Archief | Trouw RSS feed for this section

LEVENSLESSEN RITZO TEN CATE

5 jun

Schermafbeelding 2020-06-05 om 11.13.22

Gepubliceerd in Trouw, 30 mei 2020 (foto: Merlijn Doomernik)

De coronacrisis treft dak- en thuislozen hard. Sociaal ondernemer en fotograaf Ritzo ten Cate, initiator van daklozenwandelingen in Groningen, leerde tientallen van hen van dichtbij kennen. Zijn ervaringen verwerkte hij in zijn debuutroman, Donkerder, die onlangs verscheen. 

Les 1: De geschiedenis van je ouders vormt je
“Mijn jeugd in Drenthe was idyllisch. Ik groeide op in een klein huisje aan de rand van het bos. Op ons dorpsschooltje in Ees zaten negentien kinderen. In mijn vrije tijd speelde ik om het huis, hielp ik in de moestuin, slingerde ik honing. Als enig kind kreeg ik alle liefde en aandacht van mijn ouders. En van mijn oudoom en -tante, die bij ons in huis woonden.
Pas veel later realiseerde ik me dat er ook een minder fijne kant aan het verhaal zat. Mijn moeders moeder was bij haar geboorte overleden. Haar vader trok dat niet en ging er vandoor. Zijn zus en haar man namen mijn moeder onder hun vleugels en voedden haar op als hun eigen kind. Zij hoorde dat pas als tiener, toen haar ‘vader’ overleed. Een traumatische ervaring, die haar de rest van haar leven mentaal uit evenwicht bracht. Ze raakte arbeidsongeschikt en was, behalve ongelofelijk liefdevol, extreem angstig. Mijn vader moest iedere dag bellen als hij op zijn werk in Assen was gearriveerd. In de brugklas mocht ik niet met de fiets naar school in Emmen. Op vakantie gingen we nooit; mijn moeder was veel te bang dat ons dan iets zou overkomen. Ook mijn vader had trouwens geen makkelijke start. Zijn moeder was niet bepaald blij met hem en behandelde hem als een soort Assepoester. De donkerte van hun ervaringen heeft zich onbewust in mij vastgezet.”

Les 2: Een gekozen familie is ook familie
“Ik was als kind dan wel alleen, maar nooit eenzaam. Van jongs af aan heb ik veel fijne mensen om me heen verzameld. Eerst kinderen van school en mensen uit ons dorp, later vrienden van studie en werk. Zij zijn mijn nieuwe familie geworden, zeker na het overlijden van mijn ouders. Na de dood van mijn vader afgelopen november zetten mijn liefste vrienden ongevraagd een kruis door hun agenda, zodat ze overal met me mee naartoe konden. Bij de condoleance-avond voor mijn moeder stond daar ineens ook Max, één van mijn dakloze vrienden. Om me te steunen was hij speciaal uit Groningen naar Borger gekomen. Ik voel me door hen — mijn gekregen broers en zussen — gehoord, gezien, gedragen.”

Les 3: Maak verbinding
“Of het nu gaat om liefde, vriendschap of een zakelijk project, ik ben altijd op zoek naar oprecht contact. Helaas zijn we het grotendeels verleerd om echt verbinding te maken. We hebben allemaal een rol aangenomen, een masker opgezet, een muur om ons heen gebouwd. We vinden het moeilijk om elkaar aan te kijken, aan te spreken, aan te raken. Daardoor missen we zo veel. De dak- en thuislozen met wie ik heb samengewerkt, zijn wat dat betreft fantastische leermeesters geweest. Zij waren sterk genoeg om zich kwetsbaar op te durven stellen. Om ongemak en schaamte aan de kant te schuiven. Ze vertelden me eerlijk over hun traumatische jeugd, hun drank- en drugsmisbruik, hun criminele verleden. Daarmee zetten ze de deur open om van mens tot mens te te communiceren. Als dat lukt, vallen de verschillen weg en ontstaat er echte verbinding.”

Les 4: Iedereen kan door het luik vallen
“De eerste dakloze die ik ooit zag, was Tokkel uit Assen. Hij stonk en schreeuwde als je hem geen  geld gaf. Volgens mijn vader was hij ooit een geniale gitarist geweest, die nog met Herman Brood en Harry Muskee had gespeeld. Maar als jongetje vond ik hem maar eng. Ook later bleef ik met een grote boog om daklozen en zwervers heenlopen. Dat veranderde toen ik in 2012 zijdelings betrokken raakte bij Street, een theatervoorstelling over en met Utrechtse dak- en thuislozen. Daar leerde ik onder andere Remco en Birhane kennen. Ze namen mij mee naar hun plekken in de stad. Zo ontdekte ik dat Remco een super slimme vent was, met een gymnasiumdiploma en tot zijn 25ste een goede baan. Toen betrapte hij zijn vriendin met een andere man. Hij flipte en bracht totaal in paniek de nacht buiten door. Een dealer bood hem heroïne aan om tot rust te komen. Binnen vijf dagen was hij van een mens veranderd in een dier, dat op straat probeerde te overleven, vertelde hij me. Uiteindelijk zou hij vijftien jaar dakloos blijven. De illegale Birhane uit Soedan bleek net als ik Bedrijfskundige Informatica te hebben gestudeerd. Toen hij weigerde het leger in te gaan, moest hij zijn land ontvluchten. Deze jongens waren geen losers, maar kwetsbare, beschadigde mensen, slachtoffer van hun omstandigheden. Als mijn leven anders was verlopen, had ik zomaar één van hen kunnen zijn.” 

Les 5: Kijk niet weg
“Door mijn ervaringen met Remco en Birhane zag ik de daklozen in mijn eigen Groningen ineens door een andere bril. Ik kon niet langer wegkijken. Van straatkrantverkoper Jonny bijvoorbeeld, die ik dagelijks op de Grote Markt passeerde. In de zomer van 2013 vroeg ik hoe ik hem kon helpen. Hij antwoordde dat hij graag samen een kop koffie wilde drinken. Dat hebben we gedaan. We kletsten wat en ik werd nieuwsgierig naar zijn verhaal. Een week later nodigde ik hem uit om iets te gaan eten. Hij vertelde dat hij de rechterhand van Klaas Bruinsma was geweest, drugstransporten had gedaan, HIV had opgelopen. Ogenschijnlijk konden onze levens niet verder van elkaar afstaan, maar op dat moment grepen ze even in elkaar. De vragen vlogen over en weer. Uit verbazing en verwondering lieten we onze quiche koud worden. Ik wenste anderen ook zo’n ervaring en schreef er een blog over: ‘Hoe drink je gewoon een kop koffie met een dakloze’. Hoewel de post duizenden keren werd gelezen en honderden keren gedeeld en geliket, durfde bijna niemand het aan daadwerkelijk de stap te zetten. Dan moet ik ze op een andere manier over de streep trekken, dacht ik. Zo ontstond het plan om daklozenwandelingen te gaan organiseren.”

Les 6: Niemand wordt zomaar dakloos
“In Groningen zijn zo’n duizend zwervers. Tussen de zestig en honderdvijftig van hen slaapt op straat. Door de wandelingen leerde ik tientallen van dichtbij kennen. Alcoholisten. Junks. Straatrovers. Overvallers. Ex-TBS-er’s. Mensen die ik vroeger als overlast veroorzakende klaplopers zag. Ze bleken allemaal ernstig beschadigd te zijn, vaak al op heel jonge leeftijd. Ik ontmoette een man, die op zijn negende net zo verslaafd was aan alcohol en wiet als zijn broer van elf. Ik sprak iemand die als peuter door zijn familie was mishandeld en nog iedere nacht badend in het zweet wakker werd. Ik zag wat het met je kan doen als je hyperactief en creatief bent, terwijl je omgeving vindt dat je gewoon stukadoor moet worden. Hun verhalen maakten stuk voor stuk diepe indruk op me. Dat van Max misschien wel het meest. Zijn ouders stonden hem af aan zijn grootouders, zijn vader deed jaren alsof hij zijn broer was. Zijn ervaring kwam wel heel dicht bij die van mijn eigen familie. Pas op zijn dertiende ontdekte Max hoe het echt zat. Hij voelde zich bedrogen, belandde op straat en in verschillende jeugdinrichtingen. Na veel krabbelen en opstaan, inclusief een gevangenisstraf wegens een gewapende overval, werd hij door gedoe met de Belastingdienst rond zijn vijftigste opnieuw dakloos dakloos. Het kopje koffie, een luisterend oor en af en toe gewoon een gesprek van mens tot mens was precies wat hij nodig had om zich aan de ellende te ontworstelen en zijn leven op de rit te krijgen. Nu heeft hij weer een eigen huisje.”

Les 7: Schijn licht op donkere plekken
“Zo verschillend als we waren, ik herkende toch iets van mezelf in mijn zwervende straatgidsen. Hun trauma’s maakten me bewust van mijn donkere kant. Van de angst en pijn die ik onbedoeld van mijn ouders had meegekregen. Zij hadden hun hele leven gewankeld, en ik wankelde met ze mee. Dat dreigende, sombere gevoel werd sterker nadat mijn moeder in 2015 stierf en ik met mijn toenmalige vriendin haar bezittingen moest opruimen. Vijf bouwcontainers vol haalden we uit het huis. Eindeloze hoeveelheden overbodige spullen, die ze gedurende haar leven had verzameld. Uit angst voor ik weet niet wat. Zat die negatieve energie ook in mij? Zou ik net als haar kunnen omvallen? Van die gedachte werd ik heel onrustig. Ik ging minder goed voor mezelf zorgen, kreeg een kort lontje. Het kostte me mijn relatie. Ik moest mezelf óók opruimen, realiseerde ik me. Ik praatte met een psycholoog en deed lichaamswerk. Ging wandelen, mediteren, gezonder eten, vechtsport doen. Als onderdeel van het helingsproces besloot ik in de winter van 2016 de duisternis letterlijk op te zoeken en op retraite te gaan in Lapland. Alleen, zonder computer of telefoon. Daar, in een boerderijtje, omringd door sneeuw, krabbelde ik op losse papiertjes flarden van een verhaal. Het was het begin van het boek dat er nu ligt. Zo heb ik de donkerte van me afgeschreven.” 

Les 8: De coronacrisis treft dak- en thuislozen hard
“Van de straatgidsen hoor ik dat in Groningen nu een flink aantal vaste opvangplekken dicht is, of op zijn minst gesloten is geweest. Onder andere omdat het vaak lastig is om daar voldoende onderlinge afstand te houden. Gelukkig zijn er altijd creatievelingen die een oplossing verzinnen. Zo is de gesloten nachtopvang in de Schoolstraat tijdelijk verhuisd naar het chique hotel Schimmelpenninck Huys. Daar hebben nu veertig daklozen onderdak, ieder met een eigen kamer. Een geluk bij een ongeluk. Voor de meeste zwervers betekent de coronacrisis echter: niet even samen koffie drinken, geen dagbesteding, geen contact met matties of hulpverleners. Ze zijn de rust van hun dagritme kwijt. Zonder structuur en afleiding beginnen de monstertjes in hun hoofden weer te schreeuwen. Dat merken wij dan op straat, in de vorm van overlast. Het merendeel maakt zich bovendien zorgen over zijn gezondheid. In deze tijd hebben dak- en thuislozen onze aandacht en steun dus extra nodig. Misschien een goede reden om toch eens die kop koffie te doen.”

[Kader]
Sociaal ondernemer en fotograaf Ritzo ten Cate (Assen, 1977) studeerde Bedrijfskundige Informatica aan de Hanze Hogeschool en Bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met Ronald Mulder richtte hij in 2005 De Ondernemers BV op, dat bedrijven hielp met strategie, business development en marketing. In 2011 ging hij zelfstandig verder. Na een ontmoeting met straatkrantverkoper Johnny initieerde hij in 2013 stadswandelingen door Groningen onder leiding van dak- en thuislozen. In 2016 kreeg hij (inter)nationale bekendheid met Caught in the App, een project waarvoor hij foto’s maakte van mensen die al lopend opgingen in hun smartphone. Vorige maand verscheen bij uitgeverij Palmslag zijn debuutroman, Donkerder. Ten Cate woont in Groningen en heeft een relatie.
ritzotencate.com

 

TEKEN JE TUIN

4 mei

Schermafbeelding 2020-05-04 om 10.57.07

Gepubliceerd in Trouw, 2 mei 2020.

Met zo’n mooie lente is gedwongen thuisblijven extra moeilijk. Maak van de nood een deugd en teken of schilder de planten en bloemen dichtbij huis. Twee generaties natuurillustratoren geven tips. 

Botanisch schilder en microbioloog Janneke Brinkman-Salentijn (72) is bekend van haar bloemenillustraties. Haar aquarellen sieren tal van producten, van agenda’s en kaarten tot serviezen en dekbedden.
“Omdat ik mijn onderwerpen altijd lijfelijk voor me op tafel wil hebben, werk ik met de seizoenen mee. Zo heb ik twee weken geleden een paarse keizerskroon geschilderd en ben ik nu met groot hoefblad bezig. Ik maak eerst een schets met potlood, hardheid H of HB. Als ik tevreden ben, zet ik de tekening over speciaal aquarelpapier. Voor het schilderen gebruik ik kwalitatief hoogwaardige aquarelpenselen met een scherpe punt. Bezuinig daar niet op! Begin bijvoorbeeld met dikte vier voor het invullen van de kleur, en dikte één voor de details. Ik kan de Maestro-serie van Da Vinci aanbevelen. Om te zorgen dat mijn voorbeeld niet te snel verlept, gaan de bloemen ‘s avonds in de koelkast of op een andere koele plek.
Tijdens mijn studie biologie in Amsterdam vond ik het al heerlijk om alles wat op de snijtafel lag minutieus te tekenen. Maar het kwam niet in me op dat ik daar mijn werk van kon maken. In plaats daarvan werd ik biologielerares op een middelbare school.
Ik was al in de dertig toen ik besloot een aquarelcursus te volgen. Het was liefde op het eerste gezicht — vanwege de heldere, tere kwaliteit van aquarel leent die verf zich perfect voor het schilderen van planten en bloemen. Hier wil ik mee verder, dacht ik. Mijn man Elco verklaarde me voor gek. ‘Je hebt toch een vak geleerd?’, zei hij. Maar in het botanisch schilderen komen biologie, mijn bloemenliefde en mijn gevoel voor kleur en compositie prachtig samen.
Veertig jaar verder teken en schilder ik nog bijna dagelijks. Voor inspiratie hoef ik nooit ver te zoeken. Ik haal bloemen uit mijn eigen tuin of ik stop tijdens mijn wandelingen en fietstochten een plantje in mijn tas. Voor ik er daadwerkelijk mee aan de slag ga, ontleed ik een bloem altijd eerst helemaal. Zo weet ik precies of de stengel glad of harig is, hoe het blad aan de steel zit, hoe de blaadjes gevormd zijn en hoe de kleuren verlopen. Dat kan ik iedereen aanbevelen.
Nog een paar tips. Als rechtshandige moet je ervoor zorgen dat het licht op je voorbeeld — en dus op je tekening — altijd van links komt. Doe je dat niet, dan werk je in de schaduw van je eigen hand en zie je niks. Voor linkshandigen geldt natuurlijk het tegenovergestelde. Maak als je gaat aquarelleren het stukje dat je wilt inkleuren eerst vochtig met alleen water. Als je daarna voorzichtig kleur toevoegt, loopt die er mooi in uit. Begin heel dun, je kunt later altijd laagjes toevoegen. En wacht tot de verf goed droog is voor je een nieuwe laag of details aanbrengt. Tot slot: blijf niet te lang aan je werk prutsen en poetsen. Het eerste wat je doet is vaak het mooist.”
jannekebrinkmansalentijn.nl

Natuurillustrator, wetenschapscommunicator en bioloog Kim Veenman (32) tekent en schildert behalve op papier ook op haar iPad. Ze maakt illustraties voor tijdschriften zoals  Buitenleven en voor verschillende natuurorganisaties en uitgevers.
“Tekenen begint met goed kijken. Welke vormen zie je eigenlijk? Dat is lastiger dan het lijkt, want je brein vult tijdens het tekenen vaak automatisch al in hoe een viooltje, appel of bij eruit hoort te zien. Wat helpt is om je voorbeeld op z’n kop te leggen. Zo kun je makkelijker puur naar de vormen kijken, zonder dat je er gelijk een beestje of bloempje in herkent. Begin je net? Teken dan eerst alleen met een balpen of fineliner. Je kunt dan niet gummen en dat is juist goed. Als je even doortekent, zie je dat iets al best mooi is. Kleur komt later, als je vormen goed in de vingers hebt.
Wil je gaan schilderen, gebruik dan niet alleen de pure kleur uit een tube of potje. Die is vaak nogal nep. Beter is om op een palet of een stuk papier kleuren te mengen. Als je aan felgroene verf uit de hobbywinkel een drupje geel of bruin toevoegt, zul je zien dat je een veel natuurlijker kleur krijgt.
Zelf zat ik van jongs af aan met mijn neus in het gras, op zoek naar beestjes. Ik ben opgegroeid op een boerderijtje in Drenthe, met kippen, schapen, paarden en een heel grote tuin. Als kind liep ik daar al vol verwondering rond. Ik weet nog dat ik een keer kippeneieren onder een lamp had uitgebroed. Dat uit zo’n gesloten schaal een levend wezentje kwam, vond ik ongelofelijk.
Ik tekende al het tuinleven ook graag, maar tijdens mijn studie droogden mijn verfpotjes op. Tot ik in 2014 Instagram ontdekte. Daarop vond ik de prachtigste natuurillustraties. Veel makers legden stap-voor-stap uit hoe ze werkten. Geweldig vond ik dat! Ik ging zelf ook aan de slag. In die tijd schreef ik regelmatig voor tijdschriften over natuur. Soms stuurde ik een illustratie mee om iets te verduidelijken. Eén redactie wilde die een keer gelijk plaatsen. Zo leuk! Toen ben ik van illustreren mijn werk gaan maken.
Hoewel ik nog steeds graag op papier werk, teken en schilder ik nu vooral digitaal, op mijn tablet. Het leuke daarvan is dat je makkelijk van alles kunt uitproberen. Bijvoorbeeld wat er gebeurt als je potlood en verf door elkaar gebruikt. En mee meegenomen: je krijgt nooit vieze vingers.
Er zijn veel gratis tekenapps, waarin je een hele hobbywinkel aan materialen bij de hand hebt. Je kunt met je vingers tekenen, maar een stilus of tekenpen, special voor een tablet, werkt beter. Zelf gebruik ik de betaalde Procreate-app op mijn iPad, en een Apple Pencil. Die is gevoelig: hoe harder je drukt, hoe dikker je lijn. Daardoor voelt hij net als een echt potlood of penseel.
Als je niet weet hoe je moet beginnen, zoek dan online inspiratie of gratis lessen. Wat ik goede voorbeelden vind? De Britse Lizzie Harper laat in haar filmpjes zien hoe je bloemen en planten kunt aquarelleren. De Amerikaanse Wooly Pronto heeft handige filmpjes over het programma Procreate. Met behulp van dat soort mensen heb ik mezelf ook alles geleerd.”
Op 29 mei verschijnt het boek Maak je eigen jungle — Meer dierenleven in je tuin van Katja Staring, waarvoor Veenman de illustraties verzorgde. Meer informatie: kimveenman.nl. 

 

LEVENSLESSEN VAN JURIST SASKIA PETERS

27 apr

Schermafbeelding 2020-04-27 om 14.23.35

Gepubliceerd in Trouw, 25 april 2020. (Foto: Merlijn Doomernik.)

Hoogleraar arbeidsrecht Saskia Peters maakt zich zorgen over de toenemende ongelijkheid op de arbeidsmarkt. Ze hoopt dat de coronacrisis de hervormingen in een stroomversnelling brengt. 

Les 1: Met een tweelingzus ben je nooit alleen
“Ik ben zeven minuten ouder dan mijn eeneiige tweelingzus Faustina. Onze ouders — mijn vader was conrector en docent klassieke talen op een middelbare school, mijn moeder huisvrouw en later medisch secretaresse — hadden hun handen vol aan ons. Mijn moeder noemde ons ‘het blok’, want we trokken altijd samen ook, vaak ook tegen hen. Misschien dat het daarom bij twee kinderen bleef.
Behalve mijn beste vriendin was Faustina ook mijn grote concurrent. En we werden natuurlijk veelvuldig met elkaar vergeleken. Dat was niet altijd leuk. Ik heb er een enorme territoriumdrift aan overgehouden; thuis en op het werk moet iedereen van mijn persoonlijke spullen afblijven. Toch waren — en zijn — we onafscheidelijk. We gingen samen op kamers, samen op voetbal, samen rechten studeren. Pas daarna maakten we ons langzaam een beetje van elkaar los. Ik heb echt moeten leren om alleen te zijn. Nog altijd hebben Faustina en ik bijna dagelijks contact. Als we elkaar een tijdje niet zien, voel ik een fysiek gemis. Met de coronacrisis is dat extra zwaar. Begin deze maand waren we jarig. Toen kwam mijn zus, die raadsheer is in Den Haag, toch naar me toe. Alleen, zonder haar gezin. Met gepaste afstand hebben we het samen gevierd. Naast Erik is zij de belangrijkste persoon in mijn leven.” 

Les 2: In de natuur kom je tot jezelf
“Ik ben opgegroeid in Nes aan de Amstel. Als kind keek ik vanuit het zolderraam naar de boerderijen en dacht: daar wil ik wonen. Maar door mijn werk belandde ik met mijn partner Erik — die nota bene van een boerderij komt — eerst in Nijmegen en daarna in Haarlem, met alleen een dakterras. Ik voelde me er opgesloten. Dus toen ik de kans kreeg om hoogleraar in Groningen te worden, wisten we meteen dat we echt buiten wilden wonen. We vonden ons droomhuis aan de rand van een bos in Drenthe, bij het stroomdal van het Zeegserloopje. De eerste keer dat we het zagen, vielen we elkaar in de armen. We wonen op 1,25 hectare, met een eigen vennetje en een stuk moerasbos, omringd door stuifzandgebieden en veenplassen. Het is de hemel op aarde, ik kom hier helemaal tot rust. Een ideale plek om ver weg van iedereen te zijn; er zijn hier meer dieren dan mensen. Jammer dat ik mijn ouders hier nu niet naartoe kan halen. Mijn vader is al in de tachtig en heeft een kwetsbare gezondheid. Uiteraard maak ik me zorgen om hen. Ter compensatie van de afwezigheid deel ik in onze whatsapp-groep veel filmpjes met mijn zus en ouders. Zo kunnen ze meekijken als bijvoorbeeld de reeën hier door de tuin hollen.”

Les 3: Hoe je werkt, bepaalt hoe je leeft
“Als puber wilde ik naar de politieacademie, maar ik kwam niet door de selectie. In plaats daarvan koos ik voor rechten. Al snel werd ik gegrepen door arbeidsrecht. Het mooie van mijn vak is dat het niet alleen over regels gaat, maar vooral ook over hoe je de maatschappij organiseert. Op welke manieren werken mensen? Hoe zijn ze daarin beschermd? Dat bepaalt hoe ze wonen, hoe ze leven, hoe ze hun gezinnen inrichten. Op een hoger niveau gaat arbeidsrecht over verschillen tussen arm en rijk, tussen mensen met en zonder kansen. Over welke samenleving we met z’n allen willen vormen, kortom. Die meer filosofische kanten van het vak vind ik mateloos interessant.” 

Les 4: Alle werkenden verdienen bescherming
“Al vóór de coronacrisis maakte ik me zorgen over de arbeidsmarkt. Door de flexibilisering — het toenemende aantal tijdelijke contracten, payrollers en zzp’ers — staat het systeem steeds meer onder druk. Want hoe organiseer je arbeidsrecht buiten een arbeidsovereenkomst om? Het model  dat we de afgelopen decennia hebben opgetuigd, past niet meer bij de werkelijkheid van nu. Als hoogleraar in vaste dienst ben ik arbeidsrechtelijk optimaal beschermd, met recht op loondoorbetaling bij ziekte, zo nodig een werkloosheidsuitkering en een goed aanvullend pensioen. Terwijl kwetsbare werkenden, vaak lager opgeleid en hoppend van het ene naar het andere tijdelijke contract of opdracht, géén beroep op dat soort beschermende maatregelen kunnen doen. Je ziet nu ook in de coronacrisis dat veel werknemers met een flexcontract tóch worden ontslagen, ondanks de ruime loonsubsidie die werkgevers van de overheid krijgen. Vandaar dat het stelsel mijns inziens fundamenteel op de schop moet.”

Les 5: Gelijkheid en solidariteit op de arbeidsmarkt zijn zoek
“Om te beginnen moeten we de inkomensvoorziening bij ziekte of arbeidsongeschiktheid meer gelijktrekken. Ik ben dus voor een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers. Maar ook voor mensen in vaste dienst moet het anders. Een werkgever is nu verplicht om hen bij ziekte twee jaar — deels — door te betalen. Bovendien draait hij op voor de re-integratie. Dat maakt een vast arbeidscontract onevenredig duur. Best begrijpelijk dus, dat werkgevers die financiële last waar mogelijk proberen te omzeilen en hun heil zoeken in tijdelijk en flexwerk.
De  werkgeversverplichtingen bij ziekte mogen kortom wel wat minder. Net als de ontslagbescherming trouwens. Ik weet het, geen populaire boodschap. Maar in vergelijking met andere Europese landen is die bescherming hier echt heel groot. Ook dat maakt een langdurige arbeidsovereenkomst voor werkgevers minder aantrekkelijk. Als we deze twee dingen anders organiseren, wordt loondienst goedkoper en minder risicovol. Dan zal je zien dat meer mensen een vaste baan krijgen.”  

Les 6: Een crisis vergroot problemen uit
“Stiekem hoop ik dat de coronacrisis de hervorming van de arbeidsmarkt gaat versnellen. Het is nu duidelijker dan ooit dat zowel werknemers als zelfstandigen goede inkomensbescherming nodig hebben. Voor hun eigen belang én dat van de samenleving. Laat deze ervaring leiden tot  meer solidariteit tussen werkenden. Trouwens ook tussen zelfstandigen onderling. De ‘sterken’ onder hen, die graag hun eigen boontjes doppen, moeten bereid zijn een deel van hun vrijheid op te geven, ten gunste van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zo kunnen ze hun ‘zwakkere’ broeders helpen om de broodnodige inkomensbescherming te krijgen.”

Les 7: Word baas van je eigen tijd
“Bijna een miljoen Nederlanders worstelen met stressgerelateerde klachten. Burn-out is beroepsziekte nummer één. Ook dat zegt iets over hoe we arbeid regelen. Onze arbeidsproductiviteit is gigantisch hoog. Tegelijk missen veel mensen de regie over hun werk. Dat is een giftige combinatie. Helemaal als je, zoals flexwerkers en zzp’ers, ook nog onzeker bent over je inkomen.
In geringe mate heb ik dat zelf ondervonden toen ik jaren geleden bij een advocatenkantoor aan de slag ging. Ik had niet zozeer moeite met de hoeveelheid werk — in mijn huidige baan maak ik meer uren — als wel met het gebrek aan vrijheid. Verplicht op kantoor zitten, de dossiers op je bureau die bepalen wat je doet, presteren onder hoge tijdsdruk: ik voelde me aan alle kanten ingeperkt. Mega stressvol. Reden genoeg om voor een carrière in de wetenschap te kiezen. Als ik nu overdag wil hardlopen omdat de zon schijnt, haal ik dat ’s avonds of in het weekend wel weer in. Dankzij die autonomie kan ik veel meer aan.”

Les 8: Geef medewerkers vertrouwen
“Kortom: hard werken is niet erg, zolang dat maar in vrijheid kan. Op dat terrein valt er nog een wereld te winnen. Tegen werknemers zeg ik: maak duidelijke afspraken over wat jou het beste past. Bijvoorbeeld een thuiswerkdag. Dankzij de coronacrisis weten we dat dat vaak best kan. Natuurlijk realiseer ik me dat niet iedereen dit soort eisen aan zijn baas kan stellen. Vandaar dat ik mijn oproep ook aan werkgevers doe: gun je medewerkers wat vrijheid! Thuis werken mensen — zonder afleiding van collega’s en kantoortuin — vaak veel efficiënter. Bovendien is het een vorm van erkenning: je vertrouwt erop dat je personeel het daar óók goed doet. Als we meer van dat soort afspraken kunnen maken, wint iedereen. Want stressgerelateerd verzuim kost de maatschappij handenvol geld.”

Les 9: Een dag niet gesport is een dag niet geleefd
“Eigenlijk is mijn leven heel overzichtelijk: ik werk of ik sport. Beide doe ik dagelijks. Erik en ik zijn niet alleen partners, ook sportmaatjes. Door hem ben ik gaan mountainbiken, door mij is hij gaan windsurfen. Jarenlang reden we iedere zomer met een Volkswagenbusje vol surfplanken door Europa, op zoek naar de beste spots. Tegenwoordig sporten we vooral op en rond ons eigen land. Erik heeft daar een fantastisch mountainbikeparcours aangelegd, inclusief een starttoren van vijf meter hoog, bruggetjes, schansen en pumptrack. Niets fijners dan om fysiek bezig te zijn in de natuur. Zo maak ik mijn hoofd leeg. Door deze crisis kan ik helaas niet naar de sportschool voor mijn krachttraining. Gelukkig heeft Erik daar iets op verzonnen. Van een surfmast heeft hij een halter voor me gemaakt. Plakken van een boomstam vormen de gewichten van tien en vijftien kilo. Zo kan ik mijn spieren ook in quarantaine blijven trainen.” 

Les 10: Laat je niet door angst regeren
“Mijn moeder was vroeger heel bezorgd over ons; ze zag overal gevaren. We mochten bijvoorbeeld niet paardrijden, want stel dat we zouden vallen. Daarom was ik als meisje best voorzichtig. Het sporten heeft me echt veranderd; ik zoek daarin steeds de grenzen op van mijn kunnen. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd. Dat ik best met mijn mountainbike van een schans kan springen, bijvoorbeeld. En dat ik ook met een blessure kan blijven trainen, zij het op een andere manier. Dat vertrouwen werkt door in de rest van mijn leven. Voor een nieuwe baan naar de andere kant van het land verhuizen? We waagden het erop. Want de veilige optie is comfortabel, maar brengt je zelden verder.” 

[Kader]
Hoogleraar arbeidsrecht prof. mr. Saskia Peters (Nes aan de Amstel, 1972) studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit en promoveerde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daar was ze ook enige tijd universitair docent. Ze werkte vijf jaar als wetenschappelijk medewerker en als advocaat bij AKD in Eindhoven en Amsterdam, voor ze terugkeerde naar de UvA, nu als hoofddocent Arbeidsrecht. In 2013 werd ze hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daar zette ze een nieuwe masterspecialisatie arbeidsrecht op. Gemiddeld is ze drie dagen per week met onderwijs bezig. De rest van haar tijd besteedt ze aan commissiewerk voor de faculteit, onderzoek en nevenfuncties. Peters woont samen met haar partner, ingenieur Erik Tober, in Drenthe. 

 

LEVENSLESSEN VAN CORRESPONDENT TIM DE WIT

20 apr

Schermafbeelding 2020-04-18 om 17.05.54

Gepubliceerd in Trouw, 18 april 2020. Foto: Joël van Houdt.

Groot-Brittannië-correspondent Tim de Wit heeft sinds 2005 de ziekte van Crohn. Ondanks de grote impact van de darmziekte op  zijn leven, laat hij zich daar niet door beperken. Integendeel. “Met de coronacrisis moet ik extra voorzichtig zijn. Maar dat ben ik altijd al.”

1 Correspondent ben je dag en nacht
“Mijn leven draait om het nieuws. Na het opstaan zet ik meteen het programma ‘Today’ op BBC Radio 4 aan, een soort Radio-1-journaal. Daarna lees ik zoveel mogelijk kranten op mijn iPad en check ik Twitter. Dan beginnen de telefoontjes. Ik overleg eindeloos veel. Bijvoorbeeld met de redacties van de NOS en Trouw over wat ik met bepaalde onderwerpen wil doen. Dan ga ik op pad voor reportages, doe ik zo nodig live verslag op radio en tv en schrijf ik stukken voor de krant.
Sinds 2009 heb ik op drie buitenlandse posten gezeten: in Zuid-Afrika, Duitsland en nu Groot-Brittannië. Een ware achtbaan. Het correspondentschap is de mooiste baan ter wereld, maar wel één die je hele leven in beslag neemt. Aan de brexit heb ik het afgelopen jaar zo’n beetje dag en nacht gewerkt. Het liet weinig ruimte in mijn hoofd voor andere dingen. Ik begin die verdieping echt te missen.”

2 Niets leuker dan verhalen vertellen
“Als kleine jongen maakte ik krantjes over onze familieweekenden. En tikte ik op een elektrische typemachine stukjes voor het blaadje van mijn voetbalclub. Toen al vond ik niets leuker dan anderen deelgenoot te maken van mijn ervaringen en gedachten. Toch was het niet vanzelfsprekend dat ik naar de School voor Journalistiek ging. ‘Weet je hoeveel journalisten er in mijn kaartenbak zitten, zei mijn vader, die bij de gemeente Amsterdam langdurig werklozen aan een baan hielp. Op zijn aandringen ging ik economie studeren.
Wat doe ik hier, dacht ik tijdens een werkbezoek aan een grote bank. Het geneuzel met statistiek en economische modellen was niets voor mij. Tijdens het kerstdiner vertelde ik mijn ouders dat ik alsnog journalistiek wilde doen. Als ik door het toelatingsexamen zou komen, zouden ze me steunen. Met zo’n vijfhonderd aspirant-studenten maakte ik dat in sportcomplex Vechtsebanen in Utrecht. Ik weet nog dat ik ook een essay moest schrijven over toenmalig burgemeester Bram Peper, die het jaar ervoor zijn bonnetjesaffaire had gehad. Toen de uitslag van het examen kwam, bleek ik als vijfde te zijn geëindigd. Daar kon ik mee thuiskomen.”

3 Kijk eens met de ogen van een ander
“Op de School voor Journalistiek leerde ik het handwerk: schrijven, presenteren, monteren. Heel waardevol, maar ik miste toen al die diepgang, duiding over hoe de wereld in elkaar zit. Daarom besloot ik, toen ik na mijn studie bij radioprogramma ‘Langs de lijn’ kon beginnen, tegelijkertijd een voltijd master Internationale Betrekkingen te doen. Als onderdeel daarvan ging ik zes maanden studeren aan de University of Western Cape in Kaapstad, in 1960 opgericht voor ‘kleurlingen’. Ik was een van de negen witte studenten.
Die ervaring opende mijn ogen. De blik waarmee Afrikanen naar Europeanen – hun voormalige kolonisators – kijken is zó anders dan waarmee we dat zelf doen. Ineens realiseerde ik me hoezeer je eigen perspectief je blik op de wereld bepaalt. En in wat voor beschermde bubbel ik tot dan toe had geleefd. Het versterkte mijn drang om anderen te begrijpen en hun verhalen te delen. Juist ook van mensen die ver van me afstaan. Neem de brexiteers, mensen die weg wilden uit de EU. Je kunt hen afdoen als domme populisten, of proberen ze te snappen.”

4 Tegenslag kan ook kracht geven
“In juni 2006 vertrok ik naar Zuid-Afrika, en in september werd ik doodziek. De steken in mijn buik waren zo heftig, dat ik letterlijk dubbelklapte van de pijn. En ik moest heel vaak naar het toilet. ‘Heimwee’, constateerde de universiteitsdokter. Van de kalmeringspillen die hij me gaf, sliep ik prima, maar de pijn bleef. De weken erna raakte ik volledig uitgeput. In razend tempo viel ik 18 kilo af. Op een vrijdagmiddag kon ik niet meer en liet ik mijn bloed prikken. Mijn ontstekingswaarde, die normaal onder de 10 ligt, was 393.
Met spoed meldde ik me bij een privékliniek — het voorrecht van een blanke buitenlander. ‘We kennen uw Nederlandse zorgverzekering niet’, zeiden ze daar. Ik kon praten als Brugman, maar ze wilden me niet opnemen. Toen ik in paniek mijn ouders belde, was mijn beltegoed binnen een minuut op. Uren later wisten zij te regelen dat mijn zorgverzekeraar een fax naar het Zuid-Afrikaanse ziekenhuis stuurde, met een garantstelling voor de kosten. Pas daarna ging de deur voor me open. Ik denk deze dagen, waarin het coronavirus ook razendsnel door de Zuid-Afrikaanse townships waart, regelmatig aan die ervaring terug. Wat een luxe dat de zorg in Nederland zo goed is geregeld. En dat nooit iemand in nood om financiële redenen wordt weggestuurd.
De ochtend na mijn opname in het ziekenhuis werd ik geopereerd. Ik bleek de ziekte van Crohn te hebben: een chronische darmontsteking met buikpijn, diarree en vermoeidheid als belangrijkste klachten. Toen ik de ziekte vanuit mijn ziekenhuisbed googelde – iets wat ik iedereen met klem afraad – schrok ik me rot. Ik las verhalen van mensen die niet meer konden werken. Op mijn 25ste zag ik mijn toekomst in een keer instorten. Zou ik mijn journalistieke dromen nog kunnen waarmaken? Zouden vrouwen nog met me durven zijn?
Gelukkig vond ik in Kaapstad een specialist met veel kennis van crohn. Hij gaf me heldere uitleg en schreef me azathioprine voor, een relatief licht crohn-medicijn, dat de ontsteking onderdrukt. Het middel werkt bij mij uitstekend. In 2011 heb ik nog een keer een heftige opvlamming gehad. Toen is 25 centimeter van mijn dunne darm operatief verwijderd en ben ik er ruim vier maanden uit geweest. Sindsdien kan ik mijn klachten goed managen.
Mijn ziekte heeft me veel ellende gebracht, maar óók een ongekende kracht en doorzettingsvermogen in me losgemaakt. Zodra ik uit het ziekenhuis kwam, besloot ik: dit gaat mijn leven niet dicteren. Misschien ben ik dankzij mijn ziekte juist wel extra ver gekomen.”

5 Je bent meer dan je ziekte
“Het eerste wat ik deed toen ik na mijn laatste operatie wakker werd, was op mijn buik voelen of ik een stoma had. Dat leek me vreselijk. Er kleeft nog altijd een taboe aan alles wat met ontlasting te maken heeft. Als ik eerlijk ben, vind ik het ook best spannend om zo open over mijn ziekte te vertellen. Normaal praat ik er zelden over. Van mijn opdrachtgevers weet slechts een handjevol mensen ervan. Met daten – ik ben single – is het ook ongemakkelijk. Want wanneer breng ik mijn crohn bij een vriendin ter sprake? Zeker in het begin maakte ik dat in mijn hoofd heel groot. Gelukkig is mijn onzekerheid hierover in de loop van de jaren afgenomen. Vooral omdat in de praktijk nog nooit iemand vervelend heeft gereageerd. Door mijn verhaal nu alsnog breder te delen, hoop ik anderen met een chronische aandoening moed in te spreken. Je bent je ziekte niet.”

6 Onvoorspelbaar werk vereist balans in je leven
“Hoewel ik niets voor mijn ziekte laat, is die wel altijd aanwezig. Ik leef zo gezond en regelmatig mogelijk, met voldoende beweging en slaap en weinig alcohol. Met mijn onvoorspelbare werk is dat trouwens knap lastig; ik ben voortdurend op zoek naar balans in mijn leven.
Het ingewikkeldste vind ik dat mijn darmen onaangekondigd kunnen opspelen. Dan moet ik snel naar het toilet kunnen. Waar ik ook naartoe ga, daar houd ik constant rekening mee. Ik heb een tijd in Oost-Londen gewoond. Van daar uit was het zeven metrohaltes naar mijn kantoor. Al snel wist ik bij elke halte waar de dichtstbijzijnde wc was, in een hotel of café. Die stress draag ik altijd bij me. Het was een belangrijke reden om naar het – belachelijk dure – centrum van Londen te verhuizen.
Nu met corona zorg ik nog beter voor mezelf dan anders. Door mijn afweeronderdrukkende medicijnen behoor ik tot de risicogroep. Al sinds half februari, toen de meeste Britten het virus nog niet erg serieus namen, trof ik voorzorgsmaatregelen. Door onderweg veelvuldig desinfecterende handgel te gebruiken en mijn schoenen bij thuiskomst met een alcoholspray te ontsmetten. Mondkapjes heb ik geprobeerd, maar als ik daardoor praat, beslaat mijn bril. Sowieso zit ik sinds begin maart in zelfopgelegde quarantaine. Bang om ziek te worden ben ik niet echt. Ik voel me al zo’n tijd goed dat ik erop vertrouw dat mijn immuunsysteem het aankan.”

7 Niets verbroedert zo als sport
“Sinds mijn vader me op mijn vijfde voor het eerst meenam naar een voetbalwedstrijd van Ajax, ben ik idolaat van sport: als beoefenaar – ik doe aan cricket, loop hard en ga naar de sportschool – en als toeschouwer. Sport gaat voor mij over kracht en vreugde en verbinding tussen mensen. Een fijne tegenhanger voor het vaak minder leuke nieuws, waar ik dagelijks mee bezig ben.
Mijn mooiste sportherinneringen stammen uit Zuid-Afrika. Daar mocht ik in 2010 voor de radio achtergrondverhalen maken over het WK voetbal. Dat Nederland de finale haalde, was fantastisch. Minstens zo indrukwekkend vond ik het om te ervaren wat het toernooi – het eerste WK voetbal op Afrikaanse bodem – met de Zuid-Afrikanen deed. Het bracht het hele land samen. De eenheid die ik toen voelde, had geen politieke partij ooit kunnen bereiken. Dat lukt alleen met sport.”

8 Mijn mening doet er niet toe
“Na de Britse verkiezingen afgelopen december gingen mensen op Twitter helemaal los tegen mij. Naar aanleiding van de lange rijen bij sommige stembussen had ik bij ‘Nieuwsuur’ gezegd dat een hoge opkomst historisch gezien vaak goed uitpakt voor Labour.
Ik werd overstelpt met aantijgingen. Dat ik het uithangbord was van bevooroordeelde linkse media. Dat mijn uitspraken wensdenken was van de NOS. Niet enkele, maar duizenden keren. Het naarst waren de persoonlijke bedreigingen die mensen me stuurden. Ik was een landverrader met wie ze in de Tweede Wereldoorlog wel raad hadden geweten, schreef iemand. Een ander meldde dat hij hard gas zou geven als ik voor zijn auto kwam.
Tegenwoordig horen dit soort reacties op sociale media – helaas – bij het vak. Over het algemeen kan ik ze redelijk goed van me afzetten. Waar ik wel moeite mee heb, is de vooringenomenheid. Dit soort mensen neemt direct stelling en gaat vol in de aanval, zonder te checken of wat ze zeggen klopt. Dat steekt, omdat het zo onrechtvaardig voelt. Ik neem mijn verantwoordelijkheid om objectief te berichten heel serieus. Sterker nog, het is de kern van mijn vak. Mijn mening doet er helemaal niet toe. Die zal ik vanuit mijn functie dus ook nooit verkondigen.”

[Kader]
Na de School voor Journalistiek en een master Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht begon journalist Tim de Wit (Naarden, 1981) in 2007 op de buitenlandredactie van de NOS. In 2009 verruilde hij Hilversum voor Zuid-Afrika, waar hij twee jaar als freelance correspondent werkte. In die tijd begon hij ook met schrijven voor Trouw. Van 2011 tot 2015 was hij werkzaam in Berlijn. Daarna verhuisde hij naar Londen, waar hij sindsdien verslag doet voor onder andere Trouw, de NOS en Nieuwsuur. Daarnaast maakt hij voor de NPO samen met historicus Arend Jan Boekestijn de podcast ‘Europa draait door’, voor wie Europa beter wil begrijpen (nporadio1/podcasts/brexit-de-podcast).

 

 

LEVENSLESSEN VAN PSYCHIATER RENÉ KEET

6 apr

Schermafbeelding 2020-04-06 om 08.59.14

Gepubliceerd in Trouw, zaterdag 4 april 2020 (Foto: Merlijn Doomernik)

De collega’s en patiënten van psychiater Réne Keet (60) wisten jarenlang niet dat hij zelf depressieve klachten had. Sinds hij daar open over is, voelt hij zich bevrijd. 

Les 1: Doe afstand van je troon
“Ik was een diepgelovig kind. Mijn ouders waren vrome katholieken, mijn oom werkte als deken in Amsterdam. Iedere zondag zaten we in de kerk en ging ik naar de Rooms-Katholieke jongensschool in Den Haag. De aanwezigheid van God in mijn leven was vanzelfsprekend. Tot ik de eerste communie deed. Nu heb ik een direct lijntje met Hem, dacht ik, en kan ik Hem vragen om de vreselijke oorlog in Vietnam te stoppen. Maar de oorlog ging door en mijn twijfel begon.
Op die manier geloven doe ik niet meer. Toch is er iets wat me nog altijd met het geloof verbindt: het begrip compassie. Dat is mijns inziens de kern van religie én van mijn vak. Zoals de Britse schrijfster en religie-expert Karen Armstrong zo mooi zegt: ‘Compassie is onze drijfveer om ons onvermoeibaar in te zetten om het leed van onze medemensen te verlichten. En om afstand te doen van onze troon in het middelpunt van de wereld en daar een ander te laten plaatsnemen’. Het gaat als psychiater niet om mij, maar om mijn patiënten. Alleen als ik oprechte compassie voor hen voel, kan ik ze helpen om te veranderen.” 

Les 2: Beter worden doe je thuis
“Ik was zeventien toen een goede vriend van mijn broer met een depressie werd opgenomen in een psychiatrische instelling. Samen zochten we hem daar op. De vitale jongen die we kenden was veranderd in een verslagen patiënt, met wie we nauwelijks contact kregen. Omringd door allemaal andere zieke mensen, die net als hij enorm leden. Ik keek om me heen en dacht: hoe kan hij hier beter worden? Ik wilde niets liever dan hem er weghalen, ervan overtuigd dat zo’n deprimerende ziekenhuisomgeving averechts werkt. Dat geloof ik nog steeds. Gelukkig is er de afgelopen veertig jaar in de psychiatrie veel veranderd. ‘Beter worden doe je thuis’, is het motto van mijn organisatie, GGZ Noord-Holland-Noord. Opnameplekken blijven nodig, maar alleen voor acute crisisgevallen. Verder behandelen we zoveel mogelijk ambulant, ook bij patiënten thuis. Het leven van mensen met ernstige psychiatrische klachten kan flink ontwricht raken. Door verlies van relaties en werk bijvoorbeeld. Wanneer je alleen iemands symptomen behandelt, los je die andere problemen niet op en is de kans op terugval groot. Je moet dus naar het totale plaatje kijken en samen met alle betrokkenen een herstelplan maken.” 

Les 3: Je ziet het pas als je het doorhebt
“Als tiener kon ik al periodes heel somber zijn. Maar op mijn 24ste, toen ik geneeskunde studeerde, ging het echt mis. Een van mijn zussen overleed totaal onverwacht aan een acute hartstilstand. Ze was 28. In dezelfde periode kreeg een dierbare een ernstige psychose. Ik wist niet hoe ik met het overweldigende gevoel van verdriet en machteloosheid moest omgaan en raakte in een depressie. Die duurde ruim een jaar. Aan iemand die het nooit heeft meegemaakt, blijft het moeilijk om uit te leggen hoe dat voelt. Voor mij begint het met slechter slapen en een diepe, diepe vermoeidheid. Alles kost meer energie dan normaal. Ook logisch nadenken. Als je in zo’n zwart gat zit, ben je ervan overtuigd dat je daar nooit meer uitkomt. Dat het nooit meer beter wordt. Overigens zag ik zelf als twintiger niet in dat ik aan een depressie leed. Dat kwam pas later, toen de klachten terugkwamen en mijn vrouw me ertoe aanzette om hulp te zoeken.” 

Les 4: Maak een plan
“Mijn depressie is recidiverend. Dat wil zeggen dat de klachten elke twee, drie jaar terugkeren. Vanaf begin jaren ’90 heb ik verschillende behandelingen geprobeerd. Waar ik veel aan heb gehad, is cognitieve gedragstherapie. Daarbij leer je niet-helpende gedachten en gevoelens te herkennen en te relativeren. Zo worden ze minder overheersend. Dat helpt weer om op een andere manier op situaties te reageren. Positief en daadkrachtig, in plaats van negatief en wantrouwend. Wat me verder erg heeft geholpen, is om samen met een ervaringsdeskundige een Wellness Recovery Action Plan te maken. Dat format is in 1997 ontwikkeld door de Amerikaanse Mary Ellen Copeland. Zij had zelf ernstige psychiatrische problemen en miste een positief en praktisch hulpmiddel om grip te houden op haar leven. Daarvoor bedacht ze het WRAP. Ik kan het gebruik ervan iedereen aanraden. In een WRAP beschrijf je wat je nodig hebt om je eigen herstel vorm te geven. Vervolgens werk je in zes stappen uit wat je kunt doen om dat te bereiken. En om te voorkomen dat je toch weer uit balans raakt. Het vormt je gereedschapskoffer, waar je altijd uit kunt putten. Ik pak mijn eigen WRAP er regelmatig bij, zeker als ik weer klachten krijg. Dan herinner ik mezelf eraan dat ik op tijd gas moet terugnemen. En dat bewegen en muziek maken voor mij helend werken. Verder zijn mijn klachten seizoensgebonden. Uit voorzorg gebruik ik daarom iedere winter een daglichtlamp.” 

Les 5: Het is nooit te laat om je hart te volgen
“Juist in de tijd dat ik het als twintiger zelf mentaal moeilijk had, liep ik mijn co-schap op de afdeling psychiatrie. Ineens kwamen de problemen van mijn patiënten wel heel dichtbij. Ik voelde aan alles: het is voor niemand goed als ik nu het vak in ga. Ik had anderen op dat moment onvoldoende kunnen helpen. In plaats daarvan ben ik na mijn studie epidemioloog geworden, gespecialiseerd in infectieziekten. Op het hoogtepunt van de AIDS-epidemie deed ik in Amsterdam onderzoek naar dat virus. Fantastisch werk, maar de psychiatrie bleef trekken. ‘Als dat is wat je echt wil, ga er dan voor’, zei mijn vrouw. En dus begon ik op mijn 38ste aan een nieuwe specialisatie. Vanaf dag één voelde ik me als een vis in het water. Ik ben wetenschapper, maar ook filosoof, wereldverbeteraar en bovenal mensenmens. In de psychiatrie kan ik al deze kanten van mezelf inzetten.”

Les 6: Je verhaal delen werkt bevrijdend
“Ik heb vijftien jaar in de psychiatrie gewerkt, zonder op het werk ooit over mijn eigen depressies te vertellen. Ik zag mijn aandoening als een zwakte en vreesde dat die tegen me zou worden gebruikt. Toen ik eind jaren ’90 solliciteerde op de opleidingsplek voor psychiater, raadden vrienden uit het vak me bijvoorbeeld af erover te vertellen. Zeven jaar geleden kwam het keerpunt. Als directeur van een grote GGZ-divisie moest ik voor ruim tweehonderd medewerkers een praatje houden over het thema stigma. Daar heb ik zelf óók last van, realiseerde ik me in de voorbereiding. Ik was bang dat mensen me anders zouden gaan bekijken als ze van mijn depressies wisten, dat ik er niet meer bij zou horen. Mijn schaamte bleek een enorme rem. Dan moet ik alles nu opengooien, dacht ik. Natuurlijk vond ik het hartstikke spannend toen ik daar op het podium stond. Tot mijn opluchting waren de reacties zonder uitzondering positief. Niet alleen dat, mijn verhaal creëerde ook ruimte voor collega’s om hún ervaringen met psychische klachten te delen. Sindsdien voel ik me vrijer, meer mezelf. Bovendien kan ik nog beter verbinding maken met mijn patiënten. Als ik denk dat het iets aan het gesprek toevoegt, vertel ik ze over mijn eigen worstelingen. Dan voelen ze zich extra goed gezien, merk ik.”

Les 7: Je bent nooit uitbehandeld
“Decennialang was de geestelijke gezondheidszorg eenzijdig gericht op de aanpak van klachten. Als het niet lukte om die te verminderen, was iemand ‘uitbehandeld’. Aan die term heb ik me altijd enorm geërgerd. Feitelijk zeg je daarmee: we geven je op. Maar zonder hoop geen verandering. Bovendien, een psychiatrische aandoening is nooit statisch. Relaties, werk, leefstijl, stress: ze hebben allemaal invloed op het verloop. Dat merk ik ook in mijn eigen leven. Er zijn dus veel knoppen waaraan je kunt draaien om iemand te helpen veranderen. Gelukkig is dat inzicht de laatste jaren steeds meer gemeengoed geworden. Het begint al bij de intake. Die doen we tegenwoordig samen met een ervaringsdeskundige. In plaats van te vragen wat er mis is, informeren we wat er met iemand is gebeurd. Wat zijn zijn krachten en kwetsbaarheden? Waar wil hij naartoe? En wie of wat heeft hij nodig om daar te komen? We richten ons dus niet alleen op de problemen, maar óók op wat goed gaat. Op wat iemand wél kan. Daar borduren we op voort. Van klacht naar kracht, noemen we dat. Want ook als je klachten houdt, kan je kwaliteit van leven als psychiatrisch patiënt verbeteren.”

Les 8: Zet jezelf op een nieuwsdieet
“Ik weet nog dat ik in 1996 het boek Emerging Viruses van Stephen Morse las. Als epidemiologen waren we er toen al van overtuigd dat er een keer een wereldwijde virusuitbraak zou komen met verstrekkende gevolgen. Ik kijk dus niet op van de coronacrisis. De zorgen van lezers daarover kan ik niet wegnemen. Wel wil ik een paar tips geven over het omgaan met de onvermijdelijke onzekerheid en misschien ook angst waar we nu allemaal mee te maken hebben. Zet jezelf in ieder geval op een nieuwsdieet. Eén of twee keer per dag het nieuws checken is echt voldoende. Vaker geeft alleen maar meer onrust. Probeer ook niet vooruit te lopen op wat er allemaal nog kan gebeuren. Spreek met jezelf af dat je het van dag tot dag bekijkt. Tot slot: zorg goed voor jezelf. Bel vrienden, zoek afleiding, ga mediteren, blijf bewegen. Zelf maak ik, nu ik thuis werk, dagelijks een lange wandeling in de duinen. Dat helpt echt, voor lichaam en geest.”

[Kader]
Psychiater dr. René Keet (Den Haag, 1959) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was jarenlang infectieziektenepidemioloog, gespecialiseerd in AIDS, voor hij in 1998 begon met zijn specialisatie psychiatrie. Sindsdien werkt hij als psychiater. Hij is directeur van de FIT-Academy bij GGZ Noord-Holland-Noord, voorzitter van het European Community Mental Health Service Providers Network (EUCOMS) en lid van de Council Clinical Leaders van de International Initiative Mental Health Leadership (IIMHL). Keet is getrouwd en heeft drie volwassen kinderen.

 

Eén ding tegelijk, hoe doe je dat?

2 sep

Schermafbeelding 2019-09-02 om 13.00.46.png

Gepubliceerd in Trouw, 31 augustus 2019. Illustratie: Arjen Born. 

Na mijn vakantie wist ik het zeker: ik zou mijn leven heel anders gaan aanpakken. Met meer focus en minder afleiding.

Het is maandagochtend, negen uur. Mijn vingers rusten op het toetsenbord, klaar om dit verhaal te schrijven. Gedachteloos dwaalt mijn hand naar de muis. Gauw nog even dat mailtje sturen voor ik het vergeet. Nee, niet doen, corrigeer ik mezelf. Ik had me nog zo voorgenomen om me vanaf nu op één ding tegelijk te focussen.
Een paar weken eerder ben ik teruggekomen van een heerlijke vakantie in Tsjechië. Zoals altijd had ik de eerste dagen van huis moeite om mijn hoofd tot rust te brengen. Als vanzelf greep ik onderweg elk half uur naar mijn telefoon om te checken of ik niet een belangrijke e-mail had gemist. Of een appje van een vriendin. Of een bericht dat ik iets via Marktplaats had verkocht.
Pas na een vakantiedag of drie begonnen de achtbaanwagentjes in mijn hoofd wat langzamer te rijden. Terwijl ik vanaf een terras de zon achter de glooiende Tsjechische heuvels zag zakken, vroeg ik me af waarom het me de laatste jaren steeds meer moeite kost om mijn drukke geest tot bedaren te brengen. Om één ding tegelijk te doen, in plaats van de hak op de tak te springen. Het lijkt ook haast wel alsof ik het concentreren ben verleerd. Niet alleen met werken trouwens. Vroeger kon ik me uren in een goed boek verliezen. Tegenwoordig kost het me moeite om mijn aandacht langer dan een half uur bij een verhaal te houden. De bijbehorende onrust voel ik in mijn maag. En in mijn nek, die min of meer permanent vastzit. Dat moet toch anders en beter kunnen. Hoe houd ik de vakantiekalmte vast als mijn mailbox in september onherroepelijk volloopt en ik (van mezelf) weer tien dingen tegelijk moet?
Eenmaal thuis ga ik te rade bij drie experts, die ieder een bestseller over het onderwerp schreven. Met hun tips lukt het me steeds beter om me minder te laten afleiden. Meestal dan. Want dat ene mailtje? Dat heb ik voor het schrijven van dit artikel toch nog even verstuurd

1. Als je wisselt, ben je af
“De meeste mensen zoeken de oorzaken voor hun versnipperde brein vooral buiten zichzelf, bij hun telefoon en sociale media”, betuigt psycholoog en focustrainer Mark Tigchelaar in ‘Focus AAN/UIT’. “Maar de sleutel tot meer focus ligt vooral in jezelf. Pas als je je interne afleiders onder controle hebt, heeft het zin om naar externe factoren te kijken.”
In zijn boek bespreekt Tigchelaar hoe je verschillende ‘concentratielekken’ dicht en zo meer gedaan krijg. Hij geeft daarvoor tal van praktische tips. ‘s Avonds voor het slapen nog even een mindsweep doen bijvoorbeeld: alle taken die door je hoofd spoken en die je niet mag vergeten op een papiertje schrijven. Of tijdens een pauze een beetje relaxt bewegen in plaats van Instagram te checken.
Het advies waar ik zelf het meest aan heb gehad? Als je wisselt, ben je af. “Stel, je bent bezig met het schrijven van een verslag”, zegt Tigchelaar. “Ineens schiet je te binnen dat je dat nog een app-je moest beantwoorden. Je pakt je telefoon en typt een bericht. Nu je toch bezig bent, check je meteen nog even het nieuws op nu.nl. Wat maken die paar minuten immers uit. Het probleem is echter niet het tijdverlies, maar het verlies van hersencapaciteit.”
Elke keer dat we van taak wisselen, blijft een deel van ons brein namelijk hangen bij datgene waar we eerst mee bezig waren. Dat zorgt voor een spagaat in je hoofd: je aandacht wordt opgesplitst waardoor je er — bij beide activiteiten — niet 100 procent bij bent. De oplossing is even simpel als ingewikkeld: minder switchen en jezelf steeds terugbrengen naar waar je mee bezig was. “In het begin kan dat wat ongemakkelijk voelen. Je mist daardoor namelijk de kick die het hoppen van de ene naar de andere bezigheid met zich meebrengt. Want ons brein is verslaafd aan nieuwe prikkels.”
Het verklaart waarom mijn concentratie al jaren tanende is. Gebrek aan focus is een neerwaartse spiraal die je met je versnipperde gedachten en acties zelf verergert. Gelukkig is het tij te keren. Zo zijn er allerlei foefjes en hulpmiddelen om afleiding te beperken. Denk aan je telefoon in een andere kamer leggen of een programmaatje gebruiken waarmee je het internet op je computer tijdelijk blokkeert.
Nog doeltreffender is het volgens Tigchelaar om anders te leren werken. “Mijn gouden tip: bundel taken. Vaak doen mensen dat op basis van inhoud: eerst werk je aan project A, dan aan B. Maar omdat je dan nog allemaal verschillende dingen doet — lezen, overleggen, schrijven, bellen — blijft je brein switchen. Het is dan ook slimmer om activiteiten te bundelen. Dus: ‘s ochtends schrijftaken, ‘s middags telefoontjes afhandelen. Dat geeft rust en vergroot je productiviteit.”
Mark Tigchelaar en Oscar de Bos, Focus AAN/UIT — Dicht de 4 concentratielekken en krijg meer gedaan in een wereld vol afleiding (Spectrum 2019), € 20,00.

2. Bewaar taken niet in je hoofd
Toen Rick Pastoor, hoofd productontwikkeling bij online kiosk Blendle, na zijn studie informatica ging werken, liep hij tegen allerlei praktische problemen aan. Zich snel opstapelende achterstallige mails bijvoorbeeld, en een eindeloze takenlijst die nooit af leek te komen. Om efficiënter te gaan werken, verdiepte hij zich in verschillende methodes en combineerde ze tot een eigen systeem. Het idee voor zijn boek GRIP – Het geheim van slimmer werken was geboren.
“Meer focus begint wat mij betreft met een digitale agenda”, zegt Pastoor. “Dat is je fundament, je navigatiesysteem. In je agenda noteer je niet alleen je afspraken, maar ook je voorbereidings- en reistijd. Daarnaast blok je tijd voor je verschillende activiteiten. Het verwerken van je e-mail bijvoorbeeld. Mijn advies: doe dat vanaf vandaag nooit meer tussendoor. Plan in je agenda drie e-mail-blokken van een half uur, één aan het begin van de dag, één voor of na de lunch en één aan het einde van de werkdag.”
De volgende stap: haal alle, maar dan ook echt alle grote en kleine taken die door je brein spoken daar zo snel mogelijk uit je hoofd en zet ze op een (digitale) takenlijst. In zijn boek legt Pastoor gedetailleerd uit hoe zo’n takenlijst eruit kan zien en vooral ook hoe je die onderhoudt. Zelf ben ik meer van het papier. Vandaar dat ik ervoor heb gekozen om met een bullet journal te werken, een soort logboek waarin je je hele leven documenteert. Van afspraken tot herinneringen, van to-do-lijstjes tot levensdoelen; alles krijgt een plek. Zodat je je gedachten daarover niet meer krampachtig in je hoofd hoeft te houden.
Rick Pastoor, GRIP — Het geheim van slim werken (Uitgeverij Nz 2019), € 18,99.

3. Train je aandachtsspier
“Mensen gaan vaak pas over hun geestelijke conditie nadenken als het fout gaat”, zegt spreker en trainer Wouter de Jong, schrijver van Mindgym — Sportschool voor de geest en Mindgym — Work-outs. “Vreemd, wantje neemt toch ook geen zwemles terwijl je verdrinkt? Veel beter kun je jezelf daarvóór praktische vaardigheden aanleren, waarop je altijd kunt terugvallen. Dat is het doel van mijn mindgym: een mentale work-out die je helpt te focussen en je innerlijke rust te behouden.”
Een van de onderdelen is het trainen van je aandacht. (De andere twee zijn compassiekracht en geluksvaardigheid.) Daarbij baseert hij zich op de principes van mindfulness, waarin hij meerdere opleidingen volgde. “Net zoals je je lichaam kunt blesseren als je overmatig beweegt, zo kun je ook je ‘aandachtsspier’ overbelasten. Met als gevolg dat je gedachten bij de simpelste activiteit afdwalen. Gelukkig kun je leren je aandachtsspier op een andere manier te gebruiken en hem zo te versterken. Door mindful te leven, kies je bewust waarop je je op richt en hóe je dat doet. Gaandeweg zul je merken dat je je daardoor beter kunt focussen.”
De voordelen van aandachtstraining gaan volgens De Jong trouwens veel verder dan alleen een betere concentratie. Uit tal van studies blijkt dat bijvoorbeeld ook je zelfbeheersing, besluitvaardigheid en geluksgevoel toenemen en dat piekergedachten en sombere gevoelens verminderen. In zijn boek geeft hij oefeningen, waarmee je in een aantal weken leert je aandachtiger te zijn. Denk aan regelmatig adempauzes nemen of dingen die je normaal op de automatische piloot doet (traplopen, gordijnen open doen, etc.) heel bewust uitvoeren.
De Jong realiseert zich dat dat behoorlijk zweverig klinkt en dat hij daarmee mogelijk mensen afschrikt. “Ik weet het: mindfulness heeft een imagoprobleem. Vandaar dat ik het liever over aandachtstraining heb. Daar is niets vaags aan. Mijn tips zijn juist heel praktisch. Zelf zit ik bijvoorbeeld regelmatig gedachteloos te swipen op mijn telefoon. Als ik merk dat dat uit de hand loopt, schrijf ik groot ‘AANDACHT’ op mijn rechterduim. Elke keer als ik dan mijn telefoon pak, is het woord het eerste wat ik zie. Besluit ik toch te kijken, dan maak ik die keus in ieder geval bewust.”
Toch maar eens proberen.
Wouter de Jong, Mindgym, sportschool voor je geest — In 12 weken meer focus, rust en energie (Maven Publishing), € 19,99.

 

LEVENSLESSEN VAN SCHEEPSBOUWER THECLA BODEWES

12 jun

JPG

Gepubliceerd in Trouw, 8 juni 2019. Foto: Merlijn Doomernik.

Haar vader vond schepen bouwen aanvankelijk niets voor meisjes. Dat weerhield Thecla Bodewes er niet van om in 1998 de familiescheepswerf in Hasselt over te nemen. Inmiddels bezit ze vier werven in Stroobos, Kampen, Meppel en Harlingen. “De geur van verbrand teer en gesneden staal betekent voor mij thuiskomen.”

Les 1: Het wordt pas bijzonder door de ogen van een ander
“Mijn drie zussen waren fanatieke amazones, maar ik vond paarden eng. Als enige van ons vieren knutselde ik liever, of zat ik te rekenen. Hockey en varen waren mijn passies. Vanaf mijn elfde ging ik samen met mijn zus van dertien alleen het water op. Je kunt het je nu nauwelijks meer voorstellen, maar als jonge meisjes voeren we dan in onze tjalk van 15 meter van Hasselt naar Blokzijl. Mobiele telefoons waren er nog niet, dus mijn vader belde vooraf naar de sluiswachter en de havenmeester dat wij eraan kwamen. Konden die ons een beetje in de gaten houden en helpen bij het aanleggen.
Met mijn ouders en zussen woonde ik tegenover de familiewerf, waar binnenvaartschepen werden gebouwd en onderhouden. De geur van verbrand teer en gesneden staal associeerden wij met thuis. Als meisjes kwamen we vooral op de werf als we een lekke band hadden. Die plakten de jongens in de werkplaats dan voor ons. Toen ik er een keer een vriendinnetje mee naartoe nam, durfde ze niet langs de grote schepen in aanbouw, zo imponerend vond ze die. Op dat moment realiseerde ik me voor het eerst dat het best een bijzondere plaats was om op te groeien.” 

Les 2: Etiquette is onmisbaar
“Mijn ouders kregen vier dochters in vier jaar. Om het overzichtelijk te houden, golden de regels in huis twee aan twee. De twee oudsten moesten dus tegelijk naar bed en mijn jongste zusje en ik ook. Van zeuren hield mijn moeder niet. Ze voedde ons heel zelfstandig op. Als we onenigheid hadden, moesten we het zelf oplossen. We zijn er allemaal stoer van geworden. Verder had ze beleefdheid hoog in het vaandel. U zeggen, met mes en vork eten; het werd ons met de paplepel ingegoten. Ook belangrijk: we moesten net zo makkelijk een praatje met de koningin kunnen maken als met de jongens op de werf. Van de etiquette die ze ons meegaf, heb ik nog altijd plezier.” 

Les 3: Koester cultuurverschillen
“Na de middelbare school wilde ik net als mijn vader HTS Scheepsbouw in Haarlem doen. Daar had hij echter zo zijn twijfels over. Mijn vader was dag en nacht met het bedrijf bezig. Hij gunde mij een vrijer leven, met meer tijd voor leuke dingen. Het leek hem daarom verstandig als ik eerst een jaar au pair zou gaan. Zo kwam het dat ik op mijn achttiende op de trein naar Utrecht stapte om te solliciteren bij een Nederlandse familie met een stoeterij in Frankrijk. Echt iets voor mij, met mijn paardenangst! De tuthola des huizes had het over schoenen poetsen. Dat wordt niets, dacht ik; ik poetste mijn eigen schoenen niet eens. Tot mijn verbazing wilde me ze me toch graag hebben. Tijdens mijn jaar in Normandië leerde ik niet alleen vloeiend Frans, maar ook omgaan met een andere cultuur. Nederlanders vinden het bijvoorbeeld vaak lastig dat men in veel landen uren over koetjes en kalfjes kletst, om pas daarna tot zaken over te gaan. Maar je kunt zo’n gewoonte ook benutten. Gebruik die om oprecht contact te maken, een band op te bouwen, een moment van rust voor jezelf te creëren. Als je openstaat voor andere manieren van doen, verrijkt dat je leven enorm. En die tuthola van toen? Zij is ruim dertig jaar later nog altijd een van mijn dierbaarste vriendinnen.”

Les 4: Iedere medewerker is even belangrijk
“Hoe leerzaam mijn jaar als au pair ook was, het bevestigde voor mij dat ik echt de scheepsbouw in wilde. Nog voor ik uit Frankrijk terug was, had ik me alsnog voor de HTS ingeschreven. De andere twee meisjes in mijn klas vertrokken al snel, waardoor ik als enige tussen de jongens overbleef. Na mijn studie ging ik bij een internationaal ingenieursbureau aan de slag. Ik dacht er helemaal niet over om het familiebedrijf over te nemen. Maar in 1997 — mijn vader was de pensioenleeftijd al gepasseerd — kwam de vraag op hoe het verder moest met de werf. We spraken af dat ik een jaar zou meedraaien om daarna de knoop door te doorhakken of ik wilde blijven. Binnen een paar maanden werd hij echter ziek — longemfyseem — en overleed hij aan een ziekenhuisbacterie. Om de continuïteit voor de klanten te garanderen en onze jongens aan het werk te houden, nam ik zijn rol over. Liep ik daar als 29-jarige tussen mannen die vaak al hun hele leven voor mijn vader hadden gewerkt. ‘Wanneer komt je man?’, vroegen ze. Maar al snel namen ze me serieus, omdat ik dat andersom ook deed. Onze jongens zijn onderdeel van ons familiebedrijf. Feitelijk is het bedrijf van hen. Voor mij is iedere medewerker even belangrijk. Ik organiseer bijvoorbeeld maandelijks een lunch voor iedereen die die maand jarig was. Van schoonmaker tot manager, iedereen zit dan samen aan tafel. Dat levert de interessantste gesprekken op.”

Les 5: Sta vroeg op
“Door de week sta ik om half zes op. Twee keer per week begin ik de dag met sporten, de andere dagen ben ik voor zeven uur aan het werk. Heerlijk vind ik dat; in die stille uurtjes kun je het meeste werk verzetten. Bovendien geloof ik heilig dat een mens het best gedijt bij regelmaat. Ik heb wel de mazzel dat ik weinig slaap nodig heb. En nog belangrijker: dat ik altijd en overal een uiltje kan knappen. Omdat we veel zaken doen met onder andere landen in Zuid-Amerika, vlieg ik vaak. Onderweg zet ik mijn horloge alvast op de lokale tijd en doe ik een dutje. Daardoor heb ik nooit een jetleg. Of ik wel eens wakker lig van mijn werk? Nee, nooit. Heel soms word ik extra vroeg wakker, vooral als ik het gevoel heb dat ik achter de feiten aanloop en bijvoorbeeld mijn mails niet krijg weggewerkt. Maar dan spreek ik mezelf bestraffend toe dat het zonde is van mijn nachtrust en slaap ik zo weer verder.”  

Les 6: Het hoeft niet perfect
“Net als mijn ouders heb ik mijn kinderen kort op elkaar gekregen, drie in drie jaar. En dat terwijl ik toen net het familiebedrijf had overgenomen. Het ging samen omdat ik heel gemakkelijke zwangerschappen had. Bij alle drie heb ik tot de dag voor de bevalling doorgewerkt. Ook daarna nam ik geen verlof. Ik weet nog dat de huisarts een keer op kraambezoek kwam en dat ik er tot zijn verbazing niet was, omdat ik naar een werkafspraak moest. Mijn kinderen weten niet beter dan dat ik altijd voltijd heb gewerkt. Het is anno 2019 vloeken in de kerk, maar ik vind dat voor leidinggevenden een must. Dat betekent overigens niet dat ik mijn gezin heb verwaarloosd; op belangrijke momenten ben ik er altijd voor mijn zoon en twee dochters.
Als vrouw aan de top krijg ik vaak de vraag of het niet zwaar is, zo’n drukke baan combineren met een gezin. Het antwoord luidt: nee, mits je je perfectionisme als moeder loslaat. Na een lange werkdag ga ik ’s avonds thuis echt niet opruimen, hoe groot de rommel ook is. En ik pakte vroeger nooit de hockeytas van mijn kinderen in. Als ze hun kleren vergaten, moesten ze maar in hun onderbroek het veld op. Een groot voordeel: door mijn relaxte houding waren en zijn onze kinderen ook heel relaxt.”

Les 7: Het is soms eenzaam aan de top
“Toen ik heb bedrijf in 1998 overnam, hadden we de kleinste scheepswerf van Nederland. Sindsdien hebben we flink uitgebreid. Niet omdat ik meer, meer, meer wilde, maar om andersoortige en grotere schepen te kunnen bouwen en daarmee de toekomst van onze jongens veilig te stellen. Die groei ging niet altijd zonder slag of stoot. In 2013 wilden we scheepswerf De Volharding in Harlingen aankopen. Omdat de banken weigerden ons de benodigde 5,8 miljoen euro te lenen, gingen we met private investeerders in zee. Eenmaal bij de notaris bleek dat we waren opgelicht. Het ‘zakentrio’ was er met onze aanbetaling vandoor. Hoewel we het besluit als bedrijf in goed overleg hadden genomen, wezen alle vingers ineens naar mij. Ik was als baas immers eindverantwoordelijk. ‘Weet u zeker dat u aangifte wilt doen?’, vroeg de agent, toen ik me op het politiebureau meldde. Bleek het om een bende te gaan, die op geraffineerde wijze al veel meer bedrijven had opgelicht. Niemand die aangifte durfde te doen, uit angst voor negatieve publiciteit. Maar daar laat ik me niet bang door maken, zeker niet als ik anderen van dezelfde ellende kan behoeden. Mede dankzij het onderzoek dat de politie bij ons deed, zijn de oplichters uiteindelijk opgepakt. De werf in Harlingen hebben we via een andere weg alsnog kunnen overnemen.” 

Les 8: Neem de tijd
“Vijf jaar geleden kreeg Sigrid, de zus boven mij, erg last van haar nek. Fysiotherapie haalde niets uit. Er kwamen allerlei andere kwaaltjes bij. Na maanden tobben besloot de dokter toch maar een foto te laten maken. De diagnose: uitgezaaide longkanker. Als familie van stoere doeners vonden we dat ze alles op alles moest zetten om de ziekte te bestrijden. Bestraling, chemo; het hele arsenaal werd uit de kast gehaald. Mede door de heftige behandelingen ging ze snel achteruit. Uiteindelijk overleed ze, ernstig verzwakt, vijf maanden na de diagnose. Ze was 48 jaar. Haar dood is het ergste wat me ooit is overkomen. Sigrid was er altijd voor me, ik kon met al mijn verhalen bij haar terecht. En ze was de verbindende schakel in onze familie. Haar overlijden heeft mijn blik op de wereld veranderd. Als we haar wat meer tijd hadden gegund om na te denken over wat het leven de moeite waard maakt, had ze wellicht alleen voor bestraling gekozen. Dan was haar in de laatste periode mogelijk veel lijden bespaard gebleven. Soms moet je niet méér doen, maar juist minder.” 

[Kader]
Thecla Bodewes (Zwolle, 1967) studeerde Scheepsbouw aan de HTS in Haarlem. Ze werkte zes jaar bij het internationale ingenieursbureau Bureau Veritas, voor ze in 1998 het familiebedrijf Gebr. G. & H. Bodewes overnam, een scheepswerf in Hasselt voor de bouw en reparatie van binnenvaartschepen. In 2011 werd ze uitgeroepen tot Zakenvrouw van het Jaar. Anno 2019 heeft Thecla Bodewes Shipyards vier werven in Stroobos, Kampen, Meppel en Harlingen en 120 man personeel. Haar internationale bedrijf is gespecialiseerd in de nieuwbouw van onder andere duwboten, zeeslepers en bagger- en  passagiersschepen. Bodewes is getrouwd met Freek. Samen hebben ze drie kinderen: Niek (21), Pien (20) en Julie (18). 

LEVENSLESSEN CHEMICUS MARLEEN KAMPERMAN

3 jun

Marleen jpg.jpg

Gepubliceerd in Trouw, 1 juni 2019 (Foto: Merlijn Doomernik) 

De Groningse hoogleraar Marleen Kamperman (40) koos ooit voor scheikunde. Ze gelooft dat wat je kiest minder belangrijk is dan dat je kiest. Dat geeft ze ook aankomende studenten mee. “De ene, zaligmakende studie bestaat toch niet.” 

Les 1: De natuur biedt eindeloze inspiratie
“Ik ontwikkel nieuw materialen, waarbij ik me laat inspireren door fenomenen uit de natuur. Als kind was ik al gefascineerd door de jaarringen in bomen en de bijzondere structuur in de hoedjes van paddenstoelen. Daar hield ik dan spreekbeurten over. Tijdens mijn studie ging ik me verdiepen in gekko’s, een soort hagedissen. Die kunnen zonder probleem over het plafond lopen. Spider-Man is er niets bij! Hoe krijgen ze dat voor elkaar? Ik heb ook een obsessie met zandkasteelwormen, die in de zee leven. Zij produceren lijm die onderwater plakt. Ongelofelijk toch? Ik wil snappen hoe ze dat doen en het chemische proces kunnen namaken. We zijn daarmee een eind op de goede weg. Wie weet gebruiken artsen onze uitvinding in de toekomst om interne wonden te plakken in plaats van ze te hechten. Dat zou fantastisch zijn.” 

Les 2: Geluk maakt schuld
“Ik kom uit een warm, veilig, gereformeerd nest. Mijn vader werkte als docent wiskunde en later als roostermaker op een ROC, mijn moeder was thuis en zorgde voor ons. Het geloof was alom aanwezig in ons gezin. We baden voor het eten en zaten iedere zondag in de kerk, waar mijn vader koster was. Maar belangrijker nog was de moraal die onze ouders mijn twee broers, mijn zus en mij voorleefden. Om barmhartig te zijn en voor elkaar te zorgen. Hoewel ik zelf inmiddels niet meer geloof — door de wetenschap kreeg de twijfel de overhand — is dat nog altijd mijn leidraad. Ik ben een geluksvogel, met een goed stel hersens, een flinke portie doorzettingsvermogen, een fijne familie en een gezond kind. Die voorspoed heeft me gebracht waar ik nu ben. Maar ik weet dondersgoed dat lang niet iedereen zoveel mazzel heeft. Het schept een verantwoordelijkheid om een positieve bijdrage te leveren en iets terug te doen. Met mijn onderzoek, en praktisch, door les te geven en jonge mensen zo goed mogelijk op weg te helpen. Dat gaat trouwens verder dan alleen mijn werk. Zo heb ik me onlangs aangemeld voor de commissie in ons dorp die een voetbalkooi voor de jeugd wil neerzetten.”

Les 3: Wat je kiest, is minder belangrijk dan dát je kiest
“Als kind leek het me heerlijk om secretaresse te worden, vooral om alle papieren en pennen te ordenen. Van structuur en logica word ik blij. Als mijn oma me in de vakantie een puzzelboekje liet uitzoeken, koos ik voor logikwissen. Het kaartspel SET, waarbij je zo snel mogelijk patronen in gekleurde symbolen moet herkennen, was mijn favoriet. Op school blonk ik uit in exacte vakken. Mijn wiskundehuiswerk bewaarde ik voor het laatst, omdat ik dat zo leuk vond. Verrassend genoeg werd ik daar niet mee gepest. ‘Voor iemand met zulke hoge cijfers, ben je best normaal’, zei een klasgenootje. Mijn ouders lieten me volledig vrij om mijn eigen weg te gaan. De keus viel  scheikunde. Ik wilde mezelf graag uitdagen en die studie leek me lekker moeilijk. Maar het had net zo goed natuurkunde, geneeskunde of biologie kunnen zijn. Ik geloof heilig dat wat je kiest minder belangrijk is dan dát je kiest. Die ene, zaligmakende studie bestaat toch niet. Dat houd ik ook de scholieren voor, die naar een voorlichtingsdag op de universiteit komen. Je volledig inzetten om er, ongeacht de omstandigheden, het meeste uit te halen, dáár draait het om. Dat is mijns inziens de echte sleutel tot succes.”

Les 4: Je eigen manier is de beste
“Het eerste jaar van mijn studie zat ik tussen zeven meisjes en 72 jongens. Tot dan had ik er nooit over nagedacht dat een vrouw met een technisch vak iets bijzonders was. Later, tijdens mijn promotieonderzoek, bleef de man-vrouw-verhouding scheef. Vrouwen zijn in de chemie nu eenmaal in de minderheid. Last heb ik daar trouwens nooit van gehad. Integendeel; als positieve uitzondering ben je beter zichtbaar en word je bijvoorbeeld eerder uitgenodigd om een praatje te houden. Dat kan helpen om je naam in de wetenschap te vestigen. Overigens verandert de wereld wel, ook binnen de scheikunde. In mijn eigen onderzoeksgroep lopen meer vrouwen rond dan mannen. Uiteraard heb ik daar zelf een hand in. Ik vind het leuk om een rolmodel te zijn en te laten zien: een carrière in de wetenschap en een gezin gaan prima samen. Wie mij inspireert? Jurist Rianne Letschert werd op haar 40ste rector magnificus van de Universiteit Maastricht, als jongste vrouw ooit én met een jong gezin. Daar neem ik graag een voorbeeld aan. Net als aan zangeres Beyonce. Met haar muziek heb ik niks, maar ik vind het fantastisch hoe zij op haar eigen manier de top heeft bereikt. Zonder over zich heen te laten lopen en zonder concessies te doen aan haar vrouwelijkheid. Waarom zou ik dat dan wel doen?” 

Les 5: Hoe meer je leert, hoe minder je weet
“Vorig jaar werd ik, op mijn 39ste, tot hoogleraar benoemd. Professor? Ik? Een vreemd idee. Voor mij zijn professoren geleerde figuren, die weten wat ze doen. Die een overstijgende blik hebben en op Radio1 mogen vertellen hoe het zit. Zo zie ik mezelf helemaal niet. Voor mijn gevoel rommel ik maar wat aan, in de hoop dat daar wat goeds uit voortkomt. Toen ik dat laatst in een column schreef, stroomde mijn mailbox vol. Ik kreeg veel bijval, ook uit de wetenschap, van mensen die mijn oprechtheid verfrissend vonden. Maar er kwam ook kritiek, over dat ik mezelf onderuit haalde. En dat nota bene als vrouwelijk rolmodel, want zoveel vrouwelijke hoogleraren zijn er nog steeds niet. Voor de duidelijkheid: ik vind wel degelijk dat ik verstand van zaken heb. En aan zelfvertrouwen ontbreekt het me ook niet. Maar denken dat je de wijsheid in pacht hebt, is voor een onderzoeker de dood in de pot. De essentie van wetenschap is juist dat er géén kant-en-klare antwoorden zijn. In plaats daarvan stel ik vragen, met een nieuwsgierige, open blik. Zo bezien is kunnen aanrommelen juist een kracht.”

Les 6: Wie de taal niet goed beheerst, komt als wetenschapper nooit ver
“Het is geen leuke boodschap, maar ik zeg het eerlijk: de taalvaardigheid van studenten is, zeker in mijn vakgebied, vaak abominabel. Daar maak ik me heel druk om. Als je als wetenschapper iets wilt bijdragen aan je werkveld en aan de maatschappij, moet je je boodschap wel kunnen uitleggen. Dat betekent ook: je verhaal helder — en liefst foutloos — opschrijven. Helaas hebben veel studenten totaal geen kaas gegeten van taal. Dat is deels hun schuld, maar deels ook die van ons docenten. In de opleiding besteden we er namelijk nauwelijks aandacht aan. Heel anders dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, waar studenten veel essays moeten schrijven en leren argumenteren. Daar kunnen wij nog wat van opsteken. Laten we om te beginnen het vak Nederlands voor alle eerstejaarsstudenten verplicht stellen.” 

Les 7: Probeer het gewoon
“Sinds mijn 17e heb ik een relatie met Owen. Hij was mijn eerste, echte vriendje. Is dit wel slim?, dacht ik tijdens mijn studie. Moet ik niet meer ervaring opdoen? Maar nu vind ik het heerlijk dat we al zo lang samenzijn. We kennen elkaar door en door en hebben aan een half woord genoeg. Owens steun is voor mij onontbeerlijk. Als romanschrijver werkt hij van huis uit. Daardoor kon hij relatief makkelijk mee toen ik in Amerika wilde promoveren. En dat hij thuis is als onze zoon van zeven uit school komt, geeft mij professioneel de ruimte. Misschien wel het allerbelangrijkste is dat hij mijn zelfstandigheid stimuleert. ‘Dat kun je prima zelf’, is zijn mantra. Bijvoorbeeld toen ik moest kiezen bij welke buitenlandse universiteit ik wilde werken. Zonder zijn duwtje in de rug was ik misschien niet alleen op verschillende plekken in de wereld gaan kijken. Dat vertrouwen heeft me echt gevormd, als persoon en als wetenschapper. Ik probeer het gewoon. Hulp vragen kan altijd nog.” 

Les 8: Harde wetenschap kan niet zonder zachte wetenschap
“Eerder dit jaar kwam het bericht dat technische universiteiten en faculteiten er per jaar 150 miljoen euro bij krijgen. Fantastisch nieuws, ware het niet dat dat bedrag ten koste gaat van ‘zachte’ wetenschappen, zoals geschiedenis en filosofie. Het klinkt misschien vreemd uit de mond van een chemicus, maar volgens mij begaat verantwoordelijk minister Van Engelshoven hiermee een cruciale fout. Met enkel slimme rekenaars en techneuten, zonder cultureel of historisch besef, komen we er als samenleving niet. Alfa’s, bèta’s, gamma’s: we vullen elkaar aan en hebben elkaar keihard nodig. Dus, mevrouw Engelshoven, laat dat geld lekker daar waar het hoort.” 

Les 9: Meer is niet altijd beter
“Tijdens mijn studie in Groningen was ik degene die het hardst werkte. Maar aan de Amerikaanse Cornell University ging ik om half zeven ’s avonds als eerste naar huis. Hoewel de prestatiedruk enorm was, heb ik er toen bewust voor gekozen om niet mee te doen aan die ratrace. Langere dagen leiden echt niet tot betere resultaten. Veertig tot vijftig uur per week werken vind ik meer dan genoeg. Dat houd ik vol omdat mijn leven goed in balans is. Ik loop hard, ben actief in ons dorp en help op de school van mijn zoon. In het weekend doe ik leuke dingen met mijn gezin, zoals op vogelkijkexcursie gaan. Tijdens mijn promotie in de VS kwam ook het besef dat er grenzen zijn aan mijn ambities. Dat hardop uitspreken wordt vaak als zwaktebod gezien. Zo jammer! Ja, ik wil graag iets bereiken. En ja, ik ben er trots op mijn hoogleraarschap. Maar niet ten koste van alles. Ik ga me niet over de kop werken omdat de onderzoekscultuur daarom vraagt. Dan maar geen Nobelprijs.” 

[Kader]
Chemicus Marleen Kamperman (IJsselstein, 1979), gespecialiseerd in polymeerchemie, studeerde aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 2008 promoveerde ze aan de Cornell University in Ithaca (VS). Daarna werkte ze twee jaar als postdoctoraal onderzoeker aan het Leibniz Insitute for New Materials in Saarland (Duitsland). In 2010 ging ze bij Universiteit Wageningen aan de slag, eerst als Assistant Professor en later als Associate Professor. In september 2018 werd ze benoemd als hoogleraar Polymer Science bij het Zernike Insititute for Advanced Materials aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds begin dit jaar schrijft ze maandelijks een column voor De Volkskrant. Kamperman is getrouwd met schrijver Owen Donkers. Samen met hun zoon Simon (7) wonen ze in het Groningse dorp Aduard. 

LEVENSLESSEN VAN SIMONE VAN DER VLUGT

25 feb

levenslessen Simone jpg

Gepubliceerd in Trouw, 23 februari 2019 (Foto: Merlijn Doomernik)

Ze werd bekend met haar thrillers en historische romans. Nu heeft Simone van der Vlugt (52) voor het eerst een geschiedenisboek geschreven, over het dagelijkse leven in de 16e en 17e eeuw. “Ik had een schatkist aan informatie die ik in mijn fictie niet kwijt kon.” 

Les 1: Doe waar je bang voor bent
“Binnen het veilige kringetje van ons gezin — werkende vader, huismoeder, twee jaar jongere broer — voelde ik me op mijn gemak. Maar daarbuiten was ik snel verlegen. Sommige ouders nemen hun kind in zo’n geval enorm in bescherming. Mijn moeder deed het tegenovergestelde en stuurde me eropuit. Ze heeft me weerbaar en zelfstandig gemaakt. Als meisje van zeven moest ik bijvoorbeeld iedere zaterdag met mijn poppenwagen naar de bakker om voor de hele week brood te kopen. Het zal voor haar niet makkelijk zijn geweest om me bibberend te zien vertrekken. Toch hield ze vol. Wat ik daarvan leerde is dat je, om je angsten te overwinnen, ze onder ogen moet komen.”

Les 2: Met sommige dingen word je geboren
“Hoe bedeesd ik als kind ook was, over mijn toekomst als schrijver twijfelde ik nooit. In mij zit een onbedwingbare noodzaak om verhalen te vertellen. Toen ik heel klein was, deelde ik die met mijn poppen en mijn denkbeeldige vriendinnetjes. Vanaf mijn achtste begon ik ze uit te tikken. Eerst op de typemachine van mijn opa, die hij met een glas 7-up en een bak Chipitos voor me klaarzette, later op op mijn eigen typemachine.
Op mijn dertiende kreeg ik een Witte Raven Pocket in handen, geschreven door een 12-jarig meisje dat in een sanatorium had gezeten. Het kon dus, als kind een boek uitbrengen! Meer aanmoediging had ik niet nodig. Ik stapte naar de boekhandel in Hoorn en vroeg om het adres van een uitgever, zodat ik die mijn manuscript over een meisje op een kostschool kon toesturen. Toen ik een paar maanden later een afwijzing ontving, was de teleurstelling groot. Maar die weerhield me er niet van om het te blijven proberen. Als tiener schreef ik een historische roman, een liefdesverhaal, een paar thrillers. Van het commentaar bij de afwijzingen — kies een realistischer situatie, schrijf vanuit jezelf — maakte ik dankbaar gebruik. Ieder boek werd beter. Het sterkte mijn overtuiging: die publicatie zou er komen.”

Les 3: De aanhouder wint
“Na mijn lerarenopleiding Nederlands en Frans ging ik als secretaresse aan de slag bij de bank Le Crédit Lyonnais. Mijn vaste baan gaf zekerheid; inmiddels was ik getrouwd en zwanger van ons eerste kind. Maar het werk vond ik vreselijk. Terwijl ik achter mijn bureau zat, hoorde ik de stem van Nina, de hoofdpersoon uit de historische jeugdroman over de 17-eeuwse heksenjacht waar ik intussen aan werkte. Dan rende ik met mijn stenoblok naar de wc om snel haar woorden op papier te zetten. Ik schreef in de trein van en naar mijn werk. En later ’s nachts, als mijn baby niet wilde slapen. Het verhaal moest en zou eruit.
Juist in die tijd deed de computer zijn intrede op kantoor. Met toestemming van mijn baas tikte ik in de lunchpauzes en na werktijd mijn boek daarin over. Het geprinte eindresultaat stuurde ik naar tien uitgevers. Afwijzing na afwijzing kreeg ik terug. Voor het eerst werd ik een beetje moedeloos. Zou het dan toch niet lukken? En toen ging de telefoon. Uitgeverij Lemniscaat had belangstelling. Ik moest van alles aan het manuscript veranderen, maar dat deerde me niet. Een professionele redacteur nam mijn verzonnen verhaal serieus! Ik heb me zelden zo gelukkig gevoeld. Van De amulet, dat in 1995 verscheen, werden alleen dat jaar al 10.000 exemplaren verkocht. Ik nam ontslag bij de bank en ging fulltime schrijven .”

Les 4: Relaties stranden als je elkaar geen ruimte geeft
“Mijn man Wim en ik zijn sinds ons 17e samen. Voor een deel is dat mazzel; je moet het geluk hebben dat je, ondanks je individuele ontwikkeling, op hetzelfde spoor blijft. Maar het is ook een kwestie van elkaar een eigen leven gunnen. Toen Esmée  werd geboren, waren we allebei 26. Wim had in die tijd de gewoonte om op vrijdagavond met z’n vrienden naar de kroeg te gaan. Dat vond ik prima, maar als Esmée om één uur nog niet sliep, belde ik naar het café en kwam hij naar huis om de zorg voor haar over te nemen. Die afspraak werkte uitstekend. Andersom heeft Wim mij altijd de ruimte gegeven om mijn droom te volgen. In het begin van mijn carrière hebben we het financieel best zwaar gehad. Laatst las ik nog in een oud dagboek dat ik voor mijn 28ste verjaardag  schoenen aan mijn ouders vroeg, omdat de gaten in mijn enige paar vielen. Een andere man had misschien gezegd dat ik maar een baan moest zoeken. Maar omdat hij wist hoe belangrijk het schrijven voor me was, heeft Wim me nooit een strobreed in de weggelegd. Nog altijd zijn we elkaars beste vrienden. Als ik eens voor werk een nachtje weg ben, appen we elkaar voortdurend. Zolang we nog alles willen delen, zit het wel goed tussen ons.” 

Les 5: Als niet linksom, dan rechtsom
“Twee jonge kinderen, waarvan één jarenlang chronische bronchitis had. Elk jaar een nieuw boek. Twee dagen in de week door het hele land lezingen geven op scholen. Op mijn 36ste was ik lichamelijk en geestelijk op. Op een kinderboekenmarkt in Den Haag ging het mis. Ik had de hele dag staan praten en glimlachen. Ineens bleef mijn kaakgewricht hangen. De pijn was onbeschrijflijk. Toen ben ik ingestort. Een half jaar lang heb ik iedere middag op bed gelegen, zo uitgeput was ik. Daarna ging ik weer aan het werk, maar de pijn bleef. Na een lange zoektocht naar de oorzaak vertelde een reumatoloog me dat ik hypermobiele gewrichten heb. Bij overbelasting gaan die meteen ontsteken. Ik kreeg meer en meer nek- en rugklachten. Achter de computer werken werd steeds moeilijker. De paniek sloeg toe. Wat als ik nooit meer kon schrijven?
Twee gebeurtenissen zorgden voor een ommekeer. Mijn tandarts verwees me door naar een gnatoloog, een tandarts gespecialiseerd in het kaakgewricht. Nadat ik tien jaar op pijnstillers had geleefd, hielp hij me met een simpel beugeltje in één klap van mijn constante kaakpijn af. Verder adviseerde een lezer me op twitter om in een relaxfauteuil te gaan schrijven, half liggend, met een iPad tegen een kussen op schoot. Zo zou ik mijn nek en rug minder belasten. Het bleek de gouden tip. Intussen werk ik al weer jaren zo. Op mijn 52ste voel ik me beter dan ooit.” 

Les 6: Maak contact met het verleden
“Sinds ik als tiener de boeken van Thea Beckman las, ben ik gefascineerd door geschiedenis. Ik vind het zo bijzonder om aan de hand van bronnen en verhalen contact te maken met het verleden. Archiefonderzoek is een soort schatgraven. Nog altijd kan ik ontroerd door raken als ik een eeuwenoud document in handen heb. Op dat moment vermengen de vingerafdrukken van de schrijver zich met die van mij. Heel even vallen de eeuwen weg en delen we een ervaring. Dat is een magisch gevoel.
Na twaalf jeugdboeken wilde ik graag een historische roman voor volwassenen uitbrengen. Helaas kreeg ik daar de handen niet voor op elkaar. Dan schrijf ik wel een thriller, dacht ik. Het leek me ook een uitdaging om een persoonlijk verhaal met een bloedstollend plot te combineren. Van dat eerste spannende boek, De reünie, zijn sinds de verschijning in 2004 meer dan 450.000 exemplaren over de toonbank gegaan. Mijn thrillers hebben me behalve succes ook vrijheid gebracht. Dankzij de opbrengsten hoef ik me geen financiële zorgen meer te maken. Bovendien hebben ze de deur opengezet om alsnog  historische romans te gaan schrijven. Want daar blijkt dus — in tegenstelling tot wat uitgevers dachten — wel degelijk een markt voor te zijn. Voor mijn historische fictie heb ik in de loop der jaren een schatkist aan informatie verzameld. Veel meer dan ik mijn romans kwijt kon. Het was voor mij daarom een logische stap om eens een geschiedenisboek te maken. Non-fictie, kortom. Dat is Wij zijn de Bickers! geworden. Daarin neem ik lezers mee op mijn speurtocht naar het dagelijkse leven in de 16e 17e eeuw. Ik hoop dat zij die net zo boeiend vinden als ik.” 

Les 7: Iets doen is beter dan niets doen
“Als ik op reis ga, wil ik niet alleen selfies bij een palmboom maken, maar ook iets nuttigs doen. Research voor een boek, of iets voor de mensen daar. Zo ook toen Wim en ik drie jaar geleden naar het eiland Sal op Kaapverdië gingen. We bezochten daar bij Espargos een sloppenwijk. Het contrast met het prachtige resort waar we verbleven kon niet groter zijn. In het getto waren nauwelijks sanitaire voorzieningen. Het was er vergeven van de vliegen. De kinderen hadden zweren op hun blote voeten. In het schooltje dat we bekeken, waren de lessen in het Creools. Maar alleen als je Engels spreekt, kun je op Kaapverdië een baan in de toeristensector vinden en zo misschien de armoede ontvluchten. Ter plekke besloten Wim en ik te gaan helpen. Daar is de Van der Vlugt Foundation uit voortgekomen. Met onze stichting hebben we bereikt dat de kinderen daar nu Engelse les krijgen. Verder zamelen we geld in voor spullen. Engelstalig lesmateriaal, papier, potloden en gummen. Maar ook schoenen, want veel veel kinderen komen blootsvoets naar school. Op die manier hopen we ze een kans te geven om later aan het leven in de sloppenwijk te ontsnappen en de vicieuze cirkel van armoede te doorbreken. Natuurlijk is ons project een druppel op de gloeiende plaat. Maar op deze plek, voor deze mensen, kunnen we een groot verschil maken. Die verantwoordelijkheid nemen we graag op ons.” 

[Kader]
Na de havo studeerde Simone van der Vlugt (Hoorn, 1966) Nederlands en Frans aan de lerarenopleiding in Amsterdam. In 1995 debuteerde ze met haar historische jeugdroman De amulet. Na twaalf succesvolle jeugdboeken verscheen in 2004 haar eerste boek voor volwassenen, De Reünie. Die thriller zorgde voor haar grote doorbraak. In 2015 werd het boek verfilmd met Thekla Reuten in hoofdrol. Sinds De Reünie heeft Van der Vlugt tien thrillers en zes historische romans uitgebracht. In totaal verkocht ze in Nederland meer dan twee miljoen boeken. Haar werk is verder vertaald in onder andere het Engels, Duits, Deens, Spaans en Italiaans. Afgelopen maand verscheen Wij zijn de Bickers!, haar eerste non-fictie-boek, over het dagelijkse leven in de 16e en 17e eeuw. Van der Vlugt woont samen met haar man Wim, fotograaf, in Alkmaar. Ze hebben een dochter (Esmée , 25) en een zoon (Friso, 23). 

LEVENSLESSEN VAN BLENDLE-BAAS RICK PASTOOR

4 feb

levenslessen Rick jpgGepubliceerd in Trouw, zaterdag 2 februari 2019. Foto: Merlijn Doomernik

Rick Pastoor (30), hoofd productontwikkeling en ‘binnenbaas’ bij online kiosk Blendle, schreef een boek over hoe je meer grip op je werk krijgt. En daarmee op je leven. “Ik wil mensen helpen om slimmere keuzes te maken.”

Les 1: Programmeren heeft iets magisch
“Als kind wilde ik altijd weten hoe dingen werkten. Klokhuis was mijn favoriete programma en ik had een abonnement op het tijdschrift Zo zit dat. Ik zal een een jaar of negen zijn geweest toen ik in dat blad een artikel las met de titel ‘Zo bouw je je eigen website’. Achter de computer volgde ik de instructies uit het verhaal en jawel: er verscheen iets op mijn scherm. Een beeld dat ik zelf uit het niets had gecreëerd. Zo magisch! Daar wilde ik meer over weten. Aan de hand van boeken die ik uit de bibliotheek haalde, leerde ik mezelf HTML en later ook andere programmeertalen. Om te snappen hoe bestaande websites in elkaar zaten, printte ik de broncodes uit en typte die over. Later, toen ik op de havo zat, bouwde ik mijn eerste online game, over het Romeinse leger. Dat mijn klasgenoten die met enthousiasme speelden, gaf een enorme kick. Toen wist ik: maken is leuker dan gebruiken.” 

Les 2: Geloof is ingewikkeld
“Ik kom uit een gereformeerd vrijgemaakt nest. Anders dan mensen vaak denken, was dat helemaal niet beklemmend. Mijn jeugd in Assen draaide als vanzelfsprekend om de kerk. Ik speelde er in een bandje, regelde concerten en leidde kinderkampen. Met Athletes in action, een beweging van christelijke sporters, gingen we de buurt in om met jongeren te praten. Daar heb ik ook mijn latere vrouw Joan ontmoet. Het was een fijne, veilige omgeving, waarin ik veel heb geleerd. Praktisch — ik heb in de kerk meer over organiseren en samenwerken opgestoken dan ooit op school — en spiritueel. Saamhorigheid, barmhartigheid, de wereld mooier maken: het zijn allemaal christelijke waarden die ik hoog in het vaandel heb. Het geloof heeft me dus veel moois gebracht. En toch twijfel ik er de laatste tijd steeds vaker over. Ik heb zo lang in een beschermde, naar binnen gekeerde bubbel geleefd. Nu wil ik open staan voor alle opties, niet vooraf al een mening klaar hebben. Dat wringt soms. Neem het thema seksualiteit. Een bekende die wist van mijn christelijke achtergrond, durfde me lang niet te vertellen dat hij op meisjes én jongens valt. Bang dat ik dat zou afkeuren. Toen ik dat hoorde, was ik oprecht verdrietig. Wie ben ik om hem te veroordelen? Het is een zoektocht hoe ik die verschillende kanten in mezelf kan verenigen.” 

Les 3: Het loont om je hart te volgen
“Na de havo ging ik in Zwolle informatica studeren. De stof die ze me daar wilden leren, kende ik echter grotendeels al. Ik hield dus genoeg tijd over om met mijn vriend Mathijs een eigen bedrijfje te beginnen. Dat liep hartstikke goed; na ons afstuderen konden we prima leven van het bouwen van websites en apps. Maar ik miste iets. Te vaak moesten we in opdracht van klanten dingen maken waarvan ik op voorhand al wist dat ze niet zouden werken. Veel liever wilde ik vooraan in het proces zitten, zelf iets bedenken. Tegelijkertijd besloten mijn vrouw en ik naar Amsterdam te verhuizen. In Zwolle wisten precies hoe laat het stoplicht bij ons huis op rood of groen sprong. Het was in alle opzichten tijd voor iets nieuws. ‘Ga eens met de jongens van Blendle praten’, zei oud-klasgenoot Arnoud. Daar trof ik een groep bevlogen jongens, die de wereld wilden verbeteren door journalistiek toegankelijker te maken. Hun doel: een online kiosk creëren, waarin je tegen betaling losse artikelen uit tijdschriften en kranten kunt lezen. Ik was meteen enthousiast; als programmeur kon ik helpen om de benodigde software te bouwen en zo iets heel nieuws neer te zetten. Het besluit om met mijn eigen bedrijf te stoppen, was daarna niet moeilijk. Dat ik er financieel op achteruit ging, nam ik op de koop toe.” 

Les 4: Niemand leert je hoe je moet werken
“Op de basisschool maakte ik met vijf jongens een stripblad, Super Djenzie. Dat wil zeggen: de anderen schreven en tekenden en ik regelde dat het daadwerkelijk verscheen. Als ze hun spullen niet op tijd aanleverden, zat ik ze achter hun broek. En ik zorgde ervoor dat al onze abonnees op tijd een exemplaar in de bus kregen. Je kunt dus rustig zeggen dat organiseren van nature in me zit. Toch liep ik toen ik ging werken tegen problemen op. Want hoe zorg je ervoor dat je niet iedere avond en elk weekend achterstallige mail moet wegwerken? Of dat je niet overweldigd raakt door een eindeloze takenlijst die nooit af komt? Ik verdiepte ik me in verschillende werkmethodes, pikte er de dingen uit die voor mij werkten en combineerde ze tot een eigen systeem. Dat kwam goed van pas toen ik bij Blendle al snel opklom tot manager en de verantwoordelijkheid kreeg voor zo’n dertig programmeurs. Een start-up kent natuurlijk geen vastomlijnde organisatie, dus moest ik die zelf creëren. Gaandeweg kreeg ik steeds vaker vragen over hoe ik het voor elkaar kreeg om zo’n grote club efficiënt te runnen én om vijf uur thuis te zijn. Hier kan ik anderen mee helpen, dacht ik. Twee jaar later lag mijn boek GRIP er.”

Les 5: Orde creëert ruimte
“Veel beter-werken-methodes reiken je instrumenten aan, maar zeggen niet hoe en wanneer je ze moet gebruiken. In mijn boek neem ik lezers aan de hand en loods ze stap voor stap naar een gestructureerder leven. Wat mij betreft begint alles met een digitale agenda. Dat is je fundament, je navigatiesysteem. In je agenda noteer je niet alleen je afspraken, maar ook je voorbereidings- en reistijd. Daarnaast blok je tijd voor je verschillende activiteiten. Het verwerken van je e-mail bijvoorbeeld. Mijn advies: doe dat vanaf vandaag nooit meer tussendoor. Plan in je agenda drie e-mail-blokken van een half uur, één aan het begin van de dag, één voor of na de lunch en één aan het einde van de werkdag. Dat is efficiënter en voorkomt dat je steeds wordt afgeleid. Zo geef ik meer praktische tips. Op het eerste oog lijken die misschien weinig omvattend, maar tezamen creëren ze rust en ruimte. Om te reflecteren en slimmere keuzes te maken over hoe je je tijd wilt besteden. Wat gaat goed? Wat kan beter? Waar wil ik meer van doen en wat wil ik laten? Aan dat soort vragen — over je werk én de rest van je leven — kom je pas toe als de basis op orde is.”

Les 6: Een kind maakt je mindful
“Voor onze dochter Nore afgelopen maart werd geboren, heb ik verschillende vaders in mijn omgeving om advies gevraagd. ‘Maak bewust tijd voor haar’, zeiden ze. ‘Het eerste jaar is zo om.’ Dat doe ik nu iedere avond een uur. Nooit gedacht dat ik daar zo van zou genieten. Laatst betrapte ik mezelf erop dat ik toch op mijn telefoon zat terwijl zij haar fles dronk. Die heb ik toen resoluut aan de kant gelegd. Als ik bij haar ben, wil ik er helemaal voor haar zijn. Overigens kun je nog zo goed zijn in plannen, met een baby loopt het natuurlijk vaak allemaal anders dan je had bedacht. De afgelopen weken was Nore bijvoorbeeld regelmatig ziek, zodat ik thuis moest blijven. Maar ook toen kwam mijn structuur me goed van pas. Met één blik in mijn agenda zag ik wat ik moest verzetten, wie ik moest bellen. Behalve ruimte creëert orde dus ook flexibiliteit.” 

Les 7: Door regelmatig even stil te staan, kom je verder
“Mijn schoonvader ging ieder jaar een dag of vijf naar een klooster om God te zoeken. Onze gesprekken daarover maakten me enthousiast; het leek me fijn om af en toe even op de pauzeknop te kunnen drukken. Na zijn overlijden in 2012 besloot ik zijn traditie voor te zetten. Sindsdien trek ik me een of twee keer per jaar een paar dagen terug in de Benedictijnse St. Willibrordsabdij in Doetinchem. Een katholiek klooster ja; de rituelen daar vind ik rustgevend. Mijn computer en telefoon gaan dan uit. Ik breng mijn dagen er in stilte door. Het geeft me zoveel om in alle rust over dingen na te denken. Over waar ik sta, waar ik heen wil, wat ik van dingen vind. Toevallig viel mijn laatste retraite samen met mijn zesjarige trouwdag. Ik heb toen een lange brief aan mijn vrouw geschreven, waarin ik terugblikte op wat we allemaal samen hebben meegemaakt. Sowieso geloof ik heilig in de kracht van reflectie. Het is een onmisbaar instrument voor wie met intentie wil leven. Een retraite is voor veel mensen misschien een stap te ver, maar ik raad iedereen aan om periodiek de balans op te maken.”  

Les 8: Het helpt als iemand je bij de les houdt
“De meesten van ons hebben doelen genoeg. Maar jezelf langdurig motiveren om daar ook echt iets mee te doen, blijkt vaak lastig. Dan kan je wel wat aanmoediging — en een stok achter de deur — gebruiken. Daar heb ik iets op bedacht. Sinds 2014 bel ik wekelijks een half uur met Derk, een voormalige zakenrelatie en leeftijdsgenoot. Aan de hand van een vaste vragenlijst praten we elkaar bij. Wat ging er afgelopen week goed en waarom? Wat hadden we beter kunnen doen? Hoe zorgen we voor balans? En wat zijn onze concrete acties voor de komende week? Die gesprekken gaan over werk, maar bijvoorbeeld ook over meer tijd doorbrengen met familie of gezonder leven. Door mijn gedachtewisselingen met Derk ben ik bijvoorbeeld scherper gaan sturen op de kwartaalplanning van Blendle. Verder hebben ze me doen realiseren hoe belangrijk een goede nachtrust is. Sindsdien bewaak ik die veel beter. Kortom: zo’n maatje herinnert je aan je voornemens, moedigt je aan en geeft je nieuwe inzichten. Op die manier wordt wegduiken een stuk lastiger.”

[Kader]
Na de havo studeerde Rick Pastoor (Assen, 1988) informatica aan de christelijke Hogeschool Windesheim in Zwolle. Tijdens zijn studie begon hij met een vriend een eigen IT-bedrijf, dat websites en apps bouwde. In 2014 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij bij als programmeur aan de slag ging bij Blendle. In korte tijd klom hij op tot hoofd productontwikkeling van de start-up. Inmiddels geeft hij leiding aan zo’n dertig mensen. Op 15 januari verscheen zijn boek GRIP — Het geheim van slimmer werken. Pastoor is getrouwd met opleidingskundige Joan. Samen hebben ze een dochter van tien maanden, Nore. 

%d bloggers liken dit: