Tag Archives: strips

STRIPMAKER ERIC HEUVEL

31 Aug

heuvel jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 26 aug 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Eric Heuvel
Geboortedatum: 25 mei 1960
Geboorteplaats: Amsterdam
Opleiding: mavo, havo, HBO leraar geschiedenis (niet afgemaakt)
Werk: Brak in 1987 door met het eerste album van de serie January Jones. Tekende in de jaren ’90 dagelijks de feuilletonstrip Bud Broadway voor het Algemeen Dagblad. Verder bekend van zijn educatieve strips, onder andere over de Tweede Wereldoorlog. Ontving in 2012 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Maakt maast strips ook kinderboekenillustraties en reclametekeningen.
Privé: getrouwd, een zoon van 22
Woonplaats: Zaandam

——————————————————————————————————————————

“Mijn liefde voor strips heb ik van mijn vader. Niet voor niets vernoemden mijn ouders me naar een stripfiguur, Eric de Noorman. Als klein jongetje stonden de stripboeken letterlijk op me te wachten. Tien ingebonden jaargangen van Robbedoes had mijn vader na de oorlog bij elkaar gespaard. De geschiedenisverhalen daarin las ik het liefst. Vooral de twee wereldoorlogen en de tijd daartussen, het Interbellum, fascineerden me mateloos. Misschien omdat mijn ouders daar altijd zo boeiend over vertelden. De kleding, de gebouwen, de auto’s, de vliegtuigen; alles uit die periode vond ik prachtig. Ik weet nog goed hoe geshockeerd ik was toen ik decennia later ontdekte hoe weinig kennis jongeren over deze periode hebben. Sommigen weten niet eens of Hitler voor of na Napoleon kwam!
Het was voor mij reden om begin deze eeuw naar de Anne Frank Stichting te stappen en voor te stellen om een educatieve strip over de Tweede Wereldoorlog te maken. In eerste instantie keken ze daar vreemd op van het idee. Zo’n serieus verhaal in een stripvorm gieten? Sommigen vonden dat respectloos. Terwijl eens strip volgens mij bij uitstek geschikt is om informatie over te brengen, zeker naar jongeren.
De ontdekking gaat over de bezettingstijd in Nederland. Als Jeroen op de zolder van zijn oma spullen voor een rommelmarkt zoekt, ontdekt hij van alles over haar leven. Zij vertelt hem vervolgens over haar jeugd in de oorlog. Dankzij het grote succes van de strip — de overheid gaf het in 2003 als Nationaal Geschenk aan alle middelbare scholieren — kon ik vervolgens nog twee delen maken, één over de jodenvervolging en één over Nederlands-Indië tijdens de oorlog. De trilogie wordt nog steeds als lesmateriaal op scholen gebruikt. Van alles wat ik heb bereikt, ben ik daar wel het meest trots op.
Door mijn educatieve strips ben ik gaan nadenken over mijn verantwoordelijkheid als tekenaar. Mensen zijn geneigd te geloven wat ze zien, dus moet het allemaal wel kloppen. Jarenlang ging al mijn geld op aan het verzamelen van goede documentatie. Mijn huis staat van onder tot boven vol met boeken over geschiedenis, architectuur, auto’s en kunst. Ik dreig te bezwijken onder alle stapels, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze weg te gooien. En dat terwijl ik mijn boeken sinds de komst van het internet zelden nog inkijk.
Strips maken is het enige wat ik ooit heb willen doen. Als kind ging ik met mijn schetsboek de stad in. Zat ik als jongetje van acht uren grachtenpanden na te tekenen, of dieren in Artis. Later tekende ik in mijn eentje de schoolkrant vol, en bedacht ik mijn eigen strips. Ik wilde niets liever dan er mijn werk van maken, maar ja, hoe pak je dat aan? De Robbedoes-redacteur die ik als tiener met die vraag schreef, stuurde tot mijn opwinding een brief terug. ‘Imiteer de tekenaars die je bewondert’, antwoordde hij. ‘Als je talent hebt, ontwikkel je vandaar uit je eigen stijl.’ Het bleek gouden raad.
Om brood op te plank te krijgen, ging ik na mijn diensttijd bij de douane werken. Ondertussen stuurde ik zoveel mogelijk materiaal naar gevestigde striptekenaars en uitgevers. Op mijn 27ste was het raak; Martin Lodewijk, nestor van de Nederlandse stripwereld, zag wel wat in me. Hij besloot me te helpen om mijn eigen strip te creëren. Het werd een avonturenreeks met een vrouwelijke heldin, January Jones, waarvoor Martin het verhaal schreef. Iedere week ging ik bij hem langs om het volgende deel van het scenario op te halen en mijn pagina’s te bespreken. Op zijn advies tekende ik die in ‘de klare lijn’, de stijl van bijvoorbeeld Kuifje. De kunst daarvan is om alles terug te brengen tot de essentie; met zo min mogelijk lijnen beeld je zoveel mogelijk uit. Dat klinkt makkelijker dan het is. Probeer maar eens met een paar lijnen een vorm, een beweging én een gevoel over te brengen. Maar Martin had gelijk; January Jones sloeg onmiddellijk aan, en werd in bijna heel Europa uitgebracht. Dat betekende overigens niet dat ik mijn baan meteen kon opzeggen. Uiteindelijk duurde het nog tien jaar voor ik uitsluitend van het tekenen kon leven.
Via Martin leerde ik schrijver en uitgever Jacques Post kennen. We kwamen er al snel achter dat we de liefde voor geschiedenis deelden. Zo ontstond het idee een stripversie te maken van zijn roman De Meimoorden, die zich afspeelt in mei 1940 in Rotterdam. Het verhaal wordt in meerdere afleveringen in het blad StripGlossy gepubliceerd. Ik ben nu druk bezig met deel twee, dat voor mijn vakantie klaar moet zijn. Het is een luxe om weer eens een fictief verhaal te kunnen tekenen. Daarin kan ik me net iets meer vrijheid veroorloven dan in mijn educatieve strips. Al wil de leraar in mij natuurlijk toch dat alles klopt.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

Advertenties

STRIPMAKER MARTIN LODEWIJK

23 Aug

JPG Martin.jpgGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 19 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Martin Lodewijk
Geboortedatum: 30 april 1939
Geboorteplaats: Rotterdam
Opleiding: een paar weken kunstacademie
Werk: best bekend om zijn creatie ‘Agent 327’, waarvoor hij de verhalen schreef én tekende. Bedacht de science fictionstrip Storm en maakte scenario’s voor tal van andere strips. Stond aan de wieg van het stripblad Eppo. Kreeg in 1978 de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Werd in 2011 benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau vanwege zijn inzet voor het beeldverhaal. Heeft het strips maken zijn hele leven afgewisseld met reclametekenen.
Woonplaats: Rotterdam
Privé: getrouwd
——————————————————————————————————————————

“Vroeger had je rondreizende verhalenvertellers, die van markt naar markt trokken. Ze gingen zitten, staken een kaars aan en betoverden hun toehoorders met spannende sprookjes en avonturen. Als het laatste stukje kaars opbrandde, was het verhaal klaar. Ik zie mezelf als een moderne variant van zo’n troubadour. Alleen heb ik geen kaars, maar 44 pagina’s om mijn verhaal in te vertellen.
In mijn jeugd in het naoorlogse Rotterdam verkochten zeelieden Amerikaanse strips. Zo kwam ik in aanraking met Popeye, Superman en Tarzan. Nog voordat ik kon lezen, bekeek ik de plaatjes. Eerst tekende ik ze met krijt na op straat, daarna op papier. Op mijn tiende stuurde ik al werk naar Tom Poes Weekblad. Mijn verhalen met de rest van de wereld te kunnen delen, leek me het mooiste wat er was.
Op mijn 18e kon ik bij aan de slag bij een Rotterdamse uitgeverij van beeldromans, onder andere als tekenaar van ondeugende cartoons. Maar de directeur zag meer in me. De dag na de lancering van de Spoetnik stond hij bij mijn ouders voor de deur en nam hij me mee naar een duur restaurant op Zuid. Of ik iets van ruimtevaart wist, vroeg hij. Natuurlijk, ik las al jaren science fiction. Daarna schreef en tekende ik een tijd iedere maand een boekje van 32 pagina’s vol over het onderwerp. Dat was aanpoten; tegen de deadline moest ik meestal een paar nachten doorwerken. Ik heb zelfs een keer in mijn slaap doorgetekend. Geen idee hoe, maar toen ik wakker werd, zag ik een nieuw figuurtje staan. Zestig jaar later werk ik weliswaar iets minder hard, maar geeft het maken van strips me nog evenveel plezier.
Ik schrijf scenario’s voor andere tekenaars, maar teken zelf nooit plaatjes bij scenario’s van andere schrijvers. Daarvoor wil ik te graag mijn eigen verhalen vertellen. Grappig genoeg weet ik als ik bezig ben nooit wat er een paar pagina’s verderop gaat gebeuren. Op die manier houd ik het voor mezelf spannend. Tijdens het schrijven en tekenen heb ik wel een schema bij de hand met 44 vakjes, het standaardaantal pagina’s in een stripalbum. Als ik een bladzijde klaar heb, streep ik het betreffende vakje door, zodat ik weet hoeveel ruimte ik nog overheb voor bijvoorbeeld een gevecht of een climax.
Mijn hele werkzame leven heb ik een warme vriendschap gehad met Jan Kruis, geestelijk vader van Jan, Jans en de Kinderen. Op mijn 22ste hoorde ik van een collega dat er ‘nog een striptekenaar’ in de buurt woonde. Nieuwsgierig als ik was, ging ik bij hem langs. Het klikte meteen met Jan en zijn vrouw. En met de later beroemd geworden rode kater, die hun appartement als een fort bewaakte. Dat ik van de kater naar binnen mocht, was een hele eer. Over die eerste ontmoeting heb ik in 2013 voor de eenmalige Jan Kruis Glossy een speciaal stripje gemaakt. Tot zijn dood heb ik contact met Jan gehouden. Zelfs toen hij vanuit Rotterdam richting de noordpool — Drenthe — verhuisde.
Het is trouwens mede dankzij hem dat mijn bekendste creatie, Agent 327, ter wereld is gekomen. In 1966 stimuleerde Jan me om het reclamebureau waar ik toen werkte vaarwel te zeggen en voor mezelf te beginnen. Juist in die tijd vroeg het stripblad Pep aan Jan of hij, in navolging van het succes van James Bond, een humoristische strip over een geheim agent wilde bedenken. Hij vond dat onderwerp maar niets, dus opperde hij bij de redactie om mij die te laten maken. Dat werd Hendrik IJzerbroot, alias 327, de wat hulpeloze maar sympathieke agent van de Nederlandse geheime dienst.
Eerst schreef en tekende ik alleen korte verhalen over Agent 327, later ook hele albums. Daar zijn er inmiddels twintig van. Over het meest recente deel, uit 2015, heb ik tien jaar gedaan. Doordat mijn broer overleed en mijn vrouw ziek werd, was ik met andere dingen bezig. Bovendien kreeg ik van het ene op het andere moment vreselijke pijn aan mijn handen en armen, een soort artrose. Daar heb ik een flinke klap van gehad; ik was bang dat ik nooit meer zou kunnen tekenen. Wonderbaarlijk genoeg zijn de klachten echter bijna helemaal verdwenen. En dus werk ik inmiddels aan deel 21.
Waarom Agent 327 al die jaren populair is gebleven, vind ik moeilijk te zeggen. Maar ik weet wel dat het een opzichzelfstaand persoon is geworden, net zoals Kuifje of Suske & Wiske. Haast iemand van vlees en bloed. Voor veel lezers is Hendrik IJzerbroot ‘echter’ dan bijvoorbeeld Winston Churchill. Ze hebben het gevoel dat ze hem persoonlijk kennen, en dat ze in al die jaren een band met hem hebben opgebouwd. Daarmee is Agent 327 groter geworden dan mijn werk; als maker ben ik slechts dienend aan hem en zijn verhalen. En zo hoort het ook.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER GERBEN VALKEMA

23 Aug

JPG GerbenGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 12 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Gerben Valkema
Geboortedatum: 14 april 1980
Geboorteplaats: Ulrum (provincie Groningen)
Opleiding: 1,5 jaar kunstacademie
Werk: bekendst van zijn strip Elsje, die in zestien regionale kranten en in stripblad Eppo verschijnt. Samen met schrijver Eric Hercules kreeg hij hiervoor twee keer de Stripschappenning (in 2012 en 2016). In 2016 ontving het duo bovendien de Willy Vandersteenprijs, een internationale prijs voor beste strip van het jaar. Van 1999 tot 2007 was hij een van de tekenaars van Jan, Jans en de kinderen in Libelle. In 2012 maakte hij Bommel-album Heer Bommel en de i-Padden.
Privé: getrouwd, twee kinderen van 6 en 3
Woonplaats: Haarlem

—————————————————————————————————————————

“Ik teken als een dinosauriër. Oftewel: in een klassieke stijl, met potlood en penseel. Urenlang op een plaatje ploeteren is natuurlijk helemaal niet meer van deze tijd, maar ik word daar blij van. Ik heb wel een tijdje geprobeerd om een soort hippe cartoon netwerk-tekeningen te maken. Dat werd niks; die stijl past helemaal niet bij mij. Laat mij maar lekker ouderwets schetsen.
Mijn opa werkte bij een drukkerij. Van de rollen papier nam hij grote lappen mee naar huis, die hij voor me aan de muur hing. Meters heb ik als kind volgetekend; ik deed niets liever.
Een stripschool was — en is — er niet, dus ging ik op mijn 17e naar de kunstacademie in Groningen. Ik hoopte er goed te leren modeltekenen. Helaas was daar nauwelijks aandacht voor. Het draaide er meer om ‘kunst’ dan om ‘academie’. Na een jaar bleek ik gezakt voor mijn propedeuse. Een hele prestatie voor een artistieke opleiding.
In die tijd had ik een bijbaantje in stripwinkel Modern papier in Groningen. Op een dag kwam Jan Kruis er signeren. Zonder dat ik het wist, liet mijn baas hem mijn tekeningen zien. Jan was enthousiast en bood me een baan aan als leerlingtekenaar bij de gloednieuwe Kruis-studio in Hoofddorp. Wie overkomt zoiets op zijn 18e? Het was een droom die uitkwam.
Kort daarna woonde ik op kamers in Haarlem en werkte ik 40 uur per week in een team van stripschrijvers en -tekenaars. De proefpagina’s die ik voor Jan had gemaakt, vond ik zelf best goed. Ik dacht dus ik dat ik binnen een maand of twee wel in de productie van Jan, Jans en de kinderen kon meedraaien. Mooi niet. Plaatjes inkleuren, daar mocht ik mee beginnen. Ondertussen probeerde ik zoveel mogelijk te oefenen. Tijdens het werk, maar ook daarbuiten; ik deed niets anders dan tekenen. Na een jaar mocht ik eindelijk meedoen met de grote jongens.
In totaal heb ik acht jaar bij de Kruis-studio gewerkt. Daar leerde ik scenarioschrijver Eric Hercules kennen. Toen hij een tekening van een schattig meisje in mijn schetsboek zag, zei hij: ‘Laten we samen een strip over haar maken. Maar dan wil ik wel dat ze zich minder braaf gedraagt dan ze er uitziet’. Dat werd Elsje, het humoristische stripje dat alweer tien jaar dagelijks in zestien regionale kranten staat, waaronder de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden. Er zijn zestien albums over haar verschenen, en ze heeft zelfs een eigen wand in het Stripmuseum in Groningen. Haar opstandige karakter spreekt na al die tijd kennelijk nog steeds tot de verbeelding. Dat de grappen universeel zijn, blijkt wel uit het feit dat Elsje is vertaald in onder andere het Frans, Duits, Engels, Zweeds, Noors en Deens.
Het verbaast me altijd weer hoe zeer sommige lezers zich kunnen opwinden over een onschuldig stripje. Laatst hadden we bijvoorbeeld een grap over de puppy van Elsje, die met lammetjes wilde spelen. Kregen we meteen een boze mail dat daar niets grappigs aan is, omdat honden elk jaar schapen doodbijten. Er was zelfs een keer een lezer die een klacht bij de Reclame Code Commissie had ingediend, omdat ik een psychiater in de strip een pijp had gegeven. Reclame voor roken, vond hij. Gelukkig ging de commissie daar niet in mee.
Mensen vragen me vaak of het niet saai is om jaar in, jaar uit hetzelfde figuurtje te tekenen. Integendeel, ik vind het alleen maar leuker worden. In het begin waren de simpelste dingen moeilijk om te maken. Maar met zoveel ervaring gaat het tekenen me nu veel gemakkelijker af. Het geeft de ruimte om steeds nieuwe dingen proberen. Eric en ik houden het bovendien voor onszelf interessant door Elsje regelmatig uitstapjes naar een andere tijd te laten maken. Als ik haar ineens in de Gouden Eeuw moet tekenen, of in het wilde westen, is dat weer een heel nieuwe uitdaging. Zo ontstond bij Eric ook het idee om voor de StripGlossy de eenmalige strip van Elsje als volwassene te maken, die je hiernaast ziet. Als we onszelf op deze manier kunnen blijven verrassen, werkt dat vermoedelijk ook zo voor de lezers.
Het grootste deel van mijn carrière heb ik vooral korte strips gemaakt. Hartstikke leuk, maar in een langer verhaal kun je als tekenaar meer variëren. Bijvoorbeeld door met verschillende sferen te werken, of steeds een ander standpunt te kiezen. Ik vind het daarom fantastisch dat ik gevraagd ben om samen met de Franse scenarioschrijver Yann, bekend van Robbedoes, een nieuw album van Suske en Wiske te maken. Wat mij betreft smaakt dat naar meer; ik hoop in de toekomst nog veel meer grote avonturenverhalen te kunnen tekenen.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER WILLEM RITSTIER

23 Aug

JPG WillemGepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 5 augustus 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Willem Ritstier
Geboortedatum: 12 juni 1959
Geboorteplaats: Rotterdam
Opleiding: mavo, havo
Werk: schreef scenario’s voor meer dan honderd stripalbums, waaronder Roel Dijkstra, Nicky Saxx, Ward, Zodiak en Flip. Publiceerde daarnaast als cartoonist, striptekenaar en scenarist in tal van kranten en tijdschriften, zoals De Telegraaf, Robbedoes, Eppo en StripGlossy. Werkt verder als illustrator van onder andere wenskaarten In 2017 ontving hij de Stripschapprijs voor onder andere zijn scenario-oeuvre.
Privé: weduwnaar, twee kinderen van 31 en 27
Woonplaats: Oud-Beijerland

——————————————————————————————————————————

“Na meer dan honderd stripverhalen zou je denken dat het schrijven van een scenario makkelijker wordt, maar het tegendeel is waar. Dat komt omdat ik de lat voor mezelf steeds hoger leg. Het moet nóg beter, nóg realistischer, nóg spannender. Hoe meer ik kan, hoe kritischer ik word.
Een idee voor een verhaal werk ik uit op een A4-tje. Dat stuur ik naar een redactie van een blad of naar een striptekenaar. Als zij er enthousiast over zijn, ga ik aan de slag. Ik schrijf de dialogen per pagina uit, met aanwijzingen over wat voor tekeningen erbij moeten komen. Mijn verhalen hebben een vliegende start; het is gordel om en gaan. Aan het eind van elke bladzijde maak ik een cliffhanger. Mijn missie is geslaagd is als je als lezer niet meer kunt stoppen en de strip in één ruk ademloos uitleest.
Tekeningen spreken tot de verbeelding, die blijven mensen bij. Met woorden is dat veel minder het geval. Daardoor lijken ze al gauw ondergeschikt aan de illustraties. Lezers denken dat ik tekst bij de plaatjes schrijf. In werkelijkheid is het precies andersom: de tekenaar verbeeldt het verhaal dat ik heb verzonnen. Helaas is daar weinig aandacht voor; niet voor niets ben ik de eerste schrijver sinds 1975 die de Stripschapprijs heeft gewonnen. Na meer dan veertig jaar! Het werd dus hoog tijd om scenario’s meer in het zonnetje te zetten. Want hoe mooi de tekeningen ook zijn, als het verhaal niet boeit, lees je het niet uit.
Terwijl ik een scenario schrijf, draai ik het als een film in mijn hoofd af. Ik weet precies hoe ieder plaatje eruit moet komen te zien. Mijn instructies voor de tekenaar zijn heel gedetailleerd. Dan noteer ik bijvoorbeeld ‘close-up van een hand die een krant vasthoudt met daarop een foto van zus en zo’. Ik bepaal niet wat de personages dragen, maar wel naar elke kant ze kijken, wat er op de achtergrond staat en vanuit welk perspectief je iets ziet. Soms overleg ik tussentijds met de tekenaar, in andere gevallen nauwelijks of niet. Dat maakt niet uit; je hoeft elkaar niet te zien om samen een mooie strip te kunnen maken. Bijna altijd is het eindresultaat precies zoals ik hoopte. Of beter. In dertig jaar is het slechts één keer gebeurd dat een tekenaar de plank helemaal missloeg.
Ik maak scenario’s voor alle mogelijke genres. Van komisch tot realistisch; ik vind ze allemaal even leuk. Mijn nieuwste strip, Saul, getekend door de Indonesische stripmaker Apri Kusbiantoro, is bijvoorbeeld een fantasyverhaal over een levende mantel. Maar ik heb dit jaar ook een strip geschreven over een voetballer, Roel Dijkstra. En dat terwijl ik niet echt van voetbal houd. Zolang je maar nieuwsgierig bent naar de mensen erachter, kun je over elk onderwerp een spannend verhaal maken.
Grappig genoeg teken ik zelf meer dan ik schrijf. Voor stripbladen, maar ook veel wenskaarten. Dat laatste vind ik het allerleukste; ik heb er al meer dan 4000 geïllustreerd. Heerlijk om op zo’n klein oppervlak met beeld en taal te stoeien. Mijn stijl is komisch; het talent om realistisch te tekenen, heb ik niet. Dat laat ik dus graag over aan de specialisten die mijn scenario’s verbeelden. De uitzondering op die regel is de graphic novel waar ik afgelopen zeven jaar aan heb gewerkt. Wills kracht, dat in oktober verschijnt, gaat over de dood van mijn vrouw Will. Zij overleed in 2009 aan kanker. Zo’n persoonlijk verhaal kon ik alleen zelf tekenen. Het is het dierbaarste dat ik ooit heb gemaakt.
Eerst wilde ik een ‘gewoon’ boek over Will schrijven. Dat werkte niet, dus ben ik het gaan tekenen. Daarmee kan ik mijn gevoel directer en ongefilterd overbrengen. Bovendien kun je in een getekend verhaal stiltes laten vallen. Om voldoende afstand te bewaren, hebben mijn vrouw, mijn kinderen en ik geen ogen, neuzen en monden, maar lege gezichten. Alle emotie zit in de houdingen. Bijvoorbeeld als Will me vertelt dat ze bang is om dood te gaan. Dan schuift mijn hand naar haar toe. En als ze de trap bijna niet meer opkomt, teken ik hoe ze gekromd tree voor tree omhoog klimt. Het laatste deel, over haar overlijden, was het moeilijkste, maar heb ik ook het snelste gemaakt. Pagina voor pagina heb ik haar losgelaten. Het was mijn eigen vorm van therapie.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER DICK MATENA

31 Jul

strip-matena jpg.jpg

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 29 juli 2017.
Foto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Naam: Dick Matena
Geboortedatum: 24 april 1943
Geboorteplaats: Den Haag
Opleiding: drie jaar HBS
Werk: publiceerde in tal van stripbladen in binnen- en buitenland, waaronder Pep, Eppo en Donald Duck. In 1977 tekende hij zijn eerste realistische strip, Virl. Breed bekend werd hij met zijn ‘verstrippingen’ van beroemde romans, waaronder De Avonden van Gerard Reve, Turks Fruit van Jan Wolkers en Kaas van Willem Elsschot. Matena is de officiële opvolger van Maarten Toonder en schreef en tekende het laatste Bommelboek Tom Poes en de pas-kaart. In 1986 ontving hij de Stripschapsprijs, in 2003 de Vlaamse Cultuurprijs voor de strip, beide voor zijn hele oeuvre.
Privé: getrouwd, zes kinderen en vijf kleinkinderen
Woonplaats: Amsterdam

——————————————————————————————————————————

“Ik heb een camera in mijn hoofd. Overal waar ik kijk, zie ik filmische beelden. Ik projecteer ze vanuit verschillende standpunten; zou ik ze zus tekenen of zo? In gedachten ben ik constant aan het regisseren en monteren. Wat dat betreft is strips maken niet heel anders dan een film produceren. Behalve dat je voor strips natuurlijk ook goed moet kunnen tekenen.
Eigenlijk wilde ik helemaal geen striptekenaar worden, maar sportjournalist. Mijn vader was profwielrenner. Ik kon goed schrijven, en het leek me fantastisch om wedstrijden te verslaan. Maar op de HBS liep het spaak; leren was niets voor mij. Iemand zei: je moet eens bij Marten Toonder aankloppen. Hoewel ik altijd al veel tekende, was het tot dat moment nooit in me opgekomen dat ik daar mijn werk van kon maken.
Op mijn zeventiende stond ik bij de Toonder Studio’s in Amsterdam op de stoep. Toonder bedacht de verhalen, maar zijn jonge personeel maakte de meeste tekeningen. In drie maanden moest ik me bewijzen. Binnen een jaar tekende ik hele strips van Panda en Tom Poes. Het heeft me tot mijn dertigste gekost om mijn eigen, realistische stijl te ontwikkelen. Het belangrijkste wat ik moest leren, was hoe mensen in elkaar zitten. Teken je die goed, dan valt het niet op. Doe je het verkeerd, dan ziet iedereen het meteen. Lezers onderschatten hoe moeilijk het is om strips te maken. Door de heldere lijnen lijkten ze vaak zo simpel, maar het tegenovergestelde is waar. Het is echt een ambacht.
Mijn dag begint vroeg, om een uur of zes. Ik ga dan direct aan de slag. Vroeger tekende ik vijftien, zestien uur per dag. Maar sinds ik in 2012 een hartstilstand heb gehad, doe ik het iets rustiger aan. Nu werk ik gemiddeld tien uur. Zeven dagen in de week ja. Na al die jaren vind ik mijn werk nog steeds ongelofelijk leuk. Het houdt me in leven. Na het infarct was het een tijdje gitzwart in mijn hoofd. Als ik dan achter mijn tekentafel ging zitten, werd het beter.
Ik heb lang in het buitenland gewoond en gewerkt. Amerika, Spanje, Frankrijk, België; overal was mijn werk bekend. Maar in Nederland had buiten de stripwereld niemand van me gehoord. Dat komt omdat mensen hier met minachting naar strips kijken. Ze zien het als plat, commercieel vermaak. Volledig onterecht. ‘De Calvinisten boven de Moerdijk zijn mensen van het woord’, zei schrijver Jan Siebelink eens tegen me. ‘Daaronder waarderen ze het beeld.’ Hij had helemaal gelijk. Ik kan me er op mijn 74ste nog steeds kwaad over maken dat er hier zo op strips wordt neergekeken. Wat mij betreft is er geen hoge of lage kunst, alleen goed of slecht werk.
Zelf ben ik pas doorgebroken toen ik me buiten de traditionele stripwereld begaf, met mijn verstripte versies van onder andere De Avonden van Gerard Reve en Turks Fruit van Jan Wolkers. Het was anders en uniek dat ik beroemde romans in een beeldverhaal wist te gieten, zonder er één woord uit weg te laten. De literaire wereld was met stomheid geslagen. Ineens zagen schrijvers wat tekeningen kunnen toevoegen. Ik stond ik in alle kranten, zat bij elke talkshow. Helaas heeft het uiteindelijk weinig opgeleverd; onderaan de streep wordt er nog steeds denigrerend over strips gedaan.
Het verstrippen van een boek is ongelofelijk arbeidsintensief. Ik ben al snel negen maanden bezig om te bepalen welke tekst waar moet komen, en hoe ik de plaatjes over de pagina’s ga verdelen. Het is één grote puzzel. Pas als die van begin tot eind klopt, begint het tekenwerk. Daar ben ik dan nog minstens evenveel tijd aan kwijt. Ik doe het vooral voor mijn eigen plezier; rijk word ik er niet van.
Eén van de schrijvers die al lang op mijn verlanglijstje stond, was Simon Carmiggelt. Ik verstrip nu zo’n vijftig van zijn columns, uit verschillende periodes van zijn leven. Bij de slapstickachtige verhaaltjes uit zijn jonge jaren maak ik karikaturale tekeningen. Zijn melancholische kroegverhalen verbeeld ik juist realistisch. Zo kan ik alle stijlen die ik mezelf in de loop van mijn leven heb aangeleerd erin kwijt.
Op welk werk ik het meest trots ben? Dat gevoel ken ik niet. Als ik aan iets nieuws begin, heb ik geen idee hoe ik het moet aanpakken. Zit ik er middenin, dan vind ik mezelf eventjes geniaal. En aan het eind voel ik me een grote mislukkeling. Het kan immers altijd beter; als je tevreden bent, kun je net zo goed meteen stoppen met werken. Eigenlijk zou ik middenin een boek zelfmoord moeten plegen. Dan ga ik gelukkig dood.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 

STRIPMAKER FRED DE HEIJ

24 Jul

2017-07-22 NDC Fred de Heij jpg.jpgFoto: ©Peter Beemsterboer | StripGlossy.

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 22 juli 2017.

Naam: Fred de Heij
Leeftijd: 57
Geboorteplaats: Amsterdam
Opleiding: Rietveld Academie
Woonplaats: Zaandam
Werk: Publiceert onder andere in Eppo en StripGlossy. Tekende eerder onder meer voor Donald Duck, Tina en Taptoe. Richtte het stripblad Pulpman op. Winnaar Stripschapprijs 2014. Is behalve stripmaker ook illustrator en schilder.
Privé: Getrouwd, twee kinderen van 27 en 29

——————————————————————————————————————————

“Als je, zoals ik, erg van tekenen houdt, zit je met strips goed. Een striptekenaar moet immers heel veel verschillende plaatjes maken. Heerlijk vind ik dat; hoe meer, hoe beter. Ik illustreer ook kinderboeken, en ik schilder. Dat doe ik met ongelofelijk veel plezier, maar striptekenen heeft iets speciaals. Het geeft je als tekenaar de mogelijkheid om een heel verhaal tot leven te brengen, in plaats van dat je er één beeld uitlicht. Ik kan al mijn gevoel erin kwijt. Bovendien kun je je als stripmaker nergens achter verschuilen; je moet álles kunnen tekenen. Wat dat betreft is het een fantastische leerschool.
Als kind tekende ik al strips. Mijn vader vond mijn enthousiasme zo leuk, dat hij op mijn twaalfde een afspraak met stripgrootheid Piet Wijn voor me regelde. Wijn werkte onder andere voor de Toonder Studio’s, Het Parool en Tina. In zijn atelier keek ik mijn ogen uit; dat wilde ik ook! Gaandeweg werd ik het gepriegel echter een beetje zat. Groot werken met verf en kwasten; dat vond ik als puber veel interessanter. Dus koos ik voor de Rietveld Academie.
Eind jaren ’80 ging het toch weer kriebelen en besloot ik het striptekenen opnieuw op te pakken. Met wat voorbeelden onder mijn arm ging ik langs bij mijn oude leraar, The Tjong Khing. Khing is zelf ook striptekenaar. Zijn stimulerende woorden waren misschien net het duwtje in de rug dat ik nodig had. De eerste strippagina’s die ik naar het tijdschrift Wordt Vervolgd stuurde, werden meteen geplaatst. Van het een kwam het ander, en nu creëer ik alweer bijna twintig jaar strips. Of ik nu voor Tina of Penthouse werk, maakt niet uit; als ik maar kan tekenen, is het me allemaal even lief.
Ik lees trouwens ook heel graag strips; mijn huis en atelier staan er tjokvol mee. Zolang het verhaal en de tekeningen goed zijn, ga ik helemaal in een album op. Dan kijk ik dus niet met een professioneel oog, maar gewoon als lezer die vermaakt wil worden. Helaas gebeurt het ook wel eens dat de tekeningen me gaan irriteren. Bijvoorbeeld omdat de lijnen onlogisch zijn, of er een schaduw op de verkeerde plek staat. Dan is de magie weg, en lees ik het boek niet uit. Voor mij is het heel belangrijk dat de beelden kloppen. Vandaar dat ik zelf realistisch teken; dat maakt het makkelijker om in een andere wereld op te gaan.
Het wisselt per strip hoe snel ik teken. Bij sommigen doe ik twee dagen over een pagina, van anderen maak ik meerdere pagina’s op een dag. Een pagina die helemaal af is, gaat in een multomap. Het is het ultieme geluk om daarin dagelijks een verhaal te zien groeien. Maar eenmaal klaar kijk ik nooit meer naar oud werk. Er is nog zoveel méér te tekenen. Om inspiratie zit ik nooit verlegen; ik heb eerder te veel ideeën. Meer dan ik in één leven kan uitvoeren.
Een bijzonder project waar ik afgelopen tijd aan heb gewerkt, is Fflint. Dat beeldverhaal over amateurwetenschapper Llewelyn Fflint, die in het Victoriaanse Londen mysterieuze moorden oplost, werd in de jaren ’70 door Peter van Straaten getekend. Een succes was het toen niet; na drie afleveringen moest hij er al mee stoppen. Schrijver en acteur Ger Apeldoorn wilde de serie nieuw leven inblazen, en vroeg mij de illustraties te maken. Nu ligt er het boek Fflint en het mysterie van de Nevelhaaien. Het eerste verhaal daarin is een bewerking van de oude versie, de volgende drie heeft Ger zelf geschreven. Hij stuurde mij de tekst, met wat suggesties voor het beeld. Vervolgens heb ik allerlei afbeeldingen van Londen rond 1882 gezocht. Gaslampen, kleding; ik heb ze precies zo getekend als ze toen waren. Pas toen het album af was, heb ik naar het origineel van Peter van Straaten gekeken. Gelukkig bleken de twee niet te vergelijken. Overigens heeft Van Straaten onze versie vlak voor zijn dood nog gezien. Grappig genoeg kon hij zich geheel niet herinneren dat hij Fflint ooit zelf had geïllustreerd.
Stripmakers zijn vaak geweldige tekenaars. Maar een hoog aanzien hebben ze meestal niet. Toen een oud-klasgenoot hoorde dat ik nu vooral strips maak, zei ze: “Wat zonde”. Daar moest ik alleen maar hartelijk om lachen. Status zegt me niets; het gaat mij puur om het plezier van het werk. Vandaar ook dat ik tegen kinderen die striptekenaar willen worden zeg: gewoon doen. Een mooier beroep is er niet.”

Dit interview is totstandgekomen in samenwerking met StripGlossy, het grootste stripmagazine van Nederland en Vlaanderen. 
%d bloggers liken dit: