Tag Archives: Frans Schalkwijk
25 jun

Het leven is te kort jpg.jpg

Gepubliceerd in +Gezond nr. 3, juni 2019.

Iedereen kent het wel: het innerlijke stemmetje dat je vertelt dat je iets niet goed hebt gedaan. Of erger nog, dat je niet goed genoeg bent. Doodvermoeiend en funest voor je zelfvertrouwen. Gelukkig is er iets aan te doen, aldus psychotherapeut Frans Schalkwijk. “Hoe beter je jezelf begrijpt, hoe meer grip je op je innerlijke criticus krijgt.”

‘Dat grapje via de mail, kwam dat wel goed over?’

‘Weer vergeten haar te feliciteren, wat ben ik toch een trut.’

‘Ze denken vast: daar heb je dat rare mens weer.’

‘Logisch dat ik geen vriend kan krijgen. Al die vetrollen zijn ook afzichtelijk.’

Van tijd tot tijd hebben we allemaal wel eens van dit soort afkeurende gedachten over onszelf. Sta je stevig in je schoenen, dan vervliegen die ideeën meestal vanzelf. Maar als je toch al niet zo’n hoge pet van jezelf op hebt, kan die negatieve stem steeds dominanter worden en je leven flink vergallen. Zonde, vindt psychotherapeut Fans Schalkwijk. Meestal hebben de oordelen van die innerlijke criticus namelijk weinig met de werkelijkheid te maken.

Wie is dat eigenlijk, een innerlijke criticus?
“Het lijkt een mannetje of vrouwtje in je brein, maar je bent het natuurlijk zelf. Het is je lineaal waarmee je jezelf voortdurend de maat neemt. Had ik dat wel moeten zeggen? Heb ik het wel goed gedaan? Zouden ze me niet dom vinden? Het antwoord laat zich raden. De innerlijke criticus is immers nooit tevreden.”

Hoe werkt dat?
“Mensen met een sterk afkeurende stem in hun hoofd denken vaak in termen van alles of niets. ‘Ik kan ook nóóit iets goed doen’, zeggen ze als er een keer iets fout gaat. Ze kijken door een negatieve bril naar de wereld en zijn geneigd om alle slechte uitkomsten aan zichzelf te wijten. Dingen die ze goed hebben gedaan, wuiven ze weg; die zijn onbelangrijk of tellen niet. Aan een negatieve gebeurtenis of karaktertrek hechten ze veel meer waarde. Die zegt alles over hen als persoon, denken ze. ‘Ik heb iets verkeerds gedaan of gedacht, dus ben ik een slecht mens.’ Elke slechte ervaring is weer een bevestiging: ‘Zie je wel, ik ben niet goed genoeg, ik verdien het niet om te bestaan’. Zo voeden ze hun innerlijke criticus, die daardoor alleen maar nóg strenger wordt.”

Hebben veel mensen daar last van?
“Heel veel! Het gevoel nooit goed genoeg te zijn, geen fouten mogen maken, super perfectionistisch zijn: ze horen er allemaal bij. Een groot deel van ons lijdt onder de onmogelijke eisen die we aan onszelf stellen.”

Waarom zijn we vaak zo hard voor onszelf?
“Idealiter werkt je innerlijke stem als een positieve richtingaanwijzer. Hij helpt je om te checken of wat je denkt, voelt of doet door de beugel kan. Zo niet, dan stuurt je geweten je bij. Dat is alleen maar goed. Maar een tekritische controleur is funest voor je zelfwaardering. Het gevolg: weinig zelfvertrouwen, gepieker, verlegenheid, geremdheid, depressie, ontevredenheid over je lijf of relationele problemen.”

Waar gaat het mis?
“Iedere volwassene heeft wel schaamtevolle of schuldbewuste herinneringen uit zijn kindertijd. Zo weet ik nog als de dag van gisteren dat ik door grond wilde zakken toen mijn leraar Nederlands een keer een dictee besprak. ‘En dan schrijft iemand het woord een leidraad met dubbel d’, riep hij tegen de klas. ‘Waar geef ik jullie in vredesnaam les voor?’ Die malloot was ik dus. Als ik er aan terugdenk, staat het schaamrood me al die jaren later weer op de kaken.
Omdat je op dat soort momenten voor je gevoel ernstig tekortschiet, maken zulke herinneringen diepe indruk. Als je pech hebt, worden er gaandeweg je leven steeds meer van dat soort negatieve ervaringen toegevoegd en brokkelt je zelfvertrouwen verder af. Langzamerhand verandert je innerlijke criticus dan van een welwillend baken in een wrede politieagent, die meer kwaad doet dan goed.”

Hoe kan het dat de ene persoon daar meer last van heeft dan de ander?
“Het antwoord op die vraag is meestal terug te vinden in de jeugd. Stel, je ouders veroordeelden je vaak. Ze zeiden dat je niet lastig moest zijn, dat je niet zo’n eigen willetje moest hebben. Alleen als je je gedroeg zoals zij wilden, kreeg je warme aandacht. Voor een kind een heel beangstigende ervaring. Kennelijk was je als jezelf immers niet goed genoeg. Funest voor je zelfwaardering. Grote kans dat je dan later als volwassene je eigen doen en laten voortdurend kritisch tegen het licht houdt. Heb ik het wel goed gedaan? Is mijn moeder/partner/vriend(in) niet teleurgesteld in me? Je bent constant op je hoede, net als vroeger bang voor een negatief oordeel of afwijzing.”

Waarom is het zo lastig om dat nare stemmetje het zwijgen op te leggen?
“Je kunt beredeneren dat het allemaal wel meevalt. Of je kunt anderen om bevestiging vragen dat je wel degelijk oké bent. Helaas werken beide methodes niet. Het is als water naar de zee dragen; zelfs als het je die ene keer geruststelt, is er nog geen garantie dat het de volgende keer weer goed uitpakt. Dus de onzekerheid blijft.
Maar er is nog een reden. Je innerlijke criticus is nauw verbonden met emoties zoals schaamte en schuld. Intense gevoelens die je in je hart raken. Dat komt omdat ze gaan over wat je voelt en doet en vooral ook over wie je bent. Over je identiteit, kortom. Ze tasten als het ware je fundament aan. Je schuift ze dus niet gemakkelijk terzijde. Toch hoef je je er gelukkig niet bij neer te leggen dat die nare stem je leven bepaalt. Je kunt leren om anders naar jezelf te gaan kijken. Met een mildere blik ontwapen je beetje bij beetje de politieman in je hoofd. Maar gemakkelijk is dat niet.”

Hoe pak je het aan?
“Het gaat erom meer mededogen voor jezelf te krijgen. Dat begint met te herkennen van de  gevoelens waarmee je jezelf klemzet. Vervolgens pluis je uit waar die vandaan komen. Kijk als een geïnteresseerde onderzoeker naar je innerlijke leven. Ga met jezelf in gesprek, spreek jezelf troostend toe. ‘Wat apart dat ik zo van slag ben. Hoe zou dat komen dat ik hier zo heftig op reageer? Laat ik even de tijd nemen om bij te komen.’ Zo creëer je ruimte in je hoofd. Dat werkt veel beter dan jezelf bestraffend toespreken. Want daarmee geef je je innerlijke criticus alleen  maar extra munitie.”

Waar moet je de antwoorden zoeken?
“In je jeugd dus, want het fundament voor de innerlijke criticus wordt al in de peutertijd gelegd. Hoe was je als kind? Hoe was de relatie met je ouders? Was hun liefde onvoorwaardelijk? Werd je voor je gevoel vaak gecorrigeerd? Welke schaamtevolle herinneringen schieten je te binnen als je aan die tijd terugdenkt? Dat soort vragen kunnen je helpen om je gevoel in het heden beter te begrijpen.”

Van nature stoppen we pijnlijke emoties liever weg.
“Klopt. Heel begrijpelijk. Maar om die innerlijke stem wat milder te stemmen, is het belangrijk om ze juist weltoe te laten. Alleen dan kun je leren accepteren dat je heus wel eens iets fout doet en zelfs een onaangename kant hebt, maar dat die zaken jou als mens niet minder waard maken.”

Waarom zou je in het verleden gaan graven als je dat toch niet kunt veranderen?
“Als je ingesleten, onbewuste denkpatronen herkent en begrijpt, kun je er een andere betekenis aan geven. Stel, je hebt het idee dat anderen altijd op je neerkijken. Logisch, denk je, want je vindt jezelf ook niets waard. Maar leuk is dat natuurlijk niet. Dus loop je constant op je tenen om kritiek zoveel mogelijk te vermijden. Je probeert het iedereen naar de zin te maken. Je legt de lat ongelofelijk hoog; fouten maken mag je niet, alleen perfectie is goed genoeg. En toch heb je voortdurend het idee dat je tekortschiet. Als je jezelf daarin herkent, doe je er goed aan om die denkpatronen eens te ontrafelen. Dan ontdek je misschien dat de oorzaak bij je strenge ouders kan liggen, die je gevoelens en verlangens als kind nooit serieus namen. Met dat inzicht kun je vervolgens in het hier en nu aan de slag. Bijvoorbeeld door te checken of de mensen om je heen echt zo negatief over je zijn, of dat dat alleen jouw veronderstelling is.”

Heeft u nog meer tips?
“Probeer de woorden ‘altijd’ en ‘nooit’ te vermijden als het over jezelf gaat. Vervang ze door ‘deze keer’. Dus niet: ‘Ik kan het ook nooit goed doen’, maar ‘Deze keer heb ik het misschien niet zo handig aangepakt, volgende keer doe ik dat anders.’ Bedenk verder dat een situatie waar je je schuldig over voelt ook weer voorbijgaat. En wees trots op de dingen waar je goed in bent, zelfs als je daar voor je gevoel weinig moeite voor hoeft te doen. Blijft de bestraffende stem in je hoofd desondanks de boel verstieren, zoek dan professionele hulp. Bijvoorbeeld als je veel piekert, chronisch ontevreden bent, niet meer kunt genieten of een burn-out hebt. Want echt, het leven is te kort om jezelf te alsmaar te straffen.”

[Kader]
Onvolmaakt tevreden
In Onvolmaakt tevreden (Uitgeverij Boom, 2017) geeft psychotherapeut en psychoanalyticus Fans Schalkwijk praktische adviezen over hoe je bewuster met je innerlijke criticus kunt omgaan en daar zo meer grip op kunt krijgen. In het boek vind je verschillende vragenlijsten die je helpen om beter te snappen waar die strenge stem in je hoofd vandaan komt. Met als doel om milder en met compassie naar jezelf te  leren kijken.

 

TYPISCH DE JONGSTE

18 nov

Gepubliceerd in ZIN 12, 20 oktober 2016.

Zijn oudsten echt altijd betweterige leiders? En jongsten verwende flierefluiters? Je plek in het ouderlijk gezin bepaalt (mede) je persoonlijkheid.

Het is een geweldig onderwerp voor feestjes. Vraag iemand naar zijn positie in de geboorterij, en de verhalen komen direct los. Over hoe een oudste nooit uit de band kon springen omdat ze altijd het goede voorbeeld moest geven. Of waarom een miskende middelste zich nimmer gehoord voelde. Wat te denken van de boze jongste, die – zelfs nu ze in de veertig is – door haar broers en zussen nooit serieus wordt genomen? En dan is er natuurlijk het enig kind, dat zich levenslang moet verantwoorden dat hij écht niet verwend of zielig is. Hoe oud je ook bent, je plek in het gezin blijft altijd dezelfde. Net als soms de frustraties daarover. Als je daar niets mee doet, kunnen dat minitrauma’s worden.

Rollen

In gezinnen zijn vaak duidelijke rolpatronen te herkennen. Dat werkt door in wie je bent, en in wat voor werk en partner je kiest. Niet voor niets zijn verrassend veel wereldleiders oudsten, functioneren veel middelsten als een spin in het web en gaan veel jongsten het creatieve pad op.

 ‘De oudste moet de wijste zijn.’ Dat is het eerste wat in Karin (1963) opkomt als ze aan vroeger denkt. Als oudste van drie zussen voelde ze zich altijd verantwoordelijk voor de jongere meisjes, des te meer toen haar ouders gingen scheiden. “Voor mijn gevoel moest ik het gezin bij elkaar houden, en mijn zussen beschermen”, vertelt ze. “Als volwassene vond ik het heel lastig om dat los te laten, daar heb ik echt aan moeten werken.”

Zus Elly (1965) vond de middelste een leuke plek. “Ik pikte van iedereen wat mee. Misschien dat ik daarom ook zo’n goede bruggenbouwer ben. Ik kan me makkelijk in verschillende posities verplaatsen. Bij discussies tijdens het eten was ik de natuurlijke scheidsrechter.” Natuurlijk zaten er ook minder leuke kanten aan de middelste zijn, bijvoorbeeld dat ze altijd in de schaduw van jongste zusje stond. “Daardoor werd ik meer verlegen. Het heeft lang geduurd voordat ik mezelf durfde laten horen.”

‘Baby’ Jacqueline (1968) beleefde naar eigen zeggen vooral een heel relaxte jeugd. “Laat Jacq maar gaan”, zeiden haar ouders altijd. Het gevolg was dat ze een enorme fladderaar werd. “Ik had duizend dromen en projecten en mocht die ook allemaal uitvoeren. Misschien dat dat voor mijn zussen wel eens frustrerend was.” Minder leuk vond ze dat er veel van haar werd weggehouden. “Ik ontdekte bijvoorbeeld pas jaren later dat Karin als tiener veel ellende heeft meegemaakt. Maar uit bescherming had niemand me dat ooit verteld.”

Extra

Het belang van je plek in de geboorterij werd voor het eerst in de 19e eeuw omschreven door psycholoog en antropoloog Francis Galton. Hij ‘ontdekte’ dat eerstgeborenen oververtegenwoordigd waren in de wetenschap. Zijn verklaring: oudste kinderen krijgen de meeste aandacht en het beste eten, en dat is bepalend bij de ontwikkeling van hun karakter. Dit idee werd verder uitgewerkt door de Oostenrijkse psycholoog Alfred Adler, een tijdgenoot van Freud. Volgens Adler zijn we vanaf onze geboorte verwikkeld in een Darwiniaanse overlevingsstrijd, waarbij we met broers en zussen vechten om de tijd, liefde en aandacht van onze ouders. Historisch gezien zijn ouders ook altijd verschillend met hun kinderen omgegaan, bepleitte hij. De oudste kreeg bijvoorbeeld eeuwenlang automatisch de macht. En de jongste werd het vaakst naar de oorlog gestuurd, want die was toch ‘extra’.

Een eenvoudige manier om jezelf en anderen beter te begrijpen: zo noemt de Britse klinisch psycholoog Linda Blair het inzicht in het belang van je plek de geboorterij. Na 25 jaar praktijkervaring viel het haar op dat uiteenlopende mensen die in hun families de oudste, middelste of jongste waren bepaalde karaktertrekken met elkaar gemeen hadden. Zo zag ze opmerkelijk vaak een groot verantwoordelijkheidsgevoel bij oudste kinderen, en dat jongsten gemakkelijker teleurgesteld worden. Middelsten laten zich volgens haar nogal eens overhalen, terwijl ze bij enig kinderen herhaaldelijk perfectionisme en zelfvertrouwen tegenkwam. Ze schreef er een paar jaar geleden een boek over, Je plaats in het gezin. Daarin legt ze uit dat geboortepositie zo’n belangrijke rol speelt, omdat die heel bepalend is voor de dynamiek tussen ouders en kinderen, en tussen kinderen onderling. Snappen wat je plaats in het gezin voor jou betekent, kan je volgens haar helpen om je positieve eigenschappen zo goed mogelijk te benutten en negatieve patronen te doorbreken.

Pionier tegen wil en dank

Iemand die zich daar zeker in herkent, is schrijfster en oudste dochter (van vier) Lisette Schuitemaker (1954). Samen met Wies Enthoven publiceerde ze het boek Het oudste dochter effect. “Ik heb me altijd zó anders gevoeld dan mijn jongere broers en zusje”, zegt ze. “Een buitenbeentje, verantwoordelijk voor niet alleen hen, maar eigenlijk de hele wereld. Om die reden werd ik bijvoorbeeld al heel vroeg vegetariër. En zo opstandig als de broer na mij was, zo braaf was ik.”

Schuitemaker vond het moeilijk om eeuwig en overal de eerste te moeten zijn – met sporten, op school, met vriendjes – en had het gevoel dat ze altijd vóór moest blijven op haar boers en zusje. Een pionier tegen wil en dank, zo omschrijft ze het. De druk die ze zichzelf hierover oplegde, werd uitvergroot door de verwachtingen van vooral haar moeder. Dat ze als eerste zou trouwen bijvoorbeeld (wat ze overigens niet deed).

“Als ik ooit kinderen krijg, wil ik een tweeling, dacht ik vroeger; dan is er tenminste geen oudste. En zag ik een advertentie in de krant voor de geboorte van een tweede, dan voelde ik direct medelijden met de broer of zus die van de troon was gestoten. Nu ik me meer in het onderwerp heb verdiept, snap ik dat ik constant aan mijn ouders probeerde te bewijzen dat ik hun liefde en aandacht nog steeds waard was, ook al moesten ze die uiteindelijk over vier kinderen verdelen. Maar dat begreep ik toen nog niet.”

Eenmaal volwassen realiseerde Schuitemaker zich dat ze zich, zowel in haar privéleven als op haar werk, onbewust met andere ‘oudsten’ had omringd. Bij hen voelde ze een onuitgesproken herkenning en een vanzelfsprekend begrip. Die bewustwording zorgde voor een aha-moment. “Vanaf dat moment ging ik mijn eigen ‘oudstengedrag’ steeds beter herkennen en begrijpen. Waarom ik altijd alles goed voor elkaar moet hebben bijvoorbeeld. Waarom ik er constant voor moet zorgen dat iedereen het naar zin zijn heeft en dat alles goed loopt. Oftewel: waarom ik het gevoel heb dat ik de wereld moet redden en mezelf constant wil bewijzen.”

Dat inzicht hielp haar om bewust te kiezen of ze er wel of niet in dat gedrag mee wilde gaan. “Ik ken nu mijn valkuilen – ik hoef de organisatie van een familiedag niet op me te nemen, of anderen altijd maar uit de brand te helpen. Dat geeft ruimte in mijn hoofd, en een gevoel van controle. Bovendien zie ik nu ook de positieve kant, en kan ik genieten van mijn verantwoordelijke, plichtsgetrouwe, voortvarende, zorgzame en serieuze oudstengedrag. Want het is natuurlijk ook hartstikke fijn om je zaakjes op orde te hebben en anderen te kunnen helpen.”

Betekenis

Je plaats in het gezin kan zeker veel betekenis hebben, denkt ook psychotherapeut Frans Schalkwijk (1957), schrijver van het onlangs verschenen boek Onvolmaakt tevreden, over omgaan met je innerlijke criticus. Maar nog veel belangrijker dan de volgorde is volgens hem welke betekenis je daaraan hecht. “We maken allemaal ons eigen verhaal over onze geschiedenis”, legt hij uit. “Een middelste kind kreeg vroeger misschien minder aandacht dan een oudste. Maar het werd ook meer met rust gelaten. Of dat een fijne ervaring was of niet, hangt er maar net vanaf welk verhaal je daarvan maakt, welke inkleuring je eraan geeft.”

Of je als volwassene een positieve of negatieve waarde toekent aan je plek in het gezin, is volgens hem van veel meer afhankelijk dan alleen de geboortevolgorde. Je temperament en de omstandigheden waarin je bent opgegroeid bijvoorbeeld, maar ook hoeveel jaar er tussen jou en je broers en zussen zit, en hoe zij de verschillen hebben ervaren. “De werkelijkheid is zoveel genuanceerder dan een etiket ‘oudste’ of ‘enig kind’. Je doet die geen recht aan door alles op je plek in het gezin te willen gooien.”

Dat is systeemtherapeut Marieke Borleffs (1964) helemaal met hem eens. Als je merkt dat je vastloopt in je leven, kan nadenken over de je positie in de geboorterij volgens haar één van de startpunten zijn om te onderzoeken waar je problemen vandaan komen. “Het zorgt voor herkenning en verbinding, en geeft woorden aan gevoelens die soms lastig uit te drukken zijn”, zegt ze. “Wat dat betreft kan het een handig hulpmiddel zijn. Maar als je er te veel waarde aan toekent, kan het je juist belemmeren om verder te komen. Dan hoor je bijvoorbeeld: ‘Ik kan niet veranderen, want als jongste kind ben ik nu eenmaal zo’.”

Hoe groter de druk, hoe meer mensen de neiging hebben om zich vast te bijten in ‘hun’ versie van de waarheid, aldus Borleffs. Dat merk je bijvoorbeeld rond kerst, of rond de verdeling van een erfenis. Beladen momenten waarop volwassen kinderen als vanzelf in hun oude rollen terugvallen, en genoegdoening willen voor de pijn waar ze al die jaren mee hebben rondgelopen. “Het moeilijkste is om te accepteren dat je daar geen erkenning voor krijgt”, zegt Schalkwijk. “Vaak hebben mensen hun hele leven wrok gevoeld voor het feit dat een ander kind het – in hun ogen – beter had, of meer aandacht kreeg. Maar als je vasthoudt aan die wens tot ‘herstelbetaling’, blijf je vastzitten in het verleden.”

Dat hoeft dus niet, benadrukken beide therapeuten. De eigenschappen die je hebt overgehouden aan je plek in het gezin zijn geen vast gegeven, maar strategieën die je hebt ontwikkeld om met je ouders, broers en zussen en met de omstandigheden om te gaan. Je hoeft je er dus heus niet bij neer te leggen dat je als middelste altijd een onzekere vrouw op de achtergrond zal blijven. “Als je inziet dat er niet één waarheid is, creëer je ruimte om een andere betekenis aan je ervaringen te geven. Op die manier herschrijf je je eigen verhaal”, verklaart Borleffs.

Dat betekent overigens niet dat je je karakter moet veranderen. Integendeel. Als het lukt om de pijn erover los te laten, kun je ‘trauma’s’ die aan je geboortepositie kleven omzetten in iets positiefs. “De feiten uit het verleden kun je niet veranderen”, besluit Schalwijk. “Maar de beleving en de betekenis die je eraan toekent wel. Aan jou de keus.”

[Kader]

En, klopt het een beetje…?

Of je er veel waarde aan echt of niet: de meeste mensen herkennen wel iets van zichzelf in de typische karaktertrekken van oudste, middelste, jongste en enig kinderen.

Oudsten

  • Kracht: Goede leiders. Betrouwbaar. Verantwoordelijk. Ambitieus. Georganiseerd. Harde werkers.
  • Keerzijde: Behoudend. Te veel controle willen. Bang voor afwijzing. Veel behoefte aan bevestiging. Moeilijk met mislukkingen kunnen omgaan. Snel te veel hooi op hun vork nemen.

Middelsten

  • Kracht: Echte teamplayers. Kunnen goed relativeren. Prima bemiddelaars.
  • Keerzijde: Met alle winden meewaaien. Toegeven aan groepsdruk. Te snel compromissen sluiten. Niet voor zichzelf opkomen.

Jongsten

  • Kracht: Ongecompliceerd. Creatief. Vindingrijk. Sociaal.
  • Keerzijde: Gebrek aan eigenwaarde. Opstandig. Veel behoefte aan aandacht. Ongeorganiseerd. Minder doelgericht. Snel anderen de schuld geven.

Enigen

  • Kracht: Zelfvertrouwen. Assertief. Georganiseerd. Kunnen goed zichzelf vermaken en alleen zijn.
  • Keerzijde: Ongemakkelijk voelen in groepen. Perfectionistisch. Ongeduldig. Veeleisend.

 

 

%d bloggers liken dit: