd komt het niveau er niet uit. Bijvoorbeeld als schaatsers verstijven en minder soepele slagen maken. Zulke negatieve spanning werkt averechts, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk. Je neemt dan minder goede besluiten. Gelukkig kun je jezelf trainen om op een andere manier met spanning om te gaan.
Het begint met formuleren van het juiste doel. Vaak hebben we abstractie ambities. Voor een sporter is dat misschien een wereldkampioenschap winnen. Natuurlijk kan je daar keihard voor werken. Maar veel bepalende factoren — het niveau van je tegenstanders, de scheidsrechter, het weer — liggen buiten je macht. Je daarop richten is dus zonde van je energie en maakt je machteloos.
Veel effectiever is het om je te focussen op waar je wél invloed op hebt: het proces. Het klinkt tegenstrijdig, maar door dat hogere doel los te laten, kom je uiteindelijk verder. Dat geldt voor de sport, maar ook voor andere terreinen van je leven. Richt je niet op het eindresultaat — twintig kilo afvallen, promotie maken — maar op de concrete stapjes die je gaat zetten om jezelf te verbeteren.
Wat daarbij helpt, is om de gewenste situatie zo realistisch mogelijk in je hoofd te verbeelden. Zie vooraf in gedachten hoe je door de supermarkt loopt en de chips bewust laat staan. Of hoe je op je werk een succesvolle presentatie geeft. Als je dat vaak genoeg herhaalt, groeien je zelfvertrouwen en je motivatie. Dat komt omdat het voor je hersenen weinig uitmaakt of je een handeling daadwerkelijk doet, of dat je je die alleen inbeeldt. Zo kun je dus vanuit je luie stoel je mentale fitheid vergroten. Doe er je voordeel mee!”
Meer informatie: tiptop-sport.nl.

Psycholoog Lisette van Dun is gespecialiseerd in running- en wandeltherapie.
“De voordelen van bewegen bij psychische klachten zijn legio. In je hersenen komen bepaalde stofjes vrij, zoals het gelukshormoon endorfine, waardoor je je beter gaat voelen. Bovendien is het goed voor je zelfvertrouwen: als je je lijf in beweging kunt brengen, sterkt dat je vaak om ook eventuele mentale problemen aan te gaan. Verder werken buitenlucht en natuur stimulerend. Zo helpt bewegen je om je psychische conditie te verbeteren.
Al die positieve effecten versterk je door onder begeleiding van een gespecialiseerde therapeut te trainen. Bij runningtherapie ligt de nadruk op hardlopen. Samen bouwen we de looptijd rustig op. Zo leer je beter naar je lichaam te luisteren en je grenzen te bepalen. Overigens hoef je geen ervaring met hardlopen te hebben; iedereen kan eraan meedoen.
Tijdens runningtherapie voeren we geen diepe gesprekken, maar hebben we het bijvoorbeeld wel over patronen die tijdens het lopen naar boven komen. Denk aan te snel te veel willen, of altijd vooroplopen. Hoe kun je die gewoontes vertalen naar je dagelijkse leven? Vaak wordt runningtherapie gebruikt in aanvulling op andere behandelvormen, zoals gesprekstherapie en/of medicatie. De meest bekende toepassing is bij depressie. Maar ook bij andere klachten kun je er veel aan hebben. Denk aan angst, burn-out, weinig zelfvertrouwen of gewoon even niet lekker in je vel zitten.
Runningtherapeuten zijn minimaal HBO-geschoolde professionals met een aanvullende opleiding. Dat kunnen psychologen zijn, maar bijvoorbeeld ook fysiotherapeuten of coaches. Op runningtherapie-nederland.nl, de site van de Beroepsvereniging Runningtherapie Nederland, vind je een overzicht, zodat je kunt kiezen wie bij jou past.
Wandeltherapie is therapie in de traditionele zin van het woord. De gesprekken tijdens het lopen zijn vergelijkbaar met die in een behandelkamer. Dikwijls vinden mensen het makkelijker om over hun emoties te praten als je elkaar niet de hele tijd aankijkt. De verbinding van lichaam en geest die je tijdens het bewegen maakt, helpt daar ook bij. Zo kom je onderweg sneller tot de kern. In veel gevallen vergoeden zorgverzekeraars wandelthearpie. Voor runningtherapie geldt dat helaas meestal niet.”
Meer informatie: therapiebuiten.nl / amsterdam-psycholoog.nl.

Spreker en trainer Wouter de Jong volgde meerdere compassie- en mindfulnessopleidingen. Samen met journalist Maud Beucker Andreae schreef hij de bestsellers Mindgym — Sportschool voor de geest en Mindgym — Work-outs.
“Je kunt sporten en gezond eten zoveel je wilt, maar je zit pas écht lekker in je vel als je ook mentaal sport. Het gekke is dat we meestal weinig aandacht hebben voor onze geestelijke conditie. We jakkeren maar door, totdat het misgaat en we omvallen. Dan gaan we er pas wat aan onze mentale fitheid doen. Maar je neemt toch ook geen zwemles terwijl je verdrinkt? Veel beter kun je jezelf daarvóór praktische vaardigheden aanleren, waarop je altijd kunt terugvallen. Dat is het doel van mijn mindgym: een mentale work-out die je helpt bij tegenslagen en bovendien zorgt voor een zinvoller en gelukkiger leven.
In tegenstelling tot wat mensen vaak denken, is mindgym niet zweverig, maar juist heel nuchter en praktisch. In mijn boeken laat ik zien hoe je op een simpele manier je aandacht, veerkracht en positiviteit kunt trainen. Allemaal met als doel vitaler en mentaal sterker te worden. Dagelijks een paar minuten oefenen is genoeg. Je leert jezelf beter kennen, bouwt veerkracht op om in moeilijke periodes overeind te blijven en staat gelukkiger in het leven.
Een voorbeeld. Net als veel mensen vind ik het moeilijk mijn smartphone aan de kant te leggen. Voor ik het weet, zit ik weer gedachteloos te swipen. Als ik merk dat het uit de hand loopt, schrijf ik groot ‘AANDACHT’ op mijn rechterduim. Iedere keer als ik dan mijn telefoon pak, is het woord het eerste wat ik zie. Dat alleen is vaak al genoeg om hem te laten liggen. Besluit ik toch te kijken, dan maak ik die keus in ieder geval heel bewust. Zo geef ik nog veel meer concrete tips. Bijvoorbeeld om iedere dag iets aardigs voor een ander te doen, zonder dat die het doorheeft. Een omgevallen fiets rechtop zetten bijvoorbeeld. Met zulke stiekeme vriendelijkheid train je je compassie, een belangrijk onderdeel van mentale fitheid. Maar dat werkt alleen als je er niets voor terugverwacht.”
Meer informatie: wouterdejong.nl.

 

DOSSIER BURN-OUT

21 nov

RA05_74TM78_BURN OUT jpg

Gepubliceerd in Radar+, oktober 2019.

1 op de 7 Nederlanders heeft naar eigen zeggen burn-outklachten. Onder jongeren is dat zelfs 1 op de 5. En het aantal neemt toe. Reden voor — nog meer — stress?

Waar hebben we het eigenlijk over?
Psychiater en stressonderzoeker Christiaan Vinkers van het Amsterdam UMC, schrijver van het boek Even slikken — De zin en onzin van antidepressiva: “Dat is meteen een ingewikkelde vraag. Een burn-out is namelijk geen erkende ziekte. Dat maakt het voor huisartsen, psychologen en psychiaters soms lastig om de aandoening feitelijk vast te stellen. In algemene zin kun je stellen dat iemand met een burn-out geestelijk en lichamelijk uitgeput is. Andere klachten die vaak voorkomen zijn: slecht slapen, prikkelbaar of snel emotioneel zijn, niet tegen drukte kunnen, veel piekeren, een opgejaagd gevoel, concentratieproblemen en vergeetachtigheid. Ook lichamelijke problemen zoals hoofdpijn, hartkloppingen en buikpijn spelen een rol.”
Wat is het verschil tussen overspannenheid en een burn-out?
“Overspannenheid wordt gezien als het voorstadium. Wanneer de klachten langer dan zes maanden aanhouden en iemand daardoor veel minder goed functioneert in het dagelijkse leven, spreek je van een burn-out.”
En tussen een burn-out en een depressie?
“Ook die vraag is moeilijk te beantwoorden, want de scheidslijn is niet hard. Veel klachten komen bij beide aandoeningen voor. Een burn-out kan ook overgaan in een depressie. Bij een depressie staan de somberheid en het niet meer kunnen genieten centraal. Dat lijkt bij een burn-out wat minder te spelen. Maar het is mijns inziens maar de vraag of er echt sprake is van twee aparte ziektes.”
Ligt de oorzaak van een burn-out altijd in het werk?
“Dat hoeft niet. Ook mantelzorg kan tot een burn-out leiden. Of ernstige problemen met je partner of kinderen. Of iemand een burn-out krijgt, hangt niet alleen af van de omstandigheden, maar ook van persoonlijkheid en genen. Sommige persoonlijkheidstrekken, zoals perfectionisme, controledrang en faalangst, vergroten de kans op een burn-out.”
Hoe zit het met aanleg? Is een burn-out erfelijk?
“Ja, want stressgevoeligheid is in zekere mate erfelijk. Ook depressie — waarmee burn-out dus overlapt — heeft een erfelijke component., Maar dat betekent nog niet dat als een direct familielid een burn-out heeft, jij die er op den duur ook wel zal krijgen.”

Cijfers

  • In 2018 gaf ruim 17 procent van de werknemers van 15 tot 75 jaar aan zich minstens een paar keer per maand psychisch vermoeid te voelen door het werk, 6 procent meer dan tien jaar eerder.
  • De meest voorkomende klacht is dat men zich leeg voelt aan het einde van een werkdag: 30 procent van de werknemers heeft daar last van. Daarnaast voelt bijna 20 procent van de werknemers zich ’s ochtends moe als ze naar het werk gaan.
  • Mensen in loondienst ervaren deze klachten bijna twee zo vaak als zelfstandig ondernemers.
  • Werknemers van 25 tot 35 jaar waren met bijna 20 procent het vaakst psychisch vermoeid door het werk, gevolg door 55- tot 65-jarigen.
  • Burn-outklachten komen het meest voor in het onderwijs (23 procent) en in de ICT (19 procent) en het minst in de landbouw (11 procent) en de recreatie (14 procent).
  • In 2017 kreeg het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten 1.962 meldingen van overspannenheid en burn-out, 42 procent van het totaal aantal meldingen van beroepsziekten (4.619).
    Bron: CBS/TNO, Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden 2018 / Centrum voor Beroepsziekten

Jong, succesvol en opgebrand
Een burn-out is toch iets van de sandwichgeneratie? Van veertigers die een drukke baan met een jong gezin en de zorg voor hun hulpbehoevende ouders combineren? Zeker niet van kinderloze twintigers met leuk werk en een druk sociaal leven. Althans, dat zou je denken. De werkelijkheid blijkt anders. Sinds een jaar of vijftien lopen jonge(re) mensen namelijk een groter risico om op te branden dan ‘midlifers’. Vooral werknemers tussen de 25 en de 35 hebben het zwaar, becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Van de vrouwen uit die groep ervaart 21,8 procent burn-outverschijnselen, tegen 20,1 procent van de mannen. Deze werkende jongeren rapporteren méér burn-outklachten dan hun collega’s tussen de 35 en de 55. Hoe kan dat?
‘Daar is geen simpel antwoord op’, zegt psychotherapeut Carien Karsten, schrijver van meerdere boeken over stress en burn-out. In haar meest recente, Minder druk, gericht op  adolescenten tussen de 15 en 25, gaat ze in op de stressverschijnselen waar driekwart (!) van de jongeren mee worstelt. ‘Jonge mensen zijn ongelofelijk druk. Ze hebben niet alleen een volle agenda, maar ook een vol hoofd. De verwachtingen die ze van zichzelf hebben, zijn torenhoog. Ze moeten alles doen, alles kunnen. En ze willen niets missen. Daar komt bij dat de wereld tegenwoordig via sociale media 24 uur per dag meekijkt. Als ze niet het perfecte leven leiden, voelt dat als falen. Dat geeft nog meer druk om te presteren en succesvol te zijn. Het gevolg: jongeren staan altijd in de vijfde versnelling. Er is geen tijd en ruimte meer om af en toe even pauze te nemen en van die stress te herstellen.”
Ook de veranderende opvoeding speelt volgens Karsten een rol. Vroeger gaven ouders duidelijk richting aan hun kinderen — je sloeg het pad in dat zij van je verwachtten. Tegenwoordig is dat anders. ‘Als je maar gelukkig bent’, zeggen ouders. Hoe goed bedoeld ook, daarmee geven ze kinderen de boodschap dat ongelukkig zijn gelijkstaat aan mislukken. ‘In mijn praktijk zie ik veel millennials die in hun eerste baan meteen succes willen hebben en het verschil willen maken. Lukt dat niet, dan gaan ze hup door naar een andere baan. Alles om de vernedering te vermijden van dat je niet goed genoeg bent.’
Carien Karsten, Minder druk — Herken jouw valkuilen en voorkom burn-out (Kosmos 2019, € 15,00).

Help!

  • 48 procent van de opgebrande werknemers krijgt hulp van bedrijfsarts, 42 procent van een persoonlijke coach en 30 procent de huisarts.
  • De behandelingen/oplossingen zijn heel divers, bijvoorbeeld:
    • Aanpassing werktijden (46 procent)
    • Sporten (29 procent)
    • Medicatie (27 procent)
    • Mindfulnesstraining (17 procent)
    • Yoga (17 procent)
    • Begeleiding psychiater/psycholoog (10 procent)
    • Ontslag of andere baan (3 procent).
      Bron: Nationaal Salaris Onderzoek 2017.

Door een burn-out kwam HR-manager Angelique Komen (53) in 2013 zes maanden thuis te zitten. In totaal duurde het wel twee jaar voor ze haar energie en zelfvertrouwen helemaal terughad.
“De combinatie van stress op mijn werk én thuis deed me uiteindelijk de das om. Op kantoor liep ik bij collega’s steeds tegen een muur op, waardoor ik weinig voor elkaar kreeg. Heel frustrerend. Uit loyaliteit ploeterde ik door. Tegelijkertijd kwamen thuis mijn twee tienerkinderen in de knel. Zowel mijn dochter als mijn zoon bleken PDD-NOS te hebben. Op school konden ze zich moeilijk staande houden en ook thuis was er veel spanning en boosheid. Ondanks alle mogelijke hulp kwamen ze allebei langdurig thuis te zitten. Ik voelde me zo machteloos. In combinatie met de problemen op mijn werk putte de situatie me volledig uit. Ik was constant moe, had concentratieproblemen, kreeg een kort lontje. Er kwam niets meer uit mijn handen. Op een gegeven moment kon ik tijdens een overleg met een collega alleen nog maar huilen. Toen heb ik me eindelijk ziek gemeld.
Een flinke burn-out, luidde de diagnose. Ik dacht: als ik zes weken bijslaap, is alles weer goed. Het liep anders. In totaal heb ik zes maanden thuis gezeten. Daarna heeft het negen maanden geduurd voordat ik mijn oude 32 uur kon werken, en nog langer voor ik weer helemaal mezelf was. Op advies van mijn leidinggevende ben ik in eerste instantie in een lagere functie teruggekomen. Hoe moeilijk ook, dat was het juiste besluit. Zo kon ik sneller zelfvertrouwen opbouwen en weer doorgroeien naar mijn oude niveau.
Tijdens mijn burn-out hielp een psycholoog me om de lichtpuntjes in mijn leven te zien. Maar het meest heb ik gehad aan de steun van mijn familie en vrienden, die altijd voor me klaar stonden. Om beurten gingen ze bijvoorbeeld met me wandelen. Verder heb ik mijn werk bewust een minder grote rol in mijn leven gegeven. Als tegenwicht ben ik bijvoorbeeld een cursus Italiaans gaan doen. In de loop van de tijd ging het met mijn kinderen gelukkig ook beter, waardoor ik daar minder stress over had.
Doordat ik meer tijd voor mezelf en mijn naasten maak, is mijn leven beter in balans. Zo kan ik meer aan. Hoewel ik nog steeds de neiging om te veel hooi op mijn vork te nemen, herken ik het nu snel als ik in de stress schiet. Dan trap ik gelijk op de rem. Bang voor een nieuwe burn-out ben ik niet. Ik heb geleerd dat ik er, ook als het even moeilijker gaat, sterker uitkom.”

Epidemie of hype?
Door de stijgende burn-outcijfers lijkt er in Nederland sprake van een ware epidemie. Maar psychiater en stressonderzoeker Christiaan Vinkers relativeert dat beeld. “Mensen die worstelen met burn-out hebben daar echt veel last van”, benadrukt hij. “Maar we moeten onszelf ook geen angst aanpraten De cijfers gaan een beetje op en neer. Van een gigantische stijging is zeker geen sprake. Bovendien kijken de meeste onderzoeken naar zelfgerapporteerde burn-outklachten. Wat de een als stressvol ervaart, is dat voor de ander niet. Dat maakt het heel moeilijk om hier harde uitspraken over te doen.”
Ieder mens krijgt vroeg of laat met met stress te maken, aldus Vinkers. En we lopen allemaal op een gegeven moment tegen onze grenzen aan. “Die zoektocht naar balans hoort bij het leven.
Als je langdurig te veel stress hebt, dan kan dat zeker grote negatieve gevolgen hebben. Maar dat probleem is van alle tijden. Het verschil is dat we er nu — gelukkig — meer en makkelijker over praten. Dat juich ik van harte toe. Het is echter nog geen reden om bang te worden voor te veel stress en overbelasting.”
Inmiddels is er volgens Vinkers een heuse burn-outindustrie van zelfhulpboeken en coaches ontstaan. “Als die iemand helpen, prima. Maar wetenschappelijk bewijs is daar zelden voor. In plaats met de zoveelste alarmerende krantenkop of burn-outgoeroe te komen, pleit ik er daarom voor het fenomeen burn-out eerst eens grondig te onderzoeken. Als we beter snappen wat er speelt en wat echt werkt, kunnen we mensen met stressgerelateerde klachten veel doeltreffender helpen. Daar hebben mensen die worstelen met burn-out veel meer aan.”

LESSEN VAN BURN-OUT
Iemand die uit eigen ervaring over het onderwerp kan meepraten is journalist Annegreet van Bergen. Zij schreef het succesvolle boek Lessen van burn-out, waarvan ze al meer dan 45.000 exemplaren verkocht. ‘Je hoort mensen soms op een graftoon verkondigen dat je na een burn-out nooit meer de oude wordt’, zegt Annegreet. ‘Dat is maar goed ook, denk ik dan. Mijn oude ik, van vóór de burn-out, stelde geen grenzen en legde de lat veel te hoog. Nu ben ik veel relaxter en trouwer aan mezelf. Een grote vooruitgang.’
Annegreets belangrijkste lessen:

  1. Vermoeidheid is geen nederlaag
    “Ik was zo iemand voor wie het nooit goed genoeg was. Dus ploeterde ik na een lange werkdag ’s avonds gewoon door. Oók als ik doodop was. Want vermoeidheid was voor losers. Inmiddels weet ik beter. Als ik nu moe ben, herken ik dat als een signaal dat ik rust moet nemen. Schuldig voel ik me daar nooit over. Integendeel: ik vind dan dat ik dat heb verdiend.”
  2. Successen moet je vieren
    “Ik heb de mazzel dat verschillende van mijn boeken bestsellers zijn geworden. Maar daarvan genieten vond ik lang lastig, omdat ik in mijn hoofd altijd alweer bezig was met het volgende project. Nu neem ik meer tijd om stil te staan bij mijn successen, grote én kleine. Wat helpt is dat ik een dagboek bijhoud waarin ik dagelijks opschrijf wat ik heb gedaan. Als ik daarin teruglees, ben ik vaak aangenaam verrast.”
  3. Wees je eigen maatstaf
    “Het gaat er niet om of je beter bent dan anderen, maar of je beter bent dan je eigen, vroegere ik. Maak regelmatig de balans op: welke stappen heb ik gezet? Passen die bij mij? Daar kom je veel verder mee dan jezelf eindeloos vergelijken. Ook hierbij helpt een dagboek trouwens.”
    Annegreet van Bergen, De lessen van burn-out (Atlas Contact 2016, € 20,99).

Meer vrouwen dan mannen
Vrouwen hebben iets vaker last van burn-outklachten dan mannen: in 2018 18,1 versus 16,4 procent, becijferde het CBS. Jaap van Muijnen, onderzoeker bij Nyenrode Business universiteit, denkt dat dat komt omdat vrouwen veel ballen tegelijkertijd hoog moeten houden. Naast dat zij vaak (parttime) werken, voelen ze zich ook verantwoordelijk voor de opvoeding van de kinderen, het huishouden en eventueel mantelzorg van hun ouders. Daarnaast hebben spanningen en stress een andere psychische en lichamelijke impact op vrouwen dan op mannen. Over het algemeen trekken vrouwen emotionele gebeurtenissen, zowel op de werkvloer als in de sociale kring, zich meer aan. Het CBS constateerde verder dat vrouwen vaker onder hoge druk moeten werken: precies doen wat de baas zegt, op het moment en op de manier dat hij het wil. Een goed recept voor een burn-out, blijkt keer op keer uit onderzoek.

Een andere leidinggevende met een nieuwe koers zorgde er mede voor dat Denise Adema (31) eind 2017 in een burn-out belandde. Door snel van baan te veranderen, voorkwam ze dat ze heel lang thuis kwam te zitten.
“Ik werkte al vier jaar met veel plezier als international salesmanager bij een technisch bedrijf. De relaties met mijn klanten waren hecht en ik reisde veel. Dat veranderde toen mijn directe leidinggevende — een van de twee directeuren van het bedrijf — vertrok. De overgebleven eigenaar gooide het roer helemaal om. Klanttevredenheid werd ondergeschikt aan winst. Hij introduceerde nieuwe producten waar niemand op zat te wachten. Ik stond altijd voor mijn klanten klaar, maar ineens moest ik hun vragen vaak afwimpelen. Mijn vrijheid was weg en daarmee ook mijn werkplezier.
Niet lang na de wisseling van de wacht kreeg ik vage klachten. Ik was heel moe en snel geïrriteerd. Gaandeweg kwamen er steeds meer symptomen bij: buikpijn, hartkloppingen, huilbuien. Op een gegeven moment werd ik ook niet meer ongesteld. Ik was mezelf helemaal kwijt. Ondanks dat werkte ik stug door. Maar toen ik achter de computer een keer zwart sterretjes voor mijn ogen zag, ben ik toch naar de huisarts gegaan. Op de stresstest die ze me liet doen, scoorde ik torenhoog.
Het weekend erna heb ik mijn leidinggevende een mailtje gestuurd: zo gaat het niet langer. Mijn voorstel was om halve dagen te gaan werken. Achteraf gezien had ik me beter helemaal ziek kunnen melden, maar ik wilde mijn klanten niet in de steek laten. Dus sleepte ik me iedere ochtend naar kantoor. Om twaalf uur ging in met barstende koppijn naar huis. Daarna sliep ik de rest van de dag. Ik kon niets meer. ‘Dit werkt niet’, zei de bedrijfsarts bij wie ik op gesprek moest. Zijn advies: accepteer de situatie of zoek een andere baan. Dat laatste heb ik gedaan. Gelukkig had ik via via binnen een paar weken ander werk.
Dat ik niet heb afgewacht, is mijn redding geweest. In mijn nieuwe job verdwenen al mijn klachten als sneeuw voor de zon. Als ik bij mijn oude werkgever was gebleven, was ik zeker helemaal uitgevallen. Dan had het herstel ongetwijfeld veel langer geduurd.
Om me heen zie ik veel millennials die — net als ik — altijd doorrennen. The sky is the limit voor mijn generatie, dus willen we alle kansen grijpen. Maar ik weet nu dat je óók je rustmomenten moet pakken. Anders houd je het op de lange termijn nooit vol. Dat ik die les voor mijn dertigste al heb geleerd, is mooi meegenomen.”

Verder lezen

  • Omgaan met burn-out — Preventie, behandeling en reïntegratie. Klassier van psychotherapeut en coach Carien Karsten, waarvan sinds het verschijnen twintig jaar geleden meer dan 50.000 exemplaren zijn verkocht. Het boek geeft uitleg over de geestelijke en lichamelijke oorzaken van een burn-out en biedt praktische tips voor herstel en het voorkomen van een terugval. (Kosmos 2012, € 20,99). Er is ook een werkboek: Uit je burn-out — een 30 dagen programma (Kosmos 2017, € 15).
  • Sociaal psycholoog en yogadocent Nienke Thurlings, oprichter van jongburnout.nl, kreeg op haar 24ste een burn-out. Ze gebruikt haar ervaringen om jonge mensen te coachen in het omgaan met het digitale tijdperk en de prestatiemaatschappij. Ze schreef er het boek Jong burn-out over (Altamira 2018, € 18,99), met testjes en oefeningen om uit te vinden wat echt bij je past.
  • In Burn-out Dagboek geeft striptekenares Maaike Hartjes aan de hand van tekeningen en collages een inkijkje in het verloop van haar burn-out (Nijgh & Van Ditmar 2018, € 25,99).
  • Voor Nog niet gevloerd — Overeind blijven als je bijna burn-out bent sprak Mariska Cornelissen met ervaringsdeskundigen en leidinggevenden over de fase voorafgaand aan een  burn-out. Wat kunnen we van hen leren om een definitieve uitval te voorkomen? (Uitgeverij Lente 2019, € 20,99).

 

 

HUISDIERLIEFDE

27 aug

RA04_52TM55_HUISDIEREN jpg

Gepubliceerd in Radar+, augustus 2019. (Fotografie: Bonnita Postma)

Een huisdier neem je meestal voor de gezelligheid. Maar wist je dat ze ook goed zijn tegen somberheid en zelfs de kans op een hartaanval verkleinen?

Ruim 33 miljoen. Zoveel huisdieren hebben we naar schatting in Nederland. Dat becijferde de Universiteit Utrecht een paar jaar geleden. Meer dan de helft van de gezinnen (59 procent) bezit minimaal één gezelschapsdier. Bijna een kwart heeft een kat (daarvan hebben we er gezamenlijk 2,6 miljoen), een op de vijf een hond (in totaal goed voor 1,5 miljoen exemplaren). Andere populaire huisdieren zijn konijnen (1,2 miljoen), zang- en siervogels, (3,9 miljoen), postduiven (5 miljoen) en aquarium- en vijvervissen (18 miljoen).
Al die dieren houden we vooral vanwege de gezelligheid die ze bieden. Maar we blijken er nog veel meer baat bij te hebben. “Afgezien van dat het natuurlijk gezond is om bijvoorbeeld met een hond te wandelen, kunnen huisdieren je echt beter laten voelen”, zegt GZ-psycholoog Nienke Endenburg. Zij is al meer dan dertig jaar werkzaam bij de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht en doet daar onder andere onderzoek naar de relatie tussen mens en dier. “Als je bijvoorbeeld vriendelijke dieren aait, maak je oxytocine aan. Dit stofje, ook wel het knuffelhormoon genoemd, vermindert stress en agressie en verhoogt de pijngrens. Dat zorgt er dan weer voor dat je bloeddruk, je hartslag en zelfs je cholesterol omlaag gaan. Mede om die reden hebben kattenbezitters een acht keer kleinere kans op een hartaanval en hondenbezitters zelfs twaalf keer, blijkt uit internationale onderzoeken.”
Sociale steun
Een kleine kanttekening: om optimaal van dat positieve gezondheidseffect te profiteren, moet je wel echt contact met een dier maken. Hoe hechter de band, hoe groter de impact. “De intensiteit van de relatie is belangrijker dan het soort dier”, legt Endenburg uit. “Met een hond of kat voelen eigenaren vaak sneller een connectie dan met een konijn dat in een hok achterin de tuin woont. Aan de andere kant zijn er zat mensen die helemaal verknocht zijn aan hun cavia’s of hun papegaai. Ook met gedomesticeerde boerderijdieren als een paard of zelfs een schaap kun je een heel sterke binding hebben.”
Die band is zo essentieel omdat die een gevoel van sociale steun geeft. Je waant je daardoor minder alleen. Dieren zijn er immers altijd voor hun je. Bovendien is hun liefde onvoorwaardelijk — ze vooroordelen je niet en laten je nooit in de steek. Zulke sociale steun is heel belangrijk voor je geestelijke én je lichamelijke gezondheid. Hoe meer gesteund je je voelt, hoe minder kans op bijvoorbeeld somberheid of depressie. En het stressverlagende effect versterkt je afweer. Australisch onderzoek toonde zelfs aan dat mensen met huisdieren minder vaak naar de huisarts gaan en minder medicatie gebruiken.
“Uit eigen onderzoek weten we dat 95 procent van de eigenaren met hun dier praat”, vertelt Endenburg. “Dat gaat veel verder dan alleen ‘Brokjes?’ of ‘Wandelen?’. Mensen luchten echt hun hart. Maar liefst driekwart gelooft dat hun dier alles begrijpt wat ze zeggen. Dus óók als ze over hun baas klagen of hun verdriet delen.”
Contact
Iets anders is dat dieren daarnaast zorgen voor meer menselijk contact. Hondenbezitters weten maar al te goed dat ze met hun viervoeter veel meer aanspraak hebben dan als ze alleen op straat lopen. Maar ook dieren die je niet hoeft uit te laten, kunnen je met andere mensen in contact brengen. Endenburg: “Eenzaamheid is in onze maatschappij een groot probleem. Huisdieren geven je de mogelijkheid om nieuwe verbanden te creëren. Bijvoorbeeld door met ze naar clubs, cursussen, wedstrijden of shows te gaan. Ook online delen mensen veel met elkaar over hun dieren. Voor ieder denkbaar ras is er wel Facebookgroep of forum. Dat versterkt net zo goed het gevoel van sociale steun.”
Zelf kan Endenburg zich in ieder geval geen leven meer voorstellen zonder haar honden, katten, schapen en paarden. Die gebruikt ze trouwens ook in haar praktijk voor psychologische hulp. “Met een dier erbij ontstaat er tijdens een behandelgesprek een heel andere sfeer. Mensen stellen zich makkelijker open en delen meer. Uiteraard houd ik scherp in de gaten of mijn dieren zich daar óók goed bij voelen. Want of je nu huisdieren of hulpdieren hebt, hun welzijn moet altijd voorop staan.”

De hechte band van scenarist en striptekenaar Willem Ritstier (60) met zijn hond Yappo (12) werd na het overlijden van zijn eerste vrouw Wil alleen nog maar sterker.
“Wil had al kanker toen we onze flat-coated retriever Yappo kregen. Gezien haar ziekte hebben we wel even over zijn aanschaf getwijfeld. Maar de gezelligheid en positieve afleiding van een hond gaven de doorslag om toch voor een puppy te gaan.
De eerste jaren dat hij bij ons was, waren woelig, voor ons én voor hem. We kregen veel zorgverleners voor mijn vrouw over de vloer. Van nature is Yappo heel sociaal; het liefst begroet hij iedereen uitbundig. Dat dat toen niet altijd mocht, begreep hij niet. Ongetwijfeld voelde hij ook onze stress. Het maakte hem thuis soms timide. Buiten uitte hij zijn eigen spanning door naar andere honden uit te vallen.
Yappo was nog geen drie toen Wil overleed. In de periode daarna werd hij mijn steun en toeverlaat. Als ik verdrietig was, zocht hij me uit zichzelf op om me te troosten. Met zijn reebruine ogen zei hij: ik begrijp het. Nu ik erover praat, schiet ik weer vol. Met zijn positieve energie zorgde hij ervoor dat ik niet in het zwarte gat bleef hangen. Het was zo belangrijk dat er iemand op me wachtte als ik alleen thuiskwam. En tijdens onze lange wandelingen samen kon ik mijn hoofd een beetje leegmaken. Mede dankzij hem kreeg mijn leven weer betekenis.
Een paar jaar geleden heb ik een graphic novel over de ziekte van mijn vrouw gemaakt, Wills kracht. Nu werk ik aan een vervolg, Opstaan en doorgaan, over de tijd na haar overlijden. Yappo staat op de cover en komt op minstens een derde van de pagina’s terug. Het onderstreept hoe belangrijk hij voor me was én is. Vandaar ook, dat ik dit boek aan hem opdraag.”

Sylvia (57) en André (57) Janssen uit Amersfoort hebben vijf raskatten: Britse kortharen Dusty (15), Loebas (13), Freddie (7) en Summer (7) en de Schotse vouwoorkat Tygo (5).
André: “Ik vond mezelf echt een hondenmens. Dus toen Sylvia 35 jaar geleden katten wilde, krabde ik me wel even achter mijn oren.”
Sylvia: “Eerst hadden we twee gewone huis-, tuin- en keukenkatten, Timmie en Tijger.”
André: “Ik was al snel om. Katten zijn zo bijzonder. Gezellig, maar ook heel zelfstandig en eigengereid. Ze zeggen niet voor niets: de mens is de baas van de hond, maar de kat is de baas van de mens.”
Sylvia: “We werden nieuwsgierig naar andere soorten. Zo kwamen we bij een kattenshow terecht. Daar vielen we als een blok voor de Britse kortharen.”
André: “Dat kon ook haast niet anders. Ze zien eruit als knuffelberen.”
Sylvia: “Britse kortharen zijn heel sociaal, maar ze komen niet snel op schoot. Vanwege onze lichamelijke beperkingen is dat beter; te veel gewicht is voor ons al gauw pijnlijk. En Loebas weegt wel 11 kilo!”
André: “We zeggen steeds: nu hebben we genoeg katten. Maar dan komt er toch weer één bij.”
Sylvia: “André wil heel graag nog naaktkat. Die is mooi van lelijkheid.”
André: “Onze dieren zijn echt onze kinderen. Door onze gezondheidsproblemen zijn we veel aan huis gekluisterd. De katten zorgen voor aanspraak en afleiding.”
Sylvia: “Ze voelen het ook feilloos aan als we niet lekker in ons vel zitten. Dan komen ze extra bij ons zitten. Natuurlijk verminderen ze de pijn niet, maar als ik een tijdje met ze knuffel, voel ik me toch beter.”
André: “Een aantal jaar geleden heb ik een zware rugoperatie ondergaan. Onze katten hebben me toen echt door die moeilijke periode gesleept. We zouden niet meer zonder ze kunnen.”

Viola van Bohemen Welter (38) heeft twee paarden: Iros (24) en Abbath (12). Haar man Anton rijdt ook fanatiek. Samen hebben ze een zoon van negen maanden, Ralph.
“Zolang als ik me kan herinneren, heb ik een klik met pony’s en paarden. Op mijn zesde ging ik voor het eerst op ponykamp. Daarna was ik niet meer uit de manege weg te slaan. Als tiener werkte ik iedere zomervakantie op een kinderboerderij, waar ik de pony’s verzorgde en erop mocht rijden. Later, toen ik uit huis ging, bleef de fascinatie. Paarden zijn zulke bijzondere, gevoelige dieren. Abbath wist bijvoorbeeld eerder dan ik dat ik in verwachting was. Hij heeft iets met zwangere vrouwen, staat altijd verliefd naar ze te koekeloeren. Dus toen hij anderhalf jaar geleden zijn hoofd met die herkenbare, zwijmelende blik tegen mijn buik duwde, wist ik genoeg.
In 2007 kocht ik mijn eerste eigen paard, Iros. Hij is dus al mijn hele volwassen leeftijd bij me. Van een verbroken relatie tot een bruiloft: we hebben zoveel hoogte- en dieptepunten gedeeld. Dat maakt onze band heel sterk. In 2015 kwam Abbath bij onze familie. We hebben ook drie lieve katten, maar omdat ik zoveel samen met ze doe, is mijn contact met de paarden intenser. Ze zijn echt mijn maatjes en vormen een onlosmakelijk deel van mijn bestaan. Al is het maar omdat ik minstens vijf dagen per week met ze in touw ben. Dat is sinds de geboorte van Ralph nauwelijks veranderd. Ik moet mijn dagen nu wat anders plannen, maar Iros en Abbath horen bij ons gezin en verdienen mijn tijd dus net zo goed. Ze zijn trouwens ook gek op Ralph; Abbath kan rustig een kwartier met zijn hoofd boven de kinderwagen hangen. Ik bezuinig nog liever op mezelf dan op hen; mijn paarden zijn het laatste dat ik weg zou doen.”

Gepubliceerd in Radar+, augustus 2019.

DIGITAAL DOKTEREN

27 aug

RA04_80TM83_E HEALTH jpg.jpg

Gepubliceerd in Radar+, augustus 2019.

Eindeloos in de wachtkamer van de huisarts of het ziekenhuis hangen? Niet meer van deze tijd! Dankzij slimme technologische oplossingen kun je steeds meer zorg op afstand regelen, gewoon thuis op de bank. Vijf digitale zorgexperts vertellen. 

Marcel Heldoorn is manager digitale zog bij Patiëntenfederatie Nederland, de koepelorganisatie van meer dan 200 patiëntenverenigingen.
“Digitale zorg is een verzamelnaam voor allerlei e-healthtoepassingen. Gezondheidsapps zijn vermoedelijk het bekendst, maar denk ook aan online een afspraak maken met de huisarts, een e-consult, beeldbellen met een zorgverlener, telemonitoring van waarden als bloeddruk of bloedsuiker of een online medisch dossier. Patiëntenverenigingen zien veel voordelen van al die digitale mogelijkheden. Ze bieden gemak, geven mensen meer inzicht in en regie over hun eigen gezondheid en maken de lijntjes met zorgverleners korter.
Maar je weg vinden in het vaak overweldigende e-health-aanbod is niet simpel. Met dat in het achterhoofd zijn we in 2013 begonnen met digitalezorggids.nl. Op deze onafhankelijke site vind je uitleg over wat digitale zorg is en wat voor diensten er allemaal bestaan. Ook kun je zoeken op specifieke producten en aandoeningen. Bijvoorbeeld als je diabetes hebt en wilt weten wat voor digitale zorgproducten jou kunnen helpen. Patiënten, zorgexperts en zorgverleners kunnen die ook beoordelen, zodat gebruikers beter weten wat ze eraan hebben.
Wat betreft gezondheidsapps: daar zijn er duizenden van en iedere dag komen er nieuwe bij. Dat maakt het knap lastig om het kaf van het koren te scheiden. Het beste advies dat ik kan geven is om bij het kiezen je gezonde verstand te gebruiken. Installeer niet klakkeloos een app en geef zeker niet zomaar toestemming om al je persoonlijke gegevens te delen. Check bijvoorbeeld of een app samen met een artsen- of patiëntenvereniging is ontwikkeld en of er wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de effectiviteit ervan. Als dat niet duidelijk in de app staat, kun je ernaar googelen. Of vraag je zorgverlener of die er bekend mee is. Bedenk bij het delen van gegevens of dat wel logisch en noodzakelijk is. Voor een stappenteller heeft een app-bouwer bijvoorbeeld geen medische informatie van je nodig. En gratis apps blijken in de praktijk lang niet altijd echt gratis, omdat je bij het gebruik ervan toch allerlei aankopen moet doen. Als je dat allemaal in je achterhoofd houdt, kun je veel baat hebben bij digitale zorg.”

Dermatoloog Dick van Gerwen, verbonden aan het Bravis Ziekenhuis in Bergen op Zoom, is initiatiefnemer van huidconsult.nl en de app DermaWizard.
“Reizen boeken, geld lenen: we doen tegenwoordig alles via internet. Waarom dan geen zorgverlening? Dat zeiden mijn broer Bert— werkzaam in de IT — en ik alweer dertien jaar tegen elkaar. Zo ontstond het idee voor huidconsult.nl, een website met jaarlijks meer dan een miljoen bezoekers. Het was toentertijd een van de eerste e-healthtoepassingen. Behalve veel betrouwbare informatie over huidproblemen, bied ik patiënten via de website namelijk ook de mogelijkheid voor een consult-op-afstand. Eerst ging dat per e-mail en telefoon, de laatste jaren via de webcam. Op afspraak, maar ook in de vorm van een digitaal inloopspreekuur, waarbij mensen zich spontaan kunnen melden. Op die manier heb ik afgelopen decennium meer dan tienduizend consulten gedaan. In driekwart van de gevallen kon ik online een diagnose stellen. Helemaal  gratis, want tot voor kort mocht ik er volgens de wettelijke regels geen geld voor vragen. Inmiddels reken ik voor een online consult 50 euro. Zorgverzekeraars vergoeden dat bedrag meestal niet. Maar patiënten zijn zo altijd nog goedkoper uit dan als ze vanuit hun eigen risico 200 euro voor een consult in het ziekenhuis moeten betalen.
Verder heb ik voor huidconsult.nl een digitale diagnosetool gemaakt. Aan de hand van een paar slimme keuzelijstjes kun je zelf tot een diagnose van klachten komen. Je krijgt daar dan achtergrondinformatie en adviezen over. Er is nu ook een bijbehorende app, DermaWizard. En samen met mijn collega-dermatoloog Milan Tjioe en mijn broer heb ik Webcamconsult ontwikkeld, een veilig en gebruikersvriendelijk platform voor zorgverleners om te beeldbellen met hun patiënten. Allemaal op eigen kosten. Waarom? Ik wil de zorg graag vooruithelpen en mijn klanten betere dienstverlening bieden. Patiënten vinden het gemakkelijk en prettig om vanuit de vertrouwde omgeving van hun huis met hun dokter te praten. En zo werken bespaart nog veel geld ook. Ik ben er van overtuigd dat alle specialisten in Nederland binnen een paar jaar gaan beeldbellen met hun patiënten.”

Odile Smeets is senior projectmanager e-health bij het Trimbos Instituut.
“Op veel mentale problemen, zoals depressie en verslaving, rust nog altijd een taboe. Bovendien zijn ze lang niet altijd makkelijk te herkennen. Dat maakt de drempel om hulp te zoeken vaak hoog. Vandaar dat zorgverleners in de geestelijke gezondheidszorg enthousiast reageerden toen begin jaren ’90 het internet opkwam. Dit medium biedt immers de mogelijkheid om patiënten vanuit de veiligheid van hun eigen woonkamer te helpen, desgewenst anoniem. Online informatie en zelftests kunnen mensen bovendien stimuleren om eerder iets aan hun klachten te doen. Dat is belangrijk, want een vroege aanpak vergroot de kans op succes.
Vanaf het begin van deze eeuw heeft de GGZ dan ook in rap tempo allerlei vormen van e-mental-health ontwikkeld, van zelfhulpprogramma’s tot volwaardige therapie waarbij je online contact hebt met een hulpverlener. Bij het Trimbos hebben we bijvoorbeeld Kleur je leven gemaakt, een zelfhulpprogramma voor volwassenen met depressieve klachten. In acht lessen leren deelnemers anders naar hun sombere gedachten te kijken, minder te piekeren, beter te ontspannen, meer leuke dingen te ondernemen en voor zichzelf op te komen. Dat doen ze met behulp van een app met filmpjes, concrete oefeningen en een dagboek. Je kunt Kleur je leven als zelfhulpprogramma volgen — dat kost eenmalig € 49,95 — of met online begeleiding van een psycholoog. De anonieme variant daarvan is kosteloos, de variant waarbij je een persoonlijke kennismaking met een hulpverlener krijgt niet. Maar de kosten daarvan vergoedt je zorgverzekeraar.
Sinds de lancering in 2005 hebben meer dan 12.000 mensen het programma doorlopen. We hebben meerdere keren wetenschappelijk onderzocht of deelnemers er ook baat bij hebben. Wat blijkt? Drie maanden na afloop heeft 65 procent aanzienlijk minder depressieve klachten. Die klachtenvermindering is er na vijf maanden nog steeds. Kleur je leven is dan ook bewezen effectief. Daarnaast zou driekwart van de deelnemers de cursus aanraden aan anderen.
Behalve voor depressie is er online hulp voor veel meer psychische problemen. Denk aan angstklachten, burn-out en alcoholverslaving. Op mentaalvitaal.nl vind je veel informatie en een overzicht van betrouwbare e-mental-health programma’s.”
kleurjeleven.nl

Longarts Paul Bresser van OLVG in Amsterdam is initiatiefnemer van mijncopdcoach.nl
“In Nederland zijn er zo’n 600.000 mensen met COPD, een ernstige, chronische aandoening aan de luchtwegen en de longen die het ademhalen bemoeilijkt. Zij komen regelmatig bij hun dokter op controle, ook als er eigenlijk niets bijzonders met ze is. Andersom wachten patiënten bij een verslechtering van hun conditie vaak te lang met aan de bel te trekken. Of ze kunnen dan niet meteen bij hun arts terecht. Met als gevolg dat onnodig veel patiënten in het ziekenhuis belanden.
Dat moet slimmer kunnen, dacht ik twee jaar geleden. Het is voor patiënten en zorgverleners beter als we elkaar alleen zien als het echt nodig is. Tegelijkertijd willen we ook tussen de controles goed vinger aan de pols kunnen houden en patiënten kunnen bijstaan met informatie en advies. De oplossing vonden we in mijncopdcoach.nl, een speciale web-based patiëntencoach, die we samen met e-health-specialist Sananet hebben doorontwikkeld. Op de site beantwoorden patiënten periodiek een aantal simpele vragen over hun gezondheid. Bij een ernstige verslechtering gaat er direct een alarmbel af. Daardoor kunnen we bij problemen eerder ingrijpen. Twee keer per dag checkt een van de longverpleegkundigen in ons ziekenhuis op afstand of er alarmbellen zijn afgegaan. Door dan snel te reageren, kunnen ziekenhuisopnames wel met 30 procent dalen, blijkt uit internationaal onderzoek. Verder hebben patiënten de mogelijkheid om via het systeem vragen aan ons stellen. Bijvoorbeeld als ze bezorgd zijn over hun klachten, of als ze iets willen aanpassen aan hun medicatie. Ze krijgen dan dezelfde dag antwoord. Daardoor voelen ze zich veiliger. Tot slot biedt de site veel informatie en adviezen, bijvoorbeeld over leefstijl, om patiënten meer regie over hun ziekte en hun leven te geven.
Tot nu toe doen 150 van onze patiënten mee. Zij én wij zijn er hartstikke blij mee. Inmiddels zijn ook het Laurentius Ziekenhuis in Roermond, Nij Smellinge in Drachten, het Diakonessenhuis in Utrecht, het ZIO in Maastricht en huisartsenorganisatie Hadoks in Den Haag gestart met mijncopdcoach.nl. Hopelijk komt de site snel voor alle COPD-patiënten beschikbaar.” 

Fysiotherapeut Sander de Casparis is medeoprichter en directeur van HelloFysio, een online behandelprogramma voor fysiotherapie, volledig op afstand.
“Als je met bijvoorbeeld nek- of rugklachten naar de fysiotherapeut gaat, geeft die je tijdens het consult uitleg en oefeningen. Misschien krabbelt hij daarover nog wat op een papiertje, maar eenmaal thuis weet je als patiënt meestal niet meer wat je ook alweer precies moest doen. Zonde, want daarmee haal je niet alles uit een behandeling wat erin zit. Dat was een van de redenen waarom mijn collega-fysiotherapeut Rogier van Hoorn en ik in 2010 met HelloFysio zij begonnen. De andere was dat we ons erover verbaasden dat zorgprofessionals e-health nog zo weinig benutten. Wij hebben daarom als eerste in Nederland een online behandelprogramma ontwikkeld, waar geen lichamelijk contact aan te pas komt. Dat klinkt veel mensen vreemd in de oren, zeker bij fysiotherapie. Maar de helft van onze patiënten blijken we prima op afstand te kunnen helpen.
Het werkt als volgt. Na een intakegesprek via de webcam maken we een online behandelplan-op-maat. Daarin staat precies wat de patiënt dagelijks moet doen. Er zijn voorlichtingsfilmpjes, lichamelijke oefeningen en andersoortige opdrachten, bijvoorbeeld een pijndagboek bijhouden of je werkplek aanpassen. Om met het plan aan de slag te gaan, logt de patiënt in op ons platform. Als professionals houden wij daarop in de gaten hoe de behandeling verloopt. Tussentijds hebben we verschillende keren contact. Zo nodig kijken we via de webcam mee bij het doen van oefeningen en geven we aanwijzingen.
Omdat zorgverzekeraars online behandelingen voor particulieren helaas niet vergoeden, bieden we HelloFysio vooralsnog alleen aan de 150.000 werknemers van onze zakelijke klanten. Inmiddels hebben we al 10.000 van hen — uitsluitend online — behandeld. De Radboud Universiteit heeft onderzocht of onze aanpak effectief is. Ja dus: met minder behandelsessies behalen we hetzelfde resultaat als bij face-to-face fysiotherapie met lichamelijk contact. Bovendien weten patiënten na het volgen van de online behandeling beter hoe ze nieuwe klachten in de toekomst kunnen voorkomen. Zelf zijn ze er trouwens ook heel tevreden over: gemiddeld geven deelnemers het programma een 8,3.”
hchealth.nl/hellofysio

HOUD JE BOTTEN STERK

15 jul

Sterke botten jpg

Gepubliceerd in Radar+, juni 2019.

Je staat er vast niet dagelijks bij stil, maar je botten houden je letterlijk overeind. Daarbij kunnen ze wel een steuntje in de rug gebruiken. Vier deskundigen en een patiënte over sterke en broze botten. 

Internist en klinisch geriater Harald Verhaar van het UMC Utrecht is gespecialiseerd in botontkalking.
“Veel mensen denken dat bot ‘dood’ materiaal is, maar niets is minder waar. Sterker nog, het proces waarbij je lichaam oude botcellen afbreekt en nieuwe aanmaakt, gaat je hele leven door. Wel is het zo dat de balans tussen aanmaak en afbraak verandert. Tussen je 25ste en je 30ste is de botdichtheid het grootst. Daarna blijft die een aantal jaren stabiel. Na je 45ste neemt de aanmaak langzaam af. Op een gegeven moment slaat de balans naar de negatieve kant door en breek je meer bot af dan erbij komt.
Hoe sterk je botten zijn en hoe snel je botmassa vermindert, is grotendeels erfelijk bepaald. Hadden je ouders osteoporose of braken ze eens een heup, dan is de kans groter dat je tot de risicogroep behoort. Ook sommige aandoeningen, zoals een te snel werkende schildklier, diabetes type 1 en de longziekte COPD kunnen tot botontkalking leiden. Het zelfde geldt voor het gebruik van bepaalde medicijnen, zoals prednison.
Als het proces van botontkalking ernstige vormen aanneemt en botten gemakkelijk breken, spreken we van osteoporose. Zo’n 850.000 Nederlanders lijden daaraan, bijna allemaal 60-plussers. Tweederde weet dat echter niet. Zij komen er vaak pas achter als ze iets breken. Overigens hebben vrouwen vijf keer zo vaak last van osteoporose als mannen. Dat komt omdat het proces van botafbraak tijdens de overgang in een stroomversnelling raakt. Het vrouwelijke hormoon oestrogeen beschermt namelijk tegen botafbraak. Hoe jonger overgangsklachten starten, hoe groter de kans op osteoporose op latere leeftijd. Daarnaast hebben vrouwen sowieso al wat kleinere en minder sterke botten, wat ze extra kwetsbaar maakt. Bij mannen begint het proces van botontkalking zo’n tien jaar later. Bovendien verloopt het geleidelijker. Vandaar dat zij er minder snel problemen door krijgen.
Bij het vaststellen van de laatste behandelrichtlijn voor osteoporose is een goede risicotest voor 60-plussers ontwikkeld. Aan de hand van een korte vragenlijst kun je gemakkelijk bepalen of je een verhoogd risico loopt. Zo ja, neem dan contact op met je huisarts. Je vindt de test op osteoporosevereniging.nl/osteoporose/risicotest/.” 

Jeroen Bijman is sportfysiotherapeut bij Bijman+Helsloot Fysiotherapie in Purmerend.
“Op een gemiddelde werkdag zitten Nederlanders 7,1 uur. Oftewel: 43 procent van de wakkere tijd. We zijn daarmee in Europa het slechtste jongetje van de klas. Niet fijn voor ons lijf. Dat is immers gemaakt om te bewegen, niet om de hele dag te zitten.
Voldoende bewegen helpt onder andere om je botten sterk te houden. Dat komt omdat druk op je botten de botproductie stimuleert. Op die manier houd je de aanmaak en afbreuk van botten zo lang mogelijk in balans. Daarvoor moet je dan wel regelmatig bewegen, bij voorkeur meerdere keren gedurende de dag. Dat klinkt trouwens zwaarder dan het is, want alle inspanning telt mee. Dus niet alleen tennissen of naar de sportschool gaan, maar ook traplopen of stofzuigen. Hoe meer variatie, hoe groter het positieve effect op je botten. Wissel activiteiten waarmee je je botten belast, zoals wandelen of tuinieren, dan ook het liefste af met bewegingen waarbij je trekkracht op je botten uitoefent, zoals met gewichtjes trainen of roeien. Het is goed als je spieren achteraf wat moe aanvoelen, maar ga nooit door je pijngrens heen.
Ook belangrijk: maak het jezelf vooral niet te moeilijk. Kies dus oefeningen en activiteiten die je makkelijk kunt inpassen in je dagelijkse leven. Dan is de kans veel groter dat je ze volhoudt. Een paar praktische tips: zet de stappenteller op je smartphone aan en probeer dagelijks minstens 10.000 stappen te zetten. Als je de trap neemt, loop dan een keertje extra op en neer. Zit je veel, dan is het slim om ieder kwartier even op te staan. Er zijn ook apps, zoals de sitting timer, die voor je in de gaten houden hoe lang je zit. Duurt het zitten te lang, dan krijg je een waarschuwing dat het tijd is voor een pauze.
Tot slot: de hoeveelheid beweging opvoeren heeft op elke leeftijd zin. Zelfs als je boven de 70 of 80 bent. De potentiële winst is weliswaar niet zo groot – maximaal 4 procent meer dichtbotheid – maar het helpt in ieder geval wel om achteruitgang van je botten af te remmen.”

Patricia Schutte werkt al meer dan 25 jaar als voorlichter bij het Voedingscentrum in Den Haag.
“Voor een goede botopbouw en tragere botontkalking is — behalve voldoende bewegen — een gezonde en gevarieerde voeding onmisbaar. Het is vooral belangrijk om genoeg calcium en vitamine D te nemen.
Calcium is een essentiële bouwstof voor je botten. Het zit in zuivel en in mindere mate in groente, noten en peulvruchten. De aanbevolen hoeveelheid zuivel voor een volwassene tot 50 jaar is 2 à 3 porties melk(producten) en 40 gram kaas per dag. Op voedingscentrum.nl vind je adviezen voor andere leeftijdsgroepen, zo nodig onderscheiden naar mannen en vrouwen. Overigens maakt het voor de hoeveelheid calcium niet uit of je magere, halfvolle of volle melk of yoghurt neemt. Gebruik je helemaal geen zuivel? Kies dan sojadrink met toegevoegd calcium of slik calciumtabletten.
Behalve calcium is vitamine D onontbeerlijk voor sterke botten. Vitamine D zorgt ervoor dat je lichaam calcium beter opneemt. Bovendien vermindert het de uitscheiding van calcium via de nieren. De belangrijkste bron van vitamine D is zonlicht. In kleine hoeveelheden komt het ook voor in voedingsmiddelen met een dierlijke herkomst. Vette vissoorten, zoals haring, sardines en makreel, bevatten de meeste vitamine D. Vlees en eieren hebben daar ook een beetje van, maar veel minder. Verder voegen fabrikanten vitamine D toe aan halvarine, margarine en bak- en braadproducten, olie uitgezonderd. De hoeveelheid vitamine D die van nature in roomboter zit, is aanzienlijk minder dan wordt toegevoegd aan margarine en halvarine.
Voor alle volwassenen tot 70 geldt dat ze dagelijks 10 microgram vitamine D binnen zouden moeten krijgen. Voor 70-plussers is dat 20 microgram. Maar zelfs als je gezond eet, lukt dat niet altijd. Vandaar dat de Gezondheidsraad bepaalde groepen adviseert om een vitamine D-supplement te gebruiken. Dat geldt onder andere voor alle vrouwen vanaf 50 en alle mannen van 70 jaar. Je kunt vitamine D-supplementen kopen in de vorm van druppels, capsules of tabletten. Kies bij voorkeur een supplement met vitamine D3, de actievere vorm van vitamine D. De goedkope huismerken zijn even goed als de duurde A-merken.”
Meer informatie: voedingscentrum.nl.

Peter van den Berg is verpleegkundig specialist en gipsverbandmeester bij de Fractuur & Osteoporosepolikliniek van het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft. 
“Ben je 50-plus en breek je iets? Dan moet het ziekenhuis standaard testen of je botontkalking hebt. Dat staat sinds 2011 in de medische richtlijn over osteoporose en het voorkomen van botbreuken. Helaas gebeurt dit in de praktijk nog lang niet altijd. Bijvoorbeeld omdat orthopedisch chirurgen zich niet genoeg bewust zijn van het gevaar. Hun vak is immers botten repareren. Vaak houden ze zich dus niet bezig met de kwaliteit daarvan. Iets anders is dat patiënten het idee dikwijls zelf wegwuiven. ‘Logisch dat ik iets heb gebroken, want ik ben raar gevallen’, zeggen ze dan. Maar dan nog is het verstandig om onderzoek naar osteoporose te laten doen. Vooral omdat, na een eerste breuk, de kans op een nieuwe breuk groot is, blijkt uit onderzoek.
Om iemands botdichtheid te bepalen, gebruiken we een speciaal soort röntgenapparaat, een DXA-scan. Mooi meegenomen: je ziet dan meteen of de wervelkolom is ingezakt. Dat gebeurt namelijk bij een kwart van de mensen met osteoporose, vaak met ernstige pijnklachten tot gevolg. Zo nodig doen we aanvullend urine- en bloedonderzoek om te kijken of er een andere oorzaak dan ouderdom is voor de botontkalking. Denk aan een te snel werkende schildklier of een chronisch vitamine D-tekort. Overigens bieden steeds meer apotheken en fysiotherapeuten een ultrasoundmeting van de hiel aan om de botdichtheid vast te stellen. Maar de betrouwbaarheid daarvan is onduidelijk.
Blijkt iemands botdichtheid te laag, dan starten we een behandeling. Die bestaat uit leefstijladvies — voldoende bewegen en gevarieerd eten met voldoende calcium — en vaak ook speciale anti-osteoporosemedicatie. Die remt de afbraak van bestaand bot af. Zo nodig schrijven we ook calciumtabletten gecombineerd met vitamine D voor. De behandeling van osteoporose is echt de moeite waard. Die verlaagt de kans om (opnieuw) iets te breken namelijk met 25 tot 40 procent. Het risico op het inzakken van de wervels vermindert zelfs met 60 procent. Er is altijd winst te behalen, zelfs of misschien wel juist als je al boven de 80 bent.”

Ergotherapeut Marieke Steendam (61) weet sinds 2013 dat ze een ernstige vorm van osteoporose heeft. 
“Ik ben een 61-jarige vrouw met het lichaam van iemand van 80. Daardoor loop ik vaak tegen mijn grenzen op. In mijn hoofd wil ik nog van alles, maar mijn lijf kan dat lang niet altijd meer.
Ik was zo’n gezegend mens dat nooit pijn in haar rug had. Tot ik een jaar of 53 werd. Toen kreeg ik — uit het niets — regelmatig vreselijke rugpijnaanvallen. Mijn huisarts schreef me pijnstillers en fysiotherapie voor. Maar de pijn bleef. Sterker nog, ik kreeg er ook maagklachten bij.
Nadat ik me opnieuw bij de huisarts had gemeld, liet ze me in mijn ondergoed door de spreekkamer lopen. Ze zag het meteen: er zat een kromming in mijn rug. Onderzoek in het ziekenhuis wees uit dat ik aan ernstige osteoporose leed. Als gevolg daarvan waren verschillende ruggenwervels in elkaar gezakt en was ik zeven centimeter gekrompen. Ook mijn maagklachten waren verklaarbaar. Door de krimping van mijn wervelkolom kwam mijn maag in verdrukking en floepte die door het middenrif.
Meestal krijgen mensen pas boven de 70 klachten door botontkalking. Waarom die mij eerder troffen, kon de endocrinoloog niet verklaren. De behandeling bestond uit medicijnen om botaanmaak te stimuleren en tabletten met een hoge dosis calcium en vitamine D. Die gebruik ik nog steeds. Verder kreeg ik het advies om zo veel mogelijk te bewegen en maximaal 5 kilo te tillen.
Door de medicatie is mijn botdichtheid inmiddels weer met 30 procent toegenomen. De heftige rugpijnaanvallen behoren daarmee gelukkig tot het verleden. Toch beperkt de osteoporose mijn leven nog altijd flink. Als ergotherapeut werkte ik vooral met kinderen. Dat is nu te zwaar. Gelukkig kon ik wel een andere invulling geven aan mijn werk. Verder moet ik na twintig minuten huishoudelijk werk even stoppen en in een goede stoel uitrusten. En door een zenuwbeknelling in mijn onderrug kan ik nog maximaal een half uur lopen. Als ik mensen in mijn omgeving daarover vertel, zijn ze vaak verbaasd. Botontkalking klinkt immers zo onschuldig. Maar de aandoening kan meer impact hebben dan je denkt.” 

PRIKKELBAREDARMSYNDROOM

8 mei

PDS JPG

Gepubliceerd in Radar+, april 2019. 

Prikkelbaredarmsyndroom  — buikpijn en problemen met de ontlasting — kan je leven flink verzieken. Eén op de tien Nederlanders lijdt eraan. Onder andere hypnotherapie en een speciaal dieet kunnen verlichting bieden. Vijf deskundigen vertellen.  

Maag-darm-lever-arts André Smout is emeritus-hoogleraar neurogastro-enterologie in het Amsterdam UMC. 
“Prikkelbaredarmsyndroom, afgekort PDS, komt heel veel voor. Naar schatting lijdt één op de tien Nederlanders eraan, twee keer zoveel vrouwen als mannen. De klachten — onder andere buikpijn en problemen met de ontlasting — ontstaan vaak in de puberteit en kunnen het hele leven aanhouden. PDS is weliswaar niet gevaarlijk, maar de impact ervan op het dagelijkse leven is groot. Sommige patiënten durven nauwelijks meer de deur uit.
Er is niet één duidelijke oorzaak. De darm kan bijvoorbeeld te heftig of juist te traag bewegen of overgevoelig zijn. Dat maakt de diagnose lastig. Een arts stelt die door andere mogelijke oorzaken uit te sluiten. Regelmatig hoor je dat de aandoening vast tussen de oren zit. Onzin. Stress kan de problemen weliswaar verergeren, mogelijk omdat de hersenen van PDS-patiënten extra alert zijn voor wat er in de darmen gebeurt. Maar dat maakt klachten niet minder reëel. PDS is dus wel degelijk een echte ziekte.
Helaas is er geen genezende behandeling. De belangrijkste adviezen voor mensen met PDS zijn regelmatig en gezond eten, voldoende bewegen en stress vermijden. Roken prikkelt de darmen en verergert de klachten. Zo nodig kunnen medicijnen helpen. Denk aan middelen tegen obstipatie of diarree of medicatie die krampen tegengaat. Soms vermindert een lage dosis antidepressivum de gevoeligheid van de dunne darm, waardoor de pijn afneemt. Ook hypnotherapie is bewezen effectief.
Veel patiënten ervaren dat een speciaal dieet, het FODMAP-beperkte dieet, de klachten vermindert Verder kunnen probiotica verlichting bieden, al is nog niet duidelijk welke soort je bij PDS het beste kunt gebruiken. Het laatste wetenschappelijke inzicht is dat pepermuntolie krampwerend werkt en pijnprikkels dempt. Kies dan wel voor gecoate capsules die niet in de maag uiteenvallen, maar pas verderop in de dunne darm. Dat is van belang om bijwerkingen als zure oprispingen tegen te gaan. Kortom, er zijn veel opties, maar helaas is vooraf niet te zegen welke behandeling bij wie het beste resultaat boekt. Dat blijft dus een kwestie van uitproberen.”
Meer informatie: pdsb.nl.

Marten Otten, maag-darm-lever-arts in medisch centrum De Veluwe in Apeldoorn, ontwikkelde een nieuwe zorgaanpak die PDS-patiënten regie over hun behandeling geeft. 
“Tot een paar jaar geleden was er geen eenduidige, simpele methode voor de begeleiding van PDS-patiënten. De huisarts en MDL-arts deden vaak verschillende lichamelijke onderzoeken, waar niets uit kwam. Vervolgens werden patiënten zonder oplossing naar huis gestuurd. Het gevolg: ze voelden zich onbegrepen. Bovendien bleven ze met hun klachten zitten.
Dat moet beter kunnen, dacht ik. In 2015 heb ik daarom samen met Prikkelbare Darm Syndroom Belangenvereniging REDUCE PDS ontwikkeld. Dat is een aanpak waarbij de MDL-arts en een gespecialiseerde MDL-verpleegkundige samen een PDS-patiënt begeleiden. De patiënt krijgt uitgebreide informatie over elf mogelijke behandelingen, waarna hij of zij er in goed overleg zelf drie kiest. Het meest populair zijn pepermuntoliecapsules, probiotica en het FODMAP-beperkte dieet. Maar ook hypnotherapie en diverse medicijnen worden vaak gekozen.
REDUCE PDS gaat uit van een gelijkwaardige relatie tussen patiënt en zorgverlener. Ze delen informatie met elkaar en komen zo tot een weloverwogen besluit. De aanpak geeft patiënten meer inzicht in hun eigen situatie en vooral ook meer regie daarover. We hebben wetenschappelijk onderzocht wat dat in de praktijk oplevert. Wat bleek? 72 procent van de 200 deelnemers aan ons onderzoek vond dat deze aanpak hun kwaliteit van leven had verbeterd. Ze waren vooral tevreden over de begeleiding, het begrip, de acceptatie van PDS als lichamelijke zieke en het zelf mogen beslissen over de behandelingen.
Mooi meegenomen is dat de REDUCE PDS-methode ook tot minder inwendige darmonderzoeken leidt. Dat komt omdat gespecialiseerde professionals beter kunnen inschatten of zo’n scopie echt nodig is. Bij de reguliere MDL-aanpak krijgt 1 op de 4 PDS-patiënten een darmonderzoek, bij REDUCE PDS is dat 1 op de 7. Het betekent niet alleen minder zorgkosten, maar vooral ook minder heftige ingrepen voor de patiënt en minder mogelijke complicaties. De aanpak is zo succesvol, dat inmiddels ongeveer een kwart van de Nederlandse ziekenhuizen REDUCE PDS gebruikt. Daarnaast hebben veel andere instellingen een vergelijkbaar zorgpad voor PDS.”
Meer informatie: pdsb.nl/reduce.

Laurens van der Waaij, maag-darm-lever-arts in het Martini Ziekenhuis in Groningen, haalde het FODMAP-beperkte dieet naar Nederland en deed onderzoek naar de effectiviteit ervan. 
“Veel PDS-patiënten merken dat bepaalde voedingsmiddelen hun klachten verergeren. Dus toen ik in 2011 op een congres in Amerika hoorde over het speciale FODMAP-beperkte dieet, was mijn interesse meteen gewekt. Tot dan toe was zoiets er nog niet. Samen met diëtiste Janneke Stevens heb ik het van oorsprong Australische dieet ‘vernederlandst’ en er een speciale website over gemaakt.
De afkorting FODMAP is een verzamelnaam voor verschillende voedingssuikers en koolhydraten. Ze zitten vooral in vloeibare zuivel, tarwe en bepaalde soorten groenten en fruit. Bij PDS-patiënten is de dunne darm vermoedelijk niet in staat om sommige van die stoffen op te nemen. Als ze vervolgens onverteerd in de dikke darm belanden, breken bacteriën ze alsnog razendsnel af. Daarbij produceren die gas dat een opgeblazen gevoel en pijn kan veroorzaken.
Bij het FODMAP-beperkte dieet leer je welke voedingsmiddelen bij jou problemen geven. Simpel gezegd komt het erop neer dat je zes weken alle voedingsmiddelen met FODMAP’s erin helemaal vermijdt. Als de klachten in die tijd afnemen, voeg je daarna elke week weer een groep van de ‘verboden’ producten toe en kijk je hoe je lichaam reageert. Zo leer je welke voedingsmiddelen voor jou boosdoeners zijn. Meestal zijn dat er maar een paar.
In ons ziekenhuis hebben we wetenschappelijk onderzocht of het FODMAP-beperkte dieet echt werkt. Tweederde van de patiënten gaf aan naderhand aanzienlijk minder klachten te hebben. Op een schaal van tien gingen die minstens twee punten naar beneden. Dat effect was er na een jaar nog. Bovendien vonden patiënten het heel fijn om zelf een beetje invloed op hun klachten te hebben.
Let wel: het dieet is best ingewikkeld en ook ingrijpend. Het gevaar bestaat dat je daardoor op de lange duur te weinig van bepaalde voedingstoffen binnenkrijgt. Ik raad patiënten dan ook af om het op eigen houtje te proberen. Laat je liever door een gespecialiseerde diëtist begeleiden. Je huisarts kan je daarnaar doorverwijzen.”
Meer informatie: fodmapdieet.nl of mhz.nl/pds. 

Klinisch psycholoog en hypnotherapeut Carla Flik van het St Antonius Ziekenhuis en het Universitair Medisch Centrum in Utrecht deed onderzoek naar de effectiviteit van hypnotherapie bij het prikkelbaredarmsyndroom.
“Al decennialang is bekend dat mensen met ernstige PDS veel baat kunnen hebben bij hypnotherapie. De behandeling geeft ze de mogelijkheid om hun darmen op een ontspannen manier te laten werken. Ook de beleving van pijn kan door hypnotherapie veranderen.
Bijna iedereen heeft wel eens een hypnotische ervaring. Tijdens het autorijden ben je bijvoorbeeld zo diep in gedachten, dat het lijkt alsof je een stuk van de route hebt overgeslagen. Of je leest een boek waar je helemaal in opgaat. Je concentreert je aandacht dan heel sterk. Daarmee kom je in een andere, diepere staat van bewustzijn. Hypnotherapie borduurt op dit werkingsprincipe voort. Geleid door de woorden van een gespecialiseerde therapeut maak je je in je hoofd losser van je omgeving. Tegelijkertijd focus je al je aandacht op je innerlijke wereld. In die toestand sta je veel meer open voor suggesties.
Bij de behandeling van PDS gaat dat dan als volgt. Stel dat een PDS-patiënte last heeft van ernstige obstipatie. Dan roept een hypnotherapeut bijvoorbeeld het beeld op van een snelstromende rivier en vraagt haar dat in haar darmen over te nemen. Bij een patiënte met buikpijn kan hij een beeld gebruiken van warme of koude doeken om de darmen om de pijnprikkels te dempen. Net wat de zij het prettigst vindt. De suggesties die je op die manier creëert, brengen bij patiënten lichamelijke reacties teweeg die een positieve uitwerking op de klachten kunnen hebben.
Voor mijn promotie-onderzoek hebben we 354 PDS-patiënten die waren verwezen door hun huisarts of MDL-arts op deze manier behandeld. Ze volgden zes hypnotherapiesessies en kregen de oefeningen daarna op een cd mee om ze thuis wekelijks te kunnen herhalen. Negen maanden na afloop van de therapie ervoer bijna de helft van de deelnemers minder klachten. Ongeveer twee keer zoveel als van de patiënten in de controlegroep, die alleen educatieve ondersteuning hadden gehad. Kortom: voor een aanzienlijk deel van de PDS-patiënten kan hypnotherapie echt verlichting bieden.” 

Kinderarts Marc Benninga, hoogleraar in het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam, is gespecialiseerd in kindermaag-, darm- en leverziekten.
“Zo’n 10 tot 20 procent van alle schoolgaande kinderen heeft last van functionele buikpijn. Dat betekent dat ze gedurende minimaal twee maanden minstens eens per week buikpijn hebben, zonder dat er een duidelijke oorzaak voor de klachten is. In het overgrote deel van de gevallen gaat het om het prikkelbare darmsyndroom. Formeel stellen we die diagnose pas vanaf een jaar of acht, omdat kinderen vanaf die leeftijd goed en betrouwbaar over hun klachten kunnen vertellen.
PDS is bij kinderen niet wezenlijk anders dan bij volwassenen. Hun darmen reageren  (over)gevoelig op bijvoorbeeld bepaalde voeding, het doormaken van een infectie of stress. Ouders van kinderen met PDS zijn vaak erg bezorgd. Ze houden ze nauwlettend in de gaten en vragen veelvuldig of ze pijn hebben. Hoe begrijpelijk ook, ze helpen hun kinderen daar niet mee. Sterker nog, het verergert de klachten alleen maar, blijkt uit onderzoek. Mijn advies is dan ook om het zo min mogelijk over de pijn te hebben.
Iets anders is dat veel kinderen met PDS niet meer naar school willen of durven. Het is zelfs oorzaak nummer één van schoolverzuim. En dat terwijl de afleiding van school juist positief werkt. Bovendien: hoe vaker een kind wegblijft, hoe groter de stap — en daarmee de stress — om terug te gaan. Met mogelijk nog meer buikklachten tot gevolg. Kortom, stuur je kind met buikpijn gewoon naar school. Je hoeft je daar echt niet schuldig over te voelen. Integendeel, het maakt je juist een goede ouder.
De meest doeltreffende behandeling voor kinderen met PDS is hypnotherapie. 70 tot 80 procent heeft daar langdurig baat bij, blijkt uit verschillende onderzoeken die we sinds 2003 hebben gedaan. Niet alleen verminderen de buikklachten, kinderen zijn ook minder moe, angstig en somber. Voor de behandeling gebruiken we een speciaal ontwikkeld programma met luisteroefeningen. Kinderen en ouders kunnen daar thuis zelf mee aan de slag. Deze methode is bijna net zo effectief als hypnotherapie, gegeven door een therapeut, en bovendien veel goedkoper. Via de website hypnosebijbuikpijn.nl kun je het programma voor € 29,95 downloaden.” 

SLAAPMIDDELEN? LIEVER NIET!

3 apr

SLAAPMIDDELEN jpg

Gepubliceerd in Radar+, februari 2019

Chronisch slaaptekort kan je wanhopig maken. Best begrijpelijk dus, dat veel slechte slapers hun heil zoeken in slaapmiddelen. Toch kun je die beter laten staan, zegt hoogleraar medicatieveiligheid Patricia van den Bemt. “Uiteindelijk ben je daarmee alleen maar verder van huis.”
De cijfers liegen er niet om. Naar schatting anderhalf miljoen Nederlanders slikt regelmatig een of meer slaapmiddelen. Gemiddeld doen ze dat 180 keer per jaar. In de meeste gevallen draaien gebruikers zelf voor de kosten op, want sinds 2009 vergoeden zorgverzekeraars slaap- en kalmeringsmiddelen niet of nauwelijks meer. Dat weerhoudt ons er trouwens niet van om flink door te slikken: jaarlijks geven we er — voor eigen rekening — 54 miljoen euro aan uit, aldus de Stichting Farmaceutische Kerngetallen. Méér dan bijvoorbeeld aan anticonceptie. 65-plussers zijn grootverbruikers; van hen neemt een op de vier regelmatig een slaappil. Dat blijft niet zonder gevolgen. Door het versuffende en spierverslappende effect vallen zij bijvoorbeeld vaker. Ziekenhuisapotheker Patricia van den Bemt, hoogleraar in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam: “Wat mij betreft zouden slaapmiddelen helemaal in de ban moeten.” 

Dat is wel heel cru.
“Niet als je je realiseert dat het gebruik van slaapmiddelen eigenlijk alleen maar nadelen heeft. Ze werken slechts tijdelijk, zijn verslavend en hebben nare bijwerkingen. Bovendien pakken ze de oorzaak van het slechte slapen niet aan. Sterker nog, op den duur houden ze het probleem in stand of verergeren het zelfs. Het middel is dus erger dan de kwaal.”

Even terug. Wat doen slaapmiddelen precies?
“Ze werken kalmerend en remmen je zenuwstelsel af, waardoor je sloom en slaperig wordt. Verder verslappen ze je spieren. Sommige middelen hebben een kort effect en helpen om in slaap te vallen. Anderen werken langer en zijn bedoeld om beter door te slapen.” 

Klinkt goed.
“Dat valt te bezien. De winst is namelijk beperkt; met medicatie slaap je gemiddeld 15 tot 20 minuten sneller in en slaap je in totaal 30 tot 50 minuten langer. Omdat je lichaam aan de medicijnen went, neemt dat effect bovendien na twee weken alweer af. Je hebt er dan steeds meer van nodig. Ook niet onbelangrijk: de pillen beïnvloeden de kwaliteit van je slaap. Omdat ze je REM-slaap verstoren — de slaap die je nodig hebt om te herstellen — rust je niet goed uit. Vandaar ook dat je na het gebruik ervan vaak met een katerig gevoel wakker wordt. Al met al heb je er dus weinig aan. Om nog maar niet te spreken over alle ongewenste bijwerkingen.” 

Zoals?
“De lijst is lang: sufheid, verminderde reactiesnelheid, geheugen-, coördinatie- en concentratieproblemen, hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, somberheid, gewichtstoename en minder zin in seks, om er een paar te noemen. In combinatie met andere kalmeringsmiddelen of alcohol verergeren de bijwerkingen. Bovendien raak je aan slaapmiddelen heel snel verslaafd, al binnen twee weken. Feitelijk zijn ze even verslavend als sigaretten.” 

Wat een ellende! Waarom zijn ze dan überhaupt nog op de markt?
“De meeste slaapmiddelen vallen onder de groep van benzodiazepines, kortweg benzo’s. Deze medicatie, met namen zoals oxazepam, lorazepam en temazepam, is ontwikkeld in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Tot dan toe gebruikten artsen barbituraten om mensen beter te laten slapen. Die medicijnen waren echter erg gevaarlijk — aan een te hoge dosis kon je gemakkelijk overlijden. Benzodiazepines leken een veilig alternatief. Pas later ontdekte men dat ze eigenlijk helemaal niet zo goed werken en heel verslavend zijn. Vandaar ook dat verzekeraars ze tegenwoordig alleen nog in uitzonderlijke gevallen vergoeden. Bijvoorbeeld bij slaapproblemen na een traumatische gebeurtenis. Huisartsen mogen in zo’n geval maximaal vijf tot tien tabletten voorschrijven en slechts één keer een herhaalrecept geven.”

Hoe kan het dan dat een op de tien Nederlanders ze langdurig gebruiken?
“Dat zijn mensen die de middelen vaak al jaren of zelfs decennia slikken. Dan is het ontzettend lastig om eraf te komen. Als je ineens stopt, kun je flinke afkickverschijnselen krijgen. Denk aan hartkloppingen, prikkelbaarheid, hoofdpijn, onrust en angstgevoelens. Bovendien slaap je daarna tijdelijk vaak nog slechter dan vóór je met de medicatie begon. Huisartsen zien dat ook, en schrijven voor die langgebruikers toch steeds een herhaalrecept.”

Is dat erg?
“Ja, vooral omdat de middelen je functioneren overdag zo sterk beïnvloeden. Mensen die slaapmiddelen gebruiken, hebben bijvoorbeeld meer kans op ongelukken in het verkeer. Vandaar dat je er meestal niet mee mag rijden. Voor ouderen zijn de sufheid en spierzwakte een extra groot risico. Die zorgen ervoor dat ze eerder vallen en mogelijk iets breken. Jaarlijks belanden zo’n 7.000 65-plussers na een valpartij in het ziekenhuis. De grootste boosdoener? Slaapmedicatie.” 

Is er een manier om slaapmiddelen ‘verstandig’ te gebruiken?
“Het simpele antwoord is nee. Het enige wijze advies is om er niet aan te beginnen. Gebruik je ze al langer en wil je ermee stoppen, vraag dan je huisarts of praktijkondersteuner om hulp. Die kan een schema voor je opstellen, waarmee je heel geleidelijk — in weken of zelfs maanden —  afbouwt.”

Hoe zit het met het vrij verkrijgbare middel melatonine?
“Ook dat kun je beter links laten liggen. De lage dosering die je bij de drogist koopt, werkt niet tegen slapeloosheid, blijkt uit onderzoek. Melatonine is namelijk geen slaapmiddel, maar een middel dat je biologische klok beïnvloedt. In de juiste hoge dosis — alleen verkrijgbaar op recept — kan het wel helpen om de gevolgen van een jetlag tegen te gaan. Dat is de enige vorm van slaapproblemen waarbij het gebruik bewezen effectief is.”

En valeriaan?
“Bij sommige mensen lijkt dat oude kruidenmiddel een beetje ontspannend te werken. Voor de meeste mensen doet het echter niets. Kortom: vrij verkrijgbaar of op recept, geen enkel middel verhelpt slaapproblemen. Zonde om daar je geld aan uit te geven.”

Geen leuke boodschap voor de miljoenen Nederlanders die iedere nacht wakker liggen.
“Dat snap ik. Maar echt, slaapmiddelen zijn niet de oplossing. Integendeel, je helpt jezelf ermee van de regen in de drup.” 

Wat werkt wel?
“Bij slapeloosheid zonder duidelijke oorzaak doe je er verstandig aan om je gewoontes zo te veranderen dat het slapen voor je lichaam makkelijker maakt. Denk aan het verminderen van stress, alcohol en telefoon- en tabletgebruik. Haalt dat onvoldoende uit, dan kun je slaaptherapie of cognitieve gedragstherapie proberen. Daarbij leer je als het ware om weer goed te slapen. Bijvoorbeeld door je slaaproutine te veranderen en slaapbelemmerende piekergedachtes aan te pakken. Die methode is bij slapeloosheid bewezen effectief. Geen quick fix helaas, maar als je de tijd en energie erin wilt steken wel een aanpak met een grote kans van slagen.” 

[Kader]
Ziekenhuisapotheker en klinisch farmacoloog Patricia van den Bemt is onderzoeker en bijzonder hoogleraar medicatieveiligheid in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. Ze geeft ook onderwijs over het onderwerp aan studenten geneeskunde. 

%d bloggers liken dit: