Tag Archives: depressie

LEVENSLESSEN VAN PSYCHIATER RENÉ KEET

6 apr

Schermafbeelding 2020-04-06 om 08.59.14

Gepubliceerd in Trouw, zaterdag 4 april 2020 (Foto: Merlijn Doomernik)

De collega’s en patiënten van psychiater Réne Keet (60) wisten jarenlang niet dat hij zelf depressieve klachten had. Sinds hij daar open over is, voelt hij zich bevrijd. 

Les 1: Doe afstand van je troon
“Ik was een diepgelovig kind. Mijn ouders waren vrome katholieken, mijn oom werkte als deken in Amsterdam. Iedere zondag zaten we in de kerk en ging ik naar de Rooms-Katholieke jongensschool in Den Haag. De aanwezigheid van God in mijn leven was vanzelfsprekend. Tot ik de eerste communie deed. Nu heb ik een direct lijntje met Hem, dacht ik, en kan ik Hem vragen om de vreselijke oorlog in Vietnam te stoppen. Maar de oorlog ging door en mijn twijfel begon.
Op die manier geloven doe ik niet meer. Toch is er iets wat me nog altijd met het geloof verbindt: het begrip compassie. Dat is mijns inziens de kern van religie én van mijn vak. Zoals de Britse schrijfster en religie-expert Karen Armstrong zo mooi zegt: ‘Compassie is onze drijfveer om ons onvermoeibaar in te zetten om het leed van onze medemensen te verlichten. En om afstand te doen van onze troon in het middelpunt van de wereld en daar een ander te laten plaatsnemen’. Het gaat als psychiater niet om mij, maar om mijn patiënten. Alleen als ik oprechte compassie voor hen voel, kan ik ze helpen om te veranderen.” 

Les 2: Beter worden doe je thuis
“Ik was zeventien toen een goede vriend van mijn broer met een depressie werd opgenomen in een psychiatrische instelling. Samen zochten we hem daar op. De vitale jongen die we kenden was veranderd in een verslagen patiënt, met wie we nauwelijks contact kregen. Omringd door allemaal andere zieke mensen, die net als hij enorm leden. Ik keek om me heen en dacht: hoe kan hij hier beter worden? Ik wilde niets liever dan hem er weghalen, ervan overtuigd dat zo’n deprimerende ziekenhuisomgeving averechts werkt. Dat geloof ik nog steeds. Gelukkig is er de afgelopen veertig jaar in de psychiatrie veel veranderd. ‘Beter worden doe je thuis’, is het motto van mijn organisatie, GGZ Noord-Holland-Noord. Opnameplekken blijven nodig, maar alleen voor acute crisisgevallen. Verder behandelen we zoveel mogelijk ambulant, ook bij patiënten thuis. Het leven van mensen met ernstige psychiatrische klachten kan flink ontwricht raken. Door verlies van relaties en werk bijvoorbeeld. Wanneer je alleen iemands symptomen behandelt, los je die andere problemen niet op en is de kans op terugval groot. Je moet dus naar het totale plaatje kijken en samen met alle betrokkenen een herstelplan maken.” 

Les 3: Je ziet het pas als je het doorhebt
“Als tiener kon ik al periodes heel somber zijn. Maar op mijn 24ste, toen ik geneeskunde studeerde, ging het echt mis. Een van mijn zussen overleed totaal onverwacht aan een acute hartstilstand. Ze was 28. In dezelfde periode kreeg een dierbare een ernstige psychose. Ik wist niet hoe ik met het overweldigende gevoel van verdriet en machteloosheid moest omgaan en raakte in een depressie. Die duurde ruim een jaar. Aan iemand die het nooit heeft meegemaakt, blijft het moeilijk om uit te leggen hoe dat voelt. Voor mij begint het met slechter slapen en een diepe, diepe vermoeidheid. Alles kost meer energie dan normaal. Ook logisch nadenken. Als je in zo’n zwart gat zit, ben je ervan overtuigd dat je daar nooit meer uitkomt. Dat het nooit meer beter wordt. Overigens zag ik zelf als twintiger niet in dat ik aan een depressie leed. Dat kwam pas later, toen de klachten terugkwamen en mijn vrouw me ertoe aanzette om hulp te zoeken.” 

Les 4: Maak een plan
“Mijn depressie is recidiverend. Dat wil zeggen dat de klachten elke twee, drie jaar terugkeren. Vanaf begin jaren ’90 heb ik verschillende behandelingen geprobeerd. Waar ik veel aan heb gehad, is cognitieve gedragstherapie. Daarbij leer je niet-helpende gedachten en gevoelens te herkennen en te relativeren. Zo worden ze minder overheersend. Dat helpt weer om op een andere manier op situaties te reageren. Positief en daadkrachtig, in plaats van negatief en wantrouwend. Wat me verder erg heeft geholpen, is om samen met een ervaringsdeskundige een Wellness Recovery Action Plan te maken. Dat format is in 1997 ontwikkeld door de Amerikaanse Mary Ellen Copeland. Zij had zelf ernstige psychiatrische problemen en miste een positief en praktisch hulpmiddel om grip te houden op haar leven. Daarvoor bedacht ze het WRAP. Ik kan het gebruik ervan iedereen aanraden. In een WRAP beschrijf je wat je nodig hebt om je eigen herstel vorm te geven. Vervolgens werk je in zes stappen uit wat je kunt doen om dat te bereiken. En om te voorkomen dat je toch weer uit balans raakt. Het vormt je gereedschapskoffer, waar je altijd uit kunt putten. Ik pak mijn eigen WRAP er regelmatig bij, zeker als ik weer klachten krijg. Dan herinner ik mezelf eraan dat ik op tijd gas moet terugnemen. En dat bewegen en muziek maken voor mij helend werken. Verder zijn mijn klachten seizoensgebonden. Uit voorzorg gebruik ik daarom iedere winter een daglichtlamp.” 

Les 5: Het is nooit te laat om je hart te volgen
“Juist in de tijd dat ik het als twintiger zelf mentaal moeilijk had, liep ik mijn co-schap op de afdeling psychiatrie. Ineens kwamen de problemen van mijn patiënten wel heel dichtbij. Ik voelde aan alles: het is voor niemand goed als ik nu het vak in ga. Ik had anderen op dat moment onvoldoende kunnen helpen. In plaats daarvan ben ik na mijn studie epidemioloog geworden, gespecialiseerd in infectieziekten. Op het hoogtepunt van de AIDS-epidemie deed ik in Amsterdam onderzoek naar dat virus. Fantastisch werk, maar de psychiatrie bleef trekken. ‘Als dat is wat je echt wil, ga er dan voor’, zei mijn vrouw. En dus begon ik op mijn 38ste aan een nieuwe specialisatie. Vanaf dag één voelde ik me als een vis in het water. Ik ben wetenschapper, maar ook filosoof, wereldverbeteraar en bovenal mensenmens. In de psychiatrie kan ik al deze kanten van mezelf inzetten.”

Les 6: Je verhaal delen werkt bevrijdend
“Ik heb vijftien jaar in de psychiatrie gewerkt, zonder op het werk ooit over mijn eigen depressies te vertellen. Ik zag mijn aandoening als een zwakte en vreesde dat die tegen me zou worden gebruikt. Toen ik eind jaren ’90 solliciteerde op de opleidingsplek voor psychiater, raadden vrienden uit het vak me bijvoorbeeld af erover te vertellen. Zeven jaar geleden kwam het keerpunt. Als directeur van een grote GGZ-divisie moest ik voor ruim tweehonderd medewerkers een praatje houden over het thema stigma. Daar heb ik zelf óók last van, realiseerde ik me in de voorbereiding. Ik was bang dat mensen me anders zouden gaan bekijken als ze van mijn depressies wisten, dat ik er niet meer bij zou horen. Mijn schaamte bleek een enorme rem. Dan moet ik alles nu opengooien, dacht ik. Natuurlijk vond ik het hartstikke spannend toen ik daar op het podium stond. Tot mijn opluchting waren de reacties zonder uitzondering positief. Niet alleen dat, mijn verhaal creëerde ook ruimte voor collega’s om hún ervaringen met psychische klachten te delen. Sindsdien voel ik me vrijer, meer mezelf. Bovendien kan ik nog beter verbinding maken met mijn patiënten. Als ik denk dat het iets aan het gesprek toevoegt, vertel ik ze over mijn eigen worstelingen. Dan voelen ze zich extra goed gezien, merk ik.”

Les 7: Je bent nooit uitbehandeld
“Decennialang was de geestelijke gezondheidszorg eenzijdig gericht op de aanpak van klachten. Als het niet lukte om die te verminderen, was iemand ‘uitbehandeld’. Aan die term heb ik me altijd enorm geërgerd. Feitelijk zeg je daarmee: we geven je op. Maar zonder hoop geen verandering. Bovendien, een psychiatrische aandoening is nooit statisch. Relaties, werk, leefstijl, stress: ze hebben allemaal invloed op het verloop. Dat merk ik ook in mijn eigen leven. Er zijn dus veel knoppen waaraan je kunt draaien om iemand te helpen veranderen. Gelukkig is dat inzicht de laatste jaren steeds meer gemeengoed geworden. Het begint al bij de intake. Die doen we tegenwoordig samen met een ervaringsdeskundige. In plaats van te vragen wat er mis is, informeren we wat er met iemand is gebeurd. Wat zijn zijn krachten en kwetsbaarheden? Waar wil hij naartoe? En wie of wat heeft hij nodig om daar te komen? We richten ons dus niet alleen op de problemen, maar óók op wat goed gaat. Op wat iemand wél kan. Daar borduren we op voort. Van klacht naar kracht, noemen we dat. Want ook als je klachten houdt, kan je kwaliteit van leven als psychiatrisch patiënt verbeteren.”

Les 8: Zet jezelf op een nieuwsdieet
“Ik weet nog dat ik in 1996 het boek Emerging Viruses van Stephen Morse las. Als epidemiologen waren we er toen al van overtuigd dat er een keer een wereldwijde virusuitbraak zou komen met verstrekkende gevolgen. Ik kijk dus niet op van de coronacrisis. De zorgen van lezers daarover kan ik niet wegnemen. Wel wil ik een paar tips geven over het omgaan met de onvermijdelijke onzekerheid en misschien ook angst waar we nu allemaal mee te maken hebben. Zet jezelf in ieder geval op een nieuwsdieet. Eén of twee keer per dag het nieuws checken is echt voldoende. Vaker geeft alleen maar meer onrust. Probeer ook niet vooruit te lopen op wat er allemaal nog kan gebeuren. Spreek met jezelf af dat je het van dag tot dag bekijkt. Tot slot: zorg goed voor jezelf. Bel vrienden, zoek afleiding, ga mediteren, blijf bewegen. Zelf maak ik, nu ik thuis werk, dagelijks een lange wandeling in de duinen. Dat helpt echt, voor lichaam en geest.”

[Kader]
Psychiater dr. René Keet (Den Haag, 1959) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was jarenlang infectieziektenepidemioloog, gespecialiseerd in AIDS, voor hij in 1998 begon met zijn specialisatie psychiatrie. Sindsdien werkt hij als psychiater. Hij is directeur van de FIT-Academy bij GGZ Noord-Holland-Noord, voorzitter van het European Community Mental Health Service Providers Network (EUCOMS) en lid van de Council Clinical Leaders van de International Initiative Mental Health Leadership (IIMHL). Keet is getrouwd en heeft drie volwassen kinderen.

 

DE MAN VAN PSYCHIATER CECIL PRINS WAS ERNSTIG DEPRESSIEF

20 jan

cecil prins jpg

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 18 januari 2020. Foto: Jaspar Moulijn. 

Twee jaar geleden werd de man van kinder- en gezinspsychiater Cecil Prins-Aardema (41) opgenomen met een ernstige depressie. Tot haar eigen verbazing vond ze het knap lastig om dat met de buitenwereld te delen. Schuldgevoel en schaamte speelden haar parten. Want niet alleen patiënten, óók hun naasten hebben last van het stigma op psychische klachten. 

PASPOORT
Naam: Cecil Prins-Aardema
Geboren: 6 juli 1978 (Ommen)
Opleiding: VWO op het Meandercollege in Zwolle. Studie geneeskunde aan het VUmc in Amsterdam, specialisatie (kinder- en jeugd)psychiatrie.
Werk: Werkte tussen 2010 en 2014 als (kinder)psychiater in verschillende functies bij GGZ Drenthe. Stapte daarna over naar Fier, Centrum tegen Kinder- en Mensenhandel (CKM). Daar behandelde ze getraumatiseerde moeders en kinderen. Sinds december 2016 is ze terug bij GGZ Drenthe, nu in de functie van manager behandelbeleid van de afdeling gezinspsychiatrie (gezinspsychiatrie.nl).
Privé: Getrouwd met Johan. Samen hebben ze een dochter(18) en een zoon (16). 

Ze herinnert het zich als de dag van gisteren. Het intense verdriet waarmee ze de crisisafdeling van het psychiatrische ziekenhuis verliet. Maar óók de overweldigende opluchting. Niet alleen haar echtgenoot, ook zijzelf en haar kinderen hadden maandenlang met Johans depressie geworsteld. Eindelijk erkenden professionals de ernst van zijn klachten. Kreeg hij de benodigde hulp. Kon het gezin weer ademhalen.
“U heeft een ernstige ziekte waarvoor u in het ziekenhuis moet worden behandeld”, had de psychiater van de crisisdienst een paar uur eerder tegen Johan gezegd. Twee jaar later hebben ze het er nog regelmatig over hoe belangrijk die uitspraak voor hen is geweest. “Het klinkt zo logisch”, zegt Cecil Prins. “Maar is dat in het geval van psychische klachten vaak niet. Dat de psychiater van dienst het zo duidelijk verwoordde, voelde als een bevestiging. De somberheid, het gebrek aan levenslust, de ruzies: ze waren niet Johans — of mijn — schuld, maar het gevolg van zijn ziekte. Met die erkenning viel een last van onze schouders.”
Veel mensen zal het vreemd in de oren klinken dat juist Prins deze opmerkingen maakt. Als psychiater weet zij toch als geen ander hoe psychische problemen werken. “Als professional, ja”, benadrukt ze. “Maar het is zo anders om naaste van een psychiatrisch patiënt te zijn. Als echtgenote kwam ik helemaal klem te zitten. In onze relatie, tussen mijn man en zijn zorgverleners, tussen hem en onze kinderen. Pas nu ik het zelf heb ervaren, weet ik hoe ongelofelijk ingewikkeld dat is.”
Wachtlijst
Terug naar de zomer van 2017. De depressies waar Prins’ man al sinds zijn puberteit regelmatig last van had, verergerden zienderogen. Hij werd prikkelbaar, trok zich steeds meer in zichzelf terug, kreeg allerlei lichamelijke klachten. Werken lukte niet meer, dus kwam hij ziek thuis te zitten. Ook daar kwam er steeds minder uit zijn handen.
Een duidelijke reden voor de verslechtering was er niet, al speelden zijn toenemende slechthorendheid en de ziekte en dood van Prins’ moeder ongetwijfeld een rol. “Waarschijnlijk was het een opeenstapeling van stressfactoren”, vertelt ze. “Feit was dat ik hem nog nooit zo somber had gezien. Dat had effect op onze relatie. We maakten steeds vaker ruzie. De kinderen voelden ook aan dat het niet goed zat en begonnen ons steeds meer te ontzien.”
De signalen van een ernstige depressie herkende Prins natuurlijk wel. Iets aan die klachten doen bleek echter nog niet zo makkelijk. “Het nare is dat een geestesziekte het gedrag van mensen verandert”, legt ze uit. “Dat heeft vaak invloed op relaties. En op de houding van patiënten tegenover hulpverlening. Ze kunnen dan de energie niet opbrengen om om hulp te vragen. Of ze zien het nut er niet meer van in. Dat gold ook voor Johan.”
De geestelijke gezondheidszorg is zo ingericht dat patiënten daar zélf moeten aankloppen. Dat deed haar man tot frustratie van Prins dus niet. Een opmerking van hun zoon opende haar ogen. “‘Daarvoor is papa te ziek’, zei hij tegen me. “En gelijk had hij. Toen heb ik Johan alsnog meegetroond naar de huisarts. Na veel gepraat wilde zij hem doorverwijzen. Maar er bleek een wachtlijst van drie maanden te zijn. Dat trok Johan niet. ‘Laat dan maar zitten’, zei hij. Het was voor mij een van de dieptepunten. Ik wist toen echt even niet meer hoe het verder moest.”
Opname
Door alle spanningen in huis hadden Prins en haar man steeds meer conflicten. Misschien dat relatietherapie zou helpen, dacht de huisarts. Al na een paar gesprekken werd echter duidelijk dat met hun relatie zelf niets mis was. Wel was die uit evenwicht geslagen door Johans ziekte. “Door zijn stemmingsklachten waren we steeds verder verstrikt geraakt. Die constatering maakte voor mij een groot verschil. Want als je niet uitkijkt, krijg je als partner de verantwoordelijkheid voor de problemen in je schoenen geschoven en ga je geloven dat het allemaal aan jou ligt.”
Niet lang daarna belde Johan zijn vrouw op een maandagochtend in paniek op haar werk. “Het gaat niet meer, ik moet NU worden opgenomen”, zei hij tegen haar. Hij bleek al langer over de dood te denken en was bang dat hij daarnaar zou handelen. Zo belandden ze bij de psychiater van de crisisdienst. Uiteindelijk zou Johan acht maanden opgenomen blijven.
“We besloten meteen om heel open te zijn over zijn opname”, vertelt Prins. “We wonen in een klein dorp en wilden voor onze kinderen voorkomen dat er allerlei rare verhalen de ronde zouden gaan doen. We praatten met de omgeving over zijn ziekte alsof het een lichamelijke aandoening was, net zoals de psychiater van de crisisdienst met ons had gedaan. Daardoor voelde het minder ‘eng’. Dat bleek goed te werken.”
Iets anders wat Prins al snel regelde, was concrete hulp van vrienden en buren. “Mensen willen vaak graag wat doen, maar ze weten niet wat. Dus vroeg ik ze bijvoorbeeld om te koken of op te passen. En om ons een kaartje voor Johan mee te geven. Want patiënten op een psychiatrische afdeling krijgen zelden post.”
Schaamte
Even twijfelde Prins of ze ook haar collega’s moest vertellen wat er thuis aan de hand was, bezorgd wat die daar wel niet van zouden denken. “Voor het eerst werd ik me bewust van mijn eigen vooroordelen. Ik schaamde me dat het mij als psychiater niet was gelukt om zo’n ernstige crisis bij mijn man te voorkomen. Raar eigenlijk, hè. Want als ik oncoloog was geweest en mijn man had kanker gekregen, had ik dat denk ik niet zo gevoeld. Bij psychiatrische aandoeningen werkt het kennelijk anders.”
Dat merkte ze ook toen ze toch besloot het nieuws op haar werk te delen. Na het overlijden van haar moeder een jaar eerder uitten veel collega’s openlijk hun medeleven. Maar na het bericht over de opname van haar man bleef het verbazingwekkend stil. In eerste instantie althans. Want naderhand kwamen verschillende mensen naar haar toe. “Vaak om te vertellen dat ze zelf in hun eigen omgeving ook zoiets hadden meegemaakt. Ik dacht dat ik niemand in een vergelijkbare situatie kende. Inmiddels weet ik er een heleboel. Soms zelfs mensen met wie ik al jarenlang samenwerk. Het bewijst hoe moeilijk het is om over psychische problemen te praten.”
Dat zette haar aan het denken: het maatschappelijke stigma op psychische klachten werkt dus óók door naar naasten. Met als gevolg dat bijvoorbeeld partners en kinderen zich onnodig eenzaam voelen. En vaak niet de hulp en ondersteuning krijgen waar ze behoefte aan hebben.
Daar moet ik wat aan doen, dacht Prins. Zo ontstond het idee voor de campagne Break the stigma for Families, waarbij naasten van mensen met psychische klachten samen met anderen op de fiets stappen. Het doel: aandacht vragen voor de gevolgen voor de omgeving. (Zie kader.) “Juist omdat ik uit eerste hand weet hoe moeilijk het is, zet ik me in voor meer openheid. Ik wil lotgenoten laten weten dat ze niet alleen zijn.”
Respect en steun
Gevraagd naar hoe het nu met Prins’ gezin gaat, luidt het antwoord: wisselend. Na die eerste keer is haar man nog een keer opgenomen geweest, toen voor drie maanden. Langzamerhand komt de familie eraan toe om samen te herstellen, en te zoeken naar een nieuw evenwicht in het gezin.
Behalve als echtgenote en ouder hebben de ervaringen van de afgelopen jaren Prins als zorgprofessional veranderd. “Ik ben me nóg bewuster van hoe moeilijk mensen het vaak vinden om hulp te vragen. En van wat een lange weg zij en hun naasten al hebben afgelegd voor ze bij ons aan tafel zitten. Alleen al daarom verdienen patiënten én hun families respect en alle mogelijke steun.”

[Kader]
Break the Stigma for Families (BtSfF)
In 2018 lanceerde Cecil Prins-Aardema samen met het Fietsnetwerk Drenthe de internationale fietscampagne Break the Stigma for Families. Die is een vervolg op de Amerikaanse Break the cycle-campagne van Prins’ mentor, kinderpsychiater Andrés Martin, directeur van het Yale Child Study Center. Martin, die zelf al zijn hele leven met depressies kampt, fietste van de ene naar de andere kant van de Verenigde Staten om zo aandacht te vragen voor psychische klachten bij kinderen. Het bracht Prins en Martin op het idee om hier een vergelijkbaar project op te zetten voor families die te maken krijgen met psychische klachten. Inmiddels zijn er in Drenthe verschillende fietsprojecten gestart en is er in de VS ook een Break the Stigma for Families-fietstocht geweest. In 2020 volgen initiatieven in onder andere Zweden en Singapore.
Meer informatie: ggzdrenthe.nl/breakthestigma.

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 18 januari 2020. Foto: Jaspar Moulijn. 

 

ELEKTROSHOCKS REDDEN YVETTES LEVEN

20 dec

19-50 Yvette ECT pdf

Gepubliceerd in Margriet 50, december 2019. Foto’s: Mariel Kolmschot.

Yvette Maasen (54) leed jarenlang aan een ernstige depressie, waar geen medicijn tegen hielp. Vier keer probeerde ze zichzelf van het leven te beroven. De wanhoop nabij vond ze uiteindelijk een oplossing in de vorm van elektroconvulsietherapie, ook bekend als elektroshocks. Ze ondergaat die behandeling inmiddels al tien jaar. 

“Ik heb erover getwijfeld of ik mijn verhaal met de wereld zou delen. Ik vermoed namelijk dat sommige mensen het niet zullen begrijpen. Of me er zelfs om zullen veroordelen. Want met vier kinderen uit het leven proberen te stappen, dat doe je toch niet? Dat is wat mensen denken als ze nog nooit van dichtbij een ernstige depressie hebben meegemaakt. Juist aan hen wil ik graag uitleggen dat ik voor mijn gevoel geen andere keus had. Het laatste wat ik wilde was mijn gezin in de steek laten. Maar in mijn zwartste periodes geloofde ik oprecht dat ze zonder mij beter af zouden zijn.”

Kortsluiting
“Het begon allemaal in 2006. Ik voelde me al maanden down, geïrriteerd. En ik was doodmoe. Als ik na een ochtend werken thuiskwam, dook ik mijn bed weer in. Dan sliep ik rustig de rest van de dag. De dagelijkse dingen — het huishouden, koken, voor mijn kinderen zorgen — kostten me steeds meer moeite. Puf om eropuit te gaan had ik al helemaal niet. Achteraf waren dat allemaal signalen van een beginnende depressie. Maar mijn man en ik hadden daar geen idee van. We kenden niemand met depressieve klachten. Die kwamen ook niet in onze familie voor. Dus herkenden we de voortekenen niet.
In januari 2007 ging het helemaal mis. Op een doordeweekse dag werd ik wakker met een heel vreemd gevoel, alsof er kortsluiting in mijn hoofd was ontstaan. Ik herkende mezelf niet meer, was mijn eigen ik kwijt. Tegelijkertijd rolde er een golf van wanhoop over me heen. Alles was zwart, uitzichtloos. Ik wist me geen raad, niet met mezelf en niet met de situatie. De enige oplossing die ik zag, was te vertrekken. Ik wilde mijn familie niet langer met mijn ellende opzadelen.
Als in een waas heb ik wat spullen gepakt en ben ik naar het station gegaan. Een paar uur later stapte ik in Antwerpen uit de trein. Geen idee waarom ik juist daar naartoe ging. In de buurt van het station vond ik een pensionnetje. Drie dagen lag ik er op bed. Mijn telefoon had ik uitgezet. Mijn familie was intussen radeloos, maar daar was ik helemaal niet mee bezig. Of beter gezegd: daarvoor had ik geen ruimte in mijn hoofd. Mijn eigen pijn en radeloosheid overheersten alles. Uiteindelijk heb ik toch mijn man gebeld. Terug in Nijmegen bracht hij me direct naar de ggz. ‘Kunt u beloven dat u zoiets niet nog eens zult doen?’, vroeg de psychiater aan me. Dat kon ik niet. Een uur later werd ik overgebracht naar de gesloten afdeling van Radboud Ziekenhuis.” 

Toneelspel
“Na een reeks onderzoeken en gesprekken kwam de diagnose: ik leed aan een ernstige depressie. Die eerste keer ben ik een paar weken opgenomen geweest. Ik kreeg verschillende medicijnen, die weinig uithaalden. En ik volgde allerlei therapieën. Gaandeweg kwam ik achter de oorzaak van mijn depressieve klachten. Als klein meisje was mijn vader mijn held, mijn alles. Maar toen hij zijn baan verloor en thuis kwam te zitten, veranderde hij compleet. Hij ging steeds meer drinken, ook overdag, en begon mijn moeder te mishandelen. Tegen mij — het nakomertje van het gezin — zei hij dat ik nooit geboren had moeten worden. Het was alsof de grond onder mijn voeten vandaan werd geslagen. Op mijn 17e ben ik bij een vriendinnetje gaan wonen. Met mijn vader heb ik daarna nauwelijks nog contact gehad.
Het verdriet en de onzekerheid over die moeilijke tijd heb ik jaren weggestopt. Maar op mijn 42ste worstelden ze zich toch weer naar boven. Hoewel ik rationeel snapte dat ik er iets mee moest, durfde ik de gevoelens niet toe te laten. Te eng, te pijnlijk. In plaats daarvan speelde ik in het ziekenhuis mooi weer, zodat ik snel weer naar huis mocht.
Eenmaal thuis ging ik door met mijn toneelspel. Ik wilde niet dat mijn omgeving zou weten welke sombere gedachten er allemaal door mijn hoofd spookten. Gevoelsmatig kwam ik daardoor alleen maar nog meer in de knel. Binnen een paar weken liep ik compleet vast, had geen idee hoe het verder moest. Toen heb ik alle pillen in huis ingenomen en ben ik op bed gaan liggen, in de hoop dat ik nooit meer wakker zou worden.” 

Afgestompt
“Mijn man trof me bewusteloos op bed aan en belde 112. Na de intensive care ging ik direct terug naar de gesloten psychiatrie-afdeling. Daar begon het hele circus opnieuw. Andere medicijnen, nog meer behandelingen. Allemaal met weinig resultaat. Om een lang verhaal kort te maken: tussen 2007 en 2010 ben ik verschillende keren opgenomen geweest, de langste keer negen maanden. In totaal heb ik in die periode vier keer geprobeerd een einde aan mijn leven te maken. Hoe kon je dat je kinderen aandoen?, vragen mensen zich vaak af — bij mijn eerste suïcidepoging waren mijn dochters 20, 17, 14 en 5. Ik snap heel goed dat dat voor een geestelijk gezonde ouder haast onbegrijpelijk is. Maar weet dat je bij een ernstige depressie jezelf volledig kwijtraakt. Het is alsof je zwarte bubbel zit, afgesloten van de wereld om je heen. Ik wilde niet zozeer dood. Ik wist niet meer hoe ik verder moest leven.
Als ik nu terugkijk op die tijd, was ik geen moeder meer. Ik zeg dat, omdat ik niks meer voelde. Niets raakte me nog, zelf niet de geboorte van ons eerste kleinkind. Ik was volledig afgestompt. Achteraf begrijp ik dat mijn gezin ongelofelijk verdrietig en bang was, en ook heel boos. Maar toen ik er middenin de depressie zat, registreerde ik het alleen. Het kwam niet binnen. Ruimte voor schuldgevoel was er niet.”

ECT
“Dat ik mijn verhaal twaalf jaar later kan vertellen, heb ik te danken aan één specifieke behandeling: elektroconvulsietherapie, kortweg ECT. Vroeger noemde men dat elektroshocks. Het klinkt griezelig, je hersenen met een elektrische schok als het ware resetten. Maar in de praktijk is er niets engs aan. De behandeling gebeurt namelijk onder narcose. Je voelt er als patiënt dus niets van. Toch vinden mensen aan wie ik het vertel het vaak een naar idee. Ze maken er soms ook flauwe grappen over. ‘Heb je thuis niet genoeg stopcontacten?’, hoor ik dan. Daarom houd ik mijn verhaal meestal voor me.
Mijn eerste ECT kreeg ik in 2009. Twijfels had ik daar niet over; andere behandelopties waren er niet meer. Na zes keer begon ik een verschil te merken. Alsof de zware, donkere deken die over me heen had gelegen beetje bij beetje werd opgetild. Ik voelde voor het eerst in jaren weer wat, had zin om naar buiten te gaan, om verder te leven. Dat was echt een halleluja-ervaring.
Na twaalf keer was ik zo opgeknapt, dat ik met de behandeling kon stoppen. Een half jaar ging het goed, toen kwamen de depressieve klachten toch terug. Hoewel ik ze deze keer wel herkende, trok ik niet aan de bel. Dom natuurlijk, maar ik wilde niet wéér opgenomen worden. Het gevolg was dat ik zo ver afgleed, dat ik uiteindelijk een vierde zelfmoordpoging deed.
Mijn man stelde me een ultimatum: nog één keer en je kunt vertrekken. Een jaar eerder had dat weinig indruk op me gemaakt. Inmiddels was ik echter helder genoeg om zijn boodschap serieus te nemen. Ik moet er nu echt voor gaan, dacht ik. Snel daarna ben ik weer met ECT gestart. Helaas duurde het de tweede keer veel langer voor de behandeling aansloeg, wel zes maanden. Het goede nieuws is dat ik sindsdien geen ernstige terugval meer heb gehad. Dat komt omdat ik sinds 2010 doorlopend met ECT ben behandeld. Uitzonderlijk, want de meeste patiënten ondergaan de therapie tijdelijk. Maar bij mij is dit het enige wat werkt. De behandeling houdt me letterlijk in leven.
Inmiddels zit ik op een onderhoudsdosis, zoals dat heet, van eens in de twee weken. Ook al is het een dagbehandeling, het is natuurlijk heel ingrijpend om steeds weer onder narcose te moeten. Bovendien heb ik serieuze bijwerkingen: mijn geheugen is flink aangetast. Mijn trouwdag 33 jaar geleden weet ik nog precies. Maar de geboorte van mijn vier dochters ben ik helemaal kwijt. Ook in mijn kortetermijngeheugen vallen gaten. Soms heb ik geen idee wie me op straat gedag zegt. Dan moeten mijn man of dochters me uitleggen dat ik die persoon al jaren ken. Heftig, maar ik neem het op de koop toe. Alles beter dan terugzakken in de zwarte put van de depressie.”

Hoge prijs
“Ik ben iedere dag blij en dankbaar dat het goed met me gaat en dat ik weer van het leven kan genieten. Maar mijn ziekte heeft mij en mijn familie wel veel gekost. Toen ik uiteindelijk opkrabbelde, kwam ik in een getraumatiseerd gezin terug. We moesten helemaal opnieuw beginnen. Opnieuw een band opbouwen. Opnieuw leren elkaar te vertrouwen. Hoe kon ik weer een volwaardige moeder en echtgenote zijn? Het kostte veel tijd om dat uit te vinden. Met goede begeleiding is dat gelukt. Tenminste, de relatie met mijn man en jongste dochters is hechter dan ooit. Maar de oudste twee zijn nog altijd zo boos, dat ze geen contact met ons willen. Hun drie kinderen — onze enige kleinkinderen — heb ik nooit gezien.
Ook mijn familie en die van mijn man hebben uit woede alle banden met ons verbroken. Ze nemen mij mijn gedrag van toen nog altijd kwalijk. Dat snap ik niet. Hoe kun je iemand verwijten dat hij ziek is geweest? Ik ben nu een heel ander persoon dan negen jaar geleden. Ik zou ze zo graag laten zien dat ik veranderd ben. Maar de hand die ik een paar jaar geleden naar mijn zussen uitstak, hebben ze resoluut afgeslagen.
Als gevolg van mijn ziekte ben ik sinds 2010 volledig afgekeurd. Werken gaat dus niet meer. Toch geef ik mijn leven ondanks alles een acht. Mijn ene reddingsboei is ECT, de andere mijn man Theo. Hij is altijd in me blijven geloven en heeft me nooit laten vallen. Het is voor hem heel zwaar geweest — tijdens mijn slechtste jaren moest hij, met een voltijdbaan, in zijn eentje ons gezin draaiende houden. Niet verwonderlijk dat hij burn-out raakte. Hij en onze jongste dochters hebben ook hulp gehad om alles te verwerken. Maar we hebben ons er doorheen geslagen. Na 33 jaar zijn we nog altijd samen. Daar ben ik ontzettend trots op. Toen we elkaar als jonge twintigers jawoord gaven, hadden we geen idee wat ons te wachten stond. Net als veel anderen dachten we dat mensen met een depressie gewoon een tijdje somber zijn. Inmiddels weten we beter. Door mijn verhaal te delen hoop, ik dat lezers de signalen van een depressie eerder herkennen. En die serieus nemen. Wat wat wij hebben doorgemaakt, gun ik niemand.”

[Kader]
Wat is ECT?
We vragen het aan psychiater Eric Ruhé van het Radboudumc, die is gespecialiseerd in depressieve stoornissen. Hij heeft veel ervaring met het geven van ECT en doet er ook wetenschappelijk onderzoek naar.
Eric Ruhé: “Bij elektroconvulsietherapie krijgen patiënten onder narcose op hun hoofd een serie stroompulsen toegediend. Daarmee wekken we in de hersenen een korte epileptische aanval op. Zulke aanvallen verminderen vaak de depressieve klachten. Hoe dat precies werkt, weten we nog niet. Maar in de meeste gevallen blijken twaalf tot twintig sessies voldoende voor een goed resultaat.”
Is dat niet gevaarlijk?
“Nee. Je hersenen gaan er niet van kapot, zoals mensen soms denken. En je wordt ook niet dement door ECT. De behandeling is heel veilig, voor bijvoorbeeld zwangere vrouwen met een depressie zelfs veiliger dan medicatie. Direct na de therapie zijn patiënten soms een beetje verward, voelen ze zich misselijk of hebben ze hoofdpijn. Die klachten trekken snel weg. De belangrijkste bijwerking is geheugenverlies. Meestal verdwijnen die klachten binnen drie maanden na het einde van de behandeling, maar soms zijn ze blijvend, een belangrijk nadeel van ECT.”
Wie komen voor ECT in aanmerking?
“Mensen met een ernstige depressie met psychotische verschijnselen of mensen met een chronische depressie bij wie andere behandelingen niet helpen. Die laatste groep is therapieresistent, zoals dat heet. Dat komt vaker voor dan je denkt. Zelfs als ze verschillende medicijnen hebben geprobeerd, knapt een derde van de meer dan een half miljoen depressiepatiënten niet op. Voor hen kan ECT een uitkomst zijn.”
Werk het goed?
“Ja, heel goed. Afhankelijk van de situatie heeft 50 tot 75 procent van de patiënten er baat bij. Hun depressieve klachten verminderen flink of verdwijnen zelfs. Overigens moeten zij na afloop van de behandeling altijd wel medicijnen blijven slikken om een terugval te voorkomen.”
Als het zo effectief is, wordt ECT zeker wel veel gebruikt.
“Helaas niet. Minder dan één procent van de mensen met een chronische depressie krijgt ECT.”
Hoe kan dat?
“Onbekend maakt onbemind. Veel patiënten vinden het nog altijd een eng idee. Het is natuurlijk ook niet niks om telkens voor een behandeling onder narcose te moeten. Maar een onbehandelde depressie is nog veel ingrijpender voor iemands leven. Verder bestaat er een hardnekkig misverstand dat ECT het laatste redmiddel is. Oók bij veel zorgverleners. Daarom wachten ze lang om de therapie in te zetten. Vaak te lang. Als patiënten vanwege hun depressie een gevaar voor zichzelf vormen, of als blijkt dat andere behandelvormen weinig of niets opleveren, kun je er beter eerder dan later mee beginnen. Want hoe langer een chronische depressie duurt, hoe moeilijker het wordt om eruit te komen.”

 

HOOP DOET LEVEN

15 mei

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 12 mei 2018 (Foto’s: Jaspar Moulijn)

Tien jaar geleden was Peter Smit (33) ernstig depressief en beschadigde hij zijn lichaam. Vandaag de dag heeft hij de allesoverheersende wanhoop achter zich gelaten, en helpt hij als ervaringsdeskundige psychiatrisch patiënten de regie over hun leven terug te krijgen. 

  • Naam: Peter Smit
  • Geboren: 9 september 1984 in Hoogezand-Sappemeer
  • Woonplaats: Emmen
  • Opleiding: MBO ICT, HBO Ervaringsdeskundige
  • Werk: werkt voltijd als ervaringsdeskundige in de psychiatrie
  • Privé: woont samen met zijn vriendin, hun hond Balin en hun twee katten Biruh en Misty.
  • Bijzonderheden: werd aangenomen bij het Korps Mariniers, maar besloot na twee maanden met de opleiding te stoppen

De littekens op zijn onderarmen zijn nog duidelijk zichtbaar. Witte lijnen en vlekken, die een dagelijkse herinnering vormen aan het verleden. De huid van de linkerarm is een wirwar van ontelbaar veel krassen, ingekerfd met messen, glasscherven of welk ander scherp voorwerp er ook maar voorhanden was. Op de rechterarm een haast sierlijk patroon van lichte vlekken, iets groter dan twee euromunten. Dat zijn de overblijfselen van de brandwonden die Peter Smit (33) zichzelf jarenlang toebracht. Tenminste, een deel ervan. De heftigste beschadigingen zijn operatief verwijderd, en met een huidtransplantatie van zijn been afgedekt. Hij schaamt zich er niet voor om zijn gehavende lijf aan de wereld te tonen. “Mijn littekens zijn onderdeel van mij en mijn verhaal”, zegt hij simpel.
Anders
Dat verhaal begint in het Friese Noordbergum, waar Smits vader dominee was. Het gezin — vader, moeder, Peter en zijn oudere zus — woonde in de pastorie, naast de kerk. Eind jaren ’80 telde het dorp een kleine 2000 inwoners. Dus toen bleek dat Smit ‘anders’ was dan de andere kinderen, waren de ogen al snel op hem gericht. “Ik snapte de wereld om me heen niet”, vertelt hij. “Op de basisschool liep ik daardoor vast. Het was net alsof ik door een andere bril keek. De rekentafels kreeg ik niet in mijn hoofd, terwijl ik alles wist van het heelal. Daar konden de juffen en meesters weinig mee. Ik voelde ook niet aan wat klasgenootjes van me verwachten. Wat voor hen vanzelfsprekend was, vond ik onbegrijpelijk. Ik had geen antenne voor hoe het hoorde, voor wat normaal was of niet. Gingen we belletje trekken, dan bleef ik staan terwijl de rest wegrende. Zo werd ik het sukkeltje van het dorp.”
Zijn leeftijdgenoten hadden al gauw door dat Smit van hen verschilde, en dus kwetsbaar was. Ze scholden hem uit, pakten zijn knikkers af, lieten hem niet meespelen. Dat werd nog erger toen hij op zijn zevende naar een lomschool in Leeuwarden moest. “‘Daar gaat de mongool’, riepen ze als ik ’s ochtends met een speciaal busje werd opgehaald.”
Gevaarlijk
Zijn liefhebbende ouders probeerden Smit zo goed mogelijk te helpen en te beschermen. Ze legden hem uit dat hij thuis in zijn eigen wereld kon leven, maar dat het aan de andere kant van de voordeur heel anders werkte. De boodschap die hij daar uithaalde was: buiten is het gevaarlijk. “Terwijl mijn klasgenoten in de pauze speelden, verzamelde ik stenen en scherven die ik zo nodig als wapen kon gebruiken als de chauffeur van het busje me zou ontvoeren, of iemand anders me kwaad zou doen.”
Ondertussen probeerde hij wanhopig om ‘normaal’ te zijn. Toen hij van zijn ouders vurig gewenste witte sportschoenen kreeg, wist hij het zeker: nu hoor ik erbij. Vol verwachting vertrok hij naar school, in de overtuiging dat hij overladen zou worden met complimenten. In plaats daarvan gingen de andere kinderen één voor één met hun vieze zolen op zijn nieuwe schoenen staan. “Hoe hard ik ook mijn best deed, het was niet genoeg. Ik snapte niet waarom; mijn verwachtingen klopten nooit met de werkelijkheid.”
Ook op de lomschool bleken ze Smit niet de hulp te kunnen bieden die hij nodig had. Op z’n elfde restte er niets anders dan dagbehandeling in een kliniek voor jeugdpsychiatrie. Daar kreeg hij in een huiselijke omgeving een jaar lang bijgebracht hoe het dagelijkse leven werkt. Dat je je jas ophangt en iemand een hand geeft als je binnenkomt, dat je stil bent als een ander voor het eten wil bidden, en dat je niet lacht als een klasgenoot pijn heeft of verdrietig is. Ook leerde hij op een andere manier te denken: oorzaak en gevolg scheiden, reflecteren, zich concentreren. “In praktische zin heb ik daar ongelofelijk veel aan gehad”, zegt hij. “Tegelijkertijd was dat jaar funest voor mijn zelfvertrouwen. Dat ik naar zo’n kliniek moest, was de ultieme bevestiging van mijn anders zijn. Toen ik er op mijn twaalfde vertrok, voelde ik me niets meer waard.”
Huisje, boompje, beestje
Het gezin verhuisde naar Emmen, waar Smit eerst naar het voorbereidend en later naar het middelbaar beroepsonderwijs ging. Met zijn nieuw verworven vaardigheden kon hij zich aardig staande houden. “Ik kom uit een familie van hoogopgeleide, succesvolle mensen met goede banen”, vertelt hij. “Daar wilde ik niet voor onderdoen. Ik meldde me bij het Korps Mariniers, in de hoop dat mensen me dan stoer zouden vinden. Maar na een paar weken wist ik al dat dat niets voor mij was. Later probeerde ik me te bewijzen door een vierjarige ICT- opleiding te doen volgen. Ook dat paste eigenlijk helemaal niet bij me.”
Al zijn keuzes draaiden om één ding: geaccepteerd worden. Het was ook de reden dat Smit op z’n 21ste samen met zijn eerste vriendin een huis kocht. Want huisje, boompje, beestje, zo hoorde het toch? “Achteraf was dat het slechtste wat ik kon doen”, zegt hij nu. “Ik raakte de stabiele, veilige omgeving van mijn ouderlijk huis kwijt. Bovendien dwong het samenwonen me om constant een rol te spelen. Op bezoek bij schoonfamilie, samen boodschappen halen: ik deed het omdat het van mezelf moest. Maar ik was steeds bang dat ik in de fout zou gaan, dat mensen me raar zouden vinden. Toch ploeterde ik voort. Want als ik dit ook niet tot een succes kon maken, wat bleef er dan nog voor me over?”
Dat voortdurend de schijn ophouden, eiste echter wel zijn tol. Smit werd kortaf en depressief. Zijn relatie begon scheuren te vertonen. Hij kwam veel aan, kreeg allerlei onverklaarbare lichamelijke klachten en moest zich steeds vaker ziek melden bij de computerwinkel waar hij werkte. Toen hij op z’n 23ste helemaal thuis kwam te zitten, ging het razendsnel bergafwaarts.
Pijn
Smit herinnert zich het moment als de dag van gisteren. Juni 2010 was het, toen hij een glas liet vallen. Bij het opruimen van de scherven sneed hij zich per ongeluk in zijn hand. “De pijn drong door al mijn verdoofde emoties heen. De wereld was voor mij één groot raadsel. Maar die pijn snapte ik wél. Hij paste bij de somberheid en boosheid in me. Wat een opluchting gaf dat. Het was het enige gevoel dat ik zelf onder controle had. Bovendien verdiende ik het als mislukkeling om te lijden, vond ik. Pijn was dus een passende straf.”
De dag na het incident wist Smit: die ontlading wil ik weer voelen. Hij begon zichzelf steeds vaker te beschadigen, vooral als de wanhoop de overhand kreeg. Het bleef overigens niet bij snijden; hij bracht zichzelf ook brandwonden toe, bijvoorbeeld door een paperclip in het vuur te houden tot die gloeiend heet was, en hem vervolgens op zijn huid te drukken. Zijn wonden verzorgde hij — zo goed en zo kwaad als het ging — zelf. “Op internet kun je alles bestellen, ook hechtdraad en
-naalden. Daarmee naaide ik de snijwonden dicht. Zonder verdoving uiteraard.”
Smit was in die periode in behandeling bij een psycholoog. Hij kwam daar regelmatig met z’n armen in het verband. De therapeut bood hem hulp, maar maakte hem ook verwijten. “Hij vond mijn zelfbeschadiging een vorm van aandachttrekkerij. Volgens hem probeerde ik de boel te manipuleren. Pas toen ik mezelf letterlijk aan stukken had gesneden en mijn vriendin mijn behandelaar in paniek opbelde, nam hij me serieus. Had hij dat eerder gedaan, dan had het vermoedelijk nooit zo ver hoeven komen.”
Vijfhonderd hechtingen
Smit werd opgenomen. Ondanks dat hij inmiddels twee zelfmoordpogingen had gedaan, kwam hij — tegen zijn zin — op een open afdeling terecht. “Voor mijn opname had ik scheermesjes onder de steunzool van mijn schoenen verstopt. Daarmee heb ik mijn polsen doorgesneden.”
Toen het bloed eruit gutste, raakte hij in paniek. ‘Hier zit ik niet op te wachten, ik zit net te eten’, verzuchtte de verpleegkundige bij wie hij zich totaal overstuur meldde. Ze bracht hem terug naar zijn kamer. “Pas na drie kwartier kwam er iemand om me naar de eerste hulp te brengen. Daar kreeg ik meer dan vijfhonderd hechtingen in mijn armen.”
Eén ding had hij met zijn wanhoopsdaad wel voor elkaar gekregen: hij mocht naar een gesloten afdeling. Maar ook daar lukte het hem om zichzelf te blijven beschadigen. “Dan vroeg ik bijvoorbeeld aan mijn ouders om een ringbandblok voor me mee te nemen, zodat ik wat kon schrijven. De spiraal gebruikte ik vervolgens om in mijn arm te kerven.”
De ommekeer kwam toen een nieuwe verpleegkundige haar intrede op de afdeling deed. Zij besloot het heel anders aan te pakken. “Ze vroeg me alle spullen waarmee ik mezelf pijn deed bij haar in te leveren, maar wel met de belofte dat ik ze altijd terug mocht vragen. Op het moment dat het me allemaal te veel werd, zocht ik haar op. ‘Kun je het nog even uitstellen?’, vroeg ze dan. Vaak lukte dat, soms niet. Dan sprak ik met haar af hoe lang ik mezelf zou  beschadigen. Daarna maakte ze me geen verwijten, maar vroeg ze me wat er was gebeurd dat ik het niet meer kon volhouden.”
Smit had in zijn leven al heel wat hulpverleners versleten. Maar door deze verpleegkundige voelde hij zich voor het eerst oprecht gezien en gehoord. “Zij is mijn redding geweest. Dankzij haar vond ik de moed om met mijn destructieve gedrag te stoppen.” Hij kreeg andere antidepressiva, waardoor hij snel opknapte. Voor de zekerheid werd hij — in overleg en op eigen verzoek — een maand lang 24 uur per dag in de gaten gehouden. Daarna mocht hij naar huis.
Gedaanteverandering
De acute crisis was weliswaar voorbij, maar daarmee waren de achterliggende problemen nog niet opgelost. Inmiddels was Smit alles kwijtgeraakt: zijn gezondheid, zijn baan, zijn vriendin, zijn huis en zijn geliefde katten. Onverzorgd en 170 kilo zwaar trok hij op z’n 28ste weer bij zijn ouders in. “Ik kon en durfde niets meer. Zelfs een brief posten was al te veel.”
Zijn alles overheersende minderwaardigheidsgevoel verlamde hem volledig. Uiteindelijk zou hij zichzelf dankzij de hulp van een begripvolle behandelaar langzaam terugvinden. “In heel kleine stapjes hielp hij me mijn leven weer op te bouwen. Vond ik dat ik naar Amsterdam moest kunnen, dan zei hij ‘loop eerst maar eens een rondje om het huis’.”
Na twee jaar hard werken was Smit er klaar voor om weer op zichzelf te gaan wonen. 75 kilo lichter, in een strak pak en medicijnvrij herkenden zijn oude hulpverleners hem nauwelijks terug. Ze vonden zijn gedaanteverandering zo inspirerend, dat ze hem vroegen of hij als ervaringsdeskundige — een zorgprofessional die spreekwoordelijke bruggen bouwt tussen hulpverleners en cliënten — bij hen wilde komen werken. Daarvoor moest hij dan wel eerst solliciteren en een tweejarige HBO-opleiding volgen.
“Ik stond op het punt om mijn psychiatrische verleden — inclusief het bijbehorende stigma — achter me te laten. Bovendien heb ik in de loop der jaren behoorlijk wat negatieve ervaringen met de GGZ gehad. Reden genoeg om de deur achter me dicht te trekken en nooit meer om te kijken, zou je denken. Maar na lang wikken en wegen ben ik toch op het aanbod ingegaan.”
De mogelijkheid om daadwerkelijk een verschil te kunnen maken gaf de doorslag. “Ik wil hulpverleners laten inzien dat cliënten vooral behoefte hebben aan erkenning, normalisering en menselijk contact. Dat weegt voor hen veelal zwaarder dan de therapieën, pillen en protocollen waar professionals vaak druk mee zijn. Herstellen lukt alleen als je de perspectieven van behandelaars en patiënten verenigt, en zo hun werelden samenbrengt. Ik vind het fantastisch dat ik daar nu een rol in kan spelen.”
Hoop
In 2014 begon Smit op kosten van zijn nieuwe werkgever aan zijn opleiding Ervaringsdeskundige in de zorg aan de Hanzehogeschool. Twee jaar later had hij zijn diploma en een baan op zak. Nu helpt hij hulpverleners om de belevingswereld van psychiatrische patiënten beter te begrijpen. “Het zit hem vaak in kleine dingen: nieuwsgierig zijn, een open houding hebben, de tijd voor iemand nemen, doorvragen. Daardoor voelen cliënten zich serieus genomen, en laten ze zich eerder helpen.” Behalve dat hij professionals adviseert, werkt hij ook met patiënten ze om de regie over hun leven terug te helpen terugkrijgen. “We hebben gedeelde ervaringen. Dat geeft een band en opent deuren.”
Voor Smit horen zijn suïcidale neigingen inmiddels tot het verleden. En na zijn opname heeft hij zichzelf ook nooit meer beschadigd. “Eind 2012 zat ik bij mijn ouders in een hoekje van de bank, 100 procent afgekeurd, mijn leven uitzichtloos. Nu werk ik voltijds. Ik kan andere mensen helpen, wat ik diep van binnen altijd al het wilde. Samen met mijn lieve vriendin heb ik net een huis gekocht. En als ik ’s avonds thuis kom, wachten er een hond en twee katten op me. Het allerbelangrijkste is dat ik op mijn 33ste eindelijk mezelf kan zijn, en daar nog trots op ben ook. Waarmee ik maar wil zeggen: er is altijd hoop.”

 

EEN BLIK IN DE TOEKOMST

26 feb

Goed nieuws 2018

Gepubliceerd in Plus Magazine, januari 2018

Wat gaat er de komende jaren hopelijk anders en beter op het terrein van hart- en vaatziekten en psychische klachten? Twee specialisten werpen een blik vooruit. 

Bio
Cardioloog dr. Janneke Wittekoek (48), gespecialiseerd in hart- en vaatziekten bij vrouwen, is oprichter en directeur van de HeartLife Klinieken in Utrecht en schrijfster van het in 2017 verschenen boek Het vrouwenhart. Daarnaast is ze als medisch directeur betrokken bij het Landelijk Expertisecentrum Erfelijkheidsonderzoek Familiaire Hart- en vaatziekten (LEEFH).

Zijn hart is het hare niet
Janneke Wittekoek: “Het proces van aderverkalking verloopt bij vrouwen anders dan bij mannen. Mannen krijgen vaak een ernstige blokkade in de kransslagader, vrouwen hebben eerder last van aantasting van kleine hartvaatjes, verspreid over een groter gebied. Microvasculair syndroom noemen we dat. Dat maakt hartproblemen bij hen vaak lastiger vast te stellen. Bovendien uiten de klachten bij vrouwen zich veelal anders. Het gevolg: artsen concluderen bij vrouwen nog te vaak ten onrechte dat er niets aan de hand is. Gelukkig is er steeds meer bekend over de verschillen tussen mannen en vrouwen en wordt daar ook veel onderzoek naar gedaan, bijvoorbeeld naar de relatie tussen de overgang en de kans op hart- en vaatziekten.”
Voordeel voor de patiënt: Een snellere, betere diagnose en een behandeling-op-maat.

Cardioloog-op-afroep
Janneke Wittekoek: “Waar hartpatiënten tot voor kort regelmatig voor controle naar de huisarts of het ziekenhuis moesten, meten ze hun belangrijke waarden — bloeddruk, hartslag, hartritme — nu steeds vaker thuis. Dankzij nieuwe technologieën kunnen ze die gegevens gemakkelijk naar hun zorgverlener sturen, bijvoorbeeld via een app op hun telefoon. De arts of verpleegkundige kan zijn patiënten zo veel beter in de gaten houden, en op afstand advies geven over bijvoorbeeld het bijstellen van medicatie.”
Voordeel voor de patiënt: Korte lijnen met je behandelaar. Alleen naar het ziekenhuis als het echt nodig is.

Leefstijl als medicijn
Janneke Wittekoek: “We weten inmiddels dat je diabetes type 2 — een belangrijke risicofactor voor hart –en vaatziekten — met de juiste voeding kunt terugdraaien. Ook een verhoogde bloeddruk of cholesterolgehalte kun je positief beïnvloeden met voeding en beweging. Zoveel zelfs, dat medicatie soms niet meer nodig is.
Het betekent wel: een groter beroep op de eigen verantwoordelijkheid. Een pil nemen is immers makkelijker dan je leefstijl veranderen. Een goede eerste stap: meet minstens één keer per jaar je BMI, bloeddruk en cholesterol. Twijfel over je waarden, vraag dan advies aan je huisarts.”
Voordeel voor de patiënt: Als je je getallen kent, weet je of je actie moet ondernemen om die te verbeteren en zo problemen vóór te zijn.

Gezondheidstip voor 2018: Vraag zo nodig om een second opinion
Janneke Wittekoek: “Veel mensen — zeker vrouwen — vinden het lastig om een second opinion te vragen. Ze maken zich drukker om de gevoelens van hun eerste arts dan om hun eigen gezondheid. Word je langer dan een jaar voor hartklachten behandeld en is er nog geen oplossing, vraag dan om een andere arts om zijn of haar oordeel.”


 

Bio
Psychiater dr. Esther van Fenema (47) van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) is onder andere gespecialiseerd in ouderenpsychiatrie. Ze is een van de initiatiefnemers van het jaarlijkse Depressiegala en was nauw betrokken bij de landelijke publiekscampagne van het ministerie van VWS over het herkennen van depressie.

Betere diagnose en behandeling van depressie bij ouderen
Esther van Fenema: “‘Als je een depressie hebt, ben je vooral heel somber’, denken veel mensen. Maar zo duidelijk is het niet altijd. Depressieve ouderen kunnen het bijvoorbeeld vaak niet meer opbrengen om de deur uit te gaan. Of ze hebben geheugenproblemen, of zijn heel moe. Zaken waarvan de omgeving vaak gelooft dat die ‘gewoon’ bij ouderdom of ziektes horen. Het gevolg is dat depressieve klachten bij ouderen lang niet altijd worden herkend. Om daar verandering in te brengen, geven we als ouderenpsychiaters veel bijscholing aan huisartsen en verpleeghuisartsen. Trek vooral ook zelf aan de bel als je je somber voelt. Want een depressie hoort er nooit bij, hoe oud je ook bent. En een goede behandeling kan zelfs op hoge leeftijd een groot verschil maken.”
Voordeel voor de patiënt: “Vroegere opsporing en betere behandeling van depressie bij ouderen.”

Meer aandacht voor alcoholproblemen bij 55-plussers
Esther van Fenema: “21,2 procent van de mensen tussen 55 en de 70 jaar drinkt matig, 6,7 procent overmatig, aldus het Trimbos. Dat is veel meer dan bij 23 tot 54-jarigen (respectievelijk 13,7 en 3,8 procent, red.). Als je ouder wordt, gaat je lichaam alcohol steeds slechter verdragen, waardoor er sneller schade optreedt. Bovendien vergroot alcohol de kans stemmings- en angstklachten en geheugenproblemen. Van roken weet iedereen inmiddels hoe slecht het is. Ik hoop dat over tien jaar hetzelfde geldt voor alcohol.”
Voordeel voor de patiënt: “55-plussers zijn zich meer bewust van de nadelige gevolgen van alcohol.”

Onderzoek naar effecten van psychische klachten op lichamelijke gezondheid
Esther van Fenema: “Als je langere tijd somber, gestrest of angstig bent, blijft je lichaam alsmaar in een ongezonde toestand vastzitten. Met bijvoorbeeld hartkloppingen, hoofdpijn, slapeloosheid, vermoeidheid en concentratieproblemen tot gevolg. Op de lange duur zorgt dat voor een slijtageslag. Onder andere de bloeddruk en hartslag stijgen en de afweer verslechtert, waardoor je bijvoorbeeld meer kans loopt op hart- en vaatziekten. Lang was hier weinig aandacht voor, maar daar komt nu gelukkig verandering in. Zo heeft de Hartstichting geld uitgetrokken om te laten onderzoeken hoe psychologische klachten het risico op bepaalde hartziekten beïnvloeden, en of daarbij belangrijke verschillen zijn tussen mannen en vrouwen.”
Voordeel voor de patiënt: “Mensen met psychische klachten worden lichamelijk beter in de gaten gehouden.”

Gezondheidstip voor 2018: Let op je leefstijl
Esther van Fenema: “Wees je ervan bewust dat je leefstijl niet alleen invloed heeft op je lichamelijke, maar ook op je geestelijke gezondheid. Minder drinken, gezond eten en voldoende bewegen kunnen heel goed helpen om lichte of matige depressieve klachten te verminderen of zelfs te voorkomen.”

MINDER SOMBER DOOR YOGA

23 feb

yoga en depressie jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 22 februari 2018

Veel mensen die aan yoga doen, voelen zich daardoor beter. Lichamelijk én geestelijk. Maar kan yoga ook zinvol zijn bij de behandeling van depressieve klachten? Dat testen onderzoekers van GGZ-instelling Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen momenteel.

Het begon allemaal met de behoefte aan meer ontspanning, en rust in haar hoofd. Dat was voor Nina Vollbehr (33), psycholoog en onderzoeker bij Lentis, de aanleiding om ruim tien jaar geleden zelf met yoga te starten. “Ik was een serieuze student die veel met haar neus in de boeken zat”, zegt ze. “Yoga leek me een daar een mooie tegenhanger voor.”
Het beviel zo goed, dat ze een fervente yogi werd, zoals de beoefenaars van yoga officieel heten. Maar geen haar op haar hoofd die er op dat moment aan dacht om daar professioneel iets mee te gaan doen. Dat kwam pas in 2012, nadat ze tijdens een sabbatical van vijf maanden als vrijwilliger bij het Kripalu Center for Yoga & Health in de Amerikaanse staat Massachusetts had gewerkt. Bij terugkomst ging ze aan de slag in het Centrum Integrale Psychiatrie (CIP) van Lentis, een gespecialiseerde GGZ-afdeling in Groningen. Daar kunnen patiënten behalve voor reguliere behandelingen bijvoorbeeld ook terecht voor leefstijltraining en op mindfulness gebaseerde inzichtstherapie. Yoga zou perfect bij in dat aanbod passen, dacht Vollbehr. Maar je kunt in de GGZ niet ‘zomaar’ een nieuwe behandeling aanbieden, zonder dat de werking daarvan is aangetoond. Wereldwijd is er weliswaar op meerdere plekken onderzoek naar gedaan, maar hard bewijs dat yoga als behandeling echt werkt, is er nauwelijks. Dus besloot Vollbehr daar zelf naar op zoek te gaan.
Jonge vrouwen
Ze volgde een opleiding tot yogadocent en ontwikkelde vervolgens samen met collega’s een 9-weeks yogaprogramma voor mensen met een depressie. Geen standaard yoga, maar groepslessen met yoga-, mindfulness- en ontspanningsoefeningen, aangevuld met online uitleg en oefeningen voor thuis. Het doel: minder gepieker en zelfkritiek, en anders leren omgaan met negatieve emoties.
“Al die zaken spelen een belangrijke rol bij het ontstaan, voortduren of terugkeren van een depressie”, legt Volbehr uit. “Het idee is dat je die denkmechanismen met behulp van yoga verandert, waardoor depressieve klachten afnemen.”
Om erachter te komen of dat daadwerkelijk zo is, onderzoeken Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen nu 170 vrouwen tussen de 18 en 34 jaar met dit soort klachten. De helft neemt deel aan de yogatraining, de andere helft niet. (Zie kader.) “We hebben met opzet gekozen voor jonge vrouwen, omdat zij het grootste risico op een depressie lopen. Als de uitkomsten van het onderzoek positief zijn, willen we uiteraard ook graag kijken of de training bij mannen met vergelijkbare klachten dezelfde resultaten geeft.”
Minder stress
Maar hoe werkt dat dan in de praktijk? Daarvoor moet je eerst iets over yoga in het algemeen weten. Dat is een manier om lichaam én geest te trainen. Door het doen van verschillende oefeningen leer je je lijf als het ware om minder intens op prikkels te reageren, en dus minder snel in de stress te schieten. Prikkels van buiten, maar ook van binnen, bijvoorbeeld in de vorm van gepieker. Door meer te focussen op het hier en nu, krijgen zorgelijke gedachten over het verleden of de toekomst minder kracht.
“Ook negatieve emoties hebben veel invloed bij depressie”, zegt Volbehr. “Als je dat soort gevoelens probeert te vermijden of weg te stoppen, worden ze alleen maar intenser en houden ze langer aan. Yoga helpt je ze in plaats daarvan te accepteren voor wat ze zijn, en er minder waarde aan te hechten. Verder kan yoga ervoor zorgen dat je aardiger en milder voor jezelf wordt. Depressie gaat vaak samen met zelfkritiek, en gevoelens van schuld of falen. Door onbevooroordeeld en vriendelijk naar jezelf te kijken, ontstaat meer zelfcompassie. Ook dat kan helpen”
Ze benadrukt dat het niet de bedoeling is om yoga in plaats van bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of medicatie in te zetten. “Die behandelingen zijn bewezen effectief. Maar ze werken niet bij iedereen even goed. Bovendien krijgen patiënten soms een terugval. Dus als we — in aanvulling op bestaande behandelingen — in de toekomst yoga kunnen aanbieden, vergroot dat hopelijk de kans op een langdurig succesvol resultaat.”

[Kader]
Onderzoek
Lentis en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) doen gezamenlijk onderzoek naar yoga als aanvullende behandeling bij depressie. Jonge vrouwen (18-34 jaar) met een depressie die in behandeling zijn bij Centrum Integrale Psychiatrie, PsyQ Depressie Groningen, PsyQ Emmen, Lentis Stadskanaal, Lentis Winschoten, Lentis Delfzijl, Forte GGZ en INTER-PSY kunnen zich voor het onderzoek aanmelden. Patiënten die de afgelopen zes maanden al minstens 30 minuten per week yoga hebben gedaan, zijn uitgesloten.
Deelnemers worden willekeurig ingedeeld in een behandelgroep (die de 9-weekse yogatraining volgt) of een controlegroep (die de training niet krijgt). De reguliere behandelingen die zij ondergaan, lopen tijdens de training gewoon door.
Vlak voor en na de training, en ook zes en twaalf maanden na afloop ervan, vullen de deelnemers een vragenlijst in en maken ze verschillende computertaken. Daarmee brengen de onderzoekers klachten als negatieve stemming, lusteloosheid en concentratieproblemen in kaart, maar ook het gevoel van welzijn en de kwaliteit van leven.
Na afronding van het onderzoek (eind 2019) krijgen deelnemers uit de controlegroep alsnog de mogelijkheid om aan de yogatraining mee te doen. Naar verwachting worden de uitkomsten in 2020 gepubliceerd.
Meer informatie: yogabijdepressie.nl.

[Testimonial]
Docent Anne (33) raakte vier jaar geleden als gevolg van ernstige depressieve en angstklachten arbeidsongeschikt. In aanvulling op ‘praten en pillen’ heeft ze veel baat gehad bij de 9-weekse yogatraining van Lentis.
“Achteraf ging het al heel lang slecht met me. Maar ik wilde of kon dat niet zien. Ik functioneerde op de automatische piloot, deed dingen omdat ze hoorden. En toen stortte alles plotsklaps ineen. Ik was zo somber en bang, dat ik het huis nauwelijks nog uit durfde. Ik wilde niets liever dan me verstoppen, mijn gevoel verdoven, er niet meer zijn. Mijn huisarts verwees me door naar het Centrum Integrale Psychiatrie. Daar begon ik met gesprekstherapie en medicijnen. Na twee jaar vroeg Nina me of ik aan een yogaonderzoek wilde meedoen. Dat leek me wel wat, vooral omdat ik nog steeds moeite had om in contact met mijn gevoel te komen. Bovendien vond ik het heel fijn om eens niet te praten, maar te doen.
Een depressie komt je concentratie niet ten goede, dus van de uitleg tijdens de lessen heb ik niet veel meegekregen. Maar de oefeningen waren een openbaring. Ze hielpen me om op te merken wat er eigenlijk allemaal in mijn lichaam gebeurde, of ik gespannen was of niet. Na de 9-weekse training ben ik zelf verdergegaan met yoga. Het heeft me geleerd om verbinding met mezelf te maken, en aardiger voor mezelf te zijn. Ik focus op wat er nu gebeurt, wat nu goed voelt, in plaats van op wat ik later allemaal moet, of wat ik over vijf jaar wil hebben bereikt.
Een yogapose kun je niet in één keer, daar word je stapje voor stapje beter in. Die ervaring heeft me ook op andere terreinen geholpen. Ik durfde bijvoorbeeld niet meer auto te rijden, zag mezelf in gedachten de vreselijkste ongelukken veroorzaken. Door het als een yogaoefening te benaderen, rijd ik inmiddels weer overal naartoe. Nog een voordeel: ik heb meer grip mijn emoties gekregen. Als ik nu somber ben, kan ik er met een afstandje naar kijken, in plaats van dat het gevoel me overspoelt. Voorheen had de paniek meteen toegeslagen. ‘Ik heb een terugval!’ Inmiddels weet ik dat mijn gemoedstoestand op en neer gaat, en dat ik erop kan vertrouwen dat het goed komt. Depressie en angst slokken alle ruimte op, nu durf ik zelf meer ruimte in te nemen.”

[Testimonial]
Sociaal werker Barbara (31) was drie jaar geleden zo depressief, dat ze alleen nog maar kon huilen en slapen. Nu reist ze — met yogamat — vijftien maanden door Nieuw Zeeland.
“Toen ik op mijn 28ste hulp zocht, had ik al dertien jaar last van depressieve klachten. Naar de huisarts durfde ik niet, uit angst dat die me ‘gek’ zou verklaren. Dus ploeterde ik verder, en zakte ik steeds verder weg in de somberheid. Mijn relatie liep stuk, werken ging niet meer. Uiteindelijk heb ik negen maanden thuis gezeten. Bij het Centrum Integrale Psychiatrie kreeg ik de diagnose post-traumatische stressstoornis, als gevolg van een onstabiele gezinssituatie als kind. Meer wil ik daarover niet kwijt.
Ik heb verschillende behandelingen gehad, waaronder lichaamsgerichte en traumatherapie. Daarnaast heb ik meegedaan aan het yogaonderzoek. De eerste lessen voelde ik me lichamelijk heel ongemakkelijk. Als je zolang afgesloten bent geweest van je gevoel, is yoga best confronterend. Mijn lijf ging letterlijk protesteren, bijvoorbeeld door te trillen. Wat ook niet hielp, was dat ik — perfectionist die ik ben — alle houdingen meteen foutloos wilde doen. Ik heb dus echt moeten leren om dat los te laten. Toen dat eenmaal lukte, was de beloning groot. Na een les voelde ik me comfortabeler in mijn lijf, rustiger in mijn hoofd. Bijna alsof ik stoned was!
Dat ik nu alleen door Nieuw Zeeland reis, is de volgende stap in mijn persoonlijke ontdekkingsreis. Een soort verlenging van de therapie, maar dan mijn zonder hulp. Twee weken nadat ik hier was aangekomen, heb ik een mooie yogamat aangeschaft. Ik kan nu op elk moment mijn oefeningen doen, in de tuin, op het strand, waar ik maar ben. Dat voelt veel beter dan in paniek mijn psycholoog bellen, zoals ik vroeger regelmatig deed. Mede dankzij de yogatraining weet ik nu dat ik altijd en overal een rustpunt in mezelf kan vinden, en mezelf kan helen.”

Om privacyredenen zijn de namen van Anne en Barbara verzonnen. Hun echte namen zijn bij de redactie bekend.

ALLE DAGEN SOMBER

9 jan

RA06_78TM81_DEPRESSIE_jpg

Verschenen in Radar+, winter 2017.

Van alle psychische aandoeningen komen depressies het meest voor. Een op de vijf volwassenen (tussen de 18 en 65) krijgt ermee te maken. Op ieder moment van het jaar lijden zo’n 550.000 Nederlanders eraan.

 

Jasper Zantvoord, psychiater bij de afdeling psychiatrie van het AMC Amsterdam, is gespecialiseerd in de behandeling van depressie.
“Jaarlijks krijgen naar schatting een miljoen Nederlanders antidepressiva voorgeschreven. Dat betekent echter niet dat zij allemaal depressief zijn. De medicijnen worden namelijk ook voor andere aandoeningen gebruikt. Bij een angststoornis of pijnklachten bijvoorbeeld.
De laatste jaren was er veel te doen over of antidepressiva eigenlijk wel werken. Dat kwam vooral omdat fabrikanten studies met een negatieve uitkomst voorheen lang niet altijd publiceerden. Gelukkig maken inmiddels steeds meer fabrikanten al hun resultaten openbaar, ook de minder gunstige. Daar zijn ook afspraken over gemaakt.
Recent hebben onafhankelijke onderzoekers de uitkomsten van 32 gepubliceerde én ongepubliceerde studies over het gebruik van antidepressiva bij depressieve patiënten opnieuw bekeken. Wat bleek? In ongeveer de helft van deze studies werkten de antidepressiva beter dan een neppil. Het effect was weliswaar relatief klein, maar dat geldt ook voor sommige andere veelgebruikte medicijnen, zoals bepaalde bloeddrukverlagers. Verder verschilt de werkzaamheid van geval tot geval. Bij een ernstige depressie is die bijvoorbeeld groter dan bij een milde.
Kortom: antidepressiva werken inderdaad niet bij iedereen. Maar het idee dat het overgrote deel van de mensen met een depressie onterecht dit soort middelen slikt, is dus pertinent onwaar. Belangrijk is om een goede en zekere diagnose te stellen. Vervolgens kunnen arts en patiënt samen de voor- en nadelen van medicatie tegen elkaar afwegen. Veel gebruikers ervaren namelijk wel bijwerkingen, zoals maag- en darmklachten, seksuele problemen en gewichtstoename.
Natuurlijk moeten artsen niet onnodig antidepressiva voorschrijven. Vergeet echter niet dat patiënten heel erg onder hun depressieve klachten kunnen lijden. Dan zijn medicijnen vaak hun redding. Kritisch discussiëren over nut en noodzaak van pillen bij depressie? Moeten we zeker doen. Maar dan wel op basis van feiten. Laten we vooral niet het kind met het badwater weggooien.”

Hoogleraar psychiatrie Anne Speckens is oprichter van het Radboud Centrum voor Mindfulness in Nijmegen.
“Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat een behandeling gebaseerd op mindfulness heel goed werkt bij depressie. Deze aandachtsgerichte cognitieve therapie leert je om op een andere manier naar je gevoelens en gedachten te kijken. Bij mensen die al vaker een depressie hebben gehad, helpt de behandeling om een nieuwe depressie te voorkomen. Ook bij patiënten met een acute depressie is de aanpak bewezen effectief.
Veel mensen vinden mindfulness een vaag begrip. Het makkelijkste is om het te zien als het tegenovergestelde van handelen op de automatische piloot. In plaats van dat je gedachteloos doorrent, geef je heel bewust aandacht aan wat er op dit moment in je lichaam en geest gebeurt. Mindfulness is heel nuttig voor mensen die blijven piekeren over het verleden, of steeds tobben over de toekomst.
Onbewust hebben we allerlei overtuigingen en oordelen over onszelf en de wereld. Dat je nooit zwak mag zijn bijvoorbeeld, of dat anderen je dom vinden. Die zijn heel bepalend voor hoe je je voelt. Meestal nemen we dit soort ideeën automatisch voor waar aan, en gaan we ons er ook naar gedragen. Of we onderdrukken onplezierige gedachten of gevoelens om ze op die manier onder controle te houden. Helaas werkt dat vaak averechts; het leidt er juist toe dat je ze meer hebt in plaats van minder.
Daar probeert aandachtsgerichte cognitieve therapie verandering in te brengen. De behandeling leert je dit soort gedachten en gevoelens te herkennen, en er zonder oordeel van een afstandje naar te kijken. Daardoor worden ze minder overheersend, en kun je ze beter relativeren. Dat helpt om op een andere manier op situaties te reageren. Daadkrachtig en positief in plaats van negatief en wantrouwend. Zo krijg je weer grip op je leven.”
Op de website van de Vereniging Mindfulness Based Trainers Nederland en Vlaanderen, www. vmbn.nl., vind je een trainer bij jou in de buurt.

Ria Pengel werkt als klinisch psycholoog i.o. en psychotherapeut bij De Bascule, academisch centrum voor kind- en jeugdpsychiatrie.
“Een depressief kind voelt zich langere tijd somber, verdrietig, waardeloos en mislukt. Daar kunnen allerlei klachten bijhoren. Nachtmerries, piekeren, (faal)angst, concentratieproblemen, een negatief zelfbeeld, besluiteloosheid, vermoeidheid, hoofdpijn, buikpijn en meer of juist minder slapen bijvoorbeeld. Ook heeft een depressief kind vaak de neiging om zich terug te trekken. Een aantal gaat blowen of drinken. De somberheid kan zo erg zijn dat een kind niet meer wil leven.
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 1 op de 20 kinderen en jongeren te maken krijgt met een depressie. Een veel grotere groep heeft last van sombere gevoelens. Er is niet altijd één duidelijke oorzaak; vaak gaat het om een optelsom van factoren. Erfelijke aanleg is belangrijk, maar ook de persoonlijkheid van het kind — de manier waarop hij of zij naar de wereld kijkt en met problemen omgaat — en de omstandigheden spelen een rol. Bovendien zijn jongeren in de vroege pubertijd, rond de overgang van de basis- naar de middelbare school, kwetsbaarder voor depressieve klachten.
Bij een milde depressie kan een aantal gesprekken met een hulpverlener op school voldoende helpen. Zijn de depressieve klachten ernstig, dan is cognitieve gedragstherapie het advies. Doel daarvan is om kinderen te leren minder waarde aan hun sombere en beangstigende gedachten te hechten. In aanvulling hierop zijn er trainingen om de sociale vaardigheden en het zelfvertrouwen van het kind te versterken. Zo nodig kunnen antidepressiva als steuntje in de rug geven. Ook ouders krijgen begeleiding.
Het allerbelangrijkste is: het kind weer in beweging krijgen. Het moet weer een reden hebben om zijn of haar bed uit te komen. Als ouders creëer je die door zoveel mogelijk structuur en regelmaat in de dag aan te brengen. Dus bijvoorbeeld samen ontbijten en je kind verantwoordelijk maken voor het uitlaten van de hond. Oók als hij of zij niet meer naar school gaat.”

Huisarts Jako Burgers is hoofd van de afdeling Richtlijnontwikkeling & Wetenschap bij het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en bijzonder hoogleraar Bevorderen van persoonsgerichte zorg in richtlijnen aan de Universiteit Maastricht.
“In de huidige huisartsenrichtlijn over antidepressiva staat maar een paar regels over hoe je deze medicatie het beste kunt afbouwen. In de praktijk blijkt dat te weinig houvast te geven. Vandaar dat we er nu meer praktische tips en handvatten in gaan opnemen. Begin 2018 moet de nieuwe richtlijn klaar zijn.
Het minderen van antidepressiva is knap lastig. Gebruikers zijn bang dat ze zich zonder de medicijnen weer somberder gaan voelen. Bovendien kunnen ze tijdens het afbouwen last krijgen van lichamelijke ongemakken, zoals onrust, slaapproblemen of een grieperig gevoel. Vandaar dat je ook nooit ineens helemaal met de medicatie moet stoppen.
Omdat er zoveel bij komt kijken, is het voor huisartsen trouwens óók een ingewikkeld onderwerp. Misschien hebben we als dokters wel onderschat hoe moeilijk stoppen voor veel patiënten is. Vandaar dat we huisartsen ook extra nascholing over dit onderwerp willen bieden.
In de nieuwe versie van de richtlijn gaan we in op hoe we patiënten psychisch meer en beter kunnen ondersteunen bij het afbouwen. De praktijkondersteuner van de huisarts kan bijvoorbeeld regelmatig contact houden en tips geven. Verder besteden we aandacht aan verschillende doseringsschema’s om het afbouwen zo gemakkelijk mogelijk te maken. Nu al gebeurt dat geleidelijk, maar mogelijk gaat dit voor een aantal mensen toch nog te snel, vooral in de laatste fase. Een praktische oplossing is dan bijvoorbeeld om druppels of afbouwstrips met een heel lage dosering te gebruiken. Je huisarts kan ze met medewerking van je apotheek voorschrijven.
Sowieso is het goed om bij je huisarts aan de bel te trekken als je met antidepressiva zou willen minderen of stoppen. Daarvoor hoef je niet te wachten tot de nieuwe richtlijn er is; hij of zij helpt je graag verder.
Meer informatie: http://www.thuisarts.nl/depressie/ik-wil-antidepressiva-afbouwen

Ybe Meesters is klinisch psycholoog en hoofd van de polikliniek winterdepressie van het Universitair Medisch Centrum Groningen.
Zo’n 480.000 Nederlanders lijden aan seasonal affective disorder (SAD), zoals we een winterdepressie officieel noemen. Nog eens 1,3 miljoen mensen hebben een winterdip, met vergelijkbare, maar mildere klachten.
De symptomen van een winterdepressie en een ‘normale’ depressie lijken erg op elkaar: vermoeidheid, somberheid, moeite met concentreren en de neiging om je terug te trekken. Maar er zijn ook duidelijke verschillen. Meest kenmerkend is natuurlijk dat patiënten met een winterdepressie in de zomer helemaal geen klachten ervaren, maar wel nagenoeg elk jaar in de herfst en winter. Verder lijden mensen met een ‘gewone’ depressie vaak aan slapeloosheid en een gebrek aan eetlust. Bij een winterdepressie is het juist andersom; sommige patiënten slapen wel veertien uur per dag en zijn dan nog niet uitgeslapen. Bovendien hebben ze een grote behoefte aan eten, vooral koolhydraatrijk en zoet voedsel. Daardoor komen ze in de winter vaak aan.
Lang hadden we het vermoeden dat een tekort aan melatonine – het hormoon dat onze biologische klok regelt – een winterdepressie kon veroorzaken. Daarvoor is echter geen hard bewijs. Opvallend genoeg hebben vrouwen vier keer zo vaak last van een winterdepressie als mannen. Mogelijk heeft dat te maken met schommelingen in de vrouwelijke hormonen.
Helaas kun je een winterdepressie niet voorkomen. Maar er is gelukkig wel een effectieve behandeling: lichttherapie. Patiënten gaan daarbij gedurende een werkweek op de poli dagelijks 45 minuten onder een daglichtlamp. Het resultaat is indrukwekkend: 70 à 80 procent is daarna helemaal van hun klachten af. Als je er vroeg bij bent, is een patiënt vaak met één week therapie de hele winter klachtvrij. Overigens hoeft de depressie daarvoor niet heel ernstig te zijn; ook bij matige klachten heeft de behandeling zin. Er zijn veel klinieken in Nederland die lichttherapie aanbieden. Laat je wel door je huisarts doorverwijzen, anders is de kans groot dat je zorgverzekeraar de behandeling niet vergoedt.”

 

 

PSYCHIATER ANNE SPECKENS OVER MINDFULNESS

13 mei

Gepubliceerd in Plus Magazine, mei 2017

Zweverig gedoe voor hardnekkige hippies. Dat is het vooroordeel waar psychiater Anne Speckens vaak tegenaan loopt als ze over mindfulness vertelt. Maar dat idee is volgens haar achterhaald. “Er is steeds meer wetenschappelijk bewijs dat mindfulness bij bijvoorbeeld depressie écht werkt.”

Voor Anne Speckens, hoogleraar psychiatrie en oprichter van het Radboud Centrum voor Mindfulness, is mindful leven een tweede natuur geworden. Dat betekent dat ze tijdens dit interview haar computer en haar telefoon uitzet, en niet nadenkt over wat ze later vandaag nog allemaal moet doen. In plaats daarvan luistert ze heel aandachtig naar de vragen, en denkt ze bewust na over hoe ze de lezers van Plus zo goed mogelijk kan informeren en helpen. “Op mindfulness gebaseerde therapie kan bij veel patiënten die een depressie hebben gehad een terugval voorkomen.”

Mindfulness is voor veel mensen maar een vaag begrip. Kunt u het concreet maken?
“Het makkelijkste is om het te zien als het tegenovergestelde van handelen op de automatische piloot. In plaats van dat je gedachteloos doorrent, geef je heel bewust en zonder oordeel aandacht aan wat er op dit moment in je lichaam en geest gebeurt.”

Hoe doe je dat?
“Je leert van een afstandje naar je eigen gedachten en gevoelens te kijken, en het verband zien tussen gedachten, emoties en lichamelijke sensaties. Dat helpt om je denkpatronen te herkennen, je af te vragen hoe behulpzaam die eigenlijk zijn en er misschien anders mee om te gaan.”

Dat gaat vast niet zomaar.
“Nee, het is een vaardigheid, net als lezen of rekenen. Het kost tijd om die aan te leren.”

Wat heb je eraan?
“Mensen die een training mindfulness bij ons centrum hebben gevolgd en daarmee aan de slag gaan, geven na een tijdje vaak aan dat ze zich minder overweldigd voelen, en weer grip krijgen op hun leven. En dat ze milder worden, naar zichzelf en naar anderen. Ze kunnen beter met uitdagingen omgaan en hebben bijvoorbeeld minder kans op een burn-out. Patiënten die een of meerdere depressies hebben gehad, verkleinen de kans op een terugval.”

Hoe werkt dat?
“Onbewust hebben we allerlei overtuigingen en oordelen. Dat je nooit zwak mag zijn bijvoorbeeld, of dat anderen je dom vinden. Die zijn heel bepalend voor hoe we ons voelen of gedragen. En niet altijd op een positieve manier. Als je dat ontdekt, realiseer je je dat je gedachten en gevoelens hébt, maar dat je ze niet bént. Dat bewustzijn helpt weer om je minder slachtoffer te voelen, te accepteren dat het is zoals het is, mededogen te ervaren en in het moment te zijn. Veel mensen vinden dat dat de kwaliteit van hun leven ten goede komt.”

Wat heeft u daar in uw werk als psychiater aan?
“Begin deze eeuw heeft een aantal collega’s een behandeling ontwikkeld met mindfulness als basis, waarbij patiënten leren om zich niet langer te vereenzelvigen met hun negatieve gedachten. De afgelopen jaren hebben we onder andere in het Radboud veel onderzoek gedaan naar het effect van deze mindfulness based cognitive therapy (MBCT), oftewel: ‘aandachtsgerichte cognitieve therapie’. Daarin blazen we wereldwijd echt een deuntje mee.”

Wat waren belangrijke uitkomsten?
“Inmiddels weten we dat MBCT bij mensen die al vaker een depressie hebben gehad, heel goed werkt om een nieuwe depressie te voorkomen. Ook bij patiënten met een acute depressie, angstklachten en ADHD is de aanpak bewezen effectief. Mensen met kanker en onbegrepen lichamelijke klachten, zoals chronische pijn, kunnen er eveneens veel baat bij hebben. Zij leren anders met hun ziekte om te gaan, waardoor ze bijvoorbeeld minder somber of angstig zijn.”

Wat wilt u nog bereiken?
“Zoveel! Lang niet alle patiënten die er baat zouden kunnen hebben, worden door hun huisarts of andere behandelaars op de mogelijkheden van mindfulness gewezen. Het is ook belangrijk dat MBCT voor alle GGZ-patiënten in Nederland beschikbaar komt, want dat is nu helaas nog niet zo. Verder vormen zorgverzekeraars nog altijd een groot obstakel. Die vergoeden een mindfulnesstraining nu alleen voor patiënten die meerdere depressies hebben gehad, terwijl we inmiddels weten dat MBCT bij heel veel andere aandoeningen ook doeltreffend is. Daar is dus nog een hoop werk aan de winkel. Tot slot zou ik het geweldig vinden als alle geneeskundestudenten tijdens hun studie standaard een mindfulnesstraining krijgen. Uit onderzoek dat we in Nijmegen hebben gedaan, blijkt dat namelijk te leiden tot minder burn-outs en beter functioneren van artsen in opleiding.”

Waarom voelt u zich geroepen om dat allemaal voor elkaar te krijgen?
“Ik ben psychiater geworden omdat ik geïnteresseerd ben in de mens als geheel, en mindfulness gaat over de kern van het mens zijn. Over wijsheid, compassie en acceptatie. Er is zo weinig tolerantie voor beperking en verlies. Terwijl niets of niemand perfect is. We kunnen kortom wel wat meer mildheid gebruiken, als individuen en als maatschappij. Als iedereen wat bewuster zou leven, zou de wereld een stuk mooier zijn.”

Heeft het zin om op latere leeftijd nog een mindfulnesstraining te doen?
“Zeker weten. Juist als je wat ouder wordt, krijg je vaak met allerlei ingrijpende veranderingen te maken, zoals ziekte en afscheid. Mindfulness kan je helpen om het verdriet hierover toe te laten en te accepteren dat het leven eindig is. Tegelijkertijd leert het je ook om te genieten van wat je nog wel hebt. En ook als je op latere leeftijd psychische klachten hebt, kan aandachtsgerichte cognitieve therapie nuttig zijn.”

Hoe vind je een goede trainer?
“Op de website van de Vereniging Mindfulness Based Trainers Nederland en Vlaanderen, vmbn.nl, kun je bijvoorbeeld op regio of soort training zoeken. De professionals die bij deze beroepsvereniging zijn aangesloten, voldoen allemaal aan bepaalde kwaliteitscriteria, geven een minimum aantal trainingen per jaar en volgen zelf na- en bijscholing.”

Hoe heeft mindfulness uw eigen leven veranderd?
“Net als heel veel anderen heb ik een overvolle agenda. Maar ik heb mezelf aangeleerd om mijn aandacht maar op één ding tegelijk te richten. Dat komt niet alleen de kwaliteit van mijn werk ten goede, het geeft me ook meer voldoening. Ik ervaar alles bewuster, sta meer open voor anderen en ben minder gestrest. In plaats van dat ik word geleefd, maak ik weloverwogen keuzes over wat ik wel en niet wil doen en zijn.”

[Kader]
CV
Psychiater Anne Speckens (51) studeerde medicijnen in Leiden. Na haar studie maakte ze snel carrière in Londen, waar ze op haar 34ste hoofd was van de afdeling voor angst- en dwangstoornissen van het gerenommeerde Maudsley Ziekenhuis. In 2004 werd ze benoemd tot hoogleraar psychiatrie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, waar ze het eerste universitaire mindfulnesscentrum van Nederland opzette. In 2015 werd ze door de Raad van Bestuur van het Radboud benoemd tot Principal Clinician, een predicaat voor zorgverleners die voorlopen in het vernieuwen van de patiëntenzorg.

HELPT MINDFULNESS BIJ DEPRESSIE?

11 mei

M20 Vraag van de week Mindfulness depressie jpg

Gepubliceerd in Margriet 20, mei 2017.

Caro (59): “Omdat ik al twee keer een depressie heb gehad, ben ik bang dat dat nog een keer gebeurt. Nu raadde een vriendin me onlangs mindfulness aan. Kan dat helpen om een nieuwe depressie te voorkomen?”

Anne Speckens, hoogleraar psychiatrie en oprichter van het Radboud Centrum voor Mindfulness in Nijmegen:
“Onbewust hebben we allerlei overtuigingen en oordelen over onszelf en de wereld. Dat je nooit zwak mag zijn bijvoorbeeld, of dat anderen je dom vinden. Die zijn heel bepalend voor hoe je je voelt of gedraagt. En niet altijd op een positieve manier. Meestal nemen we dit soort ideeën automatisch voor waar aan en gaan we ons er ook naar gedragen. Of soms hebben we de neiging om onplezierige gedachten of gevoelens te onderdrukken of te vermijden om ze op die manier onder controle te houden. Helaas werkt dat vaak averechts. Pogingen om je te verzetten tegen nare gedachten en gevoelens leiden er namelijk meestal juist toe dat je ze meer hebt in plaats van minder. Met dat in het achterhoofd heeft een aantal collega’s begin deze eeuw een nieuwe vorm van therapie ontwikkeld, gebaseerd op mindfulness. Deze aandachtsgerichte cognitieve therapie – met de Engelse afkorting MBCT – leert je om op een andere manier naar je gevoelens en gedachten te kijken.
Veel mensen vinden mindfulness een vaag begrip. Het makkelijkste is om het te zien als het tegenovergestelde van handelen op de automatische piloot. In plaats van dat je gedachteloos doorrent, geef je heel bewust en zonder oordeel aandacht aan wat er op dit moment in je lichaam en geest gebeurt. Mindfulness is heel nuttig voor mensen die blijven piekeren over het verleden, of steeds tobben over de toekomst. Zij kunnen zo door hun zorgen in beslag genomen worden, dat ze vergeten om in het hier en nu te leven. Daar probeert MBCT verandering in te brengen. Je leert gedachten en gevoelens te herkennen en er zonder oordeel van een afstandje naar te kijken. Daardoor worden ze minder overheersend, en kun je ze beter relativeren. Dat helpt om op een andere manier op situaties te reageren. Daadkrachtig en positief in plaats van negatief en wantrouwend. Zo krijg je weer grip op je leven.
Inmiddels weten we dat MBCT bij mensen die al vaker een depressie hebben gehad heel goed werkt om een nieuwe depressie te voorkomen. Ook bij patiënten met een acute depressie, angstklachten en ADHD is de aanpak bewezen effectief. Mensen met kanker en onbegrepen lichamelijke klachten kunnen er trouwens eveneens baat bij hebben. Zij leren anders met hun ziekte omgaan, waardoor ze bijvoorbeeld minder somber of angstig zijn. Op de website van de Vereniging Mindfulness Based Trainers Nederland en Vlaanderen, www. vmbn.nl., kun je een trainer bij jou in de buurt vinden.”

%d bloggers liken dit: