Tag Archives: Groninger Museum

DE LAATJES VAN JÖRG

29 Mrt

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 24 maart 2017. (Foto’s: Reyer Boxem)

Kunsthistoricus Christiaan Jörg (73) werkte 26 jaar als conservator in het Groninger Museum. Hoewel hij officieel al lang met pensioen is, komt hij er nog minstens twee keer per week. Genoeg te doen. “Ik zou het heel jammer vinden als ik binnenkort dood zou gaan.”

[Kader]
PASPOORT
Naam: Christiaan Jörg
Geboren: 14 november 1944 in Heino (Overijssel)
Opleiding: Studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden. Promoveerde daar op een onderzoek naar de handel van de VOC in Chinees porselein in de 18e eeuw.
Werk: Was van 1977 tot zijn pensioen in 2003 conservator en hoofd onderzoek bij het Groninger Museum. Maakte daar meer dan 25 tentoonstellingen. Werkte daarnaast als hoogleraar Oost-Westrelaties in de decoratieve kunst in Leiden.
Privé: Was 45 jaar getrouwd met Els Winkler. Sinds 2015 weduwnaar. Twee dochters, Eline (46) en Justine (44) en twee kleinkinderen, Merel (15) en Daan (11).
Bijzonderheden: Kreeg in 1995 de Vuurslagprijs, de grootste kunsthistorische prijs van Nederland. Werd in 2012 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Wie de ruim honderd jaar oude villa van kunsthistoricus en conservator Christiaan Jörg in het Groningse Haren binnenstapt, waant zich in een als woonhuis verhuld museum. Overal waar je kijkt, staan, liggen of hangen kunstvoorwerpen. Beelden en schilderijen, maar ook potten, vazen en houtsnijwerk. Wie de laatjes van een van de vele kasten in de hoge kamers opentrekt — dat mag van Jörg, graag zelfs — ontdekt nog veel meer schatten. De fossielen en kristallen bijvoorbeeld, die hij van kinds af aan verzamelde. Begrijpelijk dat niet alleen zijn eigen kleinkinderen, maar ook die van vrienden en buren graag in dit schathuis komen. “Als ze iets heel mooi vinden, geef ik het ze cadeau”, zegt Jörg, terwijl hij gemberthee schenkt uit een theepot in de vorm van een kat. “Enthousiasme over schoonheid moet je belonen.” Ook de spullen waar hij erg aan gehecht is? “Juist die”, benadrukt hij. “Iets weggeven waar je zelf geen band mee hebt, is te makkelijk.”
Tijdmachine
Toen we een afspraak voor dit interview planden, moest Jörg even goed in zijn agenda kijken. Die is op zijn 73-ste namelijk behoorlijk vol. Zo is hij zeker twee keer per week in het Groninger Museum te vinden. Om nieuwe tentoonstellingen te maken (dat doe hij ondanks zijn pensioen nog altijd), aankopen te doen of te helpen met onderzoek. Verder reist hij de wereld over om lezingen over zijn vak en zijn passie — Aziatisch exportkeramiek uit de 17e en 18e eeuw — te geven. Binnenkort gaat hij daarvoor bijvoorbeeld naar Taiwan.
Thuis werkt hij intussen in één van zijn twee ruime werkkamers aan zijn magnus opus: het catalogiseren van de grootste en oudste collectie van Chinees en Japans exportporselein ter wereld, bewaard in Dresden. Dat doet hij samen met 28 collega’s uit negen landen, aan wie hij vanachter zijn computer online leiding geeft. “Overleggen doen we via Skype, hartstikke handig.” Vermoedelijk zijn ze nog wel een jaar of twee met het project zoet.
En dan zijn er nog de ‘tussendoortjes’. Zo is Jörg één van de keurmeesters op de internationale kunstbeurs TEFAF, die momenteel in Maastricht plaatsvindt. “Met een team van conservatoren en handelaren checken we of de aangeboden stukken wel echt zijn”, vertelt hij. “Zo hebben we er vorig jaar een Chinese vaas uitgevist, waarvan het deksel uit een 3D-printer kwam. Niemand anders had dat opgemerkt.”
Terwijl hij erover verhaalt, beginnen zijn ogen te glimmen. Wat dat betreft is er weinig veranderd sinds hij op zijn negende in de tuin van zijn oom een witte scherf vond met daarop een blauwe Chinese dame. Een ander kind had die waarschijnlijk ongeïnteresseerd aan de kant gegooid, maar Jörg kon zijn geluk niet op. Het antieke porselein had voor hem iets magisch. Het was een tijdmachine, een toegangspoort naar een andere wereld. Meer dan zestig jaar later bezit hij de scherf nog.
Verhalen
Kleermaker of dominee: dat waren de carrièremogelijkheden waar Jörg in de jaren ’50 mee opgroeide. Het waren de beroepen van zijn vaders familie. Een idiote keus, vond hij het. “Met kleren maken had ik niets. En in een kerkelijke God heb ik nooit zo geloofd.”
Dat laatste is best opmerkelijk voor de zoon van een hervormde dominee, die tot zijn 20e iedere zondag in de kerk zat om naar de preek van zijn vader te luisteren. “Van jongs af zag ik hoe het er in de kerk achter de schermen aan toeging. Er was gekonkel, gedoe over posities. Een boterham met niets was in ons gezin heel normaal, zo krap hadden mijn ouders het. Maar ondertussen moesten ze naar buiten de schijn ophouden. Dat vond ik hypocriet.”
In plaats daarvan verloor Jörg zich liever in kunst. Als tiener verzamelde hij kunstafbeeldingen uit oude kalenders en tijdschriften, die hij samenbond in zelfgemaakte boeken. Op zijn zestiende kocht hij van een handelaar in Den Haag zijn eerste kunstwerk, een granieten eskimobeeldje, dat nog altijd een prominente plek in zijn woonkamer heeft. “Het is krachtig en kwetsbaar tegelijkertijd”, zegt hij, terwijl hij zijn handen er liefdevol over laat glijden. “In die onafhankelijkheid herken ik mezelf.”
De verbeelding van hun eigen geest: dat is de rode draad door de enorm gevarieerde privécollectie, die Jörg afgelopen decennia met zijn (inmiddels overleden) vrouw Els opbouwde. “Het gaat mij er niet om wat iets waard is, of dat het bij de rest past, maar om wat voor gevoel een voorwerp me geeft. Neem mijn laatste aankoop, een moderne pot die ik vorig jaar in Canada op de kop heb getikt. Door de vorm en de kleuren lijkt het alsof daar een herfststorm in woedt. Zodra ik die zag, voelde ik: deze pot hoort bij mij.”
Inmiddels mag Jörg dan een internationaal bekende porseleinexpert zijn, zijn ouders keken er vreemd van op als hij als tiener weer met iets nieuws thuiskwam. Ze hadden weinig met kunst. Maar wat ze wel begrepen, was zijn passie voor verhalen. “Mijn vader vond die in de bijbel, ik in oude voorwerpen. Allemaal hielden we van lezen. Ik weet nog goed dat mijn vader eind jaren ‘50 In de ban van de ring van Tolkien kocht. Hij en mijn moeder waren zo onder de indruk van de trilogie, dat ik twee dagen van school thuis mocht blijven om die zelf te lezen.”
Gouden kans
Kunst als hobby was goed en wel, maar Jörg moest van zijn ouders wel gewoon een nuttig vak leren. Dus ging hij rechten studeren, in Leiden. Vreselijk vond hij dat. “Ik voelde me verscheurd. Aan de ene kant wilde ik mijn familie niet teleurstellen, aan de andere kant verloochende ik mezelf.”
Inmiddels had hij zijn latere vrouw Els leren kennen, een vijf jaar oudere onderwijzeres. “Els bleek net als ik fossielen te verzamelen. ‘Zal ik je collectie komen bekijken?’, vroeg ik. Vanaf dat moment waren we onafscheidelijk.” Uiteindelijk was het Els die Jörg overhaalde om na drie jaar met rechten te stoppen. “Op deze manier worden we allebei niet gelukkig”, zei ze. Meer aanmoedig had hij niet nodig om naar kunstgeschiedenis over te stappen. Ondertussen trouwden ze. “We huurden een piekplein pandje in Leiden, dat was afgekeurd als fietsenstalling. Toen onze dochter Eline werd geboren, hingen we haar in een Perzische hangmat aan de balken. Justine, die twee jaar later kwam, sliep in een zeepkistje op tafel.”
In 1977 kwam het aanbod dat het verdere leven van Jörg zou bepalen. “Ik kreeg de mogelijkheid om conservator te worden in het Groninger Museum. Een gouden kans, want zoveel werk was er niet voor kunsthistorici. We hebben onze kinderen opgepakt en zijn direct vertrokken. In Groningen ben ik mezelf geworden, als specialist en als mens.”
Gebruiksvoorwerpen
Tijdens zijn studie was Jörg gefascineerd geraakt door kunstnijverheid. “Iedereen heeft wel een oud kastje of antiek bordje in huis”, verklaart hij de bekoring. “Die spullen vertellen elk hun eigen verhaal. Over wie we als Nederlanders zijn, en waar we vandaan komen. Je hebt er letterlijk een stukje geschiedenis mee in handen.”
Des te verdrietiger vindt hij het dat kunstnijverheid tot op de dag van vandaag minder aanzien geniet dan beeldende kunst. Vermoedelijk omdat het om voorwerpen uit het dagelijkse leven gaat. “Dat maakt ze voor sommige mensen minder speciaal. Voor mij werkt het precies andersom. Juist het feit dat mensen ze vroeger hebben gebruikt, creëert de magie.”
In het Groninger Museum had Jörg allerlei nijverheidscollecties onder zijn hoede, van meubels tot textiel. Maar Aziatische porselein was en is zijn grote liefde. Zijn tentoonstellingen en publicaties daarover zetten hem internationaal op de kaart.
“Aan het einde van de achttiende eeuw raakte Aziatisch porselein in het westen van het land uit de mode en verdween het naar kelders en zolders”, vertelt hij. “In Groningen en Friesland wisten ze echter dondersgoed wat opa en oma ervoor hadden betaald. Daardoor koesterden ze het meer, en is er veel bewaard gebleven. Dat verklaart waarom het Groninger Museum, maar ook de Princessehof in Leeuwarden, er zo’n rijke collectie van hebben.”
Zelf voegde Jörg daar trouwens nog flink wat aan toe; de afgelopen veertig jaar verwierf hij in totaal meer dan 1200 stukken voor het Groninger Museum.
Schatgraverij
In 1986 klopte veilinghuis Christie’s bij Jörg aan. Dat wilde een lading van 200.000 Chinese porseleinen voorwerpen verkopen, afkomstig uit een VOC-schip dat drie jaar eerder door een Britse duiker in de buurt van Singapore was opgedoken. Medewerkers vroegen of hij kon achterhalen om welk schip het ging. Prima, dacht hij, maar dan wel in ruil voor een exemplaar van alle verschillende soorten porselein aan boord voor het Groninger Museum. Aan de hand van de inventarislijsten kon hij reconstrueren dat het schip de Geldermalsen was, uit 1752. Mede dankzij zijn uitzoekwerk en het boek dat hij erover publiceerde, bracht de lading uiteindelijk 43 miljoen gulden op.
Overigens werd die actie hem in de kunstwereld niet in dank afgenomen. De duiker had alles zelf naar boven gehaald, zonder hulp van een archeoloog. Collega’s vonden daarom dat Jörg had meegewerkt aan schatgraverij, en plundering van de scheepvaartgeschiedenis. “Misschien hadden ze een punt”, zegt hij daar achteraf over. “Maar gedane zaken nemen geen keer. Ik had twee opties: óf mijn handen er vanaf trekken, óf zorgen dat de unieke verzameling werd veiliggesteld en gedocumenteerd. Uit praktische overwegen heb ik voor het laatste gekozen. Zo is een compleet overzicht voor ons museum behouden gebleven.”
Met dit soort grootse avonturen zou Jörg een boek kunnen vullen. Maar aan de kleine verhalen, van de mensen die bij hem aanklopten omdat ze wilden weten wat het bordje van hun moeder of opa waard was, beleefde hij net zoveel plezier. “Ik kreeg een keer bijna een hartstilstand toen een dame een zeldzame, gemerkte Delftse tulpenvaas uit haar tas trok. Die is later in New York geveild voor 12.000 dollar.”
Onverwoestbare basis
Kunstnijverheid is de ene constante in Jörgs leven. De andere was zijn vrouw Els. De twee waren vijftig jaar onlosmakelijk met elkaar verbonden. “We deelden de liefde voor schoonheid”, zegt hij. “Els was zelf een begenadigd kunstenares. Tijdens de oorlog had ze met haar moeder in een jappenkamp gezeten. Als gevolg van die traumatische ervaring kon ze haar emoties moeilijk uiten. Door haar gevoel in beelden uit te drukken, lukte dat wel.”
Dat ze al die jaren samen zijn gebleven, komt volgens hem omdat ze over alles konden praten. En omdat ze elkaar de ruimte gunden. “We hadden ieder ons eigen werk, ons eigen leven. We hadden oog voor wat de ander nodig had, hoe die het beste kon gedijen. Zulke oprechte aandacht en zorgzaamheid zorgen voor een onverwoestbare basis.”
Vier jaar geleden kreeg Els darmkanker. Twee jaar later overleed ze, thuis, met haar man en haar dochters aan haar bed. Jörg is intens dankbaar dat ze de tijd hebben gehad om geleidelijk afscheid van elkaar te kunnen nemen. “De rouw begon op de dag dat we hoorden dat ze niet meer beter zou worden. Met z’n tweeën hebben we een graf uitgezocht. ‘Een steen is zo zwaar’, zei ze. Dus spraken we af dat ik plantjes op het graf zou zetten. Het was helend om dat te kunnen delen.”
Wat hem helpt, is dat Els nog overal in huis aanwezig is, in de vorm van haar eigen kunstwerken. “Neem deze hemeltroon”, wijst Jörg op een met witte pluisstof bedekte hoge stoel. ‘Ben fietsen’ staat er op het bordje dat er in hangt. “Ze heeft dit werk kort voor haar dood gemaakt. Het is de zetel van een engel die genoeg van zijn baan had en zijn vleugels heeft opgehangen. Die daadkracht en droge humor, dat was Els.”
Feestje
“Nu ga je zeker snel verhuizen”, zeiden mensen na het overlijden van zijn vrouw tegen Jörg. Maar hij piekert er niet over om het enorme pand met tuin van 80 meter diep te verlaten. “Dit is mijn schil, hier voel ik me veilig. Ieder ding in dit huis heeft een verhaal. Beter gezelschap is er niet.”
Tot zijn eigen verbazing kan hij er inmiddels ook van genieten om in z’n eentje te zijn. “Zoiets gaat natuurlijk niet vanzelf. Een paar maanden na Els’ dood heb ik heel bewust besloten: ik ga er het beste van maken. Ik kook elke dag, dek de tafel. Ik houd het huis — en mezelf — netjes en schoon. En ik besteed veel tijd aan het onderhouden van mijn netwerk, zowel privé als zakelijk. Doe ik dat niet, dan denken ze binnen de kortste keren dat ik Alzheimer heb, of dood ben. Dat kan ik me niet veroorloven, want ik heb nog zoveel te doen!”
De wereld een beetje mooier maken; dat is zijn drijfveer bij alles wat hij onderneemt. In zijn werk, in zijn relaties, in zijn dagelijkse leven. Natuurlijk heeft hij de mazzel dat hij op zijn 73ste nog fit en onafhankelijk is. Maar dat zit volgens hem ook voor een belangrijk deel tussen de oren. “In mijn hoofd voel ik me nog altijd 45. Dat is de mooiste leeftijd: je hebt de nodige ervaring, waardoor je niet snel uit het lood raakt, met nog voldoende energie om de wereld te kunnen veroveren.”
Ouder worden vindt hij dan ook een beetje een feestje. “Niks hoeft, alles mag. Heerlijk is dat. Ik zou het echt heel jammer vinden als ik binnenkort dood zou gaan. Het is dat de wetenschap mijn hersenen nog niet kan transplanteren, anders zou ik vooraan in de rij staan.”

[Kader]
De wereld in huis
In de 17e en 18e eeuw importeerden de VOC en particulieren grote hoeveelheden Chinees en Japans porselein en lakwerk uit ‘de Oost’. Vooral het porselein drong door tot in alle lagen van de bevolking; zelfs de armsten hadden vaak een Chinees bord of een theekop en schotel in huis. Zo veroverden Aziatische gebruiksvoorwerpen een plek in het dagelijks leven in Nederland. De tentoonstelling ‘De wereld in huis’ die Christiaan Jörg hierover maakte, is nog maart 2019 te zien in het Groninger Museum.
groningermuseum.nl

Advertenties

VERHALENVERTELLER CHRISTIAAN JÖRG

12 Dec

Christiaan1

Gepubliceerd in Groninger Museum Magazine, december 2017. 

Conservator Christiaan Jörg, samensteller van de tentoonstelling De wereld in huis in het Groninger Museum, staat internationaal bekend als expert op het gebied van Aziatisch keramiek uit de 17e en 18e eeuw. Hoewel hij officieel al jaren met pensioen is, werkt hij nog altijd minstens veertig uur per week. 

Amper tien was hij, toen conservator Christiaan Jörg (72) in de tuin van zijn oom een witte scherf vond met een blauwe versiering van een Chinese dame. Een ander kind had die waarschijnlijk ongeïnteresseerd aan de kant gegooid, maar Jörg kon zijn geluk niet op. Het antieke porselein had voor hem iets magisch; het was een toegangspoort naar het verleden, naar een andere wereld. De scherf kreeg een ereplaats in zijn kamer, naast zijn zelfgemaakte kunstboeken. Meer dan zestig jaar later bezit hij het stukje porselein nog steeds. Net als het onstuitbare enthousiasme dat hij als jongetje in de tuin van zijn oom voelde. “Mijn werk bestaat uit schat zoeken. Wie kan dat nu zeggen?”

Hoe raakt een kind van tien geïnteresseerd in kunst?
“Ik heb de verhalen achter oude voorwerpen altijd fascinerend gevonden. En ik houd van mooie dingen. Als tiener verzamelde ik plaatjes van kunst, uit tijdschriften en kalenders. Die plakte ik dan op. De vellen bond ik samen tot een boek. Op mijn zestiende kocht ik mijn eerste kunstobject, een Inuit-beeldje, bij een kunsthandelaar in Den Haag. Mijn ouders keken met verbazing toe. Ik kom uit een familie van dominees en kleermakers, dus voor hen was het een vreemde wereld.”

Wat vonden ze ervan dat u kunstgeschiedenis wilde studeren?
“Dat ging niet zonder slag of stoot. Als ik niet in het kleermakersbedrijf wilde, moest ik in ieder geval iets nuttigs leren. Dus begon ik braaf aan een studie rechten. Maar ik vond het vreselijk. Toen leerde ik mijn latere vrouw kennen. Zij zei: ‘Je moet nog een heel leven werken, dan kun je maar beter lol in je vak hebben.’ Meer aanmoediging had ik niet nodig; ik stopte direct met rechten en stapte over naar kunstgeschiedenis. Daar raakte ik al snel gefascineerd door kunstnijverheid, en in het bijzonder Oosters porselein.”

Wat boeide u daar zo aan?
“Die voorwerpen staan dicht bij ons in het dagelijkse leven. Iedereen heeft wel een oude kast of antiek bordje in huis. Zulke spullen vertellen ieder hun eigen verhaal over wie we als Nederlanders zijn, en waar we vandaan komen. Je hebt letterlijk een stukje geschiedenis in handen. Niets leukers dan om de historie daarvan te reconstrueren. Dat porselein van de andere kant van de wereld al eeuwen geleden hier terechtkwam, maakt het voor mij extra spannend. Toen ik later zelf les ging geven, liet ik studenten het verhaal achter spullen uit hun eigen familie uitpluizen. Als een soort Tussen kunst en kitsch. Dan kwamen die voor hen ineens echt tot leven.”

Er kloppen vast vaak mensen vaak bij u aan die willen weten wat het bordje van hun moeder of het potje van hun opa waard is.
“Dat vind ik alleen maar leuk. In de meeste gevallen moet ik ze helaas vertellen dat ze het voorwerp beter gewoon kunnen gebruiken. Maar heel soms kan ik iemand blij maken. Ik heb een keer als expert opgetreden in het tv-programma Schatten op zolder. Het 17-eeuwse kommetje dat daar voor mijn neus stond, was meer waard dan gedacht. Een andere keer kreeg ik bijna een hartstilstand toen een dame een zeldzame, gemerkte Delftse tulpenvaas uit haar tas trok. Die is later in New York geveild voor 12.000 dollar.”

Toch lijkt kunstnijverheid minder aanzien te hebben dan beeldende kunst. Waarom is dat?
“Het zijn vaak voorwerpen die je in het dagelijkse leven toepast. En je vindt ze overal. Dat maakt ze voor sommige mensen minder speciaal. Voor mij werkt het precies andersom. Juist het feit dat mensen ze vroeger in handen hebben gehad en hebben gebruikt, creëert de magie.”

Na zijn promotieonderzoek naar ‘Porselein als handelswaar’ werd Jörg op zijn 33ste gevraagd om conservator kunstnijverheid in het Groninger Museum te worden. Hij greep de kans met beide handen aan, ook al moesten hij, zijn vrouw en hun twee jonge dochters daarvoor naar de andere kant van het land verhuizen. “Zoveel banen zijn er niet in dit vak. Bovendien had het Groninger Museum al een heel rijke collectie. Dat komt volgens mij door de noordelijke zuinigheid. Aan het einde van de achttiende eeuw raakte Aziatisch porselein uit de mode. Het verdween naar de kelders en werd later weggegooid. In Groningen en Friesland wisten ze echter dondersgoed wat pa en ma of opa en oma ervoor hadden betaald. Daardoor koesterden ze het meer, en is er veel bewaard gebleven.”
In het museum had Jörg allerlei soorten collecties onder zijn hoede, van meubels tot textiel. Maar het Aziatische porselein bleef zijn grote liefde. De tentoonstellingen die hij daarover organiseerde, zetten hem internationaal op de kaart.

Wat maakt uw aanpak als conservator anders?
“Ik gebruik kunst om geschiedenisverhalen te vertellen. Wat werd er in China en Japan allemaal voor porselein geproduceerd? Welke afbeelden gebruikten ze? Waarom kochten Nederlanders dat? Hoe vervoerden ze het? Om dat soort vragen te beantwoorden, moet je kunstvoorwerpen koppelen aan allerhande andere informatie. Die werkwijze was nieuw; mijn tentoonstellingen trokken mensen van over de hele wereld. Overigens vonden veel collega’s het ook vloeken in de kerk. Kunst mocht niet over handel en geld gaan, vonden ze. Maar ik heb niets met zo’n verheven benadering.”

Heeft u zelf veel voor het Groninger Museum aangekocht?
“Ontzettend veel! Vermoedelijk rond de 1200 stukken.”

Wat was het bijzonderste?
“Dat was grappig genoeg geen aankoop, maar een ruildeal. In 1986 klopte veilinghuis Christie’s bij me aan. Ze wilden een lading van 200.000 Chinese porseleinen voorwerpen verkopen, afkomstig uit een VOC-schip dat drie jaar eerder in de buurt van Singapore door een Britse duiker was opgedoken. Ze vroegen of ik kon achterhalen om welk schip het ging. Prima, dacht ik, maar dan wel in ruil voor een exemplaar voor ons museum van alle verschillende soorten porselein aan boord. Aan de hand van de inventarislijsten kon ik vervolgens achterhalen dat het schip de Geldermalsen was, uit 1752. Mede dankzij mijn uitzoekwerk en het boek dat ik erover publiceerde, bracht de lading uiteindelijk 43 miljoen gulden op.”

Zo’n onorthodoxe aanpak was vast not done in de kunstwereld.
“Klopt. De duiker had alles zelf naar boven gehaald, zonder hulp van een archeoloog. Collega’s vonden daarom dat ik had meegewerkt aan schatgraverij, en plundering van de scheepvaartgeschiedenis. Misschien hadden ze een punt, maar gedane zaken nemen geen keer. Ik had twee opties: óf mijn handen er vanaf trekken, óf zorgen dat de unieke verzameling werd veiliggesteld en gedocumenteerd. Uit praktische overwegen heb ik voor het laatste gekozen. Zo is de hele collectie voor onderzoek in het museum behouden.”

Officieel bent u acht jaar geleden met pensioen gegaan, maar u werkt zich nog een slag in de rondte. Wordt het niet eens tijd om van wat welverdiende rust te gaan genieten?
“Ben je gek! Daarvoor vind ik mijn vak veel te leuk. Ik ben bezig met een fantastisch onderzoeksproject in Dresden. En ik maak als gastconservator nog steeds tentoonstellingen, zoals De wereld in huis. Verder besteed ik veel tijd aan het onderhouden van mijn netwerk in binnen- en buitenland. Doe ik dat niet, dan denken ze binnen de kortste keren dat ik Alzheimer heb, of dood ben. Dat kan ik me niet veroorloven, want ik heb nog zoveel méér verhalen te vertellen.”

[Kader]
CV
Christiaan Jörg (1944) studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden en promoveerde op een onderzoek naar de handel in Chinees porselein in de 17e eeuw. Van 1978 tot 2003 was hij conservator en hoofd onderzoek bij het Groninger Museum. Daarnaast werkte hij als hoogleraar ‘Oost-Westrelaties in de decoratieve kunst’ in Leiden. In totaal maakte hij meer dan 25 grote tentoonstellingen en publiceerde hij ruim 115 boeken, catalogi en artikelen. Voor zijn werk kreeg hij in 1995 de Vuurslagprijs, de grootste kunsthistorische prijs in Nederland. In 2012 werd hij benoemd tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau. Jörg is weduwnaar, en heeft twee dochters en twee kleinkinderen.

Bekijk het hele Groninger Museum Magazine hier

%d bloggers liken dit: