Tag Archives: StripGlossy

3 BOMMELTEKENAARS

7 Jan

Gepubliceerd in StripGlossy 10, september 2018 (Foto: Peter Beemsterboer)

Ze tekenen — los van elkaar — Ollie B. Bommel. Nu maken ze bij studio Dromenjager samen Woezel en Pip. Dit is wat art director Wil Raymakers en striptekenaars Henrieke Goorhuis en Tim Artz over elkaar zeggen.

  • Over Henrieke
    Henrieke Goorhuis (1990) is de eerste vrouwelijke tekenaar van Ollie B. Bommel. In illustreerde ze het Bommel-verhaal Het Lastpak. In 2017 volgde het Gouden Boekje Tom Poes en het cadeautje voor heer Ollie. Ze werkt drie dagen bij Dromenjager, de studio van Woezel en Pip. Daarnaast tekent ze onder andere voor Donald Duck
  • Over Wil
    Wil Raymakers (1963) is vooral bekend als bedenker van zijn strip Boes, die vanaf 1980 in verschillende kranten verscheen. Hij werkte bijna dertig jaar voor de Geesink Studio, waar hij onder andere Loeki de Leeuw tekende. Sinds 2014 is hij art director bij Studio Dromenjager, de studio waar alles van Woezel en Pip wordt gemaakt. Hij zit in het bestuurder van de Toonder Compagnie en tekende zelf ook enkele boekjes van Tom Poes en Heer Bommel.
  • Over Tim
    Tim Artz (1988) studeerde Information and Computer Technology aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Na 2,5 jaar als grafisch ontwerper bij een financieel bureau te hebben gewerkt, begon hij in 2014 voor zichzelf als freelance striptekenaar, illustrator en animator. Hij tekende onder andere voor het weekblad Donald Duck en maakte de cover voor het stripboek Tom Poes en de Krakers. Sinds mei 2018 is hij twee dagen per week in dienst bij Dromenjager. Daarnaast werkt hij voor Studio Noodweer.

Henrieke over Wil:
“Als Wil een scène tekent, heb je het gevoel dat je daar zo in kunt stappen. Dat is echt een kunst. Met bewondering kijk ik hoe snel en zelfverzekerd hij zijn lijnen zet. Maar ja, hij heeft dan ook heel wat meer ervaring dan ik. Na jaren alleen te hebben gewerkt, is het voor mij een luxe om advies te kunnen vragen aan zo’n ervaren tekenaar. Als ik er even niet uitkom met de anatomie van een figuur, zet hij me met een paar opmerkingen weer op het goede spoor. Helemaal leuk is als hij een spontaan minicollege geeft, bijvoorbeeld over hoe je bomen tekent. Daar kan hij het dan rustig twintig minuten over hebben.
Ook bijzonder vind ik dat Wil allerlei inspiratiebronnen voor ons meeneemt. Uit strips, maar ook uit klassieke of moderne kunst. Vaak beginnen we de dag met daar samen naar te kijken. Dankzij hem wil ik binnenkort een keer naar het Van Gogh Museum, want zijn schilderijen heb ik nog nooit in het echt gezien. Eens zien op wat voor ideeën die me brengen.
Wat ons bindt is ons perfectionisme. Ik weet nog hoe geschokt ik was toen ik Wil voor het eerst aan het eind van de dag een stapel van zijn tekeningen in de prullenbak gooide. Niet goed genoeg, volgens hem. Maar zijn afdankertjes zijn beter dan ik ze vermoedelijk ooit kan maken. Het komt dus regelmatig voor dat ik die ’s avonds weer uit het afval vis. Zonde als ze bij het oud papier belanden.”

Wil over Henrieke:
“Henriekes werk heeft een sprankel die ik bij anderen vaak mis. Haar tekeningen zijn accuraat en aantrekkelijk tegelijkertijd; al haar figuren hebben een hoog knuffelgehalte. Net als zijzelf trouwens. Al doet ze nog zo hard haar best, het lukt haar niet om een slechterik te tekenen. Ze is ook heel sociaal bewogen en heeft het beste met alles en iedereen voor. Dat blijkt wel uit het vele vrijwilligerswerk dat ze ondanks haar volle agenda doet. Verder ziet ze altijd het goede in de mensen, en geeft ze iedereen het voordeel van de twijfel. Precies zoals Doddeltje in Bommel. Daar kan ik nog wat van leren. Die zachtheid vind je ook in haar tekeningen terug. Het geeft haar werk iets heel speciaals.
Na het kennismakingsgesprek met Henrieke heb ik me wel even achter mijn oren gekrabd. Ze zei toen namelijk bijna niets! Dat belooft wat, dacht ik. Maar haar werk was zo goed dat we haar toch aannamen. Grappig genoeg bleek ze een totaal ander iemand te zijn dan het introverte meisje dat ik die eerste keer voor me had gehad. Als ze eenmaal begint te praten, houdt ze nooit meer op. Haar enthousiasme werkt aanstekelijk. Ze draagt telkens nieuwe ideeën aan. Haar creativiteit gaat trouwens verder dan alleen tekenen. Voor de theatershows van Woezel en Pip gebruiken we speciale poppen. Die maakt ze nu ook, samen met haar vriend. Daarin is ze al net zo perfectionistisch als in haar andere werk. Fantastisch om te zien dat ze bij ons zo op haar plek zit.”

——————————————————————————————————————————

Wil over Tim:
“Kalm, beheerst, bescheiden, zo zou ik Tim omschrijven. Zelfs als hij de hele nacht heeft doorgewerkt om een deadline te halen, merk je niets aan hem. Tenminste, niet aan de buitenkant. Want als je hem beter leert kennen, ontdek je dat er van binnen van alles gebeurt. Stille wateren hebben diepe gronden. Het maakt niet uit wat ik hem vraag, hij doet het gewoon. Zonder gezeur of geklaag. Heerlijk! Wat dat betreft doet hij me aan Bommel-butler Joost denken.
Door zijn originele gebruik van kleur en perspectief kan Tim een heel bijzondere sfeer creëren. Inspirerend vind ik dat. En net als Henrieke beheerst hij veel verschillende tekenstijlen; Bommel en Pip zijn tenslotte twee uitersten van het stripspectrum. Ik raad jonge tekenaars altijd aan om zich zoveel mogelijk stijlen eigen te maken. Dan ben je breder inzetbaar.
Tim en Henrieke zijn beide ongelofelijk fanatiek als het om Donald Duck gaat. Hun liefde en kennis voor hem zijn onvoorstelbaar groot. Soms hebben ze samen gesprekken waar ik geen touw aan vast kan knopen. Je ziet die passie ook in hun stijl terug; met hun flexibele, ronde lijnen zijn ze echt van de Disney-school, terwijl ik van nature meer rechte lijnen gebruik en hoekiger teken. Een ander verschil tussen hen en mij is dat mijn interesse in kunst verder gaat dan alleen de stripwereld. Ik probeer ze nu ook hongerig te maken naar voor hen onbekende kunstvormen, zoals abstracte kunst. Als je je daarin verdiept, kan je dat — óók als striptekenaar — stimuleren om eens een onverwachte weg in te slaan. Dan ontstaan vaak de mooiste pareltjes.”

Tim over Wil:
“Wil is een geweldige onderwijzer. Ik werk pas sinds mei met hem samen, maar in die paar maanden heb ik al veel van hem geleerd. Hij neemt uitgebreid de tijd om mijn schetsen met me door te nemen en me te laten zien wat er er anders en beter kan. Daardoor ben ik me bewuster van hoe ik dingen aanpak en word mijn werk steeds consistenter. Hoewel Wil mijn baas is, voelt de samenwerking heel gelijkwaardig. Als ik eigen ideeën aandraag, bijvoorbeeld over hoe ik iets zou inkleuren, neemt hij die vaak over.
Als ik hem met een Bommel-figuur zou moeten vergelijken, dan denk ik aan Querulijn Xaverius, oftewel: Markies de Canteclaer. Niet omdat de Markies zich nog wel eens negatief over anderen uitlaat, want dat doet Wil niet. Maar ik herken in hem wel het verfijnde. Hij weet ontzettend veel van kunst en cultuur, veel meer dan ik. Verder bewonder ik het dat hij veel lol en gein in zijn tekeningen weet te stoppen. Ook leuk: hij stimuleert initiatief en geeft me de ruimte om meer te doen dan alleen striptekenen. Daardoor durf ik nieuwe dingen te proberen. Zo heb ik de kans gekregen om animaties van Woezel en Pip te maken. Op die manier helpt hij me om me te ontwikkelen en te verbreden.” 

——————————————————————————————————————————

Tim over Henrieke:
“Als tieners plaatsen Henrieke en ik allebei eigen tekeningen op een Nederlands Disney-forum. Zo kwamen we met elkaar in contact. Tien jaar geleden ontmoetten we elkaar op een stripbeurs in Haarlem voor het eerst in het echt. Sindsdien zijn we collegiale vrienden. We tekenen vaak dezelfde soort dingen: dieren, Donald Duck, Bommel. Daardoor hebben we een natuurlijke band. En nu werken we ook officieel samen bij Dromenjagers.
De woorden die in me opkomen als ik aan Henrieke denk, zijn perfectionistisch, grappig en eerlijk. Wat dat laatste betreft heeft ze wel wat van Tom Poes. Ze is nooit bang om haar professionele mening te geven en te zeggen waar het op staat, ook niet tegen een meerdere. Verder heeft ze een ongelofelijke hoeveelheid vakkennis. Ik denk dat ik best veel over tekenen weet, maar zij weet altijd nog net iets meer. Dankzij haar doe ik tegenwoordig meer research voor mijn werk, zodat ik beter beslagen ten ijs kom. Waar ik ook nog wat van kan leren, zijn haar discipline en doorzettingsvermogen. Ze stopt niet voordat een tekening helemaal perfect is. Als zij een tekenstijl imiteert, is die haast niet van het origineel te onderscheiden. Zelf ben ik eerder tevreden. Het voordeel daarvan is dan wel weer dat ik wat sneller werk.” 

Henrieke over Tim:
“Toen ik als vijftienjarige voor het eerst met Tim chatte, had ik nooit kunnen vermoeden dat we jaren later als striptekenaars zouden samenwerken. Het is bijzonder te zien dat onze carrières min of meer gelijk oplopen. Eerst tekenden we allebei Donald Duck. In de tijd dat ik voor Bommel werd gevraagd, begon hij Bommel-covers te maken. Zaten we bij een stripbeurs op de Bommel-stand ineens naast elkaar te werken. En nu tekenen we bij Dromenjager allebei Woezel en Pip.
Omdat we elkaar maar één dag per week persoonlijk zien, Whatsappen we veel. Dan sturen we tekeningen door waar we op dat moment aan werken. ‘Misschien kun je dit eens proberen’, tippen we elkaar. Dat werkt heel motiverend. Verder wisselen we technische kennis uit. Bijvoorbeeld over het tekenen op de iPad Pro. In tegenstelling tot Het Lastpak heb ik mijn Gouden Boekje over Bommel op de iPad gemaakt. Het gaf me de mogelijkheid om zo dicht mogelijk bij de geschilderde stijl van de oorspronkelijke Gouden Boekjes te blijven. Ook schets ik er veel op.
Tim tekent heel dynamisch, op gevoel. Hij verrast me keer op keer met zijn originele ideeën en composities. Hij maakt nu zelf ook een Gouden Boekje over Bommel. Met verbazing kijk ik hoe hij invulling geeft aan dat verhaal. Misschien dat ik van hem kan leren hoe ik ook wat meer out of the box kan werken.”

 

 

 

Advertenties

BOMMELTEKENAAR HENRIEKE GOORHUIS

7 Jan

Gepubliceerd in StripGlossy 10, september 2018 (Foto: Peter Beemsterboer)

Op haar zestiende stopte Henrieke Goorhuis (28) met school om zich volledig op het striptekenen te kunnen toeleggen. De voorlopige kroon op haar werk: het illustreren van het Bommel-verhaal Het lastpak. “De juiste sfeer treffen was het aller-moeilijkst.”

PASPOORT

  • Naam: Henrieke Groothuis
  • Geboren: 20 april 1990 te Veldhoven
  • Woonplaats: Veldhoven
  • Opleiding: gymnasium, atheneum, havo (niet afgemaakt)
  • Privé: LAT-relatie met de Oostenrijkse Thomas Novotny, die in Wenen woont
  • Wapenfeiten: illustreerde in 2016 het Bommel-verhaal Het lastpak. In 2017 volgde het Gouden Boekje Tom Poes en het cadeautje voor heer Ollie. Ze werkt drie dagen per week bij Dromenjager, de studio van Woezel en Pip. Daarnaast tekent ze onder andere voor Donald Duck.
  • Bijzonder: startte op haar 17e een eigen bedrijf

Mevrouw Duck
“Ik ben zo ongeveer met een potlood in mijn hand geboren. Waar die passie voor tekenen vandaan kwam, is mijn ouders een raadsel. In ieder geval niet van hen; mijn vader is ingenieur, mijn moeder werkt in de thuiszorg. Op mijn vijfde ontdekte ik in de wachtkamer van de tandarts het weekblad Donald Duck. Het was liefde op het eerste gezicht. Er zit veel actie in de verhalen, op de tekeningen is van alles te zien. En hoewel zijn goede bedoelingen niet altijd het gewenste resultaat opleveren, doet Donald in ieder geval zijn best. Daar herken ik me wel in. Mijn obsessie met hem was zo groot — mensen noemden me als kind zelfs mevrouw Duck — dat mijn ouders me een abonnement op het blad gaven. Elk nieuw nummer verslond ik. Je kunt rustig stellen dat Donald me de liefde voor de strip heeft bijgebracht.”
Proefpagina
“Rond mijn vijftiende ging het niet lekker op school. Formules en rijtjes stampen werkte voor mij niet. Ik verloor mijn interesse en motivatie voor leren. Als afleiding besloot ik me serieus in strips te gaan verdiepen en een studie van Disney te maken. Zo werkte ik toen en zo werk ik nog steeds: ik wil precies weten hoe een tekening in elkaar zit, voordat ik me er zelf aan waag. De oude videobanden met Duck-cartoons die we hadden, draaide ik grijs. Ik zette ze steeds weer stil, zodat ik ze plaatje voor plaatje kon bestuderen. Daarna ging ik zelf aan de slag.
In diezelfde periode bezocht ik voor het eerst een stripbeurs, de Stripdagen. Terwijl ik bij station Houten op de bus wachtte, tekende ik Donald. ‘Dat doe je goed’, zei de man die over mijn schouder meekeek. Het bleek Mau Heymans te zijn, een bekende Duck-tekenaar die al sinds 1987 voor Disney werkt. Ik kreeg een uitnodiging om op de redactie van het blad langs te komen. Met mijn moeder toog ik naar het kantoorpand in Hoofddorp. Ik kon nauwelijks geloven dat ik daar ineens tussen mijn helden stond. Nadat ik een rondleiding had gehad, kreeg ik een plot mee. Op basis daarvan mocht ik een proefpagina maken. Een half jaar lang heb ik eindeloos veel versies getekend, zo onzeker was ik. Toen ik de pagina uiteindelijk inleverde, werd die meteen aangekocht. De redactie wilde graag meer werk van me, maar ik vond mezelf nog niet goed genoeg. Van de gedachte dat zoveel mensen mijn tekeningen zouden zien, werd ik bloednerveus. Het zou acht jaar duren voor ik weer iets voor Donald Duck zou maken.”
Eigen baas
“Toen ik die eerste pagina verkocht, was ik ineens een freelance illustrator. Ik kon alleen betaald krijgen als ik me als zelfstandige inschreef bij de Kamer van Koophandel. Dat deed ik dus, op mijn zeventiende. ‘Hoe heet uw bedrijf?’, vroeg de man achter de balie. Naïef als ik was, had ik daar niet eens overgedacht.
Inmiddels was ik met school gestopt. Mijn ouders hadden daar uiteraard hun bedenkingen bij. Maar ze zagen wel in dat hun verzet me alleen maar vastberadener zou maken. Ze gaven me drie jaar om te kijken of ik als tekenaar een klantenkring kon opbouwen. Dat lukte wonderwel. Een dierentuin in Kerkrade die ik een keer een zelfgemaakte kleurplaat had gemaild en die mijn vrijwillig gemaakte tekeningen voor andere dierentuinen had gezien, vroeg me om alle informatieborden voor hen te illustreren. Die staan er nog altijd. En ik verkocht tekeningen via online fora, zoals deviantart.com. Van wat ik verdiende, betaalde ik kost en inwoning aan mijn ouders. Ik heb enorme mazzel gehad dat ze me de ruimte hebben gegeven om mijn droom te volgen. Zonder hun steun was ik vermoedelijk niet zo ver gekomen.”
Mensendieren
“Voor mijn dertiende verjaardag ging ik naar de dierentuin. Daar besloot ik samen met een vriendin een dier te ‘adopteren’. Dat werd een maki, een beetje rare halfaap, met een soort hondenhoofd en een schele blik. Uiteraard tekende ik ‘mijn’ maki zoveel mogelijk. Kiki — zo had ik haar genoemd — werd mijn ‘profielfoto’ op de fora waarop ik werk plaatste. Nog altijd kennen mensen me van dit figuurtje. Ze is mijn mascotte geworden.
De met uitsterven bedreigde maki’s hebben een speciale plek in mijn hart. Ik zamel bijvoorbeeld geld in voor de bescherming van de maki’s op Madagaskar. Maar eigenlijk houd ik van alle dieren. Zelfs van muggen ja. Als ik geen striptekenaar was geworden, was ik zeker iets met dieren gaan doen. Ik teken ook bijna niets anders. Mijn specialisatie is vermenselijkte dieren. Wereldwijd is er een grote community van illustratoren die zich daarop heeft toegelegd. We delen ons werk via internet en treffen elkaar ook regelmatig in het echt, bijvoorbeeld op internationale beurzen. Bij zo’n bijeenkomst, Eurofurence in Berlijn, heb ik mijn Oostenrijkse vriend ontmoet. Ik kende hem al van de fora; hij is IT-er, maar verkoopt ook tekeningen online. We hebben dus een gedeelde passie. Daarover raken we, ook na tien jaar, nog steeds niet uitgepraat. Heel soms werken we met z’n tweeën aan een tekening. En we maken samen poppen voor animaties en kostuums voor cosplay.”
Perfectionist
“Een partner uit het vak is heel fijn, zeker als je zo bezeten van je werk bezig als ik. Bij de start van iets nieuws, stort ik me daar helemaal in. Dan wil ik er alles over weten, of het nu om de anatomie van dier of de wereld van Olie B. Bommel gaat. Soms ben ik zo gebiologeerd door een mooie lijnvoering in een tekening dat ik er wel twintig minuten naar kan kijken. Ik heb ook planken vol naslagwerken, vooral over dieren. Een andere illustrator die een pelikaan tekent kiest er één, maar ik wil meteen alle acht de soorten in de vingers krijgen. Verder ben ik ontzettend perfectionistisch. Een lijn moet net zo lang over tot hij exact goed is. Mijn precisiewerk onderscheidt me van anderen. Het nadeel is wel dat die aanpak veel tijd kost. Met het schetsen en inkten van één pagina ben ik rustig vier dagen zoet.”
Mannenwereld
“Als striptekenaar zit ik bijna altijd tussen mannen. Dat is van oudsher nu eenmaal zo. Soms ben ik op een feestje met collega’s en realiseer ik me ineens dat ik de enige vrouw ben. Persoonlijk zit ik daar niet mee. Ik heb er nooit last van gehad, en heb ook niet het gevoel dat ik erdoor ben benadeeld. Of het misschien zelfs in mijn voordeel heeft gewerkt? Dat hoop ik niet, want ik wil beoordeeld worden op wat ik doe, niet op wie ik ben. Trouwens, er verandert wel wat als het om sekseverschillen gaat. De traditionele stripwereld bestaat weliswaar nog grotendeels uit mannen, maar op internet is dat heel anders. Het merendeel van de tekenaars die ik online volg, is vrouw. En ook op de beurzen waar ik kom, lopen veel vrouwen rond. Het wordt dus steeds gelijkwaardiger.”
Bommel
“Ik kende Tom Poes alleen van een hoorspel, dat tussen 2007 en 2009 elke nacht tussen kwart voor één en één op de radio werd uitgezonden. Daar bleef ik als tiener voor op. Maar ik had nog nooit iets van Marten Toonder gelezen toen ik werd gevraagd om een nieuw Bommel-verhaal te illustreren. Nadat hij mijn werk had gezien, tipte Jan-Willem de Vries van het Groningse Stripmuseum de Toonder Compagnie over mijn werk. Dit is te mooi om waar te zijn, dacht ik toen die me benaderde. Ik vond het doodeng om in de voetsporen van zo’n tekengrootheid te treden. Maar tegen zo’n kans zeg je natuurlijk geen nee.
Ik heb me helemaal in het werk van Toonder ondergedompeld. Een half jaar dacht ik aan niets anders. Ik vond dat ik het aan hem verplicht was om zijn stijl zo precies mogelijk te imiteren. Dat lukt alleen als je heel goed kijkt. Dan zie je dat de beentjes van Bommel als hij staat altijd tegen elkaar aan zijn getekend. Dat Joost voetje voor voetje zet, en nooit waggelt. En dat de stadspoort van Rommeldam altijd anders is. Net als kasteel Bommelstein trouwens.”
Sfeer
“De grootste opgave was om alle details onder de knie te krijgen. De personages in Bommel zijn heel ruimtelijk getekend. Je bouwt ze op door ze als het ware op papier te kleien. Waar ik erg aan moest wennen, waren de hoekige lijnen, vooral van Bommel zelf. Van nature teken ik ronder, meer in de Disney-stijl. Maar het allermoeilijkste vond ik de achtergronden. Die bepalen de sfeer. De kamers, de natuur; Toonder heeft ze allemaal zo liefdevol en met zoveel details getekend. Soms moest ik voor mijn gevoel wel tienduizend bloemetjes maken. Dat vraagt nogal wat van je geduld, zeker als je zo werkt als ik.
Een extra uitdaging was dat ik de wereld van Toonder nooit zelf heb gekend. Toen hij stopte met tekenen, was ik nog niet eens geboren. Ik weet niet hoe het voelde om in de jaren veertig of vijftig te leven. Mijn zorg was dat ik daarom ik geen authentieke sfeer zou kunnen creëren, dat mijn werk een karikatuur zou worden. Om dat te voorkomen, heb ik ook veel research naar die tijd gedaan. Zodat ik precies wist hoe een telefooncel van toen eruit zag. Het was het beste alternatief voor tijdreizen.”
Verlegen
“Afgelopen decennia zijn er heel wat Toonder-tekenaars geweest. Maar ik ben de eerste vrouwelijke Bommel-maker. Bij het verschijnen van het door mij getekende verhaal Het Lastpak in 2016 was daar in de pers veel aandacht voor. Wat mij betreft niet nodig; ik doe gewoon mijn werk. Wat maakt het dan uit of ik een man of een vrouw ben? Het gaat erom dat mijn kwaliteit goed is. Daar komt bij dat ik helemaal niet graag in de spotlight sta. Ik ben nogal verlegen en mis de arrogantie om van de daken te schreeuwen dat iedereen mijn tekeningen moet zien. Vandaar ook dat ik het lastig vind om met mijn werk de boer op te gaan. Gelukkig ben ik tot nu toe voor alle grote klussen gevraagd. Ook voor mijn huidige baan bij de tekenstudio van Dromenjager, het bedrijf dat alles van Woezel en Pip maakt.”
Woezel en Pip
“De art director van Dromenjager, Wil Raymakers, tekent zelf Bommel en zit nog altijd in het bestuur van de Toonder Compagnie. Daar kreeg hij mijn werk onder ogen. Kennelijk zag hij iets in me. Het was een bijzonder kennismakingsgesprek met hem en Dromenjager-oprichter Dinand Woesthoff. Woezel en Pip kende ik nauwelijks, en van Dinand had ik helemaal nog nooit gehoord. Desondanks vroegen ze me of ik drie dagen in de week bij ze wilde komen werken. Daar moest ik wel even over nadenken. Ik had namelijk net besloten om bij mijn vriend in Wenen te gaan wonen. Maar de kans om met andere tekenaars in een studio samen te werken, trok me over de streep. Tien jaar lang had ik alleen op mijn meisjeskamer gezeten. Ik miste het om met collega’s ideeën uit te kunnen wisselen. Om feedback op mijn werk te krijgen en mezelf zo te kunnen verbeteren.
Twee jaar verder heb ik nog geen seconde spijt van mijn besluit gehad. Door de samenwerking leer ik elke dag. Mijn collega’s inspireren me om nieuwe dingen te proberen. Qua stijl ligt Woezel en Pip me bovendien heel erg. Als vanzelf maak ik lieve illustraties; gemene dieren tekenen lukt me gewoon niet. Ik wil dat mensen blij worden van mijn werk.”
Droom
“Als ik eerlijk ben, is mijn droom al uitgekomen. Ik mag de hele dag tekenen en verdien daar ook nog mijn geld mee. Rijk word ik er niet van, maar dat geeft niet; het maakt me gelukkig. Wat ik nog graag zou doen? Een poster met alle 112 soorten maki’s tekenen. En ik wil graag meer Disney maken, omdat die strips me hebben gevormd. Als ik dan toch een droom moet noemen, is het de perfecte Donald Duck-strip tekenen. Al zal dat vermoedelijk nooit lukken.”

[Kader]
ALDUS HENRIEKE

  • Ik ga het liefst op vakantie naar….
    “Disneyland natuurlijk. Ik ben wereldwijd in tien verschillende parken geweest, en ik vond ze allemaal even geweldig.”
  • In de trein…
    schets ik graag op mijn iPad. Als ik daar te moe voor ben, Twitter ik of luister ik muziek.”
  • Mijn favoriete band is….
    The Might By Giants. Daar ben ik echt door geobsedeerd. Eén van de dingen waar ik heel trots op ben, is dat de band een fantekening van mij voor een officieel T-shirt heeft gebruikt.”
  • Op mijn nachtkastje….
    liggen vooral informatieve boeken, over dieren en geschiedenis. En de tijdschriftenreeks De geschiedenis van de Toonder Studio’s.”
  • De laatste film die ik zag was….
    “Incredibles 2. Leuk!”
  • Als ik een dag vrij hebt….
    “ga ik voor mezelf tekenen. Of naar de Apenheul om foto’s te maken. Dan ben ik volmaakt gelukkig.”

STRIPMAKER ERIC HEUVEL

31 Aug

heuvel jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 26 aug 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Eric Heuvel
Geboortedatum: 25 mei 1960
Geboorteplaats: Amsterdam
Opleiding: mavo, havo, HBO leraar geschiedenis (niet afgemaakt)
Werk: Brak in 1987 door met het eerste album van de serie January Jones. Tekende in de jaren ’90 dagelijks de feuilletonstrip Bud Broadway voor het Algemeen Dagblad. Verder bekend van zijn educatieve strips, onder andere over de Tweede Wereldoorlog. Ontving in 2012 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Maakt maast strips ook kinderboekenillustraties en reclametekeningen.
Privé: getrouwd, een zoon van 22
Woonplaats: Zaandam

——————————————————————————————————————————

“Mijn liefde voor strips heb ik van mijn vader. Niet voor niets vernoemden mijn ouders me naar een stripfiguur, Eric de Noorman. Als klein jongetje stonden de stripboeken letterlijk op me te wachten. Tien ingebonden jaargangen van Robbedoes had mijn vader na de oorlog bij elkaar gespaard. De geschiedenisverhalen daarin las ik het liefst. Vooral de twee wereldoorlogen en de tijd daartussen, het Interbellum, fascineerden me mateloos. Misschien omdat mijn ouders daar altijd zo boeiend over vertelden. De kleding, de gebouwen, de auto’s, de vliegtuigen; alles uit die periode vond ik prachtig. Ik weet nog goed hoe geshockeerd ik was toen ik decennia later ontdekte hoe weinig kennis jongeren over deze periode hebben. Sommigen weten niet eens of Hitler voor of na Napoleon kwam!
Het was voor mij reden om begin deze eeuw naar de Anne Frank Stichting te stappen en voor te stellen om een educatieve strip over de Tweede Wereldoorlog te maken. In eerste instantie keken ze daar vreemd op van het idee. Zo’n serieus verhaal in een stripvorm gieten? Sommigen vonden dat respectloos. Terwijl eens strip volgens mij bij uitstek geschikt is om informatie over te brengen, zeker naar jongeren.
De ontdekking gaat over de bezettingstijd in Nederland. Als Jeroen op de zolder van zijn oma spullen voor een rommelmarkt zoekt, ontdekt hij van alles over haar leven. Zij vertelt hem vervolgens over haar jeugd in de oorlog. Dankzij het grote succes van de strip — de overheid gaf het in 2003 als Nationaal Geschenk aan alle middelbare scholieren — kon ik vervolgens nog twee delen maken, één over de jodenvervolging en één over Nederlands-Indië tijdens de oorlog. De trilogie wordt nog steeds als lesmateriaal op scholen gebruikt. Van alles wat ik heb bereikt, ben ik daar wel het meest trots op.
Door mijn educatieve strips ben ik gaan nadenken over mijn verantwoordelijkheid als tekenaar. Mensen zijn geneigd te geloven wat ze zien, dus moet het allemaal wel kloppen. Jarenlang ging al mijn geld op aan het verzamelen van goede documentatie. Mijn huis staat van onder tot boven vol met boeken over geschiedenis, architectuur, auto’s en kunst. Ik dreig te bezwijken onder alle stapels, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze weg te gooien. En dat terwijl ik mijn boeken sinds de komst van het internet zelden nog inkijk.
Strips maken is het enige wat ik ooit heb willen doen. Als kind ging ik met mijn schetsboek de stad in. Zat ik als jongetje van acht uren grachtenpanden na te tekenen, of dieren in Artis. Later tekende ik in mijn eentje de schoolkrant vol, en bedacht ik mijn eigen strips. Ik wilde niets liever dan er mijn werk van maken, maar ja, hoe pak je dat aan? De Robbedoes-redacteur die ik als tiener met die vraag schreef, stuurde tot mijn opwinding een brief terug. ‘Imiteer de tekenaars die je bewondert’, antwoordde hij. ‘Als je talent hebt, ontwikkel je vandaar uit je eigen stijl.’ Het bleek gouden raad.
Om brood op te plank te krijgen, ging ik na mijn diensttijd bij de douane werken. Ondertussen stuurde ik zoveel mogelijk materiaal naar gevestigde striptekenaars en uitgevers. Op mijn 27ste was het raak; Martin Lodewijk, nestor van de Nederlandse stripwereld, zag wel wat in me. Hij besloot me te helpen om mijn eigen strip te creëren. Het werd een avonturenreeks met een vrouwelijke heldin, January Jones, waarvoor Martin het verhaal schreef. Iedere week ging ik bij hem langs om het volgende deel van het scenario op te halen en mijn pagina’s te bespreken. Op zijn advies tekende ik die in ‘de klare lijn’, de stijl van bijvoorbeeld Kuifje. De kunst daarvan is om alles terug te brengen tot de essentie; met zo min mogelijk lijnen beeld je zoveel mogelijk uit. Dat klinkt makkelijker dan het is. Probeer maar eens met een paar lijnen een vorm, een beweging én een gevoel over te brengen. Maar Martin had gelijk; January Jones sloeg onmiddellijk aan, en werd in bijna heel Europa uitgebracht. Dat betekende overigens niet dat ik mijn baan meteen kon opzeggen. Uiteindelijk duurde het nog tien jaar voor ik uitsluitend van het tekenen kon leven.
Via Martin leerde ik schrijver en uitgever Jacques Post kennen. We kwamen er al snel achter dat we de liefde voor geschiedenis deelden. Zo ontstond het idee een stripversie te maken van zijn roman De Meimoorden, die zich afspeelt in mei 1940 in Rotterdam. Het verhaal wordt in meerdere afleveringen in het blad StripGlossy gepubliceerd. Ik ben nu druk bezig met deel twee, dat voor mijn vakantie klaar moet zijn. Het is een luxe om weer eens een fictief verhaal te kunnen tekenen. Daarin kan ik me net iets meer vrijheid veroorloven dan in mijn educatieve strips. Al wil de leraar in mij natuurlijk toch dat alles klopt.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER MARTIN LODEWIJK

23 Aug

JPG Martin.jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 19 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Martin Lodewijk
Geboortedatum: 30 april 1939
Geboorteplaats: Rotterdam
Opleiding: een paar weken kunstacademie
Werk: best bekend om zijn creatie ‘Agent 327’, waarvoor hij de verhalen schreef én tekende. Bedacht de science fictionstrip Storm en maakte scenario’s voor tal van andere strips. Stond aan de wieg van het stripblad Eppo. Kreeg in 1978 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Werd in 2011 benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau vanwege zijn inzet voor het beeldverhaal. Heeft het strips maken zijn hele leven afgewisseld met reclametekenen.
Woonplaats: Rotterdam
Privé: getrouwd
——————————————————————————————————————————

“Vroeger had je rondreizende verhalenvertellers, die van markt naar markt trokken. Ze gingen zitten, staken een kaars aan en betoverden hun toehoorders met spannende sprookjes en avonturen. Als het laatste stukje kaars opbrandde, was het verhaal klaar. Ik zie mezelf als een moderne variant van zo’n troubadour. Alleen heb ik geen kaars, maar 44 pagina’s om mijn verhaal in te vertellen.
In mijn jeugd in het naoorlogse Rotterdam verkochten zeelieden Amerikaanse strips. Zo kwam ik in aanraking met Popeye, Superman en Tarzan. Nog voordat ik kon lezen, bekeek ik de plaatjes. Eerst tekende ik ze met krijt na op straat, daarna op papier. Op mijn tiende stuurde ik al werk naar Tom Poes Weekblad. Mijn verhalen met de rest van de wereld te kunnen delen, leek me het mooiste wat er was.
Op mijn 18e kon ik bij aan de slag bij een Rotterdamse uitgeverij van beeldromans, onder andere als tekenaar van ondeugende cartoons. Maar de directeur zag meer in me. De dag na de lancering van de Spoetnik stond hij bij mijn ouders voor de deur en nam hij me mee naar een duur restaurant op Zuid. Of ik iets van ruimtevaart wist, vroeg hij. Natuurlijk, ik las al jaren science fiction. Daarna schreef en tekende ik een tijd iedere maand een boekje van 32 pagina’s vol over het onderwerp. Dat was aanpoten; tegen de deadline moest ik meestal een paar nachten doorwerken. Ik heb zelfs een keer in mijn slaap doorgetekend. Geen idee hoe, maar toen ik wakker werd, zag ik een nieuw figuurtje staan. Zestig jaar later werk ik weliswaar iets minder hard, maar geeft het maken van strips me nog evenveel plezier.
Ik schrijf scenario’s voor andere tekenaars, maar teken zelf nooit plaatjes bij scenario’s van andere schrijvers. Daarvoor wil ik te graag mijn eigen verhalen vertellen. Grappig genoeg weet ik als ik bezig ben nooit wat er een paar pagina’s verderop gaat gebeuren. Op die manier houd ik het voor mezelf spannend. Tijdens het schrijven en tekenen heb ik wel een schema bij de hand met 44 vakjes, het standaardaantal pagina’s in een stripalbum. Als ik een bladzijde klaar heb, streep ik het betreffende vakje door, zodat ik weet hoeveel ruimte ik nog overheb voor bijvoorbeeld een gevecht of een climax.
Mijn hele werkzame leven heb ik een warme vriendschap gehad met Jan Kruis, geestelijk vader van Jan, Jans en de Kinderen. Op mijn 22ste hoorde ik van een collega dat er ‘nog een striptekenaar’ in de buurt woonde. Nieuwsgierig als ik was, ging ik bij hem langs. Het klikte meteen met Jan en zijn vrouw. En met de later beroemd geworden rode kater, die hun appartement als een fort bewaakte. Dat ik van de kater naar binnen mocht, was een hele eer. Over die eerste ontmoeting heb ik in 2013 voor de eenmalige Jan Kruis Glossy een speciaal stripje gemaakt. Tot zijn dood heb ik contact met Jan gehouden. Zelfs toen hij vanuit Rotterdam richting de noordpool — Drenthe — verhuisde.
Het is trouwens mede dankzij hem dat mijn bekendste creatie, Agent 327, ter wereld is gekomen. In 1966 stimuleerde Jan me om het reclamebureau waar ik toen werkte vaarwel te zeggen en voor mezelf te beginnen. Juist in die tijd vroeg het stripblad Pep aan Jan of hij, in navolging van het succes van James Bond, een humoristische strip over een geheim agent wilde bedenken. Hij vond dat onderwerp maar niets, dus opperde hij bij de redactie om mij die te laten maken. Dat werd Hendrik IJzerbroot, alias 327, de wat hulpeloze maar sympathieke agent van de Nederlandse geheime dienst.
Eerst schreef en tekende ik alleen korte verhalen over Agent 327, later ook hele albums. Daar zijn er inmiddels twintig van. Over het meest recente deel, uit 2015, heb ik tien jaar gedaan. Doordat mijn broer overleed en mijn vrouw ziek werd, was ik met andere dingen bezig. Bovendien kreeg ik van het ene op het andere moment vreselijke pijn aan mijn handen en armen, een soort artrose. Daar heb ik een flinke klap van gehad; ik was bang dat ik nooit meer zou kunnen tekenen. Wonderbaarlijk genoeg zijn de klachten echter bijna helemaal verdwenen. En dus werk ik inmiddels aan deel 21.
Waarom Agent 327 al die jaren populair is gebleven, vind ik moeilijk te zeggen. Maar ik weet wel dat het een opzichzelfstaand persoon is geworden, net zoals Kuifje of Suske & Wiske. Haast iemand van vlees en bloed. Voor veel lezers is Hendrik IJzerbroot ‘echter’ dan bijvoorbeeld Winston Churchill. Ze hebben het gevoel dat ze hem persoonlijk kennen, en dat ze in al die jaren een band met hem hebben opgebouwd. Daarmee is Agent 327 groter geworden dan mijn werk; als maker ben ik slechts dienend aan hem en zijn verhalen. En zo hoort het ook.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER GERBEN VALKEMA

23 Aug

JPG GerbenGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 12 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Gerben Valkema
Geboortedatum: 14 april 1980
Geboorteplaats: Ulrum (provincie Groningen)
Opleiding: 1,5 jaar kunstacademie
Werk: bekendst van zijn strip Elsje, die in zestien regionale kranten en in stripblad Eppo verschijnt. Samen met schrijver Eric Hercules kreeg hij hiervoor twee keer de Stripschappenning (in 2012 en 2016). In 2016 ontving het duo bovendien de Willy Vandersteenprijs, een internationale prijs voor beste strip van het jaar. Van 1999 tot 2007 was hij een van de tekenaars van Jan, Jans en de kinderen in Libelle. In 2012 maakte hij Bommel-album Heer Bommel en de i-Padden.
Privé: getrouwd, twee kinderen van 6 en 3
Woonplaats: Haarlem

—————————————————————————————————————————

“Ik teken als een dinosauriër. Oftewel: in een klassieke stijl, met potlood en penseel. Urenlang op een plaatje ploeteren is natuurlijk helemaal niet meer van deze tijd, maar ik word daar blij van. Ik heb wel een tijdje geprobeerd om een soort hippe cartoon netwerk-tekeningen te maken. Dat werd niks; die stijl past helemaal niet bij mij. Laat mij maar lekker ouderwets schetsen.
Mijn opa werkte bij een drukkerij. Van de rollen papier nam hij grote lappen mee naar huis, die hij voor me aan de muur hing. Meters heb ik als kind volgetekend; ik deed niets liever.
Een stripschool was — en is — er niet, dus ging ik op mijn 17e naar de kunstacademie in Groningen. Ik hoopte er goed te leren modeltekenen. Helaas was daar nauwelijks aandacht voor. Het draaide er meer om ‘kunst’ dan om ‘academie’. Na een jaar bleek ik gezakt voor mijn propedeuse. Een hele prestatie voor een artistieke opleiding.
In die tijd had ik een bijbaantje in stripwinkel Modern papier in Groningen. Op een dag kwam Jan Kruis er signeren. Zonder dat ik het wist, liet mijn baas hem mijn tekeningen zien. Jan was enthousiast en bood me een baan aan als leerlingtekenaar bij de gloednieuwe Kruis-studio in Hoofddorp. Wie overkomt zoiets op zijn 18e? Het was een droom die uitkwam.
Kort daarna woonde ik op kamers in Haarlem en werkte ik 40 uur per week in een team van stripschrijvers en -tekenaars. De proefpagina’s die ik voor Jan had gemaakt, vond ik zelf best goed. Ik dacht dus ik dat ik binnen een maand of twee wel in de productie van Jan, Jans en de kinderen kon meedraaien. Mooi niet. Plaatjes inkleuren, daar mocht ik mee beginnen. Ondertussen probeerde ik zoveel mogelijk te oefenen. Tijdens het werk, maar ook daarbuiten; ik deed niets anders dan tekenen. Na een jaar mocht ik eindelijk meedoen met de grote jongens.
In totaal heb ik acht jaar bij de Kruis-studio gewerkt. Daar leerde ik scenarioschrijver Eric Hercules kennen. Toen hij een tekening van een schattig meisje in mijn schetsboek zag, zei hij: ‘Laten we samen een strip over haar maken. Maar dan wil ik wel dat ze zich minder braaf gedraagt dan ze er uitziet’. Dat werd Elsje, het humoristische stripje dat alweer tien jaar dagelijks in zestien regionale kranten staat, waaronder de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden. Er zijn zestien albums over haar verschenen, en ze heeft zelfs een eigen wand in het Stripmuseum in Groningen. Haar opstandige karakter spreekt na al die tijd kennelijk nog steeds tot de verbeelding. Dat de grappen universeel zijn, blijkt wel uit het feit dat Elsje is vertaald in onder andere het Frans, Duits, Engels, Zweeds, Noors en Deens.
Het verbaast me altijd weer hoe zeer sommige lezers zich kunnen opwinden over een onschuldig stripje. Laatst hadden we bijvoorbeeld een grap over de puppy van Elsje, die met lammetjes wilde spelen. Kregen we meteen een boze mail dat daar niets grappigs aan is, omdat honden elk jaar schapen doodbijten. Er was zelfs een keer een lezer die een klacht bij de Reclame Code Commissie had ingediend, omdat ik een psychiater in de strip een pijp had gegeven. Reclame voor roken, vond hij. Gelukkig ging de commissie daar niet in mee.
Mensen vragen me vaak of het niet saai is om jaar in, jaar uit hetzelfde figuurtje te tekenen. Integendeel, ik vind het alleen maar leuker worden. In het begin waren de simpelste dingen moeilijk om te maken. Maar met zoveel ervaring gaat het tekenen me nu veel gemakkelijker af. Het geeft de ruimte om steeds nieuwe dingen proberen. Eric en ik houden het bovendien voor onszelf interessant door Elsje regelmatig uitstapjes naar een andere tijd te laten maken. Als ik haar ineens in de Gouden Eeuw moet tekenen, of in het wilde westen, is dat weer een heel nieuwe uitdaging. Zo ontstond bij Eric ook het idee om voor de StripGlossy de eenmalige strip van Elsje als volwassene te maken, die je hiernaast ziet. Als we onszelf op deze manier kunnen blijven verrassen, werkt dat vermoedelijk ook zo voor de lezers.
Het grootste deel van mijn carrière heb ik vooral korte strips gemaakt. Hartstikke leuk, maar in een langer verhaal kun je als tekenaar meer variëren. Bijvoorbeeld door met verschillende sferen te werken, of steeds een ander standpunt te kiezen. Ik vind het daarom fantastisch dat ik gevraagd ben om samen met de Franse scenarioschrijver Yann, bekend van Robbedoes, een nieuw album van Suske en Wiske te maken. Wat mij betreft smaakt dat naar meer; ik hoop in de toekomst nog veel meer grote avonturenverhalen te kunnen tekenen.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER WILLEM RITSTIER

23 Aug

JPG WillemGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 5 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Willem Ritstier
Geboortedatum: 12 juni 1959
Geboorteplaats: Rotterdam
Opleiding: mavo, havo
Werk: schreef scenario’s voor meer dan honderd stripalbums, waaronder Roel Dijkstra, Nicky Saxx, Ward, Zodiak en Flip. Publiceerde daarnaast als cartoonist, striptekenaar en scenarist in tal van kranten en tijdschriften, zoals De Telegraaf, Robbedoes, Eppo en StripGlossy. Werkt verder als illustrator van onder andere wenskaarten In 2017 ontving hij de Stripschapprijs voor onder andere zijn scenario-oeuvre.
Privé: weduwnaar, twee kinderen van 31 en 27
Woonplaats: Oud-Beijerland

——————————————————————————————————————————

“Na meer dan honderd stripverhalen zou je denken dat het schrijven van een scenario makkelijker wordt, maar het tegendeel is waar. Dat komt omdat ik de lat voor mezelf steeds hoger leg. Het moet nóg beter, nóg realistischer, nóg spannender. Hoe meer ik kan, hoe kritischer ik word.
Een idee voor een verhaal werk ik uit op een A4-tje. Dat stuur ik naar een redactie van een blad of naar een striptekenaar. Als zij er enthousiast over zijn, ga ik aan de slag. Ik schrijf de dialogen per pagina uit, met aanwijzingen over wat voor tekeningen erbij moeten komen. Mijn verhalen hebben een vliegende start; het is gordel om en gaan. Aan het eind van elke bladzijde maak ik een cliffhanger. Mijn missie is geslaagd is als je als lezer niet meer kunt stoppen en de strip in één ruk ademloos uitleest.
Tekeningen spreken tot de verbeelding, die blijven mensen bij. Met woorden is dat veel minder het geval. Daardoor lijken ze al gauw ondergeschikt aan de illustraties. Lezers denken dat ik tekst bij de plaatjes schrijf. In werkelijkheid is het precies andersom: de tekenaar verbeeldt het verhaal dat ik heb verzonnen. Helaas is daar weinig aandacht voor; niet voor niets ben ik de eerste schrijver sinds 1975 die de Stripschapprijs heeft gewonnen. Na meer dan veertig jaar! Het werd dus hoog tijd om scenario’s meer in het zonnetje te zetten. Want hoe mooi de tekeningen ook zijn, als het verhaal niet boeit, lees je het niet uit.
Terwijl ik een scenario schrijf, draai ik het als een film in mijn hoofd af. Ik weet precies hoe ieder plaatje eruit moet komen te zien. Mijn instructies voor de tekenaar zijn heel gedetailleerd. Dan noteer ik bijvoorbeeld ‘close-up van een hand die een krant vasthoudt met daarop een foto van zus en zo’. Ik bepaal niet wat de personages dragen, maar wel naar elke kant ze kijken, wat er op de achtergrond staat en vanuit welk perspectief je iets ziet. Soms overleg ik tussentijds met de tekenaar, in andere gevallen nauwelijks of niet. Dat maakt niet uit; je hoeft elkaar niet te zien om samen een mooie strip te kunnen maken. Bijna altijd is het eindresultaat precies zoals ik hoopte. Of beter. In dertig jaar is het slechts één keer gebeurd dat een tekenaar de plank helemaal missloeg.
Ik maak scenario’s voor alle mogelijke genres. Van komisch tot realistisch; ik vind ze allemaal even leuk. Mijn nieuwste strip, Saul, getekend door de Indonesische stripmaker Apri Kusbiantoro, is bijvoorbeeld een fantasyverhaal over een levende mantel. Maar ik heb dit jaar ook een strip geschreven over een voetballer, Roel Dijkstra. En dat terwijl ik niet echt van voetbal houd. Zolang je maar nieuwsgierig bent naar de mensen erachter, kun je over elk onderwerp een spannend verhaal maken.
Grappig genoeg teken ik zelf meer dan ik schrijf. Voor stripbladen, maar ook veel wenskaarten. Dat laatste vind ik het allerleukste; ik heb er al meer dan 4000 geïllustreerd. Heerlijk om op zo’n klein oppervlak met beeld en taal te stoeien. Mijn stijl is komisch; het talent om realistisch te tekenen, heb ik niet. Dat laat ik dus graag over aan de specialisten die mijn scenario’s verbeelden. De uitzondering op die regel is de graphic novel waar ik afgelopen zeven jaar aan heb gewerkt. Wills kracht, dat in oktober verschijnt, gaat over de dood van mijn vrouw Will. Zij overleed in 2009 aan kanker. Zo’n persoonlijk verhaal kon ik alleen zelf tekenen. Het is het dierbaarste dat ik ooit heb gemaakt.
Eerst wilde ik een ‘gewoon’ boek over Will schrijven. Dat werkte niet, dus ben ik het gaan tekenen. Daarmee kan ik mijn gevoel directer en ongefilterd overbrengen. Bovendien kun je in een getekend verhaal stiltes laten vallen. Om voldoende afstand te bewaren, hebben mijn vrouw, mijn kinderen en ik geen ogen, neuzen en monden, maar lege gezichten. Alle emotie zit in de houdingen. Bijvoorbeeld als Will me vertelt dat ze bang is om dood te gaan. Dan schuift mijn hand naar haar toe. En als ze de trap bijna niet meer opkomt, teken ik hoe ze gekromd tree voor tree omhoog klimt. Het laatste deel, over haar overlijden, was het moeilijkste, maar heb ik ook het snelste gemaakt. Pagina voor pagina heb ik haar losgelaten. Het was mijn eigen vorm van therapie.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER DICK MATENA

31 Jul

strip-matena jpg.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 29 juli 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Dick Matena
Geboortedatum: 24 april 1943
Geboorteplaats: Den Haag
Opleiding: drie jaar HBS
Werk: publiceerde in tal van stripbladen in binnen- en buitenland, waaronder Pep, Eppo en Donald Duck. In 1977 tekende hij zijn eerste realistische strip, Virl. Breed bekend werd hij met zijn ‘verstrippingen’ van beroemde romans, waaronder De Avonden van Gerard Reve, Turks Fruit van Jan Wolkers en Kaas van Willem Elsschot. Matena is de officiële opvolger van Maarten Toonder en schreef en tekende het laatste Bommelboek Tom Poes en de pas-kaart. In 1986 ontving hij de Stripschapsprijs, in 2003 de Vlaamse Cultuurprijs voor de strip, beide voor zijn hele oeuvre.
Privé: getrouwd, zes kinderen en vijf kleinkinderen
Woonplaats: Amsterdam

——————————————————————————————————————————

“Ik heb een camera in mijn hoofd. Overal waar ik kijk, zie ik filmische beelden. Ik projecteer ze vanuit verschillende standpunten; zou ik ze zus tekenen of zo? In gedachten ben ik constant aan het regisseren en monteren. Wat dat betreft is strips maken niet heel anders dan een film produceren. Behalve dat je voor strips natuurlijk ook goed moet kunnen tekenen.
Eigenlijk wilde ik helemaal geen striptekenaar worden, maar sportjournalist. Mijn vader was profwielrenner. Ik kon goed schrijven, en het leek me fantastisch om wedstrijden te verslaan. Maar op de HBS liep het spaak; leren was niets voor mij. Iemand zei: je moet eens bij Marten Toonder aankloppen. Hoewel ik altijd al veel tekende, was het tot dat moment nooit in me opgekomen dat ik daar mijn werk van kon maken.
Op mijn zeventiende stond ik bij de Toonder Studio’s in Amsterdam op de stoep. Toonder bedacht de verhalen, maar zijn jonge personeel maakte de meeste tekeningen. In drie maanden moest ik me bewijzen. Binnen een jaar tekende ik hele strips van Panda en Tom Poes. Het heeft me tot mijn dertigste gekost om mijn eigen, realistische stijl te ontwikkelen. Het belangrijkste wat ik moest leren, was hoe mensen in elkaar zitten. Teken je die goed, dan valt het niet op. Doe je het verkeerd, dan ziet iedereen het meteen. Lezers onderschatten hoe moeilijk het is om strips te maken. Door de heldere lijnen lijkten ze vaak zo simpel, maar het tegenovergestelde is waar. Het is echt een ambacht.
Mijn dag begint vroeg, om een uur of zes. Ik ga dan direct aan de slag. Vroeger tekende ik vijftien, zestien uur per dag. Maar sinds ik in 2012 een hartstilstand heb gehad, doe ik het iets rustiger aan. Nu werk ik gemiddeld tien uur. Zeven dagen in de week ja. Na al die jaren vind ik mijn werk nog steeds ongelofelijk leuk. Het houdt me in leven. Na het infarct was het een tijdje gitzwart in mijn hoofd. Als ik dan achter mijn tekentafel ging zitten, werd het beter.
Ik heb lang in het buitenland gewoond en gewerkt. Amerika, Spanje, Frankrijk, België; overal was mijn werk bekend. Maar in Nederland had buiten de stripwereld niemand van me gehoord. Dat komt omdat mensen hier met minachting naar strips kijken. Ze zien het als plat, commercieel vermaak. Volledig onterecht. ‘De Calvinisten boven de Moerdijk zijn mensen van het woord’, zei schrijver Jan Siebelink eens tegen me. ‘Daaronder waarderen ze het beeld.’ Hij had helemaal gelijk. Ik kan me er op mijn 74ste nog steeds kwaad over maken dat er hier zo op strips wordt neergekeken. Wat mij betreft is er geen hoge of lage kunst, alleen goed of slecht werk.
Zelf ben ik pas doorgebroken toen ik me buiten de traditionele stripwereld begaf, met mijn verstripte versies van onder andere De Avonden van Gerard Reve en Turks Fruit van Jan Wolkers. Het was anders en uniek dat ik beroemde romans in een beeldverhaal wist te gieten, zonder er één woord uit weg te laten. De literaire wereld was met stomheid geslagen. Ineens zagen schrijvers wat tekeningen kunnen toevoegen. Ik stond ik in alle kranten, zat bij elke talkshow. Helaas heeft het uiteindelijk weinig opgeleverd; onderaan de streep wordt er nog steeds denigrerend over strips gedaan.
Het verstrippen van een boek is ongelofelijk arbeidsintensief. Ik ben al snel negen maanden bezig om te bepalen welke tekst waar moet komen, en hoe ik de plaatjes over de pagina’s ga verdelen. Het is één grote puzzel. Pas als die van begin tot eind klopt, begint het tekenwerk. Daar ben ik dan nog minstens evenveel tijd aan kwijt. Ik doe het vooral voor mijn eigen plezier; rijk word ik er niet van.
Eén van de schrijvers die al lang op mijn verlanglijstje stond, was Simon Carmiggelt. Ik verstrip nu zo’n vijftig van zijn columns, uit verschillende periodes van zijn leven. Bij de slapstickachtige verhaaltjes uit zijn jonge jaren maak ik karikaturale tekeningen. Zijn melancholische kroegverhalen verbeeld ik juist realistisch. Zo kan ik alle stijlen die ik mezelf in de loop van mijn leven heb aangeleerd erin kwijt.
Op welk werk ik het meest trots ben? Dat gevoel ken ik niet. Als ik aan iets nieuws begin, heb ik geen idee hoe ik het moet aanpakken. Zit ik er middenin, dan vind ik mezelf eventjes geniaal. En aan het eind voel ik me een grote mislukkeling. Het kan immers altijd beter; als je tevreden bent, kun je net zo goed meteen stoppen met werken. Eigenlijk zou ik middenin een boek zelfmoord moeten plegen. Dan ga ik gelukkig dood.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

%d bloggers liken dit: